Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 januari 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever doet (tot dan free lance-contract) aanbod voor
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verzoekster geeft na ongeveer een
half jaar aan dit te willen accepteren. Tevens geeft zij aan zwanger te zijn.
Werkgever wil geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd meer aangaan omdat
de omstandigheden gewijzigd zijn. Dit komt de Commissie als niet aannemelijk
voor omdat

– plannen voor een voorgenomen fusie inmiddels in een vergevorderd
stadium zijn;

– de arbeidsverhoudingen tussen verzoekster en wederpartij inmiddels is
verstoord.

De Commissie voegt hieraan toe dat partijen wel een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd zijn aangegaan, tijdens welke verzoekster enige maanden
afwezig zou zijn in verband met de zwangerschap.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 7 mei 1991 verzocht mevrouw … te Den Haag (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel
uit te spreken over de vraag of de Stichting Kunstkanaal te Den Haag, thans
opgegaan in de … te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (Stb. 1989, 168).

Verzoekster was in 1988 als free lance produktie-

medewerkster werkzaam voor de wederpartij. In 1989 hebben partijen
gesproken over het aangaan van een arbeidsovereen komst voor onbepaalde tijd.
De wederpartij zag daar volgens verzoekster van af toen bleek dat zij zwanger
was. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid heeft
gemaakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster verzocht de Commissie aanvankelijk een
spoedprocedure toe te passen. In verband met het ontbreken van een spoedeisend
belang is de Commissie daar niet toe overgegaan. Zij heeft de normale
procedure gehanteerd.

2.2. Partijen hebben ieder enkele malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.3. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op

4 december 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw … (verzoekster)

– mw mr G. van Driem (advocate)

– mw … (ex-medewerkster wederpartij)

van de kant van de wederpartij

– mw … (algemeen directeur)

– dhr … (algemeen directeur)

– dhr mr F.B.J. Grapperhaus (advocaat)

– dhr … (bestuurslid wederpartij)

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is ontstaan uit een joint venture- overeenkomst
tussen de Stichting Kunstkanaal in Den Haag (hierna: organisatie A) en de
Culturele Hoofdstadzender in Amsterdam (hierna: organisatie B). Medio 1988
zijn de besprekingen over deze joint venture gestart. Het laatste kwartaal van
1989 werd door beide partners gezien als een aanloopperiode. In deze periode
zijn diverse gesprekken gevoerd over de toekomstige samenwerking. Vanaf 1
januari 1990 vormen beide partners praktisch gesproken een organisatie,
formeel is deze organisatie per 1 januari 1991 tot stand gekomen.

3.2. Verzoekster werkte vanaf april 1988 als free lance
produktieleidster voor organisatie A, later de wederpartij. In het voorjaar
van 1989 hebben partijen gesproken over het aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verzoekster heeft toen te kennen
gegeven nog te willen nadenken over het salaris. Afgesproken werd dat wanneer
zij de arbeidsovereenkomst wilde laten ingaan, zij de stichting die de
salarisadministratie van de wederpartij voerde zou informeren.

Gedurende de zomermaanden zijn er in het kader van deze
arbeidsovereenkomst geen verdere handelingen verricht door verzoekster of de
wederpartij. Verzoekster had immers bedenktijd gevraagd en in de zomerperiode
liggen de activiteiten van de wederpartij stil.

Na de hervatting van de werkzaamheden in augustus 1989 heeft de
wederpartij in een brief aan verzoekster, gedateerd 7 september 1989, de
aanstelling van verzoekster per 1 augustus 1989 bevestigd. Ook toen heeft
verzoekster niet kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst tot stand te willen
laten komen. In deze periode is zij op free lance basis werkzaam gebleven voor
de wederpartij. Tot eind 1989 heeft zij declaraties ingediend.

3.3. Ongeveer een maand na bovengenoemde brief, op 19 oktober 1989 (in
de stukken is abusievelijk 19 november 1989 als datum vermeld), vond een
bijeenkomst plaats van het personeel van beide partners in de toekomstige
joint venture. Verzoekster en haar collega spraken tijdens deze bijeenkomst
hun twijfels uit over de gevolgen die de voorgenomen joint venture zou hebben
voor hun functies. Zij zijn van mening dat hun belangen niet goed zijn
vertegenwoordigd door de directeur van organisatie A (hierna: de directeur).
Laatstgenoemde verwijt verzoekster en collega een gebrek aan ondersteuning
voor de plannen. Ter zitting is vast komen staan dat deze bespreking oorzaak
is van de verstoorde arbeidsverhouding die daarna bestond tussen verzoekster,
respectievelijk haar collega, en de wederpartij. De collega van verzoekster
heeft dit ter zitting bevestigd.

Ter zitting is gebleken dat verzoekster korte tijd na deze bespreking de
directeur heeft verteld dat zij zwanger was. Tevens gaf zij toen aan dat zij
de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wilde laten ingaan. De directeur
stelde toen echter dat dit niet mogelijk was omdat een nieuwe situatie was
ontstaan. Wel heeft de wederpartij verzoekster toen een arbeidsovereenkomst
voor de duur van een jaar aangeboden. Na enig onderhandelen over de
salariering en de ingangsdatum, in verband met de uitkering tijdens
zwangerschaps- en bevallingsverlof, is deze op 1 december 1989 ingegaan.

3.4. In mei 1990 is verzoekster bevallen. Na de periode van het
zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft verzoekster zich ziek gemeld. Als
reden hiervoor geeft zij aan de slechte werksfeer die was ontstaan. Na afloop
van het contract tussen partijen op 30 november 1990 zijn zij geen nieuwe
arbeids- of free lance overeenkomst aangegaan.

3.5. In juli 1990 ontving verzoekster een brief van een bestuurslid van
de wederpartij. Deze gaat in deze brief niet in op de zwangerschap van
verzoekster als reden voor de ontstane situatie. Ter zitting verklaarde hij
absoluut niet de indruk te hebben dat verzoeksters zwangerschap een rol heeft
gespeeld.

In een brief van januari 1991 van verzoekster aan het bestuur, wijt
verzoekster haar ‘ontslag’ aan de ernstig verstoorde werkverhouding met de
directeur. In deze brief geeft zij aan het fair te hebben geacht melding te
maken van haar zwangerschap op het moment dat zij duidelijk maakte de
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te willen aangaan. Tevens stelt zij
in deze brief het, ondanks de gewijzigde omstandigheden, uit sociaal oogpunt
nogal vreemd te vinden dat haar toen slechts een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd werd aangeboden.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster is van mening dat de wederpartij jegens haar
onderscheid heeft gemaakt op grond van zwangerschap en derhalve heeft
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Ter ondersteuning
voert zij het volgende aan.

In de brief van 7 september 1989, verzoekster sluit overigens niet uit
deze reeds eerder te hebben ontvangen, bevestigt de wederpartij de
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verzoekster hoefde slechts de
salarisadministratie te informeren om de arbeidsovereenkomst te laten ingaan.
De wederpartij kon haar toezegging in de brief van 7 september 1989 derhalve
niet intrekken.

Omdat verzoekster zwanger was toen zij de arbeidsovereenkomst wilde
laten ingaan, heeft zij ervoor gekozen niet meteen naar de
salarisadministratie te gaan maar eerst de directeur op de hoogte te stellen
van haar zwangerschap. Deze wilde toen plotseling geen arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd meer aangaan.

De wederpartij heeft volgens verzoekster op dat moment niet expliciet
gezegd dat de reden voor de weigering was het feit dat zij zwanger was. Pas
later, waarschijnlijk begin 1991, realiseerde verzoekster zich dat haar
zwangerschap de oorzaak moet zijn geweest. Was zij immers meteen naar de
salarisadministratie gegaan dan was wel een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd tot stand gekomen. Bovendien zei de directeur toen zij
protesteerde tegen het feit dat haar slechts een contract voor bepaalde tijd
werd aangeboden, dat zij blij mocht zijn dat de wederpartij iemand die zwanger
is in dienst wilde nemen.

Dat verzoekster op deze grond niet eerder heeft geageerd bij de
wederpartij kan haar niet verweten worden omdat zij toen niet op de hoogte was
van haar rechten. Verzoekster voelde zich gedwongen accoord te gaan met deze
arbeidsovereenkomst omdat zij vreesde anders tijdens en na de zwangerschap
geen uitkering te zullen ontvangen van de bedrijfsvereniging.

3.7. Verder stelt verzoekster nimmer te hebben gezegd dat zij wilde
afzien van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, noch heeft de
wederpartij haar op enig moment verteld dat deze van de baan zou zijn. Dat
verzoekster tot eind 1989 als free lancer bleef declareren doet daar niet aan
af. Zij was hiertoe genoodzaakt omdat de wederpartij haar het contract
weigerde. Bovendien had zij met de wederpartij afgesproken dat zij op free
lance basis zou blijven declareren tot het moment waarop de
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou ingaan.

Ten slotte stelt verzoekster het niet waarschijnlijk te achten dat een
eenmalige frictie, namelijk die op

19 oktober 1989, aanleiding is om een toezegging in te trekken.

3.8. De wederpartij bestrijdt de stelling van verzoekster dat de
zwangerschap reden is geweest voor het feit dat geen arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd tot stand is gekomen.

Verzoekster heeft tot na de bespreking op 19 oktober 1989 nimmer
definitief aangegeven of zij de arbeidsovereenkomst wel of niet wilde laten
ingaan. Alleen in het voorjaar van 1989 gaf zij duidelijk aan een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te willen aangaan. Zij gaf toen
echter tevens aan te willen nadenken over het voorstel en bleef steeds
declaraties indienen als free lancer. De wederpartij ging er daarom van uit
dat verzoekster afzag van deze arbeidsovereenkomst. Eind oktober, of uiterlijk
begin november 1989, kwam zij daarop terug.

Op dat moment was de situatie echter gewijzigd. De voorbereidingen voor
de samenwerking met organisatie B waren in volle gang en de directeur wilde
daarom eerst overleg plegen. Bij organisatie B was het gebruikelijk eerst een
arbeidsovereenkomst voor de periode van een jaar aan te gaan. Bovendien waren
de arbeidsverhoudingen tussen partijen verstoord geraakt door de
gebeurtenissen tijdens de bijeenkomst op 19 oktober 1989. Besloten is toen
verzoekster een arbeidsovereenkomst voor een jaar aan te bieden. Met de
mogelijkheid na de zwangerschap van verzoekster de situatie opnieuw te
bezien.

De wederpartij stelt verzoekster ter wille te zijn geweest door de
arbeidsovereenkomst op een zodanig tijdstip te laten ingaan dat verzoekster in
aanmerking zou komen voor een uitkering tijdens het zwangerschaps- en
bevallingsverlof.

De wederpartij ontkent dat de directeur of een andere medewerker de
opmerking zou hebben gemaakt als vermeld onder 3.6.

3.9. Concluderend stelt de wederpartij dat de zwangerschap van
verzoekster nooit een rol heeft gespeeld bij het al dan niet aangaan van een
arbeidsovereenkomst. Bij verzoekster heeft haar zwangerschap, om
uitkeringstechnische redenen, wel een rol gespeeld.

De wederpartij voegt hier aan toe dat verzoekster heeft nagelaten de
openstaande civielrechtelijke wegen te bewandelen. Wanneer verzoekster van
mening is dat toch een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was aangegaan,
had zij de nietigheid van de beeindiging in kunnen roepen. Dit heeft zij niet
gedaan, ook niet toen zij zich had voorzien van een advocaat. Verder wijst de
wederpartij op de brief van verzoekster aan het bestuur en op de
briefwisseling met een bestuurslid. In beide brieven spreekt verzoekster niet
over de nietigheid van de beeindiging van de arbeidsovereenkomst of de rol die
de zwangerschap zou hebben gespeeld bij de besluitvorming van de wederpartij.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij heeft gehandeld in strijd
met de wetgeving inzake gelijke behandeling door met verzoekster om reden van
haar zwangerschap geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd maar slechts
een voor bepaalde tijd aan te gaan.

Artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) verbiedt de werkgever
onderscheid te maken op grond van geslacht bij onder meer het aangaan van een
arbeidsovereenkomst. Artikel 1637ij lid 5 BW geeft aan wat moet worden
verstaan onder onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onderscheid op grond van
zwangerschap is blijkens deze bepaling een vorm van direct onderscheid. De Wet
biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid, anders dan
de gronden opgenomen in artikel 1637ij lid 2-4 BW. Deze uitzonderingen zijn
hier niet van toepassing.

4.2. Het oordeel van de Commissie over de in geding zijnde vraag luidt
als volgt.

Uit de verklaringen ter zitting is gebleken dat verzoekster na 19
oktober 1989, de datum van de bijeenkomst over de fusie, aan de wederpartij
kenbaar heeft gemaakt de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te willen
laten ingaan. Dat op dat moment voor de wederpartij sprake was van een nieuwe
situatie komt de Commissie niet als onaannemelijk voor. De fusie met
organisatie B (waar het gebruikelijk was eerst een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd aan te gaan) bevond zich inmiddels in een verder gevorderd
stadium. Bovendien, zo is gebleken, was er vanaf 19 oktober, dus voordat
verzoekster de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wilde laten ingaan,
sprake van een verstoorde arbeidsverhouding tussen verzoekster en de
directeur. Verzoekster had immers kenbaar gemaakt twijfels te hebben bij de
gevolgen van de fusie, een fusie die op dat moment steeds meer naderbij kwam.
Dat dit aanleiding was voor enige aarzeling over het aangaan van een
arbeidsovereenkomst met verzoekster is begrijpelijk.

Verzoekster baseert zich bij haar vermoeden dat de wederpartij jegens
haar onderscheid heeft gemaakt op grond van zwangerschap op het gegeven dat de
wederpartij in het voorjaar van 1989 wel de bereidheid bezat tot het aangaan
van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en later, toen zij inmiddels
op de hoogte was van de zwangerschap van verzoekster, niet meer. Gezien het
hiervoor reeds overwogene acht de Commissie dit gegeven op zichzelf
onvoldoende om een vermoeden van onderscheid op grond van zwangerschap op te
baseren.

Dit geldt te meer nu de wederpartij met verzoekster wel een
arbeidsovereenkomst voor een jaar is aangegaan, waarbij zij vooraf wist dat
verzoekster gedurende een aantal maanden afwezig zou zijn, juist in verband
met deze zwangerschap.

