Instantie: Rechtbank Breda, 5 juni 1991

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


De 51-jarige vrouw P.J.M.V. is van haar 12e tot haar 21ste jaar seksueel
misbruikt door haar zwager. Op haar 45ste jaar komt zij met haar verhaal naar
buiten. Het feit is inmiddels verjaard. Omdat zijn geen aangifte kon doen,
heeft zij op briefkaarten die zij aan de buren van haar zwager stuurde, haar
zwager van incest beschuldigd.

Het OM heeft de vrouw wegens smaad vervolgd. De rechtbank ontslaat de
vrouw van alle rechtsvervolging omdat in casu de gekozen actie een
gerechtvaardigd middel is geweest om de kwestie van de (korte)
verjaringstermijn in verband met de lange verwerkingstijd van incest aan de
orde te stellen. (Zie ook elders in dit nummer Gerdie Ketelaars,
Verjaringstermijn incest.)

Volledige tekst

1. Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in
het arrondissement Breda tegen:

V.,

heeft de vijfde kamer van de arrondissementsrechtbank te Breda het
volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter
terechtzitting.

Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het
verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsvrouwe.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1) zij in of omstreeks de periode 30 mei 1990 – 2 juni 1990 in de
gemeente(n) Breda en/of Roosendaal, althans in de gemeente Peize, opzettelijk
de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A., zulks door telastlegging
van een bepaald feit, te weten: “incest”, met het kennelijke doel daaraan
ruchtbaarheid te geven,

hebbende zij daar toen met voormeld oogmerk, opzettelijk -via de P.T.T.-
een (brief-)kaart aan het adres van de buren van die A. laten bezorgen, zulks
terwijl zij op die (brief-)kaart (onder meer) had geschreven: “aan incestdader
A.” en/of: jouw incestslachtoffer, de zus van je vrouw” en/of: “helse
driehoeksverhouding in de intimiteit van het gezin”;

zulks terwijl dit geschiedde door middel van een geschrift, te weten:
die (brief-)kaart, welke verspreid door middel van opzettelijke verzending
(door haar, verdachte, via de P.T.T.) aan het adres van de buren van die A.;

2) dat zij op verschillende of een tijdstip(-pen) in of omstreeks de
periode 7 – 10 september 1990, althans in of omstreeks de maand september
1990, in de gemeente(n) Breda en/of Roosendaal, althans in de gemeente Peize,
(telkens) opzettelijk de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A.,
zulks door telastlegging van (een) bepaald(e) feit(en), te weten: “incest”
en/of/respectievelijk: “seksuele kindermishandeling” met het kennelijke doel
daaraan ruchtbaarheid te geven, hebbende zij daar toen (telkens) met voormeld
oogmerk, (telkens) opzettelijk -via de P.T.T.- (een) (brief-)kaart(en) aan
de/het adres(sen) van de buren van die A. laten bezorgen, zulks terwijl zij op
die (brief-)kaart(en) (onder meer) had geschreven: “aan de dader van seksuele
kindermishandeling A.”en/of: “Incest is op poging tot moord na, de vorm met de
meest vernietigende consequenties! afzender: Jouw incestslachtoffer: Paula V.,
de zus van jouw vrouw” en/of/respectievelijk: “Tegoedbon voor de straf die jij
behoort te krijgen voor jouw destructieve wandaden, zonder remming of wroeging
gepleegd! Afzender: het meisje dat jij seksueel misbruikte. De zus van jouw
vrouw: P.V.”;

Subsidair, indien het vorenstaande onder 2. niet tot een veroordeling
mocht leiden:

dat zij op verschillende of een tijdstip(-pen) in of omstreeks de
periode 7 – 10 september 1990, althans in of omstreeks de maand september
1990, in de gemeente(n) Breda of Roosendaal, althans in de gemeente Peize,
(telkens) opzettelijk de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A.,
zulks door telastlegging van (een) bepaald(e) feit(en), te weten: “incest”
en/of/respectievelijk: “seksuele kindermishandeling”, met het kennelijk doel
daaraan ruchtbaarheid te geven, hebbende zij daar toen (telkens) met voormeld
oogmerk, (telkens) opzettelijk -via de P.T.T.- (een) (brief-)kaart(en) aan
de/het adres(sen) van de buren van die A. laten bezorgen, zulks terwijl zij op
die (brief-) kaart(en) (onder meer) had geschreven: “aan de dader van seksuele
kindermishandeling A.”en/of; “Incest is op poging tot moord na, de vorm met de
meest vernietigende consequenties! afzender; Jouw incestslachtoffer: P.V., de
zus van jouw vrouw” en/of/respectievelijk: “Tegoedbon voor de straf die jij
behoort te krijgen voor jouw destructieve wandaden, zonder remming of wroeging
gepleegd! Afzender: het meisje dat jij seksueel misbruikte. De zus van jouw
vrouw: P.V.”,

zulks terwijl dit (telkens) geschiedde door middel van (een)
geschrift(en), te weten: die (brief-)kaart(en), welke werd(en) verspreid door
middel van opzettelijke verzending (door haar, verdachte, via de P.T.T.)
aan/de adres(sen) van de buren van die A.:

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan
alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten
laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken,
die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij
kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing
der vervolging gebleken.

7. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de
rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1) in de periode 30 mei 1990 – 2 juni 1990 in de gemeente Peize,
opzettelijk de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A., zulks door
telastlegging van een bepaald feit, te weten: “incest”, met het kennelijke
doel daaraan ruchtbaarheid te geven,

hebbende zij daar toen met voormeld oogmerk, opzettelijk -via de P.T.T.-
een (brief-)kaart aan het adres van de buren van die A. laten bezorgen, zulks
terwijl zij op die (brief-)kaart had geschreven: “aan incestdader A.” en: jouw
incestslachtoffer, de zus van je vrouw”.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd
dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet
bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde
heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in
de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit,
waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1. De bewijsmiddelen.

9. De benoeming van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende
misdrijf op:

1) primair en 2) primair telkens: Smaad.

10. De strafbaarheid van de feiten

Het opzettelijk versturen van de kaarten door verdachte had ten doel
ruchtbaarheid te geven aan het feit dat A. vroeger incest met haar had
gepleegd.

Op grond van de verklaring van verdachte bij de rechter- commissaris, de
deskundigenverklaringen en de verklaring van de ex-echtgenoot van verdachte,
acht de rechtbank aangetoond dat verdachte te goeder trouw kon aannemen dat
het ten laste gelegde waar was.

Verdachte heeft verklaard met haar handelen een aantal belangen voor
ogen te hebben gehad: haar persoonlijk belang bij erkenning van het gepleegde
onrecht door de dader en haar familie en het algemeen belang, bestaande in het
vragen van aandacht voor vrouwen in vergelijkbare situaties, het overwinnen
van de drempel tot het doen van aangifte en het verlengen van de
verjaringstermijn van 12 jaar, die voor dit soort feiten te kort zou zijn.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de gepleegde smaad voorop, dat
het enkele feit dat iemand slachtoffer is van een ernstig misdrijf, waarvan de
strafvordering is verjaard, nog niet rechtvaardigt om opzettelijk de eer en de
goede naam van de dader aan te randen door ruchtbaarheid te geven aan het
strafbare feit. In het onderhavige geval oordeelt de rechtbank echter dat de
gekozen actie een gerechtvaardigd middel is geweest om een ernstig en algemeen
probleem – de lange verwerkingstijd van incest voor slachtoffers en de uit dat
oogpunt korte verjaringstermijn voor dergelijke delicten – onder de
maatschappelijke aandacht te brengen.

Jarenlang heeft verdachte gehoopt op erkenning door de dader en door
haar familie. Zij vond bij hen geen gehoor. In de laatste jaren, toen er meer
inzicht en bekendheid ontstond over incest heeft zij pas aangifte van het feit
kunnen doen, maar het bleek toen al verjaard te zijn. Pogingen om over deze
problematiek de publiciteit te zoeken, mislukten.

Onder die omstandigheden heeft zij haar toevlucht gezocht tot het
versturen van de kaarten aan de buren van A., opdat zij, zoals zij ter
terechtzitting heeft verklaard, de dader kon teruggeven aan de maatschappij.
Daarbij was zij zich ervan bewust dat een strafproces het gevolg kon zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat verdachte te
goeder trouw kon aannemen, dat het algemeen belang de telastelegging eiste.

Tevens acht de rechtbank de gekozen middelen in verhouding tot het door
haar ervaren leed en onrecht en tot het door haar nagestreefde doel, redelijk
en proportioneel.

De rechtbank acht overeenkomstig art. 261 lid 3 van het Wetboek van
Strafrecht de gepleegde smaad niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van
rechtsvervolging.

11. De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder
7. is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte 1. primair en 2.
primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard
en spreekt haar daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde geen strafbare feiten
oplevert.

Zij ontslaat verdachte van rechtsvervolging.

Rechters

Mrs van Beek, Van der Poel, Streefkerk

Instantie: Raad van State afdeling bestuursrechtspraak, 1 juni 1991

Instantie

Raad van State afdeling bestuursrechtspraak

Samenvatting


Daar er geen sprake is van een verband tussen de bewuste activiteiten en
de btrokken verkerachting, is er geen sprake van objectieve vrees voor
vervolging. De vrouw heeft volgens de Staatssecretaris te geringe
politieke activiteiten ontplooid om als tegenstander van het regime te
boek te staan. Tijdens een verhoor is zij door drie mannen verkracht. Aan
de uit de verkrachting voortvloeiende psychische problemen kan geen
overwegende betekenis worden toegekend bij de beantwoording van de vraag
of er sprake is van vluchtelingenschap.

Volledige tekst

Op 10 december 1986 heeft appellante bij het hoofd van plaatselijke
politie te Alkmaar verzoeken ingediend om toelating als vluchteling en
verlening van een vergunning tot verblijf. Op deze verzoeken is niet
binnen de in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet genoemde
termijn van zes maanden een beschikking genomen, zodat deze verzoeken
ingevolge dat artikellid geacht moeten worden te zijn afgewezen. Bij
schrijven van 2 juli 1987 heeft appellante bij verweerder een verzoek om
herziening ingediend. Op dit verzoek is niet binnen de in artikel 34,
tweede lid, van de Vreemdelingenwet genoemde termijn van drie maanden een
beslissing genomen, zodat dit verzoek ingevolge dat artikellid geacht moet
worden te zijn afgewezen. Tegen deze fictieve beslissing heeft appellante
bij schrijven van 29 oktober 1987 ingekomen bij de Raad van State op 30
oktober 1987 beroep op grond van de Vreemdelingenwet ingesteld bij de
Afdeling rechtspraak van de Raad van State. Appellante heeft haar beroep
bij schrijven van 10 december 1987 gemotiveerd. Dit schrijven is aan deze
uitspraak gehecht. Desgevraagd heeft verweerder op 27 maart 1990 een
verweerschrift ingediend. Door appellante is op 28 november 1990 een
nadere memorie ingezonden. Het geschil is op 28 maart 1991 behandeld in
een openbare vergadering van de Afdeling waarin appellante en verweerder
bij monde van hun vertegenwoordigers hun standpunten nader hebben
uiteengezet. Tevens is ter zitting gehoord de Minister van Buitenlandse
Zaken, vertegenwoordigd door mevrouw mr. W.E.M. van Bladel, ambtenaar ten
departemente. Het beroep voor zover betrekking hebbend op de vergunning
tot verblijf is door appellant ingetrokken.

In rechte: Krachtens artikel 1(A), onder 2, van het Verdrag betreffende
de status van vluchtelingen van Geneve van 28 juli 1951, zoals gewijzigd
bij Protocol van New York van 31 januari 1967, hierna te noemen: het
Verdrag, geldt, voor zover hier van belang, voor de toepassing van het
Verdrag als “vluchteling” elke persoon die uit gegronde vrees voor
vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een
bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten
het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat
land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Vreemdelingenwet kunnen
vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden
hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke
overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een
bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden
toegelaten. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de toelating
niet kan worden geweigerd dan om gewichtige redenen aan het algemeen
belang ontleend, indien de vreemdeling door de weigering genoopt zou
worden zich onmiddellijk te begeven naar een land als bedoeld in het
eerste lid. Appellante heeft gesteld dat zij in Chili gegronde reden heeft
te vrezen voor vervolging. Ter ondersteuning hiervan heeft zij aangevoerd
hetgeen is vermeld in het beroepschrift. Blijkens het verweerschrift en
de daarop ter zitting gegeven toelichting staat verweerder op het
standpunt dat appellante geen vluchteling is en mitsdien niet als zodanig
in Nederland kan worden toegelaten. De minister van Buitenlandse Zaken
heeft zich ter zitting bij het standpunt van verweerder aangesloten. De
afdeling overweegt dat in dit geval in de politieke situatie in Chili ten
tijde van de bestreden beslissing geen grond was gelegen om aan te nemen
dat van appellante niet in redelijkheid terugkeer naar dat land kon worden
verlangd en dat appellante er ook overigens niet in is geslaagd
aannemelijk te maken dat zij op dat moment gegronde reden had om te vrezen
voor vervolging. De Afdeling heeft hierbij het volgende in aanmerking
genomen.

De activiteiten die appellante voor de Paritodo Democratico Christiano
(PDC) zegt te hebben ontplooid – het bijwonen van geheime bijeenkomsten
van de partij, het inzamelen van geld, het uitdelen van pamfletten en het
deelnemen aan manifestaties – zijn niet van dien aard geweest dat zij
daardoor als politiek tegenstandster van het n Chili heersende regime te
boek is komen te staan. Dat appellante in september 1983 te zamen met
medestudenten is gearresteerd, overgebracht naar het politiebureau en
enkele uren is vastgehouden omdat zij met deze medestudenten heeft
geschreeuwd naar een bestelbusje met politieagenten biedt onvoldoende
aanknopingspunten om anders te oordelen. Immers, niet aannemelijk is dat
deze arrestatie verband heeft gehouden met activiteiten als hiervoor
bedoeld.

Appellante heeft voorts gesteld dat zij op 4 november 1985, nadat
zich op het plein waar zij als straatverkoopster werkzaam was, een
bomexplosie had voorgedaan, door een man die zich voordeed als een
medewerker van de Chileense geheime politie thuis is opgehaald, in een
auto waarin zich nog twee mannen bevonden is geplaatst, meegenomen,
verhoord en tijdens dat verhoor – over de toedracht van de explosie – door
de drie mannen is verkracht. Nadat in 1986 een aanslag op generaal
Pinochet was gepleegd, raakte zij in paniek en heeft zij zich op 8
september 1986 bij het “Vicaria de la Solidaridad” gemeld waarna zij Chili
heeft verlaten op 27 november 1986. Deze paniek werd volgens appellante
mede veroorzaakt door een voortdurende herbeleving van de hiervoor
bedoelde ontvoering en verkrachting. Ter ondersteuning van haar stelling
dat zij ernstige lichamelijke en psychische gevolgen heeft overgehouden
aan de seksuele mishandeling, heeft appellante een geneeskundige verklaring
overgelegd, gedateerd 30 oktober 1990, van A. Botzen-Gramsma, arts van de
Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International. Mede gelet hierop
heeft verweerder, aldus appellante, ten onrechte slechts grond gezien haar
– na de bestreden beslissing – om humanitaire redenen een vegunning tot
verblijf te verlenen. Zoals de afdeling hiervoor heeft overwogen kunnen
de activiteiten van appellante op zichzelf bezien niet worden aangemerkt
als zijnde van dien aard dat in dit geval sprake is van gegronde vrees
voor vervolging. Voorts is niet aannemelijk geworden dat er een verband
bestaat tussen bedoelde activiteiten enerzijds en de gestelde verkrachting
anderzijds. In verband hiermee kan aan deze gebeurtenissen bij
beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van vluchtlingschap
geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. In dit verband wijst de
Afdeling er nog op dat het woord “gegrond” uit de definitie van
vluchtlingschap erop duidt dat de psychische beleving door de betrokkene
moet worden bezien in het licht van objectieve feiten en omstandigheden.

