Instantie: Rechtbank Utrecht, 8 januari 1992

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres logeerde tussen 1980 en 1981 enkele malen zonder haar moeder bij
een echtpaar. Bij gelegenheid van die logeerpartijen heeft de man,
gedaagde, ontuchtige handelingen met eiseres gepleegd. Eiseres stelt dat
zij ook verkracht is. Immateriele schadevergoeding: Toegewezen: ƒ
10.000,=. Gevorderd: ƒ 10.000,=. Er is sprake geweest van pijn, psychische
spanning en angst. De delicten hebben gedurende vele jaren geleid tot
angstdromen en huilbuien. Haar contacten met mannen worden door die
ervaringen belemmerd. Zij is afkerig van enig seksueel contact. Het feit
dat gedaagde heeft bekend ontuchtige handelingen met eiseres te hebben
gepleegd, zal wellicht hebben bijgedragen tot beperking van de immateriele
schade maar dat rechtvaardigt, naar het oordeel van de rechtbank,
geenszins zijn conclusie dat er geen schade is ontstaan. Het ligt veeleer
voor de hand te veronderstellen dat in het algemeen en ook in dit geval
schade zal (zijn) ontstaan. Of er destijds al dan niet sprake was van
verkrachting staat tussen partijen niet vast. Voor de bepaling van de
omvang van de immateriele schade en daarmee van de terzake te bepalen
vergoeding is het -gelet op de standpunten van partijen- wellicht ook niet
van zoveel belang om dat in rechte vast te stellen. Gedaagde is op 17
oktober 1989 tot een straf veroordeeld terzake het in 1980 en 1981
meermalen plegen van ontuchtige handelingen met eiseres. Er is een
comparitie van partijen geweest, waarbij eiseres haar vordering heeft
verminderd met de gevorderde wettelijke rente en de veroordeling in de
proceskosten. De vordering van eiseres zoals deze na vermindering van eis
luidt, kan worden toegewezen. Dit impliceert dat iedere partij de eigen
proceskosten moet betalen.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure. 1.1. Voor het verloop van de procedure
tot het tussenvonnis van 7 augustus 1991 wordt verwezen naar genoemd
vonnis.

1.2. conform de aankondiging in dat vonnis heeft een comparitie van
partijen plaatsgevonden en wel op 28 oktober 1991. Van de door partijen
bij die gelegenheid afgelegde verklaring is proces-verbaal opgemaakt dat
zich in afschrift bij de stukken bevindt.

1.3. Vervolgens heeft L nog een akte genomen en daarbij haar vordering
verminderd met de gevorderde wettelijke rente en de veroordeling in de
proceskosten.

1.4. Tenslotte hebben partijen wederom de stukken overgelegd en vonnis
gevraagd.

2. De verdere beoordeling.

2.1. De rechtbank blijkt bij hetgeen zij heeft overwogen in het
tussenvonnis van 7 augustus 1991.

2.2. Gelet op de toen door partijen afgelegde verklaringen op de nadien
door L genomen akte kan de vordering van L, zoals deze na vermindering van
eis luidt, worden toegewezen. Dit impliceert dat iedere partij de eigen
proceskosten moet betalen.

3. De beslissing.

De rechtbank veroordeelt B om tegen bewijs van kwijting aan L te betalen
de somma van ƒ 10.000,= (tienduizend gulden).

De rechtbank verklaart dit vonnis tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

De rechtbank compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere
partij de eigen kosten zal dragen.

Rechters

mr. M.M.A. Spliet

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 31 december 1991

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De vrouw, slachtoffer van incest door haar vader, is in behandeling bij
een therapeute. De therapeute is door de President van de rechtbank veroordeeld
tot het geven van dezelfde inlichtingen omtrent gegevens verkregen tijdens
een therapie van de vrouw aan de vader van de vrouw, als de therapeute
heeft gegeven aan de moeder van de vrouw. Het gesprek met de moeder van
de vrouw is ingegeven door het therapeutisch belang van de vrouw.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Volledige tekst

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het door de president van de rechtbank te Arnhem
op 8 mei 1991 tussen partijen in kort geding gewezen vonnis. Dit vonnis
is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

Het geding in hoger beroep

Appelante – verder ook te noemen V. – is bij exploit van 16 mei 1991 in
hoger beroep gekomen van voormeld vonnis, met gelijktijdige dagvaarding
van geintimeerde – verder ook te noemen C. – voor dit hof.
Bij voormelde exploit zijn drie grieven aangevoerd en toegelicht, met conclusie
van het hof,
primair: het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
de vorderingen van C., zoals later aangevuld, zal afwijzen;
subsidiair: alvorens de zaak zelf te beslissen, de uitvoerbaar bij voorraad
verklaring van het bestreden vonnis zal vernietigen met onmiddelijke ingang.
(Terzake van haar subsidiaire vordering heeft V. vervolgens bij incidentele
conclusie een voorlopige voorziening verzocht. C. heeft geconcludeerd voor
antwoord in het incident, waarna het hof de incidentele vordering heeft
afgewezen bij arrest van 25 juni 1991).
Bij memorie van antwoord is tegen de primaire vordering in hoger beroep
verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan
beroep met veroordeling van V. in de kosten van het hoger beroep.
De zaak is op 25 november 1991 bepleit, voor V. door haar procureur aan
de hand van overgelegde pleitnotities, en voor C. door mr. R.G.M. Jansen,
advokaat te Deventer.
Bij die gelegenheid zij ook partijen in persoon gehoord.
Daarna zijn de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest

De grieven

V. heeft de volgende grieven aangevoerd tegen het vonnis:

1. Ten onrechte heeft de president overwogen:
‘De vraag welke in dit geding aan de orde is, is (…) of bedoelde geheimhoudingsplicht
abslouut is in die zin dat V., eenmaal – uit welke honorabele overwegingen
ook – naar buiten getreden met informatie welke een ernstige beschuldiging
ten opzichte van C. impliceert (en welke bovendien voor hem verstrekkende
gevolgen, zoals het aanspannen van een echtscheidings-procedure door zijn
echtgenote, heeft), gehouden is diezelfde informatie niet ook aan C. te
verschaffen.

Wat deze laatste vraag betreft, wordt dezerzijds vooralsnog geoordeeld
dat V. inderdaad de hier bedoelde informatie eveneens aan C. dient te verstrekken.
Voor dit oordeel is doorslaggevend dat C. in een ongelijke positie is komen
te verkeren doordat anderen uit zijn naaste omgeving de beschuldigende
vinger naar hem uitsteken op grond van informatie welke hemzelf wordt onthouden.
Het belang van C. dat die ongelijkheid wordt opgeheven, moet in de gegevenomstandigheden
– waar die ongelijkheid een rechtstreeks gevolg is van de beslissing van
V. om genoemde anderen te informeren – zwaarder worden aangeslagen dan
de belangen ter bescherming waarvan V. haar geheimhoudingsplicht jegens
C. inroept.’

2. Ten onrechte komt de president tot een belangenafweging.

3. Ten onrechte heeft de president een dwangsom opgelegd van ƒ 500,–
voor iedere dag dat V. na de betekening van het vonnis in gebreke blijft.

De vaststaande feiten

De grieven zijn niet gericht tegen de door de president in rechtsoverweging
1 als vaststaand aangenomen feiten, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Daaraan kan, op grond van hetgeen bij de behandeling in hoger beroep onweersproken
is gesteld, nog worden toegevoegd:
a) V. heeft bij het gesprek met de moeder van C. gevraagd om de informatie
vertrouwelijk te houden. De moeder heeft evenwel C. en de familie ingelicht.
b) Een oom van C., een rechercheur van de politie, heeft daarna V. gevraagd
of hij als een soort bemiddelaar informatie kon krijgen, omdat de familie
‘op zijn kop stond’ en hij wilde proberen de zaak tot rust te brengen.
c) V. achtte het in het belang van C. als de rust in de familie kon worden
hersteld, doordat de oom de gekleurde verhalen tot juiste proporties zou
kunnen terugbrengen. Het was dan de bedoeling dat de oom de informatie
aan de familie, inclusief C. zou doorgeven. Met toestemming van C. heeft
vervolgens het gesprek met de oom plaatsgevonden.
d) C. is door zijn zwager, de oom, slechts kort geinformeerd over diens
gesprek met V.
e) Ter voldoening van het vonnis heeft V. de gevraagde informatie aan de
districtspsychiater dr. D. Daniëls verstrekt, die op zijn beurt de informatie
heeft overgebracht aan C.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

1. Door de voldoening aan het vonnis gaat het in hoger beroep slechts om
een principiele uitspraak, waarbij V. in ieder geval belang heeft in verband
met de proceskosten.

2. V. baseert de eerste grief op de stelling dat C. geen juridische grondslag
heeft voor zijn (gewijzigde) vordering om hem dezelfde informatie te verstrekken
die V. aan de moeder en de oom heeft verstrekt. Volgens V. kan die vordering
niet gebaseerd worden op onrechtmatige daad. Haar geheimhoudingsplicht
strekt tot waarborging van het belang van de patient enomvat niet het belang
van derden die zich eventueel beschuldigd voelen. V. Bestrijdt het oordeel
van de president dat het gelijkheidsbeginsel zou meebrengen dat de informatie
ook aan C. zou moeten worden verstrekt. V. stelt zich op het standpunt
dat zijn na verstrekking an gegevens aan de moeder en de oom zich jegens
C. onverminderd moet kunnen beroepen op haar geheimhoudingsplicht, omdat
het gaat om in een vertrouwensrelatie verkregen informatie en zij geen
toestemming heeft van C. om die informatie ook aan C. ter beschikking te
stellen. Het daartoe gedwongen worden zou een ontoelaatbare inbreuk betekenen
op de privacy van de patient en zou de behandeling ernstig kunnen bemoeilijken.

3. Het hof verwerpt de grief. De rechtsgrond die C. aan zijn vordering
ten grondslag heeft gelegd, is dat V. jegens hem onrechtmatig handelt,
nu zij enerzijds voor hem belastende informatie via de moeder en de oom
naar buiten brengt, maar anderszijds weigert om C. diezelfde informatie
te verstrekken. C. is daardoor niet in staat om bij de bron, V. te verifiëren
of de over hem verstrekte informtie op juiste wijze door de moeder en de
oom is doorverteld, aan hem en – volgens de bedoeling van V. – ook aan
andere familieleden.
Naar het voorlopig oordeel van het hof brengt de zorgvuldigheid, die in
het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van de persoon van een
ander, mee dat in een geval als het onderhavige waarin voor die ander belastende
informatie via derden naar buiten wordt gebracht, (welke derden die informatie
wellicht gekleurd weergeven) degene die die informatie heeft verstrekt
de plicht heeft om, als die ander wil verifieren of de over hem in omloop
zijnde belastende informatie juist is, ook rechtstreeks aan die ander dezelfde
informatie te verschaffen.
Het beroep dat V. doet op haar geheimhoudingsplicht gaat in casu niet op.
Nu zij, met toestemming van C., informatie heeft gegeven aan de oom, met
de uitgesproken bedoeling dat deze in zijn rol van bemiddelaar die informatie
vervolgens zou doorgeven aan C. en der verdere familie, is ten aanzien
van deze groep van personen voor wat betreft deze informatie geen sprake
meer van een geheim. C. behoort tot bedoelde groep van personen en hij
vraagt, na zijn vordering te hebben gewijzigd, slechts om dezelfde informatie
die aan de oom (en de moeder) is verstrekt. Daarmee vervalt ook het beroep
op het onbreken van de toestemming van C.; haar toestemming tot het verschaffen
van informatie aanhaar oom met de hiervoor omschreven bedoeling impliceert
toestmming om ook aan C. die informatie te verschaffen. Eventuele bezwaren
tegen rechtstreekse contacten tussen V. als behandelend therapeute en C.
zijn afdoende ondervangen door het inschakelen van een derde bij het verstrekken
van de gevraagde informatie.

4. De tweede grief houdt in dat de geheimhoudingsplicht van V. niet via
de weg van een belangenafweging doorkruist kan worden.
Nu, zoals in de voorgaande rechtsoverweging is overwogen, ten aanzien van
C. en voor wat betreft de door hem gevraagde informatie geen sprake meer
is van een geheim, doet zich niet de situatie voor dat de gehiemhoudingsplicht
van V. wordt doorkruist. De grief faalt derhalve.

5. Hetzelfde lot ondergaat de derde grief. Het hof begrijpt het betoog
van V. dat een te hoge dwangsom is opgelegd, als een verzoek tot vermindering
van de dwangsom. Gelet op het bepaalde in artikel 611d WvBRv is niet het
hof, maar slechts de rechter die de dwangsom heeft opgelegd bevoegd de
dwangsom te verminderen.

Slotsom

Nu de grieven falen, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd,
met veroordeling van V. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten
van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in kort geding: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
Veroordeelt V. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van C. begroot op ƒ 3900,–; betaling dient te
geschieden aan de griffier van dit hof door storting op postbankrekening
nr. 935462 ten name van de gerechten in het arrondissment Arnhem.

Rechters

Mrs Bierman, Van der Grinten, Houtman

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 31 december 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij werft personeel middels advertentie in Nederlandse krant
ten behoeve van buitenlandse maatschappijen. Tevens selecteert wederpartij
personeel en biedt dit aan de buitenlandse maatschappijen aan. Voor vertrek
naar buitenland ontvangt de werknemer een standaardbrief waarin
arbeidsvoorwaarden staan vermeld. In de standaardbrief wordt tevens vermeld
dat het arbeidscontract in het buitenland wordt opgemaakt en dat het recht van
het betreffende land van toepassing zal zijn.

De Commissie oordeelt:

– met betrekking tot de aanbieding van de betrekkingen heeft de
wederpartij door het plaatsen van de advertentie in strijd met de wet
gehandeld.

– met betrekking tot de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekkingen heeft de wederpartij onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden
gemaakt in strijd met de wet.

