Instantie: Kantonrechter Groningen, 20 juni 1991

Instantie

Kantonrechter Groningen

Samenvatting


Eiser voldoet aan alle formele vereisten om in aanmerking te komen voor
ouderschapsverlof. Werkgever wijst het verzoek van eiser af omdat hij het
ouderschapsverlof niet gaat gebruiken om ouderschapstaken te combineren met
betaalde arbeid. Eiser nam het ouderschapsverlof op en werd daarom op staande
voet ontslagen.

De Kantonrechter is van oordeel dat slechts onder zeer bijzondere
omstandigheden de werkgever zich kon beroepen op misbruik van het recht op
ouderschapsverlof en in casu was geen sprake van deze bijzondere
omstandigheden. Het ontslag op staande voet is niet te goeder trouw.

Volledige tekst

Overwegingen:

1. Partijen in dit geding zijn het erover eens, dat eiser in het
incident, de werknemer, hierna eiser te noemen, aan alle formele vereisten
voldeed om in aanmerking te kunnen komen voor ouderschapsverlof ingevolge de
per 1 januari 1991 in werking getreden Wet op het Ouderschapsverlof (art.
1638oo BW), toen hij dat ouderschapsverlof bij brief van 11 januari 1991 aan
gedaagde in het incident, de werkgeefster, hierna ook gedaagde te noemen,
aanvroeg en dat de periode en het aantal uren per week van het daarbij
aangevraagde verlof ruimschoots bleven binnen de grenzen van art. 1638oo lid 2
BW.

2. De werkgeefster heeft geen gebruik gemaakt van de in lid 6 van
voormeld artikel geboden mogelijkheid om de door de werknemer gewenste
spreiding van de verlofuren over de week na overleg met de werknemer op grond
van gewichtige redenen te wijzigen, doch heeft de aanvraag van de werknemer
eerst bij brief van haar advocaat-gemachtigde van 13 maart 1991 afgewezen op
grond dat eiser misbruik zou maken van de onderhavige regeling omdat hij dit
uitsluitend zou willen gebruiken om zijn eigen woning te verbouwen c.q. op te
knappen en niet om ouderschapstaken te combineren met betaalde arbeid.

3. eiser heeft onbetwist door gedaagde gesteld, dat hij al sinds 1981
als hobby bezig is met het verbouwen en opknappen van zijn woning, en wel
hoofdzakelijk in de avonduren, en dat hij niet van plan was die activiteiten
tijdens het ouderschapsverlof te staken (doch ook niet om die dan in ruimere
mate dan daarvoor voort te zetten).

4. Bij brief van de advocaat-gemachtigde van eiser van 25 maart 1991 aan
de advocaat-gemachtigde van gedaagde werd, naar mijn oordeel terecht, onder
meer gesteld: ‘De sinds kort in de wet opgenomen regeling van het
ouderschapsverlof biedt de werkgever geen mogelijkheden om een verzoek te
weigeren; evenmin zijn er in de wet regelingen opgenomen betreffende de
activiteiten van de betreffende ouder tijdens het ouderschapsverlof; het is
puur een prive-aangelegenheid van de betrokken ouder; of hij met zijn kind
gaat vissen dan wel een studie volgt dan wel andere activiteiten verricht
staat niet ter discussie bij de vraag of hij recht heeft op ouderschapsverlof;
in uw visie bestaat die mogelijkheid wel wanneer misbruik wordt gemaakt van
recht; dat zou het geval zijn wanneer er oneigenlijk gebruik zou worden
gemaakt van deze ouderschapsregeling; het gevaar van een dergelijke redenering
is in zijn algemeenheid dat de werkgever zich toch bezig gaat houden met de
prive-activiteiten van zijn werknemer; hij verlangt dan blijkbaar toch een
soort verantwoording van hetgeen de betreffende persoon tijdens dit
ouderschapsverlof onderneemt, nogmaals dit is uitdrukkelijk in strijd met de
regeling zelf.’

5. Ter ondersteuning van haar visie dat eiser misbruik wilde maken van
de ouderschapsverlofregeling heeft gedaagde bij conclusie van antwoord in het
incident onder meer twee schriftelijke verklaringen overgelegd waarvan de
eerste luidt: ‘Hierbij verklaar ik dat de heer H. tegenover mij heeft
verklaard, in een gesprek welk plaatsvond op mijn kantoor, het volgende: “Ik
verdien hier niet zo veel per uur als ik moet betalen aan een aannemer per
uur, dus het komt me goed uit hiervoor (voor de verbouwing) het
ouderschapsverlof te gebruiken”; Hieruit heb ik afgeleid dat hij in die tijd
(april, mei, juni) zijn huis zal gaan verbouwen.’ en de tweede: ‘Hierbij
verklaar ik, dat H. in het bijzijn van meerdere collega’s verklaard heeft
(onder andere in de kantine) dat hij zijn ouderschapsverlof onder meer wil
aanwenden voor het verbouwen van zijn huis.’

6. Uit beide verklaringen blijkt niet dat eiser het verlof uitsluitend
wilde gebruiken om zijn woning te verbouwen, terwijl het tegendeel zelfs
duidelijk blijkt uit de tijdens de mondelinge behandeling van dit incident
door eiser overgelegde schriftelijke van verklaring van E. onder meer
inhoudende: ‘Hierbij verklaar ik, volledig uit vrije wil en zonder oogmerk van
eigen belang, dat eiser zich aldus tegenover mij heeft uitgelaten over zijn
ouderschapsverlof: 1. doordat hij donderdag en vrijdag vrij zou hebben zou
zijn vrouw daardoor ontlast worden; 2. Na dertien a veertien jaar zou hij nu
eindelijk wat meer tijd hebben voor zijn kinderen; 3. op geen enkele wijze
heeft hij zich tegenover mij uitgelaten over het verbouwen van zijn huis,
zodat bij mij derhalve niet de indruk is gewekt dat het hem hierom te doen is
aangaande zijn wettelijk recht op gebruikmaking van ouderschapsverlof.’

7. Op de hiervoor vermelde brief van eisers advocaat- gemachtigde van 25
maart 1991, waaruit blijkt dat partijen via hun raadslieden bezig waren te
trachten om een oplossing voor het geschil te vinden en in elk geval
verdergaande problemen te voorkomen, volgt geen reactie van of namens
gedaagde, hoewel in die brief stond vermeld: ‘Ik stel daarom voor dat de heer
H. volgens zijn voorstel het ouderschapsverlof ingaat waarbij overigens wel
tegemoet gekomen wordt aan de laatste alinea van uw brief; een dergelijke
verschuiving was door de heer H. voorgesteld ter verlichting van de
administratie; uiteraard heeft hij er geen enkel bezwaar tegen wanneer dit
niet op deze wijze gebeurt; gezien de aard van het misverstand verwacht ik dat
er aan de kant van uw client geen problemen zijn wat betreft het
ouderschapsverlof; overigens spreek ik de hoop uit dat er verder geen
consequenties aan dit conflict zullen worden verbonden namelijk dat extra op
mijn client zal worden gelet; in dit verband verwacht ik dat partijen in
loyale en sportieve verhoudingen weer verder met elkaar kunnen.’

8. Toen eiser echter op 4 april 1991 de eerste dag van het door hem
aangevraagde ouderschapsverlof opnam, ontsloeg gedaagde hem op staande voet
bij brief van diezelfde datum van haar advocaat-gemachtigde luidende: ‘Naar
aanleiding van het feit dat u heden, donderdag 4 april 1991, niet op uw werk
bent verschenen, zeg ik u hierbij namens uw werkgever ontslag op staande voet
aan; zoals u bekend is, stelt uw werkgever zich op het standpunt dat u geen
aanspraak maakt op ouderschapsverlof, zodat wij er van uitgaan dat u thans
onrechtmatig van uw taak bent weggebleven; een copie van deze brief stuur ik
per fax aan uw raadsman.’

9. Naar mijn oordeel komt aan een werkgever ten opzichte van diens
werknemer die voldoet aan alle formele vereisten voor ouderschapsverlof,
slechts onder zeer bijzondere omstandigheden de bevoegdheid toe om zich te
beroepen op misbruik van recht door de werknemer, waarbij onder meer kan
worden gedacht aan het geval dat de betreffende werknemer de verlofdagen
uitsluitend wil gebruiken om bij een andere werkgever tegen betaling
werkzaamheden te verrichten.

10. Na de brief van eisers advocaat-gemachtigde van 25 maart 1991 kon
gedaagde te goeder trouw bovendien eiser niet op de eerste dag van zijn
ouderschapsverlof ineens op staande voet ontslagen, doch had zij eiser
tenminste eerst nog eens uitdrukkelijk schriftelijk moeten sommeren om zijn
werkzaamheden onmiddellijk te hervatten, althans geen verdere
ouderschapsverlofdagen op te nemen op straffe van ontslag op staande voet.

11. Het past een goede werkgever naar mijn oordeel niet, om een
werknemer met een dienstverband van ruim zestien jaren zo te behandelen als
gedaagde ten opzichte van eiser heeft gedaan, ook niet wanneer die werknemer
zich in de beleving van de werkgever heeft laten kennen als een misschien niet
alleen kritische, doch ook wat lastige, werknemer.

12. Uit de ruim tien bladzijden lange opsomming van gedaagde omtrent
problemen/confrontaties die zij tijdens de duur van het onderhavige
dienstverband met eiser heeft ondervonden (produktie 2 bij conclusie van
antwoord in het incident), ontstaat de indruk dat gedaagde het incident met
het ouderschapsverlof heeft aangegrepen als een welkome gelegenheid om
eindelijk van een lastige werknemer verlost te raken.

13. Op grond van de voorgaande overwegingen ligt de incidentele
vordering van eiser voor onmiddellijk toewijzing gereed en dient gedaagde, als
de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het incident te worden
veroordeeld.

14. Tijdens de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat eiser
ruimschoots voldoende belang heeft bij zijn incidentele vordering.

Beslissing

De Kantonrechter:

Beveelt gedaagde om voor de duur van de procedure in de hoofdzaak
maandelijks het salaris zoals dat voor eiser geldt uit te betalen van af 4
april 1991 tot een eventuele rechtsgeldige beeindiging van de
arbeidsovereenkomst tussen partijen.

Verwijst P. in de kosten van deze procedure in het incident aan de zijde
van eiser tot aan deze uitspraak vastgesteld op ƒ 500,– voor salaris van de
gemachtigde, welk bedrag dient te worden voldaan aan de griffier van dit
gerecht.

Rechters

Mr P.E. Bergsma

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 juni 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Wederpartij heeft als gevolg van een slechte financiele situatie van het
bedrijf, een reorganisatie doorgevoerd en in dat kader een collectieve
ontslagprocedure gestart bij het Arbeidsbureau. Uit de gegevens van de
ontslagaanvragen blijkt de kans op ontslag voor een vrouw groter dan voor een
man.

In de tussenbeslissing d.d. 19 juni 1991 heeft de Commissie voorlopig
geoordeeld dat door de wederpartij indirect onderscheid is gemaakt naar
geslacht jegens verzoeksters. Dit gelet op het feit dat het effect van de
reorganisatie en de collectieve ontslagprocedure in overwegende mate ten
nadele van vrouwen en in het bijzonder van verzoeksters werkt. De wederpartij
kreeg de gelegendheid geboden aan te tonen dat voor het gemaakte onderscheid
objectieve rechtvaardiging bestaat. De Commissie constateert in haar
eindbeslissing dat de wederpartij er niet in geslaagd is aan de op haar
rustende verplichting te voldoen om een objectieve rechtvaardiging aan te
dragen. Het vermoeden van indirect onderscheid heeft zij toen en ook nu niet
weggenomen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 mei 1991 verzochten

1) mw dr ir … te Waalre

2) mw … te Veldhoven

3) mw … te Veldhoven

4) mw … te Eindhoven

(hierna: respectievelijk verzoeksters 1 t/m 4) de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid met spoed haar oordeel uit te
spreken over de vraag of … te Eindhoven (hierna: wederpartij) indirect
onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. De wederpartij voert een reorganisatie door en heeft in dat kader
een collectieve ontslagprocedure gestart bij het Arbeidsbureau. Uit de
gegevens van de ontslagaanvragen lijkt volgens verzoeksters de kans op ontslag
voor een vrouw groter dan voor een man. Verzoeksters, die alle vier voor
ontslag bij het arbeidsbureau zijn voorgedragen, zijn van mening dat de
wederpartij indirect onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Commissie op 19 juni 1991
een tussenbeslissing uitgebracht. De inhoud van deze beslissing wordt geacht
hier in zijn geheel te zijn ingevoegd (opgenomen achter dit oordeel). De
Commissie heeft in deze beslissing voorlopig geoordeeld dat door … indirect
onderscheid is gemaakt naar geslacht jegens verzoeksters. Conform de
beslissing heeft … de gelegenheid gekregen alsnog aan te tonen dat er een
objectieve rechtvaardiging bestaat voor het teweeggebrachte nadelige effect
voor vrouwen.

2.2. Partijen hebben na de tussenbeslissing ieder schriftelijk
gereageerd en zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op 22 oktober 1991.

Bij de zitting van 22 oktober 1991 waren aanwezig:

van de kant van verzoeksters

– mw dr ir … , verzoekster 1

– mw … , verzoekster 2

– mw … , verzoekster 3

– mw … , verzoekster 4

van de kant van de wederpartij

– dhr drs … , hoofd Personeelsdienst

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. Hierin
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

Voorzover de feiten, zoals deze door partijen naar voren zijn gebracht
in de schriftelijke reacties en ter zitting, verschillen met/of een aanvulling
zijn op de weergave in de beslissing d.d. 19 juni 1991:

3.1. Feiten

3.1.1. De wederpartij is het hoofdkantoor van een Nederlandse
werkmaatschappij. De Nederlandse werkmaatschappij is een zelfstandig onderdeel
van een groot concern en heeft in Nederland n 8.000 medewerkers verspreid over
een aantal productievestigingen. Het hoofdkantoor van de Nederlandse
werkmaatschappij heeft 1.635 medewerkers.

3.1.2. Betreffende het cijfermateriaal heeft de wederpartij het volgende
meegedeeld.

– Van de 263 werkzame vrouwen binnen het bedrijf vervullen 148 de
functie van (afdelings)-secretaresse.

– Van de acht deeltijdwerkers van verzoeksters afdeling waren er
aanvankelijk zes voor ontslag voorgedragen (paragraaf 3.1.5. onder letter h
van de beslissing van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid d.d. 19 juni 1991). Door herplaatsing zijn er in de nieuwe
situatie zeven deeltijders, waarvan er vijf nieuw zijn.

– Van alle voor ontslag voorgedragenen (paragraaf 3.1.5. van de
beslissing van mannen en vrouwen bij de arbeid d.d. 19 juni 1991) zijn thans
nog 43 personen in de bemiddeling. De groep van 43 personen bestaat uit 15
vrouwen en 28 mannen.

3.1.3. Bij beslissing d.d. 26 juni 1991 heeft de betrokken Regionaal
Directeur voor de Arbeidsvoorziening de ontslagvergunningen voor verzoeksters
1, 2 en 4 geweigerd. Redenen hiervoor waren:

– De wederpartij heeft niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster 1 “niet
geschikt was voor een van de overblijvende functies van onderzoeker, zodat
geen redenen aanwezig worden geacht, die een afwijking van het
ancienniteitsprincipe rechtvaardigen”.

– Bij verzoekster 2 was onvoldoende aangetoond waarom bij de beslissing
tot ontslag de keuze op deze werkneemster moest vallen. Er waren ook hier geen
redenen om af te wijken van het ancienniteits- principe.

– In het geval van verzoekster 4 had de wederpartij onvoldoende
aannemelijk gemaakt “dat betrokkene niet over de juiste opleiding beschikte om
de zwaardere functie uit te oefenen; dat het gestelde dat de nieuwe functie op
full-time basis ingevuld dient te worden onvoldoende wordt onderbouwd; dat er
derhalve geen redenen aanwezig worden geacht die een afwijking van het
ancienniteitsprincipe rechtvaardigen”. Verzoekster 4 heeft inmiddels buiten de
onderneming een functie gevonden en aanvaard.