Verzoekster is er dan ook naar het oordeel van de Commissie niet in
geslaagd aannemelijk te maken dat de wederpartij om reden van haar
zwangerschap afzag van het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd. De Commissie concludeert derhalve dat zij niet heeft kunnen vaststellen
dat de wederpartij jegens verzoekster heeft gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat de … te Amsterdam bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst
jegens mevrouw … te Den Haag onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, in
strijd met artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

prof. mr P.F. van der Heijden, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps,secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 28 januari 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster vergelijkt zich wat betreft haar werkzaamheden met een
mannelijke collega (maatman) die meer salaris ontvangt. Uit het
functiewaarderingsonderzoek dat door de Commissie is ingesteld blijkt dat de
arbeid van verzoekster en maatman niet van (nagenoeg) gelijke waarde is. Geen
onderscheid naar geslacht bij de beloning.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 november 1990 verzocht mevrouw … (hierna: verzoekster) te
Lith de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of … (hierna: de wederpartij) te Oss
jegens haar onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is sinds april 1983 bij de wederpartij werkzaam. Zij
stelt dat zij in oktober 1989 een mannelijke collega, de heer … (hierna:
maatman), is opgevolgd in de functie van administrateur. Verzoekster is van
mening dat de arbeid die zij verricht van gelijke dan wel nagenoeg gelijke
waarde is als die van de maatman destijds, terwijl zij een lager loon
ontvangt.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt
op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Verzoekster heeft eveneens het oordeel van de Commissie gevraagd omtrent
de pensioenregeling die de wederpartij hanteert. De vraagstelling met
betrekking tot de pensioenregeling zal in een afzonderlijk oordeel behandeld
worden.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

2.2. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
weer te geven.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Zij is hierbij
ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken
gevoerd met verzoekster, de wederpartij en de maatman. Van het onderzoek ter
plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd

5 juli 1991.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 11 december 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw … (verzoekster)

– dhr … (toehoorder)

van de kant van de wederpartij

– dhr … (directeur)

– dhr … (maatman)

– dhr mr … (gemachtigde DAS Rechtsbijstand)

van de kant van de LTD

– dhr ing. P.J.M.A. Rila (bedrijfskundige)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een makelaarskantoor en is gelieerd met een
assurantiekantoor. Het bedrijf bestaat uit een binnen- en een buitendienst. In
de binnendienst zijn 6 medewerkers werkzaam (vijf vrouwen, waaronder
verzoekster, en de maatman). In de buitendienst zijn drie makelaars werkzaam
(allen mannen).

Verzoekster is op 25 april 1983 bij de wederpartij in dienst getreden
als medewerkster financiele administratie. Zij is belast met de uitvoering van
diverse voorkomende werkzaamheden op de afdeling financiele administratie. In
de loop van de dienstbetrekking is haar takenpakket uitgebreid.

Zij was bij indiensttreding 18 jaar (geboortedatum 30 januari 1965).
Haar loon bedroeg toen ƒ 1.075,60 bruto per maand.

In oktober 1989 bedroeg haar loon ƒ 2.236,-. Momenteel bedraagt haar
loon ƒ 2.460,- bruto per maand.

Verzoekster had bij indiensttreding geen werkervaring. Zij heeft
diploma’s gehaald voor de volgende opleidingen: L.E.A.O.;
middenstands-opleiding; steno; typen; Nederlandse handelscorrespondentie.
Tijdens het dienstverband heeft zij de opleiding Praktijkdiploma Boekhouden
gevolgd, maar heeft de opleiding niet afgerond.

De maatman, waar verzoekster zich qua functie mee vergelijkt, is op 8
februari 1982 in dienst getreden als administrateur. Hij was toen 28 jaar
(geboortedatum

25 januari 1954). Als administrateur was hij belast met de leiding van
de financiele administratie. Zijn loon bedroeg bij indiensttreding ƒ 2.677,-
bruto per maand.

In oktober 1989 is de maatman bevorderd naar de functie van
office-manager en moest hij leiding geven aan de binnendienst. Zijn loon
bedroeg voordat hij office-manager werd ƒ 3.800,- bruto per maand.

De maatman is, voordat hij bij de wederpartij werkte, bij een bank
werkzaam geweest, doch niet als administrateur. Naast het MULO-diploma, bezit
de maatman het diploma van de middelbare detailhandelschool, het
Praktijkdiploma Boekhouden en het MBA- diploma. Voorts heeft de maatman een
cursus automatisering gevolgd.

Het verschil in loon van verzoekster ad ƒ 2.236,- en dat van maatman ad
ƒ 3.800,- per 1 oktober 1989 is ƒ 1.564,-.

3.2. De wederpartij hanteert geen functiewaarderingssysteem. Evenmin is
er een CAO van toepassing.

3.3. Ten behoeve van het onderzoek van de Commissie zijn de functies van
verzoekster en maatman geinventariseerd en gewaardeerd door een medewerker van
de LTD. Als beoordelingstijdvak voor de functie van verzoekster is gekozen
voor de periode vanaf 1 oktober 1989, het moment waarop verzoekster naar eigen
zeggen de voormalige functie (administrateur) van de maatman heeft
overgenomen. Het beoordelingstijdvak voor de functie van de maatman is de
periode voor 1 september 1989, de datum waarop de maatman bevorderd is.

Aangezien de wederpartij geen functiewaarderingssysteem hanteert, zijn
de functies gewaardeerd aan de hand van een gangbaar
functiewaarderingssysteem. De functie-beschrijvingen zijn gebaseerd op
verklaringen van de wederpartij, verzoekster en de maatman, en op de door
verzoekster en maatman ingevulde functie-informatie-formulieren. De
functiebeschrijvingen zijn geaccordeerd door verzoekster, maatman en de
wederpartij.

Bij de waardering van de functies is uitgegaan van deze
functiebeschrijvingen. De waardering heeft geleid tot een score van 102 punten
voor de huidige functie van verzoekster en een score van 184 punten voor de
vorige functie van maatman (administrateur). In het gehanteerde
functiewaarderingssysteem wordt bij dergelijke functieniveaus een bandbreedte
van 20 punten aangehouden.

3.4. Ten aanzien van het beloningsbeleid van de wederpartij is het
volgende gebleken.

Het loon van verzoekster bij haar indiensttreding was gebaseerd op het
wettelijk minimum jeugdloon. De wederpartij kende jaarlijks loonsverhogingen
toe aan de hand van het beloningsbeleid van collega-makelaars in de regio. Het
beloningsbeleid van de wederpartij sloot redelijk aan bij de salarisschalen
van de CAO voor het Verzekeringsbedrijf. Daarom nam de wederpartij de laatste
3 a 4 jaren deze CAO als uitgangspunt bij het bepalen van de lonen van de vijf
vrouwen in de binnendienst. In deze CAO zijn 4 functiegroepen te vinden met
loonschalen. De wederpartij volgt echter niet consequent de criteria van de
CAO, maar bepaalt zelf aan welke criteria een werknemer moet voldoen om in een
bepaalde functiegroep te komen. Thans wordt op papier gezet welke artikelen
van deze CAO wel en niet in het bedrijf toegepast (zullen) worden. De
wederpartij zal haar werknemers te zijner tijd op de hoogte stellen van de
resultaten.

De wederpartij hanteert naar eigen zeggen het volgende beloningsbeleid.
Een werknemer komt in:

– groep 1 van de CAO op het moment dat hij in vaste dienst treedt;

– groep 2 indien arbeid wordt verricht zoals omschreven in de
niveau-karakteristieken van de CAO, te weten arbeid van minder automatisch
karakter, waarvoor de werknemers moeten voldoen aan strengere eisen van
acuratesse en bepaalde eisen van vakkennis respectievelijk arbeid, waarvoor
praktijkervaring noodzakelijk is;

– groep 3 indien ‘leidinggeven’ tot het takenpakket hoort;

– groep 4 indien arbeid wordt verricht zoals omschreven in de
niveau-karakteristieken van de CAO, te weten arbeid die uitgebreide en/of
gespecialiseerde vak- en bedrijfskennis vereist en/of waarbij het geven van
leiding in ruimere mate noodzakelijk is.

Voor het vaststellen van de schaalhoogte binnen een functiegroep is in
de CAO alleen de leeftijd bepalend. Binnen de schaalhoogte kan men,
afhankelijk van de inzet en/of prestatie een minimum, maximum of daartussen
liggend salaris ontvangen.

Verzoekster is ingedeeld in groep 2. Het minimum respectievelijk
maximumsalaris dat zij, gelet op haar leeftijd, momenteel volgens deze
indeling kan verdienen is ƒ 2.395,- respectievelijk ƒ 2.667,-. Haar salaris

(ƒ 2.460,-) ligt hier dus tussenin.

De maatman is niet volgens bovenstaande criteria ingedeeld. Bij het
vaststellen van zijn salaris heeft de wederpartij diens laatstgenoten salaris
bij zijn vorige werkgever (een bank) als uitgangspunt genomen. Daarna is zijn
salaris elk jaar verhoogd, waarbij de CAO voor het Bankbedrijf als leidraad
diende.

Ook in deze CAO speelden leeftijd en diensttijd een rol. Bij de
bevordering van de maatman heeft de wederpartij dit beleid losgelaten en is
met de maatman overeengekomen dat deze tot 1993 een jaarlijkse verhoging
krijgt van ƒ 150,- bruto per maand.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt dat de werkzaamheden die de maatman tot oktober
1989 verrichtte vanaf dat moment (grotendeels) tot haar takenpakket zijn gaan
behoren. De maatman heeft dit aan haar meegedeeld in een gesprek in oktober
1989. Verzoekster is van mening dat zij vanaf die datum de functie uitoefent
van de maatman destijds. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij ook
na lezing van het Commissierapport niet inziet welke verschillen er in de
werkzaamheden van haar en die van de maatman zijn. Aangezien de arbeid die zij
verricht van (nagenoeg) gelijke waarde is als de arbeid van de maatman
destijds, is zij van mening dat zij gelijk beloond moet worden. Voorts heeft
verzoekster opgemerkt dat zij nog nooit vernomen had dat de wederpartij wat
betreft haar beloning een CAO als richtsnoer hanteert.

3.6. De wederpartij is van mening dat verzoekster niet dezelfde
werkzaamheden verricht als de maatman destijds en dus geen recht heeft op een
beloning gelijk aan die van de maatman. Verzoekster is op 25 april 1983 als
administratief medewerkster aangesteld en is nimmer als administratrice
aangesteld. De maatman is op 8 februari 1982 aangesteld als administrateur,
belast met de leiding van de afdeling financiele administratie en is in 1989
gepromoveerd tot office-manager. Maatman bekleedt nog steeds de functie van
administrateur; slechts zijn eindverantwoording is na zijn laatste promotie
uitgebreid. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de wederpartij een
schrijven overgelegd van haar accountant, waarin deze verklaart dat er geen
wijzigingen zijn opgetreden met betrekking tot de werkzaamheden die de
verschillende werknemers in de onderneming verrichten. Het benoemen van de
maatman heeft volgens de accountant dan ook geen invloed gehad op de
werkzaamheden die de maatman reeds daarvoor verrichtte.

Gelet op het verschil in functies kan daarom, naar de mening van de
wederpartij, van een vergelijking van verzoekster met maatman geen sprake
zijn. De reden waarom zij voor de maatman een andere CAO volgde dan voor
verzoekster is gelegen in het feit dat de CAO voor het Verzekeringsbedrijf
maar een beperkte doorloop in salarisopbouw kent en derhalve voor de functie
van maatman niet toereikend was. Aangezien maatman afkomstig was uit het
bankwezen heeft de wederpartij voor diens beloning aansluiting gezocht bij de
CAO voor het Bankbedrijf.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt op grond
van geslacht ten aanzien van verzoekster in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen door haar lager te belonen dan haar
mannelijke voorganger.

Het onderzoek van de Commissie strekt zich uit over de periode 1 oktober
1989 tot de datum van afsluiting van het onderzoek voor wat betreft de functie
van verzoekster. Voor de functie van maatman heeft zij het tijdvak vanaf 1982
tot september 1989 genomen ter toetsing.

De beloning van verzoekster en de maatman zal getoetst worden aan
artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168).

De artikelen 1637ij BW, 7 en volgende WGB schrijven voor dat een
werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in de beloning
bij arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde. In artikel 7 WGB is bepaald dat voor
de vergelijking van het loon uitgegaan moet worden van het loon dat een
arbeider van de andere kunne, die werkzaam is in dezelfde onderneming, voor
arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde pleegt te ontvangen. In
artikel 8 WGB is geregeld op welke wijze de arbeid gewaardeerd dient te
worden. Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan
van een deugdelijk stelsel van functiewaardering. Daarbij wordt zoveel
mogelijk aangesloten bij het stelsel dat normaliter gebruikt wordt in de
onderneming waarin de belanghebbende arbeider werkzaam is.

Van gelijk loon is volgens artikel 9 WGB, sprake indien het is berekend
op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

4.2. In het voorliggende geval is een voorganger als maatman aangewezen.
De vraag is of verzoekster zich mag vergelijken met haar voorganger. Het
EG-Hof van Justitie heeft uitgesproken (Macarthys Ltd tegen Smith, Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen d.d. 27 maar 1980, zaak 129/79.) (dat
er geen aanleiding is om aan een loonvergelijking de eis van gelijktijdigheid
te stellen. In navolging daarvan heeft de Commissie uitgesproken (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid d.d. 12 februari 1991,
oordeelnummer: 333-91-11) dat een verzoekster zich mag vergelijken met haar
voorganger.

4.3. Om de in geding zijnde vraag te kunnen beantwoorden, moet
allereerst vastgesteld worden of verzoekster en maatman arbeid van (nagenoeg)
gelijke waarde verrichtten.

De wederpartij past geen stelsel van functiewaardering toe. Daarom heeft
de Commissie met bijstand van de LTD de arbeid van verzoekster en maatman
gewaardeerd volgens een gangbaar functiewaarderingssysteem.

Verzoekster heeft ter zitting opgemerkt dat zij, ook na lezing van het
Commissierapport, nog steeds van mening is dat beide functies gelijk zijn. In
de functiebeschrijvingen ziet zij geen verschil.

Verzoekster heeft deze opmerkingen echter niet inhoudelijk onderbouwd.

De Commissie ziet dan ook geen aanleiding om bij haar oordeelsvorming af
te wijken van de resultaten van het functiewaarderingsonderzoek.

Uit het Commissierapport blijkt, dat de functie van verzoekster 102
punten scoort, en de functie van maatman destijds 184 punten. Het verschil
bedraagt dus 82 punten.

In het gebruikte functiewaarderingssysteem wordt voor de opeenvolgende
functiegroepen/salarisschalen bij dergelijke functieniveaus een verschil van
20 punten aangehouden.