– met betrekking tot de aanstelling heeft de wederpartij in strijd met
de wet gehandeld indien er sprake is van een aanstelling door de wederpartij
en indien deze wordt beheerst door het Nederlandse recht c.q. Nederlands recht
als objectief toepasselijk recht kan worden aangemerkt. Indien daarvan geen
sprake is, acht de Commissie zich niet bevoegd daarover een uitspraak te
doen.

Volledige tekst


5.10. De Commissie is derhalve van oordeel dat, indien Nederlands recht
als objectief toepasselijk recht wordt aangemerkt, de bepalingen van de WGB
en/of artikel 1637ij BW van toepassing zijn met als gevolg dat geen
onderscheid mag worden gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden.

Het gestelde onder paragraaf 5.8. geldt hier dan eveneens.

5.11. Voor het geval Nederlands recht niet als objectief toepasselijk
wordt aangemerkt zal nog moeten worden nagegaan of de bepalingen van de WGB en
artikel 1637ij BW als voorrangsregels dan wel als regels van bijzondere
dwingendheid op grond van de (Nederlandse) openbare orde zijn te beschouwen.

Naar het oordeel van de Commissie kunnen bepalingen van de WGB en of
artikel 1637ij BW die op grond van Verdragen tot stand zijn gekomen als
bijzonder dwingende bepalingen worden aangemerkt.

Echter, het verbod tot onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden kan
niet als een zodanige uit verdragen en andere internationale bepalingen
voortvloeiende dwingende bepaling worden aangemerkt. De Commissie wijst in dat
verband onder meer op de zaak Danning (Human rights Committee nr. CCPR/C/-
180/1984.) waarin het Comite voor de rechten van de Mens heeft aangegeven dat
het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden geen discriminatie in de zin van
artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten, New York 1966 inhoudt.

Al het voorgaande leidt tot het volgende eindoordeel.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

Met betrekking tot de aanbieding van de betrekkingen:

de Commissie spreekt als haar oordeel uit dat … te Den Haag, door het
plaatsen van de door Stichting Openbaar Feministerie gesignaleerde advertentie
en andere op dezelfde vacatures betrekking hebbende advertenties, in strijd
heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

Met betrekking tot de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekkingen:

de Commissie spreekt als haar oordeel uit dat … te Den Haag
onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Met betrekking tot de aanstelling:

de Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de wederpartij in strijd
met artikel 1637ij lid 7 Burgerlijk Wetboek heeft gehandeld indien er sprake
is van een aanstelling door de wederpartij en indien deze wordt beheerst door
het Nederlands recht c.q. Nederlands recht als objectief toepasselijk recht
kan worden aangemerkt.

Indien daarvan geen sprake is, acht de Commissie zich niet bevoegd
daarover een uitspraak te doen.

Rechters

mr E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris,namens deze mr M.J.M.G. van Dorsten, plaatsvervangend secretaris

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 20 december 1991

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Eiseres vordert een straatverbod. Dit wordt toegewezen op straffe van
lijfsdwang. De lijfsdwang mag maximaal 14 dagen aaneengesloten duren.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 30 september heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagde heeft de vordering bestreden. Daarop is de behandeling van de
zaak aangehouden tot PRO FORMA 16 december 1991. Op laatstgenoemde datum is de
behandeling van de zaak voortgezet en hebben partijen het woord gevoerd.

Na verder debat hebben partijen de stukken voor vonnis overgelegd.

De behandeling van de zaak.

Uitgangspunten.

1. In eerdere kort gedingen is op 29 augustus 1990, KG nummer 202/90 en
op 30 januari 1990, KG nummer 18/1991 door de president van deze rechtbank
vonnis gewezen. In deze zaak is een interlocutoir vonnis gewezen, welk in
fotocopie aan dit vonnis is gehecht. Hetgeen hierin is vastgesteld en
overwogen dient als hier ingelast te worden beschouwd.

2. In dit aangehechte vonnis is een proefperiode van 2 maanden
vastgesteld om te bezien of met name gedaagde in staat is om zonder juridische
sancties zich te onthouden van ongewenste ontmoetingen. Voorts is vastgesteld
dat eiseres terstond voortzetting van de behandeling zou kunnen vragen indien
gedaagde zich ongevraagd bij het huis van eiseres of bij het zwembad
vertoont.

3. Ter terechtzitting heeft eiseres gesteld dat gedaagde zich op 16
november 1991, 30 november 1991, 5 december 1991 en op 14 december 1991 bij
haar woning bevond en dat gedaagde zich op 18 november 1991 en op 9 december
1991 bij het zwembad “De Hoornse Vaart” bevond.

4. Gedaagde heeft deze stellingen niet weersproken, zodat in dit geding
van de juistheid kan worden uitgegaan. Gedaagde stelt zich echter wel op het
standpunt dat lijfsdwang te ver gaat, omdat dit tot verdere polarisatie tussen
partijen leidt.

De gronden van de beslissing

5. Na de uitspraak van 9 oktober 1991 heeft gedaagde zich wederom niet
kunnen onthouden van ongewenste ontmoetingen met eiseres, ondanks de hem
geboden mogelijkheid om uit vrije wil eiseres rust te gunnen. Nu blijkbaar
gedaagde niet in staat is om van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn de
gevorderde voorzieningen toewijsbaar. De president acht echter gronden
aanwezig de voorziening te beperken in voege als na te melden.

6. Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten
aldus worden gecompenseerd dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

De beslissing

De president:

Verbiedt gedaagde terstond na betekening van dit vonnis eiseres op welke
wijze dan ook lastig te vallen in de ruimste zin van het woord, of haar schade
te berokkenen, een en ander in het bijzonder door haar te hinderen, te
bedreigen, contact met haar te zoeken of haar te benaderen.

Verbiedt gedaagde terstond na betekening van dit vonnis en voor de duur
van 1 jaar, zich te bevinden in het gebied Huiswaard I te Alkmaar, begrensd
door de Noorderkade, de Muiderwaard, de Rekerdijk en de spoorlijn, alsmede
binnen een straal van 100 meter rondom het zwembad “De Hoornse Vaart” (op
maandagen vanaf 16.45 uur tot 18.15 uur, op dinsdagen vanaf 17.00 uur tot
18.45 uur), alsmede binnen een straal van 100 meter rondom de Rudolph
Steinerschool aan de Sperwerstraat te Alkmaar.

Verleent eiseres verlof om de hierboven omschreven verboden ten uitvoer
te doen leggen bij lijfsdwang, onder de beperking dat de periode gedurende
welke gedaagde (telkens) in gijzeling mag worden gehouden ten hoogste twee
aaneengesloten dagen mag duren en met machtiging aan eiseres om gedaagde
maximaal 14 dagen aaneengesloten in gijzeling te doen nemen na betekening van
de overtredingen aan gedaagde.

Machtigt eiseres om dit vonnis voor zover nodig en mogelijk met behulp
van de sterke arm ten uitvoer te leggen.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij zijn eigen
kosten draagt.

Wijst af hetgeen meer of andere is gevorderd.

Rechters

Mr R.C. Gisolf

Instantie: Commissie van de Europese Gemeenschappen, 20 december 1991

Instantie

Commissie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Het recht op de en de hoogte van de toeslag op de AOW-uitkering is
afhankelijk van (de hoogte van) het inkomen van de echtgenoot van de
pensioengerechtigde. De Raad van Beroep Amsterdam heeft besloten prejudiciele
vragen te stellen aan het EG-Hof over de rechtvaardigingsgrond van het
vermoeden van discriminatie, aangezien hoofdzakelijk mannen voldoen aan de
voorwaarden, zodat toeslagen ingevolge de AOW meer aan mannen dan aan vrouwen
worden toegekend. Door de EG-Commissie zijn bij het EG-Hof schriftelijke
opmerkingen ingediend in het kader van bovengenoemde procedure. De Commissie
is van oordeel dat de toeslagenregeling in de AOW niet in strijd is met het
gemeenschapsrecht, zelfs al heeft deze regeling tot gevolg dat meer mannen dan
vrouwen in aanmerking komen voor een toeslag De regeling heeft het karakter
van een bodemvoorziening die de toekenning uitsluitend afhankelijk stelt van
het feit of de jongere partner eigen inkomsten heeft. Zie ook Raad van Beroep
Amsterdam, 24 juli 1991, RN 1991, 213 en RVR 1992, 109 m.nt. Len Andringa.

Volledige tekst

De Commissie doet eerbiedig het volgende zeggen:

I. Samenvatting van het geschil

1.1. Essentie

De Raad van Beroep wenst in essentie te vernemen of het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen zoals neergelegd in art. 4, lid 1
van Richtlijn nr. 79/7 zich verzet tegen toepassing van een nationale regeling
(in casu: de Nederlandse Algemene Ouderdomswet) welke ertoe strekt aan
pensioengerechtigden, die een jongere partner te hunnen lasten hebben, in
aanvulling op een pensioen, dat een sociaal minimum garandeert, een toeslag
ten behoeve van hun partner, die voor laatstgenoemde evenzeer een sociaal
minimum garandeert, toe te kennen, waarvan de hoogte in beginsel wel van het
inkomen van de partner, doch niet van dat van de pensioengerechtigde
afhankelijk is, indien deze regeling tot gevolg heeft dat een aanzienlijk
groter aantal mannen dan vrouwen als pensioengerechtigden op een dergelijke
toeslag een aanspraak kunnen doen gelden.

1.2. Relevante Nederlandse wetgeving

De Nederlandse Algemene Ouderdomswet (AOW) is reeds verschillende malen
het voorwerp van prejudiciele procedures geweest. Voor een recent voorbeeld
zij verwezen naar ’s Hofs uitspraak in de zaak C-87/90 Verholen (arrest van 11
juli 1991, nog niet gepubliceerd). Krachtens de AOW is in Nederland iedere
ingezetene, ook degene die geen deel uitmaakt van de actieve beroepsbevolking,
verplicht verzekerd. Zij wordt daarom een volksverzekering genoemd.

Per 1 april is de AOW aangepast aan de derde richtlijn gelijke
behandeling. Voor die datum had de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht op een
ouderdomspensioen. Daarentegen had de gehuwde man die de leeftijd van 65 jaar
had bereikt, recht op een gehuwdenpensioen. Het ouderdomspensioen werd
berekend door op het volledige pensioenbedrag een korting toe te passen van 1
procent voor elk kalenderjaar dat een van de echtgenoten niet verzekerd was.
Gehuwde vrouwen, wier echtgenoot buiten Nederland werkte en uit dien hoofde
niet krachtens de AOW verzekerd was, waren zelf evenmin verzekerd, zelfs als
zij in Nederland waren blijven wonen. De gevolgen van deze regeling, zoals die
zich ook na 23 december 1984 deden gevoelen, werden in het eerder vermelde
arrest Verholen onverenigbaar met art. 4, lid 1, van Richtlijn 79/7
verklaard.

Sedert 1 april 1985 is er sprake van toenemende verzelfstandiging van
het recht op pensioen. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
worden de rechten van de gehuwde man en de gehuwde vrouw individueel
beoordeeld. De gehuwde vrouw krijgt op dat moment een eigen pensioen. De
pensioengerechtigde, van wie de partner nog geen 65 jaar is, heeft recht op
een toeslag. Tot 1 april 1988 werd die toeslag toegekend onafhankelijk van het
inkomen van deze partner. Op de toeslag wordt een korting toegepast van 2
procent voor ieder tijdvak dat de partner van de pensioengerechtigde niet
verzekerd is geweest. Wanneer de partner 65 jaar wordt, vervalt de toeslag.
Het totale bedrag van het Nederlandse pensioen dat de partners vanaf dat
tijdstip gezamenlijk ontvangen, blijft dan gelijk. In feite kan het huidige
Nederlandse stelsel als een combinatie van twee verschillende stelsels worden
beschouwd: in de eerste fase (voordat de partner de 65-jarige leeftijd heeft
bereikt) ontvangt de pensioengerechtigde een toeslag voor gehuwden; in de
tweede fase (nadat de partner de 65-jarige leeftijd heeft bereikt) wordt deze
toeslag ingetrokken en vervangen door een eigen pensioen van de partner. Zoals
hiervoor reeds werd vermeld blijft het totale bedrag van het pensioen gelijk.

1.3. Feiten en procesverloop

Klager ten principale (Molenbroek) is door verweerder (het bestuur van
de Sociale Verzekeringsbank, hierna: de SVB) op 1 mei 1990 een volledig
pensioen krachtens de AOW toegekend als gevolg van het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar. Zijn jongere vrouw ontvangt een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Als pensioengerechtigde kan Molenbroek voorts
tegenover de SVB krachtens de AOW een aanspraak doen gelden op een toeslag,
aangezien hij zijn echtgenote ten lasten heeft. Nu deze laatste echter over
eigen inkomsten beschikt in de hierboven vermelde vorm, heeft de SVB besloten
Molenbroek evenwel geen volledige toeslag toe te kennen.

Molenbroek heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de SVB ten
aanzien van de toeslag. In zijn klaagschrift voert hij aan dat de voorwaarde
om in aanmerking te komen voor een volledige toeslag (indirect) discriminerend
is naar geslacht, aangezien het in hoofdzaak mannen zijn die aan die
voorwaarde voldoen, zonder dat daarvoor een afdoende (objectieve)
rechtvaardiging wordt gegeven. verder zou door het stellen van deze voorwaarde
de toegang tot het arbeidsproces van met name vrouwen worden belemmerd. De
voorwaarde zou daarom in strijd zijn met onder meer het bepaalde in art. 4,
lid 1 van de Richtlijn van Raad van Ministers van de EEG van 19 december 1978,
nr. 79/7/EEG. Dit laatste is door de SVB uitdrukkelijk betwist.

