Instantie: Raad van Beroep Zwolle, 2 september 1991

Instantie

Raad van Beroep Zwolle

Samenvatting


Aan klaagster kan niet worden verweten dat zij pas in juli 1988 een
WWV-uitkering heeft aangevraagd. Aangezien per 23 december 1984 de
uitsluitingsgrond voor gehuwde vrouwen niet aanvaardbaar meer werd geacht,
heeft zij vanaf die datum recht op een WWV- uitkering en dus ook op 31
december 1986. Gelet op het overgangsrecht heeft zij per 1 januari 1987 recht
op een WW- uitkering.

Volledige tekst

Klaagster, op 1 januari 1987 ouder dan 60 jaar, heeft op 11 juli 1988
een WWV-uitkering aangevraagd. De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld
dat zij op grond van het overgangsrecht WW per 1 januari 1987 recht heeft op
een WW-uitkering. De bedrijfsvereniging heeft de aanvraag afgewezen, aangezien
klaagster op 31 december 1986 geen recht had op een WWV-uitkering en dus op
grond van art. 8 IWS jo art. 12 Besluit Overgangsregels Werkloosheidswetten
geen aanspraak kon maken op een WW-uitkering.

De Voorzitter verklaart het beroep bij beschikking gegrond. Het verzet
tegen de uitspraak is ingetrokken. De staatssecretaris heeft bij brief van 26
september 1991, PS 1991, 643, laten weten dat vrouwen van 60 jaar en ouder aan
wie alsnog een WWV- uitkering wordt toegekend, op grond van het overgangsrecht
per 1 januari 1987 in aanmerking komen voor een WW-uitkering.

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder d.d. 21 mei 1990.

2. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen.

Klaagster, geboren op …., is laatstelijk voor het intreden van haar in
dit geding aan de orde zijnde werkloosheid werkzaam geweest als administratief
medewerkster bij de gemeente Holten. Uit die dienstbetrekking is zij op 20
oktober 1978 werkloos geworden. Deswege heeft zij uitkering ontvangen
ingevolge de Werkloosheidswet tot 20 april 1979. Klaagster heeft vervolgens
geen aanvraag gedaan voor een aansluitende uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, daar zij van mening was dat zij voor een zodanige
uitkering niet in aanmerking kon komen, aangezien zij op dat moment een
gehuwde vrouw was en geen kostwinster.

Naar aanleiding van berichtgeving in de media over de gewijzigde
opvattingen omtrent de rechten van gehuwde vrouwen in het kader van de WWV
heeft klaagster op 11 juli 1988 alsnog een verzoek tot de gemeente Deventer
gericht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WWV.

Naar het oordeel van de gemeente Deventer bestond het recht op uitkering
ingevolge de WWV voor klaagster sedert het bereiken van de maximale
uitkeringsduur op 21 april 1979 en heeft zij dit recht – op naar het oordeel
van genoemde gemeente niet verwijtbare gronden – eerst op 11 juli 1988 geldend
gemaakt.

Genoemde gemeente heeft aan klaagster uitkering ingevolge de WWV
toegekend met ingang van 11 juli 1988; voorts heeft de gemeente zich op het
standpunt gesteld dat klaagster in aanmerking komt voor een uitkering
ingevolge de nieuwe Werkloosheidswet (WW), aangezien zij op 31 december 1986
recht had op uitkering ingevolge de WWV en op 1 januari 1987 60 jaar oud was.

De gemeentelijke sociale dienst heeft zich met dit standpunt gewend tot
verweerder met het verzoek aan klaagster met ingang van 11 juli 1988 een
uitkering ingevolge de WW toe te kennen.

Bij beslissing d.d. 8 mei 1990 heeft verweerders kleine commissie zich
accoord verklaard met het navolgende advies: “geen uitkering verlenen
krachtens de ww, aangezien verzekerde terzake van werkloosheid welke is
aangevangen in oktober 1978 reeds over de maximale uitkeringtermijn uitkering
heeft ontvangen; tevens kan verzekerde aan het overgangsrecht geen
uitkeringsrechten ontlenen, omdat zij voor 1.1.1978 werkloos is geworden.”

Bij de thans bestreden beslissing is overwogen: “Terzake van
werkloosheid, die zoals in uw geval is ontstaan voor 1 januari 1987, bepaalt
art. 8 van de Invoeringswet Stelselherziening Sociale Zekerheid, dat geen
recht op uitkering op grond van (N)WW kan ontstaan, behoudens de in dit
artikel genoemde uitzonderingen en het bepaalde in art. 12 BOWS. (Besluit
Overgangsregels Werkloosheidswetten Stelselherziening Sociale Zekerheid).

Daar u tentijde van het intreden van uw werkloosheid jonger dan 57,5
jaar was, zou u alleen aan het bepaalde in art 12 BOWS eventueel aanspraken
kunnen ontlenen. In art. 12 BOWS is evenwel tevens als voorwaarde gesteld, dat
de betrokken persoon op 31 december 1986 recht heeft op uitkering op grond van
de WWV.

Aangezien u aan deze voorwaarde niet voldoet, kunt u aan art. 12 van de
IWS evenmin recht op uitkering aan de (N)WW ontlenen.”

Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld, aanvoerende dat
zij van mening is dat het overgangsrecht nu juist bestemd is voor diegenen die
voor 1 januari 1987 werkloos zijn geworden en voorts dat zij van mening is dat
zij op 31 december 1986 recht had op uitkering ingevolge de WWV, welk recht
zij op 11 juli 1988 heeft geldend gemaakt. Onder werwijzing naar het bepaalde
in art. 12 BOWS jo.art. 9 van de Invoeringswet stelt klaagster te menen recht
te hebben op uitkering ingevolge de (n) WW. Bij aanvullend klaagschrift zijn
de gronden nog nader onderbouwd.

Verweerder heeft op 11 januari 1991 van contra-memorie doen dienen.
Namens klaagster is hierop op 26 juli 1991 nog gereageerd.

3. Motivering

In dit geding is tussen partijen in geschil en derhalve moet worden
beslist over de vraag of klaagster aanspraak kan maken op een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet, zoals deze luidt sedert 1 januari 1987.

Allereerst moet worden vastgesteld of klaagster op 31 december 1986
recht had op uitkering ingevolge de WWV. Op grond van de volgende overwegingen
wordt deze vraag bevestigend beantwoord.

Blijkens vaste rechtspraak inzake de WWV staat het een werkloze
werknemer vrij een aanvraag om uitkering ingevolge de WWV in te dienen op een
hem convenierend tijdstip, dat niet hoeft samen te vallen met het tijdstip van
het intreden van de werkloosheid; dit in tegenstelling tot de desbetreffende
regeling in de Werkloosheidswet. Evenmin behoeft het tijdstip van aanvraag
samen te vallen met het ontstaan van het recht op WWV (zie bijvoorbeeld CRvB
19 mei 1988, jursv 1989, 499). Vervolgens dient een onderscheid te worden
gemaakt tussen de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op uitkering en
het bestaan van uitsluitingsgronden die het ontstaan van het recht verhinderen
(zie bijvoorbeeld CRvB 24 juli 1990, RSV 1990, 350). Doet zich ten tijde van
het ontstaan van het recht op uitkering tevens een uitsluitingsgrond voor dan
zal deze laatste omstandigheid verhinderen dat het recht op dat moment
ontstaat. De situatie van klaagster dient als volgt te worden gezien: ten
tijde van het einde van klaagsters recht op uitkering ingevolge de (O)WW zou
voor klaagster (vermoedelijk) een recht op uitkering ingevolge de WWV zijn
ontstaat, ware het niet dat zich op dat moment (20 april 1979) tevens een
uitsluitingsgrond voordeed – klaagster was immers gehuwd en geen kostwinner.

Aangenomen moet worden dat deze uitsluitingsgrond heeft voortbestaan tot
24 december 1984, de datum met ingang waarvan op grond van het internationale
recht het bestaan van genoemde uitsluitingsgrond niet meer aanvaardbaar werd
geacht. Zou klaagster op of na 24 december 1984 uitkering ingevolge de WWV
hebben aangevraagd, dan zou haar die – mits zij aan de overige voorwaarden
voor uitkering voldeed – zijn toegekend. Er kan klaagster echter geen verwijt
worden gemaakt dat zij pas in juli 1988 tot het aanvragen van uitkering is
overgegaan. Derhalve moet worden geconcludeerd dat klaagster weliswaar sedert
24 december 1984 recht had op uitkering ingevolge de WWV, doch dat zij dit
recht pas op 11 juli 1988 heeft geldend gemaakt. Ook op 31 december 1986 had
klaagster dan ook recht op uitkering ingevolge de WWV.

Hieruit vloeit voort dat klaagster op grond van het overgangsrecht en
wel in het bijzonder het bepaalde in art. 12 BOWS – in afwijking van de
hoofdregel dat er een doorgaand recht op WWV zou zijn – gelet op haar leeftijd
(op 1 januari 1987 was zij ouder dan 60 jaar) in aanmerking dient te worden
gebracht voor uitkering ingevolge de WW.

Gelet op het vorenstaande kan de bestreden beslissing niet in stand
blijven. Beslist moet dan ook worden als volgt.

4. Beslissing

De voorzitter van de Raad van Beroep te Zwolle,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden beslissing;

verstaat dat verweerder een nadere beslissing dient te nemen met
inachtneming van deze beschikking;

bepaalt dat verweerder aan klaagster het door haar gestorte recht van ƒ
25,- vergoedt.

Rechters

Mevrouw mr M.A. Pach, voorzitter

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 30 augustus 1991

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Mannelijke werknemers kunnen op hun 23-ste jaar tot de pensioenregeling
toetreden en ongehuwde vrouwelijke werknemers op hun 27-ste jaar. Gehuwde
vrouwen zijn van deelneming uitgesloten. Vanaf 1 mei 1987 is verzoekster
toegetreden tot het pensioenfonds en per 1 september 1989 is zij eruit gegooid
omdat zij in het huwelijk was getreden. Per 1 januari 1991 is de
pensioenregeling gewijzigd en is de toetredingsleeftijd voor vrouwelijke en
mannelijke werknemers bepaald op 25 jaar.

Verzoekster wil de pensioenschade die zij heeft opgelopen ongedaan laten
maken door haar werkgever. (Zie ook RN 1991, nr. 185: oordeel van de CGB).

Volledige tekst


Maar door de politieke bemoeienissen met de werking van art. 119
EEG-verdrag en met name als gevolg van de codificatie van voorkeursbehandeling
van vrouwen, komen een aantal van de thans aanhangige zaken in een ander en
mijns inziens realistischer perspectief te staan. In de uit Duitsland
afkomstige Moroni-zaak speelt de kwestie van voorkeursbehandeling een rol.
Moroni is een ‘slaper’, iemand die de werkgever waarbij hij de
pensioenaanspraken opbouwde, heeft verlaten. Moroni heeft uitzicht op een
pensioen ‘bij beeindiging van zijn 65-ste levensjaar’ (aldus de letterlijke
officiele vertaling; JD) en terwijl vrouwen daar bij beeindiging van hun
60-ste levensjaar recht op hebben. Het Duitse recht biedt een mannelijke
werknemer onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om vervroegd – met 60 –
met pensioen te gaan, maar in dat geval wordt wel een actuariele korting
toegepast. Deze korting bestaat uit een vaste actuariele korting en een
pro-rata korting voor de jaren die men niet in dienst is geweest bij het
bedrijf tot het 65-ste levensjaar. Een vrouwelijke werknemer krijgt een
dergelijke korting niet. Zowel het Duitse Bundessozialgericht als het
Bundesverfassungsgericht hebben deze gang van zaken gewogen en in orde
bevonden, met een beroep op voorkeursbehandeling (Bundessozialgericht 9
september 1981, Betriebsberater 1983, 64; Bundesverfassungsgericht 28 januari
1987, BVerfGER, Vol 74, p. 163-182). Deze rechters oordeelden dat het verschil
in behandeling van mannen en vrouwen gerechtvaardigd was ter compensatie van
de discriminatie die vrouwen wordt en werd aangedaan op de arbeidsmarkt,
alsmede als compensatie voor de dubbele belasting van huishoudelijk werk in
combinatie met een baan. Vooral dit onderdeel van de Moroni-zaak, dat tot nu
toe nooit zo expliciet werd voorgelegd aan het EG-Hof, is interessant geworden
na ‘Maastricht’. Het kan ertoe leiden dat de jurisprudentie van het EG-Hof
rekening zal gaan houden met het feit dat toepassing van art. 119 als
sekse-neutraal beginsel in Europese landen die zonder uitzondering een rijke
traditie van loondiscriminatie van vrouwen hebben, ertoe leidt dat de
voorsprong die mannen al hadden op vrouwen alleen maar groter wordt. Door
voorkeursbehandeling als remedie in te zetten, kan het historische perspectief
van vrouwendiscriminatie tot zijn recht komen. Hetzelfde geldt voor de in de
Ten Oever-zaak aangesneden kwestie van weduwnaarspensioenen. Het toekennen van
weduwenpensioen geschiedde immers vanuit de sociale doelstelling om de
achterstand in economische zelfstandigheid van gehuwde vrouwen te compenseren,
in geval van overlijden van hun kostwinner.

Met een dergelijke opvatting van het gelijkheidsbeginsel, een die niet
voorbijgaat aan de sociale werkelijkheid van discriminatie, zou ook het
oordeel van de Commissie gelijke behandeling in de zaak van mevrouw te R.
anders zijn uitgevallen (CGB 24 mei 1991, oordeel 337-91-30, dossier 90-337).
Naar mijn mening was niet zozeer het niet bieden van een keuzemogelijkheid aan
mannen in 1983 discriminerend, maar het naderhand instellen van het VUT-
regeling die een groot deel van het vrouwelijk werknemersbestand uitsloot.
Soortgelijke conclusie geldt ook voor de zaak van de Philips-medewerksters.
Het oordeel van de President van de Rechtbank Den Bosch wil ik op deze plaats
niet verder bespreken. Het geeft een goede en uitgebreide samenvatting van de
feiten, maar duidelijk is dat deze kort-geding rechter zich niet zeer in de
juridische merites van de zaak wenste te verdiepen. Sympathie voor die arme
vrouwen had hij wel, getuige bijvoorbeeld zijn opmerking dat het ‘(…) zonder
meer duidelijk [is, JD] dat men iemand die 59 jaar is en verwacht het volgend
jaar met pensioen te gaan niet zonder meer die verwachting kan ontnemen door
de pensioengerechtigde leeftijd naar 65 jaar op te schuiven. Het is de vraag
of de eisen van redelijkheid en billijkheid niet meebrengen dat (…) de
werkgever (…) overgangsmaatregelen of individuele oplossingen voorstelt’.
Het nieuwe lid 3 van art. 119 EEG-verdrag biedt een sterke basis om precies
dat te doen. De bodemprocedure in de Philips-zaak is inmiddels aanhangig
gemaakt. Hoe het EG-Hof tenslotte na de ratificatie van de Maastrichtse
protocollen te werk zal gaan, is nog maar de vraag. Het betreft hier immers
een onversneden geval van ‘leveling down’, binnen het Verdrag zelve en als
rechtstreeks uitvloeisel van de jurisprudentie van het Hof zelve. In ieder
geval is duidelijk dat de ingreep van de Europese regeringsleiders niet zal
leiden tot minder procedures. De regeringsleiders hebben van de werkingssfeer
van art. 119 een machtsstrijd gemaakt, die voorlopig onbeslist is.