Van een zelfde zienswijze wordt uitgegaan in het in 1979 gepubliceerde
“UNHCR-Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee
Status”. Daarin is onder punt 38 vermeld: “To the element of fear – a
state of mind and a subjective condition – is added the qualification
“well- founded”. This implies that it is not only the frame of mind of the
person concerned that determines his refugee status, but that this frame
of mind must be supported by an objective situation”. Nu, zoals hiervoor
is overwogen geen srake is van een verband tussen de bewuste activiteiten
en de betrokken verkrachting is van een objectieve vrees voor vervolging
geen sprake en kan aan de uit deze verkrachting voortvloeiende psychische
problemen van appellante geen doorslaggevende betekenis worden toegekend
bij de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van
vluchtelingschap. Uit het vorenstaande volgt dat appellante niet als
vluchteling kon worden toegelaten. Aangezien niet is gebleken dat de
bestreden beslissing in aanmerking komt om te worden vernietigd op een der
gronden, genoemd in artikel 8, eerste lid, van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen, dient het beroep te worden verworpen.

Uitspraak: De Raad van State, Afdeling rechtspraak; Gezien de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen, de Vreemdelingenwet
en de Wet op de Raad van State; Rechtdoende in de naam der Koningin:
verwerpt het beroep.

Rechters

mrs L.A. Barendsen-Cleveringa, L. Dorhout, J.J. van der Weel, H.H.C.Visser

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 mei 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Gemeente hanteert een voorkeursbeleid voor onder andere vrouwen.
Verzoekster heeft gesolliciteerd bij de Gemeente, maar is afgewezen omdat zij
geen recente ervaring op het desbetreffende werkterrein had. De Commissie is
van oordeel dat deze eis binnen de grens blijft van de functie-eis genoemd in
de advertentie, zodat niet gesproken kan worden van een aanscherping van de
funtie-eis. Voorts is gebleken dat de Gemeente uitdrukkelijk gezocht heeft
naar kandidaten die naast het voldoen aan de functie-eisen in deeltijd willen
werken. Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 augustus 1990 verzocht mevrouw te Streefkerk (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de (hierna: de
Gemeente) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster heeft naar aanleiding van een personeelsadvertentie van
de Gemeente gesolliciteerd naar de functie van sociaal raadsman/vrouw. In de
advertentie stond vermeld dat bij gelijke geschiktheid van kandidaten aan
(onder andere) vrouwen de voorkeur wordt gegeven. Verzoekster is niet
uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Een mannelijke kandidaat is
benoemd.

Verzoekster is van mening dat de Gemeente hiermee jegens haar
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 april 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mevrouw (verzoekster)

van de kant van de Gemeente

– de heer (hoofd sector welzijn)

– de heer (hoofd personeelszaken)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– de heer mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– mevrouw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

– de heer mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mevrouw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Bij de Gemeente was in juni 1990 een vacature ontstaan omdat de
Gemeente een nieuwe afdeling (sociaal raadslieden) wilde vormen binnen de
sector welzijn.

De Gemeente heeft ter vervulling van deze nieuwe functie een
personeelsadvertentie geplaatst.

De functie-eisen die in de advertentie gesteld worden zijn:

– een voltooide HBO- of wetenschappelijke opleiding op sociaal of
juridisch terrein;

– een contactuele en dienstverlenende instelling;

– twee jaren ervaring op het terrein van het sociaal raads liedenwerk.

In de personeelsadvertentie staat verder: “De gemeente voert een aktief
beleid om de deelname van vrouwen, etnische en culturele minderheden en
gehandicapten in de gemeentelijke organisatie te bevorderen. Bij gelijke
geschiktheid wordt de voorkeur gegeven aan een kandidaat uit deze groepen”.
Voorts staat in de personeelsadvertentie vermeld: “De funktie kan vervuld
worden als fulltime baan of als duo-baan (2 x 22 uur). Belangstellenden voor
het sociaal raadsliedenwerk, die part-time willen werken, worden nadrukkelijk
uitgenodigd te solliciteren”.

3.2. De Gemeente voert een voorkeursbeleid voor vrouwen, etnische en
culturele minderheden en gehandicapten, dat in grote lijnen is vastgelegd in
het Emancipatie-aktieplan 1986 en uitgewerkt in de Nota “Bij gelijkwaardige
kandidaten…”. Het doel van het voorkeursbeleid is om te komen tot een
redelijke getalsverhouding tussen mannen en vrouwen in alle functies. Het
bevorderen van deeltijdarbeid is een van de middelen van de Gemeente om meer
vrouwen in hogere functies te krijgen. In de eerdergenoemde nota staat een
aantal “aktiepunten” vermeld dat bedoeld is om het begrip “bij gelijke
geschiktheid” te concretiseren. Een van de aktiepunten is dat tenminste twee
vrouwen opgeroepen moeten worden voor een gesprek, indien zij tenminste
voldoen aan de gestelde eisen.

3.3. Verzoekster heeft naar aanleiding van de personeelsadvertentie van
de Gemeente op 21 juni 1990 gesolliciteerd naar de functie van sociaal
raadsman/vrouw. Zij gaf daarbij aan dat zij de desbetreffende functie in
deeltijd wilde verrichten.

Verzoekster heeft de opleiding HBO-maatschappelijk werk en de
Voortgezette Opleiding gevolgd. Zij heeft verder gedurende 7 jaren (1974-1981)
als sociaal raadsvrouw in een psychotherapeutisch centrum gewerkt. Ook heeft
verzoekster enige tijd les gegeven aan een MBO-opleiding maatschappelijk werk
in het vak Encyclopedie Sociale arbeid, wat inhoudt: kennis van de sociale
kaart.

Momenteel is zij leidinggevend maatschappelijk werkster bij een
stichting die ten doel heeft hulpverlening te verschaffen aan
oorlogsgetroffenen.

3.4. Een selectiecommissie behandelde de sollicitaties. De
selectiecommissie bestond uit: het hoofd van de sector welzijn; een
vertegenwoordiger van de afdeling personeel en organisatie; het hoofd van de
sector stadsontwikkeling en een vertegenwoordiger van een externe organisatie.
Voordat deze commissie een selectie uit de beschikbare kandidaten maakte,
heeft zij gediscussieerd over de voor- en nadelen van het aanstellen van twee
deeltijdkrachten. Het hoofd van de sector welzijn achtte het een voordeel dat
er een grotere flexibiliteit is bij afwezigheid van een van beide raadslieden.
De vertegenwoordiger van de externe organisatie adviseerde daartegen. Een
nadeel zou zijn dat zijns inziens veel werk dubbel moet gebeuren. Uiteindelijk
is er geen duidelijke voorkeur voor een voltijd- of een deeltijdkracht
uitgesproken. De selectiecommissie wilde enkel de beste kwaliteit in huis
halen.

3.5. De selectieprocedure is als volgt verlopen.

Op de advertentie hebben 114 personen (43 vrouwen en 71 mannen),
waaronder verzoekster, gereageerd. Hieronder bevonden zich 85 voltijdwerkers
en 29 deeltijdwerkers.

Omdat er zeer veel kandidaten waren die voldeden aan de gestelde
functie-eisen, heeft de selectiecommissie uitdrukkelijk gekeken naar
kandidaten die recente ervaring op het gebied van het sociaal raadsliedenwerk
hadden. Recente ervaring vond men in dit werk noodzakelijk omdat er
voortdurend ontwikkelingen gaande zijn. Er waren 12 kandidaten (tien mannen en
twee vrouwen) met recente ervaring als sociaal raadsman/vrouw, waaronder 1
deeltijdwerkster.

Verzoekster behoorde niet tot deze groep omdat haar ervaring op dit
gebied niet recent is (1974-1981).

De selectiecommissie heeft zes kandidaten (vier mannen en twee vrouwen)
opgeroepen voor een gesprek. Omdat er onder de eerdergenoemde 12 kandidaten
maar een vrouwelijke kandidaat was die in deeltijd wilde werken, heeft de

ectiecommissie ook een van de overige kandidaten (een vrouw), die eveneens
in deeltijd wilde werken, voor een gesprek uitgenodigd. Deze vrouw had een
ruime recente ervaring bij een bureau voor rechtshulp.

De vier mannelijke kandidaten wilden een volledige baan.

Van de zes opgeroepen kandidaten werden er vier, (waaronder een vrouw)
in principe geschikt geacht voor de openstaande functie. De selectiecommissie
vond twee (mannelijke) kandidaten echter het meest geschikt, omdat zij
ervaring hadden in het opzetten van een bureau sociaal raadslieden. De
selectiecommissie heeft echter, vanwege haar voorkeursbeleid voor vrouwen,
nogmaals het totale aanbod van sollicitanten die een deeltijdfunctie
ambieerden bekeken. Zij kwam tot de conclusie dat zich hieronder geen
geschikte kandidaten bevonden. De enige in principe geschikt geachte
vrouwelijke kandidaat is vervolgens afgewezen.

3.6. Verzoekster heeft op 18 juli 1990 een schriftelijke afwijzing
gekregen. Hierin schrijft de Gemeente dat zij vanwege het grote aantal
belangstellenden dat bijna geheel aan de opleidings- en ervaringseis voldeed,
de gelegenheid had de selectie-criteria wat aan te scherpen.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt dat zij voldoende gekwalificeerd is voor de
bewuste functie aangezien zij aan alle functie-eisen voldoet. Verzoekster is
van mening dat zij door de Gemeente in haar belang geschaad is omdat deze in
de personeelsadvertentie deed voorkomen dat zij een voorkeursbehandeling aan
(deeltijdwerkende) vrouwen zou geven. De Gemeente heeft echter, volgens
verzoekster, in de selectieprocedure de nadruk gelegd op het criterium
‘ervaring’. Verzoekster stelt dat dit criterium in zijn algemeenheid nadelig
is voor vrouwen, omdat mannen een surplus aan ervaring hebben.

Verzoekster kan zich voorts niet aan de indruk onttrekken dat het feit
dat zij in deeltijd wilde werken, uiteindelijk in haar nadeel heeft gewerkt.
Indien de Gemeente in de advertentie geen melding had gemaakt van haar
voorkeursbeleid en deeltijdwerkers niet uitdrukkelijk had uitgenodigd zou zij
wellicht een andere sollicitatiebrief geschreven hebben. Zij zou daarin onder
andere open hebben kunnen laten of zij de functie voltijds dan wel in deeltijd
wilde verrichten.

Verzoekster is op grond van bovenstaande van mening dat de Gemeente haar
voorkeursbeleid niet heeft toegepast.

3.8. De Gemeente stelt het volgende. Wanneer het beleid van de Gemeente
zou zijn om bij voldoende geschiktheid de voorkeur aan een vrouw te geven, zou
de ervaring van een kandidaat minder zwaar hoeven wegen. Het voorkeursbeleid
voor (onder andere) vrouwen wordt echter toegepast bij gelijke geschiktheid.
Bij de beoordeling van de geschiktheid van een kandidaat wordt ook de
werkervaring betrokken. De Gemeente is daarom van mening dat verzoekster het
voorkeursbeleid van de Gemeente verkeerd interpreteert voor zover zij stelt
dat de ervaring van een kandidaat niet van doorslaggevend belang had moeten
zijn. Aangezien verzoekster niet voldeed aan de eis van recente ervaring, is
de selectiecommissie in het geval van verzoekster niet aan de vraag toegekomen
of er sprake was van gelijke geschiktheid.

De Gemeente ontkent voorts dat zij de functie-eisen aangescherpt zou
hebben. Binnen de gestelde functie-eisen zou slechts het accent verlegd zijn
naar ‘recente ervaring als sociaal raadsman/vrouw’. De bewuste passage in de
afwijzingsbrief aan verzoekster is op dat punt ietwat ongelukkig geformuleerd.
Daarin is ten onrechte de indruk gewekt dat de Gemeente zich niet aan de door
haar gestelde uitgangspunten heeft gehouden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de Gemeente jegens verzoekster in strijd
heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling door haar, gelet op de
toepassing van de functie-eisen, het toepasselijke voorkeursbeleid en de
uitdrukkelijke uitnodiging aan kandidaten die in deeltijd willen werken, niet
op te roepen voor een sollicitatiegesprek.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het bevoegd gezag onderscheid te maken
bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.

Van dit verbod mag worden afgeweken indien de wet dit toestaat. Indien
er sprake is van een openlijke aanbieding van de betrekking moet de wettelijke
uitzonderingsgrond uitdrukkelijk worden vermeld (artikel 3 lid 2). Een van de
wettelijke uitzonderingen op het verbod is het toepassen van een
voorkeursbehandeling voor vrouwen teneinde feitelijk ongelijkheden op te
heffen.

4.3. De Gemeente voert een positief actiebeleid, in grote lijnen
vastgelegd in het Emancipatie-aktieplan 1986 en uitgewerkt in de Nota “Bij
gelijkwaardige kandidaten…”. De Nota voorziet in een aantal concrete
maatregelen inzake het voorkeursbeleid. Zo wordt onder meer bepaald dat
minstens 2 vrouwelijke kandidaten zullen worden opgeroepen voor een nader
gesprek, en dat bij gelijke geschiktheid vrouwen de voorkeur krijgen.

Daarnaast zijn maatregelen opgenomen ter bevordering van het werken in
deeltijd.

Reeds in een eerdere uitspraak heeft de Commissie een aantal voorwaarden
geformuleerd waaraan een voorkeursbeleid moet voldoen om in overeenstemming te
zijn met artikel 5 lid 1 van de Wet.

De Commissie stelt vast dat het onderhavige voorkeursbeleid aan deze
voorwaarden voldoet.

4.4. Wat betreft de voorliggende vraag merkt de Commissie allereerst op
dat het, zoals zij al eerder uitsprak, niet tot haar taak behoort om in
concrete gevallen aan te geven welke kandidaat geschikter is, dan wel of
bepaalde kandidaten gelijk geschikt zijn. Zij is, gelet op de wet, slechts
bevoegd om na te gaan of bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid
onderscheid is gemaakt naar geslacht.

4.5. Ten aanzien van het standpunt van verzoekster dat de Gemeente
tijdens de selectie-procedure de functie-eisen op het punt van ervaring
zodanig heeft aangescherpt dat vrouwen bij voorbaat minder kans maken dan
mannen, merkt de Commissie het volgende op.

In het onderzoek is gebleken dat de selectie-commissie niet meer, dat
wil zeggen langere ervaring dan de twee jaren die de advertentie noemde, als
criterium hanteerde, maar recente ervaring. Vast staat dat verzoekster bij de
eerste selectie is afgewezen omdat haar ervaring op het terrein van het
sociaal raadsliedenwerk niet recent is.

De Commissie is van mening dat de eis van recente ervaring op zich
binnen de grens blijft van de functie-eis van twee jaren ervaring die in de
advertentie was genoemd, en niet kan worden aangemerkt als een verscherping
van de functie-eisen.

De Commissie kan derhalve niet concluderen dat de Gemeente in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

Dat neemt overigens niet weg dat het van zorgvuldigheid zou hebben
getuigd indien de Gemeente het aspect van recente ervaring reeds in de
advertentie had genoemd.