– De ontslagvergunning voor verzoekster 3 is verleend onder toezegging
van de wederpartij verzoekster 3 aansluitend na afloop van de opzegtermijn een
nieuwe arbeidsovereenkomst voor 60% van de normale arbeidstijd te zullen
aanbieden.

De betrokken Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening is niet
toegekomen aan een oordeel over de vermeende ongelijke behandeling van mannen
en vrouwen binnen het bedrijf van de wederpartij, nu op andere (bovengenoemde)
gronden de ontslagvergunningen zijn geweigerd dan wel toegestaan.

3.2. De standpunten van partijen

In de tussenbeslissing d.d. 19 juni 1991 heeft de Commissie voorlopig
geoordeeld dat door de wederpartij indirect onderscheid is gemaakt naar
geslacht jegens verzoeksters. De wederpartij heeft alsnog de gelegenheid
gekregen aan te tonen dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. De
wederpartij heeft in dat verband het volgende meegedeeld.

3.2.1. De wederpartij merkt op dat er op onderdelen verschillen bestaan
in het aangereikte cijfermateriaal. Desondanks is het cijfermateriaal van
verzoeksters gebruikt in de formele onderbouwing van de beslissing d.d. 19
juni 1991.

De wederpartij meent dat afhankelijk van selecties en interpretaties,
cijfers veelal op verschillende wijzen kunnen worden gebruikt c.q. uitgelegd.

Betreffende de ouderenregeling wil de wederpartij vermelden dat hier
meer mannen dan vrouwen voor ontslag zijn voorgedragen (38,8% van de voor
ontslag voorgedragen mannelijke werknemers versus 13,4% van de voor ontslag
voorgedragen vrouwelijke werknemers.) (3.1.5. onder b van de beslissing van de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid d.d 19 juni
1991).

De stelling van verzoeksters dat ontslag op grond van de ouderenregeling
beter is dan op grond van andere regelingen, wordt betwist. De ouderen voelen
de regeling niet als voordelig, temeer nu ze niet herplaatsbaar zijn. Ondanks
bovenstaande bezwaren erkent de wederpartij dat welke cijfers ook gebruikt
worden, het vermoeden van indirect onderscheid aanwezig blijft.

3.2.2. Als rechtvaardigingsgronden heeft de wederpartij het volgende
naar voren gebracht:

a De reden voor de reorganisatie is de slechte financiele positie bij
het concern.

b Ter realisatie van de reorganisatie zijn op overwegingen van
bedrijfseconomische noodzaak en los van individuele medewerkers de volgende
keuzeprocessen ingevuld.

Het topmanagement heeft afgewogen welke van de bij de wederpartij
verrichte activiteiten noodzakelijk zijn voor de primaire processen. Besloten
is dat de primaire processen voortgezet dienen te worden en de overige
activiteiten dienen te vervallen. Vervolgens is gekeken of de voortgezette
activiteiten in de bestaande omvang dienden te worden voortgezet. Een
daaropvolgende keuze is geweest of die activiteiten bij de wederpartij, dan
wel gedecentraliseerd bij de productievestigingen verspreid over Nederland
zouden moeten worden uitgeoefend. In die gevallen waarin besloten is met de
activiteiten te stoppen, zijn de medewerkers die met de activiteiten belast
waren als gevolg van het vervallen van de functie voorgedragen voor ontslag.
Daar waar van inkrimping van activiteiten sprake was, is door de
afdelingsleiding de voordracht tot ontslag gedaan op grond van objectieve
criteria aangaande afspiegeling en ancienniteit. Deze zijn mede gebaseerd op
de regels die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft opgesteld
voor collectieve ontslagen.

Samengevat:

de beleidsbeslissingen ten aanzien van voortzetten, stoppen, inkrimpen
of decentraliseren van activiteiten zijn op topdirectie-niveau genomen.
Afdelingshoofden zijn over de uitkomst geinformeerd. In die gevallen waarin
sprake is van inkrimping van activiteiten hebben zij de plannen naar
afdelingsniveau “vertaald” en de voordracht tot ontslag gedaan.

Voorbeeld:

De wederpartij heeft ter illustratie van wat het voorgaande in zijn
uitwerking betekent op afdelingsniveau, het voorbeeld gegeven van de
repro-afdeling. Hier was de beslissing genomen om de activiteiten niet langer
in eigen beheer te verrichten. Om deze reden was aan de 13 medewerkers
meegedeeld dat zij op basis van het vervallen van hun functie voor ontslag
zouden worden voorgedragen. Vervolgens heeft de wederpartij onderhandeld met
de firma die de repro-activiteiten voor de wederpartij in de toekomst zou gaan
verrichten, teneinde de medewerkers van de repro-afdeling bij deze firma in
dienst te laten treden. Uiteindelijk zijn alle medewerkers van de afdeling, op
twee vrouwelijke werknemers na, bij deze firma in dienst getreden.

c Met name in de zogenaamde overheadkosten van de hulp- en stafdiensten
-waaronder de afdeling waar verzoeksters werkzaam waren- die in de loop van de
jaren onevenredig groot zijn geworden, is drastisch gesnoeid. Deze hulp- en
stafafdelingen zijn bij de wederpartij sterk vertegenwoordigd en hier zijn dan
ook veel activiteiten en derhalve functies geschrapt. Op deze afdelingen
bestonden veel ondersteunende functies, waar relatief veel vrouwen werkzaam
waren.

d Veel inspanning is gedaan met het oog op het herplaatsen van
medewerkers die voor ontslag zijn voorgedragen. Er wordt zowel binnen het
bedrijf en het concern herplaatst, als daarbuiten.

Concluderend is de wederpartij van mening dat de genomen beslissingen
noodzakelijk waren voor het bereiken van het doel van de reorganisatie. Het
vermoeden van indirect onderscheid dat daaruit is ontstaan wordt weerlegd door
bovengenoemde gronden en de gevolgde procedure.

3.2.3. Voorts wijst de wederpartij op het advies zoals dat op op 17
maart 1988 door de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid voor de private sector (CGBpr.) is gegeven (Rechtspraak gelijke
behandeling m/v II 1987-1989, Mr Drs Anne-Marie Gerritsen, uitgegeven Leiden
1989, Stichting NJCM-Boekerij 13.). In deze zaak was eveneens sprake van een
collectief ontslag. De onevenredige getalsverhouding tussen de mannen en de
vrouwen bij de aangekondigde ontslagen leverde een vermoeden tot indirect
onderscheid op. Uiteindelijk werd hier geen indirect onderscheid
geconstateerd.

3.2.4. Tenslotte meldt de wederpartij dat de Commissie in de beslissing
van 19 juni 1991 terecht constateert dat “vrouwen zijn oververtegenwoordigd
bij het voordragen voor ontslag”. Naar aanleiding van deze constatering stelt
de wederpartij de vraag of vrouwen waarvan de functie vervallen was verklaard,
geplaatst hadden moeten worden op niet vervallen functies van mannelijke
collega’s. Hierdoor zou dan een gelijke vertegen- woordiging van mannen en
vrouwen worden bereikt. De wederpartij meent dat mannen zich dan wel met
succes in hun verweer hadden kunnen beroepen op het feit dat hun functies niet
waren vervallen.

3.2.5. Verzoeksters hebben op hetgeen de wederpartij na de beslissing
van 19 juni 1991 heeft aangevoerd, als volgt gereageerd.

Ten aanzien van de verschillen in het cijfermateriaal stellen
verzoeksters dat de wederpartij nooit een lijst openbaar heeft gemaakt met
relevante gegevens over de totale personele bezetting en de voor ontslag
voorgedragen werknemers. Kleine verschillen in voorlopig cijfermateriaal zijn
dan ook logisch.

Betreffende de ouderenregeling menen verzoeksters dat deze regeling het
beste totaalpakket biedt van alle regelingen. Degenen die hieronder vallen,
worden het minst getroffen door de nadelige effecten van het collectief
ontslag. Verzoeksters menen dan ook dat nu meer mannen dan vrouwen onder de
ouderenregeling vallen, het positieve effect van deze regeling voornamelijk
ten goede komt aan de mannelijke medewerkers.

3.2.6. Verzoeksters menen dat de wederpartij op geen enkele wijze heeft
voldaan aan de vereisten die gesteld worden aan een objectieve
rechtvaardiging. De door de wederpartij gepresenteerde gegevens zijn zeer
onvolledig, soms misleidend en de selectiecriteria zijn onzorgvuldig en niet
objectief toegepast.

Naar aanleiding van de door de wederpartij geschetste procedure ter
realisatie van de reorganisatie, merken verzoeksters het volgende op.

ad b Op de hoofdafdeling waar verzoeksters werkten, zijn de activiteiten
waarmee verzoeksters 1, 2 en 3 belast waren niet gestopt. De werkzaamheden
zijn herverdeeld over een kleiner aantal medewerkers. In deze situatie is
sprake van inkrimping en had het afdelingshoofd voordracht tot ontslag moeten
doen op basis van afspiegeling en ancienniteit. Verzoeksters stellen dat zij
echter alle drie zijn voorgedragen voor ontslag op grond van het vervallen van
hun functie.

Alleen de functie van verzoekster 4 is vervallen. Kort na haar
ontslagaanzegging kwam een passende functie voor haar vrij. Een medewerker met
een korter dienstverband en met minder ervaring op het betreffende terrein, is
in die vrijgekomen functie herplaatst.

Vervolgens delen verzoeksters mee dat op de afdeling van verzoeksters 2
en 3 de activiteiten van een mannelijke collega gestopt werden. Deze collega
is evenwel niet voor ontslag voorgedragen.

Verzoeksters vinden het door de wederpartij gegeven voorbeeld van de
repro-afdeling niet representatief, nu de gehele afdeling ophield te bestaan.
In zo’n geval staat objectief vast dat alle functies zijn vervallen. De meeste
problemen zijn juist ontstaan op afdelingen die niet werden opgeheven.

ad c Ten aanzien van de afdelingen waar veel functies zijn geschrapt en
relatief veel vrouwen/deeltijders werkten die voor ontslag zijn voorgedragen,
merken verzoeksters het volgende op.

De afdeling waar verzoeksters werkzaam waren moest minder inkrimpen dan
de meeste andere afdelingen. Op deze afdeling werkten relatief weinig vrouwen
ten opzichte van de rest van het bedrijf zodat ook weinig vrouwen/deeltijders
voor ontslag in aanmerking hadden moeten komen. Volgens verzoeksters is het
tegendeel echter het geval. In vergelijking met het gemiddelde aantal vrouwen
en deeltijders van het totale bedrijf die voor ontslag zijn voorgedragen, is
op de afdeling waar verzoeksters werken aan meer van de vrouwen/ deeltijders
ontslag aangezegd.

Verzoeksters twijfelen dan ook aan de door de wederpartij gedane
bewering ten aanzien van het sekseneutraal invullen van het beschreven
selectieproces.

ad d Verzoeksters menen dat een bemiddelingsinspanning voor het
herplaatsen van medewerkers die voor ontslag zijn voorgedragen in de huidige
tijd gebruikelijk is en over het algemeen zelfs voorafgaand aan een
ontslagaanvraag wordt aangeboden. Tussen ontslag en herplaatsingsinspanning
staat een dermate groot (rechtspositioneel) verschil dat dit geen
ondersteuning kan vormen voor een objectieve rechtvaardiging.

Verzoeksters stellen dat de wederpartij, daar waar keuzes gemaakt konden
worden op grond van uitwisselbaarheid van medewerkers, de regels op een
onjuiste en/of voor vrouwen zeer nadelige wijze heeft toegepast. Naar de
mening van verzoeksters kunnen de door wederpartij genoemde sekseneutrale
regels van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot gevolg
hebben dat vrouwen indirect worden gediscrimineerd en kunnen deze regels in
strijd zijn met de wetgeving gelijke behandeling.

3.2.7. Verzoeksters zijn van mening dat het advies zoals dat op 17 maart
1988 door de CGBpr. (Zie noot 4) is gegeven, niet als richtlijn kan worden
genomen in de onderhavige situatie. Tussen de genoemde zaak en de huidige zaak
bestaan een aantal wezenlijke verschilpunten, met name ten aanzien van de
aangevoerde objectieve rechtvaardigingsgronden. Verzoeksters stellen dat in de
genoemde zaak de werkgever voldeed aan de vereisten zoals die zijn gesteld aan
de objectieve rechtvaardigingsgronden, terwijl de wederpartij in de
onderhavige kwestie daarbij in gebreke is gebleven.

3.2.8. Ten aanzien van de door de wederpartij gestelde vraag (zie paragraaf
3.7.), menen verzoeksters dat mannen zich niet kunnen verzetten tegen het feit
dat hun werkgever de Wet gelijke behandeling (WGB, Stb. 1989, 168) naleeft.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In de beslissing van 19 juni 1991 heeft de Commissie voorlopig
geoordeeld dat door de wederpartij indirect onderscheid is gemaakt naar
geslacht jegens verzoeksters gezien het feit dat het effect van de
reorganisatie en de collectieve ontslagprocedure in overwegende mate ten
nadele van vrouwen en in het bijzonder van verzoeksters werkt. De wederpartij
was er op dat moment niet in geslaagd aan te tonen dat voor het nadelig effect
voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat.

Vanwege de spoedbehandeling van de zaak heeft de Commissie een verkort
onderzoek verricht. Om deze reden heeft zij alsnog de gelegenheid geboden aan
te tonen dat voor het nadelig effect een objectieve rechtvaardiging bestaat.
Indien de wederpartij hier niet alsnog in slaagt komt daarmee vast te staan
dat zij indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2. Voorafgaand aan de beoordeling van de door de wederpartij
aangevoerde rechtvaardigingsgronden, merkt de Commissie naar aanleiding van
hetgeen met name door de wederpartij is aangevoerd omtrent de hantering van
cijfers het volgende op.

De Commissie heeft zowel gebruik gemaakt van het door verzoeksters als
het door de wederpartij aangedragen cijfermateriaal. De verschillen zijn
echter naar het oordeel van de Commissie niet zo wezenlijk en zijn neergelegd
en verwerkt in de beslissing d.d. 19 juni 1991. De Commissie ziet geen
aanleiding van de conclusies uit de cijfers in die beslissing af te wijken, nu
onbetwist het nadelig effect voor vrouwen blijft, welke beschikbare cijfers
ook gebruikt worden.

4.3. Bij de beoordeling van de door de wederpartij aangevoerde
rechtvaardigingsgronden is de Commissie voorts uitgegaan van het feit dat de
vertaling van het algemene beleidskader (het voortzetten, stoppen, inkrimpen
of decentraliseren van bepaalde activiteiten) naar het vervallen verklaren van
functies is geschied op afdelingsniveau en dat ook op dat niveau met name de
verdere personele invulling heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting van 5
juni 1991 is dit nadrukkelijk door de wederpartij erkend. Weliswaar is de
wederpartij in de loop van de procedure enigszins op deze verklaring
teruggekomen, maar dit is op geen enkele wijze onderbouwd met stukken
afkomstig van het algemene beleidskader waaruit onder meer blijkt dat daar is
besloten dat verzoeksters functies komen te vervallen door het afstoten van de
door hen verrichte activiteiten.

De Commissie acht het bovendien niet waarschijnlijk dat dermate concrete
beslissingen op centraal niveau genomen worden.

Gelet op het voorgaande ziet de Commissie dan ook geen aanleiding af te
wijken van haar in de beslissing d.d. 19 juni 1991 neergelegde conclusie, dat
de gegevens van de afdeling waar verzoeksters werken een grote rol spelen
zowel voor wat betreft de relevante cijfers als de mogelijke
rechtvaardigingsgronden.

4.4. Op de afdeling van verzoeksters zijn vrouwen sterk nadelig
getroffen (zie paragraaf 3.1.5. onder letter i van de beslissing d.d.
19 juni 1991).