Janny Dierx

Rechters

onbekend

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 15 augustus 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Aan gedaagde is terzake van haar sinds 1973 bestaande volledige
arbeidsongeschiktheid een uitkering ingevolge de AAW naar rato van 80 tot 100
procent arbeidsongeschiktheid toegekend met ingang van 24 april 1988, een jaar
voor de melding van de arbeidsongeschiktheid. De beslissing van de Detam dat
in casu geen sprake is van een bijzonder geval, heeft de Raad van Beroep
vernietigd. In hoger beroep is de Detam op haar standpunt teruggekomen en
heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad over de
ingangsdatum van de AWW-uitkering voor weduwnaren van 30 januari 1991 (RN
1991, 161) besloten dat ook in het geval van arbeidsongeschikte gehuwde
vrouwen die na de uitspraak van de Centrale Raad van 5 januari 1988 (RN 1988,
2) alsnog een AAW-uitkering hebben aangevraagd, sprake is van een bijzonder
geval. De Centrale Raad heeft in hoger beroep de uitspraak bevestigd en
geoordeeld dat er sprake is van een bijzonder geval. Over de terzake door de
Detam ontwikkelde beleidslijnen heeft de Centrale Raad geen oordeel gegeven.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser is in hoger beroep gekomen van een door de Raad van Beroep te
Arnhem onder dagtekening 13 september 1990 tussen partijen gegeven uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.

In een aanvullend beroepschrift zijn de gronden uiteengezet waarop het
hoger beroep berust.

Eiser heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is -gevoegd met twee andere gedingen die bij de Raad zijn
geregistreerd onder de nummers AAW 1990/198 en 287, en waarin dezelfde
problematiek aan de orde is- behandeld ter terechtzitting van de Raad,
gehouden op 4 juli 1991. Aldaar heeft eiser zich doen vertegenwoordigen door
Mr. H.J. Dijckmeester en Mr. L.E. Mollerus, beiden werkzaam bij eisers
bedrijfsvereniging. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door haar
raadsman Mr. A.C. Cornelissen, advocaat te Apeldoorn.

II. Motivering

Gedaagde, geboren op 22 juni 1948, heeft door middel van een formulier
dat is gedateerd 24 april 1989 eiser in kennis gesteld van haar sedert 1973
bestaande volledige arbeidsongeschiktheid. De directe aanleiding voor gedaagde
tot het doen van deze melding waren de uitspraken van deze Raad van 5 januari
1988, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1988/198, 199 en 200,
waarbij de Raad heeft geoordeeld dat voor de aldaar aan de orde zijnde
aanspraken uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aan
artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
Rechten (hierna: IVBPR) vanaf 1 januari 1980 rechtstreekse werking niet langer
kan worden ontzegd.

Bij de bestreden beslissing van 7 februari 1990 heeft eiser aan gedaagde
een uitkering ingevolge de AAW toegekend, berekend naar een mate van
arbeisongeschiktheid van 80 tot 100%. De ingangsdatum van die uitkering is in
die beslissing vastgesteld op 24 april 1988 (de dag die is gelegen een jaar
voor de melding van 24 april 1989).

Eiser heeft aldus geweigerd gebruik te maken van de hem krachtens de
tweede volzin van het tweede lid van artikel 25 van de AAW gegeven bevoegdheid
voor bijzondere gevallen de uitkering op een vroeger tijdstip te doen ingaan
dan een jaar voor de datum van indiening van de aanvraag.

Deze weigering berustte op het standpunt dat er in casu geen sprake is
van een bijzonder geval.

De eerste rechter heeft dat standpunt verworpen, de bestreden beslissing
vernietigd en eiser opgedragen een nadere beslissing te nemen.

Na het indienen van het aanvullend beroepschrift is eiser evenwel van
zijn standpunt teruggekomen. Eiser heeft daaromtrent de volgende toelichting
gegeven:

‘Inmiddels heeft de Centrale Raad van Beroep zich in zijn uitspraken van
30 januari 1991 uitgesproken over het beleid van de Sociale Verzekeringsbank
ten aanzien van art. 25 lid 5 AWW, betreffende de pensioentoekenning aan
weduwnaars met terugwerkende kracht. In de aan de orde zijnde gevallen is de
CRvB van oordeel dat wel sprake is van een bijzonder geval, waarbij het de SVB
vrij staat om, gelet op de discretionaire aard van de bevoegdheid langere
terugwerkende kracht te verlenen, voor de betreffende groep weduwnaars een
beleid te ontwikkelen aangaande de (wijze van) hantering van die bevoegdheid.
De CRvB heeft daaromtrent opgemerkt zich te kunnen verenigen met een beleid,
inhoudende dat slechts een eerdere (dan 1 jaar voor de aanvraagdatum)
ingangsdatum van de uitkering vastgesteld wordt, indien er anders sprake zou
zijn van een bijzondere hardheid jegens de uitkeringsgerechtigde.

Naar ons oordeel hebben de betreffende uitspraken van de CRvB ook
consequenties voor onze beleidsuitgangspunten aangaande de toepassing van art.
25 lid 2 AAW voor de categorie gehuwde vrouwen, arbeidsongeschikt geworden
voor 1 januari 1979. Gelet op de overeenkomsten tussen de positie van bedoelde
weduwnaars en gehuwde vrouwen dient naar ons oordeel alsnog te worden
aangenomen dat in onze zaken sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in
art. 25 lid 2 AAW.

Dit laatste betekent echter niet dat de betreffende verzekerden zonder
meer in aanmerking zullen worden gebracht voor een AAW- uitkering met een
langere terugwerkende kracht. Wij zijn daarom thans bezig een beleid te
ontwikkelen aan de hand waarvan per geval -rekening houdende met bijzondere
omstandigheden- kan worden beoordeeld of sprake is van bijzondere hardheid
jegens de uitkeringsgerechtigde. Alleen indien een zodanige hardheid bestaat
zal er aanleiding bestaan tot een langere terugwerkende kracht te beslissen.’

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop de regeling van art. 25, tweede lid voor gevallen
als het onderhavige op zichzelf niet in strijd te achten met het IVBPR, en met
name niet met art. 2 van dit verdrag, reeds omdat art. 25, tweede lid het
honoreren van aanspraken als thans in geding, ook met een verdergaande
terugwerkende kracht dan een jaar, op zichzelf niet onmogelijk maakt.

Eiser heeft in casu terecht tot uitgangspunt genomen dat 24 april 1989
de dag is waarop de aanvraag om uitkering ingevolge de AAW is ingediend en dat
ingevolge de eerste volzin van het tweede lid van art. 25 van de AAW de
uitkering in beginsel niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor 24 april
1989.

De Raad stelt vervolgens vast dat tussen partijen thans niet meer in
geschil is dat er in casu sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de
tweede volzin van art. 25, tweede lid. De Raad vindt geen grond om anders te
oordelen en gaat er dan ook van uit dat voor eiser de bevoegdheid aanwezig was
om de uitkering voor 24 april 1989 te doen ingaan.

Ten aanzien van de gebruikmaking van die discretionaire bevoegdheid
heeft eiser recentelijk algemene beleidslijnen vastgesteld, welke de
gemachtigden van eiser ter terechtzitting van de Raad hebben geschetst. Eiser
is voornemens aan de hand van deze beleidslijnen tot een herbeoordeling van
onder meer het onderhavige geval te komen.

Gelet op dit voornemen komt het de Raad aangewezen voor de aangevallen
uitspraak, waarin de bestreden beslissing is vernietigd en opdracht voor een
nadere beslissing is gegeven, in stand te laten, zij het met enige wijziging
van gronden. Voor het reeds thans geven van een oordeel over de
aanvaardbaarheid van de geschetste beleidslijnen, als door eiser gevraagd,
ziet de Raad geen aanleiding, reeds omdat het geven van een oordeel over
beleidslijnen in abstracto, zonder aan de rechter in een gerechtelijke
procedure voorgelegde beslissingen die daarop worden geent, niet tot ’s Raads
taak behoort.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 80a, tweede lid, van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat van eiser
een recht van ƒ 200,– dient te worden geheven.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verstaat dat van eiser een recht van ƒ 200,– zal worden geheven.

Rechters

Mrs S.V. Hoogendijk-Deutsch, voorzitter, mrs N.J. Haverkamp en G.A.J.van den Hurk, leden

Instantie: Kantonrechter Hilversum, 15 augustus 1991

Instantie

Kantonrechter Hilversum

Samenvatting


De kantonrechter volgt in deze niet het oordeel van de CGB (5 maart
1990, RN 1990, 110). Wel onderschrijft zij dat de overwerktoeslag
deeltijdwerkers benadeelt. Maar de groep deeltijdwerkers bestaat in casu niet.
Volgens de berekening van de kantonrechter, grotendeels uit vrouwen. Geen
strijd met art. 1637ij BW.

Volledige tekst

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

Overwegende, dat in het op 8 januari 1991 ter griffie binnengekomen
verzoekschrift (met bijlagen) eiseres heeft gesteld en verzocht als daarin
vermeld.

Overwegende, dat bij conclusie van antwoord (met produkties) gedaagde
daartegen verweer heeft gevoerd en tot afwijzing heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat bij repliek en dupliek partijen hun standpunten nader
hebben toegelicht en gehandhaafd.

Overwegende, dat tenslotte vonnis is bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende, dat tussen eiseres -verder te noemen J.t.H.- en gedaagde
-verder te noemen PTT Telecom- als onbetwist het navolgende ten processe
vaststaat:

dat J.t.H. van 1 mei 1984 tot 1 januari 1989 werkzaam is geweest bij het
Staatsbedrijf der PTT en per laatstgenoemde datum in loondienst is getreden
bij PTT Telecom op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

dat de functie van J.t.H. is medewerkster klantenservice, zij in
deeltijd werkt nl. 88,5 uur per maand, haar werktijden zijn van 09.00 uur tot
13.00 uur of van 13.00 uur tot 17.00 uur en haar salaris ƒ 1.695,66 bruto per
maand bedraagt;

dat tot 1 januari 1989 de PTT een staatsbedrijf was en vanaf die datum
is geprivatiseerd en alle werknemers vanaf 1 januari 1989 werkzaam zijn op
basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;

dat met de werknemersorganisaties met ingang van 1 januari 1989 een CAO
is overeengekomen met een looptijd van twee jaar;

dat de geldende CAO een overwerkregeling kent, die is neergelegd in
artikel 73 van de CAO en uit lid 1 van dat artikel blijkt, dat overschrijding
van de individuele werktijd als overwerk wordt aangemerkt;

dat voorts uit artikel 73 voornoemd blijkt, dat een

voltijd-werkende een toeslag voor overwerk ontvangt bovenop het uurloon,
alsmede een restitutie in tijd, doch een

deeltijd-werkende ingevolge het bepaalde in artikel 73 lid 10 voor deze
toeslag en restitutie eerst in aanmerking komt, wanneer hij/zij meer dan 40
uur per week werkt, danwel op bijzondere uren;

dat de Commissie Gelijke Behandeling als bedoeld in artikel 13 Wet
Gelijke Behandeling Mannen en Vrouwen op 5 maart 1990 met betrekking tot
voormelde overwerktoeslagregeling als haar oordeel kenbaar heeft gemaakt, dat
PTT Nederland B.V. (het moederbedrijf van PTT Telecom) op grond van de
geldende CAO indirect onderscheid maakt ten aanzien van vrouwelijke werknemers
in haar bedrijf en daarmee in strijd handelt met artikel 1637ij van het
Burgerlijk Wetboek.

Overwegende, dat J.t.H. thans stelt, dat zij het oordeel van de
Commissie geheel onderschrijft nu bij de PTT veel meer vrouwen dan mannen in
deeltijd werken en nu zij geen toeslag voor overuren krijgt uitbetaald,
voorzover inclusief de overuren niet meer dan 40 uur per week wordt gewerkt,
dit tevens in strijd is met artikel 119 van het EEG-verdrag, welk artikel het
beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor
gelijke arbeid verplicht en nu de uitzonderingsbepaling van art. 73 lid 10 van
de CAO betreffende de deeltijd-werkenden indirect discriminatie oplevert,
genoemde bepaling buiten toepassing dient te blijven dat derhalve alle
overuren gehonoreerd moeten worden met een toeslag van 50%, op grond waarvan
zij van PTT Telecom betaling vordert aan achterstallig loon van ƒ 2.594,22
met een wettelijke verhoging ex artikel 1638q van het Burgerlijk Wetboek van
50% met rente en kosten rechtens.

Overwegende, dat PTT Telecom tegen deze vordering onder meer aanvoert,
dat zij het oordeel van de Commissie niet deelt, nu het hier niet gaat om een
vergelijking in rechtspositie van volletijd-werkers en deeltijd-werkers, maar
of een eventueel onderscheid tussen volle- en deeltijdwerkers leidt tot een
situatie waardoor in overwegende mate werknemers van een van beide geslachten
getroffen worden en uit de cijfers overduidelijk blijkt dat ten aanzien van de
groep, om wie het gaat, van genoemde ‘overwegende mate’ beslist niet gesproken
kan worden, nu de aantallen mannelijke en vrouwelijke deeltijdwerkers vrijwel
even groot zijn te weten 12.000 tegenover 15.000.

Overwegende, dat de Commissie ten aanzien van de overwerktoeslagregeling
– voorzover hier van belang – heeft overwogen:

‘dat voor het antwoord op de vraag (of de overwerktoeslag indirect
onderscheid oplevert naar geslacht in strijd met artikel 1637ij van het
Burgerlijk Wetboek) in de eerste plaats van belang is of de
overwerktoeslagregeling deeltijdwerkers benadeelt. Dat is het geval. Uit de in
artikel 73 lid 1 CAO opgenomen definitie van overwerk blijkt dat
overschrijding van de individuele werktijd als overwerk wordt beschouwd. Een
deeltijdwerkende met een werktijd van 20 uur per week verricht volgens deze
definitie overwerk bij het 21ste werkuur, een voltijdwerkende bij het 41ste
werkuur. Volgens de regeling van artikel 73 lid 6, 9 en 10 CAO ontvangt de
deeltijdwerkende evenwel voor overwerk dat het 21ste tot en met het 40ste
werkuur in de week uitmaakt, geen extra vergoeding, terwijl een voltijder
vanaf het eerste uur overwerk een vergoeding ontvangt’.