Een en ander is voor de Raad van Beroep te Amsterdam reden het geding te
schorsen en het Hof om een prejudiciele beslissing terzake van de volgende
vragen te verzoeken:

‘1. Moet art. 4, lid 1, van Richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december
1978 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich verzet tegen een nationale
wettelijke regeling van ouderdomsverzekering die – zonder onderscheid naar
geslacht – de toekenning en de hoogte van een toeslag aan een
pensioengerechtigde ten behoeve van de partner die de 65- jarige leeftijd nog
niet heeft bereikt, uitsluitend afhankelijk stelt van de vraag of bedoelde
jongere partner inkomsten uit of in verband met arbeid heeft, indien deze
regeling tot gevolg heeft dat een aanzienlijk groter aantal mannen dan vrouwen
voor een toeslag in aanmerking komt?

2a. Moet art. 4, lid 1, van de Richtlijn 79/7 van de Raad van 19
december 1978 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich verzet tegen
î

passing van de onder vraag 1. bedoelde bepaling van de nationale wettelijke
regeling, die ten doel heeft aan pensioengerechtigden die een jongere partner
te hunnen lasten hebben een sociaal minimum te garanderen, doch die tevens
leidt tot toekenning van een toeslag ten behoeve van de jongere partner, die
geen of een laag arbeidsinkomen heeft, indien de pensioengerechtigde naast
zijn AOW-uitkering eigen inkomsten uit of in verband met arbeid, zoals
aanvullend bedrijfspensioen of inkomsten uit vermogen ontvangt, zodat
bescherming van het sociaal minimum in die gevallen in beginsel niet aan de
orde behoeft te zijn?

2b. Kan de toepassing van de nationale wettelijke bepaling bedoeld in
vraag 1, die ertoe leidt dat aan een veel groter aantal mannen dan vrouwen een
toeslag ten behoeve van de jongere partner wordt toegekend, in het kader van
de Richtlijn 79/7 worden gerechtvaardigd door het karakter van de AOW als
bodemvoorziening, ondanks de omstandigheid dat de toeslag ook kan worden
verstrekt in situaties waarin deze voor de pensioengerechtigde en de jongere
partner niet noodzakelijk zijn om een toereikend bestaansminimum te
garanderen?

3. Brengt een schending van art. 4, lid 1, van de Richtlijn 79/7 in
gevallen als het onderhavige met zich mee, dat pensioengerechtigden met een
partner jonger dan 65 jaar in alle gevallen, ongeacht eventuele inkomsten van
de jongere partner uit of in verband met arbeid, aanspraak kunnen maken op een
(volledige) toeslag?’

II. In rechte

Vraag 1

De Commissie is van oordeel dat ’s Hofs rechtspraak1 inzake art. 4, lid
1 van richtlijn 79/7 (‘de Richtlijn’) aldus moet worden uitgelegd dat hooguit
sprake is van een weerlegbaar vermoeden van discriminatie in de zin van
voormelde bepaling indien de gewraakte nationale regeling tot gevolg heeft dat
een daarin voorzien materieel voordeel een aanzienlijk groter aantal mannen
dan vrouwen wordt toegekend. Van discriminatie in bovenvermelde zin kan
evenwel niet worden gesproken waar objectieve factoren deze verschillende
gevolgen verklaren. In dat verband blijkt uit de gegevens die de Commissie ter
beschikking heeft onder meer het volgende:

– de AOW maakt – ratione personae – wat betreft het verlenen van een
materieel voordeel in de vorm van een toeslag formeel geen onderscheid tussen
mannen en vrouwen (‘zonder onderscheid naar geslacht’);

– de hiervoor geconstateerde wanverhouding tussen mannelijke en
vrouwelijke rechthebbenden is het gevolg van enerzijds het feit dat in
Nederland de oudste der partners de man pleegt te zijn, anderzijds de
omstandigheid dat het inkomen uit arbeid van de vrouw gewoonlijk lager is dan
dat van hun mannelijke partner.

Voorts dient in aanmerking te worden genomen het feit dat de AOW – wat
betreft het verlenen van een toeslag – volgens de vraagstelling van de
verwijzende rechter (’ten behoeve van de jongste partner’) een onderscheid
maat tussen enerzijds de rechthebbende (in de praktijk meestal de man die,
zoals hiervoor aangegeven, eerder dan de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd
pleegt te bereiken) en de begunstigde te zijner lasten (in de praktijk meestal
de vrouw). Dit wordt bevestigd door art. 19, lid 2 AOW dat de SVB het recht
geeft de aan de pensioengerechtigde toegekende toeslag betaalbaar te stellen
aan zijn partner (vergelijk de hiervoor in par. I.1.2. geconstateerde
verzelfstandiging van krachtens de AOW verleende rechten). Daarmee wordt
duidelijk waarom bij de vaststelling van de toeslag, die er primair toe strekt
de partner van de pensioengerechtigde een sociaal minimum te garanderen (N.B.
verwezen zij naar art. 10 AOW dat criteria bevat op grond waarvan de hoogte
van de toeslag moet worden berekend), met de inkomsten van de
pensioengerechtigde geen, en met die van de partner wel in beginsel wordt
rekening gehouden.

Het voorgaande bevat naar het oordeel van de Commissie te veel
objectieve aanknopingspunten, die de verschillende gevolgen in de praktijk van
de toepassing van de AOW toeslagenregeling voor mannen en vrouwen kunnen
verklaren, dat niet zonder meer tot een discriminerende werking daarvan kan
worden geconcludeerd.

Vraag 2

Het komt de Commissie voor dat, mede gelet op hetgeen hiervoor in
verband met vraag 1 ten aanzien van het onderscheid tussen rechthebbende en
begunstigde werd opgemerkt, de onderdelen a en b van de tweede door de Raad
van Beroep gestelde vraag niet gescheiden behoeven te worden behandeld.

Het zij herhaald dat de toeslag een voorziening ten behoeve van de
partner van de AOW rechthebbende is op voorwaarde dat deze partner te zijnen
lasten is. Volgens de verwijzende rechter dient te AOW te worden aangemerkt
als een volksverzekering tegen de negatieve gevolgen van het ouder worden. Zij
heeft het karakter van een basisvoorziening. Het is gebruikelijk dat de
rechthebbende hierop een aanvullende voorziening treft, bijvoorbeeld een
particulier ouderdomspensioen of een levensverzekering. Ook in dat licht
bezien is het als redelijk en derhalve uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt als
gerechtvaardigd te beschouwen dat in de Nederlandse praktijk bij de
vaststelling van de hoogte van de bodemvoorziening (de AOW-uitkering en de
daarmee verband houdende toeslag) met de hoogte van aanvullende voorzieningen,
welke vorm zij ook mogen aannemen, geen rekening wordt gehouden, terwijl in
het omgekeerde geval, d.w.z. bij het bepalen van de hoogte van de inkomsten
krachtens de bodemvoorziening(en) wordt verdisconteerd. Dit laatste geschiedt
nu eenmaal, omdat, zoals aangegeven, de eerder vermelde voorzieningen de
bodemvoorziening(en) in de regel slechts beogen aan te vullen.

De Commissie is van oordeel dat de hierboven beschreven
toeslagenregeling in het kader van de AOW en de daaraan ten grondslag liggende
doelstelling beantwoorden aan de eisen, die volgens ’s Hofs rechtspraak in
verband met het bepaalde in art. 4, lid 1 van de Richtlijn moeten worden
gesteld. In het bijzonder meent zij dat de volgende passage, ontleend aan
overweging 22 van ’s Hofs uitspraak van 7 mei 1991 in zaak C- 229/89
Commissie/Belgie, op het onderhavige geval van toepassing is:

‘Ces principes et ces objectifs s’inscrivent dans le cadre d’une
politique sociale qui, en l’etat actuel du droit communautaire, releve des
Etats membres, lesquels disposent d’une marge d’appreciation raisonnable en ce
qui concerne la nature des mesures de protection sociale et les modalites
concretes de leur realisation (arret du 12 juillet 1984, Hofmann, 184/84, Rec.
p. 3047, point 27)’.

Vraag 3

Aangezien de eerste twee door de Raad van Beroep gestelde vragen naar de
mening van de Commissie aldus zouden moeten worden beantwoord dat er in casu
geen sprake is van discriminatie, is de derde vraag zonder voorwerp omdat zij
uitgaat van de tegenovergestelde hypothese (‘bij schending van art. 4, lid
1′). Mocht uw Hof de Commissie in dit opzicht evenwel niet volgen, dan lijkt
het opportuun het volgende op te merken. De Commissie betwijfelt of de Raad
van Beroep in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat een
beslissing door het Hof over de door dit nationale rechtscollege aan hem
gestelde vragen noodzakelijk is voor het wijzen van een vonnis in het geschil
dat tussen de heer Molenbroek en het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank
is gerezen (vergelijk art. 177, tweede alinea EEG-Verdrag). Men kan zich
immers in gemoede afvragen welk rechtens te respecteren belang de mannelijke
klager heeft bij een beroep op een gemeenschapsbepaling, die volgens zijn
eigen stelling er in het onderhavige geval juist toe strekt het belang van de
vrouw te beschermen.

III. Conclusie

Voor de Nederlandse Algemene Ouderdomswet is de conclusie uit het
vorenstaande dat de daarin voorziene toeslagenregeling niet in strijd is met
het gemeenschapsrecht. De Commissie geeft het Hof daarom in overweging de
prejudiciele vragen van de Raad van Beroep als volgt te beantwoorden:

Art. 4, lid 1, van Richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december 1978 moet
aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet verzet tegen een nationale
wettelijke regeling van ouderdomsverzekering met het karakter van
bodemvoorziening, die – zonder onderscheid naar geslacht – de toekenning en de
hoogte van een toeslag aan een pensioengerechtigde ten behoeve van de partner
die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, uitsluitend afhankelijk
stelt van de vraag of bedoelde jongere partner inkomsten uit of in verband met
arbeid heeft, zelfs al heeft deze regeling tot gevolg dat een aanzienlijk
groter aantal mannen dan vrouwen voor een toeslag in aanmerking komt.

Rechters

Gemachtigden van de Commissie: K. Banks, B.M.P. Smulders.

Instantie: Rechtbank Arnhem, 19 december 1991

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres vordert verklaring voor recht dat de in de huwelijkse voorwaarden
opgenomen vervaltermijn nietig is wegens strijd met art, 2025 BW ligt de
gedachtengang dat dwang tot instellen rechtsvordering tegen andere
echtgenoot bron van onrust kan vormen die goede verstandhouding gevaar in
gevaar brengt. Rechtbank oordeelt dat dit evenzeer geldt voor
vervaltermijnen.

Volledige tekst

De procedure Eiser – verder te noemen de man – heeft gedaagde – verder te
noemen de vrouw – voor deze rechtbank gedagvaard en voor eis geconcludeerd
overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. De vrouw heeft daarop
geantwoord en een eis in reconventie ingesteld. Daarna heeft zij bij akte
haar vordering vermeerderd. Na het nemen van conclusies van re- en dupliek
hebben partijen hun standpunten door hun advocaten doen bepleiten ter
zitting van deze rechtbank op 26 juni 1991. Voorafgaande aan het pleidooi
heeft de man een akte verzocht. Tenslotte hebben partijen de gedingstukken
waaronder hun pleitnotities en produkties van beide zijden, voor vonnis
overgelegd.

De vaststaande feiten 1.1. Na het maken van huwelijkse voorwaarden,
inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, zijn partijen
op … te … in het huwelijk getreden. Voor zover hier van belang zijn
partijen bij de huwelijkse voorwaarden voorts overeengekomen: ” Artikel
2. 1. De kosten van de huishouding in de ruimste zin des woord komen ten
laste van de man en de vrouw naar evenredigheid van hun zuivere inkomsten,
waarbij onder zuivere inkomsten worden verstaan: a. winst uit onderneming
b. zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde
periodieke uitkeringen en verstrekkingen; c. winst uit aanmerkelijk
belang; d. hetgeen wordt verkregen door toeval of geluk; na aftrek van de
op die inkomsten betrekking hebbende last, belastingen en premieheffingen.
2.a. Tot de in lid 1 bedoelde kosten van de huishouding horen onder
andere: de kosten van geneeskundige behandeling van de echtgenoten en de
kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, welke uit het huwelijk
zijn geboren, door echtgenoten zijn geadopteerd of in hun gezin zijn
genomen. b. Tot de in lid 1 bedoelde kosten der huishouding behoren niet
de kosten ten behoeve van de oudedagsvoorziening van de echtgenoten. 3.
De belastingen en de premieheffingen, welke van het vermogen en het
inkomen van ieder van de echtgenoten worden geheven, worden door de
echtgenoten in prive gedragen naar evenredigheid van ieders in de
aanslagen begrepen vermogen of inkomen, ongeacht of een van de echtgenoten
geheel of gedeeltelijk voor het gezamenlijk vermogen of inkomen wordt
aangeslagen.

Artikel 4. 1. Iedere echtgenoot heeft het recht na afloop van een
kalenderjaar van de andere echtgenoot te vorderen, dat ter verdeling bij
helfte wordt bijeengevoegd, wat van hun zuivere inkomsten, na aftrek van
de in artikel 2 bedoelde kosten an de huishouding, resteerd. 2. Een
zodanige verdeling zal niet plaats hebben: a. welke betrekking heeft op
de tijd dat de echtelijke samenwoning verbroken is; b. vanaf het ogenblik,
dat een van de echtgenoten in staat van faillissement is verklaard tot en
met het ogenblik dat alle faillissementsschulden volledig zijn voldaan;
c. welke betrekking heeft op het kalenderjaar gedurende welke een of beide
echtgenoten per saldo een negatief inkomen heeft verkregen; 3. Indien
binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar geen vaststelling
en betaling van de verrekeningsvordering heeft plaatsgevonden, vervalt de
vordering. De vordering is direct opeisbaar bij faillissement van of
aanvrage tot surseance van betaling door de tot uitkering verplichte
echtgenoot.”