Aanvankelijk gold dit in versterkte mate voor de deeltijdwerkers.
Weliswaar zijn in het herplaatsings- traject meer deeltijdwerkers herplaatst,
maar dit laat onverlet dat ten tijde van het indienen van de ontslagaanvraag
de deeltijders het meest zijn getroffen.

4.5. Met betrekking tot de aangevoerde rechtvaardigings- gronden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij te algemeen is gebleven. De wijze
waarop de criteria zijn toegepast is niet inzichtelijk gemaakt.

Dit geldt met name op de volgende punten.

– De wederpartij heeft op geen enkele manier aangegeven hoe in concreto
de vertaling is geweest van het algemene beleidskader naar de afdeling van
verzoeksters. Er is niet aangegeven welke activiteiten precies zijn beëindigd
ten gevolge waarvan de functies van verzoeksters zouden zijn vervallen.
Evenmin is aangegeven hoe het personele wegingsproces op deze afdeling heeft
plaatsgevonden. De wederpartij had hier nauwkeurig dienen aan te geven hoe dit
keuzeproces tot stand is gekomen.

De wederpartij heeft het voorbeeld gegeven van de repro- afdeling ter
illustratie van hoe de algemene criteria op afdelingsniveau uitwerken. Hier
heeft de wederpartij inzichtelijk gemaakt hoe de objectieve criteria zijn
toegepast. Uit zulk soort uiteenzettingen zouden mogelijk rechtvaardigings-
gronden kunnen voortvloeien waardoor het vermoeden van indirect onderscheid
wordt weggenomen. De wederpartij heeft een en ander echter niet uiteengezet
ten aanzien van de afdeling van verzoeksters, hetgeen haar juist uitdrukkelijk
was verzocht.

– Evenmin heeft de wederpartij een antwoord gegeven op de vraag waarom
de functies van betrokkenen noodzakelijkerwijs moesten komen te vervallen.

4.6. Hieraan kan niet afdoen hetgeen voor het overige door de
wederpartij is aangevoerd.

Het maken van bedrijfseconomische keuzes bij een reorganisatie is
onmiskenbaar logisch en noodzakelijk. Daarbij kunnen onevenredige effecten
naar geslacht optreden, maar ingevolge de WGB is het noodzakelijk dat
aangegeven wordt welke criteria daarbij zijn toegepast en hoe deze zijn
toegepast.

Voorts moet worden aangetoond dat noodzakelijkerwijs deze criteria
Ü
nden te worden toegepast en dat de reorganisatie niet op een andere manier
doorgevoerd had kunnen worden.

Alleen dan kan er sprake zijn van een rechtvaardiging van de
vastgestelde discriminatie.

De wederpartij heeft zich in dit verband weliswaar beroepen op het
advies van de CGBpr (Zie noot 4.) d.d. 17 maart 1988, maar de Commissie acht
daar een duidelijk andere situatie aanwezig. Immers daar was wel een zeer
uitgebreide toetsing mogelijk aangezien de toenmalige wederpartij veel
concrete rechtvaardigingsgronden naar voren had gebracht die gericht waren op
de concrete situatie in het betreffende bedrijf en de afdeling.

Een en ander nog daargelaten of de huidige Commissie thans, gelet op de
sedertdien ontwikkelde jurisprudentie van het EG- Hof van Justitie, tot
dezelfde beoordeling van deze gronden zou komen.

Naar aanleiding van de opmerking van de wederpartij of dan vrouwelijke
werknemers hadden moeten worden geplaatst op niet vervallen functies van hun
mannelijke collega’s en deze mannen voor ontslag hadden moeten worden
voorgedragen, merkt de Commissie op van de wederpartij onvoldoende inzicht te
hebben gekregen in de gevolgde procedure, het laten vervallen van de functies
en eventueel nog bestaande vergelijkbare functies om deze vraag gemotiveerd te
kunnen beantwoorden.

4.7. Gelet op het voorgaande kan de Commissie dan ook niet concluderen
dat de wederpartij een voldoende objectieve rechtvaardiging heeft gegeven.

Evenals in de beslissing d.d. 19 juni 1991 reeds is geconstateerd, is de
wederpartij er niet in geslaagd aan de op haar rustende verplichting te
voldoen om een objectieve rechtvaardiging aan te dragen. Het vermoeden van
indirect onderscheid heeft zij toen en ook nu niet weggenomen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat is vast komen te staan dat
… indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw dr ir …
, mevrouw … , mevrouw … en mevrouw … , in strijd met artikel 1637ij lid
1 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mw. mr E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps,secretaris

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 17 juni 1991

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting


Bij een aanstellingskeuring wordt vrouwen (schriftelijk) gevraagd naar
de laatste menstratie en het verloop van de menstruatie. Organisatie waarvoor
de BGD de keuring verricht, verantwoordelijk, evenals de BGD. Beide vragen
leveren strijd met de wet. De eerste omdat hiermee wordt geinformeerd naar een
eventuele zwangerschap. Wederpartij kan daar ook op een andere wijze, op een
ander moment naar informeren.

De tweede vraag omdat alleen voor vrouwen specifieke vragen zijn
opgenomen en alleen hier wordt gevraagd naar verzuim in verband met klachten.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 juli 1990 verzocht de ondernemingsraad van de – (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de – (hierna: de
wederpartij) onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Ten behoeve van de medische aanstellingskeuring wordt een
vragenformulier gebruikt waarop enkele vragen staan die alleen voor vrouwen
zijn bedoeld. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989,
168) en/of artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW).

1.2. Het onderzoek heeft zich in eerste instantie beperkt tot de
betrokkenheid van de wederpartij bij de aanstellingskeuringen. In een later
stadium is, in een afzonderlijke procedure, ook de handelwijze van de
betreffende Bedrijfsgezondheidsdienst (hierna: BGD) in het onderzoek
betrokken. (Commissie gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 336B-91-36.)

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk nader toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 mei 1991. Partijen hebben van
deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 3 mei 1991. Daarbij waren
aanwezig:

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij laat aanstellingskeuringen verrichten door een BGD,
waarmee zij daartoe een overeenkomst heeft gesloten. Op verzoek van deze BGD
reikt de wederpartij aan aanstaande medewerkers een vragenformulier uit dat
zij dienen in te vullen voor de aanstellingskeuring. De twee laatste vragen op
dit formulier zijn alleen gericht tot vrouwen en luiden:

“Alleen voor vrouwen

53. Heeft u last van de menstruatie?

– Moet u daar ooit voor thuisblijven?

54. Wanneer had U de laatste menstruatie? (datum)”

3.2. Het personeelsbestand bestaat voor ruim 90% uit vrouwen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoeker acht de vragen discriminerend. Zij zijn immers alleen
gericht op vrouwen terwijl er geen vragen zijn opgenomen die uitsluitend voor
mannen zijn bedoeld. Verzoeker is van mening dat een ‘ongunstige’
beantwoording van de vragen gevolgen kan hebben voor de aanstelling van
vrouwen. De kans van vrouwen op betaalde arbeid zou daarmee verkleind kunnen
worden.

Voor wat betreft de vragen onder 53. vraagt verzoeker zich af wat de
consequenties zijn wanneer deze met ‘ja’ worden beantwoord. Over de tweede
vraag onder 53. merkt verzoeker op dat deze bij geen enkele andere vraag is
opgenomen, hoewel dat wel zou kunnen.

Voor wat betreft de vraag onder 54. vraagt verzoeker zich af wat de
gevolgen zijn wanneer blijkt dat iemand langer dan vier weken geleden heeft
gemenstrueerd. Volgens hem zou het advies van de BGD dan kunnen luiden dat de
kandidate niet geschikt is voor de functie.

Verzoeker is zich ervan bewust dat de wederpartij niet de bevoegdheid
heeft vragen te schrappen van het formulier van de BGD. Wel zou de wederpartij
de BGD erop kunnen wijzen dat zij het niet eens is met het stellen van deze
vragen.

3.4. Volgens de wederpartij behoort het tot de bevoegdheid van de BGD om
te bepalen welke vragen op het formulier moeten worden opgenomen. Zij acht
zich niet in staat de vragenlijst te beoordelen.

De in geding zijnde vragen zijn naar haar mening niet discriminerend. De
vragen onder 53. en 54. acht zij relevant, aangezien de keurend arts zich met
behulp van deze vragen een compleet beeld kan vormen van de kandidaat. Het
ontkennen van lichamelijke verschillen tussen mannen en vrouwen brengt een
gelijke behandeling niet dichterbij.

Volgens de wederpartij blijft het niet invullen van de vragen onder 53.
zonder gevolgen. Wat de gevolgen zijn van een bevestigende beantwoording van
deze vragen onttrekt zich aan haar beeldvorming aangezien zij slechts het
eindoordeel van de keuringsarts onder ogen krijgt. Zij stelt zich echter voor
dat een bevestigend antwoord op een van de vragen onder 53. op zich geen
gevolg heeft maar wel een rol speelt bij de beoordeling van het totale beeld
van de te keuren kandidate.

Wat de vraag onder 54. betreft, stelt de wederpartij dat het hier gaat
om een beoordeling in verband met zwangerschap. De belastbaarheid van de
kandidate in verband met haar zwangerschap wordt vastgesteld. Zwangerschap is
voor de wederpartij geen reden om iemand af te wijzen.

Nadat de BGD een aanstellingskeuring heeft uitgevoerd wordt de
wederpartij schriftelijk geinformeerd over de geschiktheid van de kandidaat
voor de functie. De reden van een eventuele ongeschiktheid wordt niet gegeven.
Het vaststellen van de belastbaarheid ingeval van zwangerschap is van belang,
bijvoorbeeld wanneer gewerkt wordt met rontgenstraling.

Verzoeker heeft tegen dit laatste ingebracht dat bij de wederpartij geen
enkel personeelslid werkt met rontgenstraling. Zou dit wel het geval zijn dan
betekent dat volgens verzoeker dat de wederpartij enkel bij aanvang van het
dienstverband van medewerksters rekening houdt met zwangerschap. Medewerksters
die reeds bij de wederpartij werken en zwanger zijn, hebben dan blijkbaar een
eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het werken met rontgenstraling
tijdens zwangerschap.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij handelt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling wanneer bij de medische aanstellingskeuring een
vragenformulier wordt gebruikt waarop enkele vragen voorkomen die alleen voor
vrouwen zijn bedoeld. Er zijn geen vragen opgenomen die alleen voor mannen
zijn bestemd.

Zoals de Commissie reeds eerder heeft vastgesteld, (Commissie gelijke
behandeling mannen en vrouwen bij arbeid, 21 september 1990, oordeelnummer
40-90-135.) maakt de aanstellingskeuring deel uit van zowel de
selectieprocedure als de aanstellingsprocedure. Artikel 3 lid 1 WGB en artikel
1637ij lid 1 BW bepalen dat het niet is toegestaan om onderscheid te maken bij
de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
respectievelijk bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Artikel 1637ij BW
bepaalt in lid 3 dat van de norm in lid 1 mag worden afgeweken ingeval sprake
is van bedingen die betrekking hebben op de bescherming van vrouwen, met name
in verband met zwangerschap of moederschap. Deze uitzonderingsgrond geldt
derhalve niet voor de selectiefase.

Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure.
(Tweede kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18.)

(Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 29 augustus 1990, oordeelnummer 4-90-109.)

In de onderhavige zaak schakelt de werkgever in de laatste fase van de
selectieprocedure een BGD in voor het uitvoeren van de aanstellingskeuring.
Deze heeft een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de naleving van de
WGB.

Voor de afbakening van verantwoordelijkheden van de wederpartij en de
BGD ten aanzien van de naleving van de WGB betekent dit dat de wederpartij in
beginsel verantwoordelijk is voor de naleving van de WGB voor het geheel van
de selectie- en aanstellingsfase. Daarnaast is de door de wederpartij
ingeschakelde derde, de BGD, aanspreekbaar op de naleving van de WGB voor
zover deze bij de werving, selectie en/of aanstelling is betrokken. Zowel de
wederpartij als de BGD kunnen hun verantwoordelijkheid voor het naleven van de
WGB niet ontlopen door naar elkaar te verwijzen.

Nu is vastgesteld dat de wederpartij verantwoordelijkheid draagt voor de
naleving van de WGB ten aanzien van de aanstellingskeuring, ook nu deze is
uitbesteed aan de BGD, kan hieronder de vraag naar de verenigbaarheid van de
vragen onder 53. en 54. met de WGB aan de orde komen.

4.2 De vragen onder 53. zijn alleen gericht tot vrouwen. Volgens de
wederpartij dragen zij ertoe bij dat een compleet beeld van de
gezondheidstoestand van de aanstaande werknemer wordt verkregen. Dat de
specifiek op het geslacht van een medewerker betrekking hebbende informatie
relevant kan zijn voor het vormen van een compleet beeld van zijn of haar
gezondheidstoestand wordt door de Commissie erkend. Zij stelt echter vast dat
op het vragenformulier alleen voor vrouwen specifieke vragen zijn opgenomen.
Mannen worden klaarblijkelijk geacht specifiek op hun geslacht van toepassing
zijnde informatie uit zichzelf te verstrekken onder een van de vragen die de
algemene gezondheidstoestand betreffen. Daarnaast stelt de Commissie vast dat
de wederpartij alleen bij de hier in geding zijnde vraag informeert naar
eventueel verzuim in verband met de aan de orde zijnde klachten. Waarom deze
vraag hier wel en bij de andere vragen op het formulier niet van belang is,
wordt niet gemotiveerd. Deze vaststellingen in hun onderlinge samenhang
beschouwd, brengen de Commissie tot het oordeel dat de wederpartij direct
onderscheid maakt op grond van geslacht in het nadeel van vrouwen.

4.3. Ook de vraag onder 54. is alleen gericht tot vrouwen. Zoals de
wederpartij heeft aangegeven, is deze vraag er op gericht vast te stellen of
een aanstaande werkneemster zwanger is. De Commissie vat het verweer van de
wederpartij -ingeval van zwangerschap dient een advies over de belastbaarheid
te worden gegeven- op als een beroep op de uitzondering die artikel 1637ij lid
3 BW noemt. Deze uitzonderingsgrond geldt ingevolge artikel 3 lid 1 WGB niet
voor de selectiefase. Dit beroep kan derhalve niet slagen.

Zoals de Commissie in een eerder oordeel heeft aangegeven (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 september 1990,
oordeelnummer 40-90-135.) bergt het vragen naar zwangerschap in deze fase van
de selectie- en aanstellingsprocedure het gevaar in zich dat wanneer uit de
beantwoording van de vraag blijkt dat een vrouw zwanger is, zij niet wordt
aangenomen. Weliswaar heeft de wederpartij aangegeven dat zwangerschap geen
reden is om een vrouw af te wijzen maar controle op de handelwijze van de
wederpartij en ook van de BGD is niet goed mogelijk.

Daarmee staat vast dat de wederpartij door het stellen van de vraag
onder 54. van het vragenformulier een door de WGB verboden onderscheid naar
geslacht maakt.

De Commissie erkent overigens het belang dat de wederpartij heeft bij
het stellen van de vraag naar zwangerschap. Dit belang kan echter ook op
andere wijze worden veiliggesteld. Bijvoorbeeld door nieuwe medewerksters bij
aanvang van het dienstverband te verzoeken in overleg te treden met de BGD
wanneer zij zwanger mochten zijn. De belastbaarheid van een zwangere
medewerkster kan dan net zoals nu worden vastgesteld, alleen op een later
tijdstip zodat het geen rol kan spelen in de selectie- en
aanstellingsprocedure.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de – door bij de
aanstellingskeuring de vragen onder 53. en 54. van het vragenformulier te
laten stellen, onderscheid maakt in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Prof. mr. P.F. van der Heijden, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps,secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 juni 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Bij een aanstellingskeuring wordt vrouwen (schriftelijk) gevraagd naar
de laatste menstruatie en het verloop van de menstruatie. BGD die de keuring
verricht en de opdrachtgever verantwoordelijk. Beide vragen leveren strijd op
met de wet. De eerste omdat hiermee wordt geinfomeerd naar een eventuele
zwangerschap. Wederpartij kan daar ook op een andere wijze, op een ander
moment naar informeren.