Aldus is sprake van nadeel voor deeltijdwerkenden…

‘Vervolgens dient aan de orde te komen of het geconstateerde nadeel voor
deeltijdwerkenden indirect onderscheid naar geslacht oplevert als bedoeld in
artikel 1637ij B.W. Dat is het geval, als het nadelig effect van de
overwerktoeslagregeling in overwegende mate personen van een bepaald geslacht
treft. Door in de overwerktoeslagregeling een onderscheid te maken aan de hand
van het criterium voltijd en deeltijd bestaat er op grond van het algemene
gegeven dat veel meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken het vermoeden dat
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

In het onderhavige geval is dit vermoeden niet weerlegd. Bij PTT werken
blijkens de hierboven vermelde gegevens circa 69 procent van de vrouwen in
deeltijd en circa 17 procent van de mannen. Als gevolg van deze gegevens
worden door de overwerktoeslagregeling potentieel meer vrouwen dan mannen
getroffen.

Duidelijk is, dat de Commissie bij dit oordeel meer gewicht hecht aan
relatieve dan aan absolute cijfers. Behalve dat een redelijke wetsuitleg van
de Wet Gelijke Behandeling dat met zich meebrengt, vindt zij daarvoor tevens
steun in het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1982, NJ 1983, 687, en in
het arrest van het Hof Den Bosch van 17 april 1984 NJ 1985, 202.

Overigens is ook naar absolute aantallen gemeten een aanmerkelijk
verschil aanwezig tussen de seksen: er werken volgens opgemelde gegevens 25
procent meer vrouwen dan mannen in deeltijd (respectievelijk ongeveer 12.000
mannen en 15.000 vrouwen)’…

Overwegende, hieromtrent, dat Wij – met J.t.H. – de overwegingen van de
Commissie en haar oordeel omtrent de vraag of de overwerktoeslagregeling
deeltijdwerkers benadeelt onderschrijven, doch Wij – met PTT Telecom – de
Commissie niet kunnen volgen in haar overwegingen en oordeel, dat de
arbeidstoeslagregeling in overwegende mate personen van een bepaald geslacht –
met name vrouwen – treft; dat het een algemeen gegeven is dat in Nederland
meer mannen aan het arbeidsproces deelnemen dan vrouwen en het zeer wel
mogelijk is – zoals de Commissie stelt – dat meer vrouwen dan mannen in
deeltijd werken, doch in het onderhavige geval nu juist de verhouding tussen
mannen en vrouwen die in deeltijd werken te weten 12.000 mannen tegen 15.000
vrouwen niet zodanig verschilt, dat gezegd kan worden dat in de
overwerktoeslagregeling waar het hier om gaat een direct of indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt en hiervoor ook geen steun is te
vinden in de door de Commissie aangehaalde jurisprudentie.

Overwegende, dat Wij dan ook de overwerktoeslagregeling niet in strijd
achten met artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of artikel 119 van het
EEG-verdrag, zodat J.t.H. haar vordering moet worden ontzegd met verwijzing in
de kosten van het geding.

RECHTDOENDE

Ontzeggen J.t.H. haar vordering.

Verwijzen J.t.H. in de kosten van het geding tot hiertoe aan de zijde
van PTT Telecom begroot op ƒ 500,00 als salaris voor haar gemachtigde.

Noot

Tot 1 januari 1989 was de PTT een staatsbedrijf. Vanaf die datum is zij
geprivatiseerd en zijn alle werknemers werkzaam op grond van
arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht. Met de vakorganisaties is een CAO
overeengekomen met een looptijd van twee jaar.

In de CAO is een overwerkregeling opgenomen op grond waarvan een
voltijdwerkende een toeslag voor overwerk bovenop het uurloon en een
restitutie in tijd ontvangt. Een

deeltijdwerkende kan echter pas in aanmerking komen voor de toeslag en
restitutie in tijd, wanneer hij/zij meer dan 40 uur per week werkt of op
andere uren dan op maandag tot en met vrijdag tussen 6.00 uur en 18.00 uur. De
Commissie gelijke behandeling oordeelde in een procedure die de Abva Kabo
aangespande, dat de overwerkregeling vrouwen indirect discrimineert (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, RN 1990, nr. 4, 110,
m.nt. van Y. Konijn).

Omdat bij de PTT relatief gezien meer vrouwen (ca. 69%) dan mannen (ca.
17 %) in deeltijd werkzaam zijn, levert genoemd onderscheid volgens de
Commissie een vermoeden van indirecte discriminatie op. De Commissie
overweegt, op grond van een redelijke wetsuitleg van de WGB en steun van de
Hoge Raad in een aantal arresten, dat relatieve cijfers meer gewicht in de
schaal leggen dan absolute cijfers. Overigens is volgens de Commissie op grond
van absolute cijfers eveneens sprake van een vermoeden van indirecte
discriminatie. Daarnaast maken deeltijdwerkenden niet alleen potentieel, maar
ook feitelijk een aanzienlijk aantal overwerkuren. Een objectieve

rechtvaardigingsgrond is niet aanwezig.

Met dit duidelijke oordeel van de Commissie in de hand stelt een
werkneemster een loonvordering in bij de kantonrechter te Amsterdam. Deze
maakt een aantal treurige fouten om vervolgens tot de conclusie te komen dat
er geen sprake is van

indirecte discriminatie. Bovendien laat hij/zij wel heel duidelijk zien,
geen kaas te hebben gegeten van de

problematiek rond gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

De eerste fout maakt de kantonrechter door het oordeel van de Commissie,
dat relatieve cijfers meer gewicht in de schaal leggen, volkomen ongemotiveerd
naast zich neer te leggen. Het enige wat hij/zij aangeeft is dat ‘ Wij – met
de PTT Telecom – de Commissie niet kunnen volgen in haar overwegingen en

oordeel, dat de arbeidstoeslagregeling in overwegende mate personen van
een bepaald geslacht -met name vrouwen- treft (..)’

De kantonrechter lijkt niet op de hoogte te zijn van een belangrijk
arrest van de Hoge Raad, waarin deze oordeelde dat slechts kan worden
afgeweken van een oordeel van de Commissie gelijke behandeling, wanneer
hiervoor deugdelijke motieven aangevoerd worden (HR 13 november 1987, RvdW
1987, nr. 212).

De tweede fout maakt de kantonrechter door het oordeel van de Commissie,
dat er zelfs op basis van absolute cijfers sprake is van een vermoeden van
indirecte discriminatie, te

weerspreken. De kantonrechter is van mening ‘dat de verhouding tussen
mannen en vrouwen die in deeltijd werken te weten 12.000 mannen tegen 15.000
vrouwen niet zodanig verschilt, dat gezegd kan worden dat in de
overwerktoeslagregeling waar het hier om gaat een direct of indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt (…)’.

Dit oordeel roept allereerst de vraag op, hoeveel meer vrouwen dan
mannen er dan nadeel moeten ondervinden van een regeling, wil er wel sprake
zijn van een vermoeden van indirecte

discriminatie? En wie bepaalt dit aantal? Elke rechter voor zich,
volkomen willekeurig en ongemotiveerd? Bovendien vergelijkt de kantonrechter
appels met peren, door het aantal mannen en het aantal vrouwen die in deeltijd
werkten, met elkaar te vergelijken. Het gebruik van absolute cijfers laat niet
duidelijk de positie van vrouwen zien binnen een bepaalde polulatie. Kijken we
bijvoorbeeld naar absolute cijfers binnen de PTT, dan zien we dat op 6
september 1989 bij de PTT 27.214 deeltijders werkten, 12.034 mannen en 15.180
vrouwen. Op dat moment werken er echter 57.155 mannen, maar slechts 6.953
vrouwen full-time.

Wanneer de kantonrechter de jurisprudentie en literatuur met betrekking
tot het thema ’tellen’ had bijgehouden, had hij/zij deze klassieke fout niet
hoeven maken (ADV-regeling in het onderwijs, President van de Rechtbank te Den
Haag, 21 februari 1986, KG 1987, 146 en Hof te ’s Gravenhage, 9 juli 1987, KG
1987, 335. Zie voor deze problematiek ook: J.R Dierx en J.J. Siegers,
‘Indirecte discriminatie van deeltijdwerkers,

strategisch bewijs en objectieve rechtvaardiging’, NJB 1990, p. 554-560;
C. Sjerps, ‘Tellen en tellen is twee’, SMA 1985, p. 362-373). Ook heeft de
Commissie in haar oordeel met betrekking tot de CAO-VUT levensmiddelen een
gedegen telmethode aangedragen. Allereerst wordt het aandeel van mannen en
vrouwen in de totale groep vastgesteld. Vervolgens wordt vastgesteld welk
aandeel van mannen en vrouwen is uitgesloten van de regeling (Commissie
gelijke behandeling, 18 oktober 1990, RN 1991, 148).

Voor zover hij/zij telt, telt de kantonrechter evenals de Commissie op
micro-niveau. Dit levert echter een vertekend beeld op van de
achterstandspositie van vrouwen op de

arbeidsmarkt.

Laten we als uitgangspunt de vele regelingen nemen, die voor deeltijders
nadeliger uitwerken dan voor voltijders. Neem bijvoorbeeld de urengrenzen in
de Wet op het

Ouderschapsverlof, pensioenregelingen, onkostenvergoedingsregelingen.
Mede door de verdeling van betaalde arbeid buitenshuis en onbetaalde
zorgtaken, werken in Nederland meer vrouwen dan mannen in deeltijd. Zo werkten
in 1989 van allen die in loondienst werkten, 8,72% mannen en 51,17% vrouwen in
deeltijd (Bron: I. de Veer, Bewerking Enquete beroepsbevolking 1989/CBS 1990,
Den Haag 1990). In de situatie dat de micro-gegevens een afspiegeling zijn van
de macro-gegevens, is er niets aan de hand. Zowel op micro-niveau als op
macro-niveau zal een regeling die onderscheid maakt tussen deeltijdwerkenden
en voltijdwerkenden een vermoeden van indirecte discriminatie opleveren.
Problemen doen zich echter voor wanneer de gegevens uit de arbeidsorganisatie
geen afspiegeling zijn van de macro-gegevens. Denk aan arbeidsorganisaties en
sectoren waar meer vrouwen dan mannen werken. Op micro-niveau zal een regeling
die nadelig is voor deeltijders minder vaak een vermoeden van indirecte

discriminatie opleveren omdat vrouwen zowel deel uitmaken van de
benadeelde als van de bevoordeelde groep.

Een soortgelijk probleem doet zich ook voor in

arbeidsorganisaties waar procentueel gezien evenveel vrouwen als mannen
in deeltijd en voltijd werken. Gelijke verdeling van mannen en vrouwen over
deeltijdbanen en voltijdbanen zegt echter niets over de arbeidsmarktpositie
van vrouwen. Want wat zeggen cijfers over de omvang van deeltijdbanen. Zo is
het bekend dat met name vrouwen de ‘kleine’ deeltijdbanen onder slechtere
voorwaarden bezetten en mannen de ‘grotere’ onder betere voorwaarden. In 1989
werkt 71,3% van het aantal werkende vrouwen minder dan 20 uur per week, ten
opzichte van 28,7% van alle werkende mannen. En wanneer in het ene jaar sprake
is van eenzelfde percentage mannen en vrouwen die in deeltijd werken, is dat
het volgende jaar dan weer het geval? Wanneer dit het geval is, zijn het
dezelfde mannen of zijn deze doorgestroomd naar voltijdse banen? En hoe zit
dat bij de in deeltijd werkende vrouwen?

Voor bovenstaand probleem is een aantal oplossingen te bedenken. Er zou
uitgegaan kunnen worden van de

macro-gegevens. De gegevens binnen een individueel bedrijf zouden via
een vaste maatstaf dat beeld kunnen corrigeren. Juridische steun voor deze
oplossing is te vinden bij het algemene doel van het wettelijke verbod op
onderscheid, nl. het verbeteren van de positie van de vrouw (C.H.S Evenhuis,
‘Referentiekaders: meer dan alleen een kwestie van rekenen, De zijkant van het
gelijk, Emancipatieraad cs W.E.J. Tjeenk Willink 1991, p. 39-45.). Ik ben van
mening dat naar deze vaste maatstaf niet gezocht hoeft te worden, zolang het
zo duidelijk is dat op macro-niveau veel meer vrouwen dan mannen in deeltijd
werken. Het lijkt mij een betere oplossing deeltijdarbeid op basis van de
huidige macro-gegevens aan te merken als een ‘bij voorbaat verdacht
criterium’, waarbij slechts nog getoetst hoeft te worden of er sprake is van
een objectieve rechtvaardigingsgrond (Y. Konijn, Nemesis 1987, p. 389).

De beste oplossing is echter het invoeren van een wettelijk verbod om
deeltijders anders te behandelen dan voltijders. Er zitten te veel haken en
ogen aan het concept van indirecte discriminatie.

De problemen rond het concept van indirecte discriminatie zijn namelijk
niet opgelost met de ’telproblemen’. Wanneer

uiteindelijk aangetoond wordt dat onderscheid op grond van een
sekse-neutraal criterium een vermoeden van indirecte

discriminatie oplevert, kan dit vermoeden weerlegd worden door
objectieve rechtvaardigingsgronden, die niets van doen hebben met
discrimininatie op grond van geslacht. De nationale rechter moet beoordelen of
de aangevoerde redenen aangemerkt kunnen worden als een rechtvaardiging voor
het gemaakte onderscheid. Het HvJ-EG droeg hier een aantal criteria voor aan
(Jenkins 96/80, Jur. 1981, 911 e.v; Bilka 170/84, Jur 1986, 1607 e.v.; Rinner
71/88, RN 1989, 5). Uit jurisprudentie blijkt dat de toets echter ruimte biedt
voor vrouw- onvriendelijke rechtvaardigingsgronden. De kantonrechter komt niet
toe aan de objectieve rechtvaardiging. Maar gezien het feit dat de
kantonrechter geen kaas heeft gegeten van gelijke behandeling, is het de vraag
hoe vrouw-vriendelijk zijn beoordeling van de objectieve
rechtvaardigingsgronden zouden zijn.

De beste oplossing, een verbod op ongelijke behandeling tussen
voltijders en deeltijders kan mijns inziens gedragen worden door de centrale
emancipatiedoelstellingen van Regering en Emancipatieraad: economische
zelfstandigheid voor iedereen en herverdeling van betaalde en onbetaalde
arbeid over mannen en vrouwen. Om deze doelstellingen te kunnen bereiken, moet
het zowel voor vrouwen als voor mannen aantrekkelijk gemaakt moet worden om in
deeltijd te gaan werken. Dit betekent onder andere dat de rechtspositie en
arbeidsvoorwaarden van

deeltijdwerkenden even goed moeten zijn als die van voltijdwerkenden.
Mondjesmaat wordt de positie van deeltijdwerkenden iets beter. Dit blijkt
bijvoorbeeld uit het wetsvoorstel tot afschaffing van het eenderde-criterium
in de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag, de afschaffing van de
arbeidsverledeneis in de Werkloosheidswet, de discussie rond het eventueel
wettelijk vastleggen van een uitgangspunt gelijke behandeling en gelijke
beloning van voltijders en deeltijders (TK, 1990-1991, 21.655), het schrappen
van het criterium ‘omvang van de dienstbetrekking ‘ uit de regeling ADV-verlof
onderwijzend personeel (Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen,
ADV-regeling onderwijzend personeel, Den Haag 1991) en het schrappen van de
urengrens in de CAO-VUT levensmiddelenbedrijf (CAO voor Levensmiddelenbedrijf,
1 april 1991).