4.6. Ten aanzien van de vraag of het feit dat verzoekster zich slechts
voor deeltijdwerk beschikbaar heeft gesteld in haar nadeel heeft gewerkt,
merkt de Commissie het volgende op.

Los van de vraag of, ingeval verzoeksters stelling juist is, op die
grond tot strijd met de wetgeving gelijke behandeling geconcludeerd kan
worden, is de Commissie niet gebleken dat de Gemeente het aspect deeltijdwerk
onzorgvuldig heeft toegepast. Zij heeft uitdrukkelijk binnen het totaal van
kandidaten gezocht naar personen die naast het voldoen aan de functie-eisen in
deeltijd wilden werken.

4.7. Tenslotte voegt de Commissie het volgende toe. Binnen de eerste
geselecteerde groep van geschikt geachte kandidaten bevonden zich twee
vrouwen. Daarmee heeft de Gemeente voldaan aan althans de minimum-eis in de
Nota “Bij gelijkwaardige kandidaten…”.

Aangezien de twee uiteindelijk geselecteerde kandidaten beiden mannen
waren, is de voorkeursregel voor vrouwen niet van toepassing. De vraag of de
Gemeente op dit punt in strijd handelde met haar eigen voorkeursbeleid behoeft
dus niet meer te worden behandeld.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat de Gemeente bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw te
Streefkerk in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, Kamervoorzitter; drs C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 mei 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Wellicht heeft door een gesprek met een functionaris van de wederpartij
bij verzoekster de indruk kunnen ontstaan dat zij is afgewezen op grond van
haar geslacht. Niet aannemelijk is geworden dat het geslacht van verzoekster
bij de selectie van kandidaten inderdaad ten nadele van haar een rol heeft
gespeeld. Verzoekster heeft geen andere feiten of omstandigheden aangedragen
die een vermoeden van onderscheid rechtvaardigen. Evenmin heeft de Commissie
zelf hiervoor aanknopingspunten gevonden. De Commissie wijst voorts op het
belang van inzichtelijke, controleerbare en systematische selectieprocedures,
waardoor onderscheid naar geslacht voorkomen kan worden. Wederpartij is te
haastig en onvoldoende zorgvuldig te werk gegaan in de selectieprocedure.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 augustus 1990 verzocht mevrouw te Voorburg (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989,
168).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van “beleidsmedewerker bureau coordinatie internationale betrekkingen”.
Verzoekster is uitgenodigd voor een gesprek en is vervolgens afgewezen voor de
desbetreffende functie. Een mannelijke kandidaat is benoemd. Verzoekster is
van mening dat de wederpartij hierbij in strijd heeft gehandeld met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 april 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mevrouw drs (verzoekster)

– mevrouw (toehoorster)

van de kant van de wederpartij

– de heer drs (hoofd bureau coordinatie internationale betrekkingen)

– de heer ing. (plv. hoofd bureau coOrdina tie internationale
betrekkingen)

– de heer (hoofd afdeling personeel centrale diensten)

– de heer (toehoorder)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– de heer mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– mevrouw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

– de heer mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mevrouw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op het bureau “coordinatie internationale betrekkingen” van de
wederpartij ontstond in juni 1990 een vacature voor de functie van
beleidsmedewerker. Ter vervulling van deze vacature heeft de wederpartij een
personeelsadvertentie geplaatst. In de personeelsadvertentie stond, voor zover
hier van belang, het volgende vermeld: “[…] wil een bijdrage leveren aan het
wegwerken van de achterstand op de arbeidsmarkt van vrouwen, leden van
etnische minderheden en gehandicapten. Zij worden met nadruk uitgenodigd te
solliciteren”.

Bij de centrale diensten van de wederpartij, waar het onderhavige bureau
onder valt, is ruim 30% van de functies door vrouwen bezet. In de functies tot
en met schaal 9 zijn vrouwen redelijk vertegenwoordigd. De wederpartij streeft
er naar binnen een tijdsbestek van 5 jaar 40% van alle functies door vrouwen
te laten bezetten. Om de instroom van vrouwen te bevorderen worden de volgende
maatregelen genomen:

– vrouwelijke sollicitanten worden, mits aan de gestelde functie-eisen
wordt voldaan, bij voorrang uitgenodigd voor een gesprek;

– bij gelijke geschiktheid wordt aan de vrouwelijke sollicitant de
voorkeur gegeven.

Dit voorkeursbeleid is in een beleidsplan neergelegd.

De functie in kwestie valt in schaal 11. De personeelsbezetting van het
bureau was ten tijde van de vacature als volgt: er waren twee mannen werkzaam
met een functie in schaal 14 respectievelijk schaal 12. Daarnaast werkten er
twee vrouwen (schaal 5 en 6).

3.2. Verzoekster heeft naar aanleiding van de personeelsadvertentie
telefonisch contact opgenomen met het hoofd van het bureau. Deze heeft haar
geadviseerd te solliciteren, wat verzoekster ook gedaan heeft.

Op de advertentie hebben in totaal 215 sollicitanten (71 vrouwen en 144
mannen) gereageerd.

3.3. De selectiecommissie die de sollicitaties behandelde bestond uit
het hoofd van het bureau, het plaatsvervangend hoofd en het hoofd van de
afdeling personeel centrale diensten. De selectiecommissie hanteerde, kort
samengevat, de volgende selectie-criteria:

a. academische opleiding (economie of politicologie);

b. enige jaren ervaring in een beleidsondersteunende functie;

c. ervaring op het gebied van de internationale betrekkingen dan wel
minimaal aantoonbare affiniteit;

d. uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands en in de moderne talen;

e. zelfstandig en in teamverband kunnen werken;

f. initiatiefnemend kunnen werken;

g. bepaalde gespecificeerde persoonskenmerken.

De selectie-criteria a tot en met d stonden ook in de
personeelsadvertentie vermeld.

3.4. De selectiecommissie heeft acht kandidaten, waaronder verzoekster,
uitgenodigd voor een gesprek. Aan alle kandidaten is gezegd dat er mogelijk
een tweede gespreksronde gehouden zou worden op 18 en 19 juli 1990.
Verzoekster was de enige vrouwelijke kandidaat. Het gesprek met verzoekster
werd gehouden op 17 juli 1990.

Na ieder gesprek heeft de selectiecommissie nagegaan of en in welke mate
de bewuste kandidaat aan de gestelde criteria voldeed.

De selectiecommissie achtte drie van de acht kandidaten, waaronder
verzoekster, in principe geschikt voor de desbetreffende functie. De
selectiecommissie was echter unaniem van mening dat een van de drie kandidaten
(een man, verder genoemd ‘A’) met kop en schouders boven de twee andere
kandidaten uitstak. Deze kandidaat kwam met name beter naar voren omdat hij
een zelfverzekerder indruk maakte en voorts meer internationale ervaring had.
Op grond van dit kwalitatieve verschil is alleen kandidaat A voor een tweede
gesprek opgeroepen. Na dit tweede gesprek was de selectiecommissie bevestigd
in haar positieve indruk van kandidaat A en heeft hem benoemd in de functie.

3.5. Omdat verzoekster inmiddels niet van de wederpartij had vernomen of
zij tot een tweede gespreksronde werd toegelaten, heeft zij zelf op 19 juli
1990 telefonisch contact opgenomen met het plaatsvervangend hoofd.

Deze vertelde haar dat een andere kandidaat gekozen was hoewel zij een
uitstekende kandidaat was. Hij heeft verzoekster vervolgens uitgenodigd voor
een gesprek om haar afwijzing nader toe te lichten. Dit gesprek is op 25 juli
gevoerd.

In dat gesprek heeft het plaatsvervangend hoofd aan verzoekster
uitgelegd waarom aan kandidaat A de voorkeur is gegeven. Zij hebben voorts nog
gesproken over de betekenis van het voorkeursbeleid van de wederpartij.

Partijen verschillen van mening over de vraag wat het plaatsvervangend
hoofd in genoemd gesprek verder nog gezegd heeft. Volgens verzoekster heeft
het plaatsvervangend hoofd haar meegedeeld dat het hoofd van het bureau geen
vrouwelijke beleidsmedewerkers zou willen benoemen. In het verleden waren
namelijk bij de voorganger van het huidige bureau problemen ontstaan tussen de
mannelijke en de vrouwelijke beleidsmedewerkers.

Het plaatsvervangend hoofd heeft tijdens de zitting van de Commissie
ontkend dat hij iets dergelijks gezegd heeft.

Hij zou wel gezegd kunnen hebben dat het feit dat de wederpartij een
voorkeursbeleid voert niet betekent dat zij daardoor gedwongen was een vrouw
aan te nemen.

3.6. Verzoekster heeft op 27 juli 1990 een schriftelijke afwijzing
gekregen. In de brief staat vermeld dat de combinatie van ervaring en
belangstelling van een andere kandidaat nauwkeuriger aansluit aan de voor de
functie gestelde eisen.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster is van mening dat de wederpartij op tweeerlei wijze in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft
gehandeld.

Ten eerste stelt zij dat zij geen gelijke kans heeft gehad om haar
geschiktheid voor de functie aan te tonen nu de wederpartij alleen met
kandidaat A een tweede gesprek heeft gevoerd. Verzoekster meent dat de
wederpartij haar op grond van het voorkeursbeleid voor een tweede gesprek had
moeten uitnodigen. De wederpartij heeft daarom in strijd met haar eigen
voorkeursbeleid gehandeld.

Ten tweede stelt verzoekster, zoals reeds eerder vermeld, dat zij is
afgewezen omdat het hoofd van het bureau geen vrouwelijke beleidsmedewerker

de aannemen.

Ter ondersteuning van haar eerste stelling voert verzoekster het
volgende aan. Kandidaat A is geschikter geacht op grond van zijn
internationale ervaring en op grond van persoonskenmerken. De wederpartij
heeft met haar echter niet over het aspect ‘internationale ervaring’
gesproken.

Voorts is verzoekster van mening dat moeilijk te beoordelen is of er
sprake is van gelijke geschiktheid op het punt van de persoonskenmerken omdat
die niet objectief te meten zijn.

3.8. De wederpartij stelt dat de selectiecommissie het voorkeursbeleid
voor vrouwen wilde toepassen bij gelijke geschiktheid van kandidaten.
Verzoekster heeft naar de mening van de wederpartij alle gelegenheid gehad om
zich te presenteren. Zij betwist het standpunt van verzoekster dat met haar
niet gesproken is over haar internationale ervaring. Zij herinnert zich nog
dat verzoekster verteld heeft dat zij voor haar werk bij de Nederlandse
Vrouwenraad in New York is geweest.

De wederpartij is op grond van bovenstaande van mening dat zij op geen
enkele wijze jegens verzoekster in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen heeft gehandeld.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de WGB door haar
niet te benoemen in de functie van beleidsmedewerkster.

4.2. Artikel 1a en artikel 3 WGB verbieden het bevoegd gezag onderscheid
te maken tussen mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking en bij de aanstelling.

Van het verbod in artikel 3 lid 1 mag worden afgeweken indien de wet
onderscheid toestaat. Ingeval er sprake is van een openlijke aanbieding van
een betrekking moet de wettelijke uitzonderingsgrond uitdrukkelijk vermeld
worden (artikel 3 lid 2). Een van de wettelijke uitzonderingen op het verbod
is dat onder bepaalde voorwaarden een voorkeursbeleid voor vrouwen gevoerd mag
worden (artikel 5 lid 1).

4.3. Verzoekster baseert zich bij haar stelling dat zij op grond van
haar geslacht is afgewezen op de mededelingen die het plaatsvervangend hoofd
hieromtrent in het toelichtend gesprek op 25 juli 1990 heeft gedaan. Het
plaatsvervangend hoofd heeft een dergelijke mededeling ter zitting echter
ontkend.

De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

Zij sluit niet uit dat bij verzoekster door het toelichtend gesprek de
indruk heeft kunnen ontstaan dat zij vanwege haar geslacht is afgewezen. Niet
aannemelijk is geworden dat het geslacht van verzoekster bij de selectie van
kandidaten inderdaad ten nadele van haar een rol heeft gespeeld.

Verzoekster heeft geen andere feiten of omstandigheden aangedragen die
een vermoeden van onderscheid rechtvaardigen. Evenmin heeft de Commissie zelf
hiervoor aanknopingspunten gevonden.

De Commissie is dan ook niet tot de overtuiging gekomen dat de
wederpartij verzoekster vanwege haar geslacht heeft afgewezen.

4.4. De Commissie heeft reeds eerder uitgesproken dat artikel 3 lid 2 zo
moet worden verstaan dat (de vorm van) voorkeursbehandeling die zal worden
toegepast in de advertentie moet worden vermeld.

In het onderhavige geval heeft de wederpartij in de advertentietekst
slechts aangegeven dat vrouwen uitdrukkelijk worden uitgenodigd te
solliciteren, terwijl de wederpartij in de selectie-criteria had opgenomen dat
vrouwen bij gelijke geschiktheid de voorkeur zouden krijgen. De wederpartij is
echter niet toegekomen aan een daadwerkelijke toepassing van dit
selectiecriterium, zodat niet geconcludeerd kan worden tot strijd met de Wet.

4.5. De Commissie wil overigens het volgende opmerken.

De wederpartij had de uitdrukkelijke bedoeling om, indien sprake zou
zijn van gelijke geschiktheid van een mannelijke en vrouwelijke kandidaat, de
voorkeur te geven aan de vrouw.

Een dergelijke vorm van voorkeursbehandeling brengt mee dat de
selectiecommissie zorgvuldig na moet gaan of er van gelijke dan wel ongelijke
geschiktheid sprake is.

De wederpartij heeft een aantal criteria genoemd, waaronder
internationale ervaring en bepaalde persoonskenmerken, waaraan zij de
geschiktheid van de kandidaten heeft getoetst.

Verzoekster betwist dat in het sollicitatiegesprek het onderwerp
“internationale ervaring” aan bod is gekomen.

Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van partijen hierover, heeft de
Commissie niet kunnen vaststellen of de geschiktheid van verzoekster op dit
punt inderdaad voldoende is getoetst.

Voorts heeft verzoekster gesteld dat de geschiktheid van een kandidaat
op grond van persoonskenmerken niet objectief te meten is. De Commissie merkt
hierover op dat niet te voorkomen is dat subjectieve elementen een rol spelen
bij de beoordeling van kandidaten. Daarom is het van belang dat
selectieprocedures inzichtelijk, controleerbaar en systematisch worden
uitgevoerd, om te voorkomen dat, ongewild en onbewust, onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt.

Concluderend kan de Commissie zich niet aan de indruk onttrekken dat de
wederpartij in de onderhavige selectieprocedure te haastig en onvoldoende
zorgvuldig te werk is gegaan. Zij heeft in dit geval echter niet kunnen
vaststellen dat de wederpartij bij een zorgvuldiger selectie tot een andere
beslissing zou zijn gekomen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de jegens mevrouw
te Voorburg geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de vervulling van
de openstaande betrekking en de aanstelling.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, Kamervoorzitter; drs C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 27 mei 1991

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Gedrag van de vrouw is reden tot afwijzing
alimentatievordering. Door als voorwaarde voor verzoening de
eis te stellen dat de huwelijkse voorwaarden zouden worden
opgeheven, daarbij voor te wenden dat de verhouding met Z. was
beeindigd en desondanks de verhouding voort te zetten, heeft
de vrouw zich zodanig gedragen dat van de man in redelijkheid
niet kan worden gevergd dat hij een bijdrage zal dienen te
leveren in het levensonderhoud van de vrouw.