De tweede vraag omdat alleen voor vrouwen specifieke vragen zijn
opgenomen en alleen hier wordt gevraagd naar verzuim in verband met de
klachten.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 juli 1990 verzocht de ondernemingsraad van de – (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de – (hierna: de
wederpartij) onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Ten behoeve van de medische aanstellingskeuring wordt een
vragenformulier gebruikt waarop enkele vragen staan die alleen voor vrouwen
zijn bedoeld. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989,
168) en/of artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW).

1.2. Het onderzoek heeft zich in eerste instantie beperkt tot de
betrokkenheid van de wederpartij bij de aanstellingskeuringen. In een later
stadium is, in een afzonderlijke procedure, ook de handelwijze van de
betreffende Bedrijfsgezondheidsdienst (hierna: BGD) in het onderzoek
betrokken. (Commissie gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 336B-91-36.)

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk nader toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 mei 1991. Partijen hebben van
deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 3 mei 1991. Daarbij waren
aanwezig:

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij laat aanstellingskeuringen verrichten door een BGD,
waarmee zij daartoe een overeenkomst heeft gesloten. Op verzoek van deze BGD
reikt de wederpartij aan aanstaande medewerkers een vragenformulier uit dat
zij dienen in te vullen voor de aanstellingskeuring. De twee laatste vragen op
dit formulier zijn alleen gericht tot vrouwen en luiden:

“Alleen voor vrouwen

53. Heeft u last van de menstruatie?

– Moet u daar ooit voor thuisblijven?

54. Wanneer had U de laatste menstruatie? (datum)”

3.2. Het personeelsbestand bestaat voor ruim 90% uit vrouwen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoeker acht de vragen discriminerend. Zij zijn immers alleen
gericht op vrouwen terwijl er geen vragen zijn opgenomen die uitsluitend voor
mannen zijn bedoeld. Verzoeker is van mening dat een ‘ongunstige’
beantwoording van de vragen gevolgen kan hebben voor de aanstelling van
vrouwen. De kans van vrouwen op betaalde arbeid zou daarmee verkleind kunnen
worden.

Voor wat betreft de vragen onder 53. vraagt verzoeker zich af wat de
consequenties zijn wanneer deze met ‘ja’ worden beantwoord. Over de tweede
vraag onder 53. merkt verzoeker op dat deze bij geen enkele andere vraag is
opgenomen, hoewel dat wel zou kunnen.

Voor wat betreft de vraag onder 54. vraagt verzoeker zich af wat de
gevolgen zijn wanneer blijkt dat iemand langer dan vier weken geleden heeft
gemenstrueerd. Volgens hem zou het advies van de BGD dan kunnen luiden dat de
kandidate niet geschikt is voor de functie.

Verzoeker is zich ervan bewust dat de wederpartij niet de bevoegdheid
heeft vragen te schrappen van het formulier van de BGD. Wel zou de wederpartij
de BGD erop kunnen wijzen dat zij het niet eens is met het stellen van deze
vragen.

3.4. Volgens de wederpartij behoort het tot de bevoegdheid van de BGD om
te bepalen welke vragen op het formulier moeten worden opgenomen. Zij acht
zich niet in staat de vragenlijst te beoordelen.

De in geding zijnde vragen zijn naar haar mening niet discriminerend. De
vragen onder 53. en 54. acht zij relevant, aangezien de keurend arts zich met
behulp van deze vragen een compleet beeld kan vormen van de kandidaat. Het
ontkennen van lichamelijke verschillen tussen mannen en vrouwen brengt een
gelijke behandeling niet dichterbij.

Volgens de wederpartij blijft het niet invullen van de vragen onder 53.
zonder gevolgen. Wat de gevolgen zijn van een bevestigende beantwoording van
deze vragen onttrekt zich aan haar beeldvorming aangezien zij slechts het
eindoordeel van de keuringsarts onder ogen krijgt. Zij stelt zich echter voor
dat een bevestigend antwoord op een van de vragen onder 53. op zich geen
gevolg heeft maar wel een rol speelt bij de beoordeling van het totale beeld
van de te keuren kandidate.

Wat de vraag onder 54. betreft, stelt de wederpartij dat het hier gaat
om een beoordeling in verband met zwangerschap. De belastbaarheid van de
kandidate in verband met haar zwangerschap wordt vastgesteld. Zwangerschap is
voor de wederpartij geen reden om iemand af te wijzen.

Nadat de BGD een aanstellingskeuring heeft uitgevoerd wordt de
wederpartij schriftelijk geinformeerd over de geschiktheid van de kandidaat
voor de functie. De reden van een eventuele ongeschiktheid wordt niet gegeven.
Het vaststellen van de belastbaarheid ingeval van zwangerschap is van belang,
bijvoorbeeld wanneer gewerkt wordt met rontgenstraling.

Verzoeker heeft tegen dit laatste ingebracht dat bij de wederpartij geen
enkel personeelslid werkt met rontgenstraling. Zou dit wel het geval zijn dan
betekent dat volgens verzoeker dat de wederpartij enkel bij aanvang van het
dienstverband van medewerksters rekening houdt met zwangerschap. Medewerksters
die reeds bij de wederpartij werken en zwanger zijn, hebben dan blijkbaar een
eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het werken met rontgenstraling
tijdens zwangerschap.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij handelt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling wanneer bij de medische aanstellingskeuring een
vragenformulier wordt gebruikt waarop enkele vragen voorkomen die alleen voor
vrouwen zijn bedoeld. Er zijn geen vragen opgenomen die alleen voor mannen
zijn bestemd.

Zoals de Commissie reeds eerder heeft vastgesteld, (Commissie gelijke
behandeling mannen en vrouwen bij arbeid, 21 september 1990, oordeelnummer
40-90-135.) maakt de aanstellingskeuring deel uit van zowel de
selectieprocedure als de aanstellingsprocedure. Artikel 3 lid 1 WGB en artikel
1637ij lid 1 BW bepalen dat het niet is toegestaan om onderscheid te maken bij
de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
respectievelijk bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Artikel 1637ij BW
bepaalt in lid 3 dat van de norm in lid 1 mag worden afgeweken ingeval sprake
is van bedingen die betrekking hebben op de bescherming van vrouwen, met name
in verband met zwangerschap of moederschap. Deze uitzonderingsgrond geldt
derhalve niet voor de selectiefase.

Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure.
(Tweede kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18.)

(Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 29 augustus 1990, oordeelnummer 4-90-109.)

In de onderhavige zaak schakelt de werkgever in de laatste fase van de
selectieprocedure een BGD in voor het uitvoeren van de aanstellingskeuring.
Deze heeft een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de naleving van de
WGB.

Voor de afbakening van verantwoordelijkheden van de wederpartij en de
BGD ten aanzien van de naleving van de WGB betekent dit dat de wederpartij in
beginsel verantwoordelijk is voor de naleving van de WGB voor het geheel van
de selectie- en aanstellingsfase. Daarnaast is de door de wederpartij
ingeschakelde derde, de BGD, aanspreekbaar op de naleving van de WGB voor
zover deze bij de werving, selectie en/of aanstelling is betrokken. Zowel de
wederpartij als de BGD kunnen hun verantwoordelijkheid voor het naleven van de
WGB niet ontlopen door naar elkaar te verwijzen.

Nu is vastgesteld dat de wederpartij verantwoordelijkheid draagt voor de
naleving van de WGB ten aanzien van de aanstellingskeuring, ook nu deze is
uitbesteed aan de BGD, kan hieronder de vraag naar de verenigbaarheid van de
vragen onder 53. en 54. met de WGB aan de orde komen.

4.2 De vragen onder 53. zijn alleen gericht tot vrouwen. Volgens de
wederpartij dragen zij ertoe bij dat een compleet beeld van de
gezondheidstoestand van de aanstaande werknemer wordt verkregen. Dat de
specifiek op het geslacht van een medewerker betrekking hebbende informatie
relevant kan zijn voor het vormen van een compleet beeld van zijn of haar
gezondheidstoestand wordt door de Commissie erkend. Zij stelt echter vast dat
op het vragenformulier alleen voor vrouwen specifieke vragen zijn opgenomen.
Mannen worden klaarblijkelijk geacht specifiek op hun geslacht van toepassing
zijnde informatie uit zichzelf te verstrekken onder een van de vragen die de
algemene gezondheidstoestand betreffen. Daarnaast stelt de Commissie vast dat
de wederpartij alleen bij de hier in geding zijnde vraag informeert naar
eventueel verzuim in verband met de aan de orde zijnde klachten. Waarom deze
vraag hier wel en bij de andere vragen op het formulier niet van belang is,
wordt niet gemotiveerd. Deze vaststellingen in hun onderlinge samenhang
beschouwd, brengen de Commissie tot het oordeel dat de wederpartij direct
onderscheid maakt op grond van geslacht in het nadeel van vrouwen.

4.3. Ook de vraag onder 54. is alleen gericht tot vrouwen. Zoals de
wederpartij heeft aangegeven, is deze vraag er op gericht vast te stellen of
een aanstaande werkneemster zwanger is. De Commissie vat het verweer van de
wederpartij -ingeval van zwangerschap dient een advies over de belastbaarheid
te worden gegeven- op als een beroep op de uitzondering die artikel 1637ij lid
3 BW noemt. Deze uitzonderingsgrond geldt ingevolge artikel 3 lid 1 WGB niet
voor de selectiefase. Dit beroep kan derhalve niet slagen.

Zoals de Commissie in een eerder oordeel heeft aangegeven (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 september 1990,
oordeelnummer 40-90-135.) bergt het vragen naar zwangerschap in deze fase van
de selectie- en aanstellingsprocedure het gevaar in zich dat wanneer uit de
beantwoording van de vraag blijkt dat een vrouw zwanger is, zij niet wordt
aangenomen. Weliswaar heeft de wederpartij aangegeven dat zwangerschap geen
reden is om een vrouw af te wijzen maar controle op de handelwijze van de
wederpartij en ook van de BGD is niet goed mogelijk.

Daarmee staat vast dat de wederpartij door het stellen van de vraag
onder 54. van het vragenformulier een door de WGB verboden onderscheid naar
geslacht maakt.

De Commissie erkent overigens het belang dat de wederpartij heeft bij
het stellen van de vraag naar zwangerschap. Dit belang kan echter ook op
andere wijze worden veiliggesteld. Bijvoorbeeld door nieuwe medewerksters bij
aanvang van het dienstverband te verzoeken in overleg te treden met de BGD
wanneer zij zwanger mochten zijn. De belastbaarheid van een zwangere
medewerkster kan dan net zoals nu worden vastgesteld, alleen op een later
tijdstip zodat het geen rol kan spelen in de selectie- en
aanstellingsprocedure.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de – door bij de
aanstellingskeuring de vragen onder 53. en 54. van het vragenformulier te
laten stellen, onderscheid maakt in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Prof. mr. P.F. van der Heijden, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps,secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 juni 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Minister handelt niet in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
door vrouwen bij voorrang te plaatsen op een interne opleiding voor een
groepsfunctie. Het voorkeursbeleid mag gevolgen hebben voor personen aan wie
dit beleid nog niet bekend was ten tijde van een loopbaanonderzoek, waar de
geschiktheid voor deze groepsfunctie werd vastgesteld. De Commissie
constateert dat verzoeker in zijn verwachtingen teleurgesteld is.

Dit is echter onvermijdelijk bij voorkeursbeleid. De uitvoering hiervan
is anders onmogelijk.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 oktober 1990 verzocht de heer te Doornenburg
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid (hierna: de Commissie)

haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Financien
(hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB,
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij. De wederpartij heeft
verzoeker niet geplaatst op de opleiding voor groepsfunctie E voor het jaar
1991. De wederpartij heeft op grond van haar voorkeursbeleid vrouwen bij
voorrang geplaatst op de desbetreffende opleiding. Verzoeker is van mening dat
de wederpartij hierdoor in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 mei 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– dhr

van de kant van de wederpartij

– mw (senior beleidsmedewerkster bij het bureau
arbeidsvoorwaardenbeleid)

– dhr (hoofd afdeling formatiezaken

en juridische aangelegenheden)

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Commissie hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1 De feiten

3.1.1. Verzoeker is sinds 1971 werkzaam bij (een onderdeel van) de
wederpartij. Zijn standplaats is Arnhem. Momenteel is zijn functie “medewerker
inlichtingenbureau”. Deze functie is ingedeeld in groepsfunctie C (schaal 3
t/m 7). Verzoeker heeft in 1986 deelgenomen aan een loopbaanonderzoek. Bij dit
onderzoek wordt de geschiktheid van de deelnemers voor de diverse
functieniveaus bekeken, onafhankelijk van de vraag of er ook daadwerkelijk
functies op dat niveau beschikbaar zijn. Verzoeker werd geschikt bevonden voor
groepsfunctie E. Deze functie wordt beloond volgens schaal 7 met een uitloop
naar de schalen 8 en 9. Voor de groepsfunctie E zijn, evenals voor
verschillende andere functies, meer kandidaten beschikbaar dan er vacatures
zijn. De wederpartij heeft voor de desbetreffende groepsfuncties zogenaamde
wachtkamers ingesteld. De criteria voor de plaatsingsvolgorde in deze kamers
zijn: jaargroep (jaar van het loopbaanonderzoek) en ancienniteit.

3.1.2. De wederpartij voert een emancipatiebeleid voor vrouwen. De
uitgangspunten van het emancipatiebeleid zijn in 1988 na overleg met de
Bijzondere Commissie Belastingdienst door de dienstleiding vastgesteld. Ter
uitwerking hiervan is een aantal maatregelen genomen. Deze zijn omschreven in
een Aanschrijving Personeel (AP) nummer 2815 van 25 juli 1990. De cijfers in
de AP laten zien dat in mei 1989 17% van de medewerkers werkzaam bij (het
onderdeel van) de wederpartij in de schalen 5-9 vrouw was. De wederpartij
vergelijkt het aandeel van vrouwen dat bij haar onderdeel werkzaam is met het
percentage vrouwen dat bij de Rijksoverheid in zijn geheel werkzaam is. Uit de
cijfers blijkt dat het percentage vrouwen bij de Rijksoverheid 21% bedraagt,
zodat de achterstandspositie van vrouwen bij de wederpartij derhalve groter
is.

De maatregelen houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Voor de jaren 1990 en 1991 geldt dat:

in de wachtkamers vrouwen per startopleiding zodanig voorrang krijgen,
dat de doorstroom, voorzover voldoende vrouwen beschikbaar zijn, voor 50% uit
vrouwen en voor 50% uit mannen bestaat; deze maatregel is noodzakelijk
teneinde het aandeel van vrouwen in de middelbare rangen te vergroten”.

De taakstellingen (evenwichtige man-vrouwverdeling over alle
schaalniveau’s) zijn gekoppeld aan een analyse van de beschikbaarheid van
vrouwen binnen de instelling. Het relevante arbeidsaanbod van vrouwen voor de
functies met schaal 7, 8 en 9 wordt gevormd door vrouwen in groepsfunctie C
(schaal 5 tot en met 7) en in groepsfunctie D (schaal 6 tot en met 8).

De wederpartij heeft nadere gegevens overgelegd over het
personeelsbestand in de hier relevante schalen, uitgesplitst naar geslacht.

Peildatum 31 december 1990

mannen % vrouwen %

schaal 3 734 25 2199 75

schaal 4 368 38 599 62

schaal 5 2003 54 1711 46

schaal 6 2475 70 1068 30

schaal 7 7715 90 857 10

schaal 8 2586 94 158 6

schaal 9 3487 94 229 6

In het najaar van 1991 zal het gevoerde beleid worden geevalueerd.