Tenslotte aan de kantonrechter het advies om in het vervolg zijn
huiswerk te doen en rekenschap te nemen van bovenstaande.

Petra Staal

Rechters

Mr. J.A.L. Brada, kantonrechter, Mr. A.M.A. Verscheure,kantonrechter-plaatsvervanger

Instantie: Rechtbank Utrecht, 14 augustus 1991

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Partijen zijn gescheiden voor 27 november 1981, de datum dat de Hoge
Raad het Boon/van Loon-arrest wees en hebben de boedel verdeeld op grond van
de waarde op peildatum 1 februari 1978. De pensioenrechten bleven buiten
beschouwing. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw – verrekening per
4 januari 1979 zijnde datum echtscheiding – toe. Verrekening dient voorts
plaats te vinden op basis van de werkelijke leeftijd van partijen en niet op
basis van het gemiddelde leeftijdsverschil tussen echtparen in Nederland.

Volledige tekst

1. Verloop van het proces

Eiseres, hierna te noemen de vrouw, heeft bij met de dagvaarding
overeenstemmende conclusie van eis gevorderd:

bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor recht te
verklaren dat gedaagde vanaf zijn pensioendatum tot de datum van overlijden
van de eerststervende van partijen aan haar een uitkering moet doen van ƒ
16.435,- per jaar, zulks in maandelijkse termijnen van ƒ 1.369,58, een en
ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

Gedaagde, hierna te noemen de man, heeft bij conclusie van antwoord verweer
gevoerd.

De vrouw heeft gerepliceerd waarna de man heeft gedupliceerd.

Hierna heeft de man nog een akte genomen, waarna de vrouw een antwoordakte
heeft genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als niet, dan wel onvoldoende weersproken, mede
blijkend uit de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde
produkties, het volgende vast:

a. Partijen zijn op 4 november 1955 met elkaar gehuwd.

b. Op 29 oktober 1955 is ten overstaan van H.J.M. Swane, plaatsvervangend
notaris te Utrecht, de akte houdende huwelijkse voorwaarden verleden.

Artikel 1 daarvan houdt in:

“Er bestaat tussen de echtgenoten alleen gemeenschap van vruchten en
inkomsten, zodat tussen hen alleen gemeen zullen zijn de winsten, welke
gedurende de gemeenschap behaald worden, zoals die in de artikelen 210 en
volgende van de achtste titel van het eerste boek van het burgerlijke Wetboek
zijn omschreven.”

c. Op 29 november 1978 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken, welk
vonnis is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand op 4 januari
1979.

d. In juni 1981 zijn partijen overeengekomen dat prof. mr. A.L.M. Soons een
bindend advies zou uitbrengen over de boedelscheiding. Als peildatum voor de
taxatie van de diverse vermogensbestanddelen is afgesproken 1 februari 1978.

In die tijd is niet gesproken over een verrekening van de waarde van de
pensioenrechten. Ook bij het verschaffen van de gegevens aan mr. Soons in
1982 zijn de pensioenrechten niet ter sprake gekomen.

e. Begin 1983 heeft mr. Soons een concept voor een advies opgemaakt met het
verzoek aan partijen om dit conceptadvies te becommentarieren. Een aantal
vermogensbestanddelen zijn hierbij onbesproken gelaten.

f. Er heeft zowel voor die tijd als nadien een uitvoerige correspondentie
tussen partijen plaatsgevonden. Een en ander heeft niet geresulteerd in enige
betaling van een der partijen aan de ander ten titel van overbedeling bij
boedelscheiding.

g. De werkgever van de man, BV Centraal Op- en Overslagbedrijf “Utrecht”,
heeft aan de man een pensioen toegekend, te weten

-een ouderdomspensioen op het leven van de man en

-een weduwenpensioen, op het leven van de man en op dat van de vrouw.

Deze pensioenrechten zijn door de werkgever verzekerd bij AMEV
Levensverzekering N.V.

De pensioendatum van de man is 14 januari 1992.

h. Verder zijn er nog (geringe) pensioenrechten opgebouwd bij het Nedlloyd
Pensioenfonds. Deze aanspraken luiden:

ouderdomspensioen ƒ 1.404.- en weduwenpensioen ƒ 983,-.

i. De geboortedatum van de man is 4 januari 1927.

De geboortedatum van de vrouw is 11 november 1922.

3. De vordering van de vrouw

De vrouw stelt dat zij recht heeft op verrekening van de pensioenrechten,
zoals deze zijn opgebouwd tot 4 januari 1979, de datum van inschrijving van
het echtscheidingsvonnis. Er is -aldus de vrouw- sprake van twee premievrije
pensioenrechten.

Allereerst zijn er de pensioenrechten die de man bij zijn (huidige?)
werkgever heeft opgebouwd en die door zijn werkgever bij de Amev zijn
ondergebracht.

De vrouw stelt dat tot 4 januari 1979 aan ouderdomspensioen (nader O.P.) is
opgebouwd ƒ 29.900,71 en aan weduwenpensioen (nader W.P.) ƒ 14.903,64.

Daarnaast is er sprake van een weduwenpensioen bij Nedlloyd Pensioenfonds ad
ƒ 983,- (naar de rechtbank begrijpt: per jaar).

De waarde van deze pensioenrechten per 4 januari 1979 bedraagt

O.P. ƒ 164.404,-

W.P. ƒ 43.849,-

____________

totaal ƒ 208.253,-.

De vrouw stelt dat zij recht heeft op de helft van dit bedrag te weten ƒ
104.126,-.

Zelf heeft zij aanspraak op een W.P, met een waarde van ƒ 43.849,-.

Verrekend dient derhalve te worden volgens de vrouw: ƒ 60.277,-.

De vrouw wenst deze verrekening plaats te laten vinden door de man vanaf zijn
pensioendatum tot aan de datum van de eerststervende een uitkering aan haar
te laten doen van ƒ 16.435,- per jaar.

Bovengenoemde gegevens heeft de vrouw gebaseerd op een aantal berekeningen
van Heijnis en Koelman B.V. actuarissen.

De vrouw stelt dat de door de man overgelegde berekeningen van de AMEV op
onjuiste uitgangspunten gebaseerd zijn.

4. Het standpunt van de man

De man is van oordeel dat scheiding en deling van de pensioenrechten dient
te geschieden naar de peildatum 1 februari 1978. Hiertoe voert hij aan dat
volgens de afspraak tussen partijen in 1981 alle vermogensbestanddelen, die
voor scheiding en deling in aanmerking kwamen, naar deze datum getaxeerd
zijn. Dat de pensioenrechten niet bij de aanvang van de echtscheiding bij de
scheiding en deling betrokken zijn geweest, vindt volgens de man zijn directe
oorzaak in het feit dat het pensioenarrest van de Hoge Raad in die tijd nog
niet gewezen was. Nu de vrouw niet uitdrukkelijk gestipuleerd heeft dat voor
de pensioenrechten een andere peildatum zou gelden, dienen ook de
pensioenrechten getaxeerd te worden naar deze peildatum.

Voorts stelt de man dat de berekeningen van de AMEV, zoals neergelegd in de
brief van 11 november 1986, de basis zijn voor de pensioenverrekening.

Het jaarlijks door de man uit te keren bedrag na zijn pensionering bedraagt
volgens de man derhalve ƒ 8.362,90 per jaar.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vast staat dat ten tijde van de in punt 2 sub d genoemde afspraak,
waarbij de peildatum van 1 februari 1978 werd overeengekomen, geen der
partijen heeft gedacht aan een eventuele verrekening van pensioenrechten.

Dit brengt met zich mee dat niet zonder meer aangenomen kan worden dat deze
afspraak ook voor de pensioenrechten dient te gelden.

De vermogensbestanddelen, die in de scheiding en deling betrokken waren, zijn
blijkens de overgelegde brieven van een geheel ander karakter dan de
pensioenrechten.

Immers, de meeste vermogensbestanddelen konden door gebruik in waarde
verminderen, dan wel door de verhouding tussen vraag en aanbod in waarde
varieren, dan wel door inflatie in prijs stijgen.

Pensioenrechten zijn daarentegen niet aan zulke invloeden onderhevig, terwijl
zij uit de aard der zaak iedere dag, dat de man in dienstbetrekking was, in
waarde toenamen.

Voorts werd ten behoeve van de vrouw tot de datum van de echtscheiding, 4
januari 1979, een zelfstandig recht op een weduwenpensioen opgebouwd.

Aan dit zelfstandige recht kan een (eventuele) overeenkomst tussen partijen
na die datum niets veranderen.

Het bovenstaande brengt met zich mee dat niet aannemelijk is dat als partijen
in 1981 ook verrekening van pensioenrechten voor ogen had gestaan, de
peildatum van 1 februari 1978 ook voor de pensioenrechten zou hebben
gegolden.

De rechtbank gaat er derhalve van uit, dat tussen partijen geen afspraak is
gemaakt over de datum, waarop de pensioenrechten verrekend dienen te worden.

Onder deze omstandigheden is verrekening van pensioenrechten na de datum van
de inschrijving van het echtscheidingsvonnis, overeenkomstig het standpunt
van de vrouw, het meest voor de hand liggend.

5.2. Partijen verschillen voorts van mening over de wijze waarop de
berekening van de pensioenrechten dient te geschieden.

De vrouw heeft haar berekening uitvoerig toegelicht en voorts aangegeven op
welke punten de berekeningen, die door de man zijn overgelegd, waarschijnlijk
onjuist zijn. Met zekerheid valt hierover niets te zeggen, nu de grondslagen
van de berekeningen van AMEV niet geheel vermeld zijn.

De man is niet op deze kritiek ingegaan, doch heeft bij akte de visie van de
AMEV in het geding gebracht.

5.3. Bij antwoordakte stelt de vrouw dat een briefwisseling tussen Heynis en
Koelman B.V. en de AMEV heeft opgeleverd dat het aantal geschilpunten omtrent
de wijze van berekening is verminderd.

Immers, ook de AMEV gaat er in haar brief d.d. 7 januari 1991 vanuit dat de
uitkering aan de vrouw per 1 januari 1992 afhankelijk is van het leven van
zowel de man als de vrouw.

Nu de man zich in deze procedure ter staving van zijn standpunt altijd op de
opinie van de AMEV is teruggevallen en thans op deze akte niet meer
gereageerd heeft, gaat de rechtbank er van uit dat de man het met deze
conclusie van de vrouw eens is.

5.4. Thans resteren nog een tweetal geschilpunten tussen partijen, die de
rechtbank nog niet besproken heeft.

5.5. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat, ter berekening van het
aandeel van de vrouw in de pensioenrechten, de contante waarde van het
weduwenpensioen en de contante waarde van het ouderdomspensioen vastgesteld
dient te worden op basis van de werkelijke leeftijd van partijen en niet,
zoals de AMEV kennelijk heeft gedaan, op basis van het gemiddelde
leeftijdsverschil tussen de man en vrouw in Nederland. De omstandigheid dat
de AMEV haar tarieven op die basis vaststelt en aan de werkgever van de man
in rekening brengt, raakt de tussen partijen te volgen berekenwijze niet.

5.6. Vast staat dat de AMEV bij haar berekeningen niet heeft betrokken het
pensioen dat bij Nedlloyd Pensioenfonds is verzekerd.

De man heeft de berekening ter zake door Heijnis en Koelman B.V. niet
gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat deze berekening
op dat punt juist is.

5.7. De man heeft overigens geen gefundeerde aanmerkingen gemaakt op de
berekening van de uitkering aan de vrouw door Heijnis en Koelman B.V.

Nu de vordering van de vrouw is gebaseerd op de berekening door Heijnis en
Koelman B.V., en niet gebleken is dat deze berekening op onjuiste wijze is
verricht, zal de rechtbank de vordering van de vrouw toewijzen.

5.8. Aangezien partijen ex-echtelieden zijn zal de rechtbank de kosten van
de procedure compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6. Beslissing

Verklaart voor recht dat de man vanaf zijn pensioendatum tot de datum van
overlijden van de eerststervende van de partijen aan de vrouw een uitkering
zal doen van ƒ 16.435,- (zestienduizend vierhonderd vijfendertig gulden) per
jaar, zulks in maandelijkse termijnen van ƒ 1.369,58 (eenduizend driehonderd
negenenzestig gulden en achtenvijftig cent).

De partijen dienen hun eigen proceskosten te betalen.

Noot

Ze bestaan. Mannen die bereid zijn hun pensioen te delen met hun
ex-echtgenote, terwijl ze ook zouden kunnen betwisten hiertoe verplicht te
zijn. Hulde dus voor deze mijnheer B. die erkende wat zeer veel mannen van
zijn generatie zouden moeten erkennen, namelijk dat man en vrouw bij een
langdurig huwelijk met traditionele taakverdeling het tijdens dat huwelijk
opgebouwde ouderdomspensioen behoren te delen in geval van scheiding.

Vervolgens ging de vrouw niet accoord met zijn stelling dat dan ook de bij
convenant afgesproken peildatum uit 1978 zou moeten gelden. Dat is een
begrijpelijk standpunt, omdat de opbouw van pensioenrechten nu eenmaal
doorloopt tot de datum van de totstandkoming van de echtscheiding. Terecht
knoopt de rechtbank de verdeling dan ook bij die datum aan.

Ook op het oordeel van de rechtbank dat bij de verdeling uitgegaan moet
worden van het werkelijke leeftijdsverschil tussen betrokkenen (vier jaar),
in plaats van (de in actuariele kringen zeer gebruikelijke methode om uit te
gaan van) het gemiddelde leeftijdsverschil tussen gehuwde mannen en vrouwen
in Nederland (drie jaar), valt niets af te dingen.

Hoe minder de verrekening tussen particulieren wordt gebaseerd op
statistische gemiddelden en kansberekeningen, hoe beter. Die methoden zijn
wel bruikbaar voor de reserveberekeningen van pensioenfondsen en
verzekeraars, maar niet geschikt om in private verhoudingen tot een
rechtvaardige verdeling te komen. Het is dan ook jammer dat de ook hier
gehanteerde standaard- verrekeningsmethode niet verder ter discussie is
gesteld, zeker nu de man in 1992 met pensioen ging en de vrouw dus nog beter
af was geweest met toekenning van een percentage van zijn pensioen (zie ook
de uitspraak van het Gerechtshof ’s Gravenhage d.d. 6 maart 1992, hiervoor
opgenomen en de bespreking van het Wetsvoorstel verevening pensioenrechten
bij scheiding elders in dit nummer). Maar juist omdat de man zo dicht bij
zijn pensioen zat, was het uiteraard niet in het belang van de vrouw om nog
eindeloos over de verrekeningsmethoden door te procederen.