Volledige tekst

2. De feiten

Naast hetgeen onder 3 van het tussenarrest van 3 april 1989 is
overwogen staat voorts op grond van de gedingstukken van beide
instanties het volgende vast:

In 1981 is tussen partijen eveneens een procedure tot
echtscheiding in gang gezet, warbij de vrouw als eiseres
optrad. Partijen hebben zich toen verzoend, waarna die
procedure begin 1982 is geroyeerd.

Partijen zijn 1962 op huwelijksvoorwaarden gehuwd. Het
huwelijksgoederenregime is staande huwelijk, na op 6 januari
1983 verkregen toestemming van de Rechtbank Alkmaar, bij
notariele akte van 6 april 1983 gewijzigd in die zin, dat de
tot dan toe bestande huwelijkse voorwaarden zijn omgezet in
gemeenschap van goederen.

3. Verdere beoordeling van de grieven in het principaal appel
van de man

3.1. De man heeft in het kader van grief III onder meer
betoogd dat de vrouw hem op uiterst afkeurenswaardige wijze
vermogen afhandigd heeft gemaakt met het doel haar financiele
belangen veilig te stellen. Hij wijst er in dit verband op dat
het meest markant is geweest de wijziging van de huwelijkse
voorwaarden in 1983.

3.2. De vrouw heeft bij antwoordmemorie na enquete akte van 7
mei 1990 onweersproken betoogd dat zij als voorwaarde voor de
verzoening, zoals hierboven onder 2 genoemd, heeft gesteld dat
de huwelijkse voorwarden zouden worden opgeheven en dat
partijen verder in gemeenschap van goederen zouden leven.

3.3. De man stelt in dit verband onweersproken dat de vrouw
hem in het kader van die verzoening heeft toegezegd haar
verhouding met zeker Z. te beeindigen. Die verhouding
is – aldus de man – na de veroening evenwel gecontinueerd.

3.4. Als getuige gehoord in het kader van de aan de man
gegeven bewijsopdracht heeft de vrouw onder verband van de
belofte op 7 december 1989 tegenover het hof onder meer het
volgende verklaard: ‘De verhouding met de heer Z. was
kortstondig en vond plaats in het kaar van de eerste
echtscheiding.’ en voorts: ‘De verhouding met de heer Z. werd
beeindigd voor mijn verzoening met M. begin 1982.’

3.5. Nadat om redenen genoemd onder 2 van het tussenarrest van
10 september 1990 fe getuigenverhoren waren heropend heeft Z.
als getuige onder verband van de eed verklaard – zakelijk
weergegeven – dat zijn verhouding met de vrouw in 1979 een
aanvang heeft genomen en dat hij aan die verhouding een eind
heeft willen maken bij brief van 14 april 1983 (welke brief
als produktie 6 is overgelegd bij conclusie na enquete, tevens
akte in het geding brengen produkties d.van 5 maart 1990).

3.6. In de brief van 14 april 1983 schrijft Z. dat hij een
vrijwaringsbewijs opstuurt en voorts – zakelijk – dat hij de
relatie met de vrouw wenst te beeindigen.

3.7. Z. heeft verklaard op die brief antwoord te hebben
gekregen van de vrouw, welk antwoord zich als produktie 7 bij
genoemde akte bevindt. Uit die brief blijkt dat de vrouw het
met beeindiging van de relatie niet eens was.

3.8. In verband met het feit dat de vrouw bij antwoordmemorie
na enquete, waarvan gediend is op 7 mei 1990, had gesteld dat
de brief van Z. van 14 april 1983 vervalst was en de datum
daar later valselijk aan was toegevoegd, heeft Z. als getuige
het volgende verklaard: ‘OM aan te tonen dat mijn brief van 14
april 1983 inderdaad van die datum is overhandig ik U een
brief van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, van 7 mei 1990,
waaruit blijkt dat het kentekenbewijs op 12 april 1983 voor
wat deel II betreft, is afgegeven. Ik had dan ook nooit voor
14 april, het vrijwaringsbewijs aan de vrouw kunnen opsturen.
Ik hoor dat u die brief hecht aan dit p-v en ik zie dat u hem
waarmerkt.’

3.9. Nadat de genoemde getuige was gehoord heeft de vrouw
afgezien van contra-enquete en zij is evenmin teruggekomen op
haar stelling dat de brief, althans voor wat de daarop
gestelde datum van 14 april 1983, vervalst zou zijn, laat
staan dat zij van die stelling bewijs heeft aangeboden.

3.10. Het vorenstaande in aanmerking genomen, met name de
verklaring van Z. en de brief van de Rijksdienst voor het
Wegverkeer in onderling verband bezien, acht het hof bewezen
dat de verhouding van de vrouw met Z. ook tijdens en na de
verzoening heeft voortgeduurd.

3.11. Door als voorwaarde voor de verzoening de eis te stellen
dat de huwelijkse voorwaarden zouden worden opgeheven en
daarbij voor te wenden dat de verhouding met Z. was beeindigd
en desondanks die verhouding voort te zetten, heeft de vrouw
zich zodanig gedragen dat van de man in redelijkheid niet kan
worden gevergd dat hij een bijdrage zal dienen te leveren in
het levensonderhoud van de vrouw. Mitsdien is de man erin
geslaagd het bewijs te leveren waartoe hij was toegelaten.

3.12. Het vorenstaande brengt met zich mee dat grief III van
de man slaagt en het vonnis – voor zover in de hoofdzaak
bewezen – moet worden vernietigd en de vordering van de vrouw
tot bijdrage door de man in de kosten van haar levensonderhoud
moet worden afgewezen. De grieven I en II van de man in het
principaal appel, alsmede de grieven van de vrouw in het
incidenteel appel behoeven mitsdien geen behandeling. Nu
partijen gewezen echtelieden zijn zullen de kosten van het
geding in eerste aanleg en in hoger beroep worden
gecompenseerd in voege als na te melden.

noot

1. Afwijzen van alimentatie op grond van grievend gedrag

De feiten in deze zaak worden ons maar ten dele onthuld, maar
spreken wel tot de verbeelding. De vrouw gaat accoord met
afzien van echtscheiding maar stelt daarbij de eis dat de
huwelijkse voorwaarden waaronder het huwelijk is aangegaan
worden omgezet in een gemeenschap van goederen. Daarmee wordt
het vermogen van beide echtgenoten gemeenschappelijk.
Kennelijk heeft in dit geval op dat moment alleen de man enig
substantieel vermogen en leidt dit dus tot een
vermogensverschuiving. Op zichzelf is deze gang van zaken
helemaal niet laakbaar, er zijn zelfs veel goede redenen te
bedenken voor zo’n omzetting. Huwelijkse voorwaarden kunnen
immers voor de huishoudelijke partner zeer nadelig zijn,
vooral bij een echtscheiding, maar ook (afhankelijk van
testamentaire makingen) bij vooroverlijden van de man. In casu
is niet duidelijk welke redenen aan de regimeverandering ten
grondslag hebben gelegen.

Duidelijk is wel dat tegenover de invoering van een
gemeenschap van goederen de belofte van de vrouw stond, dat
zij haar relatie met “de heer Z” zou verbreken en dat zij dat
niet heeft gedaan. Het niet gestand doen van deze belofte
vergrootte uiteraard het risico dat toch nog een echtscheiding
zou volgen. Dit risico impliceerde enerzijds het nadeel voor
de vrouw dat zij niet in eigen levensonderhoud zou kunnen
voorzien en anderzijds een voordeel voor de vrouw dat zij haar
aanspraak op de helft van het gemeenschappelijk vermogen te
gelde kon maken. Dit laatste heeft kennelijk bij de man het
niet onbegrijpelijke vermoeden gevestigd dat de vrouw hem geld
afhandig wilde maken. Uit het weergegeven gedeelte van de
uitspraak blijkt dat niet duidelijk, maar waarschijnlijk stelt
de man dat op grond van deze gedragingen (wangedrag) niet van
hem kan worden gevergd dat hij alimentatie gaat betalen. Het
Hof billijkt deze opvatting van de man.

De maatstaven draagkracht en behoefte (art. 1: 397 BW) gelden
alleen voor levensonderhoud tussen bloed- en aanverwanten. De
wetgever heeft daarmee de rechter bewust de gelegenheid
gegeven ook met andere factoren rekening te houden. Rekening
houden met factoren van persoonlijke aard dient echter altijd
terughoudend te geschieden omdat dit het gevaar in zich bergt
van bevoogdend optreden door de rechter en het beperken van de
alimentatiegerechtigde in haar persoonlijke levenssfeer (zie
bijvoorbeeld de wangedrag-jurisprudentie, Nemesis 1(1984/5)8,
p. 388-390). Bovendien is in 1971 de alimentatie bewust
losgekoppeld van de schuldvraag. Alleen buitengewoon grievend
gedrag van de behoeftige echtgenoot mag tot een beperking van
de onderhoudsplicht leiden. Zo’n oordeel impliceert een
definitieve afwijzing van de alimentatieplicht. De Hoge Raad
eist bij een dergelijke beslissing altijd een duidelijke
motivering (zie Asser/De Ruiter, 14e druk, nrs. 630 en 635).
Aan die plicht heeft het Hof m.i. niet voldaan.

Indien dat maar enigszins kan moet m.i. het schimmige gebied
van de persoonlijke factoren worden vermeden. Wellicht was dat
in dit geval ook mogelijk geweest. De vrouw heeft immers door
de wijziging van het regime recht gekregen op de helft van de
gemeenschap van goederen. Het zou kunnen zijn dat de vrouw na
de scheiding helemaal niet in behoeftige omstandigheden
verkeert.

2. Misbruik van huwelijksvermogensrecht

Deze casus geeft aanleiding om aan misbruik van
huwelijksvermogensrecht te denken. De gemeenschap van goederen
brengt inderdaad de mogelijkheid mee tot een
vermogensverschuiving zonder de bij andere vormen van
overdracht verschuldigde lasten als schenkingsrecht,
successierecht of overdrachtsbelasting. Het ligt in zo’n geval
voor de hand om daarmee bij de verdeling van de gemeenschap
rekening te houden. Dat is in ons systeem echter niet
eenvoudig, want de wet geeft hieromtrent geen regeling. Het
Hof Amsterdam heeft er in het verleden echter al ervaring mee
opgedaan in een zaak die leidde tot het arrest HR 7 december
1990, NJ 1991, 5 m.nt. EAAL. Daar ging het om een geheim
huwelijk (buiten medeweten van haar kinderen en buiten haar
eigen woonplaats) van een 72-jarige vermogende vrouw en een
39-jarige man die voordien haar verzorger was. Vijf weken na
sluiting van het huwelijk, dat zonder huwelijkse voorwaarden
was voltrokken, werd de vrouw door haar echtgenoot vermoord.
De man, die voor de moord strafrechtelijk veroordeeld werd en
dus erfrechtelijk gezien onwaardig was, eiste zijn aandeel op
in de gemeenschap van goederen. Het Hof achtte in dit geval
een verdeling bij helfte in strijd met twee “algemene
rechtsbeginselen”, te weten de regel dat hij, die opzettelijk
de dood van een ander veroorzaakt die hem begunstigd heeft,
daar geen voordeel uit behoort te kunnen trekken en de regel
dat men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk
veroorzaakte dood van een ander. De HR wijst de expliciete
analogische toepassing van deze regels uit het erfrecht en het
schenkingsrecht op de verdeling van de gemeenschap van
goederen van de hand. Wel staan de maatstaven van redelijkheid
en billijkheid er in dit geval aan in de weg dat het aandeel
van de man in de gemeenschap van goederen kan worden
opgeeist.

In het onderhavige geval zou het gedrag van de vrouw mijns
inziens niet tot een afwijkende verdeling van de gemeenschap
kunnen leiden. Het introduceren van een nieuwe schuldvraag in
het echtscheidingsrecht moet worden vermeden.

Wendelien Elzinga

Rechters

Mrs Willems-Morsink, Verspyck Mijnssen, De Wild

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 27 mei 1991

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Aan appellant is in de eerste aanleg een wijkverbod opgelegd,
hetgeen impliceert dat hij moet verhuizen, omdat hij in deze wijk woont.
Hof bekrachtigt het vonnis en voegt toe dat appellant nog ten hoogste 3
maanden na betekening van het arrest in de woning mag blijven wonen.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg.

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het Hof naar het vonnis van de
President van de rechtbank waarvan beroep, aangehecht aan dit arrest.

2. Het geding in hoger beroep.

Van dat vonnis bij eerdergenoemd exploit in hoger beroep gekomen heeft
P. een grief aangevoerd en geconcludeerd:

dat het Hof behage, te vernietigen het vonnis op 22 mei 1990 door de
President van de Arrondissementsrechtbank te Breda gewezen tussen
appellant als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en
geintimeerde als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie, en,
opnieuw rechtdoende, in reconventie appellant in het gelijk te stellen
en het bij vonnis van de President van de rechtbank te Breda ten laste
van appellant gelegde verboden op te heffen met onmiddellijke ingang
(vonnis d.d. 6 december 1985).

en in conventie geintimeerde in haar vordering niet ontvankelijk te
verklaren, althans haar deze te ontzeggen, en geintimeerde te
veroordelen in de kosten van beide instanties zowel in conventie als in
reconventie.

Daarop antwoordend heeft V. die grieven bestreden, bij wege van
incidenteel appel een grief aangevoerd en geconcludeerd:

dat V. het gerechtshof verzoekt,

in het principaal appel

het beroepen vonnis zonodig onder aanvulling of verbetering van de
gronden te bekrachtigen en appellant in zijn vordering niet ontvankelijk
te verklaren althans hem deze vordering te ontzeggen, met veroordeling
van appellant in de kosten van dit appel;

in het incident

dat uw gerechtshof het vonnis in eerste aanleg aanvult als volgt:

Gebiedt P. binnen twee dagen na betekening van dit arrest de woning aan
de …straat te Breda te ontruimen met al de zijnen en het zijne;
verbiedt P. na ontruiming zich opnieuw te vestigen, tijdelijk of
permanent, of zich opnieuw te bevinden, in de woning aan de …straat te
Breda, althans in enige andere woning in de wijken ….. en …;

een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met machtiging op V. om zonodig
genoemd gebod en verbod ten uitvoer te doen leggen met behulp van de
sterke arm;

met veroordeling van partij P. in de kosten van dit incident.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft P. op zijn beurt
de grief van de wederpartij bestreden en geconcludeerd tot niet
ontvankelijk verklaring van V. in haar vordering in het incidenteel
appel althans tot ontzegging aan haar van deze vordering met
veroordeling van V. in de kosten.

Partijen hebben recht op de stukken verzocht.

3. De gronden van het hoger beroep.

De grief in het principaal luidt:

1 ten onrechte heeft de President overwogen dat “de gehele wijk …”
onder het voor appellant verboden gebied zal vallen, hoewel “dit
impliceert dat appellant dan dient te verhuizen, omdat hij dit risico
heeft kunnen voorzien etc.” Immers niet is aangetoond dat appellant te
verwijten is dat hij een woning aan de …straat te Breda heeft
toegewezen gekregen, laat staan dat hij daar schuld aan heeft. Appellant
ontkent een en ander nadrukkelijk. Bovendien is het belang van
geintimeerde erbij aanzienlijk overschat door zijn beoordeling, terwijl
appellant nodeloos in zijn belangen wordt geschaad doordat hij andere
woonruimte moet zoeken (momenteel in Breda zeer moeilijk) en
verhuiskosten zal moeten maken zowel als inrichtingskosten.

De grief in het incidenteel appel luidt:

Ten onrechte heeft de President van de Rechtbank te Breda in zijn vonnis
van 22 mei 1990 niet, althans niet ondubbelzinnig, bepaald dat P. de
woning aan de …straat te Breda diende te ontruimen.