3.1.2. Een eerder verschenen AP (nr. 2812 d.d. 19 juli 1990) vermeldt
dat 111 vacatures op verschillende standplaatsen zijn opengesteld voor
wachtkamerkandidaten. Gegadigden voor de vacatures zijn degenen die op grond
van een van de loopbaanonderzoeken in 1984-1988 geschikt zijn bevonden voor
een groepsfunctie E. De opleiding voor groepsfunctie E is gestart op 1 januari
1991. In de AP is ook aangegeven in welke volgorde van voorrang kandidaten in
aanmerking komen voor plaatsing op een opleiding. Van de 111 vacatures zijn er
51 bestemd voor deurwaarders. Zij krijgen voorrang omdat er een overschot aan
deurwaarders is. Van de 60 resterende vacatures zijn er 30 voor vrouwen
bestemd in overeenstemming met het voorkeursbeleid van de wederpartij. De
vacatures die vervolgens overblijven zouden op de reguliere wijze vervuld
worden.

Deze 60 vacatures zijn alle vervuld door mensen uit groepsfunctie C (19
vrouwen en 41 mannen). Het aanbod van vrouwen was te klein zodat het
streefcijfer van 50% niet gehaald kon worden.

3.1.3. Naar aanleiding van de AP nummer 2813 d.d. 19 juli 1990, heeft
verzoeker op 8 augustus 1990 gesolliciteerd naar een van de vier vacatures die
in Nijmegen waren opengesteld. Verzoeker had in 1990 rangnummer 91 en
normaliter krijgt de sollicitant met het laagste nummer of de hoogste positie
het eerst een plaats. Verzoeker is afgewezen omdat er sollicitanten waren met
een hogere voorrangspositie.

De vacatures zijn vervuld door twee deurwaarders (rangnummers 534 en
545) en twee vrouwen (rangnummers 161 en 184).

3.2. De standpunten van partijen.

3.2.1. Verzoeker is van mening dat de wederpartij in strijd met de WGB
heeft gehandeld door vrouwen bij voorrang te plaatsen op de desbetreffende
opleiding. Hij vindt het voorkeursbeleid voor vrouwen op zich een goede zaak.
Echter het gaat hem erom hoe dat voorkeursbeleid wordt toegepast. Ten tijde
van het loopbaanonderzoek van verzoeker in 1986, was er nog geen
voorkeursbeleid voor vrouwen. De voorrangsmaatregel voor de jaren 1990 en 1991
geldt naar mening van verzoeker dan ook alleen voor kandidaten die deelgenomen
hebben aan het loopbaanonderzoek in 1990 en in daarop volgende jaren. Nu
verzoeker in 1986 aan het loopbaanonderzoek heeft meegedaan, kan de maatregel
zijns inziens niet op hem van toepassing zijn. Voorts heeft verzoeker ter
zitting meegedeeld dat hij indertijd voor de keuze stond om bij een andere
werkgever te gaan werken of om carriere te maken bij de wederpartij. Verzoeker
heeft voor het laatste gekozen. Indien hij echter op de hoogte was geweest van
het feit dat er een voorkeursbeleid voor vrouwen (en andere voorrangsgroepen)
zou komen, was zijn keuze anders geweest.

3.2.2. De wederpartij is van mening dat zij, gelet op de achterstand
van vrouwen in de desbetreffende schalen en op grond van het voorkeursbeleid,
voorrang mocht geven aan vrouwen. Zij betwist het standpunt van verzoeker dat
de bewuste maatregel niet voor zijn jaargroep zou gelden. De maatregel heeft
betrekking op alle wachtkamerkandidaten, ook op degenen die al eerder aan het
loopbaanonderzoek meededen, aangezien het effect ervan anders gering zou zijn.
Zij brengt voorts naar voren dat verzoeker aanzienlijk meer kans op plaatsing
zou hebben gehad indien hij naar meer standplaatsen dan alleen Nijmegen
gesolliciteerd had.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld
met de WGB door op grond van haar voorkeursbeleid vrouwen bij voorrang te
plaatsen op de desbetreffende opleiding.

Artikel 1a lid 1 WGB verbiedt het bevoegd gezag om onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen bij de bevordering binnen het dienstverband en het
verstrekken van onderricht.

In artikel 5 lid 1 WGB is geregeld dat van het in artikel 1a WGB
bepaalde mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen
in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen.

4.2. De wederpartij kent een voorkeursbeleid voor vrouwen, vastgelegd in
de Beleidskaders Belastingdienst met betrekking tot emancipatie, welke in 1988
zijn vastgesteld. Een uitwerking hiervan, onder meer betreffende “externe
selectie en verticale doorstroom van vrouwen”, is bekend gemaakt bij
Aanschrijving Personeel nr. 2815 van 25 juli 1990.

Is dit voorkeursbeleid in overeenstemming met artikel 5 lid 1 WGB?

Zoals de Commissie reeds eerder in een soortgelijke zaak heeft
overwogen, moet het voorkeursbeleid onder andere aan de volgende voorwaarden
voldoen (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 9
juli 1990, oordeelnummer 56-90-33.):

– de achterstand van vrouwen moet worden vastgesteld, en wel per
functiesoort en

– niveau die een duidelijk eigen toestroom uit de arbeidsmarkt hebben.
Deze achterstand wordt bepaald door het concrete aandeel in het relevante
potentiele aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt;

– per functiesoort en

– niveau moet voorts worden vastgesteld welke intensiteit van
voorkeursbehandeling het meest geschikt of wenselijk is om de bestaande
achterstanden in te lopen. De intensiteit van voorkeursbehandeling kan in de
tijd varieren, mede afhankelijk van de mate waarin de achterstand van vrouwen
in de betreffende functie is of wordt opgeheven;

– indien een voorkeursbehandeling bij de werving en selectie wordt
toegepast en er sprake is van een openlijke aanbieding van de betrekking, zal
van de desbetreffende voorkeursbehandeling in de aanbieding mededeling moeten
worden gedaan.

4.3. De Commissie stelt vast dat het voorkeursbeleid van de wederpartij
is gebaseerd op de uitgangspunten van het in 1988 vastgestelde
emancipatiebeleid. Een nadere uitwerking wat betreft de achterstand voor de
onderscheiden functiesoorten heeft plaatsgevonden in de Aanschrijving
Personeel nummer 2815 van 25 juli 1990 waarmee het voorkeursbeleid openlijk
bekend is gemaakt, zowel in het algemeen als ten aanzien van betrokken
personeelsonderdelen.

Ongeveer 25% van de vacatures (30 van de 111 vacatures) in deze
Aanschrijving Personeel is beschikbaar gesteld voor vrouwen, hetgeen gelet op
de resterende vacatures (81), niet overmatig is. Daarnaast betreft het een
tijdelijke maatregel. In het najaar van 1991 zal er immers een evaluatie
plaatsvinden.

De Commissie concludeert dat het voorkeursbeleid van de wederpartij in
overeenstemming is met de eisen zoals neergelegd in artikel 5 lid 1 WGB en
toepassing in de onderhavige situatie is gerechtvaardigd.

4.4. De vraag die vervolgens voorligt is of het voorkeursbeleid gevolgen
mag hebben voor personen aan wie dit beleid nog niet bekend was ten tijde van
het loopbaanonderzoek.

De Commissie overweegt het volgende.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat het doel van het
loopbaanonderzoek is te onderzoeken of men -los van het aantal vacatures- al
dan niet geschikt is voor een of meer van de hoger gekwalificeerde functies.
Aan een succesvolle afronding van een loopbaanonderzoek kunnen dan ook geen
rechten worden ontleend. Doorstroming naar een nieuwe functie is altijd
afhankelijk van de beschikbare vacatures. Bovendien wordt in de regels van
het voorkeursbeleid niet vermeld dat deze alleen gelden voor kandidaten die
aan het loopbaanonderzoek 1990 en later hebben meegedaan.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij niet in strijd met de WGB
heeft gehandeld, door het voorkeursbeleid ook toe te passen bij de vacatures
waarnaar verzoeker solliciteerde.

Ten overvloede constateert de Commissie wel dat verzoeker in zijn
verwachtingen teleurgesteld is. Dit is echter onvermijdelijk bij
voorkeursbeleid, daar de uitvoering hiervan anders onmogelijk is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Financien,
gelet op de redenen waarom de heer niet is geplaatst op de opleiding, geen
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Het voorkeursbeleid is door de
Minister van Financien in overeenstemming met artikel 5 lid 1 Wet Gelijke
Behandeling van mannen en vrouwen uitgevoerd.

Rechters

Prof. mr. van der Heijden, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 12 juni 1991

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting


Een werkgever past in zijn bedrijf een CAO toe. In deze CAO is een
regeling opgenomen met betrekking tot de beloning van overwerkuren. Een
voltijdwerkende krijgt deze vergoeding of restitutie in vrije tijd. Een
deeltijdwerkende krijgt deze vergoeding of restitutie pas nadat 8 uur per dag
arbeid is verricht. Gelet op de man-vrouw verdeling onder voltijd- en
deeltijdwerkenden in het bedrijf levert dit een vorm van indirect onderscheid
op naar geslacht. Aangedragen objectieve rechtvaardigingsgrond faalt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 september 1990 verzocht de ondernemingsraad van (hierna:
verzoeker) te Roermond de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
(hierna: de wederpartij) te Roermond indirect onderscheid maakt op grond van
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. De wederpartij past in haar bedrijf een CAO toe. In deze CAO is een
regeling opgenomen met betrekking tot de beloning van overwerkuren. In een van
de bepalingen wordt er onderscheid gemaakt tussen degenen die een dagtaak van
8 uur hebben en degenen die minder dan 8 uur op een dag werken. Verzoeker is
van mening dat de wederpartij hiermee indirect onderscheid naar geslacht maakt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 mei 1991. Partijen hebben geen
gebruik gemaakt van deze gelegenheid.

Bij de beraadslagingen waren aanwezig:

van de kant van de Commissie

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer)

mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3.DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Feiten

3.1.1. De in het bedrijf van de wederpartij geldende CAO kent de
volgende -in het verband van de gestelde vragen relevante- bepalingen:

Artikel 17 (definities):

– Onder ‘overuren’ wordt verstaan: uren waarin wordt gewerkt buiten het
dienstrooster (lid 4);

– Onder dienstrooster wordt verstaan het schema waarin de voor de
werknemer geldende dagelijkse werktijd en de ADV-tijd zijn vastgelegd (lid
2a);

– Onder ‘dagelijkse werktijd’ wordt verstaan de tijd waarin de werknemer
volgens zijn dienstrooster arbeid verricht (lid 1).

Artikel 42 lid 2 (betaling van overuren):

De werkgever betaalt aan de werknemer een toeslag (of in sommige
gevallen restitutie in tijd) indien buiten het dienstrooster wordt gewerkt op

a. een dag die niet is een zaterdag, een zondag of een feestdag;

b. op een zaterdag die niet is een feestdag;

c. op een zondag die niet is een feestdag;

d. op een feestdag.

In artikel 42 lid 2 onder d is bepaald dat de vergoedingen genoemd onder
a en b voor de werknemer die geen volledige dagtaak heeft, pas geldt wanneer
hij op de dag waarop wordt overgewerkt, gedurende 8 uren werk heeft verricht.

Samengevat: onder de geldende CAO ontvangt een voltijdwerkende een
toeslag voor overuren of restitutie in vrije tijd.

Een deeltijdwerkende kan pas een toeslag voor overuren of restitutie in
vrije tijd krijgen bovenop het normale uurloon, wanneer hij/zij eerst
gedurende 8 uur per dag werk heeft verricht.

3.1.2. In het bedrijf van de wederpartij werkten in oktober 1990, 90
mannen en 60 vrouwen. Van de 60 vrouwen werken er volgens de wederpartij 6
(volgens verzoeker 7) in deeltijd. De mannen werken allen voltijds.

Van de 6 vrouwen die in deeltijd werken, werken er

– 2 gedurende 4 uur per dag

– 1 gedurende 5 uur per dag

– 1 gedurende 5 1/4 uur per dag

– 1 gedurende 6 uur per dag

– 1 gedurende 6 1/2 uur per dag.

Het totale aantal overuren dat in de periode vanaf januari 1990 tot en
met oktober 1990 is gemaakt, bedraagt 2.839. Van dit aantal overuren zijn er
2.562 door voltijdwerkers en 277 door deeltijdwerkers verricht.

Dit betekent dat over deze periode gemiddeld per voltijdwerkende 17
overwerkuren en per deeltijdwerkende 46 overwerkuren zijn verricht.

3.2. Standpunten van partijen

3.2.1. Verzoeker is van mening dat deeltijdwerkers benadeeld worden door
de bepaling van artikel 42 lid 2 van de CAO. Aangezien alle deeltijdwerkers
van het vrouwelijk geslacht zijn, leidt toepassing van de bewuste bepaling tot
indirect onderscheid op grond van geslacht.

Dit is volgens verzoeker in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Verzoeker brengt voorts naar voren dat van de deeltijdwerkers wordt
verwacht dat zij invallen bij ziekte, verlof, vakantie of speciale projecten
die meer werk vragen. Verzoeker stelt dat invallen een extra belasting vormt
voor deeltijdwerkers, aangezien zij zorgtaken, studie of andere werkzaamheden
hebben. Verzoeker is van mening dat deze extra belasting eveneens beloond
dient te worden met de overwerk-compensatie die voltijdwerkers ontvangen.

3.2.2. De wederpartij voert als rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte
onderscheid aan dat overuren per definitie uren zijn buiten algemeen
geaccepteerde en geldende werktijden. Zij verwijst op dit punt naar de
bepalingen over arbeids- en rusttijden in de Arbeidswet. Voorts vraagt de
wederpartij zich af of het definieren van overuren binnen het 8-uren criterium
niet tot discriminatie van voltijdwerkers leidt en derhalve mannelijke
werknemers mogelijk gediscrimineerd zouden worden indien het 8-uren criterium
verlaten wordt.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. De vraag is of de wederpartij indirect onderscheid maakt naar
geslacht in strijd met artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) door artikel 42
lid 2 onder d van de CAO toe te passen.

Artikel 1637ij BW verbiedt de werkgever om onderscheid te maken naar
geslacht bij de arbeidsvoorwaarden. Dit verbod geldt zowel voor direct als
voor indirect onderscheid. Onder indirect onderscheid wordt verstaan
onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid
objectief gerechtvaardigd is (artikel 1637ij lid 7 BW).

4.2. Om de bovenstaande vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst
vastgesteld worden of het bepaalde in artikel 42 lid 2 onder d van de CAO in
overwegende mate personen van een bepaald geslacht treft en derhalve
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Uit de definitie van
overuren blijkt dat hieronder verstaan wordt uren waarin wordt gewerkt buiten
het dienstrooster. Bepalend is derhalve de overschrijding van de individuele
werktijd. De toeslag op de overuren wordt in de gevallen van a en b van
artikel 42 lid 2 eerst vergoed wanneer op de dag waarop wordt overgewerkt,
reeds gedurende 8 uren werk is verricht. Hierdoor worden deeltijdwerkers
benadeeld die minder dan 8 uren werk op een dag verrichten.

Bij de wederpartij werken geen mannelijke deeltijdwerkers. Van het
aantal vrouwen werken er 6 (volgens verzoeker 7) in deeltijd. Anders
uitgedrukt werkt van de vrouwen 10% in deeltijd en van de mannen 0%.

De deeltijdwerkers werken allen minder dan 8 uren per dag. Ingeval zij
overuren maken is artikel 42 lid 2 onder d van de CAO dan ook op hen van
toepassing.

Op grond van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat door de
betreffende overwerktoeslagregeling alleen vrouwen worden getroffen.

Tenslotte blijkt uit de door de wederpartij verstrekte gegevens dat
feitelijk door deeltijdwerkers een aanzienlijk aantal overuren wordt
verricht.

Op grond van het bovenstaande komt de Commissie tot het oordeel dat de
overwerktoeslagregeling van de bij de wederpartij toegepaste CAO, nadelige
gevolgen heeft voor in overwegende mate personen van een bepaald geslacht, te
weten vrouwen.

4.3. Ingeval voor dit onderscheid een objectieve rechtvaardiging
bestaat, is het geen indirect onderscheid naar geslacht zoals verboden door
artikel 1637ij BW. Onder een objectieve rechtvaardiging wordt verstaan dat het
onderscheid wordt gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en
dat daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit
doel te bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op een andere wijze
waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.(Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen d.d. 13-05-1986 in de zaak 170/84,
Bilka-Weber/Kaufhaus, en in de zaak 171/88, Rinner- Kuhn/Spezial
gebandereinigung GmbH % Co d.d. 13-07-1989).