De vrouw is nu een van de weinige vrouwen van haar generatie die in het
tijdens haar huwelijk opgebouwde pensioen meedeelt.

De grote meerderheid van deze generatie mannen en hun advocaten verschuilen
zich achter de zeer restrictieve interpretatie van rechtsoverweging 14 uit
het Boon/van Loon- arrest (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503), waarin de Hoge
Raad overwoog dat ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid zullen echter in
verband met het belang van de rechtszekerheid in de regel meebrengen dat in
deze gevallen een zodanige vordering – die de wederpartij niet meer behoefde
te verwachten – thans niet meer geldend gemaakt kan worden’. Deze
bewoordingen van de Hoge Raad zijn in de talloze publicaties die naar
aanleiding van het Boon/Van Loon-arrest verschenen ogenblikkelijk
geinterpreteerd als zouden alle echtscheidingen die voor 27 november 1981
plaatsvonden niet onder de werking van het arrest vallen. Toch staat dat er
niet (J. Dierx en M. Kraamwinkel, Pensioenverrekening en pensioenverevening
na echtscheiding, NJB 1991, p. 247-256).

De Rechtbank Den Bosch wees een vordering tot pensioenverrekening toe in een
echtscheidingsprocedure die wel al voor 27 november 1981 was ingezet, maar
waarbij het echtscheidingsvonnis pas na 27 november 1981 werd ingeschreven
in de registers van de Burgerlijke Stand (Rb. Den Bosch, 7 november 1983, NJ
1984, 365. De Rechtbank Assen wees ooit pensioenverrekening toe in een geval
waarin de echtscheiding was ingeschreven op 4 september 1981 en de
boedelscheiding notarieel werd verleden op 6 november 1981 (Rb. Assen 29 mei
1984, NJ 1984, 730).

De vraag is of bij een echtscheiding d.d. 29 oktober 1971 en een
boedelscheiding na 27 november 1981 (datum Boon/Van Loon arrest) een
vordering tot pensioenverrekening kan worden toegewezen. Deze vraag is nog
niet aan de Hoge Raad voorgelegd.

Het onderhavige oordeel voegt helaas weinig aan de overgangsjurisprudentie
toe, omdat de man nu eenmaal de vordering niet betwistte. Toch kan deze
uitspraak wel een rol spelen bij het beoordelen van de vraag of het redelijk
en billijk is dat de vrouw al dan niet meedeelt in het tijdens het huwelijk
opgebouwde pensioen.

Ook de wetgever heeft zich tot nu toe aan zijn taak onttrokken om voor
vrouwen die voor 1981 zijn gescheiden een regeling te treffen. In het kader
van het Wetsvoorstel verevening pensioenrechten bij scheiding is deze kwestie
door een aantal politieke partijen aangekaart, maar dit heeft nog steeds niet
geleid tot uitsluitsel voor deze grote groep vrouwen (zie de bespreking van
het wetsvoorstel elders in dit nummer).

Janny Dierx

Met dank aan dhr. mr. J.W.D. van Oldenborgh voor het toezenden van de
uitspraak.

Rechters

Mr Rothuizen-Van Dijk

Instantie: Raad van State afdeling bestuursrechtspraak, 9 augustus 1991

Instantie

Raad van State afdeling bestuursrechtspraak

Samenvatting


De Staatssecretaris van Justitie heeft het verzoek om
geslachtsnaamswijziging afgewezen. Appellante heeft vervolgens AROB-beroep
ingesteld. De Afdeling kan in het arrest van de Hoge Raad van 1 november 1985
geen antwoord voor afwijzing van geslachtsnaamswijziging vinden. Volgens de
Afdeling is uit de richtlijnen voor geslachtsnaamswijziging af te leiden dat
er een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend aan de eenheid van
naamsvoering binnen het gezin.

Volledige tekst

Bij besluit van 15 december 1988 heeft verweerder het verzoek van
appellante om wijziging van de geslachtsnaam van haar minderjarige zoon Benito
in R. afgewezen. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij schrijven van 5 januari 1989,
ingekomen bij de Raad van State op 6 januari 1989, beroep op grond van de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen ingesteld bij de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State. Bij schrijven van 23 maart 1989 heeft
appellante haar beroep gemotiveerd.

Dit schrijven is aan deze uitspraak gehecht.

Het beroepschrift van appellante is met toepassing van artikel 11,
eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen aan
de Minister van Justitie toegezonden met uitnodiging om binnen veertien dagen
schriftelijk te verklaren of dit beroepschrift als bezwaarschrift zal worden
aangemerkt en als zodanig in behandeling zal worden genomen.

Op dit verzoek is niet binnen de gestelde wettelijke termijn
gereageerd.

Desgevraagd heeft verweerder bij schrijven van 23 augustus 1989 en
verweerschrift ingediend.

Het geschil is op 21 mei 1991 behandeld in een openbare vergadering van
de Afdeling, waarin appellante en verweerder, bij monde van hun
vertegenwoordigers, hun standpunten nader hebben uiteengezet.

In rechte:

Ingevolge art. 7, eerste lid, van Boek I van het Burgerlijk Wetboek kan
de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek of op verzoek van zijn
wettelijk vertegenwoordiger door de Koning worden gewijzigd. In het vijfde lid
van dit artikel is, voorzover hier van belang, bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur regelen worden gesteld betreffende de wijze van
indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste lid bedoeld. Bij
Koninklijk Besluit van 9 december 1969 (Stb. 544), zoals nadien gewijzigd, en
opnieuw vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 23 december 1987 (Stb. 609) tot
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van het
laatstgenoemd artikellid, dat kan worden aangehaald als ‘Regelen betreffende
verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling’, is de Minister van
Justitie belast met de voorbereidende behandeling van zodanige verzoeken. Hij
is daarbij tevens gemachtigd om het verzoek af te wijzen, indien hij meent dat
het niet voor inwilliging in aanmerking komt.

De Staatssecretaris van Justitie heeft bij beschikking van 1 januari
1989 (Stcrt. 1989, 1) vastgesteld dat de ‘Richtlijnen voor
geslachtsnaamswijziging 1989′ (hierna te noemen de richtlijnen). De
richtlijnen zijn op 1 februari 1989 in werking getreden en worden vanaf dat
moment ook toegepast op voor de inwerkingtreding reeds ingediend, maar nog
niet afgehandelde verzoeken.

Bij de Officiele mededeling no. 12 (gepubliceerd in Het Personeel
Statuut van mei/juni 1985) is door de Permanente Commissie van advies voor
zaken van de burgerlijke stand en voor nationaliteitsaangelegenheden het
standpunt ingenomen dat – samengevat – ingeval een kind naast de Nederlandse
nationaliteit tevens een (of meer) andere nationaliteit(en) bezit, de ouders
van dat kind hier te lande zijn gevestigd en de Nederlandse nationaliteit de
effectieve nationaliteit van het kind is, de ambtenaar van de burgerlijke
stand in beginsel van de geslachtsnaam naar Nederlands recht kan uitgaan,
tenzij in feite al een ander naamstatuut is gevestigd, bijvoorbeeld indien uit
het huwelijk van de ouders al een of meer kinderen zijn geboren. In dat
laatste geval leek het de Commissie verantwoord de eenheid van naam te laten
prevaleren en het tweede en volgende kind onder dezelfde geslachtsnaam in te
schrijven als het eerste kind van de ouders.

Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 1 november 1985 (NJ
1986, no. 603) is voornoemde Commissie een ander standpunt gaan innemen en is
uitgevaardigd de Officiele mededeling no. 13 (gepubliceerd in Het Personeel
Statuut van november/december 1986). Daarin is, voorzover te dezen van belang,
verzocht om ook in het hiervoor omschreven uitzonderingsgeval het Nederlandse
recht toe te passen voor de bepaling van de geslachtsnaam.

Appellante (T. van V.) is van Nederlandse nationaliteit en gehuwd met C.
F., van Spaanse nationaliteit. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.
Het oudste kind heeft bij de geboorte op grond van de toenmalige Spaanse en
Nederlandse nationaliteitswetgeving uitsluitend de Spaanse nationaliteit
verkregen, hetgeen met zich brengt dat dit kind de (naar Spaans recht
bepaalde) geslachtsnaam F. van V. heeft verkregen. Het jongste kind, geboren
op 18 januari 1985, heeft in verband met een wijziging van de Nederlandse
nationaliteitswetgeving (naast de Spaanse) ook de Nederlandse nationaliteit
verworven.

Aanvankelijk was voor wat betreft laatstbedoeld kind in de geboorteakte
als geslachtsnaam vermeld F. van V., doch op last van de Officier van Justitie
van 29 maart 1985 is dit verbeterd in F. R., onder welke naam dit kind ook in
het persoonsregister is opgenomen.

In geschil is thans de afwijzing van het verzoek om de geslachtsnaam van
laatstbedoeld kind te wijzigen in F. van V.

Verweerder heeft uiteengezet dat de richtlijnen niet voorzien in het
onderhavige geval. Voor inwilliging buiten de richtlijnen om bestaat voor
verweerder slechts aanleiding indien zich een bijzonder geval voordoet,
namelijk indien voor betrokkene zodanige belangen op het spel staan dat het
verzoek in redelijkheid niet kan worden afgewezen. Afwijking in andere
gevallen dan het evengenoemde acht verweerder strijdig met het huidige
wettelijke naamrecht.

Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat in vorenbedoelde
Officiele mededeling no. 13 aan ambtenaren van de burgerlijke stand is
geadviseerd om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Overeenkomst van
Munchen inzake het recht dat van toepassing is op de geslachtsnamen en
voornamen (Trb. 1981, 72), door inwerkingtreding van de Wet conflictenrecht
namen in gevallen waarin er sprake is van een bipatride status en een
afwijkend naamstatuut volgens de andere nationaliteit, in een kantmelding op
de geboorteakte van dat afwijkende naamstatuut mededeling te doen. Naar de
mening van verweerder kan hiermede tegemoet worden gekomen aan de wens van
appellante. In het onderhavige geval heeft een zodanige kantmelding ook
plaatsgevonden. Overigens heeft verweerder nog gesteld dat het betrokkene vrij
staat de gewenste naam in het maatschappelijke verkeer te gebruiken. Slechts
bij officiele gelegenheden moet de wettelijke geslachtsnaam worden opgegeven.

De Afdeling stelt voorop dat zij niet vermag in te zien dat
eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad zou dwingen tot afwijzing van het
voorliggende verzoek om naamswijziging.

In dit arrest is uitgemaakt dat de vraag onder welke naam een persoon
van Nederlandse nationaliteit behoort deel te nemen aan het rechtsverkeer hier
te lande moet worden beantwoord naar Nederlands recht, ook al heeft die
persoon tevens een vreemde nationaliteit, waarbij niet ter zake doet welke
nationaliteit de effectieve is. In dit arrest kan geen antwoord worden
gevonden op de vraag of in een geval als het onderhavige de geslachtsnaam naar
Nederlands recht voor wijziging in aanmerking kan komen.

Die vraag zal in de eerste plaats moeten worden beantwoord aan de hand
van de richtlijnen.

Niet gebleken is dat bij het opstellen van de richtlijnen is gezien naar
de problematiek zoals die zich in het onderhavige geval voordoet. Wel valt uit
de strekking van en de toelichting op de richtlijnen af te leiden dat – waar
door een verschil in naam in een gezin vaak als hinderlijk ervaren vragen
worden opgeroepen bij derden – in het belang van het kind een zwaarwegend
gewicht dient te worden toegekend aan de eenheid van naamsvoering binnen het
gezin.

De Afdeling merkt voorts op dat in dit geval geen advies van de Raad
voor de Kinderbescherming is ingewonnen. Een dergelijk advies was wel
voorhanden in de eveneens ter zitting van 21 mei 1991 behandelde zaak no.
R02.89.2530 ten name van L.M.J. B. y G., in welke zaak zich een gelijkliggende
geslachtsnaamproblematiek voordoet. In dat advies is gesteld dat een
afwijkende familienaam voor het betrokken kind naar buiten toe tot verkeerde
interpretaties zou kunnen leiden, waardoor dit kind alleen door zijn naam ten
onrechte een uitzonderingspositie inneemt in het gezin. Vasthouden aan de
richtlijnen zou, aldus de Raad, betekenen dat de eenheid van naamgeving in het
gezin verbroken wordt, zonder dat daar een voor het kind invoelbare reden aan
ten grondslag ligt. De Raad heeft voorts de naamswijziging alleszins in het
belang van het betrokken kind geacht en gemeend dat er bijzondere
omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het betreffende verzoek
ingewilligd zou moeten worden. Gelet op de stukken en het verhandelde ter
zitting meent de Afdeling dat de omstandigheden van het voorliggende geval
niet zodanig verschillen van die welke zich voordeden in de zaak no.
R02.89.2530, dat het aannemelijk is dat de Raad voor de Kinderbescherming,
ware hij over het thans in geding zijnde verzoek gehoord, tot een andere
conclusie zou zijn gekomen.

In het licht van het vorenstaande acht de Afdeling geen dwingende reden
aanwezig om de onderhavige situatie, waarin kinderen van dezelfde ouders en
geboren staande hetzelfde – in stand gebleven – huwelijk verschillende
geslachtsnamen dragen, in stand te houden. Daarnaast is niet gebleken dat de
kanttekening bij de geboorteakte die in dit geval is gemaakt, ertoe heeft
kunnen leiden dat het jongste kind van appellante onder de naam F. van V. –
bijvoorbeeld – in het bevolkingsregister kon worden ingeschreven. Een en ander
klemt te meer nu appellante al sedert tenminste 28 mei 1985 – de datum waarop
appellante voor het eerst verzocht om naamswijziging – doende is de
geslachtsnaam van haar kinderen tot een eenheid te smeden.

Gelet op het vorenstaande, tezamen en in onderling verband bezien, is de
Afdeling van oordeel dat verweerder, bezien naar de stand van zaken ten tijde
van het nemen van het bestreden besluit, bij afweging van de betrokken
belangen niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Dit besluit
dient dan ook te worden vernietigd op de grond, genoemd in art. 8, eerste lid,
onder c, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.

De Afdeling merkt bij het vorenstaande nog op dat verweerder bij het
opnieuw beschikken op het verzoek in aanmerking dient te nemen, dat de
mogelijkheid van het plaatsen van een kantmelding als voorzien in de inmiddels
in werking getreden Wet conflictenrecht namen (Stb. 1989, 288) slechts dan een
hernieuwde weigering van de gevraagde naamswijziging zou kunnen
rechtvaardigen, indien zodanige kantmelding het betrokken kind in geen enkel
opzicht – derhalve ook niet bij de door verweerder ter zitting genoemde
officiele gelegenheden zoals de voltrekking van zijn huwelijk – in een gelet
op de eerder omschreven doelstelling van de Richtlijnen minder gunstige
positie zou plaatsen dan wanneer in de gevraagde naamswijziging zou zijn
bewilligd.