De Commissie heeft al eerder uitgesproken, dat van arbeid van (nagenoeg)
gelijke waarde sprake is indien er tussen de scores van de functies niet meer
dan een halve klassebreedte -dus 10 punten- verschil is.

Nu er in de onderhavige situatie een verschil van 82 punten blijkt te
zijn, stelt zij vast dat er geen sprake is van arbeid van (nagenoeg) gelijke
waarde.

Verzoekster kan derhalve geen aanspraak maken op een beloning welke
gelijk is aan de beloning van maatman destijds.

Daarmee staat vast dat de wederpartij niet in strijd handelt met artikel
7 en volgende van de WGB.

4.4. De Commissie voegt hieraan het volgende toe.

Ofschoon de arbeid van verzoekster respectievelijk maatman niet van
(nagenoeg) gelijke waarde is en derhalve geen recht bestaat op gelijk loon,
acht zij het huidige beloningsverschil tussen beiden, ondanks het verschil in
functieniveau, toch opvallend. Hoewel het als zodanig buiten haar bevoegdheid
ligt om zich over wenselijke niveaus en systemen van beloning uit te spreken,
wijst de Commissie echter wat betreft beloningsmaatstaven in het algemeen op
het volgende.

Bij de vaststelling van de beloning van haar binnendienstmedewerkers
heeft de wederpartij voor haar vrouwelijke medewerkers enerzijds en haar
mannelijke medewerker anderzijds aansluiting gezocht bij twee verschillende
CAO’s, namelijk de CAO voor het Verzekeringsbedrijf respectievelijk de CAO
voor het Bankbedrijf.

De Commissie wijst er op, dat het maken van direct en indirect
onderscheid in arbeidsvoorwaarden tussen vrouwelijke en mannelijke medewerkers
verboden is krachtens artikel 1637ij BW. Voor het maken van direct onderscheid
is geen rechtvaardigingsgrond toegestaan dan die welke uitdrukkelijk in
artikel 1637ij BW en de WGB zijn erkend, namelijk de bescherming van het
moederschap en het geven van een voorkeursbehandeling aan vrouwen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat … te Oss geen
onderscheid op grond van geslacht maakt jegens mevrouw … te Lith in strijd
met artikel 7 en volgende van de WGB .

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 januari 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is een uitzendbureau. Zowel deeltijdwerkende als
voltijdwerkende uitzendkrachten ontvangen een gelijk netto uurloon in
gelijke omstandigheden. Indien men het loon van beide groepen werknemers
omrekent naar een bruto uurloon, blijkt dat het bruto uurloon van
deeltijdwerkers lager is dan dat van voltijdwerkers. Dit verschil in
beloning ontstaat door het Nederlandse belastingstelsel. Er is echter geen
vermoeden van indirect onderscheid omdat de cijfers uitwijzen dat er niet
een voor vrouwen nadelig effect is. De Commissie acht het niet uitgesloten
dat zij in een individueel geval wel tot strijd met de wetgeving gelijke
behandeling zou moeten concluderen. Dit zou het geval kunnen zijn indien
een in deeltijd werkende uitzendkracht zich -bij overigens gelijke
omstandigheden- qua beloning vergelijkt met een voltijdwerkende
uitzendkracht van het andere geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 19 juli 1991 verzocht de Dienstenbond FNV te Woerden (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Amsterdam (hierna: wederpartij) indirect onderscheid op grond van
geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. De wederpartij betaalt de uitzendkrachten die door haar uitgeleend
worden een netto uurloon. Deeltijd- en voltijdwerkers ontvangen een gelijk
netto uurloon. Verzoeker is van mening dat de wederpartij aan deeltijd- en
voltijdwerkers een gelijk bruto uurloon zou moeten betalen. Door dit niet
te doen, maakt de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht in het
nadeel van vrouwen. Dit is volgens verzoeker in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.

Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad om hun
standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft op grond van artikel 18 WGB nadere informatie
ingewonnen bij de Algemene Bond Uitzendondernemingen en bij het Centraal
Bureau voor de Statistiek.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd om nogmaals hun
standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 8 december 1992. Partijen
hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

– mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II. In deze Kamer hebben zitting
de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een uitzendbureau. Zij betaalt de uitzendkrachten
die via haar bij een inlener gaan werken een netto uurloon. Zowel
deeltijdwerkers als voltijdwerkers ontvangen een gelijk netto uurloon in
gelijke omstandigheden. Indien men het loon van beide groepen werknemers
zou omrekenen naar een bruto uurloon, zou blijken dat het bruto uurloon van
deeltijdwerkers lager is dan dat van voltijdwerkers. Indien deeltijd- en
voltijdwerkers een gelijk bruto uurloon zouden ontvangen, zouden
deeltijdwerkers een hoger netto uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Dit
verschil in netto beloning ontstaat doordat in het Nederlandse
belastingstelsel degenen met een relatief lager inkomen minder
loonbelasting en sociale verzekeringspremies betalen dan degenen met een
hoger inkomen.

3.2. De wederpartij hanteert de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) voor
uitzendkrachten. In deze CAO zijn regels opgenomen met betrekking tot de
beloning van uitzendkrachten. In de CAO is onder andere een tabel opgenomen
met gegarandeerde basis-uurlonen (bruto). Het netto uurloon dat de
wederpartij aan uitzendkrachten betaalt, is in ieder geval gelijk aan het
gegarandeerde bruto loon na aftrek van loonbelasting en premies en is,
volgens de wederpartij, in veel gevallen zelfs hoger.

3.3. De wederpartij heeft in eerste instantie aangegeven dat zij niet
beschikte over gegevens omtrent het aantal mannen en vrouwen dat voltijds
dan wel in deeltijd bij haar werkt(e). Zij heeft wel in week 12 van het
jaar 1991 een steekproef gehouden. Onderstaande cijfers zijn het resultaat
van deze tussentijdse meting.

De resultaten van de steekproef zijn in absolute getallen:

totaal mannen vrouwen

< 38 uur 26.335 10.751 15.584 > 38 uur 9.578 5.497 4.081

totaal 35.913 16.248 19.665

In relatieve cijfers zijn de resultaten van de steekproef:

– van de vrouwelijke uitzendkrachten is 79% deeltijdwerkster;

– van de mannelijke uitzendkrachten is 66% deeltijdwerker.

Op grond van deze cijfers kan geconcludeerd worden dat, relatief gezien
iets meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken. De verhouding 79% vrouwen
tegenover 66% mannen is, omgerekend, namelijk 1,2:1.

In een latere fase van de procedure bij de Commissie heeft de wederpartij
de volgende gegevens overgelegd:

jaar deeltijd voltijd

man vrouw man vrouw

1989 56.558 72.777 41.054 23.699

1990 62.064 83.893 43.991 26.915

1991 63.130 85.214 40.402 24.023

Uit bovenstaande cijfers blijkt dat

in 1989 75% van de vrouwen en 57% van de mannen (1,3:1);

in 1990 75% van de vrouwen en 58% van de mannen (1,3:1);

in 1991 78% van de vrouwen en 60% van de mannen (1,3:1)

als uitzendkracht werkte op deeltijdbasis.

3.4. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft de volgende cijfers
overgelegd over het jaar 1990:

van het totaal aantal vrouwelijke uitzendkrachten (70.000) werken er 22.000
minder dan 20 uur (31%) en 48.000 meer dan 20 uur (69%) per week.

Van het totaal aantal mannelijke uitzendkrachten (73.000) werken er 16.000
minder dan 20 uren (22%) en 57.000 meer dan 20 uren per week (78%).

Er werken dus relatief meer vrouwen dan mannen minder dan 20 uur per week
op uitzendbasis, te weten 1,4 keer zoveel (31% van de vrouwen tegenover 22%
van de mannen).

Er werken relatief gezien meer mannen dan vrouwen meer dan 20 uur per week,
te weten 1,1:1.

3.5. De Algemene Bond Uitzendondernemingen beschikte niet over gegevens
over het aantal mannen en vrouwen dat op deeltijdbasis uitzendwerk
verricht.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker is van mening dat de wederpartij door bij deeltijdwerkers
uit te gaan van een netto loon, afgeleid van het netto uurloon van een
voltijdwerker, indirect onderscheid naar geslacht maakt in het nadeel van
vrouwen. Verzoeker acht dit in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Verzoeker stelt dat het netto-loonsysteem van de wederpartij
deeltijdwerkers benadeelt. Als werkgever dient de wederpartij behalve de
loonheffing (loonbelasting en premieheffing) ook de sociale
verzekeringspremies in te houden op het bruto salaris. Door een netto loon
af te spreken, berekend vanuit een bruto sfeer alsof er voltijds wordt
gewerkt, behoudt de wederpartij de voordelen die voor werknemers ontstaan
bij de afdracht van sociale verzekeringspremies.

Verzoeker stelt dat met name vrouwen deeltijdwerkers zijn en dat derhalve
met name vrouwen benadeeld worden. Uit de door de wederpartij overgelegde
cijfers van de steekproef blijkt volgens verzoeker dat zijn stelling juist
is. Zulks geldt naar de mening van verzoeker niet alleen in nominale
cijfers, maar ook procentueel.

Verzoeker merkt (in een latere fase van de procedure) op, dat uit de
cijfers die de wederpartij heeft overgelegd, zich het beeld aftekent dat
het aandeel mannen respectievelijk vrouwen onder de deeltijdwerkers elkaar
niet veel ontloopt. Verzoeker neemt echter aan dat het vooral jongere
mannen zijn die, bij gebreke aan voldoende aanbod van voltijds uitzendwerk,
genoegen nemen met een uitzending op deeltijdbasis. Boven de leeftijd van
30 jaar zouden volgens verzoeker degenen te vinden zijn (voornamelijk
vrouwen) die niet voor voltijds werk beschikbaar zijn. Verzoeker is daarom
van mening dat gegevens over de leeftijd van uitzendkrachten eveneens in
het onderzoek van de Commissie betrokken moeten worden. Verzoeker is op
grond hiervan ook van oordeel dat relevant is hoeveel mannen en vrouwen
hebben aangegeven op voltijd- of deeltijdbasis te willen werken bij de
wederpartij.

Verzoeker stelt verder dat met name kleine deeltijdwerkers benadeeld
worden, waarvan bekend is dat dat vooral vrouwen zijn.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

Zij is van mening dat zij door het hanteren van een netto-loonsysteem geen
enkel onderscheid tussen deeltijdwerkers en voltijdwerkers maakt. Op
zichzelf is het juist dat voor uitzendkrachten met een hoog (netto) loon
meer loonbelasting verschuldigd is dan voor uitzendkrachten die een laag
(netto) loon ontvangen. Het effect is inderdaad dat er een verschil
ontstaat tussen het bruto uurloon van een deeltijdwerker en een
voltijdwerker. Het is echter volgens de wederpartij zeer de vraag of zij
hiermee onderscheid maakt tussen beide groepen, aangezien ieder juist
hetzelfde netto uurloon ontvangt. Het is in feite de fiscus die, in de
belastingtarieven, een onderscheid maakt tussen voltijd- en deeltijdwerkers
omdat de belasting progressief is en een belastingvrije voet kent. In het
netto-loonsysteem dat de wederpartij hanteert, valt dit onderscheid weg
omdat zij de fiscale lasten voor haar rekening neemt. Het wegnemen van een
onderscheid waardoor in feite weer iedereen gelijk behandeld wordt, kan
naar het oordeel van de wederpartij niet gelijk gesteld worden aan het
maken van onderscheid.

Voorts betwist de wederpartij de stelling van verzoeker dat bij haar met
name vrouwen in deeltijd werken. Er zijn bij haar wel iets meer vrouwelijke
uitzendkrachten in deeltijd werkzaam dan mannelijke, maar het verschil is,
naar de mening van de wederpartij, betrekkelijk gering. Zeker als in
aanmerking genomen wordt, dat er bij haar in totaal meer vrouwelijke dan
mannelijke uitzendkrachten zijn. Alleen al om deze reden kan niet worden
gezegd dat haar beloningssysteem indirect onderscheid op grond van geslacht
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen
oplevert.

De wederpartij is -in tegenstelling tot verzoeker- van mening dat niet
relevant is welke leeftijd de uitzendkrachten hebben en dat evenmin
relevant is hoeveel mannen en vrouwen hebben aangegeven op voltijd- of
deeltijdbasis te willen werken.

Voor zover de Commissie toch van oordeel mocht zijn dat zij onderscheid
maakt tussen deeltijd- en voltijdwerkers, voert de wederpartij het volgende
aan.

Het maken van dit onderscheid is toegestaan, tenzij dit onderscheid in
werkelijkheid een indirect middel is om het loonpeil van deeltijdwerkers te
verlagen wegens de omstandigheid dat deze groep werknemers uitsluitend dan
wel overheersend uit vrouwen bestaat. De wederpartij verwijst naar een
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake
Jenkins/Kingsgate d.d. 31 maart 1981, zaak 96/80. Uit de argumenten die
hieronder zijn vermeld, blijkt volgens de wederpartij dat het onderscheid
een objectieve rechtvaardigingsgrond heeft. Iedere gedachte aan
discriminatie op grond van geslacht ten nadele van vrouwen is vreemd aan
het netto-loonsysteem zoals dat bij haar gehanteerd wordt.

De wederpartij voert ter rechtvaardiging van het door haar gehanteerde
netto-loonsyteem, de volgende argumenten aan:

* Het beloningssysteem is ook voor de uitzendkracht prettig, aangezien het
duidelijk en goed controleerbaar is en een prompte uitbetalingsmogelijkheid
biedt;

* Het is in de praktijk een belangrijk pluspunt voor haar gebleken in de
concurrentiestrijd bij het werven van uitzendkrachten;

* De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in antwoord op
kamervragen te kennen gegeven dat dit netto-loonsysteem niet in strijd is
met enige wettelijke bepaling, mits het daarmee samenhangende bruto loon
voldoet aan de bepalingen van wet en CAO, hetgeen het geval is;

* De netto lonen die zij met de uitzendkrachten afspreekt, liggen in de
praktijk over de hele linie iets tot veel hoger dan de netto lonen die de
uitzendkrachten zouden ontvangen bij betaling van de in de CAO voor
uitzendkrachten genoemde bruto lonen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in de arbeidsvoorwaarden
indirect onderscheid maakt op grond van geslacht dat in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor dat de
werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in, onder
andere, de arbeidsvoorwaarden. Onder onderscheid wordt zowel direct als
indirect onderscheid verstaan. Onder indirect onderscheid wordt verstaan
onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid
objectief gerechtvaardigd is (artikel 7A:1637ij lid 5 BW).