(…)

Vervaltermijn 6.1. De vrouw heeft de door haar gevorderde verklaring voor
recht dat de door partijen overeengekomen vervaltermijn als bedoeld in de
onder 1.1 geschreven bepaling van huwelijkse voorwaarden nietig is,
primair doen steunen op de stelling dat die vervaltermijn strijdig is met
de norm van dwingend recht als neergelegd in artikel 2025 BW.

6.2. Op grond van artikel 2025 BW heeft tussen echtgenoten geen verjaring
plaats. Een lopende verjaring wordt door het huwelijk geschorst. Van
artikel 2025 BW kan contractueel niet worden afgeweken. De gedachtengang
die aan dit artikel en aan het vergelijkbare artikel 3:321 lid 1 onder a
NBW ten grondslag ligt, is dat de ene echtgnoot tot handhaving van een
recht niet gedwongen moet worden tot het instellen van een rechtsvordering
tegen de andere echtgenoot. Voorkomen moet worden, dat dit een bron van
onrust tussen de echtgenoten wordt, waardoor de goede verstandhouding
tussen hen in gevaar kan komen.

6.3. Hoewel verjaring en verval scherp van elkaar moeten worden
onderscheiden, gelden de wettelijke bezwaren tegen de verjaring tussen
echtgenoten evenzeer tegen de door hen overeengekomen (kortere)
vervaltermijnen. Bedingen die de uitoefening van een recht op straffe van
verval aan een bepaalde termijn binden, brengen mee dat de rechthebbende
– zoals in dit geval de vrouw – zijn recht binnen die termijn moet
uitoefenen. Daarbij moet worden bedacht, dat onderhavige contractuele
vervaltermijn worden echtgenoten tot behoud van de door hen beiden bij
huwelijkse voorwaarden overeengekomen bevoegdheid tot verrekening
gedwongen tot een periodieke verrekening binnen de overeengekomen termijn
en bij gebreke van overeenstemming daarover tot het periodiek instellen
van een rechtsvordering ter zake binnen de overeengekomen termijn. Het
periodiek afzien daarvan om de goede verstandhouding tussen hen te bewaren
(of te redden) kan eveneens verworden tot een bron van onrust tussen hen.
Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven, dat de door artikel
2025 BW en artikel 3:321 lid 1 onder a NBW – derhalve van rechtswege –
beschermde en in die artikelen neergelegde norm evenzeer behoort te worden
gehandhaafd waar het door echtgenoten overeengekomen vervaltermijnen
betreft. Tegen die vervaltermijnen gelden de wettelijke bezwaren tegen
verjaring tussen echtgenoten immers in versterkte mate.

6.4. Uit het bovenstaande volgt dat een tussen echtgenoten overeengekomen
vervaltermijn in strijd is met (de ratio van) een bepaling van dwingend
recht – thans artikel 2025 BW en naar komend recht artikel 3:321 lid 1
onder a NBW – en in ieder geval in strijd is met de door die bepalingen
dwingend- rechtelijk beschermde norm. Aldus mist de onderhavige
overeenkomst van huwelijkse voorwaarden op dit punt een geoorloofde
oorzaak. De door de vrouw gevorderde verklaring voor het recht zal
mitsdien worden gegeven. In reconventie verklaart voor echt dat de tussen
partijen overeengekomen vervaltermijn als omschreven in artikel 4 van hun
huwelijkse voorwaarden nietig is, veroordeelt de man over te gaan tot
beschrijving van de door hem in de periode van de huwelijkse samenwoning
jaarlijks overgespaarde zuivere inkomsten als bedoeld in artikel 2 van de
huwelijkse voorwaarden.

in conventie en in reconventie compenseert de proceskosten aldus dat
iedere partij haar eigen kosten draagt, wijst af het meer of anders
gevorderde.

Rechters

mrs. G.M. Roerink, A.H.N. Stollenwerck, H. den Hartog

Instantie: Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch, 17 december 1991

Instantie

Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Klaagster, van 1945 tot september 1952 gewerkt hebbende bij de
suikerwarenfabriek Jamin, heeft sindsdien haar arbeid wegens
arbeidsongeschiktheid moeten staken. Klaagster heeft na de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 5 januari 1988, waarin werd beslist dat gehuwde
vrouwen ook recht hebben op een AAW-uitkering, op 17 mei 1988 een aanvraag
ingediend die aan haar per 17 mei 1987 is toegekend. Bij de toekenning werd
tevens beslist dat de AOW-toeslag die haar echtgenoot ontving, in mindering
werd gebracht. Per 1 juli 1989 is haar AAW-uitkering ingetrokken omdat zij
sinds die datum recht heeft op een (lagere) AWW-uitkering. In de onderhavige
uitspraak is aan de orde het beroep tegen de ingangsdatum (17 mei 1987) van de
AAW-uitkering en het beroep tegen de intrekking van de AAW-uitkering per 1
juli 1989. (Voor de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over deze
kwesties wordt verwezen naar de hierboven opgenomen uitspraak en RN 1991, 198
en 199.)

De Raad heeft besloten prejudiciele vragen te stellen aan het Hof van
Justitie van de EG.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure.

Bij beslissingen van 9 november 1989 heeft het bestuur van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (verder te
noemen: de Detam) aan betrokkene onder meer medegedeeld dat haar met ingang
van 17 mei 1987 uitkering krachtens de Nederlandse Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%
wordt toegekend en dat die uitkering met ingang van 1 juli 1989 wordt
ingetrokken.

Namens betrokkene is tegen die beslissingen beroep ingesteld.

De behandeling van dat beroep is geruime tijd uitgesteld omdat
uitspraken van de Centrale Raad van Beroep werden afgewacht.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de raad op 7 november
1991. In raadkamer is de raad tot de conclusie gekomen dat er in dit geding
overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag prejudiciele vragen moeten
worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Daartoe is op 7 november 1991 op grond van artikel 125 van de Beroepswet een
bevel gegeven. In het onderhavige aanvullend bevel zullen de prejudiciele
vragen worden geformuleerd alsmede de feiten en overwegingen die tot die
vragen aanleiding hebben gegeven.

2. Feiten.

Betrokkene in het hoofdgeding, geboren 13 augustus 1926, heeft van 1945
tot september 1952 gewerkt bij de suikerwarenfabriek Jamin. Zij staakte die
arbeid wegens longklachten, ter zake waarvan zij ziekengeld ontving. Sedert
1963 ontvangt zij een Nederlandse invaliditeitsrente.

Op 1 oktober 1976 trad de Nederlandse AAW in werking. Hoewel
arbeidsongeschikt had betrokkene toen als gehuwde vrouw – en anders dan mannen
en ongehuwde vrouwen – geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens
die wet. Dit werd niet anders door de bij Wet van 20 december 1979, Staatsblad
708 (Wet invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen)
ingevoerde wijziging van de AAW met ingang van 1 januari 1980, omdat (onder
meer) gehuwde vrouwen die voor 1 oktober 1975 arbeidsongeschikt waren geworden
door die wet van 20 december 1979 nog steeds geen recht kregen op
AAW-uitkering.

Pas bij een aantal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 5
januari 1988 – en met name bij de uitspraak van dat rechtscollege met het
nummer AAW 1983/S90, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1988
nummer 200 – werd beslist dat gehuwde vrouwen als betrokkene vanaf 1 januari
1980 aanspraak hebben op AAW-uitkering. Die uitspraken van de Centrale Raad
van Beroep waren gegrond op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten, verder te noemen: het Bupo-verdrag
(genoemd artikel 26 van het Bupo-verdrag is besproken in rubriek 3a van ‘s
raads verwijzingsbevel van heden in de zaak Van Gemert-Derks, AAW 88/93).

Kennelijk naar aanleiding van genoemde uitspraken van de Centrale Raad
van Beroep en publicaties daaromtrent heeft betrokkene op 17 mei 1988 een
aanvraag om AAW-uitkering ingediend.

Die uitkering is haar door de Detam met ingang van 17 mei 1987 – een
jaar voor de datum van aanvraag – toegekend. Daarbij heeft de Detam voorts
bepaald dat de AOW-ouderdomspensioentoeslag die betrokkenens echtgenoot ten
behoeve van betrokkene ontving, op die AAW-uitkering in mindering moet worden
gebracht. Tenslotte heeft de Detam verstaan dat betrokkenes AAW-uitkering per
1 juli 1989 met toepassing van artikel 32, lid 1, aanhef en onder b, van die
wet wordt ingetrokken omdat zij ingaande die datum wegens het overlijden van
haar echtgenoot een weduwenpensioen krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(AWW) ontving.

Betrokkene heeft bij de raad beroep ingesteld tegen:

a) de ingangsdatum (17 mei 1987) van haar AAW-uitkering;

b) de intrekking van haar AAW-uitkering per 1 juli 1989;

c) de vermindering van die uitkering met de AOW-toeslag van haar
echtgenoot.

In dit bevel stelt de raad slechts de punten a) en b) aan de orde.

3. Overwegingen.

De raad zal eerst beschouwingen wijden aan de ingangsdatum van
betrokkenes AAW-uitkering en vervolgens aan de intrekking van die uitkering
per 1 juli 1989 op grond van artikel 32, lid 1, aanhef en onder b, van de
AAW.

3a. De ingangsdatum van de AAW-uitkering

Art. 25, lid 2, van de AAW bepaalt (voorzover hier van belang) dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de
dag waarop de aanvraag werd ingediend en tevens dat de bedrijfsvereniging voor
bijzondere gevallen daarvan kan afwijken.

Met betrekking tot arbeidsongeschikte gehuwde vrouwen die door de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 januari 1988 in beginsel vanaf
1 januari 1980 aanspraak op AAW-uitkering hebben verkregen is respectievelijk
wordt er thans door de bedrijfsverenigingen beleid ontwikkeld op het punt van
de ingangsdatum van die uitkering. Gehuwde vrouwen hebben namelijk (enkele
uitzonderingen daargelaten) pas aanvragen om AAW- uitkering ingediend na het
bekend worden van genoemde uitspraken van 5 januari 1988. Verwonderlijk is dit
niet, want voor die datum gedane aanvragen werden steevast afgewezen omdat de
uitvoeringsorganen en de Nederlandse regering zich destijds op het standpunt
stelden dat er in de AAW geen discriminatie meer plaatsvond tussen (gehuwde)
vrouwen en mannen.

De Raad acht het verantwoord om aan te nemen dat dit misleidende
standpunt voldoende is om te spreken van een ‘bijzonder geval’ in de zin van
art. 25, lid 2, van de AAW. De Centrale Raad van Beroep heeft in gelijke zin
geoordeeld in een uitspraak van 8 augustus 1991, AAW 1990/287, waarbij
overigens nog geen oordeel werd gegeven over het beleid van een
bedrijfsvereniging om slechts in geval van ‘bijzondere hardheid’ jegens de
uitkeringsgerechtigde de AAW-uitkering eerder te doen ingaan dan een jaar voor
de aanvraagdatum.

De vraag die nog resteert is dus of en zo ja, in hoeverre de
bedrijfsverenigingen gebruik dienen te maken van hun bevoegdheid om de
AAW-uitkering van arbeidsongeschikte gehuwde vrouwen eerder te doen ingaan dan
een jaar voor de dag van aanvraag. Er is aanleiding om te veronderstellen dat
de bedrijfsverenigingen daartoe slechts in een beperkt aantal gevallen zullen
(moeten) overgaan.

Bij het zoeken naar een antwoord op de zojuist aan de orde gestelde
vraag zal de Raad art. 26 van het BuPo-verdrag (welk artikel volgens de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 januari 1988 met zich
meebrengt dat vrouwen als betrokkene vanaf 1 januari 1980 aanspraak op
AAW-uitkering konden doen gelden) terzijde laten. De Raad constateert dat
vrouwen als betrokkene met ingang van 23 december 1984 door de werking van
EEG-richtlijn 79/7 (betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de
sociale zekerheid) aanspraak konden maken op AAW-uitkering. Voorts constateert
de Raad dat de Nederlandse regering en de Nederlandse uitvoeringsorganen voor
die datum herhaaldelijk, vroegtijdig en duidelijk waren gewaarschuwd voor
bedoeld effect van de Richtlijn 79/7. De Raad wijst in dit verband allereerst
op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 april 1981, AAW
1980/850, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering (RSV) 1981 nummer
198, waarin onder meer het volgende is overwogen:

” Nu de arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden voor 1 oktober
1975 kan zij krachtens de thans vigerende wettelijke bepalingen geen recht op
AAW-uitkering doen gelden.

Evenmin is er thans naar het oordeel van de raad enige bepaling van
internationaal of supranationaal recht van kracht die kan voeren tot het door
eiseres gewenste resultaat. De bestreden beslissing dient derhalve te worden
bevestigd.

Ten overvloede tekent de Raad hierbij nog het volgende aan. Het
hierboven genoemde samenstel van wettelijke bepalingen heeft tot gevolg dat
gehuwde vrouwen wier arbeidsongeschiktheid is ingetreden voor 1 oktober 1975 –
in tegenstelling tot overige krachtens de AAW verzekerden – geen recht kunnen
doen gelden op uitkering krachtens de AAW. De vraag doet zich voor of dit feit
niet een inbreuk vormt op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, welk beginsel staat vermeld in
artikel 1 van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19
december 1978, nr. 79/7 EEG (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van
10 januari 1979, nr. L.6, blz. 24 e.v.), betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van voornoemd beginsel. Ingevolge artikel 8, lid 1 van
voornoemde richtlijn dienen de Lid-Staten binnen een termijn van zes jaar,
volgende op de kennisgeving van die richtlijn, de nodige wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om aan meergenoemde
richtlijn te voldoen. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen moet het niet uitgesloten worden geacht dat de Raad
zal dienen na te gaan of Nederlandse maatregelen genomen ter uitvoering van de
richtlijn, met die richtlijn in overeenstemming zijn. Een dergelijke toetsing
zal echter niet eerder kunnen plaatsvinden dan nadat de uitvoeringstermijn van
de richtlijn is verstreken, hetgeen naar de Raad aanneemt, eind 1984 het geval
zal zijn. Immers kan de richtlijn voordien geen enkel gevolg hebben dat door
de Raad in aanmerking kan worden genomen”.