Uitspraak:

De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak;

Gezien de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen en de
Wet op de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 15
december 1988, kenmerk H. Afd. Privaatrecht, Afdeling Nat. en Burg. Staat, no.
N.M. 852/510;

II. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie)
aan appellante het door haar gestorte recht (f 75,–) vergoedt.

Noot

In de kroniek ‘Naam en nationaliteit’ in Nemesis 1987 nr.4 beschreven
wij de lotgevallen van een Nederlandse vrouw die met een Spaanse man huwde.
Wij noemden haar mevrouw Holland en hem de heer Toledo Malaga. Het echtpaar
vestigde zich in Nederland en kreeg in 1983 een kind dat op grond van het toen
nog geldende nationaliteitsrecht alleen de Spaanse nationaliteit verwierf en
zijn achternaam Toledo Holland ontleende aan het Spaanse recht.

Op 18 januari 1985 kreeg het echtpaar een tweede kind, net na de
inwerkingtreding van de nieuwe Rijkswet op het Nederlanderschap.

Op grond van deze wet krijgt het tweede kind twee nationaliteiten: de
Spaanse en de Nederlandse. Mevrouw Holland bewerkstelligt nu dat haar eerste
kind ook de Nederlandse nationaliteit verkrijgt; een mogelijkheid die de
overgangsbepalingen bieden. Dit eerste kind behoudt echter de naam Toledo
Holland, maar op bevel van de officier van justitie wordt deze naam later
gewijzigd (verbeterd sic!) in Toledo Malaga, de achternaam van zijn Spaanse
vader. Met andere woorden, voor het eerste kind is voor de naamsverkrijging
het Spaanse naamrecht toegepast, voor het tweede kind het Nederlandse
naamrecht.

Nu had de officier van justitie dit (op 29 maart 1985) helemaal niet
behoeven te doen. De Permanente Commissie van advies voor de zaken van de
Burgerlijke Stand en voor nationaliteitsaangelegenheden bracht in maart 1985
namelijk een officiele mededeling nr. 12 uit, op grond waarvan nu juist het
tweede kind de achternaam Toledo Holland had behoren te houden.

De Commissie onderschrijft hiermee het uitgangspunt van een achternaam
per gezin (Het Personeel Statuut, mei 1985, pag. 40). Mevrouw Holland,
verbaasd en verontwaardigd dat de achternaam van haar kind plotsklaps is
veranderd, start een naamswijzigingsprocedure die ruim zes jaar duurt.
Gedurende haar speurtocht in de Haagse bureaucratie gebeurt het volgende.

In 1987 komt de Commissie terug op haar mededeling nr. 12 uit 1985 en

zoekt nu in officiele mededeling nr. 13 de ambtenaren van de Burgerlijke
Stand het bij bipatriden anders te gaan doen.

De Commissie is van mening dat onder andere op grond van HR 1 november
1985, NJ 1986, 603 Bon/Lastovkova en de (pas in 1989) in werking zullende
treden Overeenkomst van Munchen, het bipatride kind zijn achternaam voortaan
altijd dient te ontlenen aan zijn vader (Het Personeel Statuut, december
1986). Overigens ging het in het arrest Bon/Lastovkova wel over een bipatride
persoon en ook over een naam, maar daarmee houdt de gelijkenis met de
onderhavige materie op.

Wel onderkent de Commissie op dat moment al dat het gevolg van deze
beleidswijziging zal kunnen zijn dat kinderen uit een gezin met verschillende
nationaliteiten verschillende achternamen krijgen. Over dit bezwaar wordt
tamelijk luchtigjes heengestapt.

De Commissie meent dat dit probleem kan worden opgelost door het kind de
mogelijkheid te geven van een kantmelding op de geboorteakte.

Dit is ook gebeurd bij het tweede kind van mevrouw Holland. Het gevolg
van deze kantmelding is alleen maar dat in Spanje de kinderen dezelfde
achternaam hebben; in Nederland blijven zij verschillend heten.

Wel geeft de Commissie nog het advies als ouders het dan echt zo
vervelend vinden dat hun kinderen niet dezelfde achternaam hebben, dan maar
geslachtsnaamwijziging aan te vragen. Zoals gezegd, mevrouw Holland was
daarmee al in 1985 begonnen.

Nadat het mevrouw Holland na heel veel zoeken, bellen en brieven
schrijven eindelijk is duidelijk geworden hoe men in Den Haag vindt dat de
vork in de steel zit, begint zij een langdurige briefwisseling met het
ministerie van Justitie om via naamswijziging er voor te zorgen dat haar
kinderen beiden dezelfde achternaam krijgen. Hoewel er op dat moment al een
Voorontwerp naamrecht ligt, waarin nu juist het belang van dezelfde naam voor
kinderen uit een gezin wordt aangehangen, wordt het probleem van mevrouw
Holland, of beter gezegd van haar zoon, ook op de afdeling nationaliteit en
Burgerlijke Staat van het ministerie van Justitie absoluut niet serieus
genomen.

Mevrouw Holland wordt afgescheept met de meeste vreemde argumenten.
Uitgebreid wordt haar steeds weer uiteengezet dat zij nu eenmaal een kind
heeft met een bipatride status, dat de Hoge Raad nu eenmaal een uitspraak
heeft gedaan, dat in verband met de rechtszekerheid (sic!) het van belang is
dat de richtlijnen voor geslachtsnaamwijziging strikt worden toegepast,
enzovoort, enzovoort. Het beleid van het ministerie daarbij is (ook in andere
geslachtnaamwijzigingszaken) om geen beschikking van de staatssecretaris af te
geven maar om brieven te schrijven waarin verzoekers wordt uiteengezet dat er
sprake is van een misverstand, dat er eigenlijk niets aan de hand is, dat
verzoekers ongelijk hebben en dat wanneer verzoekers het nu nog niet
begrijpen, zij nog maar eens uiteen moeten zetten wat hun belang in deze nu
eigenlijk is. Blijkbaar hoopt het ministerie dat verzoekers daardoor voldoende
worden afgeschrikt en hun verzoek niet door zullen zetten c.q. niet in beroep
zullen gaan bij de Raad van State. Verzoekers kunnen echter niet eens in
beroep, zolang er geen voor beroep vatbare beschikking is. En om zo’n
beschikking te krijgen van het ministerie van Justitie, kun je gerust wel een
half jaartje uittrekken, want dan is ‘door een misverstand het verzoekschrift
als nieuw binnengekomen verzoekschrift behandeld en geregistreerd’ (brief van
11 juli 1988 in antwoord op een brief van 18 december 1987). Op 15 december
1988 wordt tenslotte het verzoek van mevrouw Holland afgewezen.

Mevrouw Holland liet zich evenwel niet afschrikken. Eindelijk, haar kind
is dan inmiddels zes en een half jaar oud, vindt zij bij de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State gehoor voor haar probleem. Voor wat betreft
het steeds weer verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad merkt de Afdeling
op dat ‘in dit arrest geen antwoord kan worden gevonden op de vraag of in een
geval als het onderhavige de geslachtsnaam naar Nederlands recht voor
wijziging in aanmerking kan komen’. Voor wat betreft de richtlijnen merkt de
Afdeling op dat bij de opstelling daarvan niet gedacht is aan de onderhavige
problematiek. Fijntjes voegt de Afdeling hieraan toe dat, wat betreft de
strekking van en de toelichting op de richtlijnen, er een zwaarwegend gewicht
dient te worden toegekend aan de eenheid van naamsvoering binnen het gezin. De
Afdeling vernietigt dan ook het afwijzende besluit van de staatssecretaris
omdat bij afweging van de betrokken belangen hij in redelijkheid niet tot dat
besluit heeft kunnen komen.

De procedure tot naamswijziging is een eindeloos bureaucratische
aangelegenheid, waar hoog nodig eens de bezem door moet. De fout in deze zaak
is alleen natuurlijk al veel eerder gemaakt. Ten eerste door het eigenmachtig
optreden van een officier van Justitie, die blijkbaar vond dat kinderen de
naam van de vader behoorden te hebben. In de tweede plaats door in een Verdrag
dat conflicten bij naamsverkrijging moet voorkomen geen rekening te houden met
conflicten en dan bovendien aan te bevelen dat Verdrag maar vast te gaan
toepassen terwijl het nog jaren zal duren voor het officieel in werking
treedt.

Met dank aan mr M. Voets voor toezending van de uitspraak.

Nora Holtrust en Ineke de Hondt

Rechters

Mrs J.A.E. van der Does, P. van Dijk, L. Dornhout, J. Soons

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 augustus 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters zijn door de wederpartij aangesteld in een bepaalde functie
via een ‘positieve actie’-project van de wederpartij. De wederpartij heeft ook
kandidaten aangetrokken door middel van een reguliere selectieprocedure.

Het positieve actie-project hield in dat de geselecteerde vrouwen 7
maanden onbetaald stage moesten lopen en een opleiding moesten volgen,
alvorens zij aangesteld werden. Deze voorwaarden werden niet aan de kandidaten
in de reguliere selectieprocedure gesteld. Het gevolg hiervan was dat de
eerdergenoemde vrouwen ook later een vaste aanstelling kregen en later
bevorderd worden dan de regulier aangestelde kandidaten.

De wederpartij heeft aangevoerd dat zij dit onderscheid heeft gemaakt
omdat verzoeksters niet voldeden aan de reguliere selectiecriteria. De Wet
staat onder bepaalde voorwaarden toe om af te wijken van het verbod om
onderscheid naar geslacht te maken ingeval van voorkeursbeleid voor vrouwen.

Uit het onderzoek van de Commissie is echter gebleken dat een aantal
verzoeksters in gelijke mate aan de selectiecriteria in de reguliere procedure
voldeed als de regulier aangestelde kandidaten. De wederpartij heeft dus
onderscheid op grond van geslacht gemaakt terwijl zij niet heeft kunnen
aantonen dat (alle) verzoeksters daardoor in een bevoorrechte positie
geplaatst werden. Strijd met de Wet.

Volledige tekst


De Commissie merkt nog op dat hiermee niet vast staat dat verzoeksters
ook daadwerkelijk benoemd zouden zijn in een reguliere selectieprocedure. In
dit opzicht kan inderdaad gesteld worden dat het vooruitzicht van een vaste
aanstelling een bevoordeling van verzoeksters was. Hierbij zij nogmaals
opgemerkt dat verzoeksters wel aan een aantal voorwaarden moesten voldoen,
alvorens zij in aanmerking kwamen voor een aanstelling. Ook de extra
begeleiding van verzoeksters bij hun intrede in het gevangeniswezen en de
opleidingsfaciliteiten die hen geboden zijn, kunnen als een voorrecht gezien
worden. Deze voordelen zijn echter niet van dien aard dat daarmee de door (een
aantal) verzoeksters ondervonden nadelen zijn opgeheven.

Nu de wederpartij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat (alle)
verzoeksters als gevolg van de bijzondere behandeling in een bevoorrechte
positie zijn geplaatst ten opzichte van de regulier aangestelde p.i.w.-ers,
kan haar beroep op artikel 5 lid 1 WGB niet slagen.

Hiermee staat vast dat de wederpartij ten aanzien van verzoeksters
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de aanstelling en de
arbeidsvoorwaarden in strijd met artikel 1a lid 1 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Justitie,
nu zijn beroep op de wettelijk toegelaten uitzondering van artikel 5 lid 1 WGB
niet kan slagen, onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt jegens
verzoeksters bij de aanstelling en de arbeidsvoorwaarden in strijd met artikel
1a lid 1 WGB.

Rechters

prof. mr. P.F. van der Heijden, kamervoorzitter; mr. M.M. Hubner,plaatsvervangend secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 juli 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam op een accountantskantoor en vergelijkt zich
met een mannelijke collega die een hoger salaris ontvangt. Arbeid van nagenoeg
gelijke waarde. Het ligt op de weg van de werknemer aan te tonen dat
medewerkers worden beloond op grondslag van gelijkwaardige maatstaven, zeker
wanneer sprake is van een ondoorzichtig beloningsstelsel. Werkgever slaagt er
niet in zijn beloningssysteem inzichtelijk te maken. De door de werkgever
aangevoerde oorzaken van het beloningsverschil acht de Commissie ten dele te
ondoorzichtig om in aanmerking te nemen en ten dele onvoldoende om het
beloningsverschil te rechtvaardigen. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 13 juli 1990 verzocht mevrouw … te Rotterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of … te Bleiswijk (hierna:
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij. Zij is van mening dat zij
arbeid van gelijke danwel nagenoeg gelijke waarde heeft verricht als een
mannelijke collega, de heer Swaneveld (hierna: maatman) terwijl zij een lager
loon ontving. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Aanvankelijk had verzoekster de Commissie, in verband met
een bij de Kantonrechter aanhangig gemaakte procedure, gevraagd een
spoedprocedure toe te passen. Dit verzoek heeft zij later ingetrokken. De
procedure bij de Kantonrechter is opgeschort in verband met de onderhavige
procedure bij de Commissie.

2.2. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
toe te lichten.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Zij is hierbij
ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken
gevoerd met verzoekster, de wederpartij en de maatman. Van het onderzoek ter
plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 19 april 1991.

2.3. De Commissie heeft partijen opgeroepen te verschijnen tijdens een
zitting op 5 juni 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (gemachtigde)

van de kant van de LTD

– dhr K. Groeneveld

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een accountantskantoor dat de administraties en
belastingaangiften van kleinere bedrijven, met name in de agrarische sector,
verzorgt. Toen het onderzoek van de Commissie aanving, had de wederpartij vijf
personeelsleden in dienst, vier assistent-accountants en een administratief
assistente. Tijdens het onderzoek is een zesde medewerker in dienst getreden
bij de wederpartij.

Verzoekster is op 1 februari 1979 bij de wederpartij in dienst getreden
als medewerkster op P.D.B.-niveau (Praktijkdiploma Boekhouden). Vanaf 1983 a
1984 tot aan haar ontslag per 1 juli 1990 heeft zij hetzelfde takenpakket
uitgevoerd. De wederpartij ziet verzoekster als haar derde assistent. Haar
salaris bedroeg bij indiensttreding ƒ 1.775,- bruto per maand, vanaf november
1988 ƒ 3.700,- bruto per maand. Na die tijd heeft verzoekster geen
salarisverhoging meer ontvangen.

Maatman is op 2 juni 1986 bij de wederpartij in dienst getreden als
assistent-accountant. Hij is de tweede assistent van de wederpartij. Zijn
salaris bedroeg eind 1987 ƒ 3.750,- bruto per maand. Op 1 juli 1990, de datum
waarop verzoekster ontslag nam, was dit gestegen tot ƒ 4.200,- bruto per
maand.

