Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juli 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een “administratief
medewerker”. Niet vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.
In strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 maart 1991 verzocht mevrouw … te Mill (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door … te Uden (hierna: wederpartij)
onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een betrekking in strijd met de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een “administratief
medewerker”. Bij het telefonisch verstrekken van informatie over de functie
zou een medewerker van de wederpartij aan verzoekster hebben meegedeeld dat de
functie alleen voor mannen openstond. Verzoekster is van mening dat deze
vacaturevermelding in strijd is met de WGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoekster te reageren.

2.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het Udens Weekblad

d.d. 20 maart 1991. In de advertentie vraagt de wederpartij om een
“administratief medewerker”. In de vacaturevermelding staat niet vermeld dat
zowel mannen en vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

Op 22 maart 1991 heeft verzoekster telefonische informatie ingewonnen
over de betreffende functie. Een medewerker van de wederpartij deelde toen
mede dat voor deze functie een man werd gezocht.

3.2. De wederpartij geeft toe dat bij het gebruik van de functiebenaming
“administratief medewerker” de toevoeging “m/v” niet is gehanteerd. De
wederpartij deelt mee: “de vermeende advertentie is geplaatst door -en in
verband met ziekte- van de administratief medewerker. Deze heeft de
advertentie opgesteld vanuit zijn situatie en heeft niet opzettelijk
onderscheid willen maken”.

Wederpartij merkt op dat op deze functie zowel mannen als vrouwen hebben
gesolliciteerd.

Voorts stelt de wederpartij dat zij zich, gelet op allerlei
omstandigheden, kan voorstellen dat een van haar medewerkers tijdens het
telefoongesprek met verzoekster meedeelde dat de functie alleen voor mannen
openstond.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
“administratief medewerker” te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld
heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3

schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en de vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

4.4. In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld,
namelijk “administratief medewerker”. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie.

Wat betreft de nadere telefonische informatie wijst de Commissie erop
dat een dergelijke mededeling de indruk van verzoekster bevestigt, namelijk
dat alleen mannen in aanmerking komen.

4.5. Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op
grond van geslacht in strijd met

artikel 3 lid 1, lid 3 en lid 4 van de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat … te Uden bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3
lid 1,

lid 3 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris … te Uden

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 10 juli 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde, die jaren met haar moeder heeft samengewoond, vraagt terzake
van het overlijden van haar moeder een overlijdensuitkering aan. De Raad van
Beroep te ‘s- Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 5 oktober 1988 (RN
1989, 30) de beslissing van de SVB om geen overlijdensuitkering toe te kennen
vernietigd. Naar de mening van de Raad wordt er een onderscheid gemaakt tussen
duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerende partners tussen wie geen
bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat en (duurzaam een
gemeenschappelijke huishouding voerende) partners tussen wie wel
bloedverwantschap bestaat. Naar de mening van de Raad was er sprake van
ongelijke behandeling van gelijke gevallen, dus strijd met art. 26 Bupo-
verdrag op grond van ‘geboorte of status’.

De Centrale Raad vernietigt de uitspraak van de Raad van Beroep. Naar de
mening van de Centrale Raad heeft de wetgever beoogd de gelijkstelling van
ongehuwden met ongehuwd samenwonenden te beperken tot die samenlevingsvormen
die in sociaal-economische opzicht vergelijkbaar zijn, dat wil zeggen wat
betreft behoefte en draagkracht zich niet onderscheidt van de huwelijkse
samenlevingsvorm. Dus geen strijd met art. 26 Bupo-verdrag.

Hoewel het wellicht zuur is voor gedaagde dat aan haar geen
overlijdensuitkering wordt uitbetaald, terwijl zij waarschijnlijk wel de
kosten heeft mogen betalen, moet de uitspraak van de Centrale Raad worden
toegejuicht. Zoals de Raad ook overweegt, zou de gelijkstelling onder andere
ook tot consequentie hebben dat aanspraak op een toeslag kan worden gemaakt.
Maar de gelijkstelling zou bijvoorbeeld ook zijn uitstraling hebben naar de
Algemene Bijstandswet. Nog meer mensen zouden aan elkaar worden geplakt en de
individualisering kan dan beter worden vergeten.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 3 juli 1987 heeft eiser aan gedaagde kennis gegeven
van zijn beslissing dat naar aanleiding van het overlijden van M.A. B. -O.,
geboren op 18 juni 1901, op grond van artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet
(hierna: AOW), geen recht bestaat op overlijdensuitkering, omdat de overledene
ten tijde van haar overlijden geen minderjarige kinderen had en niet
grotendeels voorzag in de kosten van het bestaan van een of meer andere
personen met wie zij in gezinsverband leefde.

De Raad van Beroep te ‘s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 5 oktober
1988, beslissende op het door gedaagde ingestelde beroep, de beslissing
vernietigd en bepaald dat eiser een nadere beslissing dient te nemen met
inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Eiser is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In een
aanvullend beroepschrift d.d. 2 februari 1989 heeft eiser de gronden waarop
het hoger beroep berust, nader uiteengezet.

Het geding is -gevoegd met de gedingen bij de Raad geregistreerd onder
de nummers AOW 1989/42 en AOW 1990/77-, behandeld ter terechtzitting van de
Raad, gehouden op 22 juli 1991, waar eiser zich heeft doen vertegenwordigen
door Mr. J.P. en Mr. G.B.R., beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank,
en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of eiser terecht
aan gedaagde, ter zake van het overlijden van haar moeder op 25 februari 1987,
de overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de AOW
heeft ontzegd.

Bij beantwoording van die vraag gaat de Raad aan de hand van de
gedingstukken en het verhandelde te zijner terechtzitting uit van de feiten
die door de eerste rechter in de aangevallen uitspraak als volgt zijn
weergegeven:

” Klaagster die nooit gehuwd is geweest, woonde kennelijk gedurende
jaren samen met haar moeder. Klaagster had in 1987 een uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van ƒ 1.369,63 netto per
maand, terwijl haar moeder een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet
(AOW) genoot van ƒ 1.081,71 netto per maand. De kosten van levensonderhoud
werden door klaagster en haar moeder gezamenlijk gedragen. Op 25 februari 1987
is klaagsters moeder overleden. Naar aanleiding daarvan heeft klaagster bij
verweerder een zogenaamde overlijdensuitkering aangevraagd, als bedoeld in
artikel 18 van de AOW (zoals die wet luidt sedert 1 april 1985).
… Klaagster heeft …. de raad verzocht te bepalen dat bedoelde
overlijdensuitkering haar alsnog wordt toegekend.”

De eerste rechter heeft de beslissing van eiser vernietigd. Die rechter
heeft daartoe in hoofdzaak overwogen dat gedaagde met haar moeder een
gezamenlijke huishouding voerde en dat zij gezamenlijk voorzagen in
huisvesting en beiden een bijdrage leverden in de kosten van de huishouding
als aangegeven in artikel 1, derde en vierde lid, van de AOW. De eerste
rechter heeft vastgesteld dat er met het oog op de overlijdensuitkering een
onderscheid is gemaakt tussen (duurzaam een gezamenlijke huishouding voerende)
partners tussen wie geen bloedverwantschap in de eerste of de tweede graad
bestaat en (duurzaam een gezamenlijke huishouding voerende) partners tussen
wie wel een dergelijke bloedverwantschap bestaat. De eerste rechter heeft,
ervan uitgaande dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van (een
ongelijke behandeling van) gelijke gevallen niet alle aspecten van de
betrokken gevallen in ogenschouw moeten worden genomen, maar slechts die
aspecten die relevant zijn te achten met het oog op het doel van de regeling
binnen het kader waarvan het onderscheid is gemaakt, geoordeeld, dat de
situatie van twee samenwonende bloedverwanten met het oog op het doel van een
wet als de AOW en in het bijzonder de daarin geregelde overlijdensuitkering,
geen relevante verschillen vertoont met die van andere samenwonenden,
respectievelijk gehuwden. De eerste rechter kwam aldus tot de slotsom dat er
sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en dat voor het
gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond
aanwezig is. Een discriminatie op grond van “geboorte of andere status”
aanwezig achtend, die strijdig is met artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (Verdrag van New York, 19
december 1966, voor Nederland goedgekeurd bij wet van 24 november 1978, Stb.
624, hierna te noemen: IVBPR), was die rechter van oordeel dat artikel 1,
derde lid, van de AOW, buiten toepassing dient te blijven voor zover daarin
bij de gelijkstelling van bepaalde niet gehuwde personen met gehuwden een
uitzondering is gemaakt voor personen tussen wie bloedverwantschap in de
eerste of tweede graad bestaat, en dat eiser ten onrechte heeft geweigerd aan
gedaagde, als met een echtgenoot gelijk te stellen ongehuwde, een
overlijdensuitkering toe te kennen ter zake van het overlijden van haar
moeder.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad kan het oordeel van de eerste rechter, inhoudend dat de
uitsluiting van duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerende
bloedverwanten, van de in art. 1, derde lid, van de AOW geregelde
gelijkstelling met gehuwden, een met art. 26 van het IVBPR strijdige
discriminatie oplevert, niet tot het zijne maken.

Met eiser is de Raad van oordeel dat er, wanneer het enerzijds gaat om
ongehuwde personen die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, dat wil
zeggen, gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en gezamenlijk
bijdragen in de kosten van de huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars
verzorging voorzien, en anderzijds om bloedverwanten in de eerste of tweede
graad die gezamenlijk in huisvesting voorzien en een gezamenlijke huishouding
voeren, geen sprake is van gelijke gevallen.

Uit de wetsgeschiedenis van de wijziging van de AOW met ingang van 1
januari 1987 blijkt, dat de wetgever, in overeenstemming met de adviezen van
de Sociaal Economische Raad en van de Raad van State, heeft beoogd de
gelijkstelling van gehuwden met ongehuwd samenwonenden te beperken tot die
samenlevingsverbanden die in sociaal-economisch opzicht met het huwelijk
vergelijkbaar zijn, dat wil zeggen, dat de samenlevingsvorm wat betreft
behoefte en draagkracht zich feitelijk niet onderscheidt van de huwelijkse
samenlevingsvorm. In de wetsgeschiedenis wordt voor de desbetreffende groep
van samenwonende ongehuwden voortdurend de term ‘partners’ gebruikt. Ten tijde
van de parlementaire behandeling is de vraag of de gelijkstelling betrekking
dient te hebben op een pensioengerechtigde die een gemeenschappelijke
huishouding voert met een van zijn kinderen, uitdrukkelijk onder ogen gezien
en ontkennend beantwoord. Het uitgangspunt van de regering dat er slechts
sprake kan zijn van gelijkstelling als het gaat om partners die samenleven
‘als waren zij gehuwd’ is daarbij door het parlement onderschreven, maar om
redenen van objectieve hanteerbaarheid is via een amendement op het
oorspronkelijke wetsvoorstel, gekozen voor de formulering als thans in art. 1,
derde en vierde lid, van de AOW neergelegd. Grondslag voor het onderscheid is
het veronderstelde verschil in behoefte en draagkracht. De Raad kan in dit
onderscheid geen met art. 26 van het IVBPR strijdige discriminatie zien.

Hoewel in een individueel geval wellicht gesteld kan worden dat de
desbetreffende samenwonende bloedverwanten zich wat betreft behoefte en
draagkracht feitelijk niet onderscheiden van de huwelijkse samenlevingsvorm,
acht de Raad geen grond aanwezig om het standpunt van de wetgever, zoals dat
uit de parlementaire behandeling naar voren komt, te weten dat het in gelijke
mate delen van uitgaven als ‘partners’, voor samenwonende bloedverwanten niet
normatief gesteld kan worden, niet voor redelijk en objectief gerechtvaardigd
te houden. De Raad wijst er daarbij op dat het Comite voor de rechten van de
mens, bedoeld in art. 28 en volgende van het IVBPR als zijn oordeel, heeft
uitgesproken (beslissing van 9 april 1987, nr. 180/1984, in de zaak Danning,
gepubliceerd in RSV 1988, nr. 201) dat het recht op gelijke behandeling niet
betekent dat ieder onderscheid ontoelaatbaar is. Onderscheidingen, berustend
op redelijke en objectieve criteria leveren geen door art. 26 verboden
discriminatie op. De Raad is in het licht van evenbedoelde beslissing van het
Comite, van oordeel dat er in casu geen sprake is van een onderscheid dat in
redelijkheid niet relevant kan worden geacht voor het bepalen van aanspraken
en verplichtingen in (onder meer) de AOW, en dat er geen sprake is van gelijke
gevallen. Van strijd van het in art. 1, derde lid, van de AOW gemaakte
verschil ten aanzien van ongehuwd samenwonenden die wel of niet bloedverwant
van elkaar zijn, met art. 26 van het IVBPR, is naar het oordeel van de Raad
dan ook geen sprake.

De Raad vestigt er daarbij de aandacht op dat de keerzijde van het in
art. 1, derde lid, van de AOW gemaakte onderscheid is, dat duurzaam een
gemeenschappelijke huishouding voerende bloedverwanten ook (ieder) een
AOW-pensioen ontvangen naar het niveau van een ongehuwde. In de lijn van het
oordeel van de eerste rechter past dan dat samenwonende bloedverwanten in
voorkomende gevallen ook (ieder) een (lager) gehuwdenpensioen of – in het
geval dat een van de samenwonende bloedverwanten jonger is dan 65 jaar – een
gehuwdenpensioen, al dan niet met een toeslag, dienen te ontvangen.

De Raad wijst er tenslotte nog op dat samenwonende bloedverwanten niet
ten principale zijn uitgesloten van het ontvangen van een
overlijdensuitkering. In geval de pensioengerechtigde in een gezinsverband met
een bloedverwant samenleefde, kan in voorkomende gevallen aanspraak bestaan op
overlijdensuitkering wanneer voldaan is aan een ander vereiste, namelijk dat
de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag van degene met
wie hij in gezinsverband samenleefde. Aan dit vereiste evenwel werd, naar ook
de eerste rechter heeft vastgesteld, door gedaagde niet voldaan.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot het oordeel dat de
aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dient te worden
vernietigd.

De Raad heeft mitsdien beslist als in rubriek III van deze uitspraak is
weergegeven.

III.

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mrs Van der Veen, Van der Net, Garvelink-Jonkers

Instantie: Raad van Beroep Groningen, 9 juli 1991

Instantie

Raad van Beroep Groningen

Samenvatting


Klaagster is op 11 maart 1981 arbeidsongeschikt geworden. Zij was toen
werkloos uit een part-time dienstbetrekking en gehuwd. Haar huwelijk is
ontbonden op 25 augustus 1985. In het jaar voorafgaand aan haar
arbeidsongeschiktheid heeft klaagster geen inkomsten uit arbeid genoten, maar
wel een WW-uitkering.

Aangezien zij gehuwde vrouw was en geen kostwinster, kwam zij destijds
niet in aanmerking voor een WWV-uitkering. Aan klaagster is een AAW-uitkering
toegekend met een individuele grondslag van ƒ 20,03 per dag. Deze grondslag is
berekend door de in het refertejaar genoten WW-uitkering van ƒ 5.207,84 te
delen door het aantal in dat jaar gelegen dagen waarop die uitkering is
genoten. Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend. Naar haar
mening werden in de AAW en de daarbijbehorende regelingen bepaalde uitkeringen
wel aangemerkt als inkomen, waaronder de WWV-uitkering. Als er een
uitsluitingsgrond werd toegepast, werd er toch gerekend met een fictief
inkomen, met uitzondering van de uitsluitingsgrond, welke gold voor de gehuwde
vrouw niet-kostwinster. Dat betekent dat de AAW en de daarbijbehorende
besluiten nog steeds de vrouw discrimineren. De Raad van Beroep verklaart het
beroep gegrond.

Gegeven de (kennelijke) bedoeling van de wetgever om de AAW- regels met
ingang van 1 januari 1980 vrij van discriminerende gevolgen te doen zijn, kan
de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat de wetgever die bedoeling niet
heeft gerealiseerd.

Voor dit nalaten kan de Raad geen objectieve en redelijke grond, welke
niets van doen heeft met discriminatie, ontwaren.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Mevrouw mr. B.I. Klaassens, advocaat te Groningen, heeft namens
klaagster beroep ingesteld tegen verweerders beslissing van 27 september
1988.

Verweerder heeft de gedingstukken, alsmede een contra-memorie,
ingezonden. Partijen hebben een afschrift van de stukken ontvangen.

Op 9 september 1990 is partijen bericht dat de behandeling van het
geding werd opgeschort in verband met vragen, welke in een ander geding aan
het Hof van Justitie waren gesteld (zaak Wilbrink).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter terechtzitting
van 13 juni 1991, gehouden te Groningen. Klaagster is in persoon verschenen en
bijgestaan door mw. mr. m. Griffioen, advocaat te Groningen. Verweerder is, na
daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn, verschenen bij diens gemachtigde mw.
mr. L.E. Mollerus, juridisch medewerkster van verweerder.

II. Motivering

Klaagster is op 11 maart 1981 arbeidsongeschikt geworden. Zij was toen
werkloos uit een parttime-dienstbetrekking en gehuwd. Haar huwelijk is
ontbonden op 25 augustus 1985 door inschrijving van het vonnis van
echtscheiding.

In het zogeheten refertejaar, dat loopt van 9 maart 1980 tot 11 maart
1981, heeft klaagster geen inkomsten uit arbeid genoten, doch wel inkomsten in
verband met arbeid; te weten: uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ten
bedrage van ƒ 5207,84 over de periode van 9 maart 1980 tot 5 juli 1980.

Aansluitend aan de WW-uitkering heeft klaagster geen uitkering ingevolge
de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) aangevraagd, omdat zij gehuwde vrouw en
geen kostwinster was. Inmiddels is dit wel geschied, doch het verzoek is
afgewezen.

Klaagster heeft hier in berust.

Klaagster heeft op 4 maart 1985 een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd. Nadat de Nieuwe Algemene
Bedrijfsvereniging had beslist en klaagster beroep had ingesteld, heeft
verweerder zich bevoegd geacht. Dit heeft geleid tot een beschikking van de
voorzitter van de Raad, waarbij de beslissing van de Nieuwe Algemene
Bedrijsvereniging werd vernietigd.