Ook overigens is voor 23 december 1984 in juridische publicaties gewezen
op de nog resterende discriminatie van de gehuwde vrouw in de AAW. Bij wijze
van voorbeeld wijst de Raad hier op de volgende publicaties:

– het artikel van mr A.F.M. Brenninkmeijer: ‘De ongelijke behandeling
van vrouwen en mannen in de AAW’ in het Nederlands Juristenblad van 23 juni
1981, blz. 613 tot en met 620;

– het voor de gezamenlijke vergadering van de Vereniging voor
Arbeidsrecht en de Vereniging voor Europees Recht op 27 november 1981
uitgebrachte preadvies van mr A.W. Govers;

– ‘Gelijkheid van vrouw en man in het Europees Sociaal Recht’, blz. 66
(nr. 6 in de serie ‘Geschriften van de Vereniging voor Arbeidsrecht’, Samsom
uitgeverij Alphen aan de Rijn, 1981);

– het artikel van L. van Buitenen, J. Ebbens. M.E. Diepstraten en M.
Westerveld: ‘Gelijkberechtiging van mannen en vrouwen in de AAW?’ in Sociaal
Maandblad Arbeid van september 1983, blz. 502 tot en met 517.

Met het vorenstaande wil de Raad overigens niet suggereren dat het
ontbreken van duidelijke waarschuwingen een Lid-Staat zou excuseren voor het
niet correct uitvoeren van een richtlijn; het illustreert slechts de
nalatigheid van de Nederlandse regering (onder meer) met betrekking tot het
verlenen van AAW-uitkering aan gehuwde vrouwen die voor 1 oktober 1975
arbeidsongeschikt zijn geworden.

Men kan zich overigens ook op het standpunt stellen dat de in art. 25,
lid 2, van de AAW omschreven aanvraagtermijn in gevallen als het onderhavige
in het geheel niet mag worden gesteld, zodat men niet toekomt aan de
beoordeling of er sprake is van een ‘bijzonder geval’ waarin van die termijn
zou moeten worden afgeweken. De Raad denkt hierbij met name aan het arrest van
het Hof van Justitie van 25 juli 1991, nummer C-208/90 (arrest Emmott). Uit
rechtsoverweging 22 van dat arrest meent de Raad te kunnen afleiden dat pas
vanaf het moment waarop de Lid-Staat een richtlijn correct heeft uitgevoerd
aan justitiabelen termijnen kunnen worden gesteld waarbinnen zij hun
desbetreffende rechten geldend kunnen maken. En op 17 mei 1988 (de dag waarop
mevrouw Steenhorst-Neerings een AAW-uitkering heeft aangevraagd) was er van
een volledig correcte uitvoering van Richtlijn 79/7 door de Nederlands
wetgever nog geen sprake (men kan zelfs verdedigen dat daarvan tot op de dag
van vandaag nog geen sprake is). De Raad ziet voorshands geen reden waarom het
in het arrest Emmott neergelegde oordeel van het Hof van Justitie zich zou
beperken tot (in dat arrest aan de orde zijnde) termijnen waarbinnen een
rechterlijke procedure moet worden aangespannen en niet evenzeer zou gelden
voor termijnen waarbinnen een uitkering bij een uitvoeringsorgaan moet worden
aangevraagd.

Al het voorgaande heeft de Raad er toe gebracht om de eerste hieronder
in rubriek 4 vermelde prejudiciele vraag te formuleren.

3b. Artikel 32, lid 1, aanhef en onder b, van de AAW

Art. 32, lid 1, aanhef en onder b, van de AAW – waarvan de tekst kort
samengevat bepaalt dat de AAW-uitkering van een vrouw wordt ingetrokken
wanneer zij recht verkrijgt op weduwenpensioen krachtens de AWW – is besproken
in rubriek 3b van ’s Raads verwijzingsbevel van heden in de zaak Van
Gemert-Derks, AAW 88/93 (opgenomen in dit actualiteitenkatern, LA). Zoals is
beschreven in het verwijzingsbevel Van Gemert-Derks moet volgens de Centrale
Raad van Beroep de door die bepaling veroorzaakte inkomensachteruitgang sinds
23 december 1984 geacht worden te gelden zowel voor arbeidsongeschikte weduwen
als voor arbeidsongeschikte weduwnaars.

Dat standpunt van de Centrale Raad van beroep vloeit voort uit zijn
jurisprudentie op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen
met betrekking tot het wettelijke nabestaandenpensioen, aan welke
jurisprudentie in het verwijzingsbevel Van Gemert-Derks eveneens ruime
aandacht is besteed (zie rubriek 3a van dat bevel).3 .

In het verwijzingsbevel Van Gemert-Derks is voorts aangegeven dat – in
verband met het feit dat het nabestaandenpensioen krachtens de AAW behoudens
bijzondere gevallen niet eerder kan ingaan dan (kort gezegd) een jaar voor de
aanvraag – normaliter pas met ingang van 1 december 1987 daadwerkelijk aan
weduwnaars een nabestaandenpensioen wordt toegekend. Derhalve zou art. 32, lid
1, aanhef en onder b, van de AAW ook pas vanaf 1 december 1987 het feitelijke
effect hebben dat zowel bij arbeidsongeschikte weduwen als bij
arbeidsongeschikte weduwnaars de (hogere) AAW-uitkering wordt vervangen door
het (lagere) AWW- pensioen, zulks ondanks het feit dat de tekst van die
bepaling slechts spreekt over (AAW-uitkering genietende) vrouwen aan wie een
AWW-pensioen is toegekend. Het is echter goed mogelijk dat dat feitelijke
effect pas op een nog latere datum is ingegaan, omdat terugvordering van de
door de betrokken weduwnaars sinds 1 december 1987 genoten AAW-uitkering
(vaak) niet mogelijk blijkt. In dit laatste geval is er dan zelfs sprake van
een veel grotere ongelijkheid tussen arbeidsongeschikte weduwnaars en
arbeidsongeschikte weduwen, nu de eerste groep (gedurende een bepaalde periode
vanaf 1 december 1987) AAW-uitkering en AWW- pensioen naast elkaar geniet,
terwijl de tweede groep slechts het lagere AWW-pensioen ontvangt.

Vanaf 1 december 1987 of vanaf een latere datum – maar in ieder geval,
naar de Raad aanneemt, vanaf 1 juli 1989, de datum met ingang waarvan de
AAW-uitkering van mevrouw Steenhorst-Neerings met toepassing van art. 32, lid
1, aanhef en onder b, van de AAW werd ingetrokken – is er dus met betrekking
tot dat artikelonderdeel sprake van een bepaling die naar de tekst
arbeidsongeschikte weduwen discrimineert, doch die volgens de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 23 mei 1991, AAW 1986/322 (gevoegd bij het
verwijzigingsbevel Van Gemert-Derks en aldaar besproken in de rubrieken 2 en
3b) als rechtsgevolg van de in andere uitspraken van de rechtscollege
uitgesproken gelijkstelling van weduwnaars met weduwen, feitelijk ook voor
arbeidsongeschikte weduwnaars leidt tot intrekking van de AAW- uitkering.

De Raad is er niet zeker van dat de zojuist omschreven, sinds 1 december
1987 of sinds een latere datum geldende situatie zich verdraagt met het
Gemeenschapsrecht. Hierbij heeft de Raad in het bijzonder het oog op het
arrest van het Hof van Justitie van 4 april 1974, nummer 167/73.
Jurisprudentie Hof van Justitie 1974, blz. 366 e.v. In dat arrest was er een
bepaling aan de orde – art. 3, tweede alinea van de Franse Code du travail
maritime – die weliswaar naar de tekst discrimineerde (naar nationaliteit),
doch welke (althans volgens de Franse regering) krachtens administratieve
instructies in de praktijk niet discriminerend werd toegepast. Het Hof van
Justitie heeft in dat geval geoordeeld – onder meer met verwijzing naar de
door die situatie geschapen onzekerheid – dat Frankrijk door de ongewijzigde
handhaving van die bepaling de daar aan de orde zijnde communautaire
verplichtingen niet was nagekomen.

Tenslotte merkt de Raad in dit verband nog op dat hem thans geen
voornemen van de Nederlandse regering bekend is om de tekst van art. 32, lid
1, aanhef en onder b, van de AAW te wijzigen.

Het voorgaande is voor de Raad aanleiding geweest om de tweede hieronder
in rubriek 4 vermelde prejudiciele vraag te formuleren. Beantwoording van die
vraag blijft naar de mening van de Raad van belang, ook indien de eerste
prejudiciele vraag in het verwijzingsbevel Van Gemert-Derks ontkennend zou
worden beantwoord. Er is namelijk geen reden om aan te nemen dat in die
situatie art. 32, lid 1, aanhef en onder b, van de AAW (vanaf op zijn vroegst
1 december 1987) niet feitelijk is en wordt toegepast op arbeidsongeschikte
weduwnaars, zulks in weerwil van de slechts op vrouwen betrekking hebbende
tekst.

4. Beslissing

De Raad bepaalt dat aan het Hof van Justitie op grond van art. 177 van
het EEG-Verdrag de volgende prejudiciele vragen worden voorgelegd;

1. Verlangt het Gemeenschapsrecht dat met terugwerkende kracht tot 23
december 1984 (de datum waarop de uitvoeringstermijn van EEG-Richtlijn 79/7
was geeindigd) aan voor 1 oktober 1975 arbeidsongeschikt geworden gehuwde
vrouwen uitkering krachtens de AAW wordt toegekend, indien die vrouwen om
redenen welke in het verwijzingsbevel staan vermeld pas na 5 januari 1988 (de
datum van op gelijke behandeling van mannen en vrouwen betrekking hebbende
uitspraken van de Centrale Raad van Beroep) een aanvraag om een dergelijke
uitkering hebben ingediend?

2. Is een bepaling van nationaal recht als vervat in art. 32, lid 1,
aanhef en onder b, van de AAW verenigbaar met art. 4, lid 1, van EEG-Richtlijn
79/7 indien die nationale bepaling (vanaf op zijn vroegst 1 december 1987)
weliswaar feitelijk zowel op arbeidsongeschikte weduwen als op
arbeidsongeschikte weduwnaars wordt toegepast, doch naar de tekst uitsluitend
betrekking heeft op arbeidsongeschikte weduwen?

Rechters

Mr A.W. Govers, voorzitter, M. de Laat en H.A. van Nieuwenhuyzen, leden

Instantie: Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch, 17 december 1991

Instantie

Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Aan klaagster kan niet worden verweten dat zij pas in juli 1988 een
WWV-uitkering heeft aangevraagd. Aangezien per 23 december 1984 de
uitsluitingsgrond voor gehuwde vrouwen niet aanvaardbaar meer werd geacht,
heeft zij vanaf die datum recht op een WWV-uitkering en dus ook op 31 december
1986. Gelet op het overgangsrecht heeft zij per 1 januari 1987 recht op een
WW-uitkering.

Klaagster, op 1 januari 1987 ouder dan 60 jaar, heeft op 11 juli 1988
een WWV-uitkering aangevraagd. De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld
dat zij op grond van het overgangsrecht WW per 1 januari 1987 recht heeft op
een WW-uitkering. De bedrijfsvereniging heeft de aanvraag afgewezen, aangezien
klaagster op 31 december 1986 geen recht had op een WWV-uitkering en dus op
grond van art. 8 IWS jo art. 12 Besluit Overgangsregels Werkloosheidswetten
geen aanspraak kon maken op een WW-uitkering. De Voorzitter verklaart het
beroep bij beschikking gegrond. Het verzet tegen de uitspraak is ingetrokken.
De staatssecretaris heeft bij brief van 26 september 1991, PS 1991, 643, laten
weten dat vrouwen van 60 jaar en ouder aan wie alsnog een WWV-uitkering wordt
toegekend, op grond van het overgangsrecht per 1 januari 1987 in aanmerking
komen voor een WW-uitkering.

Volledige tekst


Weliswaar verleent art. 25, lid 5, van de AWW aan de Sociale
Verzekeringsbank de bevoegdheid om voor bijzondere gevallen een eerdere (dan
een jaar voor de eerste dag van de aanvraagmaand gelegen) ingangsdatum te
hanteren en is er volgens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30
januari 1991, AWW 1989/31, ten aanzien van weduwnaars inderdaad sprake van een
bijzonder geval, doch blijkens diezelfde uitspraak behoeft de Sociale
Verzekeringsbank die bevoegdheid (in het algemeen) slechts te hanteren indien
er anders sprake zou zijn van een bijzondere hardheid jegens de
uitkeringsgerechtigde. Hoewel de Sociale Verzekeringsbank blijkens de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 januari 1991, AWW 1989/31,
zich nog zal moeten bezinnen op een beleid met betrekking tot de zojuist
genoemde bevoegdheidshantering, acht de raad het verantwoord reeds thans de
constateren dat gevallen waarin een weduwnaarspensioen zal worden toegekend
met ingang van een datum, gelegen voor 1 december 1987, tot de uitzonderingen
zullen gaan behoren.

Op het tijdstip dat de AAW-uitkering van mevrouw Van Gemert- Derks met
toepassing van art. 32, lid 1, aanhef en onder b, van de AAW werd ingetrokken
– 1 oktober 1987 – trof de met toepassing van die bepaling gepaard gaande
inkomensachteruitgang dus alle (volledig) arbeidsongeschikte weduwen en
slechts een zeer gering percentage van de (volledig) arbeidsongeschikte
weduwnaars (die immers voor het overgrote deel nog geen recht hadden op
weduwnaarspensioen, zodat zij hun hogere AAW-uitkering behielden).