4. Beoordeling.

De grief van P. is ongegrond en de grief van V. acht het Hof gegrond in
de zin zoals hierna te bespreken.

Met de President van de Rechtbank is het Hof van oordeel dat wegens de
door V. gestelde en aannemelijk gemaakte omstandigheden, welke P. in
hoger beroep niet overtuigend heeft weten te ontzenuwen, het opleggen
van de verboden aan P. zoals de President deed verantwoord en geboden
was en is.

Het beroep dat P. doet op de toewijzing van de woning aan de …straat
te Breda is geen grond tot wijziging en beperking van het verbod onder 1
van de President van de Rechtbank behoudens het hierna bepaalde. P. had
toen hem die woning werd toegewezen aan de toewijzende instantie kenbaar
dienen te maken dat hij deze in verband met het destijds reeds geldende
verbod uit 1985 niet mocht aanvaarden. Bovendien is van belang gelijk de
President van de Rechtbank heeft overwogen:

“Voorlopig kan worden volstaan met een verbod betreffende de gehele wijk
…., uitgebreid met de straten …straat, …straat en …straat
gelegen in de wijk …. alsmede de gehele wijk … ingaande twee maanden
na betekening van dit vonnis.”

“Dit laatste impliceert weliswaar dat gedaagde dient te verhuizen, doch
dit risico heeft hij kunnen voorzien toen hij zich ondanks het geldende
straatverbod uit 1985 niettemin in de omgeving van eiseres en de school
van R.V. vestigde. Niet gebleken is dat gedaagde de Stichting
Woonruimteverdeling Breda van dat feit tevoren in kennis heeft gesteld.
Bovendien heeft hijzelf als een van zijn voorkeuren de Hoge Vucht
opgegeven.”

Dat P. thans verhuiskosten zal moeten maken is daarom geen reden tot
modificatie van het juist te achten verbod sub 1. Wel acht het Hof het
billijk dat P. een termijn van drie maanden na de dag van betekening van
dit arrest wordt gegund om de verhuizing te effectueren. Daarom zal het
Hof het verbod gedurende die termijn beperken.

P. zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding
in hoger beroep dienen te dragen.

5. Uitspraak.

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met dien verstande dat met
beperking van het verbod van dat vonnis P. gedurende ten hoogste drie
maanden na de dag van betekening van dit arrest mag blijven wonen in de
woning aan de ….straat en zich naar en van deze woning mag begeven
langs de kortste wegen tussen deze woning en het niet door het verbod
onder 1 van het vonnis van de President van de Rechtbank bestreken
gebied.

Verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt P. in de kosten van dit geding in het principaal en
incidenteel appel aan de zijde van V. tot op heden bepaald op ƒ 300,–
aan verschotten en ƒ 1200,– aan salaris een en ander op voet van
artikel 57b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan de
griffier van dit Hof.

Rechters

Mrs Van der Velden, vice-president; Rathenau en Zwitsers-Schouten,raadsheren

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 mei 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Sinds 1983 gaan vrouwen bij de wederpartij, net als de mannen, met 65
jaar met pensioen. Vrouwen die op dat moment bij de wederpartij werkzaam waren
konden opteren voor de oude regeling (pensioen met 60 jaar). Verzoekster heeft
toen gekozen voor de oude regeling en ontvangt sinds 1 september 1989 een
pensioenuitkering. De VUT-leeftijd is in de loop der jaren verlaagd naar 60
jaar (en eenmalig 59 jaar). Verzoekster wil alsnog op haar 65ste met pensioen
en daarvoor gebruik maken van de VUT-regeling. De Commissie acht zich bevoegd
hierover te oordelen op grond van jurisprudentie van het EG-hof. De
wederpartij heeft gehandeld in strijd met de Wet door in 1983 alleen aan
vrouwen een eenmalige keuzemogelijkheid voor te leggen. De wederpartij handelt
in strijd met de Wet door verzoekster geen keuzemogelijkheid voor te leggen
terwijl mannen die in 1983 in dienst waren nu wel een dergelijke keuze kunnen
afdwingen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 juli 1990 verzocht mevrouw te Tilburg (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar in
strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is op 60-jarige leeftijd met pensioen gegaan, conform
de voor haar geldende overgangsregeling bij de wederpartij.

Door deze vervroegde pensionering kan zij geen aanspraak maken op een
VUT-uitkering. Verzoekster wil met 65 jaar met pensioen kunnen gaan. De
wederpartij staat dit niet toe.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt
naar geslacht.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk nader toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
mondeling nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 april 1991. Bij deze
zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw drs (gemachtigde)

– mw mr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij

– dhr mr (bedrijfsjurist)

– mw mr (Dienst personeelszaken)

– dhr mr (Dienst bedrijfspensioenfondsen)

– mw mr (toehoorster)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. Daarin
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoekster, geboren op 26 augustus 1928, is op 1 november 1973 in
dienst getreden bij de wederpartij. In de arbeidsovereenkomst was de volgende
bepaling opgenomen:

“De dienstbetrekking eindigt in ieder geval op de eerste dag van de
maand waarin de werknemer het 60e levensjaar volbrengt”.

In die tijd kende de wederpartij verschillende pensioneringsleeftijden:
mannen gingen met 65 met pensioen, vrouwen met 60.

Voor mannen en vrouwen golden ook aparte, op de respectievelijke
pensioenleeftijden afgestemde, pensioenregelingen.

In 1983 heeft de wederpartij deze regeling gewijzigd. Een uniforme
pensioneringsleeftijd (65 jaar) werd ingevoerd. Vrouwen gingen deelnemen aan
de pensioenregeling voor mannen. Vrouwen die al in dienst waren en de oude
regeling prefereerden konden eenmalig een keuze maken: deelnemen aan de oude
regeling (60 jaar) of aan de nieuwe regeling (65 jaar). Daarbij zijn alle
betrokken vrouwen er op gewezen dat een eenmaal gemaakte keuze niet zou kunnen
worden herroepen. Ze moesten binnen drie maanden hun keuze kenbaar maken.
Wanneer ze dit niet deden bleef voor hen de oude regeling (60 jaar) gelden.

Zij zijn er schriftelijk op gewezen dat de nieuwe regeling een
verbetering van de arbeidsvoorwaarden inhield en dat de nieuwe regeling de
maatschappelijke ontwikkelingen zou volgen.

Op dat moment bestond bij de wederpartij de mogelijkheid van vervroegd
uittreden (VUT), op 62-jarige leeftijd.

Aangezien vrouwen al met 60 met pensioen gingen konden zij van deze
regeling geen gebruik maken. De nieuwe regeling (pensionering op 65-jarige
leeftijd) maakte ook voor vrouwen deelname aan de VUT-regeling mogelijk. Op
grond van de nieuwe regeling kwamen vrouwen tevens in aanmerking voor
nabestaandenpensioen. Dat was namelijk niet inbegrepen bij de oude
“vrouwenregeling”.

Verzoekster heeft in mei 1983 gekozen voor deelname aan de oude
regeling, dat wil zeggen handhaven van pensionering op 60-jarige leeftijd. Zij
was toen 55 jaar. Bij het maken van de keuze heeft zij gesteld dat zij moeite
heeft ondervonden in het verzamelen van die gegevens die voor haar specifieke
situatie duidelijk aangaven wat de precieze financiele consequenties zouden
zijn. De voorlichting die de wederpartij gaf bestond uit een serie
rekenvoorbeelden voor gevallen die niet sterk op haar situatie leken.

In 1983 waren er bij de wederpartij 3000 vrouwen in dienst aan wie deze
keuze werd voorgelegd. Daarvan koos 30% voor vervroegde pensionering, 70% voor
pensionering op 65-jarige leeftijd.

3.2. Nadien wijzigde de VUT-regeling enkele malen. Per 1 januari 1986
kwam de VUT-leeftijd op 60 te liggen.

Verzoekster heeft, tezamen met andere vrouwen, gevraagd om alsnog met 65
te worden gepensioneerd zodat zij van de VUT-regeling gebruik zou kunnen
maken.

Dit verzoek is zowel door de wederpartij zelf als door het betrokken
pensioenfonds afgewezen. Daarbij is verzoekster erop gewezen dat zij wel
uitstel zou kunnen vragen van ingang van het pensioen aan het bestuur van het
pensioenfonds. Daarmee werd gedoeld op de mogelijkheid, het pensioen op latere
leeftijd te laten uitkeren.

In 1987 is de VUT-leeftijd eenmalig verlaagd naar 59 jaar.

Vrouwelijke werknemers die gekozen hadden voor pensionering op 60-jarige
leeftijd konden ook van de regeling gebruik maken van hun 59-ste tot hun
60-ste. Op die datum werd de VUT-uitkering beeindigd en ging het pensioen in.
Verzoekster heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Zij heeft van 1-9-1987 tot 1-8-1988 een VUT-uitkering ontvangen. Op
26-8-1988 werd zij 60 jaar. Vanaf 1-9-1988 ontvangt zij haar pensioen. Van
1-8-1988 tot 1-9-1988 ontving zij een overbruggingsuitkering.

Verzoekster heeft gegevens overgelegd met berekeningen waaruit blijkt
dat voor haar pensionering op 65-jarige leeftijd gecombineerd met gebruik
maken van de VUT-regeling vanaf haar 60-ste tot haar 65-ste, financieel
aanzienlijk voordeliger zou zijn geweest dan pensionering op 60-jarige
leeftijd.

3.3. Verzoekster stelt -samengevat- het volgende.

De oude bepaling in haar arbeidsovereenkomst (pensionering met 60 jaar)
was nietig wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. De wederpartij dwong
haar tot een keuze tussen twee regelingen. Een dergelijke keuze kreeg een man
in een vergelijkbare situatie niet. Zij, en met haar andere vrouwen, liep het
risico van een foute keuze.

Dat risico liep een man niet.

Dat zij een keuze heeft gemaakt doet niet af aan de nietigheid daarvan
wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het risico veroorzaakt door de
oorspronkelijke ongelijke behandeling zou echter bij de wederpartij -degene
die immers ongelijk behandelde- behoren te liggen.

Een en ander houdt volgens verzoekster in dat de wederpartij:

– onderscheid maakt naar geslacht bij de beeindiging van de
dienstbetrekking

– en/of onderscheid maakt naar geslacht gedurende de arbeidsverhouding
(door vrouwen te laten kiezen en mannen niet)

– en bovendien onderscheid maakte naar geslacht in de eenmalige regeling
die in 1987 de VUT-leeftijd op 59 jaar bracht, waarbij voor verzoekster en
andere vrouwen in haar situatie de VUT-uitkering weer na een jaar werd
beeindigd, terwijl die voor mannen (en bepaalde vrouwen) doorliep tot 65
jaar.

3.4. De wederpartij stelt -samengevat- het volgende.

De Commissie is niet bevoegd in deze zaak een oordeel uit te spreken
aangezien artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) uitkeringen en aanspraken
ingevolge pensioenregelingen uitzondert.

Voorzover de Commissie zich toch bevoegd zou achten voorts het volgende.

In zijn arrest van 21-11-1986 heeft de Hoge Raad een verschil tussen
mannen en vrouwen in de leeftijd waarop de dienstbetrekking werd beeindigd, in
strijd verklaard met het beginsel van gelijke behandeling (1637ij BW). De Hoge
Raad zou echter in zijn arrest ruimte laten voor een keuze door
contractspartijen voor een eerdere beeindiging van de dienstbetrekking dan een
uniform geldende. In dit geval zou ook sprake zijn van een keuze voor een
vervroegde pensionering. Deze keuze zou niet alleen toegestaan maar zelfs
geboden zijn. Toegestaan op grond van het bovengenoemde arrest en de
ontwerp-voltooiingsrichtlijn van de EG. Geboden uit overwegingen van goed
werkgeverschap (de werkgever mag niet eenzijdig de verkregen rechten
afschaffen) en overwegingen die samenhangen met de pensioensystematiek. Door
vrouwen op elk door hen gewenst moment te laten kiezen dan wel hun keuze te
laten wijzigen ontstaat een niet te financieren pensioenregeling.

Verder verwijst de wederpartij naar het arrest van het EG- Hof d.d.
17-5-1990. Hieruit zou blijken dat het Hof de gevolgen van voor mannen en
vrouwen verschillende pensioneringsleeftijden voor de pensioenuitkeringen wel
onder de reikwijdte van het wettelijk verbod van onderscheid brengt, maar de
gevolgen van dit arrest in de tijd beperkt tot diegenen die in mei 1990 nog
niet met pensioen waren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij handelt of handelde in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster niet toe staan
alsnog op 65-jarige leeftijd met pensioen te gaan omdat verzoekster in 1983
desgevraagd heeft gekozen voor pensionering op 60-jarige leeftijd.

De wederpartij is van mening dat de Commissie, gelet op de uitzondering
in artikel 1637ij BW voor uitkeringen of aan- spraken ingevolge
pensioenregelingen, niet bevoegd is om over deze vraag te oordelen.

4.2. Artikel 1637ij BW verbiedt de werkgever om onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen bij (onder meer) de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst en in de arbeidsvoorwaarden. Niet onder arbeidsvoorwaarden
zijn begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen.

In zijn arrest van 21 november 1986 (zie noot 1) heeft de Hoge Raad
uitgesproken dat pensioneringsleeftijden onder de norm van artikel 1637ij BW
begrepen moeten worden en dat het maken van onderscheid daarin derhalve
verboden is. Dit verbod van onderscheid in pensioneringsleeftijden geldt in
ieder geval vanaf 1 maart 1980, toen artikel 1637ij BW van kracht werd.

De Commissie voegt hier het volgende aan toe.

Artikel 1637ij lid 8 BW bedreigt bedingen die toch een dergelijk
onderscheid in pensioneringsleeftijden maken, en a fortiori regelingen waarin
alleen aan vrouwen een keuzemogelijkheid daaromtrent wordt gegeven, met
nietigheid. Wat een dergelijke nietigheid dient te betekenen en welke
consequenties deze heeft, is meermalen voorwerp van rechterlijke uitspraken
geweest. In constante jurisprudentie van het EG-Hof van Justitie onder andere
op basis van artikel 119 EEG-Verdrag blijkt dat een onrechtmatig onderscheid
er toe leidt dat degene die de onrechtmatigheid inroept aanspraak kan doen
gelden op de voor hem/haar gunstiger regeling.

4.3. In zijn arrest van 17 mei 1990 (zie noot 2) heeft het EG-Hof van
Justitie vastgesteld dat bepaalde pensioenregelingen onder het beginsel van
gelijke beloning van mannen en vrouwen vallen, zoals neergelegd in artikel 119
EEG-Verdrag.

Al eerder heeft de Commissie vastgesteld dat zij bevoegd is een oordeel
uit te spreken terzake van die pensioenregelingen die aan de criteria van het
EG-Hof voldoen.

Zij wijst in dit verband op het volgende.

In zijn arresten van 8 april 1976 en 17 mei 1990 (zie noot 2) stelt het
Hof grenzen aan het recht om met terugwerkende kracht de norm van gelijke
behandeling door een beroep op de rechter te effectueren. Het recht op gelijke
behandeling zelf wordt door het Hof echter niet in de tijd begrensd.

4.4. De wederpartij heeft in 1983 een regeling getroffen om de ongelijke
behandeling in pensioneringsleeftijden tussen mannen en vrouwen op te heffen.
Daarbij wilde zij het reeds verworven recht van vrouwen om op 60-jarige
leeftijd gepensioneerd te worden niet aan hen ontnemen.