Verweerder heeft klaagster vervolgens een AAW-uitkering toegekend met
een individuele grondslag van ƒ 0,00. Verweerder was tot deze beslissing
gekomen voor alle dagen van werkloosheid in het refertejaar, alsmede de op een
deel van die dagen genoten WW-uitkering buiten aanmerking te laten voor de
berekening van de grondslag. Verweerder heeft daarbij artikel 2 aanhef en
onderdeel b van het Besluit gemiddeld per dag verworden inkomen AAW
toegepast.

Deze beslissing van verweerder is in beroep bestreden. Ook dat geding is
geendigd met een beschikking van de voorzitter van de Raad. Bij die
beschikking is de beslissing van verweerder vernietigd naar aanleiding van
verweerders mededeling dat de beslissing niet werd gehandhaafd in verband met
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 1988, AAW 1984/B 36,
gepubliceerd in RSV 1988 onder nr. 258.

Verweerder heeft vervolgens wederom een individele grondslag voor
klaagster vastgesteld. Deze is berekend door de in het refertejaar genoten
WW-uitkering van ƒ 5207,84 te delen door het aantal in dat jaar gelegen dagen,
waarop die uitkering is genoten. Dit leidde tot een grondslag van ƒ 20,30 met
ingang van 10 maart 1982.

Deze beslissing is klaagster medegedeeld bij voor beroep vatbare
beslissing van 27 september 1988. Klaagsters gemachtigde heeft beroep
ingesteld tegen deze beslissing. Zij heeft de volgende bezwaren tegen
verweerders beslissing aangevoerd:

“Voordat klaagster werkloos werd, werkte zij gedurende 20 uur per week
tegen een uurloon van ƒ 18,36 met een vakantietoeslag van 7 1/2%.

Op jaarbasis was haar inkomen derhalve ƒ 20.526,-. Haar inkomen lag
derhalve niet onder 260 maal de grondslag, indien zij niet werkloos zou zijn
geworden. Niet het parttime werken was derhalve de oorzaak van het lage
inkomen in het refertejaar, maar de werkloosheid en het feit, dat er
toendertijd nog een regeling gold bij WWV, die gehuwde vrouwen
discrimineerde.

“In de AAW en de daarbijbehorende regelingen worden bepaalde uitkeringen
wel aangemerkt als inkomen, waaronder de WWV-uitkering. Indien een
uitsluitingsgrond, als bedoeld in artikel 13 der WWV werd toegepast, werd er
toch gerekend met een fictief inkomen, met uitzondering van de
uitsluitingsgrond, welke gold voor de gehuwde vrouw, niet kostwinner.

Dit betekent, dat de AAW en de daarbijbehorende besluiten inzake inkomen
en individuele grondslag nog steeds, via verwijzing naar de WWV en door
onderscheid te maken tussen de verschillende uitsluitingsgronden, de vrouw
discrimineerden, ondanks het feit, dat de AAW in 1980 zodanig gewijzigd werd,
dat man en vrouw van gelijke behandeling werden verzekerd.

“Bij haar uitspraak van 5 januari 1988 inzake het recht op AAW van
gehuwde vrouwen, heeft de Centrale Raad uitgemaakt, dat de AAW met ingang van
de wijziging per 1 januari 1980 dient te voldoen aan de eis van gelijke
behandeling, zoals neergelegd in artikel 26 van de Verdrag inzake Burgerlijke
en Politieke Rechten.

Door verwijzing naar de, toen nog steeds discriminerende, WWV voldoet de
AAW hieraan op dit punt niet.

De bestreden beslissing komt derhalve in strijd met artikel 26.

“Daarnaast komt de bestreden beslissing in strijd met de derde
EG-richtlijn. Niet alleen wat betreft het vorenstaande, maar ook omdat de
individuele grondslag een indirecte discriminatie inhoudt.

Op dit laatste punt is thans een prejudiciele vraag voorgelegd aan het
EG-Hof door uw Raad.”

Verweerder heeft in hoofdzaak als volgt op deze bezwaren gereageerd:

“Ook in casu is door klaagster in het referte-jaar niet in een voor jaar
beroep normaal te achten duur arbeid in het beroeps- en bedrijfsleven
verricht. Zoals in het klaagschrift zelf is aangegeven was klaagster toen
immers werkloos. Ook bleven de feitelijk door haar genoten inkomsten, te weten
een uitkering ingevolge de WW, beneden het bedrag ter grootte van 260 maal het
bedrag van de grondslag welke zonder toepassing van artikel 10 vijfde lid AAW
voor haar zou hebben gegolden. Onder deze omstandigheden blijft verweerder van
oordeel dat de beslissing om haar uitkering met toepassing van de zogenaamde
individuele grondslag vast te stellen op goede gronden berust.

“Wat betreft de hoogte van de door klaagster genoten inkomsten merkt
verweerder op, uit te gaan van de inkomsten welke door klaagster daadwerkelijk
zijn verworven. Indien klaagster van oordeel is dat haar -achteraf gezien-
indertijd ten onrechte geen uitkering ingevolge de WWV is verstrekt dient zij
zich te wenden tot het uitvoeringsorgaan dat bevoegd was over toekenning van
die uitkering te beslissen. Indien dat uitvoeringsorgaan, te weten de
Gemeentelijke Sociale Dienst, alsnog zou besluiten aan klaagster een
WWV-uitkering toe te kennen tengevolge waarvan de feitelijke inkomenssituatie
van eiseres alsnog wijziging zou ondergaan, is verweerder bereid de
vaststelling van de grondslag in casu opnieuw te bezien. Vooralsnog ziet
verweerder hiertoe echter geen aanleiding.

“In het klaagschrift wordt verder nog opgemerkt dat de toepassing van de
invdividuele grondslag een indirecte discriminatie zou inhouden. De bestreden
beslissing zou derhalve in strijd zijn met het bepaalde in artikel 26 van het
Bupo-Verdrag en de zogenaamde derde EEG-richtlijn. Ook op dit punt verschilt
verweerder met klaagster van mening. Verweerder wijst er hierbij op dat in de
reeds meermalen genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ook op dit
punt voor het oordeel van klaagster geen enkele steun te vinden is.”

Partijen hebben hun stellingen ter terechtzitting gehandhaafd.

De Raad is tot het volgende oordeel gekomen.

Vaststelling van een individuele grondslag voor een vrouwelijke
AAW-gerechtigde is op zichzelf niet strijdig met artikel 26 IVBPR of, indien
van toepassing artikel 47, eerste lid, van de EEG-richtlijn 79/7. Klaagsters
gemachtigde heeft dit uitgangspunt ter terechtzitting onderschreven.

Partijen zijn nog verdeeld over de hoogte van de op 10 maart 1982 voor
klaagster geldende individuele grondslag.

Klaagster heeft de vaststelling door verweerder van die hoogte niet
bestreden, voorzover deze een gevolg is van het door de Centrale Raad van
Beroep in evenvermelde uitspraak gegeven oordeel over artikel 2 van het
Besluit gemiddeld per dag verworven inkomen AAW (Besluit van 26 juni 1980,
Stcrt. 1980/133). Klaagster bestrijdt echter wel de toepassing door verweerder
van dit artikel, voorzover verweerder slechts de genoten WW-uitkering als
inkomen heeft aangemerkt en dit inkomen door 260 (dagen) heeft gedeeld.

De Raad is van oordeel dat de berekening van de individuele grondslag op
grond van de regels van evenvermeld besluit (Besluit gemiddeld per dag
verworven inkomen AAW van 26 juni 1980, Stcrt. 1980/133) in samenhang met de
regels van het voormalige Inkomensbesluit AAW (Besluit van 26 juni 1980, nr.
53080, Stb. 1980/133) met ingang van 1 januari 1980 niet meer mag worden
beinvloed door AAW-regels welke een discriminerende werking hebben. Beiden
besluiten vloeien immers voort uit de kennelijke bedoeling van de wetgever om
de AAW met ingang van 1 januari 1980 met het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen in overeenstemming te brengen (vgl. CRvB 5 januari 1988,
AAW 1983/S90, RSV 1988/200).

Artikel 1 van het op 10 maart 1982 vigerende Besluit gemiddeld per dag
verworven inkomen AAW luidde als volgt:

“Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder inkomen in het
jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop zijn arbeidsongeschiktheid is
ingetreden: hetgeen onder dat inkomen wordt verstaan op grond van artikel 14
van het Inkomensbesluit AAW.

Dit inkomen wordt geacht te zijn verworven met arbeid op 5 dagen per
week gedurende 52 weken per jaar”.

Artikel 3 van het op 10 maart 1982 vigerende Inkomensbesluit luidde als
volgt:

“1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onder a, wordt,
indien en voor zover bedoelde arbeid als werknemer in de zin van artikel 2 van
de Coordinatiewet Sociale Verzekering is verricht, verstaan het loon in de zin
van die wet met dien verstande, dat bij de vaststelling van die opbrengst het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 en 9a van meergenoemde wet buiten
toepassing blijft.

“2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt mede als
opbrengst van arbeid beschouwd:

a. een uitkering ingevolge de Ziektewet, alsmede uitkeringen, die naar
aard en strekking overeenkomen met uitkeringen ingevolge de Ziektewet;

b. een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, alsmede uitkeringen die
naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen ingevolge de
Werkloosheidswet;

c. een uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening.”

Verweerder heeft voor de berekening van de individuele grondslag van
klaagster op grond van meervermeld artikel 2 toepassing gegeven aan deze
artikelen.

Op grond van artikel 3 van het Inkomensbesluit heeft verweerder
klaagsters WW-uitkering als het in het refertejaar genoten inkomen aangemerkt.
Verweerder is van oordeel dat de regels van de AAW geen ruimte bieden voor een
andere benadering: slechts feitelijk genoten ruimte bieden voor een andere
benadering: slechts feitelijk genoten inkomsten tellen mee.

Op grond van art. 3 van het Inkomensbesluit heeft verweerder klaagsters
WW-uitkering als het in het refertejaar genoten inkomen aangemerkt. Verweerder
is van oordeel dat de regels van de AAW geen ruimte bieden voor een andere
benadering: slechts feitelijk genoten inkomsten tellen mee.

Verweerder ziet hier echter over het hoofd dat klaagsters gemachtigde
heeft verwezen naar art. 5, tweede lid, van het op 10 maart 1982 vigerende
Besluit verzekerden die geacht worden voor het intreden van de
arbeidsongeschiktheid inkomen te hebben verworven (KB van 28 april 1980, Stb.
263).

Dit luidde als volgt:

“De verzekerde, die gedurende een tijdvak in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden wegens
werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering dan wel een verlaagde
uitkering wordt toegekend op grond van het bepaalde in de artikelen 13, eerste
lid, aanhef en onder f, g, en h, en 14, eerste lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, mits het tijdvak, waarover ingevolge laatstgenoemde
bepalingen geen uitkering dan wel een verlaagde uitkering wordt toegekend,
voorafgaat aan, dan wel een onderbreking vormt van een tijdvak, waarover wel
uitkering dan wel een niet verlaagde uitkering wordt toekekend, wordt geacht
een inkomen te hebben verworven over dat tijdvak ter grootte van de uitkering
die hem over dat tijdvak zou zijn toegekend, indien eerdergenoemde bepalingen
niet op hem waren toegepast.”

Dit artikellid gold op grond van het toenmalige art. 14 van het
Inkomensbesluit, juncto art. 1 van het Besluit gemiddeld per dag verworven
inkomen AAW ook voor de berekening van de hoogte van individuele grondslagen.

De Raad stelt vast dat de enige reden op grond waarvan klaagster met
ingang van 5 juli 1980 geen WWV-uitkering heeft genoten, gelegen was in het
bepaalde in art. 13, eerste lid, aanhef en onderdeel 1 van de toen vigerende
Wet werkloosheidsvoorziening: uitsluiting van de gehuwde vrouw, niet zijnde
kostwinster, van het recht op WWV-uitkering. Zou klaagster een man zijn
geweest, dan zou zij niet op grond van haar sekse uitgesloten zijn geweest van
het recht op uitkering, en zou zij onder omstandigheden zelfs een fictief
inkomen hebben kunnen laten meetellen voor de berekening van de individuele
grondslag. De onjuistheid van verweerders stelling dat slechts feitelijk
genoten inkomsten meetellen is hiermee gegeven.

Tevens blijkt uit deze vergelijking dat de wetgever voor gehuwde mannen
niet-kostwinners op en na 1 januari 1980 voor het recht op AAW-uitkering
aanzienlijk gunstiger regels heeft gegeven dan voor gehuwde vrouwen
niet-kostwinners, naast de door de Centrale Raad van Beroep in evenvermelde
uitspraak discriminerend geachte regels. Gehuwde vrouwen niet-kostwinners
konden in tegenstelling tot gehuwde mannen niet-kostwinners geen aanspraken
ontlenen aan zowel het tweede lid van art. 3 van het Inkomensbesluit als aan
het tweede lid van evenvermelde art. 5.

Voor art. 3 van het Inkomensbesluit vloeit dit voort uit de
discriminatie op grond van de WWV, welke tot 23 december 1984 is geoorloofd
(CRvB 10 mei 1989, WWV 1988/63, RSV 1990/230), doch voor art. 5, tweede lid,
van het Besluit verzekerden die geacht worden voor het intreden van de
arbeidsongeschiktheid inkomen te hebben verworven gaat deze redenering mank.
Daarin werd (uitsluitend) voor de AAW een fictief inkomen geregeld, zodat niet
gesteld kan worden dat het verschil in behandeling voor de AAW uitsluitend
voortvloeit uit de regels van de WWV, welke tussen 1 januari 1980 en 23
december 1984 nog discriminerend mochten zijn. De Raad acht het hierbij niet
relevant dat klaagsters situatie niet valt onder de in art. 5, tweede lid,
geregelde situaties (WWV-weigering voorafgaand aan of onderbreking van
WWV-uitkering). Klaagster heeft immers feitelijk nooit in een van die
situaties kunnen verkeren door de algehele uitsluiting van het recht op
WWV-uitkering.

Met het oog op de overeenkomst tussen klaagsters feitelijke
inkomenssituatie en de situaties, waarin voor de toepassing van de AAW een
fictief WWV-inkomen geldt, heeft de Raad bezien om welke reden(en) de wetgever
op 10 maart 1982 binnen de AAW-regels een onderscheid heeft laten bestaan ten
nadele van klaagster door het laten ontbreken van een bepaling, welke een
fictief WWV-inkomen regelt, indien de uitsluiting van het recht op een
WWV-uitkering (uitsluitend) voortvloeit uit het toenmalige, discriminerende
onderdeel 1 van het eerste lid van art. 13 WWV.

In de Nota van Toelichting bij art. 5 heeft de wetgever de volgende
motivering gegeven:

‘In het Inkomensbesluit AAW wordt voor de toepassing van art. 6 van die
wet bepaald dat mede als inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs-
of beroepsleven worden aangemerkt uitkeringen ingevolge de Ziektewet, de
Werkloosheidswet en de Wet Werkloosheidsvoorziening. Deze wetten kennen echter
de mogelijkheid om over bepaalde perioden uitkering te weigeren dan wel
slechts gedeeltelijk uitkering toe te kennen. In het algemeen is dit het
gevolg van aan betrokkene verwijtbare handelingen of nalatigheden. Zonder
nadere bepaling zou een en ander ertoe kunnen leiden, dat de betrokkene niet
aan de inkomenseis in het refertejaar voldoet en daarmee geen recht op de
langlopende AAW- uitkering verwerft. Dit laatste lijkt echter een onevenredig
gevolg van de gepleegde handeling of nalatigheid. Om deze reden wordt in dit
artikel bepaald om voor de toepassing van art. 6 van de AAW ervan uit te gaan
dat over de perioden, waarover op de in dit artikel bedoelde gronden uitkering
geheel of gedeeltelijk is geweigerd, wel een uitkering dan wel een volledige
uitkering is toegekend.’

Uit deze toelichting blijkt dat de wetgever uitsluitend het oog heeft
gehad op de entree-eis (inkomenseis) en dat over de positie van personen als
klaagster niet wordt gerept.

De Raad heeft al vermeld dat het fictief WWV-inkomen ook telde voor de
berekening van de hoogte van individuele grondslagen (art. 1 Besluit gemiddeld
per dag verworven inkomen juncto art. 14 Inkomensbesluit).

Uit de toelichting in samenhang met meervermeld tweede lid blijkt voorts
dat de toelichting slechts op een deel van de gecreeerde ficties betrekking
heeft, namelijk voor zover het artikel 14 WWV betreft. Over de ficties voor
uitsluitingen op grond van het toenmalige art. 13 WWV rept de toelichting
niet.

Gegeven de (kennelijke) bedoeling van de wetgever om de AAW- regels met
ingang van 1 januari 1980 vrij van discriminerende gevolgen te doen zijn, kan
de Raad voormelde constateringen tot geen andere conclusie doen leiden dan dat
de wetgever de bedoeling niet heeft gerealiseerd, hoewel de wetgever op de
hoogte moest zijn van de ongelijke behandeling op grond van sekse binnen de
WWV. Voor dit nalaten kan de Raad geen objectieve en redelijke grond, welke
niets van doen heeft met discriminatie ontwaren.

In de lijn van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over de
werking van art. 26 IVBPR bij nalaten van de wetgever om door het treffen van
een regeling een verschil in behandeling op grond van sekse op te heffen
(CRvB
7 december 1988, AAW 1987/17 en 46, RSV 1989/67), oordeelt de Raad dat de
werking van art. 26 IVBPR voor klaagster het effect dient te hebben dat ook
voor een uitsluiting van het recht op WWV-uitkering op grond van het op 10
maart 1982 geldende onderdeel 1 van het eerste lid van art. 13 WWV een fictie
geldt, inhoudend dat klaagster geacht moet worden wel WWV-uitkering te hebben
genoten.

Voor een beperking van deze regel tot situaties als in meervermeld
tweede lid art. 5 bedoeld, is onvoldoende aanleiding, alleen al omdat mannen
niet alleen aan dat lid aanspraken konden ontlenen, doch ook aan art. 3,
tweede lid, onderdeel c van het toenmalige Inkomensbesluit.

De Raad beschikt niet over voldoende gegevens om zelf in de zaak te
voorzien. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting
is weliswaar aannemelijk dat klaagster, ware zij man geweest, in de periode
van 5 juli 1980 tot 11 maart 1981 een WWV-uitkering zou hebben genoten, doch
onvoldoende duidelijk is hoe hoog deze zou zijn geweest. De Raad kan de
individuele grondslag dan ook niet exact vaststellen en zou met een schatting
moeten volstaan, terwijl niet uitgesloten is dat een exacte vaststelling na
verder onderzoek wel zou kunnen geschieden.