3.2. De wederpartij is niet gebonden aan een CAO. Wel zegt zij de CAO
voor het Bankbedrijf te hanteren als richtsnoer voor de individuele
arbeidsovereenkomsten die zij aangaat met haar medewerkers. De beloning wordt
onder meer bepaald door het niveau van de uitgeoefende functie. De wederpartij
maakt geen gebruik van een functiewaarderingssysteem om dit functieniveau vast
te stellen. Naast het niveau van de functie bepalen volgens de wederpartij de
volgende factoren de beloning van de medewerkers:

a. CAO voor het Bankbedrijf;

b. leeftijd;

c. opleiding;

d. ervaring;

e. dienstjaren;

f. functioneren;

g. onderhandelen bij indiensttreding.

De ontwikkeling in de bruto maandsalarissen van verzoekster en maatman
was in de periode 1987-1990 als volgt:

verzoekster maatman

1987 ƒ 3.300,- ƒ 3.750,-

1988 ƒ 3.500,- ƒ 3.850,-

per 1 november ƒ 3.700,-

1989 ƒ 3.700,- ƒ 4.075,-

1990 ƒ 3.700,- ƒ 4.200,-

Uit dit overzicht blijkt dat verzoekster en maatman in deze periode elk
een salarisverhoging van ongeveer 12% hebben gekregen.

3.3. Ten behoeve van het onderzoek van de Commissie zijn de functies van
verzoekster en maatman geinventariseerd en gewaardeerd door een medewerker van
de LTD. Als beoordelingstijdvak is gekozen voor de periode 2 juni 1986
(indiensttreding maatman) tot 1 juli 1990, de datum waarop verzoekster ontslag
heeft genomen. Aangezien in het bedrijf geen functiewaarderingssysteem is,
zijn de functies gewaardeerd aan de hand van een gangbaar
functiewaarderingssysteem. De functiebeschrijvingen zijn gebaseerd op
verklaringen van de wederpartij, verzoekster en maatman en op de door
verzoekster en maatman ingevulde functie-informatie-formulieren. De
functiebeschrijvingen zijn geaccordeerd door verzoekster en maatman. De
wederpartij heeft de functiebeschrijvingen niet geaccordeerd. Zij is van
mening dat de gegevens van de maatman ten onrechte zijn overgenomen in de
functiebeschrijving van verzoekster. Volgens de wederpartij zijn er meer
verschillen in werkzaamheden dan weergegeven in de functiebeschrijvingen. De
functie van maatman is volgens haar daarom ook van een hoger niveau dan die
van verzoekster. Dit hogere niveau zou worden veroorzaakt door het feit dat
maatman ook de administraties en jaarstukken verzorgt voor BV’s. Daarnaast zou
maatman leiding geven aan verzoekster, in die zin dat verzoekster zich voor
vragen tot hem wendde. Verzoekster heeft dit laatste ontkend. Maatman heeft in
zijn functie-informatie-formulier niet aangegeven dat hij leiding geeft aan
verzoekster.

Bij de waardering van de functies is uitgegaan van de door verzoekster
en maatman ondertekende functiebeschrijvingen. De waardering van de functies
heeft geleid tot een score van 126,5 punten voor de functie van verzoekster en
124,5 punten voor die van maatman. Dit verschil in punten is veroorzaakt door
de persoonlijke contacten met clienten, die in de functie van verzoekster wel
en in die van maatman niet voorkomen. Wat het punt kennis betreft, beschikt de
maatman vergeleken met verzoekster over de extra kennis die nodig is voor het
verzorgen van de administratie, jaarrapporten en aangiften
vennootschapsbelasting voor B.V.’s. Verzoekster compenseert dit echter met
extra kennis, benodigd voor het uitvoeren van haar taakonderdelen “middeling
van jaarresultaten” en “opteren voor Omzetbelasting”. De score van verzoekster
en maatman is op het onderdeel kennis dan ook even hoog.

In het gehanteerde functiewaarderingssysteem wordt veelal een
bandbreedte van 20 punten gehanteerd. Dit betekent dat een verschil van 20
punten wordt aangehouden tussen de opeenvolgende
functiegroepen/salarisschalen.

3.4. Ten aanzien van de beloningsmaatstaven, genoemd onder 3.2., is
tijdens het onderzoek het volgende gebleken.

ad a CAO voor het Bankbedrijf

Zoals gezegd hanteert de wederpartij de CAO voor het Bankbedrijf als
richtsnoer. Medewerkers kunnen op grond van deze CAO volgens twee
salarissystemen worden beloond; het oude en het nieuwe salarissysteem.

Verzoekster werd beloond volgens het oude salarissysteem. Dit systeem
kent vijf salarisschalen, oplopend van I naar IV + 15%. Periodieke verhogingen
zijn gebaseerd op leeftijd. De functie van verzoekster hoort volgens de
wederpartij thuis in schaal III. Uitgaande van haar leeftijd stijgt haar
salaris uit boven deze schaal en ook boven de hoogste schaal, IV + 15%.

Maatman wordt beloond volgens het nieuwe salarissysteem. Dit systeem
kent 15 salarisgroepen, gebaseerd op de zwaarte van de functie (het aantal
Basyspunten). Periodieke verhogingen zijn hier gebaseerd op functiejaren. De
functie van maatman hoort volgens de wederpartij thuis in salarisschaal 7. Zij
gaat echter uit van een -fictieve- indeling in schaal 9. Ook de maatman
ontvangt een hoger salaris dan aangegeven in deze salarisschaal.

Behalve van de eerste assistent van de wederpartij, is ook de –
fictieve- inschaling van de andere medewerkers van de wederpartij bekend. Zij
zijn net als verzoekster ingedeeld volgens het oude salarissysteem. Bepalend
voor hun indeling in de salarisschaal is hun leeftijd. Ook de medewerkers die
na de maatman zijn aangenomen zijn op deze wijze ingedeeld.

ad b leeftijd

Zoals gezegd, speelt in het oude salarissysteem de leeftijd van een
medewerker een rol. De maatman (geboren februari 1955) is ongeveer
drieeneenhalf jaar ouder dan verzoekster (geboren juli 1958). In de
salarisschaal van verzoekster ligt het verschil in salaris bij een
leeftijdsverschil van drie jaar tussen ƒ 200,- en ƒ 300,-, bij een
leeftijdsverschil van vier jaar ligt dit tussen ƒ 300,- en ƒ 400,-. De
verschillen nemen af wanneer de te vergelijken personen ouder zijn (verschil
bij 30 en 33 jaar kleiner dan bij 23 en 26 jaar).

ad c opleiding

Uit het onderzoek is gebleken dat zowel verzoekster als maatman het
Praktijkdiploma Boekhouden bezaten toen zij bij de wederpartij in dienst
traden. Maatman heeft medio 1988, toen hij reeds werkzaam was bij de
wederpartij, het diploma M.B.A. (Moderne Bedrijfsadministratie) gehaald.
Daarna heeft hij een van de zeven deelcertificaten S.P.D. gehaald. Het
salarisverschil tussen verzoekster en maatman bedroeg begin 1988 ƒ 450,- in
het voordeel van maatman. Eind 1988, dus nadat maatman het M.B.A. diploma had
behaald, was dit teruggelopen tot ƒ 150,- per maand. Per 1 januari 1989 liep
het verschil weer op tot ƒ 375,-.

De opvolger van verzoekster was bij indiensttreding ook in het bezit van
het P.D.B. diploma.

ad d ervaring

Op het moment waarop verzoekster ontslag nam had zij zes a zeven jaar
ervaring in haar werk. Maatman is vanaf 1986 werkzaam bij de wederpartij. In
1990 was hij derhalve vier jaar werkzaam in zijn functie.

ad e dienstjaren

Verzoekster heeft bij de wederpartij tot medio 1990 ruim elf dienstjaren
opgebouwd, maatman vier.

ad f functioneren

In eerste instantie heeft de wederpartij aangegeven dat verzoekster een
prima kracht was (brief van 23 juni 1990, gericht aan het Bureau voor
Rechtshulp). Later gaf de wederpartij aan ontevreden te zijn geweest over het
functioneren van verzoekster. Ze zou boekingen foutief hebben uitgevoerd,
langzamer werken dan haar opvolger en moeite hebben gehad met de gesprekken
met de belastingdienst wanneer deze controles uitvoerde bij de wederpartij.
Over het functioneren van maatman is wederpartij zeer tevreden.

ad g onderhandelen

Wederpartij zegt met een nieuwe medewerker te onderhandelen over het
salaris. Zij doet in elk geval een salarisaanbod. Hoe de onderhandelingen zijn
verlopen bij de indiensttreding van maatman wist de wederpartij zich niet te
herinneren.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster is van mening dat zij dezelfde of nagenoeg dezelfde
werkzaamheden heeft verricht als de maatman. Toch ontving zij ƒ 450,- minder
salaris. Dit terwijl de maatman korter in dienst was dan zijzelf. Na november
1988 heeft zij, in tegenstelling tot maatman, geen salarisverhogingen
ontvangen. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door op deze wijze te
handelen onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Over de door de wederpartij gehanteerde beloningscriteria heeft
verzoekster ter zitting nog het volgende opgemerkt.

Het beloningssysteem blijft voor haar onduidelijk. De door de
wederpartij genoemde criteria kunnen het beloningsverschil niet verklaren. Dat
het criterium leeftijd geen rol heeft gespeeld, blijkt volgens verzoekster uit
het feit dat er geen verband bestaat tussen salarisverhogingen en
verjaardagen. Verder kan het criterium opleiding geen reden voor onderscheid
zijn, nu verzoekster en maatman bij indiensttreding hetzelfde diploma bezaten.
Ook het functioneren van verzoekster en maatman kan geen rol spelen, het
beloningsverschil bestond immers vanaf het moment waarop maatman in dienst
trad. Bovendien is er een brief van de wederpartij waarin deze aangeeft
tevreden te zijn over verzoekster.

Dat het salaris van de mannelijke opvolger van verzoekster lager is dan
dat van verzoekster, betekent volgens verzoekster niet dat de wederpartij geen
onderscheid maakt in strijd met de WGB. Temeer niet nu onbekend is welke
functie deze opvolger precies vervult.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

De maatman verricht hoger gekwalificeerd werk dan verzoekster aangezien
hij, anders dan verzoekster, ook de administraties en jaarstukken van B.V.’s
verzorgt. Daarnaast geeft maatman leiding aan verzoekster. De functie van
maatman zou in de CAO voor het Bankbedrijf in een hogere functiegroep worden
ingedeeld dan de functie van verzoekster.

Het salaris van verzoekster stijgt uit boven het maximumbedrag in de
salarisschaal welke de wederpartij als uitgangspunt heeft genomen. Verzoekster
heeft de laatste jaren geen salarisverhoging meer gehad. De reden hiervoor is
bij de salarisverhoging in 1988 (ƒ 200,-) aan verzoekster meegedeeld, te weten
de op dat moment al te hoge beloning.

3.7. Voorts stelt de wederpartij bij de beloning van verzoekster niet in
strijd te hebben gehandeld met de WGB. Zij betaalt verzoekster meer dan
sommige mannelijke medewerkers in een vergelijkbare functie elders verdienen.
Dat zij geen onderscheid maakt naar geslacht blijkt naar haar mening ook uit
de salariering van de (mannelijke) opvolger van verzoekster. Deze is in 1968
geboren, bezit het M.B.A.-diploma en doet zijn werk volgens de wederpartij
uitstekend. In verband met zijn leeftijd zal hij echter pas na verloop van
jaren het salaris van verzoekster kunnen bereiken. Zijn salaris bedraagt ƒ
2.250,- bruto per maand. Dat is ook minder dan de nieuwe medewerkster
verdient, die in een lagere salarisgroep is ingedeeld. Ook hier is de leeftijd
de reden voor het beloningsverschil, zij is immers ouder dan deze mannelijke
medewerker. Volgens de wederpartij voelt deze mannelijke medewerker zich niet
onderbetaald vergeleken met zijn vrouwelijke collega’s.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, nu
verzoekster lager werd beloond dan haar mannelijke collega.

Het onderzoek van de Commissie strekt zich uit over de periode 2 juni
1986 tot 1 juli 1990. De beloning dient voor de periode tot 1 juli 1989 te
worden getoetst aan de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL, Stb. 1975,
129). Voor de periode vanaf 1 juli 1989 dient te worden getoetst aan artikel
1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168).

Artikel 2 WGL respectievelijk artikel 1637ij lid 1 BW en de artikelen 7
WGB en volgende bepalen dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen op het punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke
of nagenoeg gelijke waarde verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien
deze is berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan
van een deugdelijk stelsel van functiewaardering. Daarbij wordt zoveel
mogelijk aangesloten bij het stelsel dat in de organisatie gebruikelijk is.

4.2. Allereerst gaat de Commissie in op de vraag of verzoekster en
maatman arbeid van gelijke danwel nagenoeg gelijke waarde verrichtten.

In dit verband merkt de Commissie eerst het volgende op. De wederpartij
heeft de functiebeschrijvingen niet geaccordeerd omdat er naar haar mening
meer verschillen tussen de functies van verzoekster en maatman bestaan dan
vermeld in deze beschrijvingen. Daartoe heeft de wederpartij in de loop van
het onderzoek twee inhoudelijke verschillen naar voren gebracht. In de eerste
plaats het feit dat de maatman ook werkzaamheden verricht voor B.V.’s en
verzoekster niet. En in de tweede plaats het feit dat de maatman leiding zou
geven aan verzoekster. Wat het eerste bezwaar betreft, merkt de Commissie op
dat dit functiebestanddeel is verwerkt in de functiebeschrijvingen en derhalve
ook is meegewogen bij het waarderen van de functies. Wat het leidinggeven
betreft, stelt de Commissie vast dat zowel maatman als verzoekster er geen
blijk van hebben gegeven dat dit deel uitmaakte van de functie van de
maatman.

Van andere inhoudelijke kanttekeningen van de wederpartij bij de
beschrijving van de inhoud van de functies is de Commissie niet gebleken.
Gelet op het voorgaande gaat zij uit van de functiebeschrijvingen zoals die nu
voorliggen.

In het functiewaarderingsonderzoek scoorde de functie van verzoekster
126,5 punten en die van maatman 124,5 punten. Gelet op dit zeer kleine
verschil, overigens in het voordeel van verzoekster, stelt de Commissie vast
dat verzoekster en maatman arbeid van nagenoeg gelijke waarde verrichtten.

4.3. De vraag die daarna aan de orde komt is of de wederpartij
verzoekster en maatman heeft beloond op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven.

Zoals de Commissie reeds eerder heeft uitgesproken (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 10 april 1990, oordeelnummer
3085-90-12) vloeit uit het systeem van de WGB voort, dat het op de weg van de
werkgever ligt om aan te tonen dat medewerkers worden beloond op grondslag van
gelijkwaardige maatstaven. Dit geldt zeker voor die gevallen waarin, zoals het
Hof van Justitie van de EG uitsprak (Hof van Justitie Europese Gemeenschappen
Handels- og Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark/Danfoss, 17 oktober 1990,
zaak 109/88) een werkgever een stelsel van beloning toepast, dat wordt
gekenmerkt door een volstrekt gebrek aan doorzichtigheid. De werknemers in die
organisatie verkeren dan immers niet in een positie waarin zij zelf de oorzaak
van eventuele beloningsverschillen kunnen achterhalen.