4.2. De Commissie heeft omtrent de toepasselijkheid van artikel 7A:1637ij
BW reeds eerder (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, d.d. 28 februari 1990, oordeelnummer 3-90-6 + 7, oordelenbundel I)
uitgesproken dat hiervan sprake is indien tussen het uitzendbureau en de
uitzendkracht een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7A:1637ij BW
bestaat. De Commissie baseert zich daarbij op de rechtspraak en literatuur.
Daarin wordt naar haar oordeel vrij algemeen aanvaard dat bij normale
uitzendsituaties zoals die welke beheerst worden door de CAO voor
uitzendkrachten, er doorgaans sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen
de uitzendkracht en het uitzendbureau. In elk geval geldt dit vanaf het
moment waarop de uitzendkracht daadwerkelijk arbeid verricht bij een
inlener tot het moment waarop die arbeid is beeindigd.

De Commissie is op grond van bovenstaande van oordeel dat artikel 7A:1637ij
BW van toepassing is in de onderhavige zaak.

4.3. Alvorens de in geding zijnde vraag te behandelen, moet eerst de vraag
beantwoord worden of de wederpartij een onderscheid maakt in de beloning
van deeltijd- en voltijdwerkers. De wederpartij is immers van mening dat
niet zij, maar de fiscus dat onderscheid maakt.

Het staat vast dat deeltijdwerkers een hoger netto uurloon zouden ontvangen
dan voltijdwerkers, indien de wederpartij aan deeltijdwerkers en
voltijdwerkers een gelijk bruto uurloon zou betalen. Artikel 119 EEG-
Verdrag schrijft voor dat mannelijke en vrouwelijke werknemers gelijk
beloond moeten worden voor gelijke arbeid. Onder beloning wordt in artikel
119 EEG-Verdrag verstaan het gewone basis- of minimumloon en alle overige
voordelen in geld of natura die de werkgever direct of indirect aan de
werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.

Uit twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
(EG-Hof) valt af te leiden dat het EG-Hof onder beloning in de zin van
artikel 119 EEG-Verdrag een bruto loon verstaat. In Worringham en
Humphreys/Lloyds Bank (D.d. 11 maart 1981, zaak 69/80, jurisprudentie 1981,
767) overweegt het EG-Hof het volgende: “Bedragen als de onderhavige, die
bij de berekening van het aan de werknemer verschuldigde bruto-salaris
worden meegeteld, en die rechtstreeks de berekening bepalen van andere aan
het salaris gekoppelde voordelen zoals afvloeiingsregelingen,
werkloosheidsuitkeringen, gezinstoelagen en

kredietfaciliteiten, vormen een bestanddeel van de beloning van de
werknemer in de zin van artikel 119, tweede alinea EEG-Verdrag, zelfs
wanneer zij door de werkgever onmiddellijk worden ingehouden en voor
rekening van de werknemer aan een pensioenfonds worden betaald.[…]”.

In Liefting/Academisch Ziekenhuis bij de Universiteit van Amsterdam (D.d.
18 september 1984, zaak 23/83, SEW 1 (1985) januari, p. 59 e.v.) overweegt
het EG-Hof: “[…] Bijgevolg zijn de bedragen die de overheidsorganen
gehouden zijn af te dragen uit hoofde van de door werknemers in
overheidsdienst verschuldigde sociale zekerheidspremies en die bij de
berekening van het aan ambtenaren verschuldigde bruto salaris worden
meegeteld, te beschouwen als beloning in de zin van artikel 119, voor zover
zij rechtstreeks bepalend zijn voor de berekening van andere aan het
salaris gekoppelde voordelen. […]”.

De Commissie is op grond van bovenstaande van oordeel, dat de bedragen die
de wederpartij afdraagt uit hoofde van de door werknemers verschuldigde
loonbelasting en premies, en die bij de berekening van het bruto salaris
worden meegeteld, zijn te beschouwen als loon. Deze bedragen zijn immers
mede bepalend voor de berekening van andere aan het salaris gekoppelde
voordelen, zoals bijvoorbeeld een werkloosheidsuitkering. De wederpartij
maakt derhalve een onderscheid in de beloning van deeltijd- en
voltijdwerkers door geen gelijk bruto uurloon uit te betalen.

4.4. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de wederpartij
hiermee een onderscheid naar geslacht maakt dat in strijd is met artikel
7A:1637ij BW. Daartoe moet eerst het nadelig effect naar geslacht gemeten
worden van het gehanteerde netto-loonsysteem. Met andere woorden: hoeveel
mannen en hoeveel vrouwen werken, relatief gezien, in deeltijd.

De Commissie merkt op dit punt op dat zij, in weerwil van de wens van
verzoeker, bij de berekening hiervan geen nadere uitsplitsing maakt naar
leeftijd.

De Commissie acht het binnen het kader van de wetgeving gelijke behandeling
niet juist om binnen de groep benadeelden nog een nadere onderscheiding
naar leeftijd aan te brengen. Deeltijdwerkers van jongere leeftijd worden
immers in dezelfde mate benadeeld als deeltijdwerkers van oudere leeftijd.

De Commissie heeft evenmin nadere gegevens opgevraagd betreffende de omvang
van de dienstbetrekking van de uitzendkrachten die bij de wederpartij
werken. Zij heeft hiervan afgezien omdat zij reeds beschikte over de
gegevens van het CBS (paragraaf 3.4.). Er waren geen aanwijzingen die het
vermoeden deed rijzen dat de wederpartij andere, afwijkende cijfers zou
kunnen overleggen. Daarnaast heeft de wederpartij aangegeven dat het
achterhalen van deze gegevens voor haar extreem hoge kosten mee zou
brengen.

De Commissie gaat bij de beoordeling van het effect naar geslacht dus uit
van de beschikbare gegevens uit paragraaf 3.3. en 3.4. De Commissie is van
oordeel dat relatieve cijfers gehanteerd dienen te worden bij deze
beoordeling van het effect naar geslacht. Daardoor wordt rekening gehouden
met het aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het bestand
van uitzendpersoneel dat met het netto-loonsysteem van de wederpartij
geconfronteerd wordt/zal worden.

Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel
hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld kunnen geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin tien vrouwen werken en 1000 mannen. Van
de vrouwen werken er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijders. Indien men aleen
kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten
nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er zijn immers negen
voruwen en negen mannen die benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn dat
met name de vrouwen nadelig getroffen worden: immers negen van de tien
vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen worden nadelig getroffen).

De cijfers die de Commissie tot haar beschikking heeft, geven een zeer
constant beeld weer.

De verhouding tussen het aantal vrouwelijke en mannelijke deeltijdwerkers
dat nadelig getroffen wordt door het netto-loonsysteem, is in de
steekproefperiode 1,2:1 en in de jaren ’89, ’90 en ’91 1,3:1. Uit de
landelijke cijfers van het CBS blijkt dat 1,4 keer zoveel vrouwen als
mannen minder dan 20 uur per week op uitzendbasis werken.

De Commissie acht een dergelijk verschil te klein om van een voor vrouwen
nadelig effect te spreken. Zij kan op grond van deze cijfers derhalve niet
uitspreken dat er een vermoeden van indirect onderscheid naar geslacht
rijst.

4.5. Ten overvloede wijst de Commissie op het volgende, hetgeen van belang
zou zijn indien de cijfers wel het voor vrouwen nadelige effect uitgewezen
hadden. Zij is van oordeel dat niet lichtvaardig aangenomen moet worden dat
er een objectieve rechtvaardiging is voor een gemaakt (indirect)
onderscheid. De Commissie verstaat onder een objectieve rechtvaardiging
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, d.d. 5
maart 1990, oordeelnummer 1-90-10, oordelenbundel I; Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen, Bilka Kaufhaus versus Weber von Hartz, d.d. 13
mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH
& Co. KG, zaak 171/88, d.d. 13 juli 1989).

– dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel
te dienen en

– daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit
doel te bereiken, terwijl

– dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

De argumenten die de wederpartij als objectieve rechtvaardiging heeft
aangevoerd (zie paragraaf 3.6.) voldoen niet aan de eisen die de Commissie
daaraan gebruikelijk stelt. De Commissie acht de twee eerstgenoemde
argumenten van de wederpartij van commerciele/financiele aard. De Commissie
heeft reeds eerder (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid, 18 oktober 1990, oordeelnummer 35-90-138, oordelenbundel I;
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 4 april
1991, oordeelnumer 339-91-16, oordelenbundel II) uitgesproken dat het
financiele argument op zich nooit voldoende is om als een zelfstandige en
objectieve rechtvaardigingsgrond te fungeren voor het maken van onderscheid
als bedoeld in de Wet.

Het feit dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het netto-
loonsysteem niet in strijd achtte met enige wettelijke bepaling, geldt
evenmin als een objectieve rechtvaardiging. De wederpartij heeft immers een
eigen verantwoordelijkheid om de wetgeving gelijke behandeling na te leven.

Het argument van de wederpartij dat zij conform de CAO beloont, doet niet
af aan het feit dat deeltijdwerkers een lager bruto uurloon verdienen dan
voltijdwerkers.

4.6. Tot slot merkt de Commissie op dat niet uitgesloten is dat zij in een
individueel geval wel tot strijd met de wetgeving gelijke behandeling
(artikel 7A:1637ij lid 1 BW juncto artikel 7 WGB) zou moeten concluderen.
Dit zou het geval kunnen zijn indien een in deeltijd werkende uitzendkracht
zich -bij overigens gelijke omstandigheden- qua beloning vergelijkt met een
voltijdwerkende uitzendkracht van het andere geslacht.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat er geen vermoeden is gerezen
dat te Amsterdam indirect onderscheid naar
geslacht maakt in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
door deeltijdwerkende uitzendkrachten een lager bruto uurloon te betalen
dan voltijdwerkers.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof.mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer), mwmr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mrM.M. Hubner (adjunct-secretaris).

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 24 januari 1992

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres is op 9-jarige leeftijd gedurende enige tijd seksueel misbruikt
door de vriend van haar moeder, gedaagde. Gedaagde is daarvoor
strafrechtelijk veroordeeld. Eiseres vordert een voorschot van ƒ 6500,=
op de door haar geleden immateriele schade. Gedaagde bestrijdt dat eiseres
gezien het tijdsverloop sedert de gebeurtenissen spoedeisend belang heeft.
De President stelt dat spoedeisendheid niet wordt afgemeten aan
tijdsverloop. Het spoedeisend belang is gelegen in het schadebeperkend
effect dat een snelle reactie in de vorm van een door de rechter bevolen
betaling van een voorschot heeft.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

1.1. Ter terechtzitting van 8 januari 1992 heeft eiseres, bij conclusie
van eis overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd gedaagde bij
vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

tot betaling aan eiseres van een voorschot op de door eiseres geleden
immateriele schade ad ƒ 6.500,=, met verhoging van dit bedrag met de
wettelijke rente vanaf 6 oktober 1991 tot de dag van algehele voldoening;

een en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

1.2. Na toelichting op de vordering door de advocaat van eiseres, verweer
van de zijde van gedaagde en verder debat in tweede termijn en nadat
gedaagde in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk te reageren op een
aantal door hem in een laat stadium ontvangen produkties van eiseres,
hebben partijen onder overlegging van de stukken vonnis gevraagd. De
uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. Het geschil van partijen

2.1 De vaststaande feiten In dit geding kan van het volgende worden
uitgegaan:

a. In 1977 is gedaagde gaan samenwonen met de moeder van eiseres.

b. Omstreeks 1977/78 heeft gedaagde eiseres (toenmaals negen jaar oud)
gedurende enige tijd seksueel misbruikt.

c. Op 8 oktober 1984 hebben eiseres en haar moeder van dit misbruik
aangifte gedaan bij de politie te Zaanstad.

d. Gedaagde heeft een deel van de aanklachten bekend en is bij vonnis van
14 juni 1985 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld
tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

e. Na de aangifte is eiseres in therapie gegaan bij het Riagg te Zaanstad.
Sedert 11 februari 1991 is zij in dagtherapeutische behandeling (drie
dagen per week) in het Dercksen-centrum te Amsterdam.

f. Op 3 oktober 1991 heeft de raadsvrouwe van eiseres zich schriftelijk
gewend tot gedaagde en hem gesommeerd een bedrag van ƒ 101.000,= aan
schadevergoeding aan eiseres te voldoen. Genoemd bedrag is als volgt
gespecificeerd: ƒ 65.000,= aan begrote immateriele schade en ƒ 36.000,=
aan begrote materiele schade. Op genoemde sommatie heeft gedaagde niet
gereageerd.

2.2. De grondslag van de vordering

Eiseres stelt, zakelijk weergegeven, dat zij tussen haar negende en
twaalfde levensjaar door gedaagde, toentertijd de vriend van haar moeder,
seksueel is misbruikt in die zin dat zij, telkens als haar moeder uit
werken was, door gedaagde werd gedwongen hem af te trekken. Ook dwong
gedaagde haar tot fellatio en vingerde hij haar. Gedaagde heeft eiseres
eveneens gedwongen tot het in porno-boekjes bekijken van seks-houdingen
bij volwassenen.

Eiseres stelt voorts dat zij als gevolg van het gebeurde een ernstig
psychisch trauma heeft opgelopen, dat zij voor de verwerking hiervan sinds
1984 wordt behandeld en verwacht, na beeindiging in februari 1992 van de
thans plaatsvindende therapeutische dagbehandeling in het Dercksencentrum
te Amsterdam, voor de verdere verwerking nog zeker minstens anderhalf jaar
ambulante psycho-therapie nodig te hebben.

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een spoedeisend
belang heeft bij een door gedaagde te betalen voorschot op de immateriele
schade die zij tengevolge van zijn onrechtmatig handelen jegens haar
lijdt, ter verwerking van haar trauma en ter beperking van grotere
toekomstige schade. Zij zal het voorschot benutten voor het ondernemen van
sociale activiteiten, waardoor de verwerking van dat trauma zal worden
vermakkelijkt.