Op grond van deze overwegingen beslist de Raad als volgt.

III. Beslissing.

De Raad van Beroep te Groningen,

RECHT DOENDE!

Vernietigt de bestreden beslissing, voorzover daarbij de grondslag van
klaagsters AAW-uitkering is vastgesteld op ƒ 20,30;

bepaalt dat verweerder die grondslag opnieuw dient vast te stellen, met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerder klaagsters gemachtigde het gestorte griffierecht
ad ƒ 25,- vergoedt.

Rechters

Mr A.H.J. Lennaerts als voorzitter, H.C. Zuideveld en H. Poelstra alsleden.

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 5 juli 1991

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Verzoek tot erkenning van een kind door de vriendin van de moeder van
het kind is door de rechtbank afgewezen. Uit het systeem van de wet, de
wetsgeschiedenis en de tekst van eerdere wetgeving volgt onmiskenbaar dat de
wet slechts een erkenning door een man mogelijk acht. De weigering van de
erkenning (van een kind met wie men gezinsleven heeft) kan niet gezien worden
als inbreuk op art. 8 lid 1 EVRM. Op basis van dit gezinsleven zou in casu wel
een recht op omgang kunnen worden ontleend.

Zie verder RN 1989, 40: geen gezamenlijke ouderlijke macht voor twee
personen van hetzelfde geslacht.

Volledige tekst

Procesgang.

L. heeft een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend waarin wordt
verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand (van de gemeente Leeuwarden) te
gelasten het register van de burgerlijke stand aan te vullen met een akte,
waarbij A.Z., geboren op 6 juli 1985, wordt erkend door Van L.

Het Openbaar Ministerie heeft op 28 maart 1990 geconcludeerd tot
afwijzing van het verzoek.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van deze kamer
van 6 november 1990. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij de behandeling
waren als belanghebbenden aanwezig Z, de moeder van het bovengenoemde kind, en
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Leeuwarden (hierna ook
te noemen de ambtenaar).

Ter terechtzitting heeft de raad voor de kinderbescherming mondeling
geadviseerd.

Rechtsoverwegingen.

1. Uit hetgeen ter terechtzitting door de verschenen personen is
verklaard en de inhoud van de overgelegde stukken is de rechtbank het volgende
gebleken.

a. Op 6 juli 1985 is in de gemeente Leeuwarden A.T.Z. ter wereld
gebracht door Z., hierna ook te noemen de moeder. De biologische vader van dit
kind is van der G.

b. De moeder is van rechtswege voogdes. Toeziend voogd is E.Z.

c. Al voor de geboorte van A.T. hadden Van L. en de moeder een relatie
en woonden zij samen. A.T. wordt sedert haar geboorte verzorgd en opgevoed
door de moeder en Van L. en woont bij hen.

d. Van L. wenst A.T. te erkennen; de moeder stemt in met een erkenning
door Van L.

e. Bij brief van 26 februari 1990 heeft de ambtenaar aan de raadsvrouwe
van Van L. laten weten dat het hem wettelijk niet is toegestaan zijn
medewerking te verlenen aan een erkenning van A.T. door Van L., nu zij geen
persoon van het mannelijk geslacht is.

2. Van L. heeft haar verzoek gebaseerd op de bovengenoemde feiten en
omstandigheden en de volgende stellingen.

Art. 224 boek I van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) vormt geen
beletsel voor de door verzoekster gewenste erkenning. Dit artikel stelt
slechts dat degene die erkent vader van het kind wordt. In de wet staat
nergens met zoveel woorden dat slechts een man vader van een kind kan zijn.

Het feit dat Van L. geen biologische afstammingsrelatie heeft of kan
hebben met A.T. kan evenmin een belemmering vormen nu deze voorwaarde ook voor
de erkenning door een man niet wordt gesteld.

Voorzover art. 224 boek I BW wel zo gelezen zou moeten worden dat alleen
een man een kind kan erkennen, is deze bepaling in strijd met art. 8 en art. 8
iuncto art. 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna
EVRM) alsmede art. 26 van het Internationaal Verdrag tot bescherming van
burgerlijke en politieke rechten (hierna BuPo).

Tussen A.T. en verzoekster bestaat gezinsleven als bedoeld in art. 8
EVRM. Het ontbreken van de mogelijkheid tot erkenning van een kind met wie
gezinsleven bestaat, vormt een inbreuk op art. 8 lid 1 EVRM. Een
rechtvaardigingsgrond als bedoeld in lid 2 van genoemd artikel doet zich hier
niet voor. Een man kan met toestemming van de moeder haar kind erkennen,
ongeacht of hij de biologische vader is of kan zijn. Nu deze mogelijkheid niet
bestaat voor een vrouw, die gezinsleven heeft met het kind van haar vriendin,
is er sprake van discriminatie van deze vrouw op grond van haar geslacht en
van het kind ten opzichte van kinderen die door een man en een vrouw worden
opgevoed. Dit levert schending van art. 8 iuncto art. 14 EVRM en art. 26 BuPo
op.

3. De stelling van Van L. dat nergens in de wet is vermeld dat slechts
een man de juridische status van vader kan hebben en dat derhalve ook een
vrouw door erkenning vader van een kind kan worden, acht de rechtbank onjuist
op de volgende gronden.

Uit het systeem van de wet – in het bijzonder het samenstel van
artikelen terzake van de erkenning – in samenhang met de wetsgeschiedenis en
de tekst van eerdere wetgeving volgt onmiskenbaar dat de wet slechts een
erkenning door een man mogelijk acht. Ook indien latere maatschappelijke
ontwikkelingen steun geven aan de opvatting dat een homofiele relatie
gelijkwaardig is aan een relatie tussen een man en een vrouw, dan
rechtvaardigt dit nog niet een van de onmiskenbare strekking van de wet
afwijkende wetsuitlegging. In dit verband wijst de rechtbank ook op het
Ontwerp afstammingsrecht, nr. 20 626, ingediend op 4 juli 1988, waarin evenmin
een erkenning door een vrouw mogelijk is.

4. Vervolgens rijst, gelet op het betoog van Van L., de vraag of het
stelsel van de artikelen 221 en volgende boek I BW, in strijd is met de
artikelen 8 (het recht op gezinsleven) en 14 EVRM en 26 BuPo. De rechtbank
overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad op het gebied van de erkenning kan
naar het oordeel van de rechtbank niet in algemene zin worden geconcludeerd,
zoals Van L. stelt, dat het ontbreken van de mogelijkheid tot erkenning van
een kind met wie men gezinsleven heeft een inbreuk op art. 8 lid 1 EVRM is. De
betekenis van de betreffende arresten is in zoverre beperkt dat uit die
uitspraken slechts volgt dat het bepaalde van art. 8 lid 1 EVRM meebrengt dat
in beginsel aan de biologische vader van een kind, die met dat kind
gezinsleven heeft in de zin van dat artikel, de mogelijkheid van erkenning van
het kind niet kan worden onthouden. De vraag ligt dus open voor de rechtbank
of sprake is van gezinsleven (family life) tussen Van L. en A.T. en zo ja, of
de onmogelijkheid om het kind te erkennen een inbreuk vormt op dit ‘family
life’ en daarmee op art. 8 lid 1 EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat ‘family life’ niet als een eenduidig
begrip is aan te merken. Naar gelang de aard en de inhoud van het ‘family
life’ kunnen daaraan de consequenties worden verbonden/rechten worden ontleend
die daarbij passen. Zo dient onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de
verschillende soorten ‘family life’ die (kunnen) bestaan tussen bijvoorbeeld
een wettig kind en zijn ouders, tussen een natuurlijk kind en zijn biologische
vader, tussen een kind en zijn pleegouder(s), tussen een kind en zijn
grootouders, tussen een kind en zijn oom of tante en tussen een kind en de
vrouwelijke partner van zijn moeder en anderzijds de daaraan verbonden
gevolgen op het gebied van bijvoorbeeld omgangsrecht, erfrecht,
onderhoudsverplichtingen en erkenning. Wanneer, zoals hier, het kind vanaf
haar geboorte (inmiddels derhalve circa zes jaar) mede is verzorgd en opgevoed
door Van L. is naar het oordeel van de rechtbank stellig in die zin ‘family
life’ aanwezig dat daaraan thans een recht op omgang zou kunnen worden
ontleend. De aard van dit ‘family life’ rechtvaardigt naar het oordeel van de
rechtbank evenwel niet dat Van L. op grond daarvan (in beginsel) een recht tot
erkenning van A.T. zou toekomen evenmin als bijvoorbeeld het ‘family life’
tussen een grootouder en een kleinkind dat door die grootouder vanaf de
geboorte (mede) is opgevoed en verzorgd dit zou rechtvaardigen. De rechtbank
verwerpt derhalve de stelling van Van L. dat de voor haar bestaande
onmogelijkheid om A.T. te erkennen een inbreuk vormt op haar ‘family life’ met
A.T.

5. Nu, zoals zojuist overwogen, voor Van L. geen recht op erkenning op
grond van art. 8 lid 1 EVRM bestaat, is evenmin sprake van een onderscheid bij
het verzekeren van het genot van een in het verdrag toegekend recht als
bedoeld in art. 14 EVRM. uit hetgeen in rechtsoverweging 4 is overwogen volgt
bovendien dat van een ongerechtvaardigd onderscheid op basis van geslacht of
seksuele voorkeur geen sprake is. De rechtbank acht dan ook art. 26 BuPo niet
geschonden.

6. Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van Van L.
afwijzen.

Beslissing

De rechtbank: wijst het vezoek van Ingrid van L. af.

Rechters

Mrs Wegener Sleeswijk, Smit en Daan-van Brink

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 2 juli 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Naar aanleiding van een klacht over ongewenste intimiteiten, ingediend
door een belastingplichtige, heeft eiser gedaagde gehoord.

In verband met het feit dat tegen gedaagdes handelwijze eerder bij
soortgelijke gelegenheden bedenkingen waren gerezen en hij tot tweemaal toe
disciplinair was gestraft en op grond van de thans tegen gedaagde gerezen
bezwaren is hij bij besluit van 22 september 1988 met ingang van de dag
volgend op dat besluit disciplinair ontslagen.

Gelet op het wegvallen van belangrijke delen van het te laste gelegde is
de straf van ontslag onevenredig. Eerder gepleegd plichtsverzuim mag bij de
strafoplegging en de zwaarte van de straf niet als het ware de overhand
krijgen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep doen instellen tegen de door het Ambtenarengerecht te
Haarlem op 8 mei 1990 onder de nrs. AW 88/250 en AW 89/237 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft contra-memorie gediend. Namens eiser is op de inhoud van
de contra-memorie gereageerd en desgevraagd zijn namens eiser nadere stukken
in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 18 juni 1991, waar eiser
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Metselaar, hoofd van het Bureau
Juridische Aangelegenheden van eisers ministerie, en waar gedaagde in persoon
is verschenen, bijgestaan door mr J.M.L.M. de Macker, medewerker van de CFO,
CNV-bond voor Overheid, Gezondheid, Welzijn en Sociale Zekerheid.

II. Motivering

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide
weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden
volstaat de Raad thans met vermelding van het navolgende.

Gedaagde is sinds 1979 bij eiser in dienst als belastingdeurwaarder.
Naar aanleiding van een klacht over ongewenste intimiteiten, ingediend door
een belastingplichtige die door gedaagde in verband met de tenuitvoerlegging
van een dwangbevel aan huis bezocht was, heeft eiser gedaagde gehoord. In
verband met het feit dat tegen gedaagdes handelwijze eerder bij soortgelijke
gelegenheden bedenkingen waren gerezen en hij tot twee maal toe disciplinair
gestraft was en op grond van de thans tegen gedaagde gerezen bezwaren is hij
bij besluit van 22 september 1988 met ingang van de dag volgend op dat besluit
disciplinair ontslagen.

De eerste rechter heeft gedaagdes beroep (dat mede gericht was tegen de
hier niet in het geding zijnde weigering van een uitkering na zijn ontslag)
gegrond verklaard en het bestreden besluit nietig verklaard op de grond – kort
weergegeven – dat gedaagde zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan
plichtsverzuim, doch voor zover dit plichtsverzuim is komen vast te staan de
ernst ervan een strafontslag niet rechtvaardigde, omdat deze straf onevenredig
is aan de omvang van het vastgestelde plichtsverzuim.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geval heeft eiser kunnen beschikken over de verklaringen van het
slachtoffer van de gestelde ongewenste intimiteiten. Gedaagde heeft in zijn
verantwoording expliciet ontkend dat hij zich daaraan schuldig zou hebben
gemaakt. Hij ontkende dat hij met dubbelzinnige woorden de belastingplichtige
die dwangmaatregelen in verband met de betaling van een belastingschuld te
duchten had, in woord onzakelijk en beledigend heeft benaderd en hij ontkende
eveneens, dat hij zich opdringerig heeft gedragen of belastingplichtige tegen
haar wil zou hebben aangeraakt. Tegen de achtergrond van het feit dat gedaagde
zich eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijk gedrag heeft eiser echter
op grond van de verklaringen van het slachtoffer voldoende aannemelijk geacht
dat gedaagde zich schulig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

Vereist is dat met voldoende zekerheid vastgesteld kan worden dat het
aan betrokkene telast gelegde plichtsverzuim heeft plaatsgevonden. De Raad is
van oordeel dat mede aan de hand van de verklaring van gedaagde ter
terechtzitting niet meer als voldoende vaststaande kan worden aangenomen dan
dat gedaagde in zijn contact met een belastingplichtige die zakelijk beschouwd
bedreigd werd met dwangmaatregelen ter inning van een belastingschuld,
onzorgvuldig heeft gehandeld door dubbelzinnigheden over seksuele
aangelegenheden te debiteren. De Raad acht het daarbij volstrekt onaannemelijk
dat gedaagde deze toespelingen slechts zou hebben gemaakt om de
belastingplichtige uit te lokken verklaringen te doen over haar vermeende
verhouding met een andere belastingplichtige, die gedaagde op het spoor wenste
te komen. Hetgeen gedaagde overigens door eiser telaste is gelegd kan vanwege
gedaagdes expliciete ontkenning en het gemis van andere gegevens waaraan te
dezen relevante betekenis kan worden toegekend, slechts afgeleid worden uit de
verklaring van het slachtoffer alleen. De Raad meent daaruit onvoldoende
zekerheid te kunnen putten om verdergaand plichtsverzuim van gedaagde als
vaststaand aan te nemen.

Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat gedaagde zich
schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, doch dat gelet op het wegvallen van
belangrijke delen van hetgeen gedaagde telaste is gelegd het resterende deel
van het plichtsverzuim de straf van ontslag onevenredig doet zijn. Ook het
feit dat gedaagde eerder gestraft is met voorwaardelijk ontslag en later
berispt is in verband met soortgelijke kwesties, vormt onvoldoende grond om
tot een ander oordeel te komen, omdat de omvang ernst van het plichtsverzuim
dat ten grondslag wordt gelegd aan een discipliniare strafoplegging althans
enigermate dient te stroken met de zwaarte van de opgelegde straf en niet
eerder gepleegd plichtsverzuim bij de strafoplegging en de zwaarte van de
straf als het ware de overhand mag krijgen.

Beslist wordt als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestig de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Bekker, Van den Brink, Brenninkmeijer

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 juli 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster vergelijkt zich met mannelijke collega die net als zij als
leidinggevende traditionele hulpverlening werkzaam is in de gezinszorg. Uit de
toepasselijke CAO vloeit voort dat maatman op grond van zijn diploma (HBO
maatschappelijk werk) uiteindelijk een hoger salaris kan bereiken dan
verzoekster (Nijverheidsakte). Arbeid van gelijke waarde. Ongelijke beloning.
Beroep van wederpartij op bepaling in CAO faalt. Beroep op financiele
belemmeringen om verzoekster hoger te belonen faalt eveneens. Commissie
spreekt geen oordeel uit over de desbetreffende CAO-bepaling.

NB. samenhang met oordeel 167B-91-42O

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1990 verzocht mevrouw … te Beesel (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting … te
Brunssum (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid maakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Verzoekster is als leidinggevende gezinsverzorging werkzaam bij de
wederpartij. Zij is van mening dat zij arbeid van gelijke dan wel nagenoeg
gelijke waarde verricht als een mannelijke collega, de heer … (hierna:
maatman), terwijl zij een lager loon ontvangt. Verzoekster is van mening dat
de wederpartij hiermee handelt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster heeft samen met een vrouwelijke collega de Commissie om
haar oordeel verzocht. De verzoeken zijn gevoegd behandeld. Er zijn twee
afzonderlijke oordelen uitgebracht. (Voor het oordeel in de andere zaak zie
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid 1 juli 1991,
oordeelnummer 167B-91-42.)

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunt
schriftelijk toe te lichten.

De Commissie heeft nadere informatie ingewonnen bij de Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en bij de partijen bij de CAO
Gezinsverzorging en Algemeen Maatschappelijk Werk.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. De Commissie is
hierbij ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn
gesprekken gevoerd met verzoekster, de wederpartij en de maatman. Van het
onderzoek ter plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 6 maart 1991.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunt nader toe te
lichten tijdens een zitting op 22 mei 1991. De wederpartij heeft van deze
uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw (mede-verzoekster)

– mw (toehoorster)

– mw (toehoorster)

van de kant van de LTD

– dhr F. Vondenhoff

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr G.L.M. Lenssen (plaatsvervangend secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een instelling voor gezinsverzorging. Zij heeft
367 personeelsleden in dienst, 361 vrouwen en zes mannen. Verzoekster en
maatman zijn werkzaam als leidinggevenden gezinsverzorging. Deze categorie
leidinggevenden is onderverdeeld in

– leidinggevenden alpha/AAW hulp,

– leidinggevenden traditionele hulpverlening, en

– medewerkers intake.

Verzoekster is op 10 juni 1980 in dienst getreden bij de wederpartij als
leidinggevende traditionele hulpverlening. Zij geeft leiding aan ongeveer 35
verzorgenden. Verzoekster was bij indiensttreding in het bezit van diploma N20
(Nijverheidsakte 20). Verzoekster werd aanvankelijk, op basis van haar
leeftijd en drie elders opgebouwde ervaringsjaren, ingeschaald in volgnummer
22 van de op haar betrekking hebbende salarisregeling. Ten tijde van het
onderzoek was zij ingeschaald in volgnummer 27 (ƒ 2.782,72 bruto per maand
bij een 32-urige werkweek).

Maatman is op 1 augustus 1978 in dienst getreden bij de wederpartij. Ook
hij vervult de functie leidinggevende traditionele hulpverlening en geeft
leiding aan ongeveer 35 verzorgenden. Hij is in het bezit van het diploma HBO
Maatschappelijk Werk. Hij werd aanvankelijk, op basis van zijn leeftijd en 0
ervaringsjaren, ingeschaald in volgnummer 18. Ten tijde van het onderzoek werd
hij beloond volgens volgnummer 30 (ƒ 3.715,20 bruto per maand bij een 40-urige
werkweek).

3.2. De wederpartij beloont haar medewerkers conform de CAO
Gezinsverzorging en Algemeen Maatschappelijk Werk (hierna: de CAO). Volgens de
bij de CAO behorende Salarisregeling Gezinsverzorging worden medewerkers in
een van de 40 volgnummers van de tabel met salarisbedragen geplaatst. Het
exacte volgnummer is afhankelijk van functie, opleidingsniveau en
ervaringsjaren. De leidinggevende gezinsverzorging kan volgens artikel 11 van
de uitvoeringsregeling (onderdeel van de Salarisregeling) worden geplaatst in
de opleidingsniveaus W, X of Y. In opleidingsniveau Y wordt onder andere de
medewerker met het diploma HBO Maatschappelijk Werk geplaatst (maatman). Er is
ook een lijst met zogenaamde vergelijkbare opleidingen. Medewerkers met een
van deze vergelijkbare opleidingen worden ook in opleidingsniveau Y geplaatst.
Omdat verzoekster een van de vergelijkbare opleidingen, N20, heeft gevolgd is
ook zij geplaatst in opleidingsniveau Y.

Artikel 12 uitvoeringsregeling bepaalt dat de leidinggevende
gezinsverzorging die tien jaar als zodanig in opleidingsniveau Y werkzaam is
geweest, recht heeft op een doorloop tot en met het salaris behorend bij
volgnummer 33. Dit geldt niet voor leidinggevenden gezinsverzorging in
opleidingsniveau Y met bepaalde diploma’s uit de lijst van vergelijkbare
opleidingen, waaronder het diploma waarover verzoekster beschikt (N20). Voor
deze leidinggevenden is slechts een doorloop tot en met volgnummer 27
mogelijk.

Dit heeft tot gevolg dat verzoekster niet en maatman wel voor deze
doorloop in aanmerking komt. Maatman is op 1 januari 1988, toen hij tien jaar
werkzaam was in opleidingsniveau Y, begonnen met de doorloop naar volgnummer
33.

3.3. De functies van verzoekster en maatman zijn geinventariseerd en
gewaardeerd door een medewerker van de LTD. Aangezien de wederpartij geen
systeem van functiewaardering hanteert zijn de functies gewaardeerd aan de
hand van een gangbaar functiewaarderingssysteem. De waardering van de functies
is gebaseerd op de verklaringen van verzoekster en maatman en op de door hen
beiden ingevulde functie-informatieformulieren. Deze
functie-informatieformulieren zijn door de hoofdleidinggevende en de
wederpartij geaccordeerd.

De functies van verzoekster en maatman bleken in geen enkel opzicht van
elkaar af te wijken. Beide functies scoorden 41 punten.

3.4. Volgens de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
(hierna: de Staatssecretaris) kon de functie van leidinggevende
gezinsverzorging tot de jaren zeventig alleen worden uitgeoefend door
medewerkers met een van de opleidingen maatschappelijk werk. Toen in de jaren
zeventig door fusies grotere instellingen ontstonden, ontstond ook de
mogelijkheid tot functiedifferentiatie. Een leidinggevende kon zich
bijvoorbeeld gaan richten op de intake of de begeleiding van stagiaires. In de
toenmalige rijkssubsidieregeling werd dan ook de mogelijkheid geschapen bij de
samenstelling van het personeel te differentieren naar deskundigheid. Dit
leidde ertoe dat ook personeel met andere dan de oorspronkelijk vereiste
opleidingen werd toegelaten als leidinggevende gezinsverzorging (de zogenaamde
vergelijkbare opleidingen). Wel werd in de rijkssubsidieregeling de eis
gesteld dat bij de instelling een van elke zeven leidinggevenden een van de
hoger gewaardeerde diploma’s zou bezitten. De reden hiervoor was dat binnen
het personeelsbestand voldoende specifieke kennis aanwezig diende te zijn om
te kunnen inspelen op moeilijke hulpverleningssituaties. Zo bleef de functie
van leidinggevende gezinsverzorging met in het takenpakket naast de reguliere
werkzaamheden ook de maatschappelijke begeleiding in gezinnen, voorbehouden
aan de medewerker met een van de opleidingen maatschappelijk werk. Voor de
salariering van deze leidinggevende werd aansluiting gezocht bij de functie
van maatschappelijk werker binnen de algemene instellingen voor
maatschappelijk werk. Dit leidde ertoe dat deze leidinggevende, net als de
maatschappelijk werker, kon doorstromen naar volgnummer 33. Leidinggevenden
gezinsverzorging die geen HBO-opleiding richting maatschappelijk werk hadden
gevolgd konden niet voor deze salarisdoorloop in aanmerking komen. Zij konden
immers niet voor deze specifieke functie worden aangesteld.

De bepalingen ten aanzien van de functiedifferentiatie en de
salarisdoorloop waren eerst opgenomen in de rijkssubsidieregelingen voor de
gezinsverzorging. Later zijn de bepalingen overgenomen in de CAO-Welzijnswerk
(waar de gezinsverzorging toen onder viel) en per 1 januari 1988 in de CAO en
Algemeen Maatschappelijk Werk.

Volgens de Staatssecretaris ziet artikel 6 uitvoeringsregeling van de
huidige salarisregeling op de gedifferentieerde invulling van de functie van
leidinggevende gezinsverzorging. Als onderdeel van deze omschrijving is de
volgende bepaling opgenomen:

“Al naar gelang de deskundigheid worden bovenvermelde taken, geheel dan
wel gedeeltelijk, zelfstandig, in overleg met of onder leiding van de
hoofdleidinggevende en in samenwerking met de teamgenoten verricht ten behoeve
van de hulpverlening in zijn totaliteit.”

Dezelfde bepaling is vrijwel letterlijk overgenomen in de functie- en
taakomschrijvingen die de wederpartij heeft opgesteld voor haar
leidinggevenden gezinsverzorging.

De werknemersorganisaties die partij zijn bij de CAO stellen zich al
jaren in te spannen voor het schrappen van de beperking voor sommige groepen
leidinggevenden om door te stromen naar volgnummer 33. Het feit dat het
verschil in salariering niet gebaseerd zou zijn op een verschil in
functie-inhoud ligt aan hun acties ten grondslag. De functie van
leidinggevende met opleidingsniveau Y wordt volgens deze organisaties niet
gedifferentieerd ingevuld. Volgens een van de werknemersorganisaties, en ook
volgens de wederpartij, verrichten leidinggevenden op MBO-niveau ook wel
hetzelfde werk als leidinggevenden met opleidingsniveau Y. Zowel de
werknemersorganisaties als de werkgeversorganisaties onderschrijven het
standpunt van verzoekster dat de door haar gevolgde opleiding (bijna)
uitsluitend door vrouwen is gevolgd. De laatste wees de Commissie op de
financiele gevolgen van het opheffen van de salarisblokkade.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster is van mening dat zij arbeid van gelijke waarde
verricht als haar mannelijke collega. Verzoekster was op 1 januari 1988 tien
jaar werkzaam als leidinggevende gezinsverzorging in opleidingsniveau Y. Zij
is van mening dat zij nu, net zoals de maatman, moet kunnen doorstromen naar
volgnummer 33. Het door haar behaalde diploma staat deze doorstroom echter in
de weg. Dat haar diploma in de CAO lager wordt gewaardeerd dan dat van maatman
vindt zij niet terecht. Met haar diploma kan zij wel dezelfde functie
uitoefenen als de maatman maar van de daarbij behorende salariering wordt zij
uitgesloten. Verzoekster is van mening dat haar diploma minimaal gelijkwaardig
is aan dat van maatman.

Verzoekster stelt dat er sprake is van discriminatie van vrouwen. De
door haar gevolgde, en inmiddels opgeheven, opleiding was namelijk een
nijverheidsopleiding voor meisjes. Ook andere van doorstroming uitgesloten
opleidingen zijn volgens verzoekster HBO-opleidingen die hoofdzakelijk door
vrouwen zijn gevolgd. Volgens verzoekster speelt het probleem van de
salarisblokkade pas nu omdat vrouwen nu langer blijven werken. Vroeger werkten
veel vrouwen na het afsluiten van de opleiding slechts enkele jaren. Zij
kregen dan niet te maken met de salarisblokkade omdat dit probleem pas
ontstaat wanneer iemand tien jaar als leidinggevende gezinsverzorging werkzaam
is geweest.

Verzoekster stelt dat als gevolg van de beperking van de
doorstroommogelijkheid voor sommige groepen leidinggevenden ook dat hun
pensioen te laag wordt opgebouwd.

De financiele reden die de wederpartij aanvoert om de uitgesloten
vrouwen niet te laten doorstromen, mag volgens verzoekster geen reden zijn de
ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen te laten voortduren.

3.6. De wederpartij is van mening dat de zogenaamde N-krachten ook in
aanmerking moeten kunnen komen voor een doorstroom naar volgnummer 33. Zij
verrichten immers vaak hetzelfde werk als personeel met een opleiding
HBO-Maatschappelijk Werk. Wederpartij ziet echter geen mogelijkheid van het in
de CAO bepaalde af te wijken. Zij is voor haar inkomsten namelijk afhankelijk
van overheidssubsidie, die in de vorm van een uitkering van de Ziekenfondsraad
wordt toegekend. In bijlage IV van de Regeling subsidiering Ziekenfondsraad
gezinsverzorging 1990 is vastgelegd (artikel 3) dat uit de te ontvangen
uitkering onder andere de salariskosten van medewerkers dienen te worden
bestreden. Alleen de volgens de CAO betaalde salarissen komen voor
subsidiering in aanmerking. Zou de wederpartij verzoekster dus een hoger
salaris betalen dan het in de CAO bepaalde, dan zou zij daarvoor geen subsidie
krijgen.

Volgens de wederpartij, en ook volgens haar hoofdleidinggevende en de
maatman verrichten verzoekster en maatman dezelfde functie. Volgens de
wederpartij is er ook geen aantoonbaar verschil in het functioneren van
verzoekster en maatman. Maatman heeft op grond van zijn opleiding geen betere
kansen op een doorgroei naar een andere functie dan verzoekster. De opleiding
van verzoekster is volgens haar uitsluitend door vrouwen gevolgd.

3.7. Verzoekster en wederpartij zijn van mening dat een reden voor het
aannemen van personeel met de opleiding N20 destijds was de schaarste van
personeel met een opleiding HBO-Maatschappelijk Werk.

Zowel verzoekster als wederpartij stellen dat de functie leidinggevende
gezinsverzorging op opleidingsniveau Y binnen de organisatie niet
gedifferentieerd wordt ingevuld. Verzoekster stelt dat de CAO ook niet bepaalt
welke functie-onderdelen zwaarder zouden zijn en voor een hogere beloning in
aanmerking zouden komen. De wederpartij stelt niet bekend te zijn met de
verschillende taakstellingen binnen de functie leidinggevende gezinsverzorging
zoals die nu worden geformuleerd door de Staatssecretaris.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de WGB
onderscheid maakt op grond van geslacht door verzoekster lager te belonen dan
haar mannelijke collega.

Verzoekster heeft vanaf 1 januari 1988 te maken met de salarisblokkade.
Dit betekent dat haar beloning in de periode tot 1 juli 1989 dient te worden
getoetst aan de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL, Stb. 1975, 129).
Voor de periode vanaf 1 juli 1989 dient te worden getoetst aan artikel 1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb 1989, 168).

Artikel 2 WGL respectievelijk artikel 1637ij lid 1 BW en artikel 7 e.v.
WGB bepalen dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en
vrouwen op het punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg
gelijke waarde verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is
berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan
van een deugdelijk stelsel van functiewaardering. Daarbij wordt zoveel
mogelijk aangesloten bij het stelsel dat in de organisatie gebruikelijk is.

4.2. De Commissie gaat hieronder eerst in op de vraag of verzoekster
arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verricht als de maatman.

In de organisatie van de wederpartij is geen systeem van
functiewaardering. De Commissie heeft de functies daarom gewaardeerd volgens
een gangbaar systeem van functiewaardering, dat ook is gehanteerd in een
landelijk functiewaarderingsonderzoek in de gezinszorg. In het
functiewaarderingsonderzoek scoorden de functies van verzoekster en maatman op
alle onderdelen eenzelfde aantal punten en dus ook met een gelijk totaal,
namelijk 41. Deze uitkomst bevestigt de mening van zowel verzoekster als
wederpartij dat het hier om identieke functies gaat. De stelling van de
Staatssecretaris dat er een verschil in zwaarte in de functies is -die dan ook
het verschil in beloning verklaart- gaat in het onderhavige geval niet op.

De Commissie stelt vast dat verzoekster en maatman in de onderzochte
periode arbeid van gelijke waarde verrichtten.

4.3. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de beloning van
verzoekster en maatman is berekend op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven.

Wat betreft de opleiding stelt de wederpartij dat het diploma
HBO-Maatschappelijk Werk (maatman) en de akte N20 (verzoekster) gelijkwaardig
zijn en in haar instelling gelijkelijk toegang geven tot de functie van
leidinggevende gezinsverzorging.

Voorts heeft de wederpartij erkend dat verzoekster en maatman op
vergelijkbare wijze functioneren.

Het verschil in beloning tussen verzoekster en maatman wordt door de
wederpartij verklaard door hetgeen hierover in de CAO Gezinszorg en
Maatschappelijk Werk is bepaald. Hierin wordt wat betreft
doorstroommogelijkheden onderscheid gemaakt tussen personen met onder meer de
akte N20, namelijk een beperking tot volgnummer 27, en personen met een
voltooide opleiding maatschappelijk werk, namelijk een doorloopmogelijkheid
tot volgnummer 33. Zowel verzoekster als wederpartij stellen dat in ieder
geval de opleiding N20 alleen of vrijwel uitsluitend door vrouwen is gevolgd,
zodat de vraag rijst of de onderhavige beperking in doorstroommogelijkheden
wegens direct of indirect onderscheid tussen vrouwen en mannen in strijd is
met de wetgeving gelijke behandeling.

Voorts wordt het verschil in beloning door de wederpartij verklaard door
haar financiele onmogelijkheid om verzoekster boven de CAO gelijk aan maatman
te belonen.

Los van de vraag of de betreffende CAO-bepaling in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling, heeft de werkgever, zoals de Commissie reeds
eerder (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid 27 juni 1991, oordeelnummer 170-91-39.) heeft uitgesproken, een
eigen verantwoordelijkheid voor de naleving van de wetgeving gelijke
behandeling. Het beroep van de wederpartij op een bepaling in de CAO kan
derhalve niet opgaan.

Ook financiele belemmeringen kunnen geen rechtvaardiging bieden voor een
verschil in beloning voor gelijke arbeid.

Daarmee staat vast dat de wederpartij geen deugdelijke verklaring heeft
gegeven voor het onderscheid in beloning tussen verzoekster en maatman. De
Commissie concludeert dat de wederpartij geen gelijkwaardige maatstaven heeft
toegepast.

4.4. De Commissie komt derhalve niet toe aan de vraag of de beperking in
doorstroommogelijkheden in de CAO in strijd is met de wetgeving gelijke
behandeling. Zij merkt overigens op dat partijen onvoldoende gegevens hebben
aangedragen om vast te kunnen stellen of hier sprake zou zijn van direct
danwel indirect onderscheid en voorts of de toepassingspraktijk van de
wederpartij inderdaad representatief is. Zij hecht er aan erop te wijzen dat
direct noch indirect onderscheid door financiele argumenten kan worden
gerechtvaardigd.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting … te
Brunssum vanaf 1 januari 1988 onderscheid naar geslacht maakt jegens mevrouw
… te Beesel en daarmee heeft gehandeld/handelt in strijd met artikel 2 Wet
gelijk loon voor vrouwen en mannen respectievelijk artikel 1637ij lid 1
Burgerlijk Wetboek en artikel 7 e.v. Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter; mr. G.L.M. Lenssen, plaatsvervangendsecretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 juli 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is als leidinggevende alfahulpverlening werkzaam in de
gezinszorg. Haar mannelijke collega vervult de functie van leidinggevende
traditionele hulpverlening. Uit de toepasselijke CAO vloeit voort dat maatman
op grond van zijn diploma (HBO maatschappelijk werk) uiteindelijk een hoger
salaris kan bereiken dan verzoekster (Nijverheidsakte). Geen arbeid van
gelijke waarde. Derhalve ook geen recht op gelijke beloning. Commissie voegt
hieraan toe dat ingeval sprake zou zijn van arbeid van (nagenoeg) gelijke
waarde een beroep van de wederpartij op de bepaling in de CAO zou falen.

NB. samenhang met oordeel 167A-91-41.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1990 verzocht mevrouw … te Beesel (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting … te
Brunssum (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid maakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Verzoekster is als leidinggevende gezinsverzorging werkzaam bij de
wederpartij. Zij is van mening dat zij arbeid van gelijke dan wel nagenoeg
gelijke waarde verricht als een mannelijke collega, de heer … (hierna:
maatman), terwijl zij een lager loon ontvangt. Verzoekster is van mening dat
de wederpartij hiermee handelt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster heeft samen met een vrouwelijke collega de Commissie om
haar oordeel verzocht. De verzoeken zijn gevoegd behandeld. Er zijn twee
afzonderlijke oordelen uitgebracht. (Voor het oordeel in de andere zaak zie
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid 1 juli 1991,
oordeelnummer 167A-91-41.)

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunt
schriftelijk toe te lichten.

De Commissie heeft nadere informatie ingewonnen bij de Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en bij de partijen bij de CAO
Gezinsverzorging en Algemeen Maatschappelijk Werk.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. De Commissie is
hierbij ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn
gesprekken gevoerd met verzoekster, de wederpartij en de maatman. Van het
onderzoek ter plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 6 maart 1991.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunt nader toe te
lichten tijdens een zitting op 22 mei 1991. De wederpartij heeft van deze
uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw (mede-verzoekster)

– mw (toehoorster)

– mw (toehoorster)

van de kant van de LTD

– dhr F. Vondenhoff

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr G.L.M. Lenssen (plaatsvervangend secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een instelling voor gezinsverzorging. Zij heeft
367 personeelsleden in dienst, 361 vrouwen en zes mannen. Verzoekster en
maatman zijn werkzaam als leidinggevenden gezinsverzorging. Deze categorie
leidinggevenden is onderverdeeld in

– leidinggevenden alpha/AAW hulp,

– leidinggevenden traditionele hulpverlening, en

– medewerkers intake.

Verzoekster is op 17 november 1980 in dienst getreden bij de wederpartij
als leidinggevende alphahulpverlening. Zij heeft bemiddelt tussen alphahulpen
en gezinnen.

Bij indiensttreding was verzoekster in het bezit van diploma N20
(Nijverheidsakte 20). Verzoekster werd aanvankelijk, op basis van haar
leeftijd en een elders opgebouwde ervaringsjaar, ingeschaald in volgnummer 19
van de op haar betrekking hebbende salarisregeling. Ten tijde van het
onderzoek was zij ingeschaald in volgnummer 27 (ƒ 2.434,88 bruto per maand bij
een 24-urige werkweek).

Maatman is op 1 augustus 1978 in dienst getreden bij de wederpartij. Hij
vervult de functie leidinggevende traditionele hulpverlening en geeft leiding
aan ongeveer 35 verzorgenden. Hij is in het bezit van het diploma
HBO-Maatschappelijk Werk. Hij werd aanvankelijk, op basis van zijn leeftijd en
0 ervaringsjaren, ingeschaald in volgnummer 18. Ten tijde van het onderzoek
werd hij beloond volgens volgnummer 30 (ƒ 3.715,20 bruto per maand bij een
40-urige werkweek).

3.2. De wederpartij beloont haar medewerkers conform de CAO
Gezinsverzorging en Algemeen Maatschappelijk Werk (hierna: de CAO). Volgens de
bij de CAO behorende Salarisregeling Gezinsverzorging worden medewerkers in
een van de 40 volgnummers van de tabel met salarisbedragen geplaatst. Het
exacte volgnummer is afhankelijk van functie, opleidingsniveau en
ervaringsjaren. De leidinggevende gezinsverzorging kan volgens artikel 11 van
de uitvoeringsregeling (onderdeel van de Salarisregeling) worden geplaatst in
de opleidingsniveaus W, X of Y. In opleidingsniveau Y wordt onder andere de
medewerker met het diploma HBO Maatschappelijk Werk geplaatst (maatman). Er is
ook een lijst met zogenaamde vergelijkbare opleidingen. Medewerkers met een
van deze vergelijkbare opleidingen worden ook in opleidingsniveau Y geplaatst.
Omdat verzoekster een van de vergelijkbare opleidingen, N20, heeft gevolgd is
ook zij geplaatst in opleidingsniveau Y.

Artikel 12 uitvoeringsregeling bepaalt dat de leidinggevende
gezinsverzorging die tien jaar als zodanig in opleidingsniveau Y werkzaam is
geweest, recht heeft op een doorloop tot en met het salaris behorend bij
volgnummer 33. Dit geldt niet voor leidinggevenden gezinsverzorging in
opleidingsniveau Y met bepaalde diploma’s uit de lijst van vergelijkbare
opleidingen, waaronder het diploma waarover verzoekster beschikt (N20). Voor
deze leidinggevenden is slechts een doorloop tot en met volgnummer 27
mogelijk.

Dit heeft tot gevolg dat verzoekster niet en maatman wel voor deze
doorloop in aanmerking komt. Maatman is op 1 januari 1988, toen hij tien jaar
werkzaam was in opleidingsniveau Y, begonnen met de doorloop naar volgnummer
33.

3.3. De functies van verzoekster en maatman zijn geinventariseerd en
gewaardeerd door een medewerker van de LTD. Aangezien de wederpartij geen
systeem van functiewaardering hanteert zijn de functies gewaardeerd aan de
hand van een gangbaar functiewaarderingssysteem. De waardering van de functies
is gebaseerd op de verklaringen van verzoekster en maatman en op de door hen
beiden ingevulde functie-informatieformulieren. Deze
functie-informatieformulieren zijn door de hoofdleidinggevende en de
wederpartij geaccordeerd.

De waardering van de functies leverde voor de functie van verzoekster
een score van 29 punten op, voor die van maatman 41 punten. De scores van
verzoekster en maatman verschillen van elkaar op de gezichtspunten “kennis”,
“beslissingsvrijheid” en “beinvloedingsvaardigheid”. De hogere score van
maatman op deze punten wordt veroorzaakt door de volgende bestanddelen van
diens functie:

– werkbegeleiding van medewerkenden

– begeleiden in hulpverleningssituaties, en

– scholing en vorming van helpenden/verzorgden.

Het verschil in punten tussen de functies van verzoekster en maatman
bedraagt 13. In het gehanteerde functiewaarderingssysteem wordt een verschil
van 4 a 5 punten (de bandbreedte) tussen de opeenvolgende
functiegroepen/salarisschalen aangehouden. Dit houdt in dat twee functies
doorgaans in dezelfde functiegroep zijn ingedeeld, tenzij het puntenverschil
tussen de functies meer dan 4 a 5 bedraagt.

3.4. Volgens de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
(hierna: de Staatssecretaris) kon de functie van leidinggevende
gezinsverzorging tot de jaren zeventig alleen worden uitgeoefend door
medewerkers met een van de opleidingen maatschappelijk werk. Toen in de jaren
zeventig door fusies grotere instellingen ontstonden, ontstond ook de
mogelijkheid tot functiedifferentiatie. Een leidinggevende kon zich
bijvoorbeeld gaan richten op de intake of de begeleiding van stagiaires. In de
toenmalige rijkssubsidieregeling werd dan ook de mogelijkheid geschapen bij de
samenstelling van het personeel te differentieren naar deskundigheid. Dit
leidde ertoe dat ook personeel met andere dan de oorspronkelijk vereiste
opleidingen werd toegelaten als leidinggevende gezinsverzorging (de zogenaamde
vergelijkbare opleidingen). Wel werd in de rijkssubsidieregeling de eis
gesteld dat bij de instelling een van elke zeven leidinggevenden een van de
hoger gewaardeerde diploma’s zou bezitten. De reden hiervoor was dat binnen
het personeelsbestand voldoende specifieke kennis aanwezig diende te zijn om
te kunnen inspelen op moeilijke hulpverleningssituaties. Zo bleef de functie
van leidinggevende gezinsverzorging met in het takenpakket naast de reguliere
werkzaamheden ook de maatschappelijke begeleiding in gezinnen, voorbehouden
aan de medewerker met een van de opleidingen maatschappelijk werk. Voor de
salariering van deze leidinggevende werd aansluiting gezocht bij de functie
van maatschappelijk werker binnen de algemene instellingen voor
maatschappelijk werk. Dit leidde ertoe dat deze leidinggevende, net als de
maatschappelijk werker, kon doorstromen naar volgnummer 33. Leidinggevenden
gezinsverzorging die geen HBO-opleiding richting maatschappelijk werk hadden
gevolgd konden niet voor deze salarisdoorloop in aanmerking komen. Zij konden
immers niet voor deze specifieke functie worden aangesteld.

De bepalingen ten aanzien van de functiedifferentiatie en de
salarisdoorloop waren eerst opgenomen in de rijkssubsidieregelingen voor de
gezinsverzorging. Later zijn de bepalingen overgenomen in de CAO-Welzijnswerk
(waar de gezinsverzorging toen onder viel) en per 1 januari 1988 in de CAO en
Algemeen Maatschappelijk Werk.

Volgens de Staatssecretaris ziet artikel 6 uitvoeringsregeling van de
huidige salarisregeling op de gedifferentieerde invulling van de functie van
leidinggevende gezinsverzorging. Als onderdeel van deze omschrijving is de
volgende bepaling opgenomen:

“Al naar gelang de deskundigheid worden bovenvermelde taken, geheel dan
wel gedeeltelijk, zelfstandig, in overleg met of onder leiding van de
hoofdleidinggevende en in samenwerking met de teamgenoten verricht ten behoeve
van de hulpverlening in zijn totaliteit.”

Dezelfde bepaling is vrijwel letterlijk overgenomen in de functie- en
taakomschrijvingen die de wederpartij heeft opgesteld voor haar
leidinggevenden gezinsverzorging.

De werknemersorganisaties die partij zijn bij de CAO stellen zich al
jaren in te spannen voor het schrappen van de beperking voor sommige groepen
leidinggevenden om door te stromen naar volgnummer 33. Het feit dat het
verschil in salariering niet gebaseerd zou zijn op een verschil in
functie-inhoud ligt aan hun acties ten grondslag. De functie van
leidinggevende met opleidingsniveau Y wordt volgens deze organisaties niet
gedifferentieerd ingevuld. Volgens een van de werknemersorganisaties, en ook
volgens de wederpartij, verrichten leidinggevenden op MBO-niveau ook wel
hetzelfde werk als leidinggevenden met opleidingsniveau Y. Zowel de
werknemersorganisaties als de werkgeversorganisaties onderschrijven het
standpunt van verzoekster dat de door haar gevolgde opleiding (bijna)
uitsluitend door vrouwen is gevolgd. De laatste wees de Commissie op de
financiele gevolgen van het opheffen van de salarisblokkade.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster is van mening dat zij arbeid van gelijke waarde
verricht als haar mannelijke collega. Zij vindt het puntenverschil tussen de
functie van maatman en die van haar naar verhouding te groot. Bepaalde
aspecten uit haar functie zijn onderbelicht, zoals het begeleiden van de
aphahulpen en het voeren van sollicitatiegesprekken met alphahulpen.

Waar het de sociale begeleiding van gezinnen betreft constateert
verzoekster dat maatman deze begeleiding actief ter hand dient te nemen en dat
zij een verwijzende taak heeft. Om te kunnen verwijzen naar de juiste
hulpverlenende instanties is echter eenzelfde kennisniveau nodig als voor de
functie van de maatman.

Nu verzoekster op 1 januari 1990 tien jaar werkzaam was als
leidinggevende gezinsverzorging in opleidingsniveau Y, vindt zij dat zij net
zoals de maatman moet kunnen doorstromen naar volgnummer 33. Het door haar
behaalde diploma staat deze doorstroom echter in de weg. Dat haar diploma in
de CAO lager wordt gewaardeerd dan dat van maatman vindt zij niet terecht. Met
haar diploma kan zij wel dezelfde functie uitoefenen als de maatman maar van
de daarbij behorende salariering wordt zij uitgesloten. Zij is van mening dat
haar diploma minimaal gelijkwaardig is aan dat van maatman.

Verzoekster stelt dat er sprake is van discriminatie van vrouwen. De
door haar gevolgde, en inmiddels opgeheven, opleiding was namelijk een
nijverheidsopleiding voor meisjes. Ook andere van doorstroming uitgesloten
opleidingen zijn volgens verzoekster HBO-opleidingen die hoofdzakelijk door
vrouwen zijn gevolgd. Volgens verzoekster speelt het probleem van de
salarisblokkade pas nu omdat vrouwen nu langer blijven werken. Vroeger werkten
veel vrouwen na het afsluiten van de opleiding slechts enkele jaren. Zij
kregen dan niet te maken met de salarisblokkade omdat dit probleem pas
ontstaat wanneer iemand tien jaar als leidinggevende gezinsverzorging werkzaam
is geweest.

Verzoekster stelt dat als gevolg van de beperking van de
doorstroommogelijkheid voor sommige groepen leidinggevenden ook dat hun
pensioen te laag wordt opgebouwd.

De financiele reden die de wederpartij aanvoert om de uitgesloten
vrouwen niet te laten doorstromen, mag volgens verzoekster geen reden zijn de
ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen te laten voortduren.

3.6. De wederpartij is van mening dat de zogenaamde N-krachten ook in
aanmerking moeten kunnen komen voor een doorstroom naar volgnummer 33. Zij
verrichten immers vaak hetzelfde werk als personeel met een opleiding
HBO-Maatschappelijk Werk. Wederpartij ziet echter geen mogelijkheid van het in
de CAO bepaalde af te wijken. Zij is voor haar inkomsten namelijk afhankelijk
van overheidssubsidie, die in de vorm van een uitkering van de Ziekenfondsraad
wordt toegekend. In bijlage IV van de Regeling subsidiering Ziekenfondsraad
gezinsverzorging 1990 is vastgelegd (artikel 3) dat uit de te ontvangen
uitkering onder andere de salariskosten van medewerkers dienen te worden
bestreden. Alleen de volgens de CAO betaalde salarissen komen voor
subsidiering in aanmerking. Zou de wederpartij verzoekster dus een hoger
salaris betalen dan het in de CAO bepaalde, dan zou zij daarvoor geen subsidie
krijgen.

Volgens de wederpartij is de functie van verzoekster niet gelijk aan die
van maatman. Ook de hoofdleidinggevende en de maatman zijn deze mening
toegedaan. Volgens de wederpartij en de hoofdleidinggevende zou iemand met een
geschikte MBO-opleiding de functie ook kunnen vervullen. Verzoekster heeft de
alphahulpverlening binnen de organisatie opgestart en zodoende ook de functie
van leidinggevende alphahulp vormgegeven. Door haar opleiding en de wijze
waarop zij haar werk verricht, zou verzoekster ook de functie van
leidinggevende traditionele hulpverlening kunnen vervullen.

Zij is als leidinggevende volldedig inwisselbaar. Dit is voor de
wederpartij ook reden geweest haar functie in de arbeidsovereenkomst aan te
duiden als leidinggevende gezinsverzorging en niet als leidinggevende
alphahulpverlening. De functie van een collega van verzoekster die ook
leidinggevende alphahulpverlening is, wordt in diens arbeidsovereenkomst wel
aangeduid als leidinggevende alphahulpverlening.

Maatman heeft op grond van zijn opleiding geen betere kansen op een
doorgroei naar een andere functie dan verzoekster. De opleiding van
verzoekster is volgens haar uitsluitend door vrouwen gevolgd.

3.7. Verzoekster en wederpartij zijn van mening dat een reden voor het
aannemen van personeel met de opleiding N20 destijds was de schaarste van
personeel met een opleiding HBO-Maatschappelijk Werk.

Zowel verzoekster als wederpartij stellen dat de functie leidinggevende
gezinsverzorging op opleidingsniveau Y binnen de organisatie niet
gedifferentieerd wordt ingevuld. Verzoekster stelt dat de CAO ook niet bepaalt
welke functie-onderdelen zwaarder zouden zijn en voor een hogere beloning in
aanmerking zouden komen. De wederpartij stelt niet bekend te zijn met de
verschillende taakstellingen binnen de functie leidinggevende gezinsverzorging
zoals die nu worden geformuleerd door de Staatssecretaris.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de WGB
onderscheid maakt op grond van geslacht door verzoekster lager te belonen dan
haar mannelijke collega.

Verzoekster heeft vanaf 1 januari 1990 te maken met de salarisblokkade.
Dit betekent dat haar beloning dient te worden getoetst aan de Wet gelijke
behandeling vrouwen en mannen (WGB, Stb. 1989, 168).

Artikel 1637ij BW lid 1 BW en artikel 7 e.v. WGB bepalen dat een
werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het punt van
de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde
verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is berekend op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan
van een deugdelijk stelsel van functiewaardering. Daarbij wordt zoveel
mogelijk aangesloten bij het stelsel dat in de organisatie gebruikelijk is.

4.2. Allereerst is de vraag aan de orde of verzoekster en maatman
arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verrichten.

In de organisatie van de wederpartij is geen systeem van
functiewaardering. De Commissie heeft de functies daarom gewaardeerd volgens
een gangbaar systeem van functiewaardering, dat ook is gehanteerd in een
landelijk functiewaarderingsonderzoek in de gezinszorg. In het
functiewaarderingsonderzoek scoorden de functies van verzoekster 29 punten en
die van maatman 41 punten.

Verzoekster verzet zich tegen de uitkomst van dit onderzoek door te
wijzen op haar verwijzende taak in de sociale begeleiding van gezinnen en de
begeleiding die zij geeft aan alphahulpen.

Gelet op de in het functiewaarderingssyteem doorgaans

gehanteerde bandbreedte van 4 a 5 punten, constateert de Commissie dat
er sprake is van een aanzienlijk puntenverschil tussen beide functies. Zij
sluit niet uit dat met name de wijze waarop verzoekster haar functie uitoefent
ertoe kan leiden dat haar functie in de praktijk meer gelijkenis vertoont met
die van maatman dan in een functiewaarderingsonderzoek kan worden
vastgesteld.

Gezien het grote puntenverschil kan dit redelijkerwijs echter niet tot
de conclusie leiden dat sprake is van arbeid van gelijke dan wel nagenoeg
gelijke waarde.

Op grond van het bovenstaande stelt de Commissie vast dat verzoekster
geen arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verricht als de
maatman. Verzoekster kan derhalve geen aanspraak maken op een beloning welke
gelijk is aan de beloning van de maatman.

4.3. De Commissie wil hieraan het volgende toevoegen.

Het is niet de taak van de Commisie om te bepalen welke beloning in
concrete gevallen het meest passend is. Zij is alleen bevoegd na te gaan of in
strijd is gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

Zij wijst er overigens op dat de wederpartij zich bij de bepaling vna de
beloning van verzoekster voor arbeid van gelijke danwel nagenoeg gelijke
waarde als dat van een maatman niet kan beroepen op een CAO-bepaling die de
doorstroommogelijkheden voor bepaalde categorieen werknemers beperkt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting … te
Brunssum geen onderscheid naar geslacht maakt jegens mevrouw … te Beesel in
strijd met artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek en artikel 7 e.v. Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter; mr. G.L.M. Lenssen, plaatsvervangendsecretaris

Instantie: Hoge Raad, 28 juni 1991

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Bij voogdijwijziging geldt als maatstaf het belang van de kinderen, ook
als de verblijfplaats van de moeder en de kinderen onbekend is.

Uit de relatie van de niet met elkaar gehuwde ouders zijn drie kinderen
geboren in respectievelijk 1979, 1980 en 1986. De eerste twee kinderen zijn
door de vader erkend, het derde kind wilde hij aanvankelijk niet erkennen. De
moeder verlaat de gemeenschappelijke woning in juli 1988. De vader dient op 10
augustus een verzoek tot voogdijwijziging in en op 8 november 1988 een verzoek
tot een omgangsregeling en in december 1988 een verzoek om het jongste kind te
erkennen. De raad voor de kinderbescherming brengt in maart 1989 een rapport
uit, waaruit blijkt dat de moeder de kinderen goed verzorgt maar dat zij
contact tussen vader en de kinderen verhindert. Op 2 oktober 1989 willigt de
rechtbank het verzoek van de vader om het jongste kind te mogen erkennen in en
op 4 oktober 1989 stelt de rechtbank een omgangsregeling vast. De vader heeft
zijn eerste verzoek tot voogdijwijziging inmiddels ingetrokken maar dient op 5
december 1989 opnieuw een verzoek tot voogdijwijziging bij de kantonrechter
in. Volgens de rijksinspectie van de bevolkingsregisters is de moeder op 15
maar 1990 afgevoerd van het persoonsregister van de gemeente A en met
onbekende bestemming met haar kinderen vertrokken, zodat de opdracht van de
kantonrechter aan de raad voor de kinderbescherming om (opnieuw) een onderzoek
in te stellen niet mogelijk is. Op 7 september 1990 wijst de kantonrechter het
voogdijwijzigingsverzoek af. De rechtbank bekrachtigt de beschikking van de
kantonrechter.

Volledige tekst

De Rechtbank

(…)

V. heeft als grief tegen de beschikking van de kantonrechter van 7
september 1990 aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte overwogen heeft
dat de houding van M. niet zonder meer tot de gevraagde voogdijwijziging moet
leiden, nu er immers geen enkel zicht op zou zijn hoe deze gezagswijziging op
de kinderen zou uitwerken.

V. heeft aangegeven dat het niet in het belang van voornoemde
minderjarigen is dat zij bij M, de moeder, verblijven, stellende dat M.
periodiek psychotisch is en sinds maart 1989 geen bekende woonplaats meer
heeft. M. heeft zich niet gehouden aan de door de rechtbank te Rotterdam op 23
maart 1989 vastgestelde proefomgangsregeling.

V. stelt bereid en in staat te zijn de verzorging van de kinderen op
zich te nemen. V. wil, zodra en in het geval hij met de voogdij belast wordt,
zich tot de politie wenden teneinde de verblijfplaats van de kinderen te
achterhalen.

De raad voor de kinderbescherming te A. heeft ter zitting verklaard dat
uit het door de raad op 2 maart 1989 uitgebrachte rapport gebleken is dat M.
de kinderen goed verzorgde. Het is de raad toen niet gebleken dat M.
psychotisch was. De raad stelt dat er geen aanleiding bestaat te
veronderstellen dat M. de kinderen thans slecht verzorgt, terwijl wel in het
algemeen aangenomen mag worden dat het niet juist is de kinderen eensklaps
zonder voorbereiding bij de verzorgende ouder weg te halen. De raad handhaaft
het op 16 mei 1990 bij brief aan de kantonrecht te A. uitgebrachte advies.

De door V. opgeworpen grief faalt. Toewijzing van zijn verzoek verandert
op dit moment niets aan de situatie van de kinderen, terwijl die toewijzing
onverwachte en mogelijk ongewilde gevolgen in de toekomst met zich kan
brengen. Derhalve is onvoldoende komen vast te staan dat de verzochte
gezagswijziging in het belang van de kinderen is (…).

Hoge Raad

3. Beoordeling van het middel

De rechtsklacht van het middel faalt, omdat de rechtbank bij de
beoordeling van dit verzoek tot wijziging van de voogdij op de voet van art.
288 leden 1 en 3 BW terecht tot maatstaf heeft genomen of inwilliging van het
verzoek in het belang van de kinderen wenselijk is. Dit wordt niet anders
doordat de verblijfplaats van de kinderen en de moeder, naar moet worden
aangenomen op grond van aan de moeder toe te rekenen omstandigheden, onbekend
is en als gevolg daarvan een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming
niet kon plaatsvinden. Ook de motiveringsklacht faalt, omdat het oordeel van
de rechtbank dat inwilliging van het verzoek niet in het belang van de
kinderen wenselijk is, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is.

4. Beslissing: de Hoge Raad verwerpt het beroep (…).

Nora Holtrust/Ineke de Hondt

1. Wanneer een man en een vrouw met elkaar trouwen, dan zijn zij zich er
meestal van bewust dat wanneer er een kind wordt geboren, de vrouw (juridisch)
moeder wordt en de man (juridisch) vader. Of er nu wel of niet is overlegd en
of het kind nu gewenst is of niet, zij weten – zonder nu exact de wet te
kennen – dat zij de zorg, de financiele verantwoordelijkheid en het ouderlijk
gezag over het kind hebben. Zij zijn niet alleen ieder jegens hun kinderen
verantwoordelijk; het huwelijk brengt ook mee dat zij onderling
verantwoordelijk zijn voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Al dan
niet in overleg zullen zij vervolgens de taken in verband met de zorg voor het
kind verdelen. Deze verdeling kan varieren van een traditionele gezinssituatie
met een vrouw die volledig voor het huishouden, de kinderen en haar man zorgt
terwijl de man het geld binnen brengt tot ouders die samen de zorg voor het
gezinsinkomen en het kind delen. Tot 1985 gaf de wet aan de gehuwde vader een
voorkeurspositie ten aanzien van de ouderlijke macht; vanaf die tijd hebben
gehuwde ouders gezamenlijke ouderlijke macht.

2. Wanneer ouders gaan scheiden zijn stilzwijgende ‘afspraken’ over de
kinderen niet langer voldoende. Er zal nu overleg gepleegd moeten worden wie
voor de kinderen blijft/gaat zorgen en op welke wijze in de financiele
situatie van de kinderen voorzien zal gaan worden. Het laatste woord is
daarbij uiteindelijk aan de rechter, die op grond van art. 1:161 beslist hoe
de juridische situatie van de kinderen zal worden geregeld. Feitelijk kunnen
de kinderen bij een van de ouders blijven wonen en een omgangsregeling met de
andere ouder hebben of zij kunnen beurtelings bij een van de ouders wonen.
Juridisch gezien kan een van de ouders voogd en de andere ouder tot toeziend
voogd worden benoemd of de ouders kunnen de ouderlijke macht die tijdens het
huwelijk bestond (sinds mei 1984) gezamenlijk voortzetten.

Bij het voortzetten van de gezamenlijke ouderlijke macht worden er geen
eisen aan de ouders gesteld ten aanzien van het feitelijk delen van de zorg,
noch in de zin van dagelijkse zorg, noch in de zin van financiele zorg. Dat is
aan de ene kant vreemd: waarom zou een ouder ouderlijke macht behouden als hij
niet – of althans nauwelijks – voor het kind zorgt. Aan de andere kant is het
begrijpelijk: ook binnen huwelijk hoeft de feitelijke situatie de juridische
situatie niet te dekken. Nu is het tijdens een huwelijk – ervan uitgaand dat
de ouders onder een dak wonen – ook moeilijk een scheidslijn te trekken
wanneer er nog wel en wanneer er geen sprake (meer) is van het delen van de
ouderlijke verantwoordelijkheden c.q. op welk moment de weegschaal van de zorg
definitief doorslaat naar een van de ouders.

Behalve de regeling ten aanzien van kinderen, moeten ouders die gaan
scheiden ook onderling hun zaken regelen. Afhankelijk van hoe het
huwelijksregime er uit ziet, zal het vermogen verdeeld moeten worden, moeten
er afspraken gemaakt worden over alimentatie en huisvesting, enzovoort.

3. Tot 1901 stond een buiten huwelijk geboren kind onder het gezag van
de vader, wanneer het door de vader was erkend en anders onder het gezag van
de moeder, mits ook zij het kind had erkend. In 1901 werd voor buiten huwelijk
geboren kinderen ingevoerd, dat de ouder die het kind het eerst erkende, de
voogdij kreeg. Aangezien de moeder het in de hand had om haar kind het eerst
te erkennen, kon zij er voor zorgen de voogdij te krijgen. De minister
verdedigde dit met de opmerking ‘dat de betrekking van de moeder tot het kind
veel inniger is dan die van den vader, en de kinderen in den regel bij de
moeder zullen inwonen’ (Asser-Wiarda, 1957, p. 670). Sinds 1947 is de
erkenning voor (de meeste) moeders afgeschaft en krijgen vrouwen die ongehuwd
moeder worden van rechtswege het gezag over hun kind, tenzij zij onbevoegd
(lees minderjarig) zijn tot het gezag.

4. In 1981 merkt A-G Franx op: ‘Er zijn in onze wetgeving aanwijzingen
dat de moeder van een natuurlijk kind in bepaalde opzichten een
voorkeurspositie heeft ten opzichte van de vader’ (RVR 1992, nr. 25). Waaruit
bestaat die ‘voorkeurspositie’ dan wel? De ongehuwde vrouw die een kind krijgt
heeft twee mogelijkheden: of zij gaat – al dan niet met vreugde – voor het
kind zorgen en krijgt als juridisch instrument daarbij de voogdij of zij ziet
er om wat voor reden dan ook geen gat in om voor haar kind te zorgen en staat
het kind ter adoptie af. In dat laatste geval worden alle banden tussen haar
en het kind definitief en onherroepelijk doorgesneden.

De ervaring heeft geleerd dat 99% van de moeders die zich voor het
bovenstaande dilemma zien geplaatst, kiezen voor de zorg voor het kind. Het
feit dat ongehuwde (meerderjarige) moeders van rechtswege de voogdij over een
kind krijgen is dus niet vanwege het feit dat de moeder een voorkeurspositie
heeft ten opzichte van de vader maar vanwege het feit dat er iemand voor een
kind moet zorgen en aangezien die iemand meestal de moeder is, krijgt zij ook
de voogdij.

Het aantal buiten huwelijk geboren kinderen is de laatste jaren
aanmerkelijk toegenomen. De feitelijke situatie waarin deze kinderen opgroeien
kan, – evenals dat bij binnen huwelijk geboren kinderen het geval is –
aanzienlijk van elkaar verschillen. De moeder kan helemaal alleen voor het
kind zorgen, feitelijk en financieel; de vader kan alleen financieel iets voor
de kinderen bijdragen tot aan een situatie die in feite nauwelijks verschilt
met een huwelijk, met uitzondering van het ‘boterbriefje’. Binnen huwelijk is
het moeilijk voor vrouwen – als zij dat willen – om een gedeelte van de zorg
voor de kinderen feitelijk van de vader af te dwingen. Slechts in theorie is
daar een juridische constructie voor: immers ouders zijn jegens elkaar
verantwoordelijk voor de kinderen. Buiten huwelijk heeft de moeder daarvoor
helemaal geen juridisch wapen in handen – zelfs niet in theorie -. Zij kan
alleen de financiele verantwoordelijkheid van de vader afdwingen.

De samenwoning tussen twee ongehuwden is wettelijk niet geregeld evenmin
als de beeindiging van de samenwoning. Ook in de situatie dat de relatie
traditioneel was heeft de vrouw geen recht op alimentatie, geen recht op een
deel van de vermogensvermeerdering van de man, geen erfrecht of recht op AWW.
ç

rechten ontleent zij uitsluitend aan een huwelijk. Zij had echter een noch
over de kinderen en de alimentatie hoefde niet gestreden te worden. De vader
kon aan de kantonrechter wel verzoeken om hem tot voogd te benoemen, maar als
de moeder al de voogdes was, werd dit verzoek slechts ingewilligd ‘indien de
kantonrechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt’ (art. 288 lid
3).

5. In het kader van de gelijkstelling van wettige en onwettige kinderen
blijft de niet gehuwde moeders de ‘echtscheidingsstrijd’ over de kinderen
sinds 1981 niet langer bespaard.

Bij kinderen van niet gehuwde ouders dient volgens de Hoge Raad – net
zoals bij gescheiden ouders – een afweging van de kwaliteit van de behartiging
van de belangen van het kind plaats te vinden. Daarbij moet wel rekening
gehouden worden met de mogelijke nadelen die voor het kind verbonden kunnen
zijn aan het enkele feit van een verandering van de voogdij (RVR 1992, nr.
25).

De mogelijkheid om een voogdijwijzigingsverzoek in te dienen blijft
volgens Hoge Raad 12 juni 1987, RVR 1992, nr. 26 beperkt tot de vader die met
het kind in familierechtelijke betrekkingen staat: de man dus die het kind
heeft erkend. De biologische vader – ook niet in het geval hij toeziend voogd
is – komt een verzoek tot voogdijwijziging niet toe. Daarbij moet wel bedacht
worden dat de moeder de erkenning niet altijd meer kan verhinderen (zie RVR
1992, nr. 26).

In RVR 1992, nr. 27 probeert eveneens een vader/erkenner en tevens
toeziend voogd de voogdij van de moeder-vooges over te nemen. De erkenner en
de moeder hebben aanvankelijk samen voor het kind gezorgd; volgens de vader in
goed overleg; volgens de moeder liet het overleg te wensen over. Op een
gegeven moment verhuist de moeder waardoor het delen van de zorg – al dan niet
in goed overleg – feitelijk niet langer mogelijk is. De vader wil nu de
voogdij maar zowel de kantonrechter als de rechtbank wijzen het verzoek af. De
rechtbank overweegt dat: ‘In het onderhavige geval, waarin de moeder voogdes
is, dient niet te worden afgewogen wie van de ouders het best de voogdij kan
uitoefenen, maar dient te worden bezien of inwilliging van het verzoek van de
vader in het belang van het kind wenselijk is’. De vader gaat van deze
uitspraak in cassatie omdat de rechtbank art. 1:288 lid 3 BW heeft toegepast,
welk wetsartikel volgens de vader ten onrechte aan de moeder een voorsprong
geeft. De rechtbank had volgens de vader uit moeten gaan van een blanco
situatie, dus alsof de voogdij open stond.

De A-G gaat in zoverre met de vader mee, dat ook hij van mening is dat
bij een verzoek tot voogdijwijziging een ‘open beoordeling’ moet plaatsvinden
en vergelijkt de bovenstaande casus met de situatie dat de ouders de
ouderlijke macht gezamenlijk uitoefenden. Daarbij kan de continuering van de
bestaande situatie, als zijnde in het belang van het kind, wel worden
meegewogen maar de A-G mist een afweging van de rechtbank of in het belang van
het kind de voogdij wellicht beter bij de vader kon berusten. De A-G
concludeert tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot
verwijzing van de zaak naar het hof.

De Hoge Raad interpreteert de uitspraak van de rechtbank iets anders. In
de eerste plaats heeft de rechtbank slechts tot uitdrukking willen brengen,
dat de ouderlijke macht niet van rechtswege aan de vader toekomt. In de tweede
plaats moeten weliswaar de mogelijkheden die ieder van de ouders aan het kind
kunnen bieden worden afgewogen maar daarbij moet rekening gehouden worden met
de mogelijke nadelen voor het kind wanneer wijziging van het gezag tevens een
wijziging in zijn feitelijke leefsituatie zou betekenen. De uitspraak van de
Hoge Raad uit 1988 verschilt minimaal met die uit 1981. Toch lijkt de Hoge
Raad in de laatste uitspraak iets meer oog te hebben voor het feit dat
art.1:288 lid 3 BW niet voor niets uitgaat van de situatie dat ongehuwde
moeders van rechtswege het gezag over kinderen hebben.

6. Hoe bedreigend intussen deze voogdijwijzigingsverzoeken voor moeders
zijn, blijkt wel heel duidelijk uit RVR 1992, nr. 28. De moeder die erkenning
van het derde kind door de vader weigert omdat zij bang is voor
voogdijwijziging en wanneer het weigeren van haar toestemming door de
rechtbank overruled wordt, met haar kinderen onderduikt.

De vader probeert inderdaad, nadat hij het derde kind via de rechter
heeft erkend, voogdij-wijziging te krijgen en voert ondermeer aan dat de
moeder psychotisch is. Uit een eerder advies van de raad voor de
kinderbescherming blijkt dat de moeder de kinderen goed verzorgt en dat zij
niet psychotisch is, waarop de kantonrechter het verzoek van de vader om
voogdijwijziging afwijst. De moeder is dan inmiddels ondergedoken. De
rechtbank bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en meent dat
toewijzing van het verzoek aan de feitelijke situatie niets verandert, terwijl
toewijzing van de voogdij aan de vader ‘onverwachte en mogelijk ongewilde
gevolgen in de toekomst met zich kan brengen. Derhalve is onvoldoende komen
vast te staan dat de verzochte gezagswijziging in het belang van de kinderen
is’. Ook A-G Moltmaker vindt voogdijwijziging een paardemiddel, wanneer een
ouder zich op zodanige wijze gedraagt dat de wijze van opvoeding en verzorging
niet door derden, zoals de raad voor de kinderbescherming, kan worden
gecontroleerd. Tegelijkertijd echter wijst de A-G de vader op de mogelijkheid
van ‘een minder vergaande oplossing’ om een ondertoezichtstelling van de
kinderen te verzoeken. Dan zou een gezinsvoogd kunnen worden benoemd die in
contact kan proberen te komen met de moeder en de kinderen, welk contact voor
de moeder wellicht minder belastend is dan het contact met de vader.

Het is dieptreurig dat moeders zich zo in het nauw gedreven kunnen
voelen dat zij soms zelfs overgaan tot paardemiddelen als onderduiken, omdat
de Hoge Raad in 1981 (RVR 1992, nr. 25) bedacht heeft dat de opvoeding van
kinderen door ongehuwde moeders afgewogen moet worden tegen de opvoeding door
een vader enkel en alleen vanwege het feit dat vader om wat voor reden dan ook
het gezin niet meer ‘compleet’ maakt.

Rechters

Mrs. Snijders, Bloembergen, Roelvink, Davids en Heemskerk; A-G Moltmaker

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 juni 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


School op een van de eilanden van de Nederlandse Antillen werft in
Nederland personeel. Sollicitaten wordt gevraagd naar hun burgerlijke staat.
Tijdens de selectieprocedure blijkt dat vrouwen alleen in aanmerking komen
wanneer zij ongehuwd en kinderloos zijn. Commissie bevoegd in deze zaak met
internationale aspecten. Aansluiting bij rechtsmachtbepaling Nederlandse
rechter. Vragen naar de burgerlijke staat in strijd met de wet nu aan deze
burgerlijke staat alleen voor vrouwen gevolgen worden verbonden. Strijd met de
wet in de selectiefase omdat aan vrouwen meer eisen worden gesteld dan aan
mannen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 12 maart 1990 verzocht mevrouw drs te Amsterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door de Stichting
te Curacao, Nederlandse Antillen (hierna: de wederpartij) onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB,
Stb. 1989, 168) en/of artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
docent. Zij is voor deze functie afgewezen. Volgens verzoekster is zij
afgewezen omdat zij gehuwd is. Zij is van mening dat de wederpartij hiermee
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
nader schriftelijk toe te lichten.

Een extern deskundige, de heer prof. mr , heeft
op verzoek van de Commissie een rapport opgesteld over de internationale
reikwijdte van de WGB.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 11 april 1991. Partijen hebben van
deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 11 april 1991. Daarbij waren
aanwezig:

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De wederpartij is een stichting die zorgdraagt voor onderwijs op
een van de eilanden van de Nederlandse Antillen. Begin 1990 heeft zij in
Nederland, onder meer middels een advertentie in een Nederlands dagblad,
kandidaten geworven voor de functie van docent op dit eiland. Geschikte
kandidaten zouden voor een periode van drie jaar worden uitgezonden.

In de advertentietekst is vermeld dat sollicitanten wordt gevraagd in
hun sollicitatiebrief hun burgerlijke staat te vermelden.

Verzoekster is gehuwd en bezit de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde
van de sollicitatie was zij in Nederland woonachtig. Zij heeft gesolliciteerd
naar de functie van docent maar is daarvoor afgewezen. In de
standaard-afwijzingsbrief stond vermeld dat bij de beoordeling van de
sollicitatie de volgende criteria een rol hadden gespeeld:

– gevolgde beroepsopleiding

– onderwijservaring

– leeftijd

– bewijzen van samenwerkingsvermogen

– motivering

– geloofsovertuiging.

In een handgeschreven noot onderaan de, overigens getypte, brief wordt
nog opgemerkt:

“De regels zeggen:

De man kan uitgezonden worden, en zijn echtgenote kan dan meekomen naar
[…]. Het omgekeerde is niet mogelijk, op de Antillen.”

3.2. De Commissie heeft de wederpartij gevraagd informatie te
verschaffen over de gehanteerde wervings- en selectieprocedure. De wederpartij
heeft daarop aangegeven van mening te zijn dat zij niet wettelijk verplicht is
inlichtingen te verstrekken aan de Commissie. Niettemin heeft zij toch de
volgende informatie verstrekt.

De wederpartij trekt geen gehuwde vrouwelijke leerkrachten, met of
zonder kinderen, aan. Ook zegt zij geen ongehuwde vrouwelijke leerkrachten met
kinderen aan te trekken. Ter verklaring van haar handelwijze verwijst
wederpartij naar het van hogerhand vastgestelde beleid. De Landsverordening
1986 no. 96 regelt de officiele toelating van niet-Antillianen, zoals
verzoekster, tot de Nederlandse Antillen. Het uitvoeringsbeleid van deze
verordening ligt in handen van de Gezaghebber van elk Eilandgebied. De
Gezaghebber van het eiland waarop wederpartij zetelt, verleent noch aan de
echtgenoot noch aan de kinderen van niet-Antilliaanse vrouwelijke werknemers
toegang.

De wederpartij stelt geen zeggenschap te hebben over dit beleid en
gehouden te zijn deze regels te respecteren.

3.3. Verzoekster is van mening afgewezen te zijn voor de functie van
docent omdat zij gehuwd is. Zij verwijst naar de onder 3.1. opgenomen passage
onderaan de afwijzingsbrief.

In een later stadium van de procedure stelde verzoekster dat het al dan
niet hebben van kinderen een selectiecriterium is. De wederpartij zou door te
vragen naar de huwelijkse staat, via een omweg discrimineren op het punt van
het hebben van kinderen.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij door het hanteren van de
selectiecriteria als bovengenoemd, handelt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

3.4. De wederpartij bestrijdt het standpunt van verzoekster. Zij stelt
verzoekster afgewezen te hebben omdat zij niet voldeed aan een in de
advertentie genoemde functie-eis, namelijk het bezit van de bevoegdheid
Economie II.

Verzoekster heeft hierop gereageerd met de mededeling dat geen navraag
is gedaan naar haar bevoegdheden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Gezien de internationale aspecten van de onderhavige zaak is de
eerste vraag die beantwoord moet worden die naar de rechtsmacht en bevoegdheid
van de Commissie en het toepasselijke recht in deze zaak.(zie ook het
onderzoeksrapport van de externe deskundige, met name de bladzijden 38, 39,
41-43 en 47-50).

4.2. Regelgeving aangaande de rechtsmacht van de Commissie in zaken met
internationale aspecten ontbreekt. De Commissie zal op dit punt aansluiting
zoeken bij het systeem van rechtsmachtbepaling van de Nederlandse rechter. Zij
acht daartoe aanknopingspunten gelegen in artikel 14 lid 1 en lid 2 onder c
WGB waarin is bepaald dat de Commissie een oordeel kan geven op verzoek van
een rechter, die moet beslissen over een geschil op grond van artikel 1637 ij
BW of de WGB.

4.3. Nu geen contract tussen partijen tot stand is gekomen en hun
relatie direct in het begin van de sollicitatieprocedure al is verbroken
-derhalve in een zeer vroeg stadium van de precontractuele sfeer- zal de
Commissie een eventuele rechtsvordering in de onderhavige zaak kwalificeren
als een vordering uit onrechtmatige daad. Daarom knoopt de Commissie aan bij
de bevoegdheidsregels terzake van de onrechtmatige daad. Een verdrag waarin de
bevoegde rechter wordt aangewezen in een geschil, waarbij Nederland en de
Nederlandse Antillen betrokken zijn, ontbreekt. Artikel 126 lid 3 Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering biedt echter wel een aanknopingspunt. Verzoekster
woonde ten tijde van de sollicitatie in Nederland terwijl de wederpartij geen
woonplaats had in Nederland, zodat op grond van het bepaalde in evengenoemd
artikelonderdeel de rechter van de woonplaats van de eisende partij -dus van
verzoekster- bevoegd is om kennis te nemen van een eventuele vordering uit
onrechtmatige daad. Dientengevolge acht de Commissie zich bevoegd in deze een
oordeel te geven.

4.4. Voor wat betreft het toepasselijke recht is volgens internationaal
privaatrecht ingeval van onrechtmatige daad in beginsel de lex loci delicti
van toepassing, dat wil zeggen de plaats van handelen of nalaten.

De Commissie stelt vast dat in casu de werving en selectie wel en de
aanstelling niet in Nederland heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat ten
aanzien van de werving en selectie het Nederlandse recht kan worden
toegepast.

4.5. Op grond van het bovenstaande zal de Commissie een oordeel
uitspreken over de volgende vraag:

heeft de wederpartij bij de aanbieding van de betrekking en/of bij de
behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking onderscheid
gemaakt op grond van geslacht in strijd met de WGB?

4.6. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid
op grond van geslacht bij de aanbieding van een betrekking en bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking. In artikel 5 WGB
worden twee uitzonderingen op dit verbod genoemd. Het maken van onderscheid op
grond van geslacht is toegestaan wanneer een voorkeursbeleid voor vrouwen
wordt gevoerd of wanneer een functie geslachtsbepaald is.

Ingeval het vermoeden bestaat dat een verboden indirect onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt, kan degene die dit onderscheid maakt, aantonen dat
sprake is van een objectieve rechtvaardiging. Hieronder wordt verstaan dat het
onderscheid wordt gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en
daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te
bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op andere wijze, waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. (zie ook Comissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid d.d. 5 maart 1990,
oordeelnummer 1-90-10 of d.d. 4 april 1991, oordeelnummer 339-91-16.) Wanneer
een objectieve rechtvaardiging wordt aangenomen, wordt het verboden karakter
aan het gemaakte onderscheid ontnomen.

4.7. Ten aanzien van de aanbieding van de betrekking overweegt de
Commissie als volgt.

De wederpartij heeft in de personeelsadvertentie aan sollicitanten
gevraagd hun burgerlijke staat te vermelden. Deze burgerlijke staat speelde in
de selectieprocedure een zodanige rol dat vrouwen aan meer eisen moesten
voldoen dan mannen om voor uitzending in aanmerking te komen (zie ook onder
4.8.). Dit roept een vermoeden op van indirect onderscheid. Zoals gezegd is er
geen sprake van verboden indirect onderscheid naar geslacht wanneer voor dit
te maken onderscheid een objectieve rechtvaardiging kan worden aangevoerd. De
Commissie constateert dat het in casu beoogde doel van de vraag naar de
burgerlijke staat in de advertentie, het uitsluiten van bepaalde categorieen
vrouwen -gehuwde vrouwen en ongehuwde vrouwen met kinde- ren-, niet als
objectief gerechtvaardigd kan worden aangemerkt.

4.8. Met betrekking tot de behandeling bij de vervulling van de
openstaande betrekking overweegt de Commissie als volgt.

Zoals gezegd werden aan vrouwelijke sollicitanten meer eisen gesteld dan
aan mannelijke. Voor mannelijke sollicitanten was hun burgerlijke staat en de
vraag of zij kinderen hadden irrelevant. Vrouwen echter konden enkel voor
uitzending in aanmerking komen wanneer zij ongehuwd en kinderloos waren.

Verzoekster, een gehuwde vrouw, kon derhalve niet voor uitzending in
aanmerking komen. Wederpartij heeft aangevoerd dat verzoekster voor de functie
is afgewezen omdat zij niet de bevoegdheid Economie II bezat. De Commissie
stelt echter vast dat de wederpartij -naar ook is erkend in de brief van 4
november 1990- voor vrouwelijke sollicitanten in de selectieprocedure als
eerste voorwaarde hanteerde dat zij ongehuwd en kinderloos waren. Wederpartij
wilde immers rekening houden met de in de Landsverordening en door de
Gezaghebber vastgestelde regels voor toelating van vrouwen tot de Nederlandse
Antillen. Pas daarna kon voor vrouwelijke sollicitanten de vraag aan de orde
komen of zij ook bevoegd waren voor de functie waarnaar zij solliciteerden.

De Commissie concludeert dan ook dat de wederpartij verzoekster in
eerste instantie om reden van haar geslacht heeft afgewezen voor de functie.

De wederpartij heeft ter rechtvaardiging van haar handelwijze een beroep
gedaan op de Landsverordening en het toelatingsbeleid van de Gezaghebber van
het eiland. Dit beroep kan echter niet slagen. Het moge zo zijn dat de
wederpartij zich gedwongen voelde haar beleid hierop af te stemmen, dit neemt
echter niet weg dat zij haar eigen verantwoordelijkheid heeft voor de naleving
van de WGB. Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat een van de in deze
Wet genoemde uitzonderingsgronden van toepassing zou zijn.

Daarmee staat vast dat de wederpartij zowel bij de aanbieding van de
betrekking als bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekking heeft gehandeld in strijd met artikel 3 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting … te
Curacao, Nederlandse Antillen, bij de aanbieding van de betrekking en bij de
behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking, jegens mevrouw
drs … te Amsterdam onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, in strijd met
artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. E.F.A. van Buitenen; drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 juni 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij stelt de eis dat bepaalde managementfuncties in het
middenkader slechts kunnen worden vervuld in 70 respectievelijke 80% van de
normale werktijd. De functies worden opgevuld door interne bevordering.
Deeltijdwerkenden die minder dan 70/80% werken (bij de wederpartij allen
vrouwen) komen om die reden niet voor bevordering in aanmerking. Wederpartij
stelt dat beschikbaarheid zeer belangrijk is in deze functies. De Commissie
heeft met behulp van twee extern deskundigen onderzoek verricht naar de vraag
of er een minimumarbeidstijd is aan te geven waarbinnen de functies in die
organisatie nog op een goede manier zijn uit te oefenen. Uit het onderzoek
blijkt dat de urengrens die de wederpartij stelt niet zozeer is gebaseerd op
harde gegevens omtrent de noodzakelijkheid van de 70/80%, maar veeleer de
uitkomst is van een onderhandelingsproces met de vakorganisaties.

Urengrens belemmert bevordering deeltijdwerkenden die niet aan de
urengrens voldoen. Dit is niet in het nadeel van vrouwen. Objectieve
rechtvaardiging voldoet niet. Indirect onderscheid naar geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 mei 1990 verzochten Dienstcommissie I van de Raad van State te
Den Haag (hierna: verzoekster) en mevrouw (hierna: verzoekster 2) de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te
spreken over de vraag of de Raad van State te Den Haag (hierna: wederpartij)
onderscheid maakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Op 23 mei 1990 verzochten verzoeksters de Commissie om toepassing van de
spoedprocedure bij de behandeling van het verzoek.

1.2. De wederpartij past in haar organisatie richtlijnen toe met
betrekking tot de vervulling van functies in deeltijd.

Onderdeel van deze richtlijnen is het voorschrift dat de functies van
adjunct-chefjurist en chefjurist niet in minder dan 70% respectievelijk 80%
van de gebruikelijke werktijd vervuld mogen worden. Verzoeksters zijn van
mening dat door dit voorschrift toe te passen, de wederpartij in strijd
handelt met de wetgeving gelijke behandeling.

1.3. Verzoeksters hebben bij brief van 1 augustus 1990 aangegeven dat
zij hun verzoek mede uitstrekken tot de richtlijnen zoals deze per 12 juli
1990 gelden.

1.4. Op 28 februari 1991 heeft verzoekster 2 haar verzoek ingetrokken.
Dit omdat zij haar dienstbetrekking bij de wederpartij beeindigde.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 11 juni
1990. Voorafgaand aan de zitting heeft de wederpartij op verzoek van de
Commissie schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– dhr mr (voorzitter Dienstcommissie I)

– dhr mr (lid Dienstcommissie I)

– dhr mr (lid Dienstcommissie I)

– mw mr (lid Dienstcommissie I)

– mw mr (lid Dienstcommissie I)

– mw (lid Dienstcommissie I)

– mw mr (verzoekster 2)

van de kant van de wederpartij

– mw mr (Raadadviseur van Staat i.a.d.)

– dhr mr (hoofd van de stafafdeling Rechtspraak)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.2. De beraadslagingen naar aanleiding van de zitting op 11 juni zijn
gevoerd in Kamer II van de Commissie. In deze Kamer hadden zitting de leden
als genoemd onder 2.1.

2.3. Naar aanleiding van de zitting besloot de Commissie om een nader
onderzoek in te stellen naar de vraag, of er voor de betrokken functies een
minimum arbeidstijd bestaat waardoor de goede uitoefening van de functie in de
betrokken organisatie niet in gevaar wordt gebracht.

Bij brief van 20 juni is dit besluit aan partijen meegedeeld.

2.4. Het nader onderzoek is uitgevoerd met inschakeling van twee extern
deskundigen, te weten de heer drs () en de heer drs
(Ministerie , op persoonlijke titel).

In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met partijen en
een aantal medewerk(st)ers van de wederpartij. Beide deskundigen hebben een
rapport opgesteld. Het rapport van de heer is gedateerd 25 januari 1991.
Het rapport van de heer is gedateerd februari 1991.

2.5. De rapporten zijn door de Commissie aan partijen toegezonden.
Beiden hebben hun reactie daarop schriftelijk aan de Commissie kenbaar
gemaakt.

2.6. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 mei 1991. Bij deze zitting waren
aanwezig:

van de kant van verzoekster

– dhr mr (voorzitter Dienstcommissie I)

– mw mr (lid Dienstcommissie I)

– mw mr (lid Dienstcommissie I)

– dhr mr (lid Dienstcommissie I)

van de kant van de wederpartij

– dhr mr (secretaris)

– mw mr (Raadadviseur van Staat i.a.d.)

– dhr mr (chef sector wetgeving)

– dhr mr (toehoorder)

– dhr (toehoorder)

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

– dhr drs (toehoorder).

2.7. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. Daarin
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.6.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een college met adviserende en rechtsprekende
taken. Haar bureau omvat onder meer een afdeling rechtspraak, een afdeling
geschillen van bestuur en een sector wetgeving. Deze drie eenheden vormen de
diensteenheid waarvoor verzoekster de Dienstcommissie vormt. In al deze drie
eenheden werken (adjunct-)chefjuristen. (Adjunct-)chefjuristen hebben de
supervisie over stafjuristen. De werving voor de functies van
(adjunct-)chefjurist geschiedt bijna uitsluitend intern, onder de stafjuristen
respectievelijk de adjunct-chefjuristen.

3.2. De wederpartij kent sinds 1983 richtlijnen met betrekking tot de
mogelijkheid om in deeltijd te werken.

In deze richtlijnen is neergelegd dat verzoeken om in deeltijd te mogen
werken in beginsel positief worden benaderd maar dat er geen algemene
mogelijkheid is om iedere functie in deeltijd te vervullen. Iedere functie
alsook ieder geval wordt daartoe op zich beoordeeld.

Op enkele uitzonderingen na is volgens de richtlijnen het werken in
deeltijd in beginsel voor alle functies mogelijk, zij het met een minimum van
50% van de gebruikelijke arbeidstijd (38 uur per week). Hiertoe behoort ook de
functie van stafjurist. Voor een andere categorie functies geldt dat in
deeltijd werken bezwaarlijk is en alleen wordt toegestaan bij een minimum
hoger dan 50%. Hiertoe behoren de functies van adjunct-chefjurist (minimaal
70%) en chefjurist (minimaal 80%).

De functies die niet in deeltijd kunnen worden vervuld zijn voornamelijk
managementfuncties.

In bijzondere gevallen is het mogelijk van deze richtlijnen af te
wijken.

De richtlijnen zijn op 12 juli 1990 aangepast. De aanpassingen houden
geen wijziging in van de bovenstaande gegevens.

Verder is hier relevant dat de wederpartij geen eisen stelt aan
deeltijders met betrekking tot de concrete invulling van de te werken uren,
bijvoorbeeld door voorschriften te geven over de verdeling van de arbeidsuren
gedurende de werkweek. Deeltijdwerkenden hebben derhalve een grote vrijheid
bij deze indeling, zij het dat zij op zittingsdagen aanwezig moeten zijn.

3.3. Bij de wederpartij werkten per 31 december 1990 676 mensen, waarvan
385 mannen en 291 vrouwen. Van deze 676 mensen werkten 531 in voltijd, 145 in
deeltijd.

De deeltijdwerkenden zijn onderverdeeld in 24 mannen en 121 vrouwen.

Oftewel:

24 mannen

+ 121 vrouwen

= 145 deeltijdwerkenden

+ 531 voltijdwerkenden

= 676: 385 mannen

291 vrouwen

Voor de functies waarop het onderzoek betrekking heeft zijn de gegevens
als volgt:

chefjurist

1 man

+ 5 vrouwen

= 6 deeltijdwerkenden

+ 20 voltijdwerkenden

= 26: 18 mannen

8 vrouwen

adjunct-chefjurist

3 mannen

+ 5 vrouwen

= 8 deeltijdwerkenden

+12 voltijdwerkenden

=20: 12 mannen

8 vrouwen

stafjurist

7 mannen

+ 24 vrouwen

= 31 deeltijdwerkenden

+ 75 voltijdwerkenden

= 106: 58 mannen

48 vrouwen

Een klein aantal (adjunct-)chefjuristen (op 1 april 1990 waren dat er 3)
werkt in minder uren dan de richtlijnen vereisen. Dit zijn allen vrouwen. Alle
deeltijdwerkende stafjuristen die minder dan 70% werken zijn vrouwen.

De wederpartij heeft ook gegevens overgelegd voor de situatie op
1-4-1990.

Toen gold het volgende:

chefjurist

2 mannen (80% respectievelijk 84%)

+ 4 vrouwen (1 x 60%, 2 x 80%, 1 x 90%)

= 6 deeltijdwerkenden

+ 21 voltijdwerkenden

= 27 totaal: 19 mannen

8 vrouwen

Dit betekent dat van het totaal aantal vrouwen 50% in deeltijd werkt en
van het totaal aantal mannen 10,5%.

adjunct-chefjurist

3 mannen (1 x 95%, 2 x 80%)

+ 6 vrouwen (2 x 90%, 1 x 84%, 1 x 80%, 2 x 60%)

= 9 deeltijdwerkenden

+ 12 voltijdwerkenden

= 21 totaal: 11 mannen

10 vrouwen

Dit betekent dat van het totaal aantal vrouwen 60% in deeltijd werkt en
van het totaal aantal mannen 27%.

stafjurist

8 mannen (6 x 80%, 1 x 83%, 1 x 90%)

+ 18 vrouwen (5 x 90%, 6 x 80%, 1 x 60%, 1 x 54%,

1 x 53%, 4 x 50%)

= 26 deeltijdwerkenden

+ 73 voltijdwerkenden

99 totaal: 55 mannen

44 vrouwen

Dit betekent dat van het totaal aantal vrouwen 41% in deeltijd werkt en
van het totaal aantal mannen 14,5%.

Standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

De wederpartij maakt indirect onderscheid naar geslacht bij de
bevordering door de toepassing van de richtlijnen deeltijdwerk zoals die
gelden voor de functies van chefjurist en adjunct- chefjurist. Toepassing van
de minimum-percentages (80 respectievelijk 70) vormt een belemmering voor
vrouwen tot bevordering in deze functies. Het zijn immers vooral vrouwen die
in deeltijd werken. Sollicitanten die niet aan de 80% respectievelijk 70% norm
voldoen worden om die reden niet als serieuze kandidaten voor de functie
beschouwd. Ten bewijze van deze stelling legt verzoekster een brief over van
de wederpartij d.d. 27-2-1990 waarin deze een vrouwelijke stafjurist
(verzoekster 2), die solliciteerde naar de functie van adjunct- chefjurist
afwijst op grond van het feit dat zij niet meer dan 60% van 38 uur wil
werken.

Verzoekster draagt verder aan dat er ook vrouwelijke juristen zijn die
om reden van de geldende richtlijnen sollicitaties naar de betrokken functies
achterwege laten.

Verzoekster is voorts van mening dat de richtlijnen zonder onderbouwing
en willekeurig zijn vastgesteld.

In een aantal gevallen wordt bovendien door een (adjunct- )chefjurist
voor een lager percentage gewerkt dan in de richtlijnen genoemd, terwijl niet
is gebleken dat betrokkenen daardoor onvoldoende functioneren.

Verzoekster wijst op jurisprudentie van het EG-Hof van Justitie. Dit Hof
heeft als vaste jurisprudentie dat bepaalde eisen worden gesteld aan
objectieve rechtvaardiging van een mogelijk indirect discriminerende regeling.
In de onderhavige situatie is volgens verzoekster geen sprake van een middel
(te weten het stellen van de 70% respectievelijk 80% minimum arbeidstijd) dat
geschikt en noodzakelijk is voor het te bereiken doel (te weten het op
ambtelijk niveau ondersteunen van de wederpartij). Dit gelet op de bij de
wederpartij geldende organisatie en werkwijze.

De betrokken functionarissen hebben weliswaar een spilfunctie en zijn
verantwoordelijk voor onderdelen van het productieproces, maar hun werk kan
over meer mensen verdeeld worden en hun daadwerkelijke aanwezigheid met het
oog op vragen van staatsraden en stafjuristen is niet dagelijks noodzakelijk.
Staatsraden wenden zich in de praktijk vooral tot de stafjuristen met vragen
(en die mogen 50% werken); stafjuristen kunnen met hun vragen ook terecht bij
een andere dan de hem/haar begeleidende adjunct- chefjurist.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

De regels ten aanzien van deeltijdwerk worden zonder onderscheid des
persoons op alle betrokkenen toegepast en leveren daarom geen direct
onderscheid naar geslacht op. Evenmin is sprake van indirect onderscheid naar
geslacht. De wederpartij betwist dat er sprake zou zijn van een nadelig effect
van de maatregel voor vrouwen. Per 1-4-1990 stuiten op grond van deze regels
ten hoogste 5 vrouwen op de 70% respectievelijk 80% grenzen. Dit na aftrek van
niet voor bevordering in aanmerking komende vrouwen. Dit komt neer op slechts
10% van de betrokken vrouwen, en dan nog alleen wanneer alle 5 vrouwen bereid
zijn te solliciteren naar een vrijkomende functie en niet bereid zijn hun
beschikbaarheid aan te passen. Van de mannen wordt geen enkele mogelijke
kandidaat door de minimumgrenzen verhinderd. Gelet op de verschillen van
mening in de literatuur en jurisprudentie over de te kiezen telmethode acht de
wederpartij deze gegevens niet van zodanige aard dat dit een vermoeden van
indirect onderscheid oplevert. Mocht de Commissie echter tot een andere
conclusie komen dan, zo stelt de wederpartij, is er sprake van een objectieve
rechtvaardiging voor de gestelde regels.

3.7. In de organisatie van de wederpartij bestaat een grote werkdruk.
Alles moet erop gericht zijn de staatsraden optimaal te ondersteunen.

De wederpartij wil het beleid van de Rijksoverheid, gericht op het
mogelijk maken van deeltijdwerk, volgen. Daarom is in beginsel het werken in
deeltijd met een minimum van 50% mogelijk. Voor de onderhavige functies geldt
echter dat werken in deeltijd bezwaarlijk is.

Bij wijze van tegemoetkoming aan de op dit punt levende wensen is
deeltijd toch toegestaan, maar met de bovenvermelde minimumgrenzen. Afwijking
van deze grenzen wordt alleen toegestaan op grond van de sociale
omstandigheden van de persoon en onder de voorwaarde dat deeltijdwerk in een
lager percentage dan 70 respectievelijk 80 in de concrete werksituatie
realiseerbaar is.

Dat deeltijdwerk in deze functies bezwaarlijk is komt omdat het
spilfuncties zijn. De functionarissen zijn verantwoordelijk voor kwaliteit en
voortgang van de afdoening van series zaken door de staatsraden
respectievelijk voor voorbereiding van advisering door de Raad. De staatsraden
moeten op elk door hen gewenst moment met vragen terecht kunnen. Deze vragen
behoren gericht te zijn tot de verantwoordelijke (adjunct-)chefjurist.

Daarnaast vervult de (adjunct-)chefjurist een centrale rol in de interne
organisatie. De (adjunct-)chefjurist heeft de supervisie over een aantal
stafjuristen. Deze dienen met alle bij hen opkomende vragen terecht te kunnen
bij de (adjunct-)chefjurist. Ook voor medewerk(st)ers van ondersteunende
diensten (secretarie) dienen de (adjunct-)chefjuristen als de voor het werk
verantwoordelijke personen aanspreekbaar te zijn. Een minimale aanwezigheid
van 70% respectievelijk 80% is derhalve noodzakelijk.

Voorts stelt de wederpartij dat de minimumgrenzen niet willekeurig zijn
vastgesteld. Zij zijn tot stand gekomen begin jaren tachtig na uitvoerig
overleg met betrokken medewerkers uit het management en met de
vakorganisaties.

3.8. Tenslotte stelt de wederpartij dat het de vraag is of in een
situatie waarin vrouwen door gestelde grenzen aan deeltijdwerk meer getroffen
worden dan mannen, het de plicht is van de werkgever om hiervoor zijn
organisatie aan te passen. Het werkelijke probleem, de verdeling van betaalde
en onbetaalde arbeid tussen partners in een huishouding, wordt daarmee immers
niet opgelost. Integendeel: het werkt door de bevestiging van het huidige
rollenpatroon eerder contra-productief.

De rapporten van deskundigen

3.9. De rapporten van de door de Commissie ingeschakelde deskundigen
leveren onder andere de volgende gegevens op.

De vraagstelling die de Commissie heeft voorgelegd aan de deskundigen
luidde:

is er voor de functie chefjurist en adjunct-chefjurist aan te geven of
er een minimum arbeidstijd bestaat waarbij de goede uitoefening van de functie
in de betrokken organisatie niet in gevaar wordt gebracht.

Daarbij is aan de deskundigen gevraagd, hun onderzoek met name te
richten op die argumenten die door partijen naar voren zijn gebracht in het
kader van de procedure bij de Commissie.

Uit de rapporten blijkt dat het werkproces bij de wederpartij in grote
mate volgens vaste lijnen en planningen verloopt. Hierdoor is ruim van tevoren
voor iedereen bekend wat een medewerker op welk tijdstip moet doen. Voorts
blijkt dat de chef-juristen en adjunct-chefjuristen niet of nauwelijks te
maken hebben met externe contacten waarvoor zij bereikbaar zouden moeten
zijn.

Intern hebben zij werkcontacten met staatsraden en stafjuristen. De
frequentie van deze contacten is niet exact vast te stellen aangezien de
verklaringen daarover zeer uiteen lopen. De conclusie van het rapport van de
heer … was evenwel dat deze contacten minder dan regelmatig zijn en uit het
rapport van de heer … komt ook het beeld naar voren van voornamelijk
incidentele contacten. Dat deze contacten niet zeer frequent zijn is overigens
ook door de wederpartij ter zitting bevestigd. Verder komt uit de rapporten
alsmede uit de verklaringen van leden van de Dienstcommissie naar voren dat de
staatsraden vaak juist contact zoeken met de stafjurist (die de zaak heeft
voorbereid) en niet met de (adjunct-)chefjurist (die de supervisie heeft). Ook
blijkt uit de rapporten dat frequentie en type contacten per afdeling en
werkeenheid kunnen verschillen.

Andere relevante conclusies uit de rapporten:

Het zijn juist de adjunct-chefjuristen (die 70% mogen werken) die de
minst ervaren juristen begeleiden en die dus het meest met vragen van
stafjuristen te maken krijgen. Veel van de vragen die stafjuristen tegenkomen
in hun werk kunnen bij afwezigheid van de (adjunct-) chefjurist hetzij blijven
liggen tot deze weer aanwezig is, hetzij worden opgelost door een
collega-stafjurist dan wel (adjunct-)chefjurist te raadplegen.

De planning van het werk biedt voldoende ruimte om vragen even te laten
liggen. Tenslotte blijkt uit de rapporten dat er weinig structureel overleg is
over het werk. Overleg vindt vaak informeel en ad hoc plaats.

De algemene conclusie van de heer … is, dat de deeltijdgrenzen niet
herleid kunnen worden tot het werkproces en dat er geen dwingende argumenten
gevonden zijn die pleiten tegen het verlagen van het deeltijdpercentage.

De algemene conclusie van de heer … is dat het zeer aannemelijk is dat
het bevoegd gezag voor bepaalde functies op zekere echelons in de organisatie
ondergrenzen stelt ten aanzien van deeltijd. Uit het onderzoek zijn echter
geen gegevens naar voren gekomen op basis waarvan de redelijkheid kan worden
aangetoond voor het hanteren van eerdergenoemde percentages voor de chefjurist
en de adjunct-chefjurist. De rechtvaardiging van de absolute hoogte alsmede
van een eventuele differentiatie naar onderdeel van de organisatie zou aan de
hand van een nader organisatie-onderzoek kunnen worden aangetoond.

3.10.Partijen hebben elk van de gelegenheid gebruik gemaakt om te
reageren op de rapporten. Zij zijn verdeeld over de waarde ervan.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag, of de wederpartij handelt in strijd met
artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB). Dit artikel
verbiedt het bevoegd gezag om onderscheid te maken naar geslacht bij onder
meer de bevordering. Onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect
onderscheid.

Indirect onderscheid naar geslacht ontstaat wanneer het nadelig effect
van een regeling in overwegende mate personen van een geslacht treft, terwijl
daarvoor door degene die het onderscheid teweegbrengt geen objectieve
rechtvaardiging wordt aangedragen.

4.2. De regel die hier ter beoordeling voorligt, namelijk de 70%
respectievelijk 80% grens, is een belemmering bij de bevordering van
stafjuristen en adjunct-chefjuristen. Zij zijn degenen uit wier midden
(adjunct-)chefjuristen worden gerecruteerd. Zowel op basis van de gegevens per
1-4-1990 als op basis van de gegevens per 31-12-1990 blijkt dat de enigen die
door de regel potentieel worden getroffen, vrouwen zijn. Het zijn immers
alleen vrouwen die in de genoemde functies een deeltijdbaan van minder dan 80%
hebben. De mening van de wederpartij dat de omvang van de groep potentieel
getroffenen gering is, doet niet af aan het vaststaande gegeven dat die groep
uitsluitend uit vrouwen bestaat. Evenmin wordt dit gegeven gewijzigd door de
opvatting van de wederpartij dat het toestaan van werken in deeltijd onder de
70%/80%-grens rolbevestigend is.

Hoewel de overgelegde gegevens slechts een momentopname vormen, zijn er
geen aanwijzingen dat een andere momentopname een ander beeld zou opleveren.
Daarmee is vastgesteld dat de ter beoordeling voorliggende regel in de
situatie bij de wederpartij het vermoeden van indirect onderscheid ten nadele
van vrouwen wekt.

4.3. In zo’n geval is het, ook blijkens vaste jurisprudentie van EG-Hof
van Justitie, aan de wederpartij om aan te tonen dat het onderscheid wordt
gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en dat daartoe
middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te
bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.4. Volgens de wederpartij ligt de objectieve rechtvaardiging in het
karakter van de functie: het gaat om een spilfunctie; de functionarissen
dienen zoveel mogelijk aanwezig te zijn tijdens kantooruren om enerzijds
beschikbaar te zijn voor vragen van de staatsraden, anderzijds voor vragen van
de stafjuristen die zij begeleiden.

De Commissie merkt hierover het volgende op.

Hoewel de wederpartij als uitgangspunt heeft gekozen dat zij deeltijd
waar mogelijk toe wil staan, is niet gebleken dat zij bij het vaststellen van
de 70% en 80% grenzen enig onderzoek heeft verricht naar oplossingen waarbij
zowel haar bedrijfsbelangen als de wens om in minder dan 70% respectievelijk
80% te werken verenigbaar zijn. Er is bijvoorbeeld niet onderzocht of kan
worden voldaan aan de eisen die het bedrijfsbelang van de wederpartij stelt
door het opleggen van voorwaarden aan de deeltijdwerkers met betrekking tot
hun aanwezigheid op de werkplek op bepaalde dagen of op een minimum aantal
dagen in de week. Bij een deeltijdpercentage van 60% is heel wel denkbaar dat
de betrokken functionaris op 5 dagen per week aanwezig is voor het gewenste
overleg met staatsraden en stafjuristen. Tevens is denkbaar dat een
tijdschrijf-onderzoek uitwijst dat het tijdsbeslag dat met genoemd overleg
feitelijk gemoeid is heel wel verenigbaar is met een deeltijdfunctie van
minder dan 70%, waaraan aanwezigheidsvoorwaarden zijn gesteld. Uit het
onderzoek van de deskundigen blijkt niet dat het vervullen van de bewuste
functies noodzakelijkerwijze in een minimumpercentage van 70% moet geschieden.
Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat de door de wederpartij
gestelde grenzen veeleer de uitkomst zijn van een onderhandelingsproces tussen
de wederpartij en de vakorganisaties dan dat zij voortvloeien uit onderzoek
naar noodzakelijke eisen die de organisatie van de arbeid bij de wederpartij
stelt. De wederpartij is er aldus niet in geslaagd aan te tonen dat de door
haar gehanteerde grenzen van 70% en 80% noodzakelijk zijn voor haar
arbeidsorganisatie zonder dat andere oplossingen mogelijk zijn waarbij geen
nadelig effect voor (in dit geval uitsluitend) vrouwen optreedt.

De Commissie wijst er ten overvloede op dat uit het hier gestelde niet
volgt dat er geen minimumgrens gesteld zou kunnen worden ten aanzien van het
werken in deeltijd. Zij concludeert slechts dat voor de onderhavige functies
de daarvoor gestelde grenzen onvoldoende feitelijk en objectief zijn
onderbouwd, waardoor hun noodzakelijkheid en geschiktheid niet is aangetoond.

Daaruit volgt dat voor het gemaakte onderscheid geen voldoende
objectieve rechtvaardiging is aangevoerd.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Raad van State te Den
Haag indirect onderscheid maakt jegens vrouwen in strijd met artikel 1a Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Dit onderscheid heeft betrekking op
mogelijke bevordering van bij hem in dienst zijnde medewerksters.

Rechters

prof. mr. P.F. van der Heijden; drs. C.M. Sjerps, secretaris