De regeling hield in dat vrouwen die op dat moment in dienst waren van
de wederpartij eenmalig moesten kiezen voor een pensioneringsleeftijd van
hetzij 60 hetzij 65 jaar. De regeling was alleen van toepassing op vrouwen.

Mannen die op dat moment in dienst waren van de wederpartij kregen deze
eenmalige keuzemogelijkheid niet.

4.5. Ten aanzien van het standpunt van de wederpartij dat de Commissie
niet bevoegd is in deze een oordeel uit te spreken, overweegt de Commissie het
volgende.

Gelet op de voorwaarden die het EG-Hof in zijn arrest van 17 mei 1990
(zie noot 2) formuleert, stelt de Commissie vast dat de onderhavige
pensioenregeling aan deze voorwaarden voldoet. De pensioenregeling is immers
het resultaat van overeenstemming tussen werknemers en werkgever, terwijl geen
sprake is van enige financieringsbijdrage van de overheid. Deelname aan de
regeling staat alleen open voor werknemers van de wederpartij, zodat de
gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de
dienstbetrekking met de wederpartij.

De Commissie acht zich derhalve bevoegd om te oordelen over de vraag die
partijen verdeeld houdt.

4.6. Uit de eerder genoemde arresten van het EG-Hof volgt dat mannen die
in 1983 in dienst waren van de wederpartij het recht hebben om alsnog deelname
aan de gunstiger regeling, in casu de “vrouwenregeling”, te claimen. Immers,
de keuzemogelijkheid die destijds slechts aan vrouwen is gegund is nietig.

Daardoor ontstaat een situatie waarbij de groep vrouwen die in 1983
moest kiezen benadeeld wordt. Deze groep vrouwen kon immers slechts eenmalig
en in dat jaar kiezen. De mannen die in 1983 in dienst waren bij de
wederpartij kunnen ook nu, anno 1991, een aanspraak op een keuze voor een voor
hen gunstiger regeling effectueren.

Een en ander doet niet af aan het feit dat het EG-Hof in diverse
uitspraken (zie noot 2 en noot 5) beperkingen stelt aan de mogelijkheden om
gelijkheidsclaims in rechte te kunnen vorderen.

Wel rijst de vraag naar de omvang van de in te dienen vordering gezien
het feit dat verzoekster op 6 juli 1990 -dus na de uitspraak van het EG-Hof
van 17 mei 1990- haar verzoek bij de Commissie indiende.

4.7. Gelet op het bovenstaande staat vast dat de wederpartij in strijd
handelt met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster een hernieuwde
keuze te onthouden.

De Commissie merkt overigens op, dat de vraag naar de reikwijdte van de
beperking in terugwerkende kracht van doorslaggevend belang is voor de
precieze inhoud en kans van slagen van een vordering. De genoemde uitpraak van
het EG- Hof van 17 mei 1990 biedt op dit punt ook in de onderhavige zaak geen
uitsluitsel. De Commissie veroorlooft zich dan ook op te merken dat een nadere
ontwikkeling in de jurisprudentie van het Hof zeer wenselijk is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor te Amsterdam onderscheid naar geslacht maakt(e) door

– de in 1983 voorgelegde eenmalige keuzemogelijkheid ten aanzien van de
pensioneringsleeftijd slechts voor te leggen aan de toen in dienst zijnde
vrouwen, en,

– aan mevrouw niet ook nu een keuzemogelijkheid toe te staan, terwijl
mannelijke werknemers die in 1983 in dienst waren nu op elk gewenst tijdstip
met een beroep op ongelijke behandeling een dergelijke keuze kunnen
afdwingen.

Rechters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 mei 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Sinds 1983 gaan vrouwen bij de wederpartij, net als de mannen, met 65
jaar met pensioen. Vrouwen die op dat moment bij de wederpartij werkzaam waren
konden opteren voor de oude regeling (pensioen met 60 jaar). Verzoekster heeft
toen gekozen voor de oude regeling en ontvangt sinds 1 september 1989 een
pensioenuitkering. De VUT-leeftijd is in de loop der jaren verlaagd naar 60
jaar (en eenmalig 59 jaar). Verzoekster wil alsnog op haar 65ste met pensioen
en daarvoor gebruik maken van de VUT-regeling. De Commissie acht zich bevoegd
hierover te oordelen op grond van jurisprudentie van het EG-hof. De
wederpartij heeft gehandeld in strijd met de Wet door in 1983 alleen aan
vrouwen een eenmalige keuzemogelijkheid voor te leggen. De wederpartij handelt
in strijd met de Wet door verzoekster geen keuzemogelijkheid voor te leggen
terwijl mannen die in 1983 in dienst waren nu wel een dergelijke keuze kunnen
afdwingen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 juli 1990 verzocht mevrouw te Tilburg (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar in
strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is op 60-jarige leeftijd met pensioen gegaan, conform
de voor haar geldende overgangsregeling bij de wederpartij.

Door deze vervroegde pensionering kan zij geen aanspraak maken op een
VUT-uitkering. Verzoekster wil met 65 jaar met pensioen kunnen gaan. De
wederpartij staat dit niet toe.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt
naar geslacht.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk nader toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
mondeling nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 april 1991. Bij deze
zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw drs (gemachtigde)

– mw mr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij

– dhr mr (bedrijfsjurist)

– mw mr (Dienst personeelszaken)

– dhr mr (Dienst bedrijfspensioenfondsen)

– mw mr (toehoorster)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. Daarin
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoekster, geboren op 26 augustus 1928, is op 1 november 1973 in
dienst getreden bij de wederpartij. In de arbeidsovereenkomst was de volgende
bepaling opgenomen:

“De dienstbetrekking eindigt in ieder geval op de eerste dag van de
maand waarin de werknemer het 60e levensjaar volbrengt”.

In die tijd kende de wederpartij verschillende pensioneringsleeftijden:
mannen gingen met 65 met pensioen, vrouwen met 60.

Voor mannen en vrouwen golden ook aparte, op de respectievelijke
pensioenleeftijden afgestemde, pensioenregelingen.

In 1983 heeft de wederpartij deze regeling gewijzigd. Een uniforme
pensioneringsleeftijd (65 jaar) werd ingevoerd. Vrouwen gingen deelnemen aan
de pensioenregeling voor mannen. Vrouwen die al in dienst waren en de oude
regeling prefereerden konden eenmalig een keuze maken: deelnemen aan de oude
regeling (60 jaar) of aan de nieuwe regeling (65 jaar). Daarbij zijn alle
betrokken vrouwen er op gewezen dat een eenmaal gemaakte keuze niet zou kunnen
worden herroepen. Ze moesten binnen drie maanden hun keuze kenbaar maken.
Wanneer ze dit niet deden bleef voor hen de oude regeling (60 jaar) gelden.

Zij zijn er schriftelijk op gewezen dat de nieuwe regeling een
verbetering van de arbeidsvoorwaarden inhield en dat de nieuwe regeling de
maatschappelijke ontwikkelingen zou volgen.

Op dat moment bestond bij de wederpartij de mogelijkheid van vervroegd
uittreden (VUT), op 62-jarige leeftijd.

Aangezien vrouwen al met 60 met pensioen gingen konden zij van deze
regeling geen gebruik maken. De nieuwe regeling (pensionering op 65-jarige
leeftijd) maakte ook voor vrouwen deelname aan de VUT-regeling mogelijk. Op
grond van de nieuwe regeling kwamen vrouwen tevens in aanmerking voor
nabestaandenpensioen. Dat was namelijk niet inbegrepen bij de oude
“vrouwenregeling”.

Verzoekster heeft in mei 1983 gekozen voor deelname aan de oude
regeling, dat wil zeggen handhaven van pensionering op 60-jarige leeftijd. Zij
was toen 55 jaar. Bij het maken van de keuze heeft zij gesteld dat zij moeite
heeft ondervonden in het verzamelen van die gegevens die voor haar specifieke
situatie duidelijk aangaven wat de precieze financiele consequenties zouden
zijn. De voorlichting die de wederpartij gaf bestond uit een serie
rekenvoorbeelden voor gevallen die niet sterk op haar situatie leken.

In 1983 waren er bij de wederpartij 3000 vrouwen in dienst aan wie deze
keuze werd voorgelegd. Daarvan koos 30% voor vervroegde pensionering, 70% voor
pensionering op 65-jarige leeftijd.

3.2. Nadien wijzigde de VUT-regeling enkele malen. Per 1 januari 1986
kwam de VUT-leeftijd op 60 te liggen.

Verzoekster heeft, tezamen met andere vrouwen, gevraagd om alsnog met 65
te worden gepensioneerd zodat zij van de VUT-regeling gebruik zou kunnen
maken.

Dit verzoek is zowel door de wederpartij zelf als door het betrokken
pensioenfonds afgewezen. Daarbij is verzoekster erop gewezen dat zij wel
uitstel zou kunnen vragen van ingang van het pensioen aan het bestuur van het
pensioenfonds. Daarmee werd gedoeld op de mogelijkheid, het pensioen op latere
leeftijd te laten uitkeren.

In 1987 is de VUT-leeftijd eenmalig verlaagd naar 59 jaar.

Vrouwelijke werknemers die gekozen hadden voor pensionering op 60-jarige
leeftijd konden ook van de regeling gebruik maken van hun 59-ste tot hun
60-ste. Op die datum werd de VUT-uitkering beeindigd en ging het pensioen in.
Verzoekster heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Zij heeft van 1-9-1987 tot 1-8-1988 een VUT-uitkering ontvangen. Op
26-8-1988 werd zij 60 jaar. Vanaf 1-9-1988 ontvangt zij haar pensioen. Van
1-8-1988 tot 1-9-1988 ontving zij een overbruggingsuitkering.

Verzoekster heeft gegevens overgelegd met berekeningen waaruit blijkt
dat voor haar pensionering op 65-jarige leeftijd gecombineerd met gebruik
maken van de VUT-regeling vanaf haar 60-ste tot haar 65-ste, financieel
aanzienlijk voordeliger zou zijn geweest dan pensionering op 60-jarige
leeftijd.

3.3. Verzoekster stelt -samengevat- het volgende.

De oude bepaling in haar arbeidsovereenkomst (pensionering met 60 jaar)
was nietig wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. De wederpartij dwong
haar tot een keuze tussen twee regelingen. Een dergelijke keuze kreeg een man
in een vergelijkbare situatie niet. Zij, en met haar andere vrouwen, liep het
risico van een foute keuze.

Dat risico liep een man niet.

Dat zij een keuze heeft gemaakt doet niet af aan de nietigheid daarvan
wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het risico veroorzaakt door de
oorspronkelijke ongelijke behandeling zou echter bij de wederpartij -degene
die immers ongelijk behandelde- behoren te liggen.

Een en ander houdt volgens verzoekster in dat de wederpartij:

– onderscheid maakt naar geslacht bij de beeindiging van de
dienstbetrekking

– en/of onderscheid maakt naar geslacht gedurende de arbeidsverhouding
(door vrouwen te laten kiezen en mannen niet)

– en bovendien onderscheid maakte naar geslacht in de eenmalige regeling
die in 1987 de VUT-leeftijd op 59 jaar bracht, waarbij voor verzoekster en
andere vrouwen in haar situatie de VUT-uitkering weer na een jaar werd
beeindigd, terwijl die voor mannen (en bepaalde vrouwen) doorliep tot 65
jaar.

3.4. De wederpartij stelt -samengevat- het volgende.

De Commissie is niet bevoegd in deze zaak een oordeel uit te spreken
aangezien artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) uitkeringen en aanspraken
ingevolge pensioenregelingen uitzondert.

Voorzover de Commissie zich toch bevoegd zou achten voorts het volgende.

In zijn arrest van 21-11-1986 heeft de Hoge Raad een verschil tussen
mannen en vrouwen in de leeftijd waarop de dienstbetrekking werd beeindigd, in
strijd verklaard met het beginsel van gelijke behandeling (1637ij BW). De Hoge
Raad zou echter in zijn arrest ruimte laten voor een keuze door
contractspartijen voor een eerdere beeindiging van de dienstbetrekking dan een
uniform geldende. In dit geval zou ook sprake zijn van een keuze voor een
vervroegde pensionering. Deze keuze zou niet alleen toegestaan maar zelfs
geboden zijn. Toegestaan op grond van het bovengenoemde arrest en de
ontwerp-voltooiingsrichtlijn van de EG. Geboden uit overwegingen van goed
werkgeverschap (de werkgever mag niet eenzijdig de verkregen rechten
afschaffen) en overwegingen die samenhangen met de pensioensystematiek. Door
vrouwen op elk door hen gewenst moment te laten kiezen dan wel hun keuze te
laten wijzigen ontstaat een niet te financieren pensioenregeling.

Verder verwijst de wederpartij naar het arrest van het EG- Hof d.d.
17-5-1990. Hieruit zou blijken dat het Hof de gevolgen van voor mannen en
vrouwen verschillende pensioneringsleeftijden voor de pensioenuitkeringen wel
onder de reikwijdte van het wettelijk verbod van onderscheid brengt, maar de
gevolgen van dit arrest in de tijd beperkt tot diegenen die in mei 1990 nog
niet met pensioen waren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij handelt of handelde in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster niet toe staan
alsnog op 65-jarige leeftijd met pensioen te gaan omdat verzoekster in 1983
desgevraagd heeft gekozen voor pensionering op 60-jarige leeftijd.

De wederpartij is van mening dat de Commissie, gelet op de uitzondering
in artikel 1637ij BW voor uitkeringen of aan- spraken ingevolge
pensioenregelingen, niet bevoegd is om over deze vraag te oordelen.

4.2. Artikel 1637ij BW verbiedt de werkgever om onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen bij (onder meer) de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst en in de arbeidsvoorwaarden. Niet onder arbeidsvoorwaarden
zijn begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen.

In zijn arrest van 21 november 1986 (zie noot 1) heeft de Hoge Raad
uitgesproken dat pensioneringsleeftijden onder de norm van artikel 1637ij BW
begrepen moeten worden en dat het maken van onderscheid daarin derhalve
verboden is. Dit verbod van onderscheid in pensioneringsleeftijden geldt in
ieder geval vanaf 1 maart 1980, toen artikel 1637ij BW van kracht werd.

De Commissie voegt hier het volgende aan toe.

Artikel 1637ij lid 8 BW bedreigt bedingen die toch een dergelijk
onderscheid in pensioneringsleeftijden maken, en a fortiori regelingen waarin
alleen aan vrouwen een keuzemogelijkheid daaromtrent wordt gegeven, met
nietigheid. Wat een dergelijke nietigheid dient te betekenen en welke
consequenties deze heeft, is meermalen voorwerp van rechterlijke uitspraken
geweest. In constante jurisprudentie van het EG-Hof van Justitie onder andere
op basis van artikel 119 EEG-Verdrag blijkt dat een onrechtmatig onderscheid
er toe leidt dat degene die de onrechtmatigheid inroept aanspraak kan doen
gelden op de voor hem/haar gunstiger regeling.

4.3. In zijn arrest van 17 mei 1990 (zie noot 2) heeft het EG-Hof van
Justitie vastgesteld dat bepaalde pensioenregelingen onder het beginsel van
gelijke beloning van mannen en vrouwen vallen, zoals neergelegd in artikel 119
EEG-Verdrag.

Al eerder heeft de Commissie vastgesteld dat zij bevoegd is een oordeel
uit te spreken terzake van die pensioenregelingen die aan de criteria van het
EG-Hof voldoen.

Zij wijst in dit verband op het volgende.

In zijn arresten van 8 april 1976 en 17 mei 1990 (zie noot 2) stelt het
Hof grenzen aan het recht om met terugwerkende kracht de norm van gelijke
behandeling door een beroep op de rechter te effectueren. Het recht op gelijke
behandeling zelf wordt door het Hof echter niet in de tijd begrensd.