In het onderhavige geval constateert de Commissie dat de wederpartij een
dergelijk ondoorzichtig beloningssysteem hanteert.

Voor de Commissie is niet inzichtelijk geworden, waardoor het
beloningsverschil tussen verzoekster en de maatman wordt veroorzaakt en met
name niet welke criteria voor welk (deel van het) beloningsverschil
verantwoordelijk zijn.

Weliswaar heeft de wederpartij een aantal oorzaken naar voren gebracht,
maar de Commissie acht deze ten dele te ondoorzichtig om in aanmerking te
nemen en ten dele onvoldoende om de beloningsverschillen te rechtvaardigen.

Achtereenvolgens merkt de Commissie daarover het volgende op.

De wederpartij past weliswaar geen CAO toe, maar beroept zich er op de
CAO voor het Bankwezen als richtsnoer te hanteren voor de individuele
arbeidsovereenkomsten met haar medewerkers. Weliswaar kende deze CAO -op dat
moment- bij wijze van overgangsregeling twee verschillende salarissystemen,
maar niet is gebleken dat het indelen van verzoekster in het oude
salarissysteem en de maatman in het nieuwe systeem berust op die CAO. Immers
ook voor medewerkers, die na de maatman in dienst zijn getreden, stelt de
wederpartij aansluiting te hebben gezocht bij het oude salarissysteem. Het
hanteren van deze verschillende salarissystemen binnen een -kleine-
organisatie op een wijze als in het onderhavige geval is gebeurd, bemoeilijkt
naar het oordeel van de Commissie de vergelijking van de beloningen van de
medewerkers aanzienlijk.

Ook overigens meent de Commissie, dat de wederpartij zich ten onrechte
op inschaling van de functies conform bedoelde CAO heeft beroepen.

Immers de indeling van de functies van verzoekster en maatman in
verschillende salarisschalen is volgens de wederpartij gebeurd, omdat zij de
functie van de maatman zwaarder acht dan de functie van verzoekster. Uit de
resultaten van het functiewaarderingsonderzoek blijkt echter, dat het functies
van (nagenoeg) gelijke waarde betreft. De Commissie is dan ook van oordeel,
dat

-voorzover al toepassing is gegeven aan de CAO voor het Bankwezen- de
functies van verzoekster en de maatman in dezelfde schaal hadden behoren te
worden ingedeeld.

Met betrekking tot het criterium leeftijd, dat door de wederpartij als
oorzaak van het beloningsverschil is benadrukt, stelt de Commissie vast dat
het leeftijdsverschil tussen verzoekster en de maatman van ruim drie jaar
mogelijk wel een deel van het beloningsverschil zou kunnen verklaren, maar
zonder meer niet het gehele verschil.

Daartegenover staat bovendien dat de eveneens door de wederpartij
gehanteerde beloningscriteria ervaring en dienstjaren in het voordeel van
verzoekster werken, waardoor in elk geval een deel van het beloningsverschil
wegvalt.

De criteria opleiding en functioneren kunnen ook het verschil in
beloning niet verklaren. Het criterium opleiding niet omdat het
opleidingsniveau van maatman en verzoekster bij hun indiensttreding gelijk
was, terwijl er toen wel meteen al een beloningsverschil bestond. Om dezelfde
reden kan het criterium functioneren evenmin het beloningsverschil verklaren:
immers de wederpartij kon bij indiensttreding nog geen vergelijking trekken
tussen het functioneren van verzoekster en maatman. Van een effect van het
laatste door de wederpartij aangevoerde criterium, het onderhandelen, is de
Commissie tenslotte niet gebleken.

De Commissie constateert op grond van bovenstaande overwegingen dat de
wederpartij niet heeft kunnen aantonen dat zij bij de beloning van verzoekster
en maatman gelijkwaardige maatstaven heeft toegepast. Zij is er niet in
geslaagd haar beloningssysteem inzichtelijk te maken.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat … te Bleiswijk in de
periode 2 juni 1986 tot 1 juli 1990 onderscheid heeft gemaakt naar geslacht
jegens mevrouw … , en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 2 Wet
gelijk loon voor vrouwen en mannen respectievelijk artikel 1637ij lid 1
Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 en volgende Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; drs. Sjerps, secretaris

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 25 juli 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Aan de 65-jarige vrouw wordt een AOW-uitkering toegekend, tengevolge
waarvan de AAW-uitkering van haar echtgenoot wordt gekort. Evenals in de
uitspraak over de samentelling van AAW- en AWW-uitkering (RN 1991, 198) is er
ö
r de mening van de Centrale Raad onvoldoende grond om voor juist te houden
dat meer vrouwen dan mannen met een korting op hun AAW-uitkering worden
geconfronteerd als om voor juist te houden dat dit voor aanmerkelijk meer
mannen dan vrouwen zou gelden. Om deze reden is er voor de Raad al geen grond
het bestaan van indirecte discriminatie aan te nemen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen
van een door de Raad van Beroep te Groningen onder dagtekening 20 november
1985 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 2
juni 1988, waar eiser niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door Mr. W.J. van Brussel, werkzaam bij het
Gemeenschappelijk Administratiekantoor.

Nadat was gebleken dat het onderzoek niet volledig was geweest is het
geding bij bevel van 30 juni 1988 voor nadere behandeling ter trechtzitting
aangehouden.

Nadien zijn van eiser enkele stukken ingekomen.

Het geding is opnieuw behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden
op 4 juli 1991, gevoegd met de zaak, bij de Raad bekend onder nummer AAW
1988/118. Eiser is aldaar niet verschenen, terwijl gedaagde zich wederom heeft
laten vertegenwoordigen door Mr. W.J. van Brussel, voornoemd.

Motivering

Eiser, geboren op 10 maart 1929, genoot sinds 1 oktober 1976 een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 procent. Deze uitkering was
laatstelijk vastgesteld naar de zogeheten hoge grondslag.

Op 31 oktober 1984 bereikte eisers echtgenote de leeftijd van 65 jaar.
Lettende op het bepaalde in art. XXIV van de Wet van 28 maart 1985, Stb. 180
(invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de Algemene
Ouderdomswet alsmede aanpassing van de overige volksverzekeringen) en op de
omstandigheid dat eiser de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt, kende de
Raad van Arbeid te Leeuwarden met ingang van 1 januari 1985 een pensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe ten bedrage van ƒ 782,08 per
maand, alsmede een toeslag ten bedrage van ƒ 782,08 per maand en een
vakantie-uitkering ten bedrage van ƒ 93,29 per maand.

Vervolgens heeft gedaagde bij de bestreden beslissing van 31 mei 1985
met ingang van 1 april 1985 de grondslag van eisers AAW- uitkering verlaagd
tot de zogeheten algemene grondslag en op de uitkering de aan zijn echtgenote
toegekende toeslag gekort, waardoor nog een uitkering van ƒ 29,52 per dag
resteerde.

Laatstgenoemde korting berust op art. XXII van de reeds genoemde Wet van
28 maart 1985, Stb. 180, dat ten tijde als hier van belang als volgt luidde:

‘1. Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is toegekend, en wiens echtgenoot
aanspraak heeft op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet,
ingevolge deze wet geacht wordt geen inkomen uit of in verband met arbeid in
het bedrijfs- of beroepsleven te ontvangen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, voor zover deze het bedrag
van de bruto-toeslag, die ingevolge de Algemene Ouderdomswet of deze wet aan
de echtgenoot wordt toegekend, overtreft.

2. De vakantie-uitkering waarop degene, als bedoeld in het eerste lid,
uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsuitkering recht heeft, wordt slechts
uitbetaald, voor zover deze 50 procent van de vakantie-uitkering, die
ingevolge de Algemene Ouderdomswet aan de echtgenoot wordt toegekend,
overtreft, voor zover die vakantie-uitkeringen over dezelfde perioden zijn
berekend.’

De eerste rechter heeft het beroep tegen de beslissing ongegrond
verklaard, oordelende dat gedaagde aan het zojuist aangehaalde wetsartikel een
correcte toepassing had gegeven.

In hoger beroep beperkt het geschil zich tot de vraag of gedaagde door
deze toepassing in strijd heeft gehandeld met het verbod van (indirecte)
discriminatie naar geslacht en derhalve of de beslissing en de daaraan ten
grondslag liggende wettelijke bepaling in overeenstemming zijn met de op dit
punt toepasselijke, bindende voorschriften van supra- en internationaal
recht.

In verband hiermee zal de Raad eerst nagaan of de bepaling al dan niet
in strijd is met de richtlijn 79/7/EEG van de Raad van Ministers van de
Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied
van de sociale zekerheid (hierna: de EG-richtlijn). Daarbij is van belang dat
art. 4 van de EG-richtlijn onder meer indirecte discriminatie op grond van
geslacht verbiedt.

Van dergelijke discriminatie kan sprake zijn als een regeling die op
zichzelf sekse-neutraal is, door verwijzing naar bijvoorbeeld de echtelijke
staat of de gezinssituatie een aanmerkelijk groter deel van hetzij de vrouwen
hetzij de mannen in vergelijking met de leden van het andere geslacht nadelig
treft, terwijl daarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat.

De Raad constateert dat de regeling van art. XXII van de Wet van 28
maart 1985, Stb. 180 op zichzelf sekse-neutraal is. De Raad stelt echter
tevens vast dat de regeling voor gehuwde personen leidt tot verlaging van de
AAW-uitkering indien de huwelijkspartner recht verkrijgt op een
ouderdomspensioen ingevolge de AOW met een toeslag, en de vraag is nu of de
regeling hierdoor een aanmerkelijk groter deel van hetzij de vrouwen hetzij de
mannen in vergelijking met de leden van het andere geslacht nadelig treft.

Dit laatste zou alleen dan het geval kunnen zijn als meer vrouwen dan
mannen, dan wel meer mannen dan vrouwen in verband met het verkrijgen, door de
huwelijkspartner, van een AOW-pensioen met een korting op hun AAW-uitkering
geconfronteerd zouden worden.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

De regeling van art. XXII van de Wet van 28 maart 1985, Stb. 180 treft
AAW-gerechtigden met een oudere huwelijkspartner. Van de gehuwde vrouwen in
Nederland heeft, naar van algemene bekendheid is, het merendeel een oudere
mannelijke partner. Als gevolg hiervan zullen meer vrouwen dan mannen doordat
hun huwelijkspartner een recht op AOW-pensioen verkrijgt, met de korting op
hun AAW-uitkering te maken krijgen. Anderzijds nemen, zoals eveneens van
algemene bekendheid is, meer mannen dan vrouwen aan het beroeps- en
bedrijfsleven deel en zal derhalve een groter aantal mannen dan vrouwen in het
genot van een AAW- uitkering zijn.

Deze gegevens bieden, in samenhang bezien, onvoldoende grond zowel om
voor juist te houden dat aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen als gevolg van
een verkregen AOW-pensioen van hun huwelijkspartner met een korting op hun
AAW-uitkering geconfronteerd worden, als om voor juist te houden dat dit voor
aanmerkelijk meer mannen dan vrouwen zou gelden. Voor beide veronderstellingen
geldt immers dat er gegevens bestaan welke eerder het tegendeel aannemelijk
maken. Nu ten gedinge ook overigens niet is gebleken van gegevens waaruit de
juistheid van een van beide veronderstellingen valt af te leiden, vindt de
Raad reeds om dezer reden geen grond het bestaan van indirecte discriminatie
aan te nemen.

De Raad concludeert dat de regeling van art. XXII van de Wet van 28
maart 1985, Stb. 180 niet onverenigbaar is met hetgeen de EG- richtlijn
bepaalt omtrent de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale
zekerheid.

Dezelfde overwegingen leiden de Raad tot het oordeel, dat hier evenmin
gesproken kan worden van verboden onderscheid naar geslacht in de zin van art.
26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten,
Trb. 1978/177.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak, zij het met
aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt, zodat wordt
beslist als volgt.

Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mr S.V. Hoogendijk-Deutsch als voorzitter, mr N.J. Haverkamp en mrG.A.J. van den Hurk als leden.

Instantie: Hof van Justitie EG, 25 juli 1991

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Gelijke behandeling in de sociale zekerheid. Richtlijn 79/7.
Rechtstreekse werking en nationale beroepstermijnen. Het gemeenschapsrecht
verzet zich ertegen dat autoriteiten van een lidstaat het verstrijken van
nationale beroepstermijnen inroepen in het kader van een beroep dat voor de
nationale rechter tegen de staat is ingesteld door een justitiabele ter
bescherming van de rechten die rechtstreeks worden toegekend door art. 4 lid 1
van de richtlijn 79/7.

Volledige tekst


Het argument dat pas door correcte implementatie de particulieren de
omvang van hun rechten kunnen vaststellen is in zo’n geval wellicht nog
dwingender dan in een situatie waarin de richtlijnbepaling wel directe werking
heeft, als de betrokken bepaling niet directe werking heeft c.q. niet
voorschrift om rechten te creeren, vervalt echter – achteraf – de doorbreking
van beroepstermijnen.

De justitiabele zal met een beroep op een niet direct werkende bepaling
vaak weinig opschieten; tenzij de nationale rechter het nationale recht
conform de richtlijn interpreteert. De vraag of en in hoeverre Emmott ook
gevolgen kan hebben voor gevallen van richtlijn conforme uitleg laat ik hier
ter wille van de ruimte buiten beschouwing. Wel meen ik dat de vraag niet bij
voorbaat ontkennend beantwoord moet worden. Maar ook in een ander opzicht is
de uitspraak in Emmott van belang. Niet tijdige of niet correcte implementatie
van een richtlijn, ongeacht de vraag of haar bepalingen al dan niet directe
werking hebben, kan tot aansprakelijkheid van de lidstaat leiden voor de
schade die de justitiabele hierdoor lijdt. Emmott brengt naar mijn mening met
zich mee dat de justitiabele, die een schadevergoedingsactie tegen de staat
aanspant, de verjaringstermijnen niet mogen worden tegengeworpen. Immers ook
in zo’n geval moet gelden dat de lidstaat geen bescherming door het
rechtszekerheidsbeginsel verdient indien hijzelf een situatie van
rechtonzekerheid voor de particulieren heeft laten voortbestaan. Hiermee kom
ik eigenlijk al terecht bij de hieronder gepubliceerde zaak, namelijk het
arrest van het Hof in Francovich en Bonifaci.

Sacha Prechal

Rechters

Mrs Due, O’Higgins, Rodraguez Iglesias, Daez de Velasco, Slynn,Kakouris, Joliet, Schockweiler en Kapteyn; A-G Jean Mischo