2.3. Het verweer

Gedaagde voert de volgende verweren:

a. Gedaagde betwist een deel van de in de inleidende dagvaarding genoemde
feiten en de gestelde duur van de periode waarin de gebeurtenissen zouden
hebben plaatsgevonden. Hij erkent slechts gedurende een periode van 4 a
6 maanden in 1978 eiseres gedwongen te hebben hem af te trekken en naast
hem te liggen.

b. Gedaagde betwist het spoedeisend belang van de zaak nu de feiten
dateren uit 1978.

c. Gedaagde betwist de door eiseres gestelde schade en wijst er op dat
bij hem in elk inzicht in de onderbouwing van de in de brief van eisereses
raadsvrouwe van 3 oktober 1991 genoemde bedragen ontbreekt.

d. Aangezien de omvang van de gepleegde strafbare feiten aanmerkelijk
minder is dan door eiseres thans is gesteld betwist gedaagde de
causaliteit tussen de gestelde schade en deze feiten. Bovendien worden
naar de mening van gedaagde de thans geopenbaarde problemen bij eiseres
niet -althans niet uitsluitend- veroorzaakt door de door hem begane
strafbare feiten, aangezien eiseres ook voordien, ten tijde van de
echtscheiding van haar ouders, psychische problemen heeft ondervonden
waarvoor zij destijds door het M.O.B. is behandeld.

3. Beoordeling van het geschil.

3.1. Zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van de omvang en de duur van
het door eiseres in haar jeugd ondergane seksueel misbruik als door
gedaagde is erkend en waarvoor hij in 1985 is veroordeeld, is in dit
geding voldoende aannemelijk geworden dat eiseres als gevolg daarvan
ernstige materiele en immateriele schade heeft geleden en ook thans nog
lijdt. Dat eiseres -zoals gedaagde uitvoerig betoogt bij een in het geding
gebracht geschrift- in haar vroege jeugd ook psychische problemen zou
hebben ondervonden tengevolge van de verwerking van haar ouders, waardoor
haar huidige problemen niet uitsluitend aan de gewraakte gedragingen van
gedaagde te wijten zouden zijn, doet daaraan niet af. Immers: uit het door
eiseres overgelegde rapport van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige
L. de Laet, verbonden aan het Riagg te Zaandam, d.d. 19 november 1991 en
uit de verklaring d.d. 15 oktober 1991 van A.M.C. Voogt, psycholoog en
psychotherapeut, verbonden aan het Dercksencentrum te Amsterdam, komt
eiseres naar voren als een psychisch slachtoffer van seksueel misbruik in
haar jeugd en het is, gelet op de in deze rapportages beschreven klachten,
aannemelijk dat haar huidige problemen daarop zijn terug te voeren.

3.2. Gelet op de ernst van het jegens eiseres gepleegde seksuele misbruik
door gedaagde, het feit dat eiseres tot op heden nog steeds intensieve
behandeling ter verwerking hiervan behoeft, is aannemelijk dat eiseres
tengevolge van dat misbruik nog steeds lijdt onder de aantasting van haar
zelfrespect door de ingrijpende krenking van haar lichamelijke
integriteit. Een snelle reactie in de vorm van een door een rechter
bevolen betaling van een voorschot op het uiteindelijke terzake aan
schadevergoeding toe te wijzen bedrag is een geschikt middel om de schade
voor eiseres voor de toekomst te beperken. In dit schade beperkend effect
is dan ook reeds het spoedeisend belang van eiseres gelegen.

3.3. De bestrijding door gedaagde van het spoedeisend belang van eiseres
met een verwijzing naar het tijdsverloop sedert de gebeurtenissen wordt
gepasseerd nu de spoedeisendheid niet hieraan moet worden afgemeten. Het
moet als thans van algemene bekendheid worden verondersteld, hetgeen ter
zitting met betrekking tot de situatie van eiseres is bevestigd door de
aldaar aanwezige behandelende therapeuten L. Bijl en J. van Rijn van het
Dercksencentrum te Amsterdam, dat slachtoffers van seksueel misbruik zeer
lange tijd nodig hebben om zover te komen dat zij iets voor zichzelf in
de vorm als in casu door eiseres gekozen willen en kunnen doen.

3.4. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het door eiseres
gevorderde bedrag van ƒ 6.500,= als voorschot op door haar geleden
immateriele schade kan worden toegewezen, daar dit bedrag alleszins
redelijk voorkomt en verwacht mag worden dat de bodemrechter tenminste dit
bedrag aan immateriele schadevergoeding zal toewijzen.

3.5. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van
dit geding worden verwezen. Daar eiseres met een toevoeging procedeert is
artikel 57b Rv van toepassing.

4. Beslissingen

De fungerend-president, rechtdoende in kort geding:

4.1. Veroordeelt gedaagde aan eiseres te betalen een voorschot op de door
eiseres geleden immateriele schade ad. ƒ 6.500,= (zegge zesduizend
vijfhonderd gulden), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober
1991 tot de dag van algehele voldoening.

4.2. Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, aan de zijde
van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 301,60 aan verschotten op
ƒ 800,= aan salaris begroot op ƒ 301,60 aan verschotten en op ƒ 800,= aan
salaris van de procureur, op de voet van artikel 57b Rv rechtstreeks te
voldoen aan de griffier van deze rechtbank.

4.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr De Groot

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 22 januari 1992

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


Erkenning dient in beginsel de afstamming vast te leggen, die berust van
nature op een relatie van een man en een vrouw. Ongelijke gevallen mogen
ongelijk behandeld worden, geen strijd met art. 26 BuPo-verdrag. Er bestaat
tussen de mee-moeder en het kind wel een gezinsleven, maar het onthouden van
de mogelijkheid van erkenning wordt door het Hof niet gezien als inbreuk op
dat gezinsleven. Zie ook Rechtbank Leeuwarden, 5 juli 1991, RN 1992, 247.

Volledige tekst

Het procesverloop.

Ter griffie van het hof is binnengekomen een verzoekschrift houdende appel
van een beschikking d.d. 5 juli 1991 van de arrondissementsrechtbank
, waarbij het verzoek van appellante tot gelasting aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand aan te vullen met een akte waarbij A., geboren op 6 juli
1985, wordt erkend door appellante, is afgewezen.

Ter zitting van 15 november 1991 is de zaak behandeld.

De motivering

1. Blijkens haar eerste grief is appellante van mening dat gelet op de
heersende maatschappelijke opvattingen afgeweken dient te worden van de
letterlijke tekst van de artikelen 221 en volgende boek I BW, in die zin dat
erkenning van een kind ook door een vrouw mogelijk moet zijn.

2. Deze mening kan niet worden gedeeld.

In beginsel dient de erkenning van een kind de afstamming van het kind vast
te leggen. Erkenning is dan ook in de eerste plaats een recht van de man die
het kind verwekt heeft. De afstamming dient voorts onderscheiden te worden
van het ouderschap.

3. Daaraan doet niet af, dat door adoptie en door een aanvaarding van het
vaderschap ook een afstammingsrelatie door de wet kan worden gevestigd, die
niet op biologische afstamming behoeft te berusten.

4. Niet juist is de stelling van appellante dat een willekeurige man het kind
kan erkennen. Ook in het ontwerp- afstammingsrecht wordt onder meer de eis
gesteld dat voor de man die een kind wil erkennen, en voor de moeder geen
huwelijksbeletselen mogen bestaan.

5. Voorts is van belang dat, zoals ten processe is gebleken, de biologische
vader (…) heeft verzocht het kind te mogen erkennen, doch dat de moeder
(…) daarvoor geen toestemming heeft gegeven.

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 22 februari 1991, NJ 1991, 376
(m.nt. EAAL) is de mogelijkheid niet uitgesloten dat deze erkenning alsnog
kan worden gedaan dan wel dat een erkenning door een ander nietig wordt
verklaard.

6. Tenslotte dient in overweging te worden genomen dat het in het belang van
het kind kan zijn dat het wordt erkend door zijn biologische vader.

7. In de tweede grief betoogt appellante dat de rechtbank wel erkent dat
tussen haar en het kind gezinsleven bestaat, maar dat zij daaraan niet de
gevolgtrekking verbindt dat die relatie door erkenning van het kind een
rechtsbetrekking behoort te worden. Met een beroep op de artikelen 8 en 14
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (Rome 1950, hierna: EVRM) en op artikel 26
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (New York
1966, hierna: BuPo) stelt appellante dat hierdoor een inbreuk op dat
gezinsleven wordt gemaakt die niet gerechtvaardigd is, en voorts dat er
sprake is van ongelijke behandeling van haar ten opzichte van een man die het
kind zou willen erkennen.

8. Ook deze grief wordt verworpen.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, bestaan er diverse, ongelijke
(rechts-)betrekkingen tussen volwassenen en een kind, waaruit een recht van
omgang met dat kind voortvloeit. Die (rechts-) betrekkingen dienen ieder op
hun eigen inhoud te worden beoordeeld.

9. Niet kan worden geoordeeld dat het onthouden van de mogelijkheid van
erkenning van een kind een inbreuk betekent op het bestaande gezinsleven.

Op grond van het bovenstaande gaat het beroep op de artikelen 8 en 14
Europees Verdrag Rechten van de Mens niet op, nu de regeling van de erkenning
in het Nederlandse wettelijke stelsel blijft binnen de grenzen van hetgeen
artikel 8 lid 2 aan wettelijke voorzieningen toelaat.

10. Voorts is geen strijd aanwezig met artikel 26 BuPo, nu de regeling van
erkenning van een kind door een man samenhangt met de afstamming, die van
nature op een relatie van een man en een vrouw berust, zodat van ongelijke
behandeling van gelijke gevallen geen sprake is.

De beslissing.

Het gerechtshof bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Noot

In deze uitspraak gaat het om de erkenning van een kind. Het betreft in dit
geval het verzoek van een sociale moeder, de partner van de biologische
moeder, die dit kind al enige jaren samen met de biologische moeder verzorgt
en opvoedt.

De sociale moeder wil door middel van de erkenning van het kind in
familierechtelijke betrekkingen tot het kind komen te staan en daardoor in
aanmerking komen voor de rechtsgevolgen van deze betrekkingen, zoals
bijvoorbeeld de ouderlijke macht over het kind (zie NJ 1989, 741 met noot
van F. van Vliet in: Rechtspraak Vrouwen en Recht, Nijmegen 1992).

In eerste instantie heeft de Rechtbank Groningen het verzoek van de sociale
moeder afgewezen (d.d. 5 juli 1991, rekestnr. 220/90).

In de onderhavige uitspraak bekrachtigt het Hof de beschikking van de
rechtbank.

De uitspraak van het Hof stoelt op drie argumenten:

1. Erkenning is in de eerste plaats het recht van de man (die het kind heeft
verwekt).

2. De onmogelijkheid voor een vrouw volgens de nationale wet om een kind te
erkennen komt niet in strijd met het recht op de eerbiediging van gezinsleven
(art. 8 EVRM).

3. Het onderscheid dat de wet terzake tussen mannen en vrouwen maakt komt
niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel van de artt. 14 EVRM en 26
BuPo-verdrag.

ad 1. Uiteraard is een van de fundamentele verschillen tussen een
heterseksuele en een lesbische relatie dat er bij een lesisch ouderpaar nooit
sprake kan zijn van een nageslacht in zuiver biologische zin. De wet stelt
echter voor het erkennen van een kind niet de voorwaarde van het biologisch
vaderschap en geeft voor de erkenning geen voorrang aan de man die het kind
heeft verwekt. Door middel van de erkenning wordt de juridische afstamming
van het kind vastgelegd. Deze kan samen vallen met de biologische afstamming
doch dit hoeft niet perse en in een groot aantal van gevallen is dit ook niet
zo. Elke man die niet de broer is van de moeder, ten tijde van de erkenning
niet is gehuwd en die meerderjarig is kan een kind erkennen, mits de moeder
daarvoor toestemming geeft. Daarvoor is zelfs niet nodig dat de man met de
moeder en of het kind samenleeft, laat staan dat wordt aangetoond dat hij op
enigerlei wijze een aandeel heeft in de verzorging en opvoeding van het kind.

De sociale moeder is ten tijde van het verzoek tot erkenning niet gehuwd, zij
is geen bloedverwante van de moeder en zij is meerderjarig. De moeder stemt
van harte in met het verzoek van haar partner tot erkenning van het kind.

De sociale moeder meent dan ook dat haar situatie vergelijkbaar is met die
van een sociale (niet-biologische) vader die wel kan erkennen.

Maar het Hof wil hier niet aan. De argumentatie van het rechtscollege
hieromtrent wordt door mij onder ad. 3 nader uitgewerkt.

Ter ondersteuning van zijn negatieve beslissing wijst het Hof nog op het feit
dat de biologische vader heeft verzocht het kind te erkennen. De moeder geeft
voor deze erkenning echter geen toestemming. In een dergelijk geval kan de
rechter de toestemming van de moeder vervangen, mits voldaan is aan een
aantal voorwaarden. Bijvoorbeeld dat er tussen de vader en het kind een
zodanig nauwe betrekking is, dat kan worden gesproken van gezinsleven, in de
zin van art. 8 EVRM. Verder moet dan nog vaststaan dat de moeder door te
weigeren haar medewerking te verlenen, geen misbruik van haar bevoegdheid
maakt. Van een dergelijke misbruik kan sprake zijn als de moeder het
betrokken kind door een ander laat erkennen, in een poging de biologische
vader deze erkenning te beletten. In de casus waarnaar het Hof verwijst was
dit aan de orde. (Vgl. HR 22-2-1991, NJ 1991, 376).

Omdat het verzoek tot erkenning door de sociale moeder niet werd gedaan om
daardoor de biologische vader van het kind te beletten het kind te erkennen,
mist deze verwijzing van het Hof elke logica.

ad 2. Evenals de Rechtbank in eerste instantie deed, oordeelt het Hof
(impliciet) dat het bestaan van gezinsleven tussen de sociale moeder en het
kind aannemelijk is gemaakt. Het Hof meent echter ook dat gezinsleven van
deze volwassene en dit kind niet het recht tot erkennen omvat. Tot enige
motivering van deze stelling laat het Hof zich niet verleiden. Op grond van
een ‘waarom niet-daarom niet- redenering’ besluit het Hof dat de Nederlandse
wet, die vrouwen uitsluit van het recht op erkenning van een kind, niet in
strijd komt met de art. 8 lid 2 en evenmin met het gelijkheidsbeginsel van
art. 14 EVRM. Ofschoon art. 14 EVRM in dit geval een zelfstandige toetsing
vereist, omdat er een beroep op art. 8 en art. 14 EVRM wordt gedaan, laat het
Hof dit na.

ad 3. De sociale moeder beroept zich ook op het gelijkheidsbeginsel van art.
26 BUPO. Daarbij is de eerder genoemde vergelijking van haar situatie met die
van een sociale (niet-biologische) vader, aan wie wel de mogelijkheid wordt
geboden een kind te erkennen, in geding.

In dit verband is van belang dat erkenning in ons recht een rechtshandeling
is, bewust bedoeld om ook niet-biologische verzorgers (mannen) in staat te
stellen in een juridische afstammingsrelatie en daarmee in familierechtelijke
betrekkingen tot een kind te komen staan.

Ook het beroep op art. 26 BUPO wordt echter verworpen. Volgens het Hof hangt
de regeling van erkenning samen met de afstamming, die ‘van nature op de
relatie van een man en een vrouw berust’.

Het door het Hof gekozen differentiatiecriterium betreft de biologische
mogelijkheid die een man en een vrouw hebben om samen een kind te verwekken.
Deze biologische mogelijkheid hebben twee vrouwen samen niet. Dit leidt nogal
gemakkelijk tot de conclusie dat van gelijke gevallen geen sprake is en
derhalve evenmin van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Door de wijze waarop van het Hof de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel
verricht wordt de objectieve rechtvaardiging van het gemaakt onderscheid
gevonden in de bestaande orde, hetgeen uiteraard tot een bevestiging van de
juridische status quo leidt (Vgl. Dorien Pessers, ‘Objectieve
rechtvaardiging’, Nemesis (1990) 4.- p. 151.)

Daarmee laat het Hof na te toetsen of het door hem gekozen
diffentiatiecriterium relevant is met betrekking tot het gemaakte
onderscheid. In dit verband wordt er in de literatuur onder andere op gewezen
dat er voldoende verband moet zijn tussen de feitelijke ongelijkheid, waarop
de rechtsongelijkheid is gebaseerd, en de uitoefening van de rechten en
plichten in kwestie (zie o.a.: Louise Mulder, ‘Het gelijkheidsbeginsel, half
ei of lege dop?’ Staatsrechtconferentie 1986, Ars Aequi Libri, Nijmegen 1987,
p. 106-119). De vraag is dan of de eis dat een ouderpaar uit een man en een
vrouw moet bestaan relevant is met betrekking tot de rechten en plichten die
uit de familierechtelijke betrekkingen voortvloeien. Het antwoord kan
negatief luiden omdat deze rechten en plichten volstrekt sekse-neutraal zijn
(Zie: Het afstammingsrecht en sociale ouders, advies van de Emancipatieraad,
Den Haag 1991; F. van Vliet, ‘Waar een wil is is een wet’, in
Homoseksualiteit en recht, red. M. Moerings en A. Mattijssen, Gouda Quint bv,
Arnhem 1992).

Uit deze uitspraak blijkt duidelijk dat ook het Hof Leeuwarden zich niet kan
losmaken van de traditionele opvatting dat een juridisch ouderpaar slechts
uit een man en een vrouw kan bestaan.

Voor de juridische erkenning van ouderschap moet allerleerst voldaan zijn aan
de heteroseksuele norm, die de grondslag vormt van ons afstammingsrecht.
Doordat deze grondslag zelf niet ter discussie wordt gesteld komt de
heteroseksuele voorkeur van vrouwe Justitia evenmin ter discussie te staan
(Zie: Jenny Goldschmidt, rede uitgesproken op de studiedag over
homoseksualiteit en recht, d.d. 4 juni 1992). Dit impliceert dat
onbeargumenteerd legitiem wordt geacht dat bepaalde mensenrechten niet voor
ouders van dezelfde sekse en evenmin voor hun kinderen gelden.

Deze conclusie wordt bevestigd door de Commissie voor de Rechten van de mens,
in een uitspraak waarin de Commissie stelt dat het onthouden van de
gezamenlijke ouderlijke macht aan een lesbisch ouderpaar, volgens de
Nederlandse wet, niet in strijd is met het recht op de eerbiediging van
gezinsleven (application No. 15666/89, d.d 19 mei 1992). Argumentatie van
de Commissie daarbij is o.a. ‘.. that a stable homosexual relationship between
two women does not fall within the scope of the right to respect for family
life ensurend bij article 8 of the Convention’.

In verband met een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel van art.
14 EVRM merkt de Commissie slechts op: ‘The Commission notes that, as regards
parental authority over a child, a homosexual couple cannot be equated to a
man and a woman living together’. Alleen nieuwe procedures bij de Commissie
kunnen het antwoord op de vraag ‘Why not’ forceren!!

Frieda van Vliet

Rechters

Mrs. Koning, Wolt, De Goede-Lodder

Instantie: Kantonrechter Terneuzen, 22 januari 1992

Instantie

Kantonrechter Terneuzen

Samenvatting


Eiseres is tijdens haar proeftijd ontslagen. De reden hiervoor is
volgens gedaagde dat de continuiteit van het bedrijf in gevaar zou komen
door de weigering van eiseres full-time te gaan werken. Eiseres stelt dat
zij is ontslagen omdat zij zwanger was. De kantonrechter meent dat voor
de stelling van eiseres een vermoeden van juistheid bestaat. Daarom moet
gedaagde bewijzen dat eiseres heeft geweigerd full-time te gaan werken.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

De volgende proceshandelingen zijn verricht:

-het verzoekschrift d.d. 11 juli 1991

-conclusies d.d. 9 augustus 1991, 6 september 1991, 4 oktober 1991, 1
november 1991;

-de bijzondere proces-handeling, aangetekend op het audientieblad d.d. 29
november 1991.

(Tussenbeslissing)

Beoordeling van de zaak

1. Met een beroep op het bepaalde in artikel 1637ij van het Burgerlijk
Wetboek en 1639z van het Burgerlijk Wetboek heeft eiseres schadevergoeding
gevorderd als bij inleidend rekest omschreven, stellende onrechtmatig te
zijn ontslagen.

2. Tussen partijen is allereerst in geschil, wie als werkgeefster in casu
moet worden aangemerkt, althans verschillen zij van opvatting omtrent haar
juiste benaming, waartoe de aanduiding in het arbeidscontract in
vergelijking met die welke bekend is blijkens de inschrijving(en) in het
Handelsregister wel aanleiding geven.

Gedaagde heeft echter uitdrukkelijk gesteld beide tenaamstellingen – Hans
Prijsoptiek B.V. casu quo Hans Prijsoptiek Franchise B.V. – ter
identificatie van haar partijpositie te willen accepteren, weshalve
eiseres, die er zich op beroept van Hans Prijsoptiek Franchise B.V. haar
salaris te hebben ontvangen, zal geacht worden bij de tenaamstelling
volgens haar introductief rekest te hebben gepersisteerd.

3. Tegenover eiseresses klacht, als gegrond op voormelde wetsartikelen,
heeft gedaagde zich verweerd met de stellig, welke kortweg gezegd, erop
neerkomt, dat zij eiseres tijdens proeftijd en tijdens haar zwangerschap
heeft ontslagen doch niet vanwege haar zwangerschap heeft ontslagen. De
reden tot ontslag tijdens proeftijd zou volgens gedaagde zijn geweest, dat
eiseres, die part-time werkte, er niet voor voelde om full-time te gaan
werken, terwijl er juist behoefte was aan een dergelijke werkkracht.

4. Volgens eiseres zou gedaagde haar hebben ontslagen omdat door
zwangerschap de continuiteit van het bedrijf in gevaar zou worden
gebracht. Gedaagde heeft die continuiteit als ontslagreden erkend, echter
niet op grond van eiseresses zwangerschap doch op grond van het feit, dat
eiseres zou hebben geweigerd om voortaan full-time te gaan werken, terwijl
daar juist behoefte aan bestond.

5.1. Gezien de omstandigheid, dat beide partijen de continuiteit van het
bedrijf als achterliggende oorzaak voor het ontslag veronderstellen ligt
het causaal verband hiervan met eiseresses zwangerschap voor de hand.
Gezien voorts het feit, dat die continuiteit in gedaagdes stellingname
geen gevaar zou hebben gelopen ingeval eiseres bereid zou zijn geweest
full-time te gaan werken, rust op gedaagde de bewijslast, dat eiseres dat
heeft geweigerd.

5.2. Slechts ingeval gedaagde niet in voormelde bewijsopdracht zou slagen,
aldus geheel subsidiair, zal eiseres, voor wier standpunt gelijk voormeld
wel een vermoeden van juistheid bestaat, toegelaten worden aanvullend
bewijs te leveren. De kantonrechter overweegt daartoe, dat eiseresses
bandopname van een telefoongesprek met gedaagdes zaakvoerder, – op welke
manier ook tot de inhoud van dat gesprek en de identiteit van de
betreffende zegsman als zodanig niet heeft betwist, weshalve eiseres in
dat geval in de gelegenheid zal zijn te stellen, om die zegsman als
getuige bedoelde verklaring te laten bevestigen. In dit verband zal
eiseres dan nog de van gedaagde ontvangen ontslagbrief d.d. 16 januari
1991, welke volgens haar geen ontslagreden zou bevatten, in rechte hebben
over te leggen.

5.3. Verwijzend naar het voorgaande en in het geval gedaagde in voormeld
bewijs (sub 5.1.) mocht slagen, acht de kantonrechter bewijslevering door
eiseres als vorenbedoeld niet relevant, immers is in dat geval eerder
vermeld vermoeden niet langer gegrond, terwijl het feit van eiseresses
zwangerschap in dat geval geen onderwerp meer van het in artikel 1637ij
bedoelde onderscheid voor gedaagde als werkgever heeft gevormd.

6. Alvorens in te gaan op de door eiseres gevorderde schadebedragen als
zodanig zal eerst bewijslevering worden afgewacht.

De beslissing

De kantonrechter: alvorens nader te beslissen:

laat gedaagde toe door alle middelen rechtens en desgewenst door middel
van getuigen te bewijzen, hetgeen is geformuleerd in punt 5.1. van dit
vonnis en subsidiair eiseres, hetgeen is geformuleerd in punt 5.2. van dit
vonnis;

verwijst deze zaak naar de rol van dit Kantongerecht van woensdag 4 maart
1992 te 10.30 uur, opdat gedaagde desgewenst dag en uur voor het houden
van het getuigenverhoor kan vragen, onder opgave van de getuigen, die
zullen worden voor gebracht en opdat eiseres de in punt 5.2. van dit
vonnis gevraagde bescheiden kan overleggen;

nodigt partijen uit in persoon, bij het getuigenverhoor aanwezig te zijn,
zonodig tot het verstrekken van inlichtingen;

houdt iedere verder beslissing aan.

Zaak gegarandeerd door Rechtenvrouw

Rechters

Mr. Mul

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 9 januari 1992

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Centrale Raad van Beroep is van oordeel dat de
beperking in de ABPw aangaande het weduwnaarspensioen in
strijd is met art. 26 Bupo, verbod op discriminatie naar
geslacht, onder verwijzing naar met name zijn eerdere
uitspraak d.d. 7 december 1988, AWW 1987/17, betreffende de
AWW. Vanaf 23 december 1984 heeft art. 26 BuPo-verdrag directe
werking en mag bovengenoemd onderscheid niet meer gemaakt
worden.

Volledige tekst

I Ontstaan en loop van het geding

De voormalig directie van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds heeft bij een beslissing van 19 november 1985
een verzoek van eiser om toekenning van een weduwnaarspensioen
ten laste van haar fonds, op gronden ontleend aan artikel G 3
van de Algemene burgerlijke pensioenwet, afgewezen.

De voormalige Raad van toezicht van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds heeft bij een beslissing van 21 juli 1987, welke
in afschrift aan deze uitspraak is gehecht, het bezwaarschrift
dat namens eiser tegen de zojuist genoemde directiebeslissing
was ingediend, ongegrond bevonden.

Het Ambtenarengerecht te ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak van
5 juli 1988, nummer ABP 1987,/1338, het beroep dat eiser tegen
de laaststgenoemde beslissing heeft doen instellen, ongegrond
verklaard.

Van die uitspraak is Mr. J.A. van den B., advocaat te H., als
gemachtigde van eiser bij de Raad in hoger beroep gekomen. In
een aanvullend beroepschrift d.d. 25 oktober 1988 is
uiteengezet waarom eiser zich met de aangevallen uitspraak
niet kan verenigen.

Bij brief van 12 september 1989 is vanwege gedaagde aan de
Raad ingezonden een schrijven van dezelfde datum, dat namens
de hoofddirectie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan
de gemachtigde van eiser is gericht.

Naar aanleiding van dit schrijven zijn namens eiser de gronden
van het hoger beroep nader aangevuld.

Onder dagtekening 27 november 1991 heeft de hoofddirectie van
het Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan de Raad onder andere
doen toekomen haar brief aan eiser van dezelfde datum,
betreffende de toekenning van pensioen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad,
gehouden op 12 december 1991. Daar is eiser in persoon
verschenen, bijgestaan door Mr. A.J.T., advocaat te H., als
zijn raadsman, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door Mr. G.R.J. de G., advocaat te ‘s-G. en
Mr. I.C.M.C., werkzaam bij het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds.

II Motivering

Blijkens de gedingstukken is eiser gehuwd geweest met thans
wijlen M.F.A. S. (hierna genoemd: S.). Het huwelijk is
geeindigd ten gevolge van het overlijden van S. op 27 januari
1985. S. was ambtenaar in de zin van de Algemene burgelijke
pensioenwet (verder te noemen: de Wet). Eiser heeft in
februari 1985 aan de voormalige directie van het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds verzocht hem op grond van het
overlijden van S. een weduwnaarspensioen ingevolge de Wet toe
te kennen. Dit verzoek is afgewezen bij de – in rubriek I
genoemde – directiebeslissing van 19 november 1985 aangezien
(kort gezegd) eiser niet aan de in art. G 3 van de Wet
neergelegde voorwaarden van het recht op een
weduwnaarspensioen voldoet. Een bezwaar namens eiser tegen die
directiebeslissing, is bij de bestreden beslissing afgewezen.
Aan eiser is inmiddels met ingang van 1 januari 1985 een
weduwnaarspensioen op grond van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet toegekend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de eerste rechter zich
achter de bestreden beslissing kunnen scharen.

Hangende de procedure van het hoger beroep, dat eiser tegen
die uitsprak heeft doen instellen, is vanwege gedaagde bij –
de in rubriek I vermelde – brief van 27 november 1991 aan
eiser bericht dat hem, met inachtneming van een concept-
wetsvoorstel ter wijziging van de Wet inzake
weduwnaarspensioen, met ingang van 1 januari 1986 een
weduwnaarspensioen ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds zal worden toegekend.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat reeds het
laatstvermelde gegeven meebrengt dat de bestreden beslissing
niet in stand kan blijven omdat zij geen grondslag meer heeft.
De Raad ziet evenwel andere – in de uitkomst ten voordele van
eiser verder strekkende – gronden aanwezig die tot
nietigverklaring van de b.b. moeten leiden.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Blijkens art. G 3 van de Wet is het recht op
weduwnaarspensioen ten laste van het fonds beperkt tot de
invalide weduwnaar van (kort gezegd:) een ambtenaar, indien
zijn echtgenote ten tijde van haar overlijden kostwinster voor
hem was. Aan het aldus luidende voorschrift kan eiser geen
recht op weduwnaarspensioen ontlenen. Het recht op
weduwenpensioen nu is in de Wet niet aan in dat voorschrift
vervatte voorwaarden onderhavig. De Raad acht hier een
beperking van de aanspraken van weduwnaars op
nabestaandenpensioen ingevolge de Wet aanwezig, die een
directe vorm van discriminatie op grond van geslacht inhoudt.

In art. 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten
en Politieke Rechten (gesloten te New York op 19 december
1966, voor Nederland goedgekeurd bij de Wet van 24 november
1978, Stb 624, en van kracht geworden op 11 maart
1979) – hierna: IVBPR – is bepaald: ‘Allen zijn gelijk voor de
wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke
bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder
gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke
grond dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal,
godsdienst, politieke of ander overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere
status.’

De Raad is in het voetspoor van onder meer zijn uitspraken van
14 mei 1987, WUV 1984/82, gepubliceerd in RSV 1987 nr. 246 en
AB 1987, 543, van 5 oktober 1989, BPW 1985/53, gepubliceerd in
RSV 1990 nr. 132, en vooral van 7 december 1988, AWW 1987/17
en 46, gepubliceerd in RSV 1989 nr. 67 (de laatste ook in AB
1989, 10) van oordeel dat, mede gelet opart. 2 van het IVBPR,
art. 26 daarvan ook ten aanzien van de Wet betekenis heeft.

De Raad moet dan ook constateren dat de in (hoofdstuk G van)
de Wet vervatte beperking van het recht op pensioen van
weduwnaars strijd oplevert met het bepaalde in art. 26 van het
IVBPR. Met name gelet op zijn hiervoren genoemde uitspraken
van 7 december 1988 is de Raad van opvatting dat, aangenomen
dat de gesignaleerde beperking in het verdere verleden
objectief gerechtvaardigd kan heten, zulks al zeer ruime tijd
niet meer het geval is. Dat wat dit facet betreft een
wezenlijk onderscheid tussen de regeling van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet en van de Wet aanwezig is, acht de Raad
niet toereikend te onderbouwen.

Met de vaststelling dat de Wet met haar meerbedoelde beperking
in strijd is met art. 26 van het IVBPR, en zulks al sedert
ettelijke jaren, is aan de orde de vraag of een belanghebbende
als eiser rechtstreeks rechten aan dat artikel kan
ontlenen, – anders gezegd – of het artikel zogenoemde
rechtstreekse werking heeft en behoort tot de in de artikelen
93 en 94 van de Grondwet bedoelde, een ieder verbindende
bepalingen.

Evenals in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 14 mei 1987
acht de Raad ook in deze grond aanwezig om het rechtens voor
nier onaanvaardbaar te houden dat de discriminatie in de
nationale wetgeving in sommige situaties slechts geleidelijk
kon worden opgeheven en is hij van opvatting dat een zodanige
situatie zich ten aanzien van de Wet op het in geding zijnde
onderdeel voordeed. Waar de wetgever evenwel niet tot
opheffing van de discriminatie overgaat, zal na verloop van
tijd het moment aanbreken waarop aan art. 26 van het IVBPR in
relatie tot de betrokken nationale wetgeving rechtstreekse
werking niet meer kan worden ontzegd.

In zijn uitspraak van 30 januari 1991, AWW 1989/30,
gepubliceerd in RSV 1991 nr. 182 en AB 1991, 339, heeft De
Raad, onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van 7
december 1988, geoordeeld dat ten aanzien van de in de
Algemene Weduwen- en Wezenwet vervatte naar geslacht
discriminatoir zijnde bepalingen op 23 december 1984 een
tijdstip was bereikt waarop aan art. 26 van het IVBPR
rechtstreekse werking toekomt. Daarbij heeft de Raad enige
uitspraken inzake de toepassing van andere wetten gevolgd
(waaronder de reeds genoemde uitspraken van 14 mei 1987, WUV
1984/82, en van 5 oktober 1989, BPW 1985/53)m waarin op grond
van vooral praktische overwegingen aansluiting is gezocht bij
de datum waarop de uitvoeringstermijn van de zogenoemde derde
EG-richtlijn (richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/7) is geeindigd,
te weten 23 december 1984.

Gelet op hetgeen in zijn uitspraak van 30 juni 1991 is
overwogen is de Raad van oordeel dat ook ten aanzien van de
onderhavige discriminatoire wettelijke bepaling op 23 december
1984 het tijdstip was bereikt waarop aan art. 26 van het IVBPR
rechtstreekse werking niet langer kan worden ontzegd. Het feit
dat de Wet niet onder de werkingssfeer van de derde EG-
richtlijn valt, doet hieraan niet af, aangezien het IVBPR voor
Nederland in werking is getreden op 11 maart 1979 en er
derhalve ten tijde van de uit de derde richtlijn voortkomende
expiratie-datum 23 december 1984 – die voor vele onderdelen
van de sociale wetgeving wel direct uit hoofde van EG-recht
van toepassing is – een termijn van bijna zes jaar ten dienste
heeft gestaan van de wetgever om de onderhavige discriminatie
op te heffen. Deze termijn acht de Raad alleszins redelijk en
voldoende voor de onderhavige (wets)aanpassing. Wat betreft de
overwegingen die in de bestreden beslissing aan de vierde EG-
richtlijn zijn gewijd, overweegt de Raad dat de rechtstreekse
werking van art. 26 van het IVBPR niet (extra) wordt
opgeschort uit hoofde van het feit dat aan een EG-richtlijn
een bepaalde uitgestelde werking is verleend, zulks omdat de
bepalingen van richtlijnen als de evengenoemde (van
supranationaalrechtelijke aard) en art. 26 van het IVBPR (van
internationaalrechtelijke aard) geen onderling afhankelijke
werking hebben. De omstandigheid dat inmiddels een
wetsvoorstel is vervaardigd waarmee wordt beoogd gelijke
behandeling van weduwen en weduwnaars in de Wet tot stand te
brengen met ingang van 1 januari 1986, omtrent de inhoud van
welk voorstel de Raad overigens niets nader bekend is kunnen
worden, rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad niet
het – aan de kant van gedaagde bepleite – standpunt dat de
Raad in casu – waarin het gaat om een appel op art. 26 van het
IVBPR over een tijdvak dat voor 1 januari 1986 gelegen
is – heeft terug te treden. Tenslotte tekent de Raad aan dat
naar zijn oordeel aan het gegeven van het specifieke karakter
van het financieringssysteem dat aan de Wet ten grondslag ligt
(een zogenaamd kapitaaldekkingsstelsel) in rechte geen
deugdelijke argumenten zijn te ontlenen voor de visie dat de
wetgever (extra) respijt heeft om te voldoen aan de
verplichting op grond van art. 26 van het IVBPR de bij de dat
artikel gewraakte discriminatie op te heffen.

Bij dit alles acht de Raad, tenslotte, niet zonder gewicht dat
zijn oordeel in dezen past bij het verband dat op grond van
hoofdstuk J van de Wet (met name over diensttijd tot 1 januari
1986) bestaat tussen het recht op algemeen pensioen (in casu
ingevolge van de Algemene Weduwen- en Wezenwet) en pensioen
ingevolge de Wet.

De Raad komt op grond van al het vorenstaande tot de slotsom
dat eiser uit hoofde van het overlijden van zijn echtgenote op
27 januari 1985 in verband met art. 26 van het IVBPR aanspraak
heeft op pensioen overeenkomstig de aanspraak die een weduwe
onder gelijke omstandigheden op grond van de Wet heeft. Aldus
behoeven in dit geding andere bepalingen van internationaal en
supranationaal recht – wat het laatste betreft: met name art.
119 van het EG-Verdrag – geen (verdere) behandeling.

De Raad voegt hieraan toe dat eiser – gelet op art. Q 2 van de
Wet – met ingang van 28 januari 1985 recht heeft op het
gevraagde pensioen. Mitsdien kunnen de aangevallen uitspraak
en de bestreden beslissing niet in stand worden gelaten.
Hierbij distantieert de Raad zich – zij het ten
overvloede – nog van deze zienswijze van de eerste rechter,
dat de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 tot
de sociale zekerheidswetgeving behoort en aldus onder de
werkingssfeer van de derde EG-richtlijn valt. Nog daargelaten
dat de Raad ter zake van die wet absoluut competent is, kan
naar zijn inzicht die zienswijze niet alleen niet aan zijn
meergenoemde uitspraak van 14 mei 1987 worden ontleend maar
zal ook niet met recht vertolkt kunnen worden zonder de
uitkomst van een pre-judiciele vraagstelling aan het Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart nietig de bestreden beslissing alsmede de daaraan
ten grondslag liggende directiebeslissing van 19 november
1985;

Verstaat dat gedaagde een andere beslissing neemt met
inachtneming van deze uitspraak.

Rechters

Mrs Treffers, Schoemaker, Stevens.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 9 januari 1992

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Centrale Raad van Beroep is van oordeel, dat de
beperking in de SPW aangaande het weduwnaarspensioen in strijd
is met art. 26 BuPo-verdrag. Verbod op discriminatie naar
geslacht, onder verwijzing naar met name zijn eerdere
uitspraak d.d. 7 december 1988, AWW 1987/17 betreffende de
beperking van het recht op weduwnaarspensioen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij een in afschrift aan deze uitspraak
gehechte beslissing van 13 september 1989 het bezwaar
ongegrond verklaard dat klager had ingediend tegen een
beslissing d.d. 28 april 1989 van de directie van het
Spoorwegpensioenfonds, houdende toekenning aan klager van een
weduwenpensioen ten laste van dat fonds met ingang van 1 april
1986.

Van de zojuist genoemde beslissing van verweerder is klager
bij de Raad in beroep gekomen. In het klaagschrift is
uiteengezet waaron hij zich met de bestreden beslissing niet
kan verenigen.

Verweerder heeft op 26 februari 1990 van contra-memorie
gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad,
gehouden op 12 december 1991. Daar is klager in persoon
verschenen en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen
door Mr. E.T.M. Stoop en Mr. E.E.W. Nooij, beiden werkzaam bij
het Spoorwegfonds.

II. Motivering

Blijkens de gedingstukken is klager gehuwd geweest met thans
wijlen N.W.M. S. (hierna genoemd: S). Het huwelijk is
geeindigd ten gevolge van het overlijden van S op 18 april
1983. S. was gewezen deelgenoot in de zin van de
Spoorwegpensioenwet (verder te noemen: de Wet). Klager heeft
enige malen – de eerste maal was in mei 1983 – aan de directie
van het Spoorwegpensioenfonds verzocht hem op grond van het
overlijden van S. een weduwnaarspensioen ingevolge de Wet toe
te kennen; dit zonder positief resultaat. In januari 1989
heeft klager zijn verzoek herhaald. Naar aanleiding van dit
verzoek heeft de directie van het Spoorwegpensioenfonds bij
een beslissing van 28 april 1989 aan klager met ingang van 1
april 1986 een weduwnaarspensioen ten laste van haar fonds
verleend, waarbij met toepassing van artikel J 6 van de Wet ab
initio inbouw is toegepast wegens recht op een pensioen
krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet. In zijn
bezwaarschrift tegen die beslissing heeft klager gemotiveerd
gevorderd dat hem het pensioen met ingang van 23 december 1984
wordt toegekend en dat tot 1 oktober 1986 – de datum met
ingang waarvan hem een pensioen uit eigen hoofde krachtens de
Algemene Weduwen- en Wezenwet is verleend – geen inbouw
plaatsvindt. Dat bezwaarschrift is bij de bestreden beslissing
ongegrond bevonden.

In beroep heeft klager zijn stellingen en vorderingen, in het
bezwaarschrift tegen de directiebeslissing van 28 april 1989
naar voren gebracht, herhaald.

De Raad moet in dit geding antwoord geven op de vraag of de
bestreden beslissing met vrucht in rechte kan worden
aangetast. Hij neemt hierbij hetgeen klager in beroep heeft
gevorderd tot uitgangspunt.

De Raad overweegt het volgende.

Blijkens artikel G 3 van de Wet is het recht op
weduwnaarspensioen ten laste van het fonds beperkt tot de
invalide weduwnaar van (hier van belang) een gewezen
deelgenoot, indien zijn echtgenote ten tijde van haar
overlijden kostwinster voor hem was. Niet in geschil is dat
klager aan het aldus luidende voorschrift geen recht op
weduwnaarspensioen kan ontlenen. Het recht van weduwenpensioen
nu is in de Wet niet aan dat voorschrift vervatte voorwaarden
onderhevig.

Naar de bestreden beslissing laat zien, is aan klager een
weduwnaarspensioen ten laste van het Spoorwegpensioenfonds
verleend omdat de directie van het fonds in ’s Raads
uitspraken van 7 december 1988, AWW 1987/17 en 46,
gepubliceerd in RSV 1989 nr. 67 (de laatste ook in AB 1989,
10) aanleiding heeft gevonden met inachtneming van artikel 94
van de Grondwet ‘ de bijzondere voorwaarden uit artikel G 3
van de Wet’, wegens strijd met artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
Rechten (gesloten te New York op 19 december 1966, voor
Nederland goedgekeurd bij Wet van 24 november 1978, Staatsblad
624, en van kracht geworden op 11 maart 1979 (hierna: IVBPR),
‘niet meer toe te passen en in feite over te gaan tot
invoering van een weduwnaarspensioen, gebaseerd op artikel G 1
van de Wet.’

In zoverre acht de Raad de bestreden beslissing juist. Hierbij
wijst hij naar zijn uitspraak van heden ABP 1988/50.

De bestreden beslissing geeft voorts aan dat verweerder,
evenals de directie van het Spoorwegpensioenfonds, van mening
is dat aan artikel 26 van het IVBPR rechtstreekse werking
toekomt met ingang van 6 april 1986, zijnde de
(overlijdens)datum welke in’s Raads uitspraak van 7 december
1988, AWW 1987/17, aan de orde was.

Die mening kan de Raad niet voor juist houden.