Daargelaten of er van 23 december 1984 tot 1 december 1987 sprake was
van een formele gelijkheid tussen (volledig) arbeidsongeschikte weduwen en
(volledig) arbeidsongeschikte weduwnaars (de uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep van 23 mei 1991, AAW 1986/322, impliceert dat er sinds 23 december
1984 sprake zou zijn van zulk een formele gelijkheid) was er naar het oordeel
van de raad in die periode met betrekking tot de toepassing van art. 32, lid
1, aanhef en onder b, van de AAW in ieder geval sprake van een feitelijke
ongelijkheid tussen die twee groepen.

Die feitelijke ongelijkheid wordt nog verscherpt door de omstandigheid
dat in die gevallen waarin aan AAW-uitkering genietende weduwnaars met langere
terugwerkende kracht weduwnaarspensioen wordt toegekend, er geen of slechts
beperkte mogelijkheden bestaan tot terugvordering van de beweerdelijk ten
onrechte genoten AAW-uitkering, zodat de weduwnaars beide uitkeringen
(gedurende enige tijd) naast elkaar ontvangen, zulks in tegenstelling tot
arbeidsongeschikte weduwen.

In het geval waar meergenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
van 23 mei 1991, AAW 1986/322, betrekking op had sprak genoemde feitelijke
ongelijkheid bovendien nog in het bijzonder nu het daar ging om een
arbeidsongeschikte weduwe aan wie slechts een gedeeltelijk, via de regels van
EEG-Verordening nr. 1408/71 geprorateerd weduwenpensioen krachtens de AWW was
toegekend en zij derhalve – in tegenstelling tot vergelijkbare weduwnaars –
(per 1 maart 1985)) een zeer forse inkomensachteruitgang onderging (haar
geprorateerde weduwenpensioen bedroeg ƒ 674,69 bruto per maand en haar
volledige, ingetrokken, AAW-uitkering omstreeks ƒ 1.300,- bruto per maand).
Gezien dit laatste zou er in zulk een geval ook al sprake kunnen zijn van een
inkomensachteruitgang bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en een
gedeeltelijke AAW- uitkering.

Het vorenstaande heeft de raad er toe gebracht de tweede hieronder in
rubriek 4 vermelde prejudiciele vraag aan het Hof van Justitie te formuleren.

Indien die tweede vraag (of de eerste prejudiciele vraag) ontkennend zou
worden beantwoord, dient de raad nog te beslissen over het punt of art. 32,
lid 1, aanhef en onder b, van de AAW dan geheel en al buiten toepassing dient
te blijven (zoals onder meer de raad reeds heeft beslist in zijn hierboven in
rubriek 2 genoemde uitspraak van 30 oktober 1986, AAW 86/939) dan wel dient te
worden gelezen als een aftrekbepaling in die zin dat in voorkomend geval de
AAW-uitkering slechts wordt uitbetaald voorzover deze het AWW-pensioen
overtreft (zoals enkele andere raden van beroepen hebben beslist). Voorshands
is de raad (nog steeds) van oordeel dat deze laatste benadering in wezen een
wetswijziging inhoudt (en bovendien complicaties oplevert, nu de aftrek
doorgaans in bruto-bedragen plaatsvindt en het hier (onder meer) gaat om een
netto-inkomensverschil) en daarom op of over de grens van de rechterlijke
bevoegdheid ligt. Weliswaar dient de nationale rechter niet voor een
dergelijke benadering terug te deinzen indien een effectvolle toepassing van
het Gemeenschapsrecht zulks verlangt, doch de raad ziet voorshands niet in dat
daarvan in het onderhavige geval sprake zou zijn.

Het zou wellicht eerder zo kunnen zijn dat een effectvolle toepassing
van het Gemeenschapsrecht verlangt dat een nalatige wetgever wordt
geconfronteerd met de volle consequenties van zijn (niet-)handelen en de
nationale rechter zich niet op of over de grens van zijn bevoegdheid begeeft
teneinde die consequenties te verzachten.

Aan het voorgaande wil de raad nog toevoegen dat (de hoogte van) het
AWW-pensioen geheel onafhankelijk is van overige inkomsten van de betrokkene.
Met name staat het de AWW- pensioengerechtigde vrij om inkomen uit arbeid te
verwerven. En nu een AAW-uitkering doorgaans een uitkering is die voorziet in
weggevallen inkomsten uit arbeid, is het niet zonder meer evident dat zulk een
uitkering niet naast een AWW-pensioen zou kunnen of mogen worden genoten. Ook
vanuit dit gezichtspunt is er geen dwingende reden voor de rechter om hoe dan
ook samenloop van beide uitkeringen te voorkomen door art. 32, lid 1, aanhef
en onder b, van de AAW te transformeren in een aftrekbepaling.

Het zojuist overwogene heeft de raad aanleiding gegeven tot de derde
hieronder in rubriek 4 vermelde prejudiciele vraag.

4. Beslissing

De raad bepaalt dat aan het Hof van Justitie op grond van art. 177 van
het EEG-Verdrag de volgende prejudiciele vragen worden voorgelegd:

1. Is het verenigbaar met het Gemeenschapsrecht dat de nationale rechter
art. 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
Rechten – waaraan (tenminste) 11 van de 12 EEG Lid-Staten zijn gebonden –
aldus interpreteert dat dat artikel sedert 23 december 1984 volledige gelijke
behandeling van vrouwen en mannen op het gebied van het wettelijk
nabestaanden- pensioen voorschrijft, terwijl dat terrein slechts tijdelijk van
de bevoegdheid van de Gemeenschap is uitgezonderd?

2. Is een bepaling van nationaal recht als vervat in art. 32, lid 1,
aanhef en onder b, van de AAW – welke bepaling volgens de Centrale Raad van
Beroep sedert 23 december 1984 niet meer direct discriminerend zou werken ten
aanzien van vrouwen omdat ‘het effect van een lager uitkeringsbedrag als
gevolg van de overgang van een AAW-uitkering op een AWW-uitkering zich
sindsdien immers evenzeer bij mannen kan voordoen’ – verenigbaar met art. 4,
lid 1, van EEG-richtlijn 79/7 zolang die nationale bepaling feitelijk nog
steeds een inkomensachteruitgang te weeg brengt voor alle (volledig of in
voorkomend geval ook gedeeltelijk) arbeidsongeschikte weduwen en slechts bij
uitzondering (te weten: in gevallen waarin een ‘bijzondere hardheid’ tot
toekenning van weduwnaarspensioen met langdurige terugwerkende kracht zou
nopen en er een mogelijkheid bestaat tot terugvordering van de AAW- uitkering)
voor vergelijkbare weduwnaars?

3. Indien vraag 1 of vraag 2 ontkennend wordt beantwoord: Laat het
Gemeenschapsrecht de nationale rechter vrij om een nationale bepaling als
bedoeld in de tweede vraag naar keuze geheel en al buiten toepassing te laten
dan wel te lezen als een aftrekbepaling? Zo neen, welke keuze is dan het meest
in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht?

Rechters

Mr A.W. Govers, voorzitter, mr P.P. de Koning en H.M. Verberne, leden

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 december 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster en maatman zijn beiden reeds lange tijd werkzaam voor de
wederpartij. Verzoekster werkt sinds april 1984 en maatman sinds september
1989 op de debiteurenadministratie. Voor de beloning was tot september 1990
een netto-uurbedrag uitgangspunt; daarna een bruto- uurbedrag. Voor de maatman
was steeds een bruto-beloning uitgangspunt.

Geen arbeid van gelijke waarde in de periode voor september 1989. Daarna
arbeid van nagenoeg gelijke waarde. Werkgever wijst op sociale overwegingen
die ertoe hebben geleid dat het hogere salaris van maatman in vroegere
functies is gehandhaafd in zijn nieuwe functie.

Commissie neemt bij vergelijking beloning bruto-salaris als
uitgangspunt. In september 1989 was dit ongeveer gelijk. Een daling trad op in
september 1990. Verklaring werkgever kan geen oorzaak zijn, nu verzoekster en
maatman ongeveer gelijk werden beloond op het moment dat maatman startte in
deze functie. Geen deugdelijke verklaring beloningsverschil. Strijd met de
wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 25 februari 1991 verzocht mevrouw … te Voorschoten (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of … te Leiderdorp (hierna:
wederpartij) jegens haar onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Verzoekster is werkzaam bij de wederpartij. Zij is van mening dat zij
arbeid van gelijke danwel nagenoeg gelijke waarde verricht als haar mannelijke
collega, de heer Broekhof (hierna: maatman) terwijl zij een lager loon
ontvangt. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

2.2. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
toe te lichten.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Zij is hierbij
ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken
gevoerd met verzoekster, de wederpartij en de maatman. Van het onderzoek ter
plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 12 september 1991.

2.3. De Commissie heeft partijen uitgenodigd te verschijnen tijdens een
zitting op 22 oktober 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw … (verzoekster)

– mw mr Y.W.P. Suiskens (D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand
Verzekeringsmaatschappij N.V.)

van de kant van de LTD

– de heer K. Groeneveld (bedrijfskundig medewerker)

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw mr G.L.M. Lenssen (plaatsvervangend secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een dochtermaatschappij van een Duitse
gereedschappenfabriek en fungeert als groothandel, importeur en fabrieksdepot
voor Nederland. De wederpartij heeft 29 medewerkers in dienst, 24 mannen en
vijf vrouwen.

Verzoekster en maatman zijn beiden voor de wederpartij werkzaam als
administratief medewerker debiteurenadmini-

stratie.

3.2. Verzoekster was voor 1965 werkzaam op het kantoor van de
wederpartij. Toen zij haar eerste kind kreeg, is zij thuis gaan werken voor de
wederpartij. Vanaf 1 april 1984, toen de automatisering haar intrede deed, is
zij weer op kantoor gaan werken. Eerst een flexibel aantal uren per week
(bijvoorbeeld ruim 1200 uur in 1984 en ruim 1500 uur in 1989), daarna per 1
september 1990 vast voor 29 uur per week.

Haar werkzaamheden bestaan vanaf april 1984 uit het met behulp van een
computer voeren van de debiteurenadmini-

stratie. Het gaat hier met name om de financiele afhandeling van de
orders. Sinds september 1989 verricht verzoekster deze werkzaamheden samen met
de door haar aangewezen maatman.

Voor de beloning van verzoekster was tot september 1990 het uitgangspunt
een netto uurbedrag, gebaseerd op afspraken die waren gemaakt met de
directeur. Tot september 1985 verdiende verzoekster ƒ 10,10 netto per uur. In
september 1985 heeft de toenmalige directeur op eigen initiatief dit bedrag
opgetrokken tot ƒ 12,25 netto per uur. Dit bedrag kwam overeen met een
gemiddeld brutobedrag tussen ƒ 19,25 en ƒ 20,54 bruto per uur. Volgens het
administratiekantoor dat in die tijd voor de wederpartij de
salarisadministratie verzorgde, werden deze schommelingen veroorzaakt door de
franchise regeling in de WAO. Alleen over het meerdere van een bepaald bedrag
per maand (bijvoorbeeld een tijdlang

ƒ 2.000,-) hoefde premie te worden betaald. Als verzoekster veel uren
werkte, bereikte zij deze grens eerder en moest derhalve een hoger bruto
uurbedrag worden vastgesteld.

Zoals gezegd werkt verzoekster vanaf 1 september 1990 een vast aantal
uren per week. Uitgangspunt bij de beloning is nu niet langer het netto
salaris maar, net als voor maatman altijd al gold, het bruto-salaris. Op 1
september verdiende verzoekster ƒ 18,26 en maatman ƒ 20,56 bruto per uur.

3.3. De maatman was in de periode 1977-1985 bij de wederpartij werkzaam
als leidinggevend medewerker telefonische verkoop. In deze functie was hij
belast met de dagelijkse leiding aan twee of drie medewerkers telefonische
verkoop. Daarnaast was hij betrokken bij de dagelijkse werkzaamheden van een
tiental medewerkers in het magazijn. Zijn verantwoordelijkheid bestond toen
uit de zorg voor het goede verloop van het opnemen en verwerken van
telefonische orders. Boven maatman stond een medewerker die leiding gaf aan de
gehele binnendienst.

In de periode 1985-1987 bleef maatman medewerker telefonische verkoop,
maar gaf hij in feite geen leiding meer. Na tweeeneenhalf jaar ziek te zijn
geweest, kon de maatman zijn vroegere functie niet langer vervullen. Hij is
daarom in september 1989 geplaatst in de functie van administratief medewerker
debiteurenadministratie. Aanvankelijk in deeltijd, later voltijds.

3.4. Een overzicht van het bruto- en netto-uursalaris (dit laatste
tussen haakjes) laat het volgende verloop van de beloning van verzoekster en
maatman zien.

verzoekster maatman

bruto bruto

1984 16,55 (10,10) 19,04 (11,61)

1985

t/m juni 1985 16,55 (10,10) 19,19 (12,09)

t/m augustus 16,55 (10,10) 19,43 (12,20)

t/m december ? (12,25) 19,43 (12,20)

1986

t/m juni 19,25 (12,25) 19,43 (12,47)

t/m december 19,25 (12,25) 19,55 (12,48)

1987 19,92 (12,25) 19,62 (12,62)

1988 20,54 (12,25) 19,62 (12,66)

1989

t/m juni 19,91 (12,25) 19,62 (13,14)

t/m december 19,91 (12,25) 19,77 (13,20)

1990

t/m juni ? (12,25) 19,77 (13,94)

t/m augustus ? (12,25) 20,36 (13,96)

t/m december 18,26 (12,84) 20,36 (13,96)

1991

t/m juni 18,44 (13,01) 20,56 (14,19)

3.5. Bij het vaststellen van het arbeidsvoorwaardenbeleid volgt de
wederpartij globaal de CAO voor de Groothandel in Technische Produkten,
Huishoudelijke Artikelen en Metalen, alsook de wensen van het moederbedrijf.
Tot voor kort hanteerde de wederpartij weinig algemene beloningsregels. De
huidige directeur probeert hierin verandering te brengen. Zo is er nu een
algemene winstdelingsregeling, een regeling voor de jubileumuitkering en
kunnen medewerkers ook gebruik maken van de VUT-regeling uit de CAO.