Volgens de wederpartij is een rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte
onderscheid dat overuren per definitie uren zijn buiten algemeen geaccepteerde
en geldende werktijden. Voorts vraagt de wederpartij zich af of mannelijke
werknemers mogelijk gediscrimineerd zouden worden indien het 8-uren criterium
verlaten wordt.

Kennelijk is het uitgangspunt van de wederpartij dat overuren een
grotere belasting betekenen voor voltijdwerkers dan voor deeltijdwerkers. De
Commissie heeft al eerder beslist dat dit uitgangspunt niet juist is.(
Commissie Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, d.d. 5
maart 1990, oordeelnummer 1-90-10). Die extra belasting is in zijn
algemeenheid niet vast te stellen, nu een en ander afhankelijk is van gestel,
persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van degene die het overwerk
verricht. Deeltijdwerkers die bij de wederpartij werken kunnen daarnaast nog
een andere baan hebben, hun werk met een studie combineren, vrijwilligerswerk
verrichten, of zorgtaken hebben te verrichten. In dergelijke gevallen zal het
verrichten van overwerk eveneens een extra belasting met zich meebrengen,
waarvoor compensatie evenzeer gerechtvaardigd is. De door de wederpartij
aangevoerde definitie van overuren is dan ook onvoldoende om als objectieve
rechtvaardiging voor de van kracht zijnde overwerktoeslagregeling te kunnen
dienen.

De stelling van de wederpartij dat mannelijke werknemers worden
benadeeld als het 8-uren criterium verlaten wordt, is niet nader uitgewerkt
door de wederpartij, zodat de Commissie daaraan voorbijgaat.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat door toepassing van
artikel 42 lid 2 onder d van de geldende CAO indirect onderscheid maakt jegens
vrouwelijke werknemers in haar bedrijf en daarmee in strijd handelt met
artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek.

Rechters

prof. mr. P.F. van der Heijden, Kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps,secretaris

Instantie: onbekend, 11 juni 1991

Instantie

onbekend

Samenvatting


Vier leerlingen van een muziekschool zijn slachtoffer
van seksueel misbruik door een cello-leraar. Hun advocaat stelt de
muziekschool aansprakelijk als werkgever en sommeert
schadevergoeding. De muziekschool heeft de vorderingen in handen
van de verzekeringsmaatschappij gesteld. De
verzekeringsmaatschappij accepteert de aansprakelijkheid van de
werkgever zonder gerechtelijke procedure voor wat betreft de
schade die is veroorzaakt door de zedenmisdrijven tijdens de
uitoefening van de werkzaamheden van de celloleraar, en sluit een
dadingsovereenkomst met 3 van de 4 leerlingen voor een
schadevergoeding van ƒ 5.000,–, ƒ 5.000,– en ƒ 10.000,–.

Volledige tekst

Akte van dading
De ondergetekenden,
a. L., geb. op …. wonende te M., verder te noemen partij 1
en
b. de naamloze vennootschap AEGON Schadeverzekering nv, gevestigd
te ‘s-Gravenhage, kantoorhoudende Lange Marktstraat no. 11 te
Leeuwarden, ten deze optredende als verzekeraar tegen het risico
van aansprakelijkheid van de Muziekschool en haar werknemer W.,
verder te noemen AEGON

IN AANMERKING NEMENDE

dat partij 1 ten gevolge van onrechtmatige gedragingen van W.
schade heeft geleden;

dat de Muziekschool voornoemd en W. aansprakelijk zijn voor
schade die partij 1 als gevolg van deze onrechtmatige gedragingen
lijdt; resp. krachtens de artikelen 1403 en 1401 BW;

dat Aegon in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar
van de muziekschool en W. de door partij 1 geleden en nog te
lijden schade aan partij 1 zal vergoeden;

dat partijen van mening verschillen over de omvang van deze
schade;

dat partijen al hun geschillen over de omvang van deze schade,
zowel tegenwoordige als toekomstige, wensen op te lossen door een
dading, waarbij zij wederzijds afstand doen van een deel van hun
aanspraken c.q. weren;

VERKLAREN OVEREEN TE KOMEN ALS VOLGT:

Partijen bepalen de schade die partij 1 tengevolge van
bovenvermelde onrechtmatige gedragingen heeft geleden, lijdt en
nog zal lijden, op ƒ 10.000,–
(Zegge: TIENDUIZEND GULDEN);

Partij 1 verklaart het genoemde bedrag te hebben ontvangen en
verleent aan de Muziekschool en W. volledige kwijting ter zake
van alle schade, die zij tengevolge van bovenvermelde
onrechtmatige gedragingen heeft geleden, lijdt en nog zal lijden;

Partijen komen voorts overeen dat de kosten van rechtskundige
bijstand door AEGON zullen worden vergoed.
Deze kosten zullen door AEGON rechtstreeks aan de raadsvrouwe
worden betaald.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend te
Leewarden, 11 juni 1991
…………………1991 Leeuwarden, 11 juni 1991

AEGON Schadeverzekering nv

(handtekening)

Schadenummer:

Rechters

onbekend

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 juni 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Eiser was sinds 1968 werkzaam in dienst van het Gemeente Vervoerbedrijf.
Nadat hij was afgekeurd kwam hij in dienst bij het stadsdeel O. Hij was op
een gegeven moment waarnemend hoofd Interne Zaken. Medio december is hij van
zijn functie ontheven wegens het niet goed functioneren ten aanzien van het
leidinggeven. Tegen hem waren drie klachten ingediend wegens seksuele
intimidatie. De werkgever heeft een klachtencommissie ingesteld die deze
klachten gegrond heeft verklaard. Daarop heeft de werkgever eiser de
disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd.
De Raad acht net als de eerste rechter eiser schuldig aan seksuele
intimidatie. De klachtenprocedure is volgens de Raad voldoende zorgvuldig
gehanteerd. In tegenstelling tot de eerste rechter is de Raad van oordeel dat
eisers gedrag hem wel kan worden toegerekend. Volgens de Raad mocht de
werkgever overgaan tot de lichtste disciplinaire straf omdat reeds eerder is
gebleken dat een berisping geen invloed heeft op eiser.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van de gedingen
Bij besluit van 16 februari 1988 (A) heeft gedaagde besloten:
1. eiser met ingang van 16 februari 1988 te ontheffen van zijn functie van
waarnemend hoofd Interne zaken en als zodanig zijn waarnemingstoeslag in te
trekken;
2. eiser met ingang van 16 februari 1988 niet langer de volgende
werkzaamheden te laten verrichten: uitgifte kantoormaterialen,
repro-werkzaamheden en het beheer van de kleine kas;
3. eiser schriftelijk te berispen.
Bij besluit van 31 mei 1988 heeft gedaagde, beslissende op eisers
bezwaarschrift van 16 maart 1988, zijn besluit van 16 februari 1988
gehandhaafd. Bij inleidend klaagschrift van 28 juni 1988 heeft eiser beroep
ingesteld bij het Ambtenarengerecht van Amsterdam.
Bij brief van 22 juni 1988 heeft gedaagde eiser mededeling gedaan van zijn
besluit (B) eiser niet te benoemen in de functie van medewerker
Inkoop/Kas/Registratuur/Dossiervorming. Bij deze brief is aan eiser voorts
medegedeeld dat hem in verband met de opheffing van zijn functie per 20 april
1988 de zgn. RAP-status was verleend en dat de bemiddelingstermijn via het
netwerk voor het vinden van een passende andere functie was gesteld op een
jaar, ingaande per 1 juli 1988. Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep
ingesteld.
Bij besluit van 12 juli 1988 (C) heeft gedaagde met ingang van 1 juli 1988 M.
aangesteld in de functie van medewerkster
Inkoop/Kas/Registratuur/Dossiervorming bij de afdeling Beheerszaken van de
sector Voorlichting en Beheerszaken. Tegen de uit dit besluit blijkende
impliciete weigering hem in deze functie te benoemen heeft eiser
zekerheidshalve eveneens beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 30 december 1988, nrs. AW 88/375/376/478, heeft het
Ambtenarengerecht te Amsterdam eisers beroep tegen gedaagdes besluit (A),
onderdeel 3, gegrond en dat besluit in zoverre nietig verklaard, en eisers
beroepen tegen gedaagdes besluit (A), onderdeel 1 en 2, en gedaagdes
besluiten (B) en (C) ongegrond zijn verklaard.
Als gemachtigde van eiser is J.H. Sikkes, directeur van Sikkes Breugem B.V.
te Pijnacker, van die uitspraak in hoger beroep gekomen voor zover bij deze
uitspraak eisers beroepen tegen de besluiten (A) sub 1 en 2, (B) en (C)
ongegrond zijn verklaard.
Als gemachtigde van gedaagde is mr. A.R. Haakmat, advocaat te Amsterdam, van
die uitspraak in hoger beroep gekomen voor zover daarbij eisers beroep tegen
gedaagdes besluit (A) sub 3 is nietig verklaard.
De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van 16 mei 1991. Eiser is daar
in persoon verschenen met bijstand van J.H. Sikkes, voornoemd, als zijn
raadsman. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Haakmat,
voornoemd.
II. Motivering
Eiser, geboren 17 juli 1941, was sedert 1968 werkzaam in dienst van het
Gemeente Vervoerbedrijf, aanvankelijk als conducteur, later als
wagenbestuurder. Nadat hij voor deze functie was afgekeurd is hij per 1
februari 1983 in dienst getreden bij stadsdeel O. Daar vervulde hij vanaf
begin 1986 de functie van kantoormaterialenbeheer/centrale
kas/repro-medewerker bij de toenmalige onderafdeling Interne Zaken van de
afdeling Algemene Zaken van de sector Algemeen Beheer. In verband met het
vertrek van het toenmalige hoofd Interne Zaken is eiser per 1 februari 1987,
in afwachting van de uitkomsten van een in gang gezette reorganisatie van de
afdeling Algemene Zaken, belast met de waarneming van de functie van Hoofd
Interne Zaken, zulks met uitzondering van het taakbestanddeel gebouwenbeheer.
Medio december 1987 is eiser wegens het niet goed functioneren op het punt
van leidinggeven ontheven van de tot de functie van hoofd Interne Zaken
behorende leidinggevende taken.
Op 2 december 1987 zijn bij de stadsdeelsecretaris twee klachten wegens
ongewenste intimiteiten tegen eiser ingediend.
De eerste klacht, ingediend door mevr. M., medewerkster Post- en Archiefzaken
bij de sector Algemeen Beheer, luidde als volgt:
`Onderstaand een kort overzicht van gebeurtenissen die aanleiding hebben
gegeven, tot het indienen van deze klacht.
De opgesomde situaties speelden zich altijd af als ik alleen op de kamer was.
– Een paar keer is het voorgekomen dat hij mij opeens beetpakte en tegen zijn
borst drukte (en op een behoorlijk hardhandige manier).
– Met zijn hand over je rug `strelen’.
– Als ik bezig was bij de archiefkasten dan werd ik ineens in de nek
vastgepakt door J.
– Als ik iets uit het magazijn nodig had, dan werd in 9 van de 10 gevallen de
deur dichtgedaan, en kwam hij gevaarlijk dichtbij.
– Zijn buik tegen je lichaam aanduwen.
Hij heeft nooit onder mijn kleding gezeten, of op de zgn. seksuele plekken.’
De tweede klacht, ingediend door mevr. S., huismeesteres bij de onderafdeling
Interne Zaken, luidde als volgt:
`Onderstaand een kort overzicht van gebeurtenissen die aanleiding hebben
gegeven tot de klacht.
– Bij de eerste avonddienst waar wijkwethouder Walet officieel werd benoemd,
wilde ik na afloop mijn moeder bellen of ze mij kwam ophalen.
J. zei dat dat niet nodig was en wilde mij wel even naar huis brengen.
Ik vertelde waar ik woonde, en wees dat ook aan. Hierbij ging hij over me
heen hangen met de woorden: `Ik zie niets’, en hij boog zich verder totdat
zijn hoofd op mijn borst lag. Ik schrok me naar en zei: `Als je normaal door
de voorruit kijkt, zie je het beter’, vervolgens duwde ik hem weg en ben uit
de auto gestapt.
– Altijd als ik alleen ben, raakt hij mij aan. Zoals je hand vastpakken, en
even met zijn duim erover. Natuurlijk trek ik altijd mijn hand meteen weg.
Als ik hem geld geef, altijd mijn hand pakken. Over je hoofd aaien.
– Vieze gebaren maken, zoals de tong heen en weer bewegen, opgehitst kijken
en achter mijn rug obscene gebaren maken.
Aangeklaagde heeft nooit onder mijn kleding gezeten of op de intieme
plekken.’.
In zijn vergadering van 8 december 1987 heeft gedaagde naar aanleiding van de
ontvangst van deze klachten een `ad hoc klachtenprocedure ongewenste
intimiteiten’ vastgesteld. Tot leden van de klachtencommissie werden benoemd
de stadsdeelsecretaris, het hoofd personeelszaken van het stadsdeel, een
medewerkster van de afdeling personeelszaken, een bedrijfsmaatschappelijk
werkster van een ander stadsdeel, en de sociaal raadsman. De
procedureregeling voorzag onder meer in een vooronderzoek door twee leden van
de commissie, het horen door de klachtencommissie van de klaagsters en
beklaagde, desgewenst bijgestaan door een zelf te kiezen raadsman/vrouw, het
door de commissie horen van getuigen, schriftelijke verslaglegging van de
verhoren, het tussentijds op de hoogte houden van de klaagsters en beklaagde
van de voortgang van het onderzoek, en een regeling omtrent de uit te brengen
adviezen.
Bij schrijven van 9 december 1987 is aan eiser een uiteenzetting van de te
volgen procedure gegeven. Twee leden van de commissie hebben een voorgesprek
gehad met de beide klaagsters en, op 16 december 1987, met eiser.
Op 21 december 1987 zijn de beide schriftelijke klachten aan eiser ter inzage
gegeven. Op 22 december 1987 volgde een tweede voorgesprek met eiser en zijn
raadsman, waarbij eiser een schriftelijke reactie op de beide klachten heeft
overgelegd. Daarin ontkende hij de meeste gebeurtenissen en stelde hij met
betrekking tot de overige gebeurtenissen dat hij met zijn gedrag geen
verkeerde bijbedoelingen had gehad en dat hem geen vrouwonvriendelijk gedrag
kon worden verweten.
Inmiddels was op 20 december 1987 een derde klacht binnengekomen. Deze klacht
ingediend door mevr. S., uitzendkracht bij de sector Middelen, luidde als
volgt:
`Ik ben vanaf eind september 1987 als uitzendkracht werkzaam binnen de sector
Middelen.
Ik ben gekomen tijdens een drukke begrotingsperiode. In deze tijd had ik veel
contact met de repro-afdeling, met name met J. Aan hem leverde ik de
repro-werkzaamheden.
1. Op een keer vroeg ik om kantoorartikelen. Het viel me op, dat hij
dubbelzinnige opmerkingen maakte, maar ik schonk er verder geen aandacht aan.
2. Een andere keer kwam ik vragen of ik de repro-gegevens goed had
aangeleverd. Als antwoord werd er aan mijn strop-das getrokken en kreeg ik
een klapje op mijn wang ter bemoediging. 3. Toen ik met iemand op de gang
stond te praten, en er genoeg ruimte was om te passeren, liep J. tegen mij
op.
4. De laatste keer voelde ik een sleutel over mijn rug gaan toen ik zelf de
begrotingsstukken stond in te binden. L. stond daar bij.
Ik heb aan Lucas gevraagd of J. dat ook bij andere vrouwen/mannen deed. Lucas
zei dat hij zelf ook wel eens tegen J. had gezegd zijn handen thuis te houden
en dat het wel effect had gehad.’.
Eiser is op 28 december 1987 van de inhoud van deze derde klacht in kennis
gesteld. Hij heeft hierop op 29 december 1987 een schriftelijke reactie
gegeven. De klachtencommissie heeft vervolgens in het vooronderzoek de
klaagsters en eiser gehoord, alsmede de door mevr. S. opgegeven getuigen
(H.A. B., medewerker Post- en Archiefzaken, L.C. M., hoofd Post- en
Archiefzaken, en J.T. van der L., portier/telefonist) en de door eiser
opgegeven getuigen (J.F. F., voormalig hoofd Interne Zaken, P.J. van T.,
sekretariaatsmedewerkster Participatie en Voorlichting, en
., sekretariaatsmedewerker van de stadsdeelraad) alsmede een eigener beweging
door de commissie opgeroepen getuige (P.S., medewerkster bij de sector
Participatie en Voorlichting). De commissie heeft voorts gebruik gemaakt van
een verslag van telefoongesprekken van het hoofd personeelszaken met mevr.
H., voormalig hoofd Algemene Zaken, en met mevr. V.S., voormalig huismeester,
alsmede van brieven van S.B. en van M., beiden werkzaam bij de sector
RO/wonen, gericht aan mevr. S.. Eiser is in de vergadering van de
klachtencommissie van 18 januari 1988 in de gelegenheid gesteld zich in
aanwezigheid van zijn raadsman te verweren.
De klachtencommissie heeft vervolgens op 4 februari 1988 de drie tegen eiser
ingediende klachten wegens ongewenste intimiteiten gegrond verklaard en aan
gedaagde geadviseerd eisers tewerkstelling zodanig te wijzigen dat hij wordt
ontheven van zijn taak als waarnemend hoofd Interne Zaken en dat hij de
centrale taken van zijn functie (uitgifte kantoorbenodigdheden,
repro-werkzaamheden en het beheer van de kleine kas) niet meer zal vervullen,
en hem de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag op te leggen.
Bij het bestreden besluit van 16 februari 1988 heeft gedaagde het advies van
de klachtencommissie overgenomen behoudens ten aanzien van de voorgestelde
straf van voorwaardelijk ontslag, die door gedaagde te zwaar werd geacht. In
plaats daarvan heeft gedaagde eiser een schriftelijke berisping opgelegd.
Onder dagtekening 16 maart 1988 heeft R. van Baren, voormalig
stadsdeelsecretaris, als gemachtigde van eiser tegen het besluit van 16
februari 1988 een bezwaarschrift ingediend. Gedaagde heeft ter zake het
advies van de klachtencommissie ingewonnen. Die commissie heeft eiser en zijn
raadsman op 27 april 1988 gehoord en op 30 mei 1988 aan gedaagde geadviseerd
het besluit niet inhoudelijk te wijzigen en dat besluit derhalve te
handhaven.
Bij besluit van 31 mei 1988 heeft gedaagde conform dit advies besloten.
Inmiddels was de reorganisatie van de afdeling Algemene Zaken met een daartoe
strekkend besluit van de stadsdeelraad d.d. 20 april 1988 voltooid. Bij deze
reorganisatie werd een aantal functies opgeheven, waaronder de door eiser
beklede functie van kantoormaterialenbeheer/centrale kas/repro-medewerker, en
werd een aantal nieuwe functies ingesteld, waaronder die van medewerker
inkoop/kas/registratuur/dossiervorming. Eiser is voor benoeming in
laatstgenoemde functie in beschouwing genomen, maar de keuze viel niet op
hem, hetgeen hem bij brief van 22 juni 1988, het bestreden besluit (B), is
medegedeeld, doch op mevr. S., hetgeen heeft geleid tot het benoemingsbesluit
d.d. 12 juli 1988, bestreden besluit (C). In verband hiermee is aan eiser de
zgn. RAP-status toegekend, waarbij de bemiddelingstermijn is gesteld op het
tijdvak van 1 juli 1988 tot 1 juli 1989, welke termijn nadien nog met drie
maanden is verlengd in verband met een mislukte herplaatsing als hoofd
Keukens en Koffiekamers bij de Sektor Stadsdeelwerken, afdeling Westgaarde.
Inmiddels is aan eiser met ingang van 1 december 1990 ontslag verleend wegens
opheffing van zijn betrekking. Tegen dit ontslagbesluit loopt nog een
beroepszaak bij het Ambtenarengerecht.
De Raad overweegt het volgende.
Eiser heeft binnen 30 dagen bezwaar gemaakt tegen gedaagdes besluit van 16
februari 1988. Dit heeft geleid tot gedaagdes besluit van 31 mei 1988 waarbij
eerstgenoemd besluit is gehandhaafd. Dit brengt mee dat als het in dit geding
bestreden besluit worden aangemerkt het besluit van 16 februari 1988, waarvan
de beroepstermijn op 31 mei 1988 is gaan lopen. De eerste rechter heeft het
door eiser op 28 juni 1988 ingestelde beroep derhalve terecht opgevat als een
– tijdig ingesteld – beroep tegen het besluit van 16 februari 1988.
Met betrekking tot dit besluit staat centraal de vraag of eiser zich heeft
schuldig gemaakt aan ongewenste intimiteiten en zo ja, welke gevolgen daaraan
mochten worden verbonden.
De Raad beantwoordt het eerste deel van deze vraag, met de eerste rechter,
bevestigend. De beschrijvingen door de drie klaagsters van eisers gedragingen
zijn eenduidig en vinden genoegzaam steun in de verklaringen van de door de
klachtencommissie gehoorde getuigen en de omringende stukken.
Eiser had zich al eerder, in 1985/1986 schuldig gemaakt aan soortgelijk
ongewenst gedrag tegenover vrouwelijke collega’s (N., C., B., M., S.). Dat
heeft toen niet tot een officiële klacht geleid, maar eiser is destijds wel
op zijn ongewenste gedrag aangesproken door de toenmalige stadsdeelsecretaris
Van B. en door de toenmalige chef Algemene Zaken Van R.
De Raad is voorts van oordeel dat de door gedaagde vastgestelde
klachtenprocedure en de wijze waarop de klachtencommissie zich van haar taak
heeft gekweten aan de daaraan te stellen eisen hebben voldaan. Eisers grief
dat hij pas na 19 dagen van de klacht op de hoogte is gesteld, treft geen
doel. Uit het hierboven vermelde feitenoverzicht blijkt dat eiser al veel
eerder, zowel schriftelijk als mondeling, op de hoogte is gesteld van de aard
van de klachten en de te volgen procedure. In dit licht kan aan het feit dat
de letterlijke tekst van de klachten pas na afloop van de oriënterende
voorgesprekken met alle direct betrokkenen aan eiser ter beschikking is
gesteld, geen zwaarwegende betekenis worden toegekend.
In tegenstelling tot de eerste rechter is de Raad van oordeel dat eisers
gedrag hem wel kan worden toegerekend. Hij had moeten weten dat zijn gedrag
tegenover zijn vrouwelijke collega’s, die in meer of mindere mate in een
afhankelijkheidsrelatie tot hem stonden, ongewenst was, en in bepaalde
gevallen heeft hij zeker geweten dat de betrokken vrouw niet van zijn gedrag
gediend was, bij voorbeeld toen zij dit liet blijken door een perforator naar
hem te gooien en zij daarbij op kwade toon zei:
`Sodemieter op, blijf met je poten van me af’.
De bescherming van vrouwen tegen ongewenste intimiteiten op de werkplek is
van groot belang. Zorgvuldig en effectief optreden is daarbij geboden.
Daarbij dient er anderzijds voor te worden gewaakt dat degene die zich aan
ongewenste intimiteiten schuldig maakt, harder wordt aangepakt dan voor een
effectieve bestrijding van dit maatschappelijk kwaad nodig is. De kans op een
te rigoreuze aanpak is met name aanwezig in een situatie waarin de betrokken
arbeidsorganisatie – zoals in het onderhavige geval – nog maar weinig
ervaring heeft opgedaan met de bestrijding van ongewenste intimiteiten op de
werkplek. In dit verband heeft de Raad zich afgevraagd of gedaagde er niet
mee had kunnen en moeten volstaan eiser op het matje te roepen en hem een
ernstige waarschuwing te geven, in plaats van te grijpen naar het middel van
een disciplinaire straf.
Alles overwegende is de Raad echter tot de slotsom gekomen dat de
disciplinaire maatregel van berisping mocht worden opgelegd. Doorslaggevend
is daarbij geweest dat eiser zich in het verleden weliswaar gevoelig had
betoond voor corrigerende vermaningen van zijn superieuren, maar slechts in
die zin dat de toen betrokken vrouwen verder geen last meer van hem hebben
gehad. Die aanpak heeft dus onvoldoende effect gehad. Daarom behoefde
gedaagde thans niet opnieuw datzelfde middel te beproeven, maar mocht hij
overgaan tot het opleggen van de (lichtste) disciplinaire straf.
Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft
op besluit (A) sub 3, niet in stand kan blijven en dat het tegen dat deel van
dat besluit ingestelde beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De aard van eisers ongewenste gedragingen en het feit dat hij dit gedrag
vooral bij het verrichten van de zgn. centrale taken tentoonspreidde, leveren
voldoende redenen van dienstbelang op om eiser voorlopig niet langer de
uitgifte van kantoormaterialen, repro-werkzaamheden en het beheer van de
kleine kas te laten verzorgen. Met de eerste rechter is de Raad van oordeel
dat het overblijvende deel van eisers functie, zeker in het licht van de
aanstaande opheffing van die functie in het kader van de reorganisatie, nog
als een passende betrekking in de zin van artikel 207, eerste lid, van het
ARA kon worden aangemerkt. De Raad onderschrijft derhalve de
ongegrondverklaring van eisers beroep tegen bestreden besluit (A) sub 2.
Het besluit eiser te ontheffen van de waarneming van de – reeds van het
gebouwenbeheer en de leidinggevende taken ontdane – functie van hoofd Interne
Zaken wordt naar ’s Raads oordeel, naast de kwestie van de ongewenste
intimiteiten, reeds voldoende gemotiveerd door het feit dat eiser niet in
staat was gebleken die functie naar behoren te vervullen. Met de beëindiging
van de waarneming kwam tevens de grondslag aan de waarnemingstoeslag te
ontvallen. De Raad onderschrijft derhalve eveneens de ongegrondverklaring van
eisers beroep tegen bestreden besluit (A) sub 1.
Met betrekking tot gedaagdes besluit eiser niet te benoemen in de functie van
medewerker Kas/Inkoop/Registratuur/ Dossiervorming overweegt de Raad met de
eerste rechter dat aan gedaagde niet de bevoegdheid kan worden ontzegd bij de
keuze uit twee bij de reorganisatie betrokken kandidaten de voor de betrokken
functie meest geschikte kandidaat te kiezen. Gelet op het uitvoerig
gemotiveerde advies van de sollicitatiecommissie is de Raad van oordeel dat
gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat eiser niet de
meest geschikte kandidaat was. De opheffing van eisers betrekking in
combinatie met het gegeven dat er voor hem in het kader van de reorganisatie
van de afdeling Algemene Zaken geen nieuwe functie was weggelegd, brengt mee
dat hem de zgn. RAP-status moest worden verleend. Aan de Raad is niet kunnen
blijken dat eiser als gevolg van het tijdstip waarop hem die status is
toegekend, enig nadeel heeft ondervonden. Eisers beroep tegen bestreden
besluit (B) is dan ook terecht ongegrond verklaard.
Uit het besluit tot benoeming van mevr. S. in de functie van medewerkster
Kas/Inkoop/Registratuur/Dossiervorming kan in casu geen fictief besluit tot
niet-benoeming van eiser in die functie worden afgeleid, nu ter zake reeds
een reëel besluit ten aanzien van eiser was genomen. Het met betrekking tot
besluit (C) ingestelde beroep is derhalve bij gebreke van een appellabel
besluit niet-ontvankelijk. Ook de eerste rechter is tot de slotsom gekomen
dat eiser niet in zijn beroep kon worden ontvangen.
Niettemin kan de aangevallen uitspraak op dit punt niet in stand blijven, nu
– kennelijk abusievelijk – in het dictum van die uitspraak een
ongegrondverklaring is vermeld.
Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing:
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende in naam der Koningin!
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij eisers beroep tegen
gedaagdes besluit van 16 februari 1988, onderdeel 3, gegrond en dat besluit
nietig is verklaard;
Verklaart het primaire beroep in zoverre alsnog ongegrond;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij eisers beroep tegen
gedaagdes besluit van 12 juli 1988 ongegrond is verklaard;
Verklaart het primaire beroep in zoverre alsnog niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Rechters

Mrs. J. Boesjes (vz), J. Janssen, Ch. de Vrey

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 juni 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Raad van Beroep Groningen heeft voor de beantwoording van de vraag of
een AAW-uitkering op individuele grondslag voor deeltijdwerkers (indirect)
discriminerend moet worden geacht, prejudiciele vragen gesteld aan het Hof. In
zijn uitspraak van 13 december 1989 (Rechtspraak Nemesis 1990 nr 84) heeft het
Hof geantwoord, dat een dergelijk stelsel vermoed wordt discriminerend te zijn
nu veel meer vrouwen dan mannen hierdoor worden getroffen. Desondanks
verklaarde de Raad van Beroep het beroep ongegrond (Rechtspraak Nemesis 1990
nr 105). De Centrale Raad heeft die uitspraak bevestigd. Naar de mening van de
Raad is de wijze waarop het inkomensdervingsbeginsel in de regeling van de
grondslagen is uitgewerkt, niet van dien aard dat zij de gedachte aan
discriminatie doet rijzen. Met betrekking tot de uitzonderingen op dit
inkomensdervingsbeginsel kan volgens de Centrale Raad de wetgever niet de
vrijheid ontzegd worden uitvoering te geven aan nevendoelstellingen van
sociale aard.

Volledige tekst


Deze wijze van toetsen staat op gespannen voet met die van het Hof van
Justitie. Uit de interpretatie van de Commissie en het Hof kan worden gehaald,
dat juist de nevendoelstellingen tot evenzovele uitzonderingen leiden en
uiteindelijk tot gevolg hebben dat alleen voor deeltijdwerkers naar het
individuele inkomen worden gekeken. Daardoor ontstaat juist het vermoeden van
discriminatie.

Deze benadering van de Centrale Raad is in wezen dezelfde als die in de
uitspraak Teuling-Worms, maar de Raad is opportunistisch in zijn redenering.
In de zaak Teuling-Worms stelt de Centrale Raad dat het toeslagensysteem tot
doel had om ‘binnen het werkingsgebied van de AAW als volksverzekering (…)
aan uitkeringsgerechtigden de garantie te bieden van een uitkering op het
niveau van het bestaansminimum (…)’. Maar, zegt de Raad, de AAW heeft niet
alleen het doel het verschaffen van een verzekerde basisuitkering op
minimumniveau. De ruime vrijlatingsbepalingen, waaronder de WAO-uitkering,
pensioenuitkering etcetera, ‘zijn in verband te brengen met het bij de
wetgever kennelijk bestaan hebbende oogmerk het niveau van de bodemverzekering
niet (…) aan te tasten’.

Dit op zichzelf geoorloofde nevenoogmerk doet aan de hoofddoelstelling
niet zoveel afbreuk, aldus de Centrale Raad in de uitspraak Teuling-Worms.

Wat zegt de Raad in de onderhavige uitspraak? ‘Voor het overige wordt
immers (…) tot een zeker plafond, samenhangend met het karakter van de AAW
van bodemverzekering, een rechtstreekse relatie tussen uitkeringshoogte en
laatstelijk genoten inkomen gelegd.’ Als zodanig gaat het om een
inkomensgerelateerd uitkeringssysteem. Dat de wetgever daarnaast
nevendoelstellingen hanteert, zoals bijvoorbeeld het garanderen van een
minimuminkomen (afhankelijk van de burgerlijke staat, zoals dat nog gold in de
zaak Teuling-Worms) en aan bepaalde groepen, waaronder de zelfstandigen die
gedurende de volle arbeidstijd werkzaam zijn geweest, doet naar de mening van
de Centrale Raad niet zoveel afbreuk aan de hoofddoelstelling.