4.4. De wederpartij heeft in 1983 een regeling getroffen om de ongelijke
behandeling in pensioneringsleeftijden tussen mannen en vrouwen op te heffen.
Daarbij wilde zij het reeds verworven recht van vrouwen om op 60-jarige
leeftijd gepensioneerd te worden niet aan hen ontnemen.

De regeling hield in dat vrouwen die op dat moment in dienst waren van
de wederpartij eenmalig moesten kiezen voor een pensioneringsleeftijd van
hetzij 60 hetzij 65 jaar. De regeling was alleen van toepassing op vrouwen.

Mannen die op dat moment in dienst waren van de wederpartij kregen deze
eenmalige keuzemogelijkheid niet.

4.5. Ten aanzien van het standpunt van de wederpartij dat de Commissie
niet bevoegd is in deze een oordeel uit te spreken, overweegt de Commissie het
volgende.

Gelet op de voorwaarden die het EG-Hof in zijn arrest van 17 mei 1990
(zie noot 2) formuleert, stelt de Commissie vast dat de onderhavige
pensioenregeling aan deze voorwaarden voldoet. De pensioenregeling is immers
het resultaat van overeenstemming tussen werknemers en werkgever, terwijl geen
sprake is van enige financieringsbijdrage van de overheid. Deelname aan de
regeling staat alleen open voor werknemers van de wederpartij, zodat de
gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de
dienstbetrekking met de wederpartij.

De Commissie acht zich derhalve bevoegd om te oordelen over de vraag die
partijen verdeeld houdt.

4.6. Uit de eerder genoemde arresten van het EG-Hof volgt dat mannen die
in 1983 in dienst waren van de wederpartij het recht hebben om alsnog deelname
aan de gunstiger regeling, in casu de “vrouwenregeling”, te claimen. Immers,
de keuzemogelijkheid die destijds slechts aan vrouwen is gegund is nietig.

Daardoor ontstaat een situatie waarbij de groep vrouwen die in 1983
moest kiezen benadeeld wordt. Deze groep vrouwen kon immers slechts eenmalig
en in dat jaar kiezen. De mannen die in 1983 in dienst waren bij de
wederpartij kunnen ook nu, anno 1991, een aanspraak op een keuze voor een voor
hen gunstiger regeling effectueren.

Een en ander doet niet af aan het feit dat het EG-Hof in diverse
uitspraken (zie noot 2 en noot 5) beperkingen stelt aan de mogelijkheden om
gelijkheidsclaims in rechte te kunnen vorderen.

Wel rijst de vraag naar de omvang van de in te dienen vordering gezien
het feit dat verzoekster op 6 juli 1990 -dus na de uitspraak van het EG-Hof
van 17 mei 1990- haar verzoek bij de Commissie indiende.

4.7. Gelet op het bovenstaande staat vast dat de wederpartij in strijd
handelt met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster een hernieuwde
keuze te onthouden.

De Commissie merkt overigens op, dat de vraag naar de reikwijdte van de
beperking in terugwerkende kracht van doorslaggevend belang is voor de
precieze inhoud en kans van slagen van een vordering. De genoemde uitpraak van
het EG- Hof van 17 mei 1990 biedt op dit punt ook in de onderhavige zaak geen
uitsluitsel. De Commissie veroorlooft zich dan ook op te merken dat een nadere
ontwikkeling in de jurisprudentie van het Hof zeer wenselijk is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor te Amsterdam onderscheid naar geslacht maakt(e) door

– de in 1983 voorgelegde eenmalige keuzemogelijkheid ten aanzien van de
pensioneringsleeftijd slechts voor te leggen aan de toen in dienst zijnde
vrouwen, en,

– aan mevrouw niet ook nu een keuzemogelijkheid toe te staan, terwijl
mannelijke werknemers die in 1983 in dienst waren nu op elk gewenst tijdstip
met een beroep op ongelijke behandeling een dergelijke keuze kunnen
afdwingen.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, voorzitter; drs C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 23 mei 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is in hoger beroep gekomen van de
door de Raad van Beroep te ‘s-Hertogenbosch d.d. 23 mei 1991 gegeven
uitspraak, volgens welke het beroep tegen de beslissing tot intrekking van de
AAW-uitkering gegrond werd verklaard, nu de vrouw recht had op een (lagere)
AWW-uitkering.

In casu ontving de vrouw slechts een geprorateerde, dus een behoorlijk
lagere AWW-uitkering. De Centrale Raad vernietigt in deze en een groot aantal
andere gedingen, die gevoegd zijn behandeld, de beslissing van de eerste
rechter. Naar de mening van de Centrale Raad is er geen sprake van directe
noch indirecte discriminatie in de zin van art. 4 van de Derde EG-richtlijn.
Ook is er geen sprake van discriminatie tussen gehuwden en ongehuwd
samenwonenden dan wel tussen weduwen/weduwnaars en andere AAW- gerechtigden.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de Raad van Beroep te ‘s-Hertogenbosch onder
dagtekening 30 oktober 1986 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is van contra-memorie gediend en is nadien een stuk
ingezonden.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 11
april 1991, gevoegd met een groot aantal andere gedingen, alle betreffende de
toepassing van artikel 32, eerste lid, aanhef en sub b van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Eiser heeft zich aldaar doen
vertegenwoordigen door Mr. W.J. van B., werkzaam bij het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor, terwijl gedaagde niet is verschenen.

II Motivering

Gedaagde genoot sinds 1 oktober 1976 een uitkering ingevolge de AAW,
berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. In verband
met het overlijden van haar echtgenoot op 25 maart 1985 werd haar met ingang
van 1 maart 1985 een pro rata weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen-
en Wezenwet (AWW) toegekend. Vervolgens heeft eiser bij de bestreden
beslissing van 28 februari 1986 de AAW-uitkering met ingang van 1 maart 1985
ingetrokken en bij beslissing van 18 oktober 1985 van gedaagde teruggevorderd
een bedrag groot ƒ 12.817,37 aan AAW-uitkering, die ten onrechte zou zijn
genoten over de periode van 1 oktober 1984 tot 1 juli 1985.

De Raad heeft thans te beoordelen of deze beslissingen in rechte stand
kunnen houden.

A. De beslissing van 18 juli 1985

De bestreden beslissing berust op art. 32, eerste lid, aanhef en sub b
van de AAW, volgens welke bepaling de AAW-uitkering wordt ingetrokken indien
de vrouw aan wie zij is toegekend recht verkrijgt op een weduwenpensioen of
een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de AWW.

Gedaagde heeft deze intrekking bestreden met een beroep op het feit dat
het, gedeeltelijke, AWW-pensioen veel lager is dan de voorheen genoten
AAW-uitkering.

De eerste rechter heeft deze beslissing vernietigd, overwegende dat art.
32, eerste lid, aanhef en sub b discriminatie naar geslacht inhoudt, nu de
overgang van de AAW-uitkering naar de AWW-uitkering in voorkomend geval
uitsluitend voor vrouwen tot gevolg heeft dat deze er in inkomen op
achteruitgaan. De Raad gaat er van uit dat de eerste rechter hierbij doelt op
het, de Raad uit vele andere procedures bekende, verschijnsel dat het netto
weduwenpensioen lager uit kan vallen dan de voorheen genoten netto
AAW-uitkering. Blijkens een schrijven van 24 november 1986 van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hangt dit samen met het
feit dat in de volksverzekeringen verschillende koppelingsmechanismen worden
gehanteerd, als gevolg waarvan op sociaal minimumniveau liggende uitkeringen
niet in alle gevallen aan elkaar gelijk zijn.

Aan zijn voormelde overweging heeft de eerste rechter toegevoegd dat de
verboden discriminatie, bestaande uit de inkomensachteruitgang, in casu wel
bijzonder aanspreekt, nu aan gedaagde slechts een gedeeltelijke (pro rata)
AWW-uitkering is toegekend.

De Raad zal in het navolgende art. 32, eerste lid, aanhef en sub b
toetsen zowel aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
19 december 1978, betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid (hierna: de EG-richtlijn), als aan art. 26 van het Internationaal
Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR).

2. De EG-richtlijn

2.1 Directe discriminatie

Art. 32, eerste lid, aanhef en sub b van de AAW is naar ’s Raads oordeel
een bepaling die naar de letter discriminatie naar geslacht in de zin van art.
4 van de EG-richtlijn zou kunnen opleveren, in verband met de uitsluitend voor
vrouwen geldende inkomensachteruitgang die de bepaling teweeg kan brengen in
geval van overgang van een AAW-uitkering op een uitkering ingevolge de AWW.

In zijn uitspraken van 7 december 1988, AWW 1987/17 en AWW 1987/46,
gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1989/67, en van 30 januari
1991, AWW 1989/31, heeft de Raad evenwel op gronden, ontleend aan art. 26
IVBPR, beslist dat weduwnaars met ingang van 23 december 1984 in beginsel aan
de AWW aanspraken op uitkering kunnen ontlenen, overeenkomend met die van
weduwen. De Raad is van oordeel dat de rechtsgevolgen die aan het toekennen
van een dergelijke uitkering zijn verbonden onverkort dienen te gelden waar de
prestaties uit hoofde van een andere wet in het geding zijn. Art. 32, eerste
lid, aanhef en sub b van de AAW heeft derhalve thans ook betekenis voor mannen
en leidt ook voor hen tot intrekking van de AAW-uitkering indien zij recht
verkrijgen op een weduwnaarspensioen of een tijdelijke weduwnaarsuitkering.

Dit brengt mee dat art. 32, eerste lid, aanhef en sub b van de AAW sinds
23 december 1984 niet direct discriminerend werkt ten opzichte van vrouwen.
Het effect van een lager uitkeringsbedrag als gevolg van de overgang van een
AAW-uitkering op een AWW- uitkering kan zich sindsdien bij mannen immers
evenzeer voordoen.

De Raad merkt in dit verband nog op dat blijkens circulaires van 31
maart 1989, nr. C 792, en van 24 oktober 1990, nr. C 808, van de Federatie van
Bedrijfsverenigingen art. 32, eerste lid, aanhef en sub b ook daadwerkelijk op
mannen die een weduwnaarspensioen of tijdelijke weduwnaarsuitkering ontvangen
wordt toegepast.

Aan het vorenstaande doet niet af dat tot de uitspraken van deze Raad
van 7 december 1988 art. 32, eerste lid, aanhef en sub b uitsluitend op
vrouwen is toegepast, nu dit in verband moet worden gezien met de
omstandigheid dat blijkbaar niet eerder dan in de door de Raad berechte
gevallen door mannen aanspraken ingevolge de AWW in rechte geldend zijn
gemaakt, waaraan echter voor de beantwoording van de vraag of er sprake is en
was van discriminatie geen beslissend belang kan worden gehecht.

2.2. Indirecte discriminatie

Vervolgens komt de vraag aan de orde of art. 32, eerste lid, aanhef en
sub b, zoals deze bepaling thans dient te worden verstaan, leidt tot indirecte
discriminatie naar geslacht in de zin van de EG-richtlijn.

Van een dergelijke discriminatie kan sprake zijn als een regeling die op
zichzelf sekse-neutraal is, door verwijzing naar bijvoorbeeld de echtelijke
staat of de gezinssituatie een aanmerkelijk groter deel van hetzij de vrouwen
hetzij de mannen in vergelijking met de leden van het andere geslacht nadelig
treft, terwijl daarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat.

Ten aanzien van de regeling van art. 32, eerste lid, aanhef en sub b
overweegt de Raad in dit verband dat deze regeling, in het licht van de eerder
vermelde opvatting van de Raad, als sekse-neutraal kan worden beschouwd, doch
dat de regeling tot een nadeel kan leiden, verband houdende met een wijziging
in de gezinssituatie, te weten het overlijden van de huwelijkspartner.

De vraag is nu of de regeling hierdoor een aanmerkelijk groter deel van
hetzij de vrouwen hetzij de mannen in vergelijking met de leden van het andere
geslacht nadelig treft. Dit zou alleen dan het geval kunnen zijn als meer
vrouwen dan mannen, dan wel meer mannen dan vrouwen in verband met het verlies
van de huwelijkspartner recht zouden verkrijgen op AWW-uitkering en daardoor
het recht op AAW-uitkering zouden verliezen.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Van de gehuwde vrouwen in Nederland heeft, naar van algemene bekendheid
is, het merendeel een oudere mannelijke partner.

Oudere personen sterven gemiddeld eerder dan jongere, terwijl vrouwen
bovendien gemiddeld langer leven dan mannen. Als gevolg hiervan zullen meer
vrouwen dan mannen als gevolg van het verlies van de huwelijkspartner recht
verkrijgen op een AWW-uitkering.

Anderzijds nemen, zoals eveneens van algemene bekendheid is, meer mannen
dan vrouwen aan het beroeps- en bedrijfsleven deel en zal derhalve een groter
aantal mannen dan vrouwen in het genot van een AAW-uitkering zijn.

Deze gegevens bieden, in samenhang bezien, onvoldoende grond zowel om
voor juist te houden dat aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen als gevolg van
een recht op AWW-uitkering de AAW-uitkering verliezen, als om voor juist te
houden dat dit voor aanmerkelijk meer mannen dan vrouwen zou gelden. Voor
beide veronderstellingen geldt immers dat er gegevens bestaan welke eerder het
tegendeel aannemelijk maken. Nu ten gedinge ook overigens niet is gebleken van
gegevens waaruit de juistheid van een van de beide veronderstellingen valt af
te leiden vindt de Raad reeds om deze reden geen grond het bestaan van
indirecte discriminatie aan te nemen.

3. Artikel 26 IVBPR

3.1 Discriminatie naar geslacht

Met het hiervoor overwogene omtrent discriminatie naar geslacht in de
zin van de EG-richtlijn is tevens gegeven dat art. 32, eerste lid, aanhef en
sub b geen discriminatie naar geslacht oplevert in de zin van art. 26 IVBPR.

3.2. Discriminatie anders dan naar geslacht

3.2.1 Gehuwden en ongehuwd samenwonenden

Vervolgens rijst de vraag of art. 32, eerste lid, aanhef en sub

b leidt tot een door art. 26 IVBPR verboden ongelijk rechtsregime tussen
gehuwden en ongehuwd samenwonenden. Hierbij gaat het erom dat de bepaling
alleen voor gehuwden geldt en dus alleen bij dezen tot een intrekking van de
AAW-uitkering kan leiden.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. In ’s Raads uitspraken van 28
september 1989 en 28 februari 1990, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale
Verzekering 1990/235 en 1990/295 heeft de Raad, zich orienterend aan de
beslissing van het Comite van de rechten van de mens bedoeld in art. 28 IVBPR
in de zaak-Danning (beslissing van 9 april 1987, nr. 180/1984, gepubliceerd in
Rechtspraak Sociale Verzekering 1988/201), in de aldaar berechte gevallen
geoordeeld dat de maatschappelijke ontwikkelingen en de rechtsopvattingen op
het gebied van huwelijk en samenwonen (nog) geen zodanige verandering hadden
ondergaan dat de ongelijkheid in rechtsregime tussen gehuwden an ongehuwd
samenwonenden een verboden onderscheid in de zin van art. 26 IVBPR opleverde.
De Raad ziet geen aanleiding hierover voor de toepassing van de onderhavige
regeling op de datum thans in geding anders te oordelen.