De wederpartij deelt medewerkers niet in de functieschalen van de CAO
in, maar kijkt wel naar de groepsindelingen bij het vaststellen van de
beloningsverhoudingen.

De wederpartij acht bij het vaststellen van de beloning van haar
medewerkers naast het niveau van de functie de volgende factoren van belang:

– de positie van de wederpartij op de arbeidsmarkt;

– de trendmatige salarisverhogingen die de CAO toekent;

– de geleverde prestaties;

– sociale overwegingen.

Bij jeugdige medewerkers bepaalt ook de leeftijd de hoogte van de
beloning.

3.6. Ten behoeve van het onderzoek van de Commissie zijn de functies van
belanghebbende en maatman geinventariseerd en gewaardeerd door een medewerker
van de LTD. Het beoordelingstijdvak is als volgt afgebakend.

Verzoekster stelt vanaf april 1984 haar huidige werkzaamheden te
verrichten. De maatman oefent volgens haar vanaf september 1989 deze zelfde
functie uit. De functies die de maatman voor zijn ziekte verrichtte,
(leidinggevend) medewerker telefonische verkoop, waren volgens haar van een
lager niveau dan de hare. Dit resulteert dan in de volgende
onderzoeksperioden:

– april 1984 – 1985: de maatman vervulde in deze periode de functie van
leidinggevend medewerker telefonische verkoop;

– 1985 – 1987: de maatman vervulde in deze periode de functie van
medewerker telefonische verkoop;

– september 1989 – afsluiting onderzoek: in deze periode vervulde
maatman de functie van administratief medewerker.

Aangezien in het bedrijf geen functiewaarderingssysteem is, zijn de
functies gewaardeerd aan de hand van een gangbaar functiewaarderingssysteem.
De functiebeschrij-

vingen zijn gebaseerd op verklaringen van verzoekster, de wederpartij en
maatman en op de door belanghebbende en maatman ingevulde
functie-informatie-formulieren. De functiebeschrijvingen zijn geaccordeerd
door de wederpartij. De directeur van de wederpartij gaf bij de
functiebeschrijving van verzoekster wel aan dat niet hijzelf maar een andere
functionaris leiding geeft aan verzoekster.

De resultaten van het functiewaarderingsonderzoek zijn als volgt.

Voor de periode april 1984-1985 leidde de waardering van de functies tot
een score van 80,5 punten voor de functie van verzoekster en 130 punten voor
die van leidinggevend medewerker telefonische verkoop van de maatman. Het
puntenverschil wordt in deze periode met name veroorzaakt door de
verschillende eisen op de punten benodigde kennis voor de functie,
verantwoordelijkheden en sociale vaardigheden.

In de hierna volgende periode, 1985-1987, verrichtte de maatman een iets
andere functie. Deze functie is niet afzonderlijk beschreven en gewaardeerd.
Vastgesteld is dat in deze periode het facet leidinggeven uit het takenpakket
van maatman is verdwenen. Dit leidt tot een verlaging van het functieniveau
maar niet zodanig dat dit bij waardering van de functie een lager puntentotaal
dan 100 zou opleveren.

Verzoekster oefende in deze periode dezelfde functie uit als daarvoor.

Vanaf september 1989 zijn verzoekster en maatman beiden werkzaam als
administratief medewerker. De score van de functie van verzoekster vergeleken
met de voorgaande periode is ook hier niet gewijzigd. De functie van de
maatman scoorde een puntentotaal van 85. Het puntenverschil wordt veroorzaakt
door het feit dat maatman nog een aantal extra taken verricht. Zo sluit hij
maandelijks de debiteurenadministratie af, stelt hij bestanden op de computer
veilig en laat hij wekelijks de facturen naar de financiele administratie
doorstromen.

In het gehanteerde functiewaarderingssyteem wordt veelal een verschil
van 20 punten (de bandbreedte) tussen de opeenvolgende
functiegroepen/salarisschalen gehanteerd.

3.7. Het onderzoek naar de toepassing van de in paragraaf 3.5. vermelde
beloningsmaatstaven, heeft de volgende informatie opgeleverd.

Wanneer de wederpartij de huidige functies van verzoekster en maatman
zou moeten plaatsen in de CAO, zou hij die van verzoekster in groep III
plaatsen. In deze groep worden bepaalde eisen gesteld op het punt van kennis
en/of praktijkervaring en zelfstandigheid. Als voorbeeld noemt de CAO hier
onder meer het verrichten van administratieve werkzaamheden ten behoeve van de
debiteurenadministratie. Het maximumsalaris behorend bij functies in deze
groep bedraagt ƒ 2.501,99 bruto per maand per 1 januari 1991.

De huidige functie van maatman zou volgens de wederpartij thuis horen
ergens tussen groep III en IV. Bij functies in groep IV hoort ook, zo bepaalt
de CAO, het dragen van een bepaalde verantwoordelijkheid en eventueel het
geven van aanwijzingen bij werkzaamheden. Het maximumsalaris behorend bij de
functies in groep IV bedraagt ƒ 2.618,56 bruto per maand (per 1 januari 1991).
Zowel het salaris van verzoekster als dat van maatman stijgen hier bovenuit.

Zoals gezegd deelt de wederpartij medewerkers niet in in de
functiegroepen uit de CAO. Wel houdt zij bij het vaststellen van salarissen
rekening met de groepsindelingen en met name de beloningsverhoudingen tussen
verschillende functies. Het salaris dat wordt vastgesteld ligt boven het
CAO-niveau in een vergelijkbare functie. Dit hogere salaris wordt betaald om
zodoende beter aan te sluiten bij de arbeidsmarkt. Medewerkers die een vast
aantal uren per week werken bij de wederpartij ontvangen de trendmatige
verhogingen die de CAO voorschrijft (bijvoorbeeld per

1 juli 1989 verhoging van de werkelijke salarissen met 0,75%). Met
medewerkers die een flexibel aantal uren werken, zoals voorheen verzoekster en
ook enkele mannelijke medewerkers die het magazijn schoon maakten, spreekt zij
een netto uursalaris af. Tot september 1990 ontving verzoekster geen
trendmatige verhogingen of vakantiegeld. Dit is later met terugwerkende kracht
tot 1 juli 1990 gecorrigeerd voor wat betreft de trendmatige verhogingen.
Vakantiegeld en vakantiedagen kreeg zij met terugwerkende kracht over een
periode van tien jaar nabetaald. Op dit punt stelde de wederpartij tijdens het
onderzoek van mening te zijn dat ook flexibele krachten recht hebben op
trendmatige verhogingen.

De maatman heeft steeds de trendmatige CAO-verhogingen ontvangen.

3.8. Andere factoren die bij de beloning een rol kunnen spelen zijn het
functioneren van een medewerker en sociale overwegingen. Sociale overwegingen
zijn volgens de wederpartij de hoofdoorzaak van het beloningsverschil tussen
verzoekster en maatman. Toen maatman na zijn ziekte een functie van lager
niveau is gaan vervullen, heeft de wederpartij besloten hem zijn vroegere,
hogere salaris te laten behouden. De trendmatige verhogingen behorend bij dit
oude salaris ontvangt de maatman ook.

De standpunten van partijen

3.9. Verzoekster stelt dat zij arbeid van gelijke waarde verricht als
haar mannelijke collega. De maatman verricht wel enkele extra taken maar dit
vindt zijn oorzaak in het feit dat verzoekster de functie op deeltijd-basis
vervult en bovendien op dit moment gedeeltelijk in de Ziektewet zit. In
vakanties en bij afwezigheid van maatman verricht verzoekster deze extra
werkzaamheden. Toen maatman in 1989 in zijn huidige functie begon, had hij
vrijwel geen boekhoudkundige kennis. Verzoekster heeft hem toen ingewerkt.

Ten aanzien van de vroegere functies van maatman handhaafde verzoekster
ter zitting haar stelling dat deze functies lichter waren dan zijn huidige
functie. Zij bestrijdt de uitkomst van het functiewaarderingsonderzoek op dit
punt. De vroegere functies van maatman vereisten immers minder opleiding dan
zijn huidige functie. Bovendien hoefde maatman zelf geen klanten te benaderen:
klanten nemen steeds zelf het initiatief om een order te plaatsen. Verzoekster
is van mening dat maatman in zijn vroegere functies eigenlijk teveel betaald
kreeg.

3.10. Ten aanzien van de beloning van de maatman en haarzelf stelt
verzoekster het volgende.

Zij kreeg in september 1990 per abuis de salarisgegevens onder ogen.
Daaruit bleek dat zij op voltijdsbasis netto ongeveer ƒ 200,- per maand minder
verdient dan maatman. Verzoekster heeft daarop de directeur aangesproken op
dit beloningsverschil. Deze zegde toe dit recht te zullen trekken. Tot op
heden is dit echter niet gebeurd.

Verzoekster heeft toen tevens aan de orde gesteld dat ook de
schoonmaakster netto meer verdient dan zij. Ook dit acht zij niet terecht. Ter
zitting stelde verzoekster dat de wederpartij toen stelde dat zij genoeg
verdient omdat ook haar echtgenoot werkt. Het feit dat maatman meer verdient
zou gerechtvaardigd zijn omdat hij alleenverdiener is. Verzoekster is echter
van mening dat dit geen reden kan zijn voor een ongelijke beloning. Zij
misgunt haar collega zijn salaris niet maar stelt dat wanneer twee medewerkers
dezelfde werkzaamheden verrichten, zij ook dezelfde beloning dienen te
ontvangen.

3.11. De wederpartij heeft het volgende naar voren gebracht.

De huidige functies van verzoekster en maatman acht zij niet geheel
identiek. De maatman vervult enkele extra taken, die zijn functie iets
zwaarder maken. De reden dat maatman deze extra werkzaamheden verricht en
verzoekster niet, ligt enerzijds in het feit dat verzoekster in deeltijd werkt
en anderzijds in het feit dat de wederpartij deze taken liever toevertrouwt
aan de maatman.

Zou de wederpartij bij het vaststellen van de beloning van verzoekster
en maatman alleen uitgaan van de huidige functies dan zouden zij een
vergelijkbaar salaris moeten ontvangen. Wel zou het functioneren van maatman
dan een iets hoger salaris kunnen rechtvaardigen.

De verklaring voor het beloningsverschil tussen verzoekster en maatman
moet volgens de wederpartij worden gezocht in de vroegere, zwaardere functie
van de maatman. Deze werd hoger beloond dan die van administratief medewerker
debiteuren- administratie. Sociale overwegingen hebben een rol gespeeld bij
het handhaven van dit hogere salaris. De wederpartij heeft dit verzoekster ook
verteld. De maatman zal het salaris, en de daarbijbehorende trendmatige
verhogingen ook in de toekomst blijven ontvangen. Extra salarisverhogingen
heeft de maatman in de afgelopen acht jaar echter niet gekregen.

De oorzaak van het relatief geringe verschil in beloning tussen
verzoekster en maatman gedurende enkele jaren waarin maatman nog zijn vroegere
functies vervulde, kan de wederpartij moeilijk aangeven. Zij vermoedt dat de
vorige directeur voor deze verhoudingen onvoldoende oog had omdat verzoekster
toen in deeltijd werkte, geen vast aantal uren werkte en bovendien thuis
werkte.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid maakt op grond van geslacht, nu verzoekster
lager wordt beloond dan haar mannelijke collega, de maatman.

Gelet op de betrokken onderzoeksperiode zal de beloning van verzoekster
en maatman voor de periode tot 1 juli 1989 worden getoetst aan de Wet gelijk
loon voor vrouwen en mannen (WGL, Stb. 1975, 129). Voor de periode vanaf 1
juli 1989 zal deze worden getoetst aan artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW)
en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb 1889, 168).

Artikel 2 WGL respectievelijk artikel 1637ij lid 1 BW en artikel 7 e.v.
WGB bepalen dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en
vrouwen op het punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg
gelijke waarde verrichten.

Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan
van een deugdelijk stelsel van functiewaardering.

4.2. Allereerst moet dan worden nagegaan of verzoekster en maatman
arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verricht(t)en.

In de periode 1984-1987 vervulde verzoekster de functie van
administratief medewerkster debiteurenadministratie en was maatman werkzaam
als (leidinggevend) medewerker telefonische verkoop. Het
functiewaarderingsonderzoek laat in deze periode een aanzienlijk
puntenverschil zien tussen de functies van maatman en de functie van
verzoekster. Verzoekster heeft deze uitkomst ter zitting aangevochten en
handhaafde haar eerdere stelling dat de vroegere functies van maatman van een
lager niveau waren dan zijn -en ook haar- huidige functie. Ter zitting zijn de
Commissie echter geen feiten gebleken die niet ook betrokken zijn geweest in
het functiewaarderingsonderzoek. Zij zal daarom uitgaan van de resultaten van
dit onderzoek. Het puntenverschil tussen de functies van verzoekster en
maatman in de periode 1984-1987 is aanzienlijk, wanneer in aanmerking wordt
genomen dat binnen het functiewaarderingssysteem een bandbreedte van 20 punten
wordt gehanteerd. De Commissie concludeert dan ook dat verzoekster in deze
periode geen arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde vervulde als
maatman. Derhalve kan zij voor deze periode geen aanspraak maken op een
gelijke beloning.

4.3. Voor de periode vanaf september 1989 ligt dit naar het oordeel van
de Commissie anders. Vanaf deze datum vervullen zowel verzoekster als maatman
de functie van administratief medewerker debiteurenadministratie. Het
functiewaarderings- onderzoek leverde een score van 80,5 punten op voor de
functie van verzoekster en 85 punten voor die van maatman. Het puntenverschil
wordt veroorzaakt door de extra taken die de maatman verricht. Verzoekster
heeft ook hier kritiek geuit op de uitkomst van het onderzoek maar bestrijdt
niet dat (voornamelijk) maatman deze extra taken verricht. Gezien de in het
functiewaarderingssysteem gehanteerde bandbreedte van 20 punten stelt de
Commissie vast dat slechts sprake is van een gering puntenverschil. Zij
concludeert dat verzoekster en maatman vanaf september 1989 arbeid van
nagenoeg gelijke waarde verrichten. Vanaf deze datum kan verzoekster derhalve
aanspraak maken op een gelijke beloning.

4.4. Het volgende punt dat dan aan de orde komt, is of verzoekster en
maatman vanaf september 1989 gelijk worden beloond. Van gelijke beloning is
sprake, zo zegt artikel 9 WGB, indien deze is berekend op grondslag van
gelijkwaardige maatstaven. De Commissie overweegt hierover als volgt.

In de eerste plaats stelt zij vast dat de wijze van berekening van de
beloning van verzoekster en maatman tot september 1990 verschilde. Voor de
beloning van maatman heeft de wederpartij steeds het bruto-salaris als
uitgangspunt genomen. Voor verzoekster daarentegen was tot september 1990 het
overeengekomen netto-salaris uitgangs- punt. De wederpartij rekende dit
netto-salaris ten behoeve van haar eigen salarisadministratie vervolgens om
naar een bruto-salaris.

De Commissie neemt in het kader van de WGB in beginsel het
bruto-salaris als uitgangspunt. Zij ziet geen aanleiding daarvan in het
onderhavige geval af te wijken. Een vergelijking van bruto-salarissen biedt
immers de mogelijkheid te abstraheren van de prive- en fiscale situatie van
verzoekster en maatman, die bij de omrekening van het bruto- salaris naar het
netto-salaris in aanmerking wordt genomen. Zo zal verzoekster omdat zij
’tweeverdiener’ is te maken hebben met een andere belastingvrije som dan
maatman, die ‘alleenverdiener’ is.

Het bruto-salaris van verschillende medewerkers is doorgaans op een
zelfde wijze samengesteld, waardoor een zuiverder vergelijking van salarissen
kan worden gemaakt.

Vervolgens stelt de Commissie vast dat de beloning van verzoekster en
maatman in september 1989, het moment waarop verzoekster en maatman arbeid van
nagenoeg gelijke waarde gingen verrichten, ongeveer gelijk was. Weliswaar lag
het brutosalaris van verzoekster op dit moment iets boven dat van maatman maar
dit kan zeer wel zijn oorzaak vinden in de verschillende berekeningswijzen die
op dat moment nog werden gehanteerd: verzoekster werkte in 1989 een groter
aantal uren dan in de voorgaande jaren, wat volgens het administratiekantoor
tot een hoger bruto-salaris leidde (zie paragraaf 3.2.). De Commissie gaat
derhalve uit van een salaris van gelijk niveau in september 1989.

In september 1990 werd het contract tussen verzoekster en de wederpartij
omgezet. Verzoekster kwam in vaste dienst en bij haar beloning was vanaf dat
moment het bruto-salaris uitgangspunt. Dit leidde tot een daling van haar
beloning. Op dat moment ontstond dan ook een aanmerkelijk verschil in de
bruto-beloning tussen verzoekster en maatman.

De Commissie heeft reeds eerder overwogen dat het op de weg ligt van de
werkgever om aan te tonen dat de beloning van medewerkers is berekend op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven. De wederpartij heeft ter verklaring
van het huidige beloningsverschil gewezen op het hogere salaris van maatman in
zijn vorige functies, dat in verband met sociale overwegingen is gehandhaafd.
Nu verzoekster en maatman in september 1989 echter een vergelijkbare beloning
ontvingen, kan dit echter geen oorzaak zijn voor het huidige
beloningsverschil. Het beloningsverschil is immers pas ontstaan nadat
verzoekster en maatman arbeid van nagenoeg gelijke waarde zijn gaan
verrichten. Nu de wederpartij geen andere oorzaak voor het huidige
beloningsverschil tussen verzoekster en maatman naar voren heeft gebracht,
stelt de Commissie vast dat een deugdelijke verklaring voor het
beloningsverschil per september 1990 ontbreekt. Niet gebleken is dat de
beloning van verzoekster en maatman vanaf dat moment is berekend op grondslag
van gelijkwaardige maatstaven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat … te Leiderdorp in de
periode vanaf september 1990 onderscheid maakt naar geslacht jegens mevrouw
… te Voorschoten in strijd met artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek en de
artikelen 7 en volgende Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; mr. G.L. M. Lenssen,plaatsvervangend secretaris … te Leiderdorp

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 13 december 1991

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Werkgevers zijn verplicht werknemers, die arbeidsongeschikt of
gehandicapt zijn geworden, aangepast werk aan te bieden. Dat blijkt uit een
arrest van de Hoge Raad, dat door de Rechtskundige Dienst van de FNV is
uitgelokt. De uitspraak is een aanscherping van de Wet Arbeid Gehandicapte
Werknemers (WAGW/1 juli 1986), die overigens tot nu toe door onbekendheid of
onwil bij werkgevers en het ontbreken van quotum- en sanctiebepalingen een
tamelijk zieltogend bestaan leidt.

In het arrest gaat het om een werknemer die na vijf en een half jaar
chauffeurswerk ziek en arbeidsongeschikt was geworden. De man had in lijn met
het GMD-advies en de WAO-beslissing van de bedrijfsvereniging zijn werkgever
aangeboden chauffeurswerk ‘in enge zin’ te doen, dat wil zeggen zonder
bijkomende rugbelastende taken zoals laden en lossen. De rechtbank stelde de
chauffeur in het ongelijk, nadat zijn vordering eerder door de kantonrechter
wel was toegewezen. De werknemer, gesteund door de Vervoersbond en de
Rechtskundige Dienst FNV, vroeg daarop met succes cassatie bij de Hoge Raad.

Uit het arrest vloeit voort dat een werkgever verplicht is een werknemer
niet alleen het werk te verschaffen waarvoor hij in dienst is genomen, maar in
beginsel ieder ander passend werk wanneer iemand arbeidsongeschikt of
gehandicapt raakt.

Een belangrijke overweging van de Hoge Raad is dat er in het algemeen
meer van een werkgever mag worden gevergd in geval arbeidsomstandigheden
binnen het bedrijf hebben geleid tot arbeidsongeschiktheid van werknemers. Ook
kan uit het arrest afgeleid worden dat het onbelangrijk is of er een vacature
bestaat.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 23 maart 1988 gedateerd verzoekschrift heeft eiser tot
cassatie -verder te noemen G.- zich gewend tot de Kantonrechter te Zwolle met
verzoek verweerders in cassatie – te zamen verder te noemen R. – te
veroordelen om, voor zover thans nog van belang, aan G. te betalen ƒ
25.022,83.

Nadat R. tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter
bij vonnis van 27 september 1988 de vordering van G. toegewezen tot de
bedragen van ƒ 18.608,59 bruto en ƒ 1.785,49 netto en het meer of anders
gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft R. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te
Zwolle.

Bij vonnis van 4 april 1990 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis van
de Kantonrechter vernietigd en de vordering van G. toegewezen tot een bedrag
van ƒ 4.761,36 en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft G. beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

R. heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
×
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot
vernietiging van het bestreden vonnis van de Rechtbank met verwijzing van de
zaak naar het Hof van het ressort ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:

-R. is een transportbedrijf; op 5 december 1980 is G. bij R. in dienst
getreden als chauffeur;

tot zijn werkzaamheden behoordentevens laad- en loswerkzaamheden.

-Op 2 juni 1986 is G. ziek geworden; sedert 2 juni 1987 ontving hij een
AAW/WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van
80-100% per 1 augustus 1987 werd hij echter minder dan 15% arbeidsongeschikt
verklaard en werd zijn uitkering gestaakt.

-G. was echter niet meer geschikt voor zijn oorspronkelijke werk. Hij
was wel geschikt voor het chauffeurswerk in enge zin, maar niet voor de
bijkomende laad- en loswerkzaamheden en met name niet voor het tillen.

-Per 1 augustus 1987 heeft G. aan R. bericht dat hij bereid was zijn
werkzaamheden te hervatten, zij het zonder de laad- en loswerkzaamheden. R.
heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt en heeft met vergunning van de
Directeur GAB de dienstbetrekking met G. per 14 december 1987 beeindigd.

-R. heeft G. geen loon betaald over de periode van 1 augustus 1987 tot
14 december 1987. G. heeft nog betaling van niet opgenomen vakantiedagen te
goed.

In dit geding vordert G., voor zover thans nog van belang, doorbetaling
van loon over evenbedoelde periode, alsmede de wettelijke verhoging en een
bedrag voor niet opgenomen vakantiedagen. De Kantonrechter heeft deze
vordering tot het hiervoor onder 1 vermelde bedrag toegewezen. De Rechtbank
heeft evenwel het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en de vordering, voor
zover deze in cassatie nog van belang is, afgewezen. Hiertegen richt zich het
middel.

3.2 Het gaat hier om de vraag of R. verplicht was het loon van G. door
te betalen, nu G. zich slechts bereid had verklaard zijn werkzaamheden zonder
de laad- en loswerkzaamheden te hervatten. Deze vraag moet, zoals ook de
Rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, worden beantwoord aan de hand van de
maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 3 februari 1978, NJ 1978, 248 en HR
november 1985, NJ 1986, 309.

Onderdeel 2 van het middel betoogt dat “van een werkgever -in beginsel-
eerder kan worden gevergd een aanbod te aanvaarden om bepaalde werkzaamheden
te verrichten, indien het (een deel van) de oorspronkelijk overeengekomen
werkzaamheden betreft, dan indien het andere werkzaamheden betreft dan de
oorspronkelijk overeengekomene”.

Dit betoog faalt. In beide gevallen gaat het erom of in de
omstandigheden van het geval redelijkerwijze van de werkgever kan worden
gevergd dat hij van de aangeboden arbeid tegen betaling van loon gebruik
maakt, waarbij het aan de werkgever is omstandigheden te stellen en, zo nodig,
te bewijzen die de gevolgtrekking wettigen dat zulks niet het geval is.

Het vorenstaande brengt mede dat onderdeel 1 geen behandeling behoeft.

3.3 De onderdelen 3-6 komen op tegen de wijze waarop de Rechtbank
evenbedoelde maatstaf heeft toegepast.

G. heeft onder meer aangeboden werkzaam te zijn als chauffeur op ritten
waar niet hoeft te worden getild dan wel als chauffeur met een bijrijder voor
het tillen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat van R. in redelijkheid niet kon
worden gevergd G. deze werkzaamheden te laten verrichten, welk oordeel de
Rechtbank grondt op het volgende:

“R. heeft onbetwist gesteld dat zijn chauffeurs in vrijwel alle gevallen
laad- en loswerkzaamheden moeten verrichten en dus moeten tillen, hetgeen G.
nu juist niet kan; dat er heel weinig ritten zijn waarbij niet getild hoeft te
worden en dat bovendien niet te voorspellen is wanneer al of niet moet worden
getild omdat ook retourvrachten moeten worden meegenomen. Hij heeft er verder
op gewezen dat hij nimmer met bijrijders werkt”.

Aldus heeft de Rechtbank miskend dan wel in haar motivering onvoldoende
tot uitdrukking gebracht dat onder omstandigheden van de werkgever kan worden
gevergd dat hij zijn bestaande organisatie of arbeidsverdeling wijzigt of
aangepast met het oog op het aanbod van de werknemer. In aanmerking genomen
dat hier op R. de stelplicht en bewijslast rusten is voorts in het licht van
hetgeen door G. in zijn memorie van antwoord (onder 4) is gesteld zonder
nadere motivering niet begrijpelijk dat de Rechtbank als vaststaande heeft
aangenomen dat niet te voorspellen is wanneer al dan niet moet worden getild.

De onderdelen 3-6, in onderling verband beschouwd, zijn derhalve
gegrond.

3.4 Onderdeel 7 is gegrond, voor zover het voortbouwt op de voorafgaande
onderdelen. Voor het overige is het eveneens gegrond. De Rechtbank had het
aanbod van G. om werkzaam te zijn als chauffeur met een bijrijder voor het
tillen niet mogen afdoen met de enkele opmerking dat R. erop heeft gewezen dat
hij nimmer met bijrijders werkt. De Rechtbank had, gezien hetgeen G.
daaromtrent in hoger beroep had gesteld, aandacht moeten besteden aan de
mogelijkheid voor R. om op de voet van art. 57a AAW een bijdrage in de kosten
van een bijrijder te verkrijgen en aan de mogelijkheid het loon van G. aan te
passen.

3.5 G. heeft voor de Rechtbank aangevoerd dat de oorzaak waardoor hij
geen laad- en loswerkzaamheden kan verrichten, “in het werk” -dat wil zeggen:
in de omstandigheden waaronder het werk bij R. moet worden verricht- is
gelegen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet relevant is voor de
beantwoording van de vraag of van de werkgever kan worden gevergd dat hij van
de aangeboden arbeid gebruik maakt.

Onderdeel 8 betoogt terecht dat dit oordeel onjuist is. Bij de
beantwoording van deze vraag is mede van belang of de arbeidsongeschiktheid in
of buiten de werksfeer is ontstaan en wel aldus dat van de werkgever in het
algemeen meer kan worden gevergd wanneer omstandigheden binnen de werksfeer
tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 4 april 1990;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling
en beslissing;

veroordeelt R. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak aan de zijde van G. begroot op ƒ 3.664,50, op de voet van art. 57b
Rv te voldoen aan de Griffier.

Rechters

Vice-president Snijder als voorzitter en de raadsheren Bloembergen,Roelvink, Davids en Heemskerk