Instantie: Rechtbank Rotterdam, 27 september 1991

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Vordering ƒ 25.000,= immateriele schadevergoeding. Gedaagde, vader van
eiseres, heeft met eiseres ontuchtige handelingen gepleegd, toen zij in
de leeftijdwas tussen 7 en 14 jaar. Ruim 10 jaar later heeft eiseres
aangifte gedaan. Gedaagde stelt dat het contact tussen hem en eiseres
gedurende de 10 jaar na de periode waarin de ontucht plaatsvond goed is
geweest en de klachten van eiseres niet kunnen worden toegeschreven aan
de incest-ervaringen. De rechtbank verwerpt dit verweer: het is een feit
van algemene bekendheid dat incest-ervaringen op jeugdige leeftijd
psychische schade veroorzaken. Welke in het algemeen eerst op latere
leeftijd naar voren komt. Toewijzing ƒ 5.000,=.

Volledige tekst

1. De loop van het geding. Eiseres heeft bij conclusie van eis,
overeenkomstig de dagvaarding, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tot betaling na
betekening van het te wijzen vonnis van een schadevergoeding van ƒ
25.000,= en volgens de wet te vermeerderen met de wettelijke rente over
het verschuldigde bedrag met ingang van de dag der inleidende dagvaarding
tot aan die der algehele voldoening, althans tot een zodanig bedrag als
de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling
van gedaagde in de kosten van deze procedure.

Gedaagde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres
in haar vordering, althans ontzegging ervan, kosten rechtens.

Partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd, waarna eiseres een akte tot
in geding brengen van stukken heeft genomen. Gedaagde heeft daarop een
akte inhoudende commentaar op producties genomen.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan
wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van
de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde produkties staat
tussen partijen het volgende vast:

2.1. Gedaagde, vader van eiseres, heeft in de periode van 1972 tot en met
1979 ontuchtige handelingen met eiseres gepleegd, toen zij in de leeftijd
was tussen 7 en 14 jaar.

2.2. Bedoelde ontucht vond plaats, toen gedaagde en de moeder van eiseres
nog gehuwd samenwoonden. Aan het eind van de zeventiger jaren/begin van
de jaren tachtig zijn gedaagde en de moeder van eiseres gescheiden.
Eiseres bleef bij haar moeder wonen. Eiseres was de eerste persoon die
gedaagde na zijn vertrek uit de echtelijke woning bezocht en eiseres en
gedaagde hebben nadien regelmatig contact met elkaar gehad.

2.3. Sedert november 1988 is eiseres na verwijzing door de huisarts in
behandeling bij de RIAGG Midden-Holland. Een brief van de behandelend
psycholoog bevat o.m. de volgende inhoud; “Cliente meldde zich aan in
verband met een post-traumatische stress stoornis, veroorzaakt door
incestervaringen met haar vader. Ten gevolge van deze ervaringen heeft
cliente o.a. hyperventilatie en sociaal en agorafobische klachten
ontwikkelt, die haar danig in haar dagelijks functioneren belemmeren.”

2.4. In 1989 heeft eiseres aangifte van de ontucht gedaan bij de politie.
Gedaagde is strafrechtelijk vervolgd. Bij vonnis van 23 juli 1990 is hij
schuldig verklaard zonder toepassing van straf.

3. De vorderingen. Eiseres baseert haar vorderingen op de hiervoor onder
2.1. en 2.4. genoemde vaststaande feiten en op de stelling, dat de
incestervaringen bijzonder traumatisch waren en haar hele jeugd erdoor
verstoord is geweest, zodat een smartegeldvergoeding als genoegdoening
voor het haar aangedane leed op zijn plaats is.

4. Het verweer. Gedaagde bestrijdt, dat de incestervaringen voor eiseres
dusdanig traumatisch zijn geweest, dat die zouden corresponderen met een
schade van ƒ 25.000,=. Gedaagde wijst erop, dat het contact tussen hem en
eiseres altijd goed is geweest. Eiseres heeft pas 10 jaar na de periode
waarin de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden aangifte bij de
politie gedaan en dat was, nadat gedaagde, die eiseres regelmatig van geld
voorzag, geweigerd haar langer geld te geven.

5. De beoordeling van het geschil. Voor zover eiseres bedoelt te trachten
gedaagde met behulp van deze civiele procedure -die zij op zijn plaats
vond om gedaagde te laten voelen wat hij haar had aangedaan- een private
straf op te leggen in de vorm van een aan haar toekomende geldboete, wordt
haar vordering op die grond ontzegd. Voor een dergelijke straf kent het
recht geen termen.

Voor zover eiseres genoegdoening in de vorm van een schadevergoeding voor
het door haar ondergane leed vordert, zij vooropgesteld, dat het plegen
van ontucht met zijn minderjarig kind een misdrijf oplevert en als zodanig
een onrechtmatige daad (behoudens aanwezigheid van een
rechtvaardigingsgrond waaromtrent echter niets is gebleken), die tot
vergoeding van de daardoor ontstane (materiele en) immateriele schade
verplicht.

Volgens eiseres bestaat haar immateriele schade uit het traumatische van
de incestervaringen en het verstoren erdoor van haar jeugd.

Aanvankelijk heeft gedaagde ontkend dat eiseres aan enig trauma lijdt en
wat er aan trauma was toegeschreven aan zijn weigering haar langer geld
te geven. Nadat eiseres de onder 2.3 bedoelde brief in het geding heeft
gebracht, heeft gedaagde opgemerkt, dat de huisarts, die eiseres naar de
RIAGG heeft verwezen geen medisch objectiveerbare klachten heeft
geconstateerd en dat de RIAGG psychosomatische klachten heeft
geconstateerd.

Voor zover gedaagde met dit laatste bedoeld heeft het causaal verband
tussen de incestervaringen en de klachten van eiseres te blijven
ontkennen, moet dit verweer worden verworpen.

Het is in de afgelopen jaren immers een feit van algemene bekendheid
geworden, dat incestervaringen op jeugdige leeftijd psychische schade
veroorzaken welke in het algemeen eerst op latere leeftijd naar voren
komt. Daarmee worden ook de argumenten van gedaagde dat het contact tussen
hem en eiseres gedurende 10 jaar na de periode waarin de ontucht
plaatsvond goed is geweest en eiseres pas na die 10 jaar aangifte is gaan
doen, waarmee hij eveneens lijkt te willen aanvoeren, dat de psychische
klachten van eiseres niets hebben uit te staan met de ontuchtige
handelingen, gepasseerd.

Al hetgeen gedaagde verder in dit verband heeft gesteld, dat eiseres de
eerste was die hem na het verlaten van de echtelijke woning bezocht (zie
2.2.), dat zij wekelijks bij hem kwam en met hem naar de disco wilde, etc.
doet er evenmin aan af. Dit gedrag past immers in de typische relatie
welke ontstaat tussen een vader en een dochter die in een seksuele relatie
tot elkaar staan of gestaan hebben, waardoor de dochter niet als kind
wordt geschouwd, maar als partner.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van genoemd algemeen bekend
feit en de verklaring van de behandelend psycholoog voldoende aannemelijk,
dat eiseres psychische klachten heeft gehad., welke veroorzaakt zijn door
de ontuchtige handelingen welke gedaagde met eiseres in haar jeugd heeft
gepleegd. Het moge duidelijk zijn, dat deze psychische klachten leed met
zich brengen/hebben gebracht. Dit leed vormt naar het oordeel van de
rechtbank immateriele schade, welke voor vergoeding in aanmerking komt.
De rechtbank stelt de hoogte van die vergoeding ex aequo et bono vast op
ƒ 5.000,=.

6. De beslissing.

De rechtbank

-veroordeelt gedaagde aan eiseres te betalen tegen behoorlijk bewijs van
kwijting een bedrag van ƒ 5.000,= (vijfduizend gulden) vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der algehele voldoening;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure tot op heden aan de
zijde van eiseres bepaald op ƒ 1617,- , te weten: -f 225,- voor het in
debet gestelde deel van het vast recht, -f 57,60 voor door deurwaarder J.
Kok te Gouda in debet gestelde exploitkosten, -f 19,40 voor door
deurwaarder R. Krebbers te Rotterdam in debet gestelde uitroepgelden, -f
1.240,- aan salaris voor de procureur, welke kosten rechtstreeks aan de
griffier van deze rechtbank dienen te worden overgemaakt, alsmede ƒ 75,=
voor het door de procureur betaalde, voor zijn partij verschuldigde deel
van het vastrecht, rechtstreeks aan deze te voldoen.

Rechters

mrs In ’t Velt-Meijer, Lok, Dupain

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 september 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is fysiotherapeute in een maatschap en werkt in deeltijd. Er
is een pensioenregeling voor de desbetreffende beroepsgroep waaraan zij
verplicht moet deelnemen. Een gevolg van een bepaling uit het
pensioenreglement is dat deeltijdwerkers een relatief hogere premie moeten
afdragen dan voltijdwerkers. Deeltijdwerkers zijn in casu in overwegende mate
vrouwen. De wederpartij heeft als objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte
onderscheid aangevoerd dat de pensioenregeling beoogt een
basispensioenvoorziening als een obejctief gerechtvaardigd doel is aan te
merken, terwijl de gekozen middelen geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel
te bereiken. Geen onderscheid naar geslacht in strijd met de wet.