3.2.2 Weduwen en weduwnaars en andere AAW-gerechtigden

Daarnaast kan de vraag worden gesteld of de wetgever met art. 32, eerste
lid, aanhef en sub b geen door art. 26 IVBPR verboden onderscheid heeft
gemaakt tussen de AAW-gerechtigden die weduwe of weduwnaar zijn geworden
enerzijds en de overige AAW- gerechtigden anderzijds, nu zich alleen bij de
eerste categorie als gevolg van de overgang van een AAW-uitkering op een AWW-
uitkering het effect van een lager uitkeringsbedrag voor kan doen.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Art. 32, eerste lid, aanhef en sub b van de AAW heeft het, op zichzelf
gerechtvaardigde, doel de cumulatie te voorkomen van uitkeringen uit twee
wetten die beide voorzien in een uitkering op minimumniveau. De wetgever heeft
om dit doel te bereiken bepaald dat bij een verkregen recht op AWW-uitkering
de AAW- uitkering wordt beeindigd. De Raad meent dat de wetgever hierbij, ter
voorkoming van inkomensachteruitgang, had kunnen voorzien in een aanvullende
aanspraak op AAW-uitkering zolang deze de AWW- uitkering zou overtreffen, doch
vindt toch onvoldoende grond te oordelen dat de wetgever door dit na te laten
in strijd heeft gehandeld met art. 26 IVBPR. De Raad wijst er hierbij op dat
door de gemaakte keuze de AAW-gerechtigde die weduwe of weduwnaar is geworden
onder het bereikt komt van een rechtsregime dat uitkeringsvoorwaarden biedt
die specifiek op weduwen en weduwnaars zijn toegesneden, terwijl van dit
regime niet gezegd kan worden dat het geen adequate bescherming op
minimumniveau biedt. In dit verband acht de Raad de specifiek voor gedaagde
geldende omstandigheid dat zij in verband met de verzekeringsloopbaan van haar
echtgenoot een zogeheten geprorateerde en daarom lagere AWW-uitkering ontvangt
geen reden voor een ander oordeel, nu deze omstandigheid niet los kan worden
gezien van het, in verband met diezelfde verzekeringsloopbaan, bestaan van
aanspraken buiten Nederland die voor de lagere uitkering compensatie kunnen
bieden. Daarnaast is van belang dat ingevolge art. 38 van de AAW in geval van
onafgebroken arbeidsongeschiktheid bij het einde van de AWW-uitkering een
recht op onmiddellijke heropening van de AAW-uitkering bestaat.

4. Conclusie

Het vorenstaande brengt mee dat de bestreden beslissing noch met de
EG-richtlijn, noch met art. 26 IVBPR in strijd is. Nu er ook overigens geen
reden is de beslissing voor onjuist te houden dient te worden beslist als
volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mr S.V. Hoogendijk-Deutsch, voorzitter, mrs N.J. Haverkamp en G.A.J. vanden Hurk, leden.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 23 mei 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Evenals in de hierboven onder nr 198 opgenomen uitspraak vernietigt de
Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de Raad van Beroep te Zwolle,
voorzover het beroep tegen de intrekking per 1 oktober 1984 van de
AAW-uitkering op grond van art. 32 AAW vanwege het toekennen van een
AWW-uitkering gegrond werd verklaard. Art. 32, eerste lid, aanhef en sub b van
de AAW maakt naar de mening van de Centrale Raad geen onderdeel uit van de
wijzigingswet AAW, zodat art. 26 IVBPR pas rechtstreekse werking heeft vanaf
23 december 1984 en derhalve in casu geen beroep kan worden gedaan op het
IVBPR. Met betrekking tot de terugvordering merkt de Raad onder verwijzing
naar een eerdere uitspraak op dat de bedrijfsvereniging geen bevoegdheid heeft
krachtens art. 48, vierde lid AAW (oud) tot terugvordering over te gaan. Dit
laatste geldt niet vanaf 7 mei 1985, het moment dat de AWW-uitkering was
toegekend en dit onverwijld had moeten worden meegedeeld aan de
bedrijfsvereniging.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van de gedingen

Eiser is op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden in hoger
beroep gekomen van een door de Raad van Beroep te Zwolle onder dagtekening 3
mei 1988 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Eiser heeft een vraag van ’s Raads voorzitter beantwoord en nog een stuk
ingezonden, waarop van de zijde van gedaagde is gereageerd.

De gedingen zijn ter terechtzitting van de Raad van 11 april 1991
gevoegd behandeld met een groot aantal andere gedingen, alle betreffende de
toepassing van artikel 32, eerste lid, aanhef en sub b van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Aldaar heeft eiser zich doen
vertegenwoordigen door Mr. W.J. van B., werkzaam bij het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor, en is gedaagde verschenen bij gemachtigde Mr. O.Z.B.,
advocaat te D.

II. Motivering

Gedaagde genoot sinds 12 juni 1978 een uitkering ingevolge de AAW,
berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100.

In verband met het overlijden van haar gewezen echtgenoot op 18 oktober
1984 vroeg zij op 1 februari 1985 een uitkering aan ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet (AWW). Deze uitkering werd haar bij beslissing van 6 mei
1985 van de Raad van Arbeid te Zwolle met ingang van 1 oktober 1984
toegekend.

Op 28 juni 1985 heeft gedaagde eisers administrateur op de hoogte
gesteld van de toekenning van de AWW-uitkering met terugwerkende kracht tot 1
oktober 1984.

Vervolgens heeft eiser bij beslissing van 18 juli 1985 de AAW- uitkering
met ingang van 1 oktober 1984 ingetrokken en bij beslissing van 18 oktober
1985 van gedaagde teruggevorderd een bedrag groot 12.817,37 aan
AAW-uitkering, die ten onrechte zou zijn genoten over de periode van 1 oktober
1984 tot 1 juli 1985.

De Raad heeft thans te beoordelen of deze beslissingen in rechte stand
kunnen houden.

A. De beslissing van 18 juli 1985

Deze beslissing berust op art. 32, eerste lid, aanhef en sub b van de
AAW, volgens welke bepaling de AAW-uitkering wordt ingetrokken indien de vrouw
aan wie zij is toegekend recht verkrijgt op een weduwenpensioen of een
tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de AWW.

Gedaagde heeft bezwaar tegen deze beslissing omdat het netto
weduwenpensioen lager is dan de voorheen door haar genoten netto
AAW-uitkering. Blijkens een schrijven van 24 november 1986 van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hangt dit samen met het
feit dat in de volksverzekeringen verschillende koppelingsmechanismen worden
gehanteerd, als gevolg waarvan op sociaal minimumniveau liggende uitkeringen
niet in alle gevallen aan elkaar gelijk zijn.

De eerste rechter heeft de beslissing vernietigd, oordelende dat art.
32, eerste lid, aanhef en sub b van de AAW in strijd is met art. 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna:
IVBPR). Deze rechter heeft daarbij aangenomen, zich baserend op uitspraken van
deze Raad van 5 januari 1988, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering
(RSV) 1988/198, 199 en 200, dat er ten aanzien van art. 32, eerste lid, aanhef
en sub b reeds vanaf 1 januari 1980 een beroep op het in voormeld
verdragsartikel opgenomen discriminatieverbod mogelijk is. Voorts heeft die
rechter geoordeeld dat art. 32, eerste lid, aanhef en sub b in strijd is met
de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978,
betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (hierna: de
EG-richtlijn); op grond daarvan kon vanaf 23 december 1984 aan het bezwaar van
gedaagde worden tegemoet gekomen maar op 1 oktober 1984 – de datum met ingang
waarvan de AAW-uitkering is ingetrokken – kon op die richtlijn nog geen beroep
worden gedaan.

De Raad overweegt het navolgende.

In navolging van onder meer ’s Raads uitspraken van 14 mei 1987, WUV
1984/82, RSV 1987/246, van 20 april 1989, WUV 1986/79, RSV 1989/271, en van 10
mei 1989, WWV 1988/63, RSV 1990/230 is de Raad ten aanzien van de onderhavige
wettelijke bepaling, anders dan de eerste rechter, van oordeel dat niet eerder
dan op 23 december 1984 het tijdstip is aangebroken waarop aan art. 26 IVBPR
in het kader van de door dit artikel gevorderde geleidelijke opheffing van
discriminerende bepalingen in de nationale wetgeving niet langer de werking
kan worden ontzegd, dat nationale bepalingen die met art. 26 in strijd zijn
buiten toepassing dienen te worden gelaten. De Raad acht daarbij in hetgeen
werd overwogen in zijn uitspraken van 5 januari 1988, gepubliceerd in RSV
1988/198, 199 en 200, geen reden gelegen om, zoals in die uitspraken voor de
aldaar aan de orde zijnde aanspraken uit hoofde van de AAW geschiedde, die
datum te stellen op 1 januari 1980.

De Raad wijst er daarbij op dat het in die laatste uitspraken ging om
bepalingen van de Wet invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en
vrouwen (Wet van 20 december 1979, Stb. 708), welke wijzigingswet onder meer
ten doel had de tot dat moment in de AAW voorkomende discriminatie van de
(gehuwde) vrouw weg te nemen. De reden voor de Raad om voor de betrokken
bepalingen van die wijzigingswet ten aanzien van de zojuist omschreven werking
van art. 26 IVBPR uit te gaan van het tijdstip 1 januari 1980, zijnde het
tijdstip waarop de AAW conform die wet kwam te luiden, was de kennelijke
bedoeling van de wetgever de AAW met ingang van dat tijdstip met art. 26 IVBPR
in overeenstemming te brengen.

Art. 32, eerste lid, aanhef en sub b van de AAW was echter geen
onderdeel van genoemde wijzigingswet doch maakte, zij het onder een andere
letter, reeds voordien deel uit van (art. 32 van) de AAW, terwijl de bepaling
bovendien geen ander doel had dan het voorkomen van de cumulatie van
uitkeringen uit twee volksverzekeringswetten. Er bestaat dan ook geen reden om
het tijdstip van rechtstreekse werking van art. 26 IVBPR hier anders te
bepalen dan op 23 december 1984.

De Raad merkt verder nog op dat in het onderhavige geding geen rechten
kunnen worden ontleend aan de EG-richtlijn, nu op die datum waar de bestreden
beslissing betrekking op heeft de overgangstermijn welke in deze richtlijn was
voorzien nog niet was verstreken.

Het vorenstaande brengt mee dat de beslissing van 18 juli 1985 niet kon
worden vernietigd op de gronden als in de aangevallen uitspraak gebezigd. Ook
overigens ziet de Raad geen reden deze beslissing niet in stand te laten.

B. De beslissing van 18 oktober 1985

Deze beslissing berust op de toepassing van art 48, vierde lid van de
AAW, en wel naar de tekst zoals die gold voor 1 januari 1987.

Aangezien die bepaling de terugvordering niet kan dragen – vide ’s Raads
uitspraak van 18 februari 1988, AAW 1983/S 397, RSV 1988/236 – berust de
beslissing op een onjuiste grondslag, zodat deze voor vernietiging in
aanmerking komt.

Eiser heeft bij brief van 9 januari 1991 de Raad meegedeeld de over de
periode van 1 februari 1985 tot 1 juli 1985 aan gedaagde betaalde
AAW-uitkering van haar terug te gaan vorderen op grond van art. 48, tweede
lid, onder a en b van de AAW (tekst tot 1 januari 1987) en dit als volgt
toegelicht:

‘Het bestuur van de bedrijfsvereniging is van mening dat mevrouw B. op
grond van art. 78 AAW gehouden was onverwijld nadat zij een AWW-pensioen had
aangevraagd op 1 februari 1985 de bedrijfsvereniging daarover te informeren.
Door pas op 1 juni 1985 inlichtingen te verstrekken over het aanvragen van een
AWW- pensioen heeft mevrouw B. deze verplichting inlichtingen te verstrekken
niet, althans niet naar behoren, nageleefd. Het bestuur van de
bedrijfsvereniging is van mening dat in verband hiermee over de periode van 1
februari 1985 tot 1 juli 1985 door toedoen van mevrouw B. aan haar
onverschuldigd AAW-uitkering is betaald. Voorts is het bestuur van de
bedrijfsvereniging van mening dat vanaf 1 februari 1985, toen mevrouw B. een
AWW- pensioen aanvroeg, het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat wanneer
dit pensioen zou worden toegekend, de bedrijfsvereniging onverschuldigd
AAW-uitkering had betaald.’

Omtrent dit standpunt merkt de Raad ten overvloede het volgende op.

De mededelingsverplichting, neergelegd in art. 78 van de AAW, ziet op
feiten en omstandigheden, waarvan het degene die in het genot is van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, redelijkerwijs duidelijk is, of had moeten
zijn, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.

Het feit dat een uitkering ingevolge de AWW is aangevraagd kan op zich
genomen niet van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het recht op AAW- uitkering vervalt immers
eerst nadat de AWW-uitkering is toegekend. Anders dan eiser kennelijk meent
levert het enkele doen van een aanvraag om een dergelijke uitkering dan ook
(nog) geen verplichting op als bedoeld in art. 78.

Uit genoemd artikel vloeit wel voort dat de uitkeringsgerechtigde van de
beslissing tot toekenning c.q. van het feitelijke ontvangen van een
AWW-uitkering onverwijld eigener beweging mededeling moet doen aan de
bedrijfsvereniging. De Raad wijst er in dit verband nog op dat in het
informatiemateriaal dat het Gemeenschappelijk Administratiekantoor aan de
uitkeringsgerechtigden ter beschikking stelt is vermeld dat degenen die een
AWW-uitkering ontvangen geen aanspraak kunnen maken op een AAW-uitkering en
dat het ontvangen of gaan ontvangen van een andere uitkering aan de
bedrijfsvereniging moet worden gemeld.

De Raad stelt vast dat gedaagde bij brief van 6 mei 1985 is geinformeerd
omtrent de beslissing tot toekenning van AWW- uitkering en dat zij daarvan
eerst op 28 juni 1985 – dus niet onverwijld – mededeling heeft gedaan aan
eiser. De bevoegdheid van eiser tot terugvordering op de zogenaamde a-grond
kan in verband daarmee slechts worden aangenomen voor zover het gaat om
bedragen aan AAW-uitkering welke betaalbaar zijn gesteld op of na 7 mei 1985.
Voor deze datum was van het ten onrechte betalen van AAW-uitkering als gevolg
van het niet nakomen van de mededelingsverplichting geen sprake.

Aan het bepaalde sub b van het tweede lid van art. 48 kan eiser evenmin
bevoegdheid tot terugvordering ontlenen voor zover het gaat om bedragen aan
AAW-uitkering welke ten onrechte zijn uitbetaald voor 7 mei 1985. Naar ‘s
Raads oordeel kon het gedaagde voor die datum niet redelijkerwijs duidelijk
zijn geweest dat de uitbetaling van AAW-uitkering aan haar sedert 1 oktober
1984 ten onrechte had plaatsgevonden, nu niet eerder dan bij brief van 6 mei
1985 aan haar kenbaar was gemaakt dat met ingang van 1 oktober 1985 een
AWW-uitkering zou worden toegekend.

De aangevallen uitspraak komt dan ook, zij het op geheel andere gronden,
voor bevestiging in aanmerking voor zover deze betrekking heeft op de
beslissing van 18 oktober 1985.

Op grond van het bovenstaande en gelet op artikel 80a, tweede lid van de
Beroepswet dient te worden beslist als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op
de beslissing van 18 oktober 1985;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het inleidende beroep tegen de beslissing van 18 juli 1985
alsnog ongegrond;

Bepaalt dat van eiser een recht van ƒ 200,- zal worden geheven.

Rechters

Mr S.V. Hoogendijk-Deutsch, voorzitter, mrs N.J. Haverkamp en G.A.J. vanden Hurk, leden.