In zijn uitspraak van 30 januari 1991, AWW 1989/30,
gepubliceerd in RSV 1991, nr. 182 en AB 1991, 339, heeft de
Raad, onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraken van 7
december 1988, geoordeeld dat ten aanzien van de in de
Algemene Weduwen- en Wezenwet vervatte naar geslacht
discriminatoir zijnde bepalingen op 23 december 1984 een
tijdstip was bereikt waarop aan artikel 26 van het IVBPR
rechtstreekse werking toekomt. Daarbij heeft de Raad enige
uitspraken inzake de toepassing van andere wetten gevolgd
(waaronder de uitspraak van 14 mei 1987, WUV 1984/82,
gepubliceerd in AB 1987, 543, en in RSV 1987 nr. 246, en die
van 5 oktober 1989, BPW 1985/53, gepubliceerd in RSV 1990 nr.
132), waarin op grond van vooral praktische overwegingen
aansluiting is gezocht bij de datum waarop de
uitvoeringstermijn van de zogenoemde derde EG-richtlijn
(richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19
december 1978, nr. 79/7) is geeindigd, te weten 23 december
1984.

Gelet op hetgeen in zijn uitspraak van 30 januari 1991 is
overwogen is de Raad van oordeel dat ook ten aanzien van de
onderhavige discriminatoire wettelijke bepaling op 23 december
1984, het tijdstip was bereikt waarop aan artikel 26 van het
IVBPR rechtstreekse werking niet langer kan worden ontzegd.
Het feit dat de Wet niet onder de werkingssfeer van de derde
EG-richtlijn valt, doet hieraan niet af, aangezien het IVBPR
voor Nederland in werking is getreden op 11 maart 1979 en
derhalve ten tijde van de uit de derde richtlijn voortkomende
expiratiedatum 23 december 1984 – die voor vele onderdelen van
de sociale wetgeving wel direct uit hoofde van EG-recht van
toepassing is – een termijn van bijna zes jaar ten dienste
heeft gestaan van de wetgever om de onderhavige discriminatie
op te heffen. Deze termijn acht de Raad alleszins redelijk en
voldoende voor de onderhavige (wets)aanpassing.

De omstandigheid dat inmiddels een wetsvoorstel is vervaardigd
waarmee wordt beoogd gelijke behandeling van weduwen en
weduwnaars in de Wet tot stand te brengen met ingang van 1
januari 1986, omtrent de inhoud van welk voorstel de Raad
overigens niets nader bekend is kunnen worden, rechtvaardigt
naar het oordeel van de Raad niet een ander standpunt.

De Raad overweegt voorts aangaande de ingangsdatum van het aan
klager toegekende weduwnaarspensioen ten laste van het
Spoorwegpensioenfonds het volgende.

De motivering van de bestreden beslissing is op dit punt
uitsluitend toegesneden op de datum 1 april 1986.

Het gaat hierbij om een welbewust genomen algemeen besluit van
de directie van het Spoorwegpensioenfonds om het dwingend-
rechtelijke voorschrift van artikel Q2 juncto artikel Q1 van
de Wet ten voordele van de betrokkenen niet strikt toe te
passen, welk besluit niet verder in de tijd terugwerkt. Gelet
op de aard van dit voorschrift komt de Raad het geraden voor,
op grond van het eerderoverwogene, de bestreden beslissing op
het onderhavige punt te vernietigen omdat zij een
draagkrachtige motivering mist en aldus strijdt met het
algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat een zodanige
motivering eist.

Omtrent het standpunt van verweerder, dat met toepassing van
artikel J 6 van de Wet wegens het recht van klager op een
pensioen uit eigen hoofde ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet inbouw dient plaats te vinden van 1 april 1986 af,
ook al is aan klager dat pensioen eerst ingaande 1 oktober
1986 toegekend, overweegt de Raad in de eerste plaats dat dit
standpunt naar het tijdselement gezien in verband met het
vorenoverwogene toereikende grondslag mist.

Dit verder daarlatende, overweegt de Raad vervolgens dat,
zoals van de zijde van verweerder ter terechtzitting is
verklaard, het voormelde standpunt op een vaste uitleg van
artikel J 6 van de Wet berust, die wordt gehanteerd in de
gevallen van een weduwenpensioen ingevolge de Wet.

Daartoe is in aanmerking genomen dat het in de praktijk
verzekerd is dat het recht op een weduwenpensioen ingevolge de
Wet en op een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen-
en Wezenwet gelijktijdig wordt geeffectueerd.

Rechters

Mrs. Treffers, Schoemaker, Stevens.

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 8 januari 1992

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


Vier jaar na de echtscheiding komt de man in de
bijstand. De Kantonrechter wijst het verzoek van de gemeente
om een gedeelte van de kosten van de bijstand op de vrouw te
verhalen af.

Er is geen verband tussen het huwelijk van de ex-echtgenoot en
de positie waarin hij zich na de ontbinding van het huwelijk
bevindt. Van enige onderhoudsplicht van de vrouw jegens de man
is geen sprake.

Volledige tekst

De procedure

Op 22 mei 1991 is ter griffie een verzoekschrift met
produkties ontvangen van de Gemeente ex artikel 55, lid 1 van
de Algemene Bijstandswet (ABW).

Op 15 augustus 1991 heeft X een verweerschrift met produkties
ingediend.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 22 augustus
1991 plaatsgevonden.

2. De feiten

2.1. Het huwelijk tussen mevrouw X en de heer Y is geeindigd
door inschrijving op 3 februari 1983 in de registers van de
Burgerlijke Stand te Lisse van het echtscheidingsvonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 november 1982.

2.2. Ten tijde van de echtscheiding genoot Y een uitkering
ingevolge de WAO.

2.3. De Gemeente verleent sedert 19 maart 1986 aan de heer Y
bijstand op grond van de ABW/RWW.

3. Het verzoek

De Gemeente wenst de kosten van bijstand op de vrouw als
onderhoudsplichtige te verhalen en verzoekt te bepalen – in
het kort – dat door X de over de periode van 1 april 1990 tot
en met 31 maart 1991 gemaakte kosten van in totaal ƒ 1.356.-
worden terugbetaald met een bedrag van ƒ 75 per maand, te
vermeerderen met ƒ 75 per maand voor de inmiddels sedert 1
april 1991 gemaakte en nog te maken kosten.

4. Het verweer

De vrouw wijst het verzoek van de hand en voert onder meer
(primair) ten verwere aan dat zij ten onrechte als
onderhoudsplichtige jegens Y wordt aangemerkt.

5. De beoordeling van het geschil

Naar het oordeel van de Kantonrechter is niet gebleken van
enig verband tussen het huwelijk van de heer Y en mevrouw X en
de positie waarin de man na de ontbinding van het huwelijk,
wat betreft de mogelijkheid om in de kosten van zijn
levensonderhoud te voorzien, is komen te verkeren. Van enige
onderhoudsplicht van de vrouw jegens de man kan daarom geen
sprake zijn.

Reeds het primaire verweer slaagt dus en het verzoek dient te
worden afgewezen. Er zijn termen aanwezig de kosten van de
procedure te compenseren.

De beslissing

De Kantonrechter:

wijst het verzoek af;

compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere
partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Van der Lee

Instantie: Rechtbank Utrecht, 8 januari 1992

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Rechtbank wijst vordering ƒ 10.000,= immateriele schadevergoeding toe.
Erkenning door dader dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd kan
wellicht bijdragen tot beperking van de schade, doch rechtvaardigt
geenszins de conclusie dat er geen schade is ontstaan.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure.

1.1. Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 7 augustus
1991 wordt verwezen naar genoemd vonnis.

1.2. Conform de aankondiging in dat vonnis heeft een comparitie van
partijen plaatsgevonden en wel op 28 oktober 1991. Van de door partijen
bij die gelegenheid afgelegde verklaring is proces-verbaal opgemaakt dat
zich in afschrift bij de stukken bevindt.

1.3. Vervolgens heeft L nog een akte genomen en daarbij haar vordering
verminderd met de gevorderde wettelijke rente en de veroordeling in de
proceskosten.

1.4. Tenslotte hebben partijen wederom de stukken overgelegd en vonnis
gevraagd.

2. De verdere beoordeling.

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het
tussenvonnis van 7 augustus 1991.

2.2. Gelet op de toen door partijen afgelegde verklaring en op de nadien
door L genomen akte kan de vordering L zoals deze na vermindering van eis
luidt, worden toegewezen. Dit impliceert dat iedere partij de eigen
proceskosten moet betalen.

3. De beslissing. De rechtbank veroordeelt B om tegen bewijs van kwijting
aan L te betalen de som van ƒ 10.000,= (tienduizend gulden).

De rechtbank verklaart dit vonnis tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Tussenvonnis van 7 augustus 1991

1. Het verloop van de procedure.

1.1. Eiseres, verder te noemen L, heeft gedaagde, verder te noemen B
gedagvaard en bij conclusie van eis heeft zij gevorderd gedaagde te
veroordelen aan haar te betalen een bedrag van ƒ 10.000,=, althans een
door de rechtbank vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke
rente daarover vanaf 1 november 1989 tot de dag der algehele voldoening,
met veroordeling van B in de kosten van deze procedure.

1.2. B heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd.

1.3. L. heeft vervolgens gediend van repliek en daarbij een aantal
produkties in het geding gebracht, waaronder een copie van het
proces-verbaal nr. P 449/’88 gedateerd 15 juni 1988 van de Koninklijke
Marechaussee.

1.4. B heeft een conclusie van dupliek genomen.

1.5. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten.

2.1. B is op 17 oktober 1989 door de Krijgsraad veroordeeld tot een straf
terzake het in 1980 en 1981 meermalen plegen van ontuchtige handelingen
met L, geboren 30 oktober 1971. B heeft terzake ook een bekennende
verklaring afgelegd.

2.2. L. is in die tijd meermalen met haar moeder op bezoek geweest bij het
echtpaar B. L heeft enkele malen zonder dat haar moeder erbij was
-gelogeerd ten huize van het echtpaar B. Bij die gelegenheid van die
logeerpartijen is het tot bovengenoemde ontuchtige handelingen gekomen.

2.3. L. heeft hierover destijds gesproken met haar moeder die op haar
beurt hierover heeft gesproken met het echtpaar B. B heeft destijds
toegegeven ontuchtige handelen met L te hebben gepleegd. De moeder van L
heeft destijds van het doen van aangifte afgezien.

2.4. De ouders van L zijn gescheiden. Zij is toen zij een jaar of twaalf
was bij haar moeder weggelopen. Haar moeder zou haar hebben mishandeld.
Zij heeft enige tijd verbleven ten huize van een onderwijzeres. Zij is in
1987 onder behandeling gekomen van mevrouw J.C. van Hees, psychologe,
verbonden aan het AZU. Zij verbleef in 1988 in een opvanghuis van de
Kinderbescherming. Zij heeft enige tijd een vriend gehad.

2.5. Genoemde psychologe heeft tegenover de politie verklaard dat L alle
symptomen vertoond van een persoon die of seksueel geweld, of lichamelijk
geweld, dan wel beide heeft ondergaan.

3. De standpunten van partijen.

3.1. L vordert van B betaling van een bedrag van ƒ 10.000,= terzake van
immateriele schade, veroorzaakt door de jegens haar door B gepleegde
onrechtmatige daden. Zij stelt dat B haar toen zij een jaar of acht was
eenmaal heeft verkracht en meermalen ontuchtige handelen met haar heeft
gepleegd.

3.2. L. stelt dat voormelde delicten bij haar pijn, psychische spanning,
en angst hebben veroorzaak en hebben geleid tot angstdromen en huilbuien
gedurende vele jaren. Haar contacten met mannen worden door die ervaringen
belemmerd. Zij is afkerig van enig seksueel contact. Zij heeft weliswaar
enige tijd een vriend gehad maar de contacten met hem zijn verbroken.

3.3. B. erkent met L. ontuchtige handelingen te hebben gepleegd. Hij
ontkent echter haar verkracht te hebben. Hij ontkent dat die ontuchtige
handelingen voor L traumatische gevolgen hebben gehad, en voorts betwist
hij de hoogte van de gestelde schade.

3.4. B adstrueert zijn standpunt door te stellen dat in dit geval geen
psychische schade is ontstaan omdat zij destijds heeft erkend ontuchtige
handelen met L te hebben gepleegd zodat zich hier niet voordoet de
situatie dat een slachtoffer niet wordt geloofd of een dader ontkent,
waardoor zulke schade kan ontstaan. Hij stelt spijt te hebben van het
gebeurde en zijn excuses destijds ook aan L te hebben aangeboden. Bij
conclusie van dupliek biedt hij nogmaals excuses aan. Hij wijst erop dat
de door L gestelde problemen in contacten met mannen er kennelijk niet
zijn nu zij een vriend heeft. B. stelt dat de problemen van L hooguit
gedeeltelijk voortkomen uit zijn gedragingen. Hij wijst op de problemen
met haar moeder en op het feit dat haar vader zich jarenlang niet om haar
heeft bekommerd.

4. De beoordeling.

4.1. De rechtbank is van oordeel dat B -nu hij met L. meermalen ontucht
heeft gepleegd en daarmee jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld-
gehouden is de daaruit voorkomende immateriele schade te vergoeden.

4.2. Het feit dat B heeft bekend ontuchtige handelingen met L te hebben
gepleegd zal wellicht hebben bijgedragen tot beperking van de immateriele
schade maar dat rechtvaardigt, naar het oordeel van de rechtbank,
geenszins zijn conclusie dat er geen schade is ontstaan. Het ligt veeleer
voor de hand te veronderstellen dat in het algemeen en ook in dit geval
schade zal (zijn) ontstaan.

4.3. Of er destijds al dan niet sprake is geweest van verkrachting staat
tussen partijen niet vast. Voor de bepaling van de omvang van de
immateriele schade en daarmee van de terzake te betalen vergoeding is het
-gelet op de standpunten van partijen- wellicht ook niet van zoveel belang
om dat in rechte vast te stellen.

4.4. Gelet op het standpunt van B dat (ook) andere -naar de rechtbank
begrijpt volkomen los van zijn handelingen staande- factoren hebben
bijgedragen tot de problemen die L heeft ondervonden, heeft de rechtbank
behoefte aan nadere inlichtingen van partijen en zal daartoe een
comparitie van partijen gelasten. Van die gelegenheid zal tevens gebruik
worden gemaakt om te onderzoeken of een oplossing in der minne kan worden
bereikt.

5. Beslissing.

5.1. De rechtbank gelast partijen in persoon, vergezeld van hun
raadslieden -voor het geven van inlichtingen te verschijnen voor mevrouw
mr. M.M.A. Spliet, lid van dit college, op een zitting die gehouden zal
worden op maandag 28 oktober 1991 om 09.30 uur in het gebouw van de
rechtbank te Utrecht.

5.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Rechters

Mr. Spliet