Volledige tekst


Ten overvloede merkt de Commissie op het aannemelijk te achten dat
degenen die een inkomen ver boven de maximumgrens van artikel 8 hebben,
eenzelfde premiedruk ondervinden indien zij aanvullende pensioenregelingen
treffen als degenen die een inkomen gelijk aan, onder of net boven de
maximumgrens hebben. Degenen die geen aanvullende pensioenvoorzieningen
treffen hebben inderdaad momenteel een financieel gunstiger positie. Op het
moment van pensionering zullen zij echter met een grotere
inkomensachteruitgang geconfronteerd worden dan de beroepsgenoten die wel een
volledige pensioenvoorziening ontvangen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat het Genootschap indirect onderscheid op grond van geslacht maakt
jegens mevrouw .. door de toepassing van artikel 8 van het
pensioenreglement.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris,namens deze, mr. M.J.M.G. van Dorsten, plaatsvervangend secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 september 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is fysiotherapeute in een maatschap en werkt in deeltijd. Er
is een pensioenregeling voor de desbetreffende beroepsgroep waaraan zij
verplicht moet deelnemen. Een gevolg van een bepaling uit het
pensioenreglement is dat deeltijdwerkers een relatief hogere premie moeten
afdragen dan voltijdwerkers. Deeltijdwerkers zijn in casu in overwegende mate
vrouwen. De wederpartij heeft als objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte
onderscheid aangevoerd dat de pensioenregeling beoogt een
basispensioenvoorziening als een objectief gerechtvaardigd doel is aan te
merken, terwijl de gekozen middelen geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel
te bereiken. Geen onderscheid naar geslacht in strijd met de wet.

N.B. samenhang met oordeel 335A-91-71

Volledige tekst


Ten overvloede merkt de Commissie op het aannemelijk te achten dat
degenen die een inkomen ver boven de maximumgrens van artikel 8 hebben,
eenzelfde premiedruk ondervinden indien zij aanvullende pensioenregelingen
treffen als degenen die een inkomen gelijk aan, onder of net boven de
maximumgrens hebben. Degenen die geen aanvullende pensioenvoorzieningen
treffen hebben inderdaad momenteel een financieel gunstiger positie. Op het
moment van pensionering zullen zij echter met een grotere
inkomensachteruitgang geconfronteerd worden dan de beroepsgenoten die wel een
volledige pensioenvoorziening ontvangen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat de Stichting Pensioenfonds voor fysiotherapeuten indirect
onderscheid op grond van geslacht maakt jegens mevrouw .. door de toepassing
van artikel 8 van het pensioenreglement.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; drs. Sjerps, secretaris namensdeze, mr. M.J.M.G. van Dorsten, plaatsvervangend secretaris

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 18 september 1991

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde, de verwekker van het kind waarvan eiseres zwanger is, wordt
veroordeeld tot betaling van een gedeelte van de kosten die moeten worden
gemaakt in verband met de geboorte van het kind. Deze betaling is een
voorschot op de verplichting van gedaagde die na de geboorte van het kind
ontstaat.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 6 september 1991 heeft Kool gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Van Vlisteren heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities waarbij van de zijde van Kool bijlagen zijn gevoegd, voor vonnis
overgelegd.

De behandeling van de zaak

1. Uitgangspunten

1.1. Partijen hebben van februari 1989 tot het voorjaar van 1991 een
affectieve relatie met elkaar gehad.

1.2. K. is momenteel ongeveer zeven maanden zwanger van het door V.
verwekte kind.

1.3. V. heeft K. meegedeeld bereid te zijn bij te dragen in de na te
noemen kosten.

1.4. K. ontvangt een bijstandsuitkering.

1.5. V. heeft een arbeidsinkomen van ongeveer ƒ 2.000,= tot ƒ 2.500,=
netto per maand.

2. De vordering

K. vordert betaling door V. van een gedeelte van de kosten die gemaakt
moeten worden in verband met de komst van het kind van partijen.

Zij voert daartoe de volgende gronden aan:

2.1. Primair: Op V. rust een verbintenis uit ongeschreven recht tot
betaling van een gedeelte van de kosten.

2.2. Subsidiair: V. heeft toegezegd dat hij een bijdrage van ƒ 5.000,=
zou betalen.

2.3. Meer subsidiair: V. handelt onrechtmatig jegens K. door niet mee te
betalen aan de onderhavige kosten.

K. heeft het totaal der kosten geraamd op ƒ 8.058,= en stelt zich op
het standpunt dat partijen die kosten naar evenredigheid van hun inkomsten
dienen te dragen.

Uitgaande van de inkomens van partijen stelt K. dat V. voor 75 procent
in de kosten dient bij te dragen en mitsdien ƒ 6.044,= dient te betalen.

Zij vordert die betaling op de hierboven onder 2.1. en 2.1. vermelde
grondslagen, terwijl zij hetzelfde bedrag op de onder 2.3. vermelde meer
subsidiaire grondslag vordert doch dan als schadevergoeding.

3. Het verweer

V. bestrijdt dat sprake zou zijn van een verbintenis uit ongeschreven
recht. Hij beroept zich er bovendien op dat nakoming van een dergelijke
verbintenis niet kan worden afgedwongen.

Zijnerzijds heeft hij voorts bij gelegenheid van de mondelinge
behandeling naar voren gebracht, dat hij wel bereid is een bijdrage in de
kosten te leveren en zulks ook aan K. heeft gezegd, doch dat hij niet in staat
is het door K. in eerste instantie verlangde bedrag van ƒ 5.000,= te
voldoen.

Tenslotte betwist V. dat hij onrechtmatig jegens K. zou handelen.

4. De gronden voor de beslissing

Voorzover K. haar vordering baseert op een verbintenis uit ongeschreven
recht – derhalve op een natuurlijke verbintenis – , gaat zij er ten onrechte
aan voorbij dat nakoming daarvan niet in rechte kan worden afgedwongen.

De door K. met betrekking tot de primaire grondslag van haar vordering
geponeerde stellingen kunnen echter ook aldus worden opgevat, dat K. wenst
vooruit te lopen op de verplichting die na de geboorte van het kind op V. zal
rusten tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van het kind, door thans een bedrag ineens als voorschot op de genoemde
bijdrage te verlangen.

K. heeft wegens het reeds vergevorderde stadium van haar zwangerschap
uiteraard een spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding, omdat de
kosten ten aanzien waarvan zij een bijdrage van V. verlangt nu eenmaal vr de
geboorte dienen te worden gemaakt, met uitzondering van de gestelde
verhuiskosten waarvan onvoldoende aannemelijk is dat deze in het kader van de
verzorging en opvoeding van het kind noodzakelijk zijn en voorts met
uitzondering van de kosten voor een kinderstoel, buggy en campingbedje, nu
niet gezegd kan worden dat deze kosten op dit ogenblik noodzakelijk zijn.

Nu V. erkent dat hij de verwekker is van het kind, zal zijn
bovenbedoelde verplichting voortvloeien uit het bepaalde bij de artikelen
1:404 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Rekening houdende met de behoefte van het kind en de draagkracht van V.
is een bijdrage van ƒ 3.000,= ineens in de thans te maken kosten als
bovenbedoeld alleszins redelijk.

Weliswaar bepaalt art. 1:408 van het Burgerlijk Wetboek dat deze
bijdrage aan de Raad voor de Kinderbescherming dient te worden betaald, doch,
nu zulks door K. niet is gevorderd en ook overigens niet gebleken is dat
partijen een dergelijke betaling zouden verkiezen boven een betaling aan K.
zelf, zal de President V. veroordelen tot betaling aan K..

Op grond van de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden
gecompenseerd in voege als na te melden.

De beslissing

Veroordeelt V. aan K. te betalen ƒ 3.000,=.

Verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere
partij zijn eigen kosten draagt.

Weigert de meer of anders gevraagde voorzieningen.

Rechters

Mr F.J.P. Veenhof

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 18 september 1991

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Vrouw eist recht op inzage afstammingsgegevens. Zij weet niet wie haar
natuurlijke vader is, evenmin is ze er zeker van wie haar natuurlijke moeder
is. Het maatschappelijk belang van Valkenhorst haar vertrouwensfunctie ten
opzichte van haar clienten, leidt in dit geval niet noodzakelijkerwijs tot het
onthouden van inzage van de gevraagde gegevens. Van belang hierbij zijn de
veranderende opvattingen over ongehuwd moederschap en het tijdsverloop: 45
jaar na overlijden van de moeder en de verwekker is, als hij nog in leven is,
hoog bejaard. De privacybelangen van de natuurlijke ouders worden door inzage
niet zodanig aangetast dat Valkenhorst zich op grond daarvan op haar
geheimhoudingsplicht kan beroepen.

Volledige tekst


Verder wordt er door tegenstanders van het opheffen van de anonimiteit
van de donor mijns inziens terecht op gewezen dat de situatie van het kind dat
door de biologische ouder(s) is afgestaan ter adoptie, essentieel verschilt
van de situatie waarin het kind door middel van KID is verwekt en dat daardoor
deze situaties ook niet zonder meer met elkaar vergeleken kunnen worden.
Desondanks kan voor beide categorie n kinderen gelden dat het ontbreken
van kennis over de biologische afstamming tot ernstige psycho-sociale
problematiek aanleiding kan geven. Temeer daar door toegang tot
afstammingsgegevens genoemde psycho-sociale problematiek kan worden voorkomen
dient naar mijn mening het recht op de inzage van het kind te prevaleren boven
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de ouders (vergelijk Miek
de Langen, De betekenis van art. 8 EVRM voor het familierecht, pr-advies,
Handelingen NJV 1990). Daarbij is dan nog discussie mogelijk over het tijdstip
waarop het recht op toegang tot afstammingsgegevens een absolute gelding dient
te hebben.

In het geval dat afstammingsgevens over de onbekende biologische vader
enkel zijn opgeslagen in het hoofd en hart van de moeder, dan lijkt mij dat
tegen haar wil het recht op toegang tot deze afstammingsgegevens niet ge
ffectueerd kan worden.

Frieda van Vliet

Rechters

Mrs Wachter, Langemeijer, De Wilde

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 13 september 1991

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De Hoge Raad heeft overeenkomstig het oordeel van het HvJ EG uitspraak
gedaan. Elke schending van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen leidt tot volledige aansprakelijkheid van werkgevers. De in het
Nederlandse recht geldende ‘rechtvaardigingsgronden’ kunnen niet worden
erkend, dit betekent een risico-aansprakelijkheid voor werkgevers.

VjV heeft gehandeld in strijd met art. 1637ij BW, door een zwangere
sollicitante af te wijzen op grond van zwangerschap. De gevolgen van dat
onrechtmatig handelen komen voor haar rekening, ongeacht de vraag of aan de
zijde van de VjV schuld moet worden aangenomen.

Zie voorts: Monster, Afwijzing zwangere sollicitante:

discriminatie en/of onrechtmatige daad? Nemesis 1988, 194; Betlem, Een
vierde type van rechtsvinding, NJB 1991, p. 1363;

Conclusie A-G Darmon, RN 1991, 132; HvJ EG 8 november 1990, RN 1990,
132.

Volledige tekst

1. De procedure

De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 24 juni 1988, NJ 1988,
1002, voor een samenvatting van het geding in feitelijke instanties en het
geding in cassatie voorafgaande aan genoemd arrest.

Bij arrest van 8 november 1990, zaak C-177/88, heeft het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, uitspraak doende op de door de Hoge
Raad in zijn genoemd arrest aan dit Hof gestelde vragen, voor recht
verklaard:

1. Een werkgever handelt direct in strijd met het beginsel van gelijke
behandeling, bedoeld in de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van richtlijn
76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van
de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en
ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, wanneer hij weigert met een door hem
geschikt bevonden sollicitante een arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond
van de mogelijke nadelige gevolgen die voor hem van de aanstelling van een
zwangere vrouw zijn te verwachten ten gevolge van een regeling van de overheid
betreffende arbeidsongeschiktheid, waarin met verhindering om dienst te
verrichten wegens ziekte wordt gelijkgesteld verhindering in verband met
zwangerschap en bevalling.

2. De omstandigheid dat geen enkele man naar de vacante post heeft
gesolliciteerd, maakt voor het antwoord op de eerste vraag geen enkel
verschil.

3. Ofschoon richtlijn nr. 76/207/EEG de Lid-Staten vrijlaat om voor de
op schending van het discriminatieverbod te stellen sanctie een keuze te maken
uit de verschillende oplossingen die geschikt zijn om het doel van de
richtlijn te bereiken, impliceert zij niettemin, dat wanneer een Lid-Staat een
sanctie kiest in het kader van een burgerlijke aansprakelijkheidsregeling,
elke schending van het discriminatieverbod als zodanig reeds volstaat voor de
volledige aansprakelijkheid van degene die heeft gediscrimineerd, en dat de in
het nationale recht voorziene rechtvaardigingsgronden niet kunnen worden
erkend.

VjV heeft haar zaak wederom doen toelichten door haar advocaat en mede
door Mr. S.M. Evers, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot in het principaal
beroep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugverwijzing van de
zaak naar het Gerechtshof Amsterdam en in het incidenteel beroep tot
verwerping daarvan.

2. Verdere beoordeling van de middelen na uitspraak Hof van Justitie

2.1. In cassatie kan als vaststaande worden aangenomen dat VJV op 10
juli 1981 heeft geweigerd met Dekker, die door haar geschikt was bevonden voor
de bij haar bestaande vacature van vormingswerker en die toen zwanger was, een
arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond van de mogelijk nadelige gevolgen die
voor VJV van de aanstelling van Dekker wegens haar zwangerschap zijn te
verwachten ten gevolge van de regeling, neergelegd in het op de ABPW (Algemene
Burgerlijke Pensioenwet) berustende KB van 19 december 1967, Stb. 683, in
welke regeling met verhindering om dienst te verrichten wegens ziekte gelijk
wordt gesteld verhindering in verband met zwangerschap en bevalling.

Uit de uitspraak van het Hof van Justitie volgt dat in deze
omstandigheden VJV heeft gehandeld direct in strijd met het beginsel van
gelijke behandeling, bedoeld in de artt. 2 lid 1 en 3 lid 1 richtlijn nr.
76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van
de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en
ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

Uit die uitspraak volgt tevens dat elke schending van het in de
richtlijn neergelegde discriminatieverbod voldoende is voor volledige
aansprakelijkheid en dat de in het Nederlandse recht geldende
‘rechtvaardigingsgronden’ niet kunnen worden erkend.

Een en ander brengt mee dat VJV heeft gehandeld in strijd met art.
1638ij BW, dat is ingevoegd bij de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen, welke wet strekt tot aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan de
richtlijn en dat de gevolgen van dat onrechtmatige handelen voor haar rekening
komen, ongeacht de vraag of aan haar zijde schuld moet worden aangenomen.

Voor zover het principale middel erover klaagt dat het Hof in het
bestreden arrest van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, is het gegrond.
Het middel, voor zover niet afgedaan, behoeft geen verdere behandeling.

2.2. VJV heeft bij haar schriftelijke toelichting het voorwaardelijk
ingestelde incidenteel cassatieberoep ingetrokken.

2.3. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden arrest niet in stand kan
blijven en verwijzing moet volgen.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van Hof Amsterdam, 15 mei 1986; verwijst het
geding naar het Hof ‘s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt VJV in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde
van D. met inbegrip van de kosten van het geding voor het Hof van Justitie
begroot op ƒ 7.444,30, op de voet van art. 57 b Rv. te voldoen aan de
Griffier.

Rechters

Mrs Snijders, De Groot, Hermans, Bloembergen, Davids. A-G Mok.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 september 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is schuurder in een meubelfabriek en vergelijkt zich met een
mannelijke collega, ook schuurder, die een hoger salaris ontvangt. Arbeid van
nagenoeg gelijke waarde. Hogere beloning maatman vindt zijn oorzaak in de
bijzondere positie van deze innam; hij zou de -hogere- functie van spuiter
gaan vervullen. Voldeed niet aan de verwachtingen en is na een jaar ontslagen.
Andere schuurders ontvangen dezelfde beloning als verzoekster. Geen strijd met
de wet. (Op 11-6-1992 herzien)

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 5 september 1990 verzocht de Stichting Landelijke Ombudsvrouw te Den
Haag (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of…te Druten
(hierna: wederpartij) jegens mevrouw … te Puiflijk (hierna: belanghebbende)
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (Stb. 1989, 168) respectievelijk artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk
Wetboek.

Belanghebbende is werkzaam bij de wederpartij. Zij is van mening dat zij
in de periode waarin een mannelijke ex-collega, de heer…(hierna: maatman)
bij de wederpartij werkzaam was, arbeid van gelijke danwel nagenoeg gelijke
waarde heeft verricht als deze collega, terwijl zij een lager loon ontving.
Verzoekster en belanghebbende zijn van mening dat de wederpartij hiermee heeft
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e van de WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de wet stelt voor het bij de Commissie
kunnen instellen van een zogenaamde groepsactie.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en
belanghebbende op de hoogte gesteld van haar voornemen tot onderzoek, zoals
artikel 14 lid 3 WGB dat voorschrijft. Belanghebbende heeft geen bezwaar
gemaakt tegen dit onderzoek.

3.2. Partijen hebben de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
nader toe te lichten.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Zij is hierbij
ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken
gevoerd met belanghebbende, de wederpartij en de maatman. Van het onderzoek
ter plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 29 april 1991.

3.3. De Commissie heeft partijen uitgenodigd te verschijnen tijdens een
zitting op 29 juli 1991. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt. Bij de beraadslagingen waren aanwezig:

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

3.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 3.3.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. Belanghebbende is werkzaam bij de wederpartij, die meubelen maakt
en deze via verkoopkantoren afzet in binnen- en buitenland. Een directeur
geeft leiding aan het bedrijf. Er zijn drie administratieve krachten en 30
produktiemedewerkers. Belanghebbende behoort tot laatstgenoemde categorie, die
onder leiding staat van de bedrijfsleider.

Belanghebbende is op 4 september 1989, in het kader van een
subsidieregeling van het Gewestelijk Arbeidsbureau, voor de periode van een
half jaar bij de wederpartij in dienst getreden. Zij is als schuurder gaan
werken op de afdeling spuiterij. Haar salaris bedroeg dit eerste half jaar

ƒ 1987,70 bruto per maand. Per 5 maart 1990 is haar contract omgezet in
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar salaris steeg toen tot ƒ
2.240,- bruto per maand. In de periode 1 juli 1990 – 1 januari 1991 bedroeg
haar salaris ƒ 2.284,80 bruto per maand.

Ook de maatman is op 4 september 1989 in dienst getreden bij de
wederpartij. Hij was afkomstig uit de bouw en was enige tijd werkloos. Hij
kreeg een contract voor de duur van een jaar en is evenals belanghebbende als
schuurder gaan werken op de afdeling spuiterij. Zijn salaris bedroeg tot begin
1990 ƒ 2.380,- bruto per maand. Daarna, tot juli 1990, bedroeg dit ƒ 2.439,74
en daarna ƒ 2.488,53 bruto per maand. De wederpartij verklaart dit hogere
salaris van maatman, vergeleken met dat van belanghebbende, uit het
arbeidsverleden van maatman en uit haar voornemen maatman te zijner tijd de
functie van spuiter te laten vervullen. Zijn salaris was op deze toekomstige
functie afgestemd.

4.2. Sinds 1 januari 1989 past de wederpartij de CAO Meubelindustrie en
Meubileringsbedrijven toe. In deze CAO is een functie-indeling opgenomen die
is gebaseerd op relevante functie-kenmerken. De wederpartij heeft de functie
van schuurder ingedeeld in de laagste functiegroep, groep A, en daarmee tevens
in salarisgroep A (belanghebbende). De functie van spuiter heeft zij ingedeeld
in de -hogere- functiegroep D, en daarmee in salarisgroep D (maatman).

Naast het niveau van de functie bepalen volgens de wederpartij de
volgende factoren de beloning van de medewerkers:

– concurrentiepositie van het bedrijf;

– verwachtingen ten aanzien van een medewerker;

– laatstgenoten salaris van een medewerker.

4.3. Ten behoeve van het onderzoek van de Commissie zijn de functies van
belanghebbende en maatman geinventariseerd en gewaardeerd door een medewerker
van de LTD. Als beoordelingstijdvak is gekozen voor de periode 4 september
1989 (indiensttreding belanghebbende en maatman) tot 4 september 1990, de
datum waarop het contract van de maatman afliep en hem geen nieuw contract is
aangeboden.

Aangezien in het bedrijf geen functiewaarderingssysteem is, zijn de
functies gewaardeerd aan de hand van een gangbaar functiewaarderingssysteem.
De functiebeschrijvingen zijn gebaseerd op verklaringen van de wederpartij,
belanghebbende en maatman en op de door belanghebbende en maatman ingevulde
functie-informatie-formulieren. De functiebeschrijving van belanghebbende is
geaccordeerd door haarzelf en de wederpartij. Die van de maatman is alleen
geaccordeerd door de wederpartij. De maatman zag af van ondertekening omdat
hij negatieve gevolgen van ondertekening vreesde. Wel verklaarde hij mondeling
dat de inhoud van de functie-omschrijving overeenkwam met de door hem
uitgeoefende functie.

De waardering van de functies heeft geleid tot een score van 38 punten
voor de functie van belanghebbende en 38,5 punten voor de feitelijk door
maatman vervulde functie.

Het feit dat de maatman soms assisteerde in de expeditie, hij tilde dan
bankstellen vanuit het magazijn in de vrachtwagens, is oorzaak van het
-geringe- puntenverschil. Ook belanghebbende verricht wel eens
nevenwerkzaamheden, zoals het bewerken van kussens voor de bankstellen. Een
hogere score voor haar functie vergeleken met die van maatman, levert dit
echter niet op.

In het gehanteerde functiewaarderingssysteem wordt veelal een verschil
van 20 punten (de bandbreedte) tussen de opeenvolgende
functiegroepen/salarisschalen gehanteerd.

4.4. Ten aanzien van de beloningsmaatstaven, genoemd onder 4.2., is
tijdens het onderzoek het volgende gebleken.

niveau van de functie

Zoals gezegd, is de indeling van een medewerker in een salarisgroep
afhankelijk van het niveau van de door hem uitgeoefende functie. Hiervan
uitgaande heeft de wederpartij belanghebbende, de heer A en de heer B (zie
hierna in 4.5.) in salarisgroep A geplaatst en maatman, op basis van de te
verwachten uitoefening van de functie van spuiter, in salarisgroep D.

concurrentiepositie van het bedrijf

Sinds 1 januari 1990 ligt de beloning van de ongeschoolde medewerkers
(waaronder begrepen salarisgroepen A en D) bij de wederpartij iets boven de in
de CAO voorgeschreven beloning. Hiermee wil de wederpartij haar
aantrekkingskracht voor nieuw personeel behouden. De beloning van maatman en
belanghebbende is begin 1990 opgetrokken naar het hogere niveau.

verwachtingen ten aanzien van een medewerker

De wederpartij had ten aanzien van belanghebbende geen verwachtingen
over de vervulling van een andere functie dan die van schuurder. Ten aanzien
van maatman had zij dat wel. Voor hem had zij reeds bij zijn indiensttreding
de functie van spuiter in gedachten.

Deze verwachtingen zijn -zoals hiervoor onder 4.1. al is aangegeven-
voor haar reden geweest maatman vanaf zijn indiensttreding te belonen als ware
hij reeds spuiter. De wederpartij baseerde haar verwachtingen op de ervaring
van maatman in de bouw met het werken met hout. Informatie van een zwager van
de maatman, die reeds bij de wederpartij werkzaam was, ondersteunde haar
hierin. De wederpartij heeft de maatman ook enige malen spuiterswerkzaamheden
laten verrichten, echter zonder goed resultaat. Zij concludeerde daarom dat
maatman geen spuiter zou kunnen worden en heeft vervolgens de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet verlengd.

Maatman stelt tijdens het sollicitatiegesprek zijn bereidheid te hebben
uitgesproken om alle voorkomende werkzaamheden aan te pakken. Over zijn
ervaring in de bouw en het uitoefenen van de functie van spuiter zou niet zijn
gesproken. Ook belanghebbende stelt niet op de hoogte te zijn geweest van het
voornemen van de wederpartij maatman als spuiter te laten fungeren. Maatman
stelde niet te weten waarom zijn contract niet is verlengd, volgens hem waren
er geen klachten.

laatstgenoten salaris

Volgens de wederpartij heeft ook het laatstgenoten salaris van de
maatman een rol gespeeld bij het vaststellen van zijn beloning. In de bouw
verdiende maatman een hoger salaris dan hij bij de wederpartij kon bereiken.
Ook dit was voor de wederpartij een reden hem het salaris van spuiter te
betalen. Met daarbij de mededeling dat er dan geen verdere verhoging in zou
zitten.

Volgens de maatman is tijdens het sollicitatiegesprek niet gesproken
over zijn laatstgenoten salaris. Dit lag overigens wel hoger dan het door de
wederpartij geboden salaris. Een verzoek zijnerzijds om een tussentijdse
salarisverhoging is door de wederpartij afgewezen.

4.5. Bij de wederpartij zijn nog twee andere schuurders werkzaam. Over
deze twee -mannelijke- collega’s van belanghebbende (hierna: de heer A en de
heer B) is het volgende bekend.

De heer A is op 22 augustus 1988 in dienst getreden bij de wederpartij.
Zowel belanghebbende als de wederpartij hebben verklaard dat de heer A
dezelfde functie uitoefende als belanghebbende. De wederpartij heeft hieraan
toegevoegd dat de heer A wel eens werd ingeschakeld bij het betegelen van
salontafels en het assisteren bij het verladen in de expeditie. Voor zover
zijn beloning bekend is (vanaf oktober 1990) komt deze overeen met de beloning
van belanghebbende.

De heer B is op 10 september 1990 in dienst getreden bij de wederpartij,
ter vervanging van de maatman. Belanghebbende heeft niet met hem samengewerkt
en kon derhalve niet zeggen of zijn functie gelijk is aan die van haar.
Volgens de wederpartij is dat wel het geval. Ook hier voegde de wederpartij
eraan toe dat de heer B wel eens wordt ingeschakeld bij het betegelen van
salontafels en het assisteren bij het verladen in de expeditie. Ook de
beloning van de heer B komt overeen met die van belanghebbende.

De standpunten van partijen

4.6. Verzoekster is van mening dat belanghebbende en maatman arbeid van
gelijke waarde hebben verricht. Belanghebbende heeft de wederpartij meerdere
malen attent gemaakt op het feit dat zij voor hetzelfde werk minder verdient.
De wederpartij heeft daarop gezegd dat belanghebbende minder verdient omdat
zij een vrouw is. Ze moest na een half jaar maar terugkomen. Belanghebbende is
echter steeds minder blijven verdienen dan de maatman. Zij vindt het verhaal
van de wederpartij over de bredere inzetbaarheid van de maatman, zijn ervaring
in de bouw en zijn functie als spuiter niet overtuigend.

4.7. De wederpartij ontkent ten stelligste tegen belanghebbende te
hebben gezegd dat zij minder verdient dan de maatman omdat zij vrouw is. Dit
zou ook blijken uit de beloning van de heren A en B, die hetzelfde werk doen
als belanghebbende en ook dezelfde beloning ontvangen. De wederpartij stelt
dat het beloningsverschil tussen belanghebbende en maatman is terug te voeren
op de verwachtingen die zij had ten aanzien van de maatman (zie met name
paragraaf 4.4.). Zij is van mening dat de heren A en B als maatman aangewezen
hadden moeten worden. Deze beide medewerkers verrichten dezelfde werkzaamheden
als belanghebbende en worden ook gelijk beloond als belanghebbende.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, nu
belanghebbende lager werd beloond dan de door haar aangewezen mannelijke
collega.

De wederpartij betoogt dat deze mannelijke collega een bijzondere
positie innam binnen het bedrijf en dat derhalve niet hij maar twee andere
mannelijke collega’s van belanghebbende als maatman dienen te fungeren.

De Commissie merkt op dat de eventuele bijzondere positie van de maatman
en de positie van anderen, die soortgelijke arbeid als verzoekster
verricht(t)en ook aan de orde kan komen bij de vraag naar de toegepaste
beloningsmaatstaven (paragraaf 5.3). Zij ziet derhalve geen reden in de
onderhavige zaak af te wijken van de keuze van de maatman door
belanghebbende.

Dit betekent dat het onderzoek zich uitstrekt over de periode 4
september 1989 (indiensttreding belanghebbende en maatman) tot 4 september
1990 (beëindiging arbeidsverhouding maatman). Artikel 1637ij lid 1 BW bepaalt
dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het
punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde
verrichten. In de artikelen 7 WGB en volgende is deze bepaling uitgewerkt. Van
gelijke beloning is sprake indien deze is berekend op grondslag van
gelijkwaardige maatstaven.

Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan
van een deugdelijk stelsel van functiewaardering. Daarbij wordt zoveel
mogelijk aangesloten bij het stelsel dat in de organisatie gebruikelijk is.

5.2. Aan de orde is dan de vraag of belanghebbende en maatman arbeid van
(nagenoeg) gelijke waarde verrichtten.

Allereerst merkt de Commissie op dat een schriftelijke accordering door
de maatman van de beschrijving van zijn functie ontbreekt. Nu echter deze
functiebeschrijving wel door de wederpartij is geaccordeerd en maatman
mondeling heeft verklaard in te stemmen met deze beschrijving, en hij ook
overigens geen afwijkende visie op zijn taken heeft gegeven, staat het
ontbreken van zijn schriftelijke accoordverklaring niet in de weg aan het
hanteren van deze functiebeschrijving.

In het functiewaarderingsonderzoek scoorde de functie van belanghebbende
38 punten en die van maatman 38,5 punten. Gelet op dit kleine puntenverschil
in een functiewaarderingssysteem dat doorgaans een bandbreedte hanteert van 20
punten, stelt de Commissie vast dat belanghebbende en maatman arbeid van
nagenoeg gelijke waarde verrichtten.

5.3. Rest vervolgens de vraag of belanghebbende, vergeleken met de
maatman, werd beloond op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

Belanghebbende baseert zich bij haar stelling dat zij minder verdiende
dan de maatman omdat zij vrouw is, op een uitspraak van de wederpartij. De
wederpartij ontkent deze verklaring te hebben gegeven voor het
beloningsverschil. Zij verklaart het beloningsverschil met name uit de
bijzondere positie die de maatman innam temidden van de schuurders: in
tegenstelling tot belanghebbende en de heren A en B, die allen als schuurder
worden beloond, werd maatman beloond als spuiter, de functie die de
wederpartij reeds bij indiensttreding voor hem in gedachten had. Voorts is
volgens de wederpartij aansluiting gezocht bij het laatstgenoten -hogere-
salaris van de maatman.

De Commissie acht de lezing van de wederpartij in deze het meest
aannemelijk. Allereerst staat namelijk vast, dat de wederpartij de
arbeidsverhouding met maatman niet heeft verlengd, hetgeen naar de Commissie
aanneemt is gebeurd omdat deze niet voldeed aan de bij de wederpartij levende
verwachtingen. Dit biedt volgens de Commissie steun aan de verklaring van de
wederpartij voor de hogere beloning van maatman. Daarnaast stelt de Commissie
vast dat zowel belanghebbende als de wederpartij van mening zijn dat in elk
geval de heer A dezelfde functie vervult als belanghebbende. Uit het onderzoek
is voorts gebleken dat diens salaris vanaf oktober 1990 overeenkomt met dat
van belanghebbende. Aangezien niet aannemelijk is dat de heer A in de periode
voorafgaand aan oktober 1990 een hoger salaris verdiende dan daarna, betekent
dit dat de beloning van belanghebbende en de heer A ook tijdens de
onderzoeksperiode (ongeveer) overeenkwam, hetgeen door verzoekster ook niet is
betwist. De Commissie stelt dan ook vast dat naast belanghebbende ten minste
een andere schuurder bij de wederpartij werkzaam is, die hetzelfde beloond
werd als belanghebbende.

Dit alles overwegende, acht de Commissie voldoende aannemelijk dat de
hogere beloning van maatman vergeleken met die van verzoekster, haar oorzaak
vindt in de bijzondere positie die maatman innam, terwijl bij de wederpartij
het loon voor de door belanghebbende verrichte functie van schuurder
gewoonlijk niet hoger was dan door belanghebbende -en andere schuurder(s)- is
genoten. De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat niet is gebleken dat
de beloning van belanghebbende en maatman is berekend op grondslag van
ongelijkwaardige maatstaven. Gelet op de tijdelijkheid van het dienstverband
met maatman doet hieraan niet af het feit, dat de wederpartij deze hogere
beloning van maatman heeft gehandhaafd, toen was gebleken dat haar
verwachtingen omtrent maatman niet terecht waren.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Druten in de periode 4
september 1989 tot 4 september 1990 geen onderscheid heeft gemaakt naar
geslacht jegens mevrouw …te Puiflijk in strijd met artikel 1637ij lid 1
Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 en volgende Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 13 september 1991

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


D. is in overleg met haar moeder ingetrokken bij M. en R. die met
elkander waren gehuwd. Kort nadat D. was ingetrokken was sprake van
regelmatig seksueel contact. Daarvan heeft D. schade ondervonden en vordert
zij ƒ 100.000,– immateriele- en materiele schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat in beginsel sprake is van een onrechtmatige daad,
strijd met artikel 249 Sr. Enig verband tussen het gedrag van M. en R. en de
huidige onvrede van D. wordt wel aannemelijk geacht en daarom kent de
rechtbank tegen M. en R. de vordering tot het beloop van ƒ 1.000,- toe.

Volledige tekst

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

D. vordert van M. en R. ƒ 100.000,- met kosten. M. en R. hebben ieder
afzonderlijk voor antwoord geconcludeerd tot afwijzing van die vordering. D.
heeft gerepliceerd, waarna M. en R. -wederom: ieder afzonderlijk- een
conclusie van dupliek hebben genomen. Van de zijden van D. en R. zijn
producties in het geding gebracht.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, op grond van der partijen
opgaven en de inhoud van overgelegde producties, waaronder een proces-verbaal
van de gemeentepolitie Maassluis, nr. 435/89, dd 17 augustus 1989.

1. D. geboren in november 1959, had op twaalfjarige leeftijd haar vader
verloren en was thuis, bij de moeder, moeilijk te hanteren. Ook op school
waren er orde-problemen, die opliepen tot een tijdelijke schorsing.

2. Na het begin van het schooljaar 1975/1976 -D. was nog 15 jaar, maar werd
in november 16- trok zij in overleg ook met haar moeder in bij M. en R. die
in 1970 met elkander waren gehuwd, en kennelijk geen eigen kinderen hadden.

3. Al vrij gauw, mogelijk voor haar verjaardag, en anders kort daarna vond
streelcontact plaats tussen D. en (haar schoollerares Engels) R., volgens de
laatste meer in het kader van troost, volgens de eerste seksuele connotaties.

4. Al snel “kwam van het een het ander”: in de woning, waarin zonder valse
schaamte ook wel naakt rondgelopen werd, bezocht D. met enige regelmaat de
echtelijke slaapkamer, alwaar zij toeschouwster was bij, en al gauw daarna
ook deelneemster was aan, seksueel verkeer tussen de echtelieden resp. tussen
de drie aanwezigen.

5. In totaal is D. drie en een half jaar bij de echte lieden M-R inwonend
geweest, zij ging met hen op vakantie, en verhuisde met hen (eind 1977). In
de laatste jaren heeft ook geregeld seksueel verkeer plaatsgevonden tussen M.
en D. zonder dat R. daarvan op de hoogte werd gebracht. Overigens verkeerde
D. ook wel met vriendjes. Zij gebruikte de pil.

Tegen deze achtergrond stelt D.:

-dat M. en R. -van wier liefkozingen zij op zichzelf overigens wel gediend
was: daartegen keert zij zich ook thans nog niet, met haar ontuchtiglijk
hebben verkeerd, M. op een wijze die haar nooit aanstond en die, niettemin,
door R. werd gedoogd, zo niet bevorderd (in zoverre is ook R. “schuldig”);

-dat dat een onrechtmatig, immers bij de strafwet verboden, gedrag oplevert;

-dat zij daardoor schade leed en eigenlijk steeds meer lijdt omdat zij een en
ander niet behoorlijk kan verwerken, naar in de loop der jaren is gebleken;

-dat zij haar schade uit dien hoofde op ƒ 100.000,- stelt, een paar mille
materiele schade (kosten van hulpverlening, reis- en telefoonkosten, bv. ook
voor de aangifte ets.) maar voor het overgrote deel immateriele schade.

M. en R. stellen in hun onderscheiden conclusies, die echter in grote lijnen
sterk overeenstemmen, in essentie (het zijn lange vertogen!):

-dat er niets onrechtmatigs is gebeurd, maar dat met enthousiast meeleven van
D. -die, zoals bij haar leeftijd paste een aanzienlijke seksuele
nieuwsgierigheid vertoonde- partijen met elkander hebben verkeerd, nu eens
oppervlakkig seksueel bij het nachtzoentje, met regelmaat echter, in de
weekeinden met name, aanzienlijk minder oppervlakkig in het echtelijke bed,
gedrieen, en ook wel (bv. als R. eens een weekje in Engeland was) met M. en
D. alleen;

-dat in al die tijd D. nooit van tegenzin blijk gaf en dat het haar niet past
na zo lange tijd, meer dan tien jaar met grieven te komen;

-dat overigens, ware er al sprake van enige onrechtmatigheid, het causaal
verband tussen die onrechtmatigheid en de door D. gestelde schade niet voor
de hand liggend is, reeds omdat D. naar uit de hele voorgeschiedenis blijkt,
een “problemenkind” was, en overigens, alweer, omdat zo lange tijd verlopen
is sindsdien.

Hierop reageert D. weer met de stelling, die de rechtbank als volgt begrijpt:
dat de verwerking van hetgeen haar overkomen is een kwestie van vele jaren
was en nog is, en dat zij pas langzamerhand in staat is gebleken, zoals in
dit soort gevallen vaker voorkomt, een en ander te uiten en bespreekbaar te
maken; maar dat zij, nu zij eenmaal in dit stadium is, ook niet anders kan
dan getuigen van de ruim drie jaar bij M. en R., die voor haar een hel zijn
geweest, waarvoor zij thans genoegdoening vraagt.

De rechtbank oordeelt alsvolgt.

In beginsel is sprake van een onrechtmatige daad, strijd met artikel 249 Sr.
met name, waarin is voorzien dat ontucht (dat is in beginsel de terminus
technicus voor seksueel gedrag) met een aan zijn zorg toevertrouwde
minderjarige strafbaar is. D. was in elk geval sociologisch aan de zorg van
M. en R. toevertrouwd (zij woonde er jaren als “kind aan huis”), een
omstandigheid die enigermate juridische bekrachting had gevonden in het feit
dat de kinderbijslag te haren behoeve in elk geval ten dele aan M./R. werd
uitgekeerd. Dat is een voldoende hechte relatie om aan te nemen dat D. in de
zin van genoemd artikel 249 Sr. “was toevertrouwd aan de zorg” van M./R.

Maar overigens is de rechtbank met M. en R. eens dat het moeilijk is die
indertijd (naar de rechtbank met vrij grote stelligheid uit de stukken
opmaakt) zo actieve en weinig geremde betrokkenheid van D. aan het seksueel
verkeer “thuis” thans aan te merken als de “rechtens relevante” oorzaak van
haar huidig onbehagen en haar huidige psychische problemen.

In dit kader zij uitdrukkelijk opgemerkt dat verkrachtingen (bijslaap onder
toepassing van geweld of dreiging daarmee) totaal onbewezen zijn gebleven en
ook onaannemelijk zijn tegen de achtergrond van de vele jaren dat de
samenwoning duurde, en de vele jaren die D. nodig had om haar emoties te
uiten.

Het lijkt erop dat, achteraf gezien, D. haar problemen nogal selectief
uitsluitend herleidt tot het seksueel verkeer ten huize van M. en R., een
verkeer waaraan zij indertijd schijnbaar zonder problemen en zelfs met enig
enthousiasme deelnam, waarbij het initiatief soms ook in die zin van haar
uitging, dat zij de volwassenen in hun slaapkamer opzocht, “een soort
gezelligheid”.

Omdat niettemin, M. en R. het niet zover hadden mogen laten komen (de
instemming van de minderjarige is juridisch-technisch niet van belang; de
minderjarige moet immers tegen zichzelf worden beschermd) en omdat enig
verband tussen hun gedrag en de huidige onvrede van D. wel aannemelijk geacht
moet worden, gelet op de overgelegde producties, zal de rechtbank tegen elk
van de beide gedaagden de vordering tot het beloop van ƒ 1.000,- toewijzen.
Dat zou aanzienlijk meer zijn geweest wanneer D. indertijd jonger was
geweest, maar zij was van huwbare leeftijd.

RECHTDOENDE

Veroordeelt M. en R. ieder afzonderlijk tegen kwijting aan D. te betalen ƒ
1.000,- (eenduizend gulden) met de rente daarover sedert 1 september 1991 tot
op de dag der voldoening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Compenseert de proceskosten des, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Rechters

mr. Boot

Instantie: Scheidsgerecht voor het bankwezen, 12 september 1991

Instantie

Scheidsgerecht voor het bankwezen

Samenvatting


Eiseres heeft haar werkgever verzocht haar voltijd dienstverband te
wijzigen in een deeltijddienstverband aansluitend aan haar bevallingsverlof.
Eiseres beroept zich op de bepaling over bevordering deeltijdarbeid uit de
CAO. De werkgever heeft dit verzoek, volgens het scheidsgerecht, onterecht
afgewezen.

Volledige tekst

I ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres heeft zich bij verzoekschrift dd. 7 juni 1991 van haar in de
aanhef genoemde gemachtigde tot het Scheidsgerecht gewend met het verzoek om
een uitspraak te doen omtrent de toepassing van de bepalingen van de c.a.o.
voor het Bankbedrijf, geldig van 1 april 1990 tot 1 april 1991, verder te
noemen de c.a.o., met name Deel 2, Hoofdstuk II, paragraaf 1, luidende
“Bevordering deeltijdarbeid”.

2. Verweerster heeft een memorie van antwoord ingezonden bij brief van
18 juli 1991.

3. De mondelinge behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 21
augustus 1991 te Bunnik, alwaar eiseres in persoon is verschenen, alsmede haar
gemachtigde … voornoemd. Namens verweerster verschenen ter zitting … en,
bij afwezigheid van …, advocaat en procureur, als gemachtigde van
verweerster.

II MOTIVERING VAN DE BESLISSING

1. Het geschil dat partijen verdeeld houdt en waarover zij een uitspraak
van het Scheidsgerecht verzoeken, betreft de vraag of verweerster in strijd
heeft gehandeld met het bepaalde in Deel 2 (Voorschriften bij deel 1),
Hoofdstuk II, paragraaf 1, luidende ‘Bevordering deeltijdarbeid’, van de
c.a.o. 1990/1991, door niet te voldoen aan het verzoek van eiseres om haar
volledig dienstverband na afloop van haar bevallingsverlof en het daaraan
aansluitend te genieten ouderschapsverlof te wijzigen in een
deeltijddienstverband. Namens eiseres wordt gevorderd, dat het Scheidsgerecht
uitspreekt dat verweerster heeft gehandeld in strijd met de terzake geldende
bepalingen in de c.a.o. en verweerster veroordeelt tot wijziging van het
onderhavige volledige dienstverband in een deeltijddienstverband in haar eigen
of een andere naar objectieve maatstaven passende functie voor circa 20 uur
per week.

2. Alvorens over te kunnen gaan tot een inhoudelijke beoordeling van het
geschil, dient het Scheidsgerecht te beslissen of eiseres kan worden ontvangen
in haar beroep, aangezien op dit punt verweer is gevoerd.

Namens verweerster wordt gesteld, dat de in Deel 2 van de c.a.o.
opgenomen bepalingen, waaronder de door eiseres aan het oordeel van het
Scheidsgerecht onderworpen bepaling in Hoofdstuk II, paragraaf 1, anders dan
de in Deel 2 vermelde bepalingen niet rechtstreeks de arbeidsrelatie tussen
individuele werkgevers en werknemers regelen, doch voorschriften bevatten
welke ten hoogste door c.a.o.-partijen kunnen worden afgedwongen. In verband
hiermede zou eiseres geen beroep kunnen doen op eerder genoemde bepaling.

Het Scheidsgerecht verwerpt dit standpunt, aangezien artikel 16
paragraaf 3 van de c.a.o. expliciet bepaalt, dat de in Deel 1 vastgestelde
voorschriften deel uitmaken van de c.a.o. en het door verweerster aangevoerde
onderscheid in het karakter van de in Deel 1 en in Deel 2 opgenomen artikelen
geen steun vindt in enige bepaling van de c.a.o..

3. Namens verweerster wordt voorts gesteld, dat vorengenoemde bepaling
slechts procedureregels bevat en, zo het Scheidsgerecht zich hierover al zou
mogen uitspreken, mitsdien alleen beoordeeld kan worden of verweerster de
voorgeschreven procedures heeft gevolgd. Een nadere motivering voor dit
standpunt van de zijde van verweerster ontbreekt.

Het Scheidsgerecht is van oordeel, dat genoemde bepaling zich niet
beperkt tot procedureregels, maar aan de werkgever een bepaalde
inspanningsverplichting oplegt, zij het, dat de werkgever ten aanzien van het
al dan niet nakomen van deze verplichting op enkele belangrijke onderdelen een
discretionaire bevoegdheid wordt toegekend.

Het Scheidsgerecht dient zich in dezen dan ook te beperken tot een
marginale toetsing.

4. Het bovenoverwogene leidt ertoe, dat het Scheidsgerecht dient uit te
spreken of door verweerster voorzover redelijkerwijs van haar gevergd kan
worden, is voldaan aan de eisen, welke haar door het bepaalde in Deel 2,
Hoofdstuk II, paragraaf 1 van de c.a.o. worden opgelegd.

Vorengenoemde bepaling luidt als volgt:

Paragraaf 1 Bevordering deeltijdarbeid

In het kader van een voortzetting van de voor het eerst in 1983
getroffen maatregel tot bevordering van deeltijd zal de werkgever de werknemer
met een volledig dienstverband in de gelegenheid stellen gedurende de looptijd
van de CAO eenmaal voorkeur voor een kortere arbeidsduur kenbaar te maken.

De werkgever zal in dat geval een onderzoek instellen naar de
organisatorische mogelijkheden daarvoor. Indien blijkt dat zonder verstoring
van de normale bedrijfsactiviteiten en zonder onrendabele kostenverhoging deze
mogelijkheid bestaat – dit ter beoordeling van de werkgever – zal de werkgever
zijn medewerking geven aan omzetting van het dienstverband in een
deeltijddienstverband. Daarbij kan de deeltijdfractie tussen 50% en 90%
varieren. Het staat de werkgever vrij daarbij een aantal standaard percentages
te hanteren indien hij dat wenst.

5. Teneinde een oordeel te kunnen vellen over de vraag of de werkgever
heeft voldaan aan de door de c.a.o. aan hem opgelegde verplichting een
onderzoek in te stellen naar de organisatorische mogelijkheden voor het werken
in deeltijd, is het van belang vast te stellen hoe het geschil zich feitelijk
heeft ontwikkeld.

Uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde is ten deze komen
vast te staan:

– Eiseres is in dienst getreden per 18 mei 1981 en is thans werkzaam in
het kantoor .. als baliemedewerkster/plaatsvervangend kantoor-manager.

– Zij heeft bij brief d.d. 27 september 1990 aan het Kantoor te ..
verzocht haar voltijd dienstverband te wijzigen in een deeltijddienstverband,
aansluitend aan haar bevallingsverlof.

Dit verzoek is in een persoonlijk gesprek op 26 november 1990 door haar
directeur afgewezen, hetgeen op 28 november 1990 schriftelijk werd bevestigd
door het kantoor..

In deze bevestiging was geen motivering voor de afwijzing opgenomen.

– Bij brief van 11 december 1990 wendde de raadsman van eiseres zich tot
het Kantoor .. met een herhaald verzoek om een deeltijddienstverband, wijzend
op de ter zake geldende c.a.o.-bepalingen.

– Bij brief van 13 februari 1991 werden de argumenten voor de afwijzing
door verweerster ter kennis gebracht van eerder genoemde raadsman.

– Per 1 maart 1991 werd het kind van eiseres geboren en ving het
bevallingsverlof aan.

– Bij brief van 15 maart 1991 maakte de raadsman van eiseres opnieuw
bezwaar tegen de afwijzing en diende hij een verzoek tot ouderschapsverlof
voor eiseres in, dat de periode van begin juni tot 11 december 1991 zou
beslaan. De wettelijke regeling inzake ouderschapsverlof was op 1 januari 1991
in werking getreden.

– Bij brief van 26 maart 1991 volgde tenslotte opnieuw een afwijzing van
het verzoek inzake deeltijdarbeid en werd voor wat betreft het verzoek om
ouderschapsverlof verwezen naar de plaatselijk directeur in .. Dit laatste
verzoek is inmiddels ingewilligd en eiseres geniet thans ouderschapsverlof
voor 50% van haar normale arbeidstijd.

6. In de eerder vermelde brief van 13 februari 1991, ondertekend door de
heer … voornoemd, zijn namens verweerster aan de gemachtigde van eiseres de
navolgende argumenten meegedeeld om het verzoek van eiseres af te wijzen:

– De bezetting van de kantoren is uitgerust met een vast team
medewerkers die voor de klienten herkenbaar zijn. Door twee dagen per week
iemand anders in te zetten, wordt dit uitgangspunt geweld aangedaan.

– In de regio is geen behoefte aan drie mandagen per week om de
bezetting aan te vullen.

– Toestaan van het verzoek tot drie dagen per week werken, heeft tot
gevolg dat een nieuwe medewerker moet worden aangesteld. De MBO-kategorie
waaruit wij rekruteren laat zich niet voor twee dagen in de week aanstellen.

Aanstellen van een MBO-er voor 100% betekent een onverantwoorde
kostenverhoging.

Het Scheidsgerecht stelt vast dat de hier genoemde redenen zeer algemeen
zijn en niet toegespitst op de individuele situatie van eiseres.

De gemachtigde van eiseres heeft daaraan in zijn brief aan verweerster
van 15 maart 1991 de veronderstelling verbonden dat geen echt onderzoek heeft
plaatsgevonden naar mogelijkheden om aan het verzoek van eiseres te voldoen.
Verweerster heeft dit laatste in het verweerschrift bestreden en betoogd dat
wel degelijk een onderzoek heeft plaatsgevonden, hetgeen ook zou verklaren de
relatief lange tijd die verstreken is tussen de brief van eiseres van 27
september 1990 en het antwoord namens verweerster van 28 november 1990. Dit
onderzoek zou zich niet slechts hebben uitgestrekt tot het Kantoor .., maar
meer in algemene zin hebben plaatsgevonden.

Ter zitting van het Scheidsgerecht heeft de heer .. evenwel expliciet
uitgesproken, dat geen onderzoek had plaatsgevonden bij alle lokale kantoren,
aangezien hij er op basis van zijn kennis an de totale personeelsorganisatie
zeker van was dat er geen reele mogelijkheden aanwezig waren. De heer .. heeft
daaraan toegevoegd dat het zowel organisatorisch, als wat het kostenaspect
betreft, thans en in de toekomst, dus zeker ook in december 1991, onmogelijk
is om enig verzoek van eiseres inzake deeltijdarbeid van ca. 50% in
goedgunstige overweging te nemen.

Het Scheidsgerecht heeft voorts geconstateerd dat de ter zitting
aanwezige directeur van de kantoren .., de directeur van eiseres, de heer ..
zich ter zake van het onderhavige verzoek van eiseres destijds terughoudend en
formeel heeft opgesteld en diezelfde houding aannam toen eiseres ter zitting
opnieuw een voorstel voor een praktische oplossing deed.

Bij het vormen van zijn oordeel wenst het Scheidsgerecht ingevolge het
weergegeven artikel van de c.a.o. aan de beoordeling van verweerster is
overgelaten of het aangaan van een deeltijddienstverband zonder verstoring van
de normale bedrijfsactiviteiten en zonder onrendabele kostenverhoging kan
plaatsvinden.

Het Scheidsgerecht is evenwel met name op grond van het hiervoor
overwogene tot het oordeel gekomen dat verweerster zich in haar reactie op het
verzoek van eiseres – die zich van haar kant heeft beijverd om zelf
oplossingen aan te dragen – te zeer heeft gebaseerd op algemene
beleidsuitgangspunten en daarmede onvoldoende invulling heeft gegeven aan
letter en geest van Deel 2, Hoofdstuk II, paragraaf 1 van de c.a.o. Het
Scheidsgerecht zal het beroep mitsdien gegrond verklaren voorzover het betreft
de toepassing door verweerster van eerder genoemde bepaling maar is, met
verweerster, van oordeel dat artikel 16 paragraaf 2 lid 1 van de c.a.o. niet
toestaat eiseres voor het overige te ontvangen in haar beroep.

7. Het Scheidsgerecht ziet geen aanleiding partijen de kosten van het
Scheidsgerecht in rekening te brengen en acht het billijk, dat de door elk der
partijen in het geschil gemaakte proceskosten door haarzelf worden gedragen.

III BESLISSING

Het Scheidsgerecht ex artikel 16 van de c.a.o. voor het Bankbedrijf,
uitspraak doende als goede mannen naar billijkheid:

1. Verklaart het beroep gegrond, voorzover het betreft het verzoek uit
te spreken, dat verweerster heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in Deel
2, Hoofdstuk II, paragraaf 1 van de c.a.o. voor het Bankbedrijf voor de
periode 1 april 1990 tot 1 april 1991;

2. Verklaart eiseres voor het overige niet ontvankelijk in haar beroep;

3. Brengt aan partijen in het geschil de kosten van het Scheidsgerecht
niet in rekening;

4. Bepaalt, dat de door elk der partijen in het geschil gemaakte
proceskosten door haarzelf worden gedragen.

Rechters

Mr A.G. van Galen, voorzitter en Mr F.A.R. van Dijk, Mr J.H.Elderenbosch, Mr Lukowski en Mr R. Verburg als leden. Mr H. Hooiweg,secretaris

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 4 september 1991

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


Adoptie door ex-echtgenoten. Ex-echtpaar voldoet met uitzondering van het
gehuwd zijn aan de voorwaarden voor adoptie. Rechter oordeelt dat, gelet
op de omstandigheden van het geval, onder “echtpaar” in artikel 1:227 BW
hier mede moet worden begrepen gewezen echtgenoten. Voorts geeft artikel
8 EVRM een zelfstandige grond.

Volledige tekst

Beschikking inzake X en Y, te A resp. B, appellanten, proc. mr. J.D.S.L.
Bosch, adv. mr. S.R. Heeg te Groningen.

De motivering 1. Voor zover in dit geding van belang moet van de volgende
feiten worden uitgegaan: 1.1. appellanten zijn met elkaar gehuwd op 11
aug. l976 in de gemeente ( …); 1.2. op 6 sept. 1980 is het thans nog
minderjarige kind, genaamd Max, geboren op 8 mei 1980 te ( …)
(Indonesie), in het gezin van appellanten opgenomen met het oogmerk dit
kind te adopteren; 1.3. bij beschikking d.d. 3 maart 1981 heeft de
kantonrechter te Groningen voorzien in de voogdij over de minderjarige en
wel door benoeming van appellant X tot voogd en van appellante Y tot
toeziend voogdes; 1.4. het huwelijk tussen appellanten is door
inschrijving van een echtscheidingsvonnis ontbonden op 27 mei 1982; 1.5.
de minderjarige is sedert zijn komst in Nederland feitelijk verzorgd door
appellanten tezamen dan wel door appellant X alleen; 1.6. bij beschikking
van de Rechtbank te Groningen d.d. 19 sept. 1984 zijn appellanten
niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot adoptie van Max; tegen deze
beschikking heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad beroep in
cassatie in het belang der wet ingesteld, de Hoge Raad heeft bij zijn
beschikking d.d. 22 juli 1986 (NJ 1987, 316, m.nt. EAA en EAAL, red.) dit
beroep verworpen op gronden als daarin nader omschreven; op 22 febr. 1990
hebben appellanten wederom een verzoekschrift strekkende tot adoptie bij
voormelde rechtbank ingediend; bij beschikking van 17 april 1990 zijn
appellanten in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard. 2. Appellanten
stellen zich op het standpunt dat de omstandigheden sedert de hiervoor
genoemde beslissing van 17 april 1990 zijn gewijzigd en wel in die zin dat
het Gerechtshof te Arnhem op 24 juli 1990 (FJR 19915, p. 104 (E. Florijn);
red.) een arrest heeft gewezen waarbij in dat geval – kort samengevat –
een eenouderadoptie na echtscheiding is uitgesproken. Het hof is van
oordeel dat enerzijds de maatschappelijke opvattingen terzake en de
desbetreffende jurisprudentie aan verandering onderhevig lijken te zijn
en anderzijds de feitelijke situatie van Max steeds meer om een oplossing
als verzocht vraagt. Daarom kan van wijzigingen in de omstandigheden
worden gesproken en dienen appellanten in hun oorspronkelijke verzoek te
worden ontvangen. 3. Appellanten zijn meer dan vijf jaren gehuwd geweest
en zij hebben gezamenlijk de minderjarige meer dan een jaar verzorgd.
Appellanten wensten ten tijde van hun huwelijk de minderjarige te
adopteren, doch dit voornemen hebben zij niet meer voor het einde van hun
huwelijk kunnen realiseren. Appellanten wensen thans ondanks de ontbinding
van hun huwelijk de minderjarige alsnog te adopteren. 4. De minderjarige
is gedurende bijna elf jaar opgegroeid in Nederland en is aldus deel gaan
uitmaken van de Nederlandse samenleving. De opvattingen en omstandigheden
in Nederland zullen daardoor voor de minderjarige maatgevend zijn. Van een
mogelijke terugkeer naar het land van herkomst kan om verschillende
redenen geen sprake zijn. Allereerst is de band met zijn moeder verbroken
blijkens haar verklaring van overdracht van het kind d.d. 19 mei 1980,
zodat de feitelijke opvang aldaar van de minderjarige niet gewaarborgd is.
Voorts moet ervan worden uitgegaan dat aldaar voor de minderjarige
aanzienlijke aanpassingsproblemen zullen ontstaan. 5. Het vorenstaande
leidt ertoe dat het in het belang van de minderjarige moet worden geacht
dat deze in Nederland verder zal opgroeien. Er is voorts geen reden om aan
te nemen dat de minderjarige er mee gebaat zou zijn, indien plaatsing in
een ander Nederlands gezin zou kunnen worden gerealiseerd. Deze feiten en
omstandigheden nopen tot de conclusie dat het in het belang van de
minderjarige is dat de feitelijke opvoedings- en verzorgingssituatie wordt
gehandhaafd en de bestaande band met de pleegouders wordt bestendigd. 6.
De feitelijke situatie van de betreffende minderjarige onderscheidt zich
niet van die waarin een minderjarige geboren uit een huwelijk of
geadopteerd tijdens het huwelijk zich na ontbinding van dat huwelijk
bevindt. 7. Uit het vorenstaande blijkt reeds dat het niet toestaan van
de gevraagde adoptie tot een onoplosbaar dilemma zou leiden. De feitelijke
situatie van de minderjarige is immers onomkeerbaar. 8. De wetgever heeft
kennelijk met het bepaalde in de art. 1:227 en 228 BW beoogd, het belang
van het adoptiefkind te dienen door een aantal voorwaarden te stellen. 9.
Appellanten hebben zich gezamenlijk tot de rechter gewend om tot adoptie
te geraken. Zij willen de bestaande contacten met de minderjarige
handhaven en wensen zich niet te onttrekken aan hun verantwoordelijkheid
voor het opvoeden en verzorgen van de minderjarige. Onder deze
omstandigheden en gelet op de strekking van de betreffende wettelijke
bepalingen moeten onder “echtpaar” in de zin van art. 1:227 BW mede worden
begrepen gewezen echtgenoten. Appellanten zijn derhalve ontvankelijk in
hun verzoek. 10. Een zelfstandig dragende grond voor deze beslissing is
daarin gelegen dat het belang van het kind en van de pleegouders in
verband met hun recht op gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM tot
ontvankelijkheid van het adoptieverzoek moet leiden, indien de pleegouders
ook na de echtscheiding volledig de verantwoordelijkheid van het
(adoptief)ouderschap op zich willen nemen en de voorwaarden voor adoptie
– voor het overige – tijdens hun huwelijk zijn vervuld. 11. Door een –
eventueel – op die grond(en) uit te spreken adoptie zal het kind de
achternaam van de adoptievader verkrijgen en zal een beslissing moeten
worden gegeven omtrent de ouderlijke macht dan wel de voogdij over de
minderjarige. 12. Alvorens echter inhoudelijk te beslissen omtrent de
verzochte adoptie zal de Raad voor de Kinderbescherming te Groningen
worden opgedragen een desbetreffend onderzoek te verrichten en daaromtrent
binnen tien weken na heden te rapporteren. 13. Voormelde raad voor de
kinderbescherming zal tevens worden opgedragen te onderzoeken of – in het
geval de verzochte adoptie wordt uitgesproken – appellanten met de
ouderlijke macht kunnen worden belast dan wel in de voogdij over de
minderjarige moet worden voorzien. 14. De beschikking waarvan beroep zal
worden vernietigd. Het hof zal als na te melden opnieuw recht doen.

Rechters

Mrs. Falkena, Koning, Van Eck