Met andere woorden: in casu is de AAW een bodemverzekering
(basisverzekering binnen het geheel van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen)
tot hoofddoelstelling van de AAW als volksverzekering (garantie van
minimumuitkering) tot nevendoelstelling geworden.

Nu zal niemand ontkennen dat de AAW mede tengevolge van de Wijzigingswet
van 1980 een gecompliceerd karakter heeft gekregen en daardoor meerdere
doelstellingen in zich tracht te verenigen. Door echter per doelstelling te
toetsen en afhankelijk van de situatie telkens een andere doelstelling tot
hoofddoelstelling te promoveren, dwingt de Centrale Raad zichzelf tot wel erg
gekunstelde redeneringen om de conclusie van discriminatie te ontlopen.

Overigens doet de Centrale Raad met deze benaderingswijze ook geen recht
aan de wetsgeschiedenis. De staatssecretaris zegt in 1980 over het karakter
van de AAW: ‘Ik kan de mening van deze leden, dat thans de AAW een
inkomensdervingswet is geworden, niet geheel delen. Wel ben ik van mening dat
door het stellen van de eis van reele inkomensderving in de AAW meer het
accent is komen te liggen op het inkomensdervingsprincipe, doch dat het
essentiele verschil in karakter tussen inkomensdervingsverzekering en een
volksverzekering is blijven bestaan. Immers bij een
inkomensdervingsverzekering is sprake van een directe relatering van de
uitkering aan het exact gederfde inkomen, terwijl een volksverzekering slechts
beoogt een uitkering op sociaal-minimumniveau te verschaffen.’ (Memorie van
Antwoord, TK 1989-1980, 15 706, nr. 6, pag. 14 en 15, aangehaald door de Raad
van Beroep Roermond in zijn uitspraak van 12 maart 1991, Rechtspraak Nemesis
1991 nr 173).

Als de Centrale Raad per se een onderscheid wil maken tussen hoofd- en
nevendoelstellingen in de AAW, dan pleit de wetsgeschiedenis ervoor de AAW
primair als volksverzekering te blijven beschouwen. De conclusie van vermoeden
van discriminatie was dan echter onontkoombaar geweest.

Gesteld dat de Centrale Raad de AAW als geheel op zijn discriminatoir
effect had bekeken en evenals partijen, de Nederlandse regering, de Raad van
Beroep Groningen, de Commissie van de EG en last but not least het Hof van
Justitie tot de conclusie was gekomen, dat hier sprake is van een vermoeden
van discriminatie, dan had bekeken moeten worden of de door de wetgever
gemaakte uitzonderingen objectief gerechtvaardigd zijn.

In casu heeft de Centrale Raad door zijn wijze van benadering zich
hierover nauwelijks uitgelaten. Het gaat immers volgens de Raad toch maar om
nevendoelstellingen. Over de zelfstandigen, die gedurende de volle arbeidstijd
werkzaam zijn geweest, merkt de Raad op, dat de wetgever klaarblijkelijk op
grond van sociale motieven hen de bescherming van het minimumloon niet heeft
willen onthouden. Over de andere categorieen, zoals de vroeggehandicapten en
de studenten, merkt de Raad op, dat de wetgever niet de vrijheid kan worden
ontzegd uitvoering te geven aan nevendoelstellingen van sociaal beleid, erop
gericht om enkele nauwkeurig afgebakende groepen van beperkte omvang in de
inkomstenbescherming van de AAW te doen delen. Bovendien kon de wetgever
bezwaarlijk een andere bescherming bieden, aldus de Raad, aangezien een basis
van een individuele grondslag niet is aan te geven.

Als de Centrale Raad deze uitzonderingen werkelijk op de objectieve
gerechtvaardigdheid ervan had moeten toetsen, dan had de Raad zich
geconfronteerd gezien met de Memorie van Toelichting behorend bij de wet van 3
mei 1988 (TK 1987-1988, 20 610, nr. 3, pag. 11 e.v.), op grond waarvan thans
vele AAW-uitkeringen van voor 1980 worden ingetrokken. In deze Memorie van
Toelichting wordt de vraag gesteld of de groepen van verzekerden die geacht
worden een inkomen te hebben verworven, een principieel andere positie innemen
dan andere groepen die niet in staat zijn inkomen te verwerven. Voor de
zelfstandigen wordt opgemerkt dat zich bij het zelfstandig ondernemen relatief
sterke inkomenswijzigingen kunnen voordoen. Men kan zich afvragen, aldus de
Memorie van Toelichting, of een inkomensfictie om de invloed van dergelijke
toevalligheden te elimineren, nog juist is. Met betrekking tot
vroeggehandicapten wordt de vraag gesteld of het feit dat deze groep niet in
staat is inkomen te verwerven, ook niet opgeld doet voor andere groepen
jongeren, die buiten hun schuld geen inkomen hebben kunnen verwerven. Inzake
de studenten wordt opgemerkt dat het om een zuiver particuliere omstandigheid
gaat, waardoor zij geen inkomen hebben verworven. De vergelijking wordt
getrokken met de vrouw die de keuze heeft gemaakt om de verzorging en
opvoeding van kinderen op, zich te nemen.

Kortom, de wetgever heeft geconcludeerd dat het maken van uitzonderingen
in de AAW niet objectief gerechtvaardigd kan worden geacht en heeft daarmee
feitelijk op het terrein van de gelijke behandeling de Centrale Raad links
ingehaald. Evenals de Raad van Beroep Roermond in bovengenoemde uitspraak had
de Centrale Raad op grond van deze Memorie van Toelichting moeten concluderen
dat de AAW zodanige inbreuken op het inkomensdervingsprincipe behelst, dat
deze in de weg staan aan de aanvaarden van een rechtvaardingsgrond voor het
vermoeden dat de individuele grondslag discriminerend voor vrouwen is.

Len Andringa

Rechters

Mr S.V. Hoogendijk-Deutsch, voorzitter, mrs N.J. Haverkamp, B.C. Rog enH.P. Kallenbach, leden.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 6 juni 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster stelt dat haar werkgever haar heeft verzocht een
niet-zwangerschapsverklaring te ondertekenen bij het omzetten van haar
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een voor onbepaalde tijd. Zij zou
dit hebben geweigerd. Verder stelt verzoekster onder druk te zijn gezet om
ontslag te nemen toen zij later zwanger bleek te zijn. Wederpartij zou haar
toen hebben gevraagd of zij voornemens was te blijven werken na haar
zwangerschap. Commissie constateert dat niet vast is komen te staan dat aan
verzoekster een niet- zwangerschapsverklaring is voorgelegd. Dat verzoekster
zich door de houding van de wederpartij gedwongen voelde snel een beslissing
te nemen over de voortzetting van het dienstverband, acht de Commissie niet
onaannemelijk. Echter, niet is komen vast te staan dat zij zodanig onder druk
is gezet dat daarmee is gehandeld in strijd met de Wet.

NB: tussenbeslissing uitgebracht op 18 december 1990.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1 Op 19 september 1990 verzocht mevrouw te Rotterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid met spoed een oordeel uit te spreken over de vraag of
te Almere-Haven (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt/maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling (WGB, Stb. 1989,
168).

Verzoekster is van mening dat de wederpartij haar, vanaf het tijdstip
waarop zij heeft verteld zwanger te zijn, onder druk heeft gezet om ontslag te
nemen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1 Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Commissie op 18 december
1990 een tussenbeslissing uitgebracht. De inhoud van deze tussenbeslissing
wordt hier in zijn geheel ingevoegd (opgenomen achter dit oordeel).

Conform de tussenbeslissing heeft de Commissie een nader onderzoek
ingesteld.

2.2 Na afloop van het nader onderzoek zijn partijen uitgenodigd hun
standpunten nogmaals toe te lichten tijdens een zitting op 11 april 1991.
Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 11 april 1991. Daarbij waren
aanwezig:

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.3 Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET NADER ONDERZOEK

3.1 In het kader van het nader onderzoek zijn gesprekken gevoerd met de
arts die op 16 mei 1990 door verzoekster, samen met een van de managers van de
wederpartij, werd bezocht en met de behandelend arts van het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor (GAK). Verder heeft een ex-werkneemster van de
wederpartij schriftelijk enkele vragen van de Commissie beantwoord.
Verzoekster is van mening dat deze ex-collega bij de wederpartij is weggegaan
om reden van haar zwangerschap.

3.2 De arts die op 16 mei 1990 door verzoekster en een van de managers
van de wederpartij werd bezocht, heeft het volgende verklaard.

Hij werd op die dag gebeld door een van de managers van de wederpartij,
mevrouw , met de vraag of zij langs kon komen met een werknemer
(verzoekster) die overstuur was. De arts heeft daarin toegestemd en beiden
ontvangen.

Verzoekster was volgens de arts nerveus en overstuur. De reden hiervan
was hem niet bekend. Kennelijk hadden beiden een gesprek gevoerd waarbij nogal
wat emoties boven waren gekomen. Verzoekster is enige tijd bij de arts
gebleven en daarna op zijn verzoek door de wederpartij naar huis gebracht.

De arts heeft in een later stadium op verzoek van de wederpartij contact
opgenomen met de betrokken GAK-arts. De wederpartij had hem verzocht deze te
vragen of in de plaats van verzoekster een ander kon worden aangesteld.

3.3 De GAK-arts die in de periode mei 1990 – maart 1991 zowel met
verzoekster als met de wederpartij contact heeft gehad, verklaarde het
volgende.

Verzoekster heeft meteen verteld dat haar, voordat haar
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werd omgezet in een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd, een niet- zwangerschapsverklaring was voorgelegd.
Verzoekster had dit ook verklaard tegenover de (eerste) rapporteur, die
ziekmeldingen doorgeeft aan het GAK. Verzoekster kon de niet-
zwangerschapsverklaring niet overleggen. De GAK-arts kan zich niet goed
voorstellen dat iemand hierover zou liegen. Verzoekster heeft haar ook verteld
over de ex-collega die in verband met haar zwangerschap bij de wederpartij zou
zijn weggegaan.

Bij de diverse contacten die zij met verzoekster heeft gehad, heeft
laatstgenoemde steeds gezegd dat zij zich onder druk gezet voelde door de
wederpartij en bang was.

De wederpartij heeft eind mei 1990 voor de eerste maal contact gezocht
met het GAK. De vraag, die werd voorgelegd, was of de wederpartij een ander
mocht aanstellen in de plaats van verzoekster. Na dit contact zijn er nog
diverse andere contacten geweest. Wederpartij zou steeds hebben gevraagd wat
er aan de hand was en (eenmaal) ook of de verzekeringsgeneeskundige
verzoekster wilde verplichten haar dienstverband te beeindigen. Eind januari
1991 heeft de wederpartij volgens de GAK-arts contact gezocht met haar baas en
zij zou hem hebben gevraagd om ruimte te creeren voor een oplossing, zonder
verzoekster kwijt te willen. De GAK-arts vond dit, gezien hetgeen hieraan
vooraf was gegaan, vreemd.

Bovengenoemde GAK-arts verklaart hierover dat de wederpartij diverse
malen contact heeft gezocht met haar, haar collega’s en haar baas. De
hoeveelheid en de aard van deze contacten waren volgens haar niet
gebruikelijk. Zij had de indruk dat de wederpartij moeite had met de
zwangerschap van verzoekster. Wederpartij heeft dit echter nimmer tegen haar
gezegd.

3.4 De ex-werkneemster van de wederpartij, die volgens verzoekster om
reden van haar zwangerschap zou zijn weggegaan, heeft schriftelijk enkele
vragen van de Commissie beantwoord.

Daaruit blijkt dat zij per 1 april 1990 in dienst was getreden van de
wederpartij. Zij was een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan met
een proeftijd van twee maanden. Eind mei 1990 heeft zij de wederpartij op de
hoogte gesteld van het feit dat zij zwanger was. De wederpartij zou
onaangenaam verrast zijn geweest. Na afloop van de proeftijd is, op initiatief
van de wederpartij, het dienstverband niet voortgezet. Haar zwangerschap zou
hier een rol bij hebben gespeeld.

De wederpartij heeft haar niet gevraagd een verklaring te ondertekenen
waarin zij zou toezeggen af te zien van een zwangerschap tijdens het
dienstverband met de wederpartij.

De wederpartij heeft verklaard dat het dienstverband niet is voortgezet
omdat de ex-werkneemster in deeltijd wilde gaan werken en dit in haar ogen
niet mogelijk was.

3.5 Op 8 maart 1991 heeft de Kantonrechter te Rotterdam de
arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en de wederpartij met ingang van 1
april 1991 ontbonden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 In geding is de vraag of de wederpartij door de wijze waarop zij
handelde jegens verzoekster naar aanleiding van haar zwangerschap, onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 1637ij lid 1 BW verbiedt het maken van onderscheid tussen mannen
en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden en bij de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst. Onderscheid op grond van zwangerschap is gezien het
vijfde lid van dit artikel een vorm van direct onderscheid.

4.2 Het nader onderzoek was erop gericht vast te stellen welke van de
partijen een correcte weergave van de gebeurtenissen heeft gegeven. Met name
de volgende vragen waren voorwerp van onderzoek:

– heeft de wederpartij aan verzoekster in april 1990, voorafgaand aan de
verlenging van de arbeidsovereenkomst, ter ondertekening een
niet-zwangerschapsverklaring voorgelegd, en

– hoe zijn de contacten tussen verzoekster en wederpartij verlopen vanaf
het moment waarop verzoekster had verteld dat zij zwanger was.

4.3 De Commissie stelt vast dat zij uit de beschikbare gegevens niet
heeft kunnen afleiden dat de wederpartij aan verzoekster een
niet-zwangerschapsverklaring heeft voorgelegd. Zij heeft daarbij het volgende
in aanmerking genomen.

Verzoekster heeft vrijwel vanaf het begin van de procedure bij de
Commissie verklaard dat de wederpartij aan haar een niet-
zwangerschapsverklaring heeft voorgelegd. Ook de betrokken GAK-arts heeft zij
in een vroeg stadium hiervan op de hoogte gesteld. De wederpartij heeft het
door verzoekster gestelde steeds ontkend.

Verzoekster is er niet in geslaagd andere feiten en omstandigheden dan
de hierbovengenoemde aan te dragen om haar standpunt te ondersteunen. Tijdens
het door de Commissie ingestelde onderzoek zijn evenmin dergelijke feiten en
omstandigheden naar voren gekomen. Derhalve concludeert de Commissie dat niet
is komen vast te staan dat de wederpartij aan verzoekster een
niet-zwangerschapsverklaring ter ondertekening heeft voorgelegd.

4.4 De vraag of de wederpartij druk heeft uitgeoefend op verzoekster om
in verband met haar zwangerschap haar dienstverband te beeindigen, beantwoordt
de Commissie als volgt.

Het is niet ongebruikelijk dat een werkneemster haar werkgever in een
vroeg stadium op de hoogte stelt van haar zwangerschap. Ook is niet
ongebruikelijk dat daarna in overleg de vraag wordt besproken hoe de periode
van het zwangerschaps- en bevallingsverlof van de werkneemster kan worden
overbrugd.

De wederpartij heeft verzoekster naar aanleiding van haar zwangerschap
tevens de vraag gesteld of zij voornemens was te blijven werken na haar
zwangerschap. Zij heeft daarbij aangedrongen op een spoedig antwoord. Het komt
de Commissie als niet onaannemelijk voor dat verzoekster zich door deze
houding van de wederpartij gedwongen voelde om snel een beslissing te nemen
over de voortzetting van haar dienstverband. Wederpartij heeft niet getracht
dit gevoel bij verzoekster weg te nemen.

Het komt de Commissie voor dat de wederpartij op de zwangerschap van
verzoekster niet heeft gereageerd op een wijze als van haar mocht worden
verwacht. Daarmee is echter niet komen vast te staan dat de wederpartij
verzoekster op zodanige wijze onder druk heeft gezet haar dienstverband te
beeindigen, dat zij daarmee heeft gehandeld in strijd met de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Almere-Haven jegens
mevrouw geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter