Brief aan Tweede Kamer over Problematiek van jonge moeders en zwangere vrouwen die een opleiding volgen, d.d. 26 februari 2015

Brief over studerende moeder 26 februari 2015 in PDF

Aan de Vaste Kamercommissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Tweede Kamer der Staten Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Leiden, 26 februari 2015

Betreft: Problematiek van jonge moeders en zwangere vrouwen die een opleiding volgen

Geachte voorzitter en leden van de commissie,

Op 5 maart 2015 zult u tijdens een Algemeen Overleg met Minister Bussemaker komen te spreken over het de problematiek rondom jonge moeders die een opleiding volgen[1].
De Vereniging Voor Vrouw en Recht (VVR) heeft de afgelopen maanden uw gedachtewisseling over dit onderwerp met de minister met belangstelling gevolgd en wilt u vanuit haar betrokkenheid met de materie enkele suggesties meegeven, mede als reactie op het antwoord van de minister op uw schriftelijk verslag.

Voor jonge moeders die een opleiding volgen, zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving een beperkt aantal voorzieningen getroffen.  Door het ontbreken van cruciale randvoorwaarden om zorg en opleiding te combineren wordt deze groep belemmerd in de toegang tot het onderwijs en de mogelijkheid om een opleiding af te ronden. Het risico op studievertraging en/of studieuitval in combinatie met een forse studieschuld, is zeer groot. In het hoger onderwijs verlaat meer dan de helft van de studerende moeders het onderwijs zonder diploma. Dit blijkt uit de ervaringen van het Steunpunt Studerende Moeders en uit de cijfers van de minister zoals onderdeel van het verslag van het schriftelijk overleg.
De VVR is van mening dat deze situatie discriminatie op grond van geslacht is

Zwangerschapsdiscriminatie
Van directe discriminatie is sprake wanneer ongelijke behandeling rechtstreeks op grond van het geslacht wordt gebaseerd. Discriminatie op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap wordt met directe discriminatie gelijkgesteld.[2] Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bovendien verschillende keren vastgesteld dat er niet alleen sprake is van discriminatie wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties, maar ook wanneer dezelfde regels worden toegepast op verschillende situaties en dit leidt tot een bijzondere benadeling van een door het discriminatierecht beschermde groep. Dit betekent dat niet alleen ongelijke behandeling vanwege zwangerschap als discriminatie moet worden gekwalificeerd, maar ook wanneer hiermee geen rekening wordt gehouden.[3]

Verplichtingen op grond van het nationaal, Europees en internationaal recht
Nederland is op grond van EU recht en internationale verdragen verplicht discriminatie en ongelijke behandeling van meisjes en vrouwen actief tegen te gaan en zoveel als mogelijk op te heffen.
Artikel 14 2006/54/EG (recast richtlijn inzake gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep) verbiedt directe of indirecte discriminatie op grond van geslacht, onder andere voor wat betreft de toegang tot beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding en omscholing, met inbegrip van praktijkervaring.
Het Europees Parlement heeft voorts op 19 juni 2007 een resolutie aangenomen waarin lidstaten en instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs expliciet wordt opgedragen om gelijke behandeling en non- discriminatie van zwangere studenten en jonge moeders te garanderen zowel voor wat betreft de toegang tot, als de voortzetting en het opnieuw opnemen van studies en tevens dat zij extra rekening dienen te houden met hun behoeften[4]. Bovendien is de Nederlandse staat ook partij bij het VN-Vrouwenverdrag. In artikel 10 van dit verdrag wordt bepaald dat de lidstaten gehouden zijn alle passende maatregelen te nemen om vrouwen rechten te verzekeren die gelijk zijn aan die van mannen op het gebied van onderwijs en vorming.  Tot slot is in 1966 het UNESCO verdrag tot bestrijding van discriminatie in het onderwijs geratificeerd.

Voor wat betreft de nationale wetgeving zijn de Wet Gelijke Behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid en de Algemene Wet Gelijke Behandeling relevant. Op grond van deze wetten mogen instellingen voor (beroeps) onderwijs geen direct en indirect onderscheid maken op grond van geslacht.
De VVR constateert op grond van het bovenstaande dat er een grote discrepantie bestaat tussen de bestaande praktijk en de juridische verplichtingen op grond van nationale en internationale regelgeving.

Voorzieningen binnen instellingen
Aangezien er formeel in de onderwijswetgeving niets geregeld is, zijn jonge moeders die een opleiding volgen voor voorzieningen, volledig afhankelijk van de goedwillendheid binnen hun onderwijsinstelling. Instellingen maken het jonge moeders die een opleiding volgen geregeld buitengewoon moeilijk door het niet toelaten van uitzonderingen op de aanwezigheidsplicht, weinig flexibele lesroosters of het bieden van een (te) beperkt aantal tentamens en/ of herkansingsmogelijkheden. Voorzieningen die wel voor  onder meer werknemers met kinderen bestaan worden  niet aangeboden aan studerende moeders. Deze leemte kan eenvoudig worden opgelost door aan artikel 7 lid 13 van de Wet op het hoger onderwijs en onderzoek (WHW), resp. artikel 7 lid 4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) een bepaling toe te voegen op grond waarvan instellingen verplicht worden om in de zogenaamde Onderwijs en Examenregeling (OER) vast te leggen hoe studenten bij zwangerschap en bevalling of zorgverplichtingen in de gelegenheid gesteld worden om onderwijs te volgen en tentamens af te leggen.  Een soortgelijke bepaling bestaat reeds voor studenten met een handicap of chronische ziekte. Door de uiteindelijke invulling over te laten aan de instellingen zelf, blijft de autonomie van de instellingen en systematiek van de wetgeving gehandhaafd. Deze aanvulling sluit voorts aan bij artikel 4 van de WHO, waarin de rechtspositie van het personeel is geregeld. Ter inspiratie wijzen wij in dit verband ook nog op artikel 7, lid 1 van de WEB, waarin staat dat instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs ondersteuning kunnen krijgen bij het aanbieden van onderwijs aan leerlingen die wegens ziekte in een instelling of thuis verblijven.

De VVR pleit er voor dat de Kabinetsmaatregelen die worden genomen in het kader van een ‘ Leven Lang Leren’[1] niet beperkt blijven tot het deeltijdonderwijs. Hoewel expliciet bedoeld voor het deeltijdonderwijs kunnen veel van deze maatregelen bij uitstek nuttig zijn om (ook) het voltijd-onderwijs beter af te stemmen op de situatie van jonge moeders die een opleiding volgen.
De VVR sluit daarom bij het voorstel van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) voor verdere flexibilisering,en pleit er voor ook in het voltijdse onderwijs mogelijk te maken dat studenten per periode kunnen bepalen voor welke onderdelen van een opleiding, met welke omvang qua studiepunten zij zich kunnen inschrijven, waarbij de hoogte van het collegegeld en de bekostiging voor de instelling naar rato kan worden vastgesteld.

Zwangerschapsverlof
Zwangere vrouwen die een opleiding volgen hebben, anders dan zwangere werknemers, geen wettelijk recht op zwangerschapsverlof. Dat dit in de praktijk tot lastige en onduidelijke situaties kan leiden blijkt zowel uit de ervaringen van het Steunpunt Studerende Moeders als uit uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens (voorheen Commissie Gelijke Behandeling).[5]
Instellingen en gemeenten weten vaak niet hoe afwezigheid in verband met zwangerschap – en of bevalling te kwalificeren en slagen er vaak niet in het onderwijs zó in te richten dat rekening gehouden wordt met een periode voor zwangerschaps- en bevallingsverlof. Waar sommige instellingen adviseren de opleiding ‘tijdelijk stop te zetten’ zijn er gemeenten die onverkort de ‘ scholingsplicht’ hanteren. Zwangere studenten worden voorts al heel snel met een extra hoge lening geconfronteerd omdat zij – tenzij de periode van zwangerschapsverlof zich uitsluitend tijdens de zomerperiode voltrekt – vrijwel altijd de nominale studieduur zullen overschrijden. Dit wordt met de invoering van ‘het studievoorschot’ niet anders. Zoals hierboven reeds beschreven staat het niet rekening houden met zwangerschap gelijk aan discriminatie op grond van geslacht.
De VVR pleit er daarom voor de consequenties van een zwangerschap tijdens opleiding of studie te verduidelijken door de nominale studie of opleidingsduur in de WHO resp. de WEB voor zwangere studenten te verlengen met een periode van 16 weken zwangerschapsverlof.

Gevolgen invoering ‘studievoorschot’
Met de invoering van het studievoorschot voor studenten in het Hoger Onderwijs in het studiejaar 2015-2016 komt de partnertoeslag voor studerende ouders met een partner met een laag inkomen te vervallen. Het is echter nog niet helder of, en zo ja hoe, deze verandering wordt opgevangen.
De VVR dringt erop aan deze onhelderheid zo spoedig mogelijk weg te nemen.

Participatiewet
Het beeld van de lange procedures, onduidelijkheden, willekeur en extra kosten rijst ook op uit de ervaringen van het Stichting Steunpunt Studerende moeders in relatie tot het gemeentelijk beleid voor jonge moeders die een opleiding volgen.
Alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar die in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Participatiewet, zijn alleen verplicht een baan te accepteren als (onder meer) voorzien kan worden in passende kinderopvang en bovendien de ouder voldoende belastbaar is (artikel 9 lid 4). Verder kan de gemeente een alleenstaande ouder met jonge kinderen alleen verplichten een opleiding te volgen als zij daarbij tevens zorg draagt voor beschikbare kinderopvang (artikel 9 lid 2 in samenhang met artikel 7 lid 1 onder A van de Participatiewet). Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering hebben, kort samengevat, recht op passende kinderopvang.
Dat geldt helaas niet voor (alleenstaande) ouders onder de 27 jaar die op grond van de ‘scholingsplicht’ (artikel 13, lid 2 onder c) géén recht hebben op een bijstandsuitkering, omdat zij in aanmerking komen voor studiefinanciering als voorliggende voorziening. Belastbaarheid en de aanwezigheid van randvoorwaarden zijn voor hen geen criterium. Of zij in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten is afhankelijk van het gemeentelijk beleid. Verschillende gemeenten hebben voor alleenstaande moeders die een opleiding volgen, geen voorzieningen opgenomen in hun verordening voor bijzondere bijstand. Deze moeders lopen vervolgens tegen tal van praktische problemen aan, zoals het gebrek aan flexibele kinderopvang én financiële problemen in verband met de noodzaak om extra kosten te maken en daarvoor geld bij te lenen. De lange juridische procedures die hiermee gemoeid zijn leiden niet alleen tot demotivatie, maar niet zelden ook tot studievertraging of zelfs uitval.

De VVR concludeert derhalve dat een alleenstaande moeder onder de 27 jaar met recht op studiefinanciering niet alleen slechter af is dan een jongere in dezelfde leeftijdsgroep zonder kinderen, maar ook slechter af is dan een alleenstaande moeder boven de 27 jaar die jonge kinderen heeft.
De VVR stelt daarom voor om artikel 13 van de Participatiewet op dit punt aan te passen en/ of tenminste zorg te dragen voor meer rechtsgelijkheid door in de eerst komende zgn. Verzamelbrief gemeenten een passage op te nemen over een vergoeding van kosten voor kinderopvang voor alleenstaande ouders met studiefinanciering.

Met dit schrijven hoopt de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann u handvatten te geven voor een constructieve inbreng tijdens het komend Algemeen Overleg en is graag bereid een en ander mondeling of per email nader toe te lichten of u in contact te brengen met deskundigen uit de Vereniging. Na een mailbericht via info@oud-vvr.computersaysno.eu nemen wij onverwijld contact met u op.

Met vriendelijke groet

Mr. M.M. (Mieke) van der Burg,
Voorzitter

Cc. De Minister van onderwijs dr. M. Bussemaker

[1] TK 2014-2015, 24 724, nr 135

[2] H.V.J. nr 177/88., Dekker/ Stichting Vormingscentrum Voor Jongvolwassenen; Artikel 1 Wet Gelijke Behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid.

[3] Zie HvJ EG 13 februari 1996, zaak C-342/93 (Gillespie), HvJ EG 8 april 1998, zaak C-136/95, (Thibault), HvJ EG 30 juni 1998, zaak C-394/96 (Brown)). Dit uitgangspunt is voorts neergelegd in het verbod op indirecte discriminatie, zowel in de Europese Richtlijn (Richtlijn 2006/54/EG) als in de Nederlandse gelijke behandelingswetgeving (bijv. art. 1c Algemene Wet Gelijke Behandeling.)

[4] Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2007 over een regelgevend kader voor maatregelen ten behoeve van jonge vrouwen in de Europese Unie om gezin en studies met elkaar te verzoenen (2006/2276(INI))

‘Verder met het Zandpad’

Notitie ‘Verder met het Zandpad’

In de brief van het College  van B&W van Utrecht dd 16 december 2014 over de voortgang met betrekking tot het Zandpad wordt over een aantal oplossingsrichtingen gesproken. Een van deze oplossingsrichtingen is om bouw, eigendom en beheer van het Nieuwe Zandpad te beleggen bij een maatschappelijke organisatie die niet op winst uit is maar het belang van de vrouwen voorop stelt, in plaats van deze uit te besteden aan een nieuwe commerciële marktpartij. In bijgaande notitie in PDF zet de VVR  de argumenten hiervoor op een rij.

Notitie Verder met het Zandpad in PDF

Achtergrondinformatie studiemiddag M/V en verder

Registratie van geslacht in de geboorteakte en de basisregistratie personen (BRP) is verplicht en er zijn, behalve voor pasgeboren baby’s, in beginsel niet meer dan twee opties (m/f). Dat kan problemen opleveren voor transgenders die zich niet thuis voelen in de tweedeling m/v. Zo kunnen zij door overheidsinstanties of particuliere organisaties worden aangeschreven als iemand die zij niet zijn. Het kan ook voor ongemakkelijke situaties zorgen omdat de meeste identiteitsdocumenten geslacht vermelden als een van de identificatiegegevens.
Met het oog op dergelijke problemen is op verzoek van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie door onderzoekers van de Universiteit Utrecht, met medewerking van de NVVB, onderzocht of het juridisch mogelijk is om de opties voor sekseregistratie te verruimen of te veranderen, welke haken en ogen daaraan zitten, en welke consequenties zo’n verandering zou hebben.
Hiervoor is onder meer internationale regelgeving onderzocht, wetgeving in kaart gebracht, is ambtenaren burgerzaken gevraagd welke problemen zij voorzien en zijn ervaringen in zes landen met alternatieve registraties meegenomen.
Het rapport wordt eind februari openbaar. Naar aanleiding hiervan organiseert de onderzoeksgroep UCERF van de Universiteit Utrecht in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken op vrijdagmiddag 13 maart een studiemiddag. Enkele belangrijke thema’s en conclusies uit het onderzoeksrapport worden gepresenteerd en becommentarieerd vanuit verschillende
perspectieven (zoals wetenschap, politiek, ambtelijke praktijk en eigen ervaring van
belanghebbenden).
Thema’s die aan bod zullen komen zijn onder meer de verschillende mogelijkheden voor verruiming of verandering (bijvoorbeeld een ‘derde hokje’), de privacygevoeligheid van genderidentiteit, te verwachten juridische problemen vanwege seksespecifieke wetgeving (zoals met betrekking tot vaders en moeders, bescherming van zwangere vrouwen en mannen‐ en vrouwengevangenissen) en ervaringen en problemen in/met het buitenland.
Deelnemers aan de studiemiddag kunnen het boek ‘M/V en verder’ ter plekke met korting kopen.
Naast de onderzoekers Marjolein van den Brink en Jet Tigchelaar, hebben de volgende sprekers toegezegd: Margreet de Boer (GL‐ 1e Kamer), Lisette Kuijper (SCP), Geertje Mak (RUN), Philip Tijsma (COC), Caroline Forder (VU), Eric Gubbels (NVVB, gem. Amsterdam), Titia Loenen (UL), Miriam van den Have (NNID), Patrick Rijnen (gem. Amsterdam).

Beleids- en jaarplannen

Hier vindt u een link naar de successievelijke beleids- en jaarplannen.

Verslag congres 2014

“Recht zonder M/V?” Het afschaffen van sekse als juridische categorie

Spannende middag en een nieuwe koers

Donderdagmiddag 13 november vond in Ottone te Utrecht het jubileumcongres van de Vereniging voor Vrouw en Recht, Clara Wichmann plaats. Gekozen was voor een prikkelend thema, waarover de meningen flink uiteen lopen: “Recht zonder m/v?” over het afschaffen van sekse als juridische categorie.  Kan dit, mag dit, willen we dit? En wat zijn de gevolgen?

In haar openingswoord keek de voorzitter terug op hetgeen de VVR de afgelopen 30 jaar heeft bereikt. Maar er is ook nog veel te doen. De komende maanden gaat de vereniging zich bezinnen op een nieuwe koers.

Daarna was er ruimte voor een tweetal speeches. Hoogleraar politieke geschiedenis van gender in Nederland, Mieke Aerts, plaatste het congresthema in historisch perspectief. Saskia Wieringa (hoogleraar Gender and Women’s Same-sex Relations Crossculturally) nam de bezoekers mee op een korte antropologische wereldreis. In andere landen blijkt de scheiding man/vrouw niet zo strikt. We zien drie, vijf, soms wel  26 categorieën. Er volgde een levendige debat over de kansen en bedreigingen van het afschaffen van de algemene registratie van sekse door de overheid. Aan de hand van drie prikkelende stellingen ontstond er een boeiende discussie tussen panelleden en zaal met name over de vraag óf en hóe seksediscriminatie dan nog te bestrijden is.

Een uitvoerig verslag met foto’s is in PDF toegankelijk:
Verslag Lustrumcongres Vereniging voor Vrouw en Recht

 

Brief aan vaste commissie SZW van de Tweede Kamer over kabinetsreactie Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening?, 12 november 2014

Brief aan TK over Dienstverlening aan Huis in pdf

Aan de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Tweede Kamer
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Leiden,  12 november 2014

Betreft: Kabinetsreactie op  Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening? Advies van de commissie Dienstverlening aan huis, Kamerstukken II 2014/15, 29 427, nr. 100

Geachte dames en heren,

Woensdag 19 november a.s. zult u met minister Asscher in een Algemeen Overleg van gedachten wisselen over het advies van de commissie Kalsbeek Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening? en het kabinetsstandpunt hierover. De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) heeft dit advies en het kabinetsstandpunt met belangstelling gelezen en wil u vanuit haar betrokkenheid met de materie graag enige overwegingen meegeven op een tiental punten:

–      Erkenning noodzaak verbetering rechtspositie huishoudelijk personeel
–      Internationale regelgeving verplicht tot gelijke rechten
–      Zwarte markt
–      Uitbreiding naar 3 dagen vanwege publiek gefinancierde dienstverlening?
–      Afschaffing of ontmoediging in publieke sector?
–      Gastouders
–      Migrant domestic workers
–      In plaats van een dagen- mogelijk een urencriterium
–      Alternatieven serieuzer wegen
–      Verbeteren naleving binnen de regeling Dienstverlening aan huis

1. Erkenning noodzaak verbetering rechtspositie huishoudelijk personeel
De VVR is verheugd dat zowel commissie als kabinet erkent dat een slechtere rechtspositie van huishoudelijk personeel in beginsel onwenselijk is. Dat is positief. Voorgaande kabinetten waren van mening  dat die slechtere rechtspositie geen enkel probleem was of ontkenden zelfs dat daarvan sprake is. Met de constatering  van het kabinet “dat er geen goed alternatief is voor de markt voor dienstverlening aan huis”  is de VVR het echter oneens. Het bestaan van de regeling Dienstverlening aan huis zorgt er nu juist voor dat er geen markt is in de particuliere sector, zoals blijkt uit het door de VVR uitgegeven boek Een baan als alle andere?![1] en bijvoorbeeld het visiedocument van de OSB en de FNV[2]. Genoemde regeling werkt marktverstorend, ook in de publieke sector (zie ook punt 5), omdat het altijd goedkoper is personeel in te huren waarvoor geen sociale lasten behoeft te worden betaald. De regeling nodigt uit tot dubieuze bemiddelingsbureaus die ongehinderd door inspectie of belastingdienst het loon betalen, zogenaamd als kassier, maar feitelijk in een gezagsverhouding tot het huishoudelijk personeel, de alfahulp, de gastouder (dan wel nanny) of de PGB-zorgverlener staan. Dit ten koste van bonafide instellingen en van het huishoudelijk personeel zelf.

2. Internationale regelgeving verplicht tot gelijke rechten
Vanuit de opdracht is het begrijpelijk dat de commissie zich geconcentreerd heeft op de verplichtingen die bij ratificatie aan ILO Verdrag 189 (Domestic Workers Convention) verbonden zijn. Ook het kabinet beperkt zich hiertoe. De VVR wil er echter uitdrukkelijk op wijzen dat de uitzonderingspositie van het deeltijd huishoudelijk personeel ook nu al onhoudbaar is gezien de internationale verdragen waar Nederland – ook zonder Verdrag 189 – aan gebonden is.[3] Het College voor de Rechten van de Mens wees hier ook al eerder op.[4] Verschillende internationale toezichthoudende comités  hebben Nederland dan ook opgeroepen om een eind te maken aan deze uitzonderingspositie en om huishoudelijk personeel in dienst van particuliere huishoudens dezelfde werknemersrechten te geven als alle andere werknemers.[5] Bij de ILO speelt bovendien de Deeltijdconventie (Verdrag 175), waar Nederland bij ratificatie een voorbehoud had gemaakt voor de groep deeltijd huishoudelijk personeel per opdrachtgever werkzaam op doorgaans minder dan drie dagen per week.

3. Zwarte markt
Het expertcomité van de ILO heeft al eerder (in 2009) ) Nederland opnieuw gevraagd uit te leggen wat de “particular problems of a substantial nature” zijn die toepassing van Verdrag 175 op deze categorie werknemers in de weg staan. In het licht van de conclusies van de commissie Kalsbeek is opmerkelijk dat de regering in de regeringsrapportage over de periode juni 2008/juni 2013[6] als rechtvaardiging geeft dat zonder de regeling Dienstverlening aan Huis het huishoudelijk werk “would have disappeared in the black economy”. De commissie Kalsbeek stelt daarentegen, mede op basis van het onderzoek dat zij heeft laten verrichten, onomwonden dat er met de regeling  “in feite sprake is van een zwarte markt”.
Daarnaast wordt in genoemde regeringsrapportage gewezen op de positieve werkgelegenheidseffecten, maar ook hiermee maakt de commissie Kalsbeek korte metten: “voor een positief werkgelegenheidseffect op de private markt is dan ook weinig bewijs te vinden”. Met andere woorden: de rechtvaardigingen die de regering bij de ILO aanvoert deugen niet. Rectificatie zou op zijn plaats zijn.

4. Uitbreiding naar 3 dagen vanwege publiek gefinancierde dienstverlening?
Daarnaast vroeg het ILO-Comité wat de redenen waren om de uitzonderingspositie te verbreden van ‘minder dan drie dagen per week’ naar ‘minder dan vier dagen per week’. Op deze vraag geeft de regering in haar rapportage geen antwoord. Uit het onderzoek dat de commissie Kalsbeek heeft laten verrichten blijkt dat particulieren  zelden of nooit op meer dan één dag in de week huishoudelijk personeel te werk stellen. Dit in tegenstelling tot de publiek gefinancierde dienstverlening van alfahulpen en PGB-zorgverleners (Wmo en AWBZ).
Een en ander roept de verdenking op dat die uitbreiding (van minder dan drie dagen naar minder dan vier dagen) vooral te maken had met de gelijktijdige invoering van de Wmo. Die leidde tot een enorme uitbreiding van de alfahulpverlening ten koste van de ‘gewone’ thuishulpen, die als werknemer onder de cao vielen.[7] Toenmalig staatssecretaris Bussemaker achtte dit, net als een brede meerderheid in het parlement, een ongewenste ontwikkeling. Daarom is de Wmo per 2010 gewijzigd: alfahulpen mogen niet langer als huishoudelijke zorg in natura door thuiszorginstellingen worden ingezet en gemeenten kregen een vergewisplicht. Met dat laatste moest zeker worden gesteld dat zorgontvangers zich realiseerden dat ze werkgeversverantwoordelijk hadden als ze kozen voor een PGB. Aanvankelijk sorteerden deze wijzigingen wel enig effect: het aantal alfahulpen verminderde en het aantal thuishulpen met een regulier contract steeg enigszins. Het duurde echter niet lang voor verschillende gemeenten en thuiszorginstellingen weer nieuwe  constructies verzonnen waardoor de alfahulpverlening weer enorm toenam, veelal in strijd met de letter en zeker met de geest van de gewijzigde Wmo (2010).[8]
In dat licht is opmerkelijk dat de kabinetsreactie het aantal publiek gefinancierde dienstverleners veel lager raamt (nl. 60.000) dan minister Asschers voorganger minister Kamp. Hij meldde de Tweede Kamer in juni 2011 dat het naast om 40.000 tot 50.000 PGB-zorgverleners, om 60.000 alfahulpen en om 10.000 gastouders ging.[9] Nadien is het aantal krantenberichten over thuiszorgsters die hun baan bij de thuiszorginstelling verloren om terug te kunnen keren als alfahulp, verveelvoudigd.

5. Afschaffing of ontmoediging in publieke sector?
De commissie Kalsbeek stelt voor de regeling Dienstverlening aan huis af te schaffen voor de publiek gefinancierde dienstverlening. Het past niet in de officiële doelstelling van de regeling en de commissie vindt het onterecht en in strijd met gelijke behandeling dat met publieke middelen tweederangs werknemers worden bekostigd. Het kabinet vindt dat een stap te ver: misbruik of oneigenlijk gebruik van de alfahulpconstructie moet tegengegaan worden, maar voor “cliënten en pgb-houders” moet de regeling gehandhaafd blijven. Wat er dan onder oneigenlijk gebruik moet worden verstaan blijft onduidelijk in de kabinetsreactie (het kabinet zal daar op korte termijn nog op terug komen) en waarom de regeling voor cliënten en pgb-houders overeind moet blijven eveneens. De VVR vindt dit onbevredigend en wijst er enerzijds op dat PGB’s niet alleen gebruikt worden om particulieren in te huren, maar ook om zorg in te kopen bij een door de budgethouder geprefereerde, maar door het zorgbureau of de gemeente niet-gecontracteerde instelling, die door de regeling in een nadelige concurrentiepositie wordt gebracht. Bovendien schakelen gemeenten meer en meer de SVB in als uitvoerder/kassier ten opzichte van budgethouder én zorgverlener – waarom dan niet met volwaardig werknemerschap?
Daarnaast wijst de geschiedenis van de gewijzigde Wmo uit dat de kans groot is dat (sommige) gemeenten en instellingen waarschijnlijk opnieuw schijnconstructies zullen verzinnen alsof de cliënt zelf iemand in dienst neemt. Deze vrees wordt versterkt door het feit dat thuiszorginstellingen al weigerden om uitvoering te geven aan de uitspraak van de kantonrechter (Rb. Zutphen 18 januari 2012) over de plicht tot zes weken loondoorbetaling bij ziekte[10], daartoe zelfs opgeroepen door hun branche-organisaties die de uitspraak verwierpen. Dat Hof Arnhem/Leeuwarden in hoger beroep (5 november 2013) heeft geoordeeld dat de betreffende alfahulp feitelijk in dienst was van de instelling (de commissie Kalsbeek refereert ook aan deze uitspraak en een soortgelijke uitspraak van de CRvB) heeft naar de indruk van de VVR de thuiszorginstellingen niet tot inkeer gebracht. Ze blijven fungeren als (onvolledige) kassier voor cliënten, betalen geen loon door bij ziekte en hebben een gezagsverhouding tot de alfahulp.
In die context rest in de ogen van de VVR maar één radicale oplossing: afschaffing van de uitzonderingspositie voor alle deeltijd huishoudelijk personeel. Zeker nu dit  toch nu al een verplichting  is voor Nederland op basis van bestaande internationale verdragen (zie punt 2).

6. Gastouders
Het kabinet wil de positie van gastouders aan huis meenemen bij de beleidsdoorlichting kinderopvang en bij de evaluatie van de Wet Kinderopvang eind 2015. De VVR wijst er op dat qua bemiddelingsbureaus deels dezelfde problematiek speelt als in de zorg: wel de rol van kassier vervullen (zelfs daartoe verplicht door de overheid), maar geen doorbetaling van loon bij ziekte. Daarnaast weigeren veel gastouderbureaus gastouders die als ZZP in de sector willen werken, te bemiddelen. De VVR is van mening dat aanpakken van beide misstanden niet kan wachten tot de beleidsdoorlichting en de evaluatie eind volgend jaar.

7. Migrant Domestic Workers
De commissie Kalsbeek besteedt weinig aandacht aan huishoudelijk personeel zonder geldige verblijfspapieren en het kabinet helemaal niet. De commissie presenteert geen beleidsvariant waarin huishoudelijk werk als officieel erkend werk met een tewerkstellingsvergunning kan worden uitgevoerd. Dat is principieel onjuist en niet in lijn met internationale verplichtingen. Zo stelt het CEDAW-comité in Algemene Aanbeveling 26 over women migrant workers dat door vrouwen gedomineerde beroepen niet uitgesloten mogen worden van visabepalingen (en dus van werkvergunningen) en dat huishoudelijk werk beschermd moet worden via sociale wetgeving.[11] Erkend moet worden dat huishoudelijk werk specifieke competenties vereist, onder meer vanwege de vertrouwensrelatie tussen werkgever en werknemer. Het kan niet zonder meer als ongeschoold werk gekwalificeerd worden.
In dit kader wil de VVR wijzen op de in “Een baan als alle andere?!” bepleite pilot waarin een op bemiddeling gespecialiseerd uitzendbureau als referent optreedt voor migrant domestic workers die nu al in Nederland werken. Dit past bij uitstek  in de systematiek van pilots of experimenten die de commissie Kalsbeek voorstelt als bron voor praktijkonderzoek.

8. In plaats van een dagen- mogelijk een  urencriterium
Het kabinet omarmt het voorstel van de commissie Kalsbeek om, indien gekozen wordt voor handhaving van de regeling Dienstverlening aan huis, te bezien of het dagencriterium niet vervangen kan worden door een urencriterium.
De VVR vindt dit een sympathieke gedachte, maar denkt niet dat dit voldoende soelaas biedt. Allereerst is het de vraag of deze vorm van onderscheid de toets van indirecte discriminatie wel kan doorstaan.[12] Voorts kan het – doordat verschillende particulieren (al dan niet fictief, zoals in de publiek gefinancierde dienstverlening) als werkgever optreden – nog steeds voorkomen dat huishoudelijk personeel een (bijna) volledige werkweek werkt zonder adequate sociale rechten. Er zal dus een oplossing gevonden  moeten worden voor de situatie van cumulatieve dienstverbanden, waarbij het de vraag is of die oplossing uitvoerbaar/handhaafbaar is.

9. Alternatieven serieuzer wegen
De VVR is van mening dat het kabinet met de commissie Kalsbeek onderschat of een aanmerkelijk deel van de particulieren bereid is meer te betalen voor dienstverlening aan huis dan thans het geval zou zijn, afgaande op het Panteia onderzoek. Daarnaast wordt wel heel selectief gerefereerd aan de duurste varianten in het buitenland (alsof de subsidie per huishouden niet wat lager kan of gemaximeerd kan worden) en worden ‘winstgevende’  varianten (zoals in Frankrijk) buiten beschouwing gelaten. Naar het oordeel van de VVR worden zowel fraudegevoeligheid als uitvoeringskosten te hoog ingeschat.

10. Verbeteren naleving binnen de regeling Dienstverlening aan huis
Het kabinet neemt zich voor, op advies van de commissie Kalsbeek, zowel werkgevers als werknemers in de sector beter te gaan voorlichten over plichten en rechten. De VVR is verheugd dat deze aanbeveling uit Een baan als alle andere?!  wordt overgenomen. Zeker omdat blijkt dat een schokkend hoog percentage – meer dan driekwart – van de werkgevers zijn plichten niet nakomen (aldus de commissie). Van intensivering van voorlichting over de vrijwillige verzekering verwacht de VVR zeer weinig tot niets. Het zou wenselijker zijn om deeltijd huishoudelijk personeel dat zich vrijwillig wil verzekeren, vrij te stellen van de werkgeverspremies en van de inkomensafhankelijke premie ZVW – dat scheelt ruim 20% op het bruto loon!

De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann hoopt u met dit schrijven handvatten te hebben gegeven voor een constructieve dialoog met de minister tijdens het komend Algemeen Overleg en is graag bereid een en ander mondeling of per email nader toe te lichten of u in contact te brengen met deskundigen uit de Vereniging. Na een mailbericht via info@oud-vvr.computersaysno.eu nemen wij onverwijld contact met u op.

Met vriendelijke groet

Mr. M.M. (Mieke) van der Burg,
voorzitter

cc: de minister van sociale zaken en werkgelegenheid mr. L.F. Asscher



[1] Leontine Bijleveld & Eva Cremers, Een baan als alle andere?! De rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel. VVR Leiden 2010, p. 188 e.v.
[2] Rechtspositie Huishoudelijk Werkers. Visie FNV-OSB en de ratificatie van ILO verdrag 189, 18 december 2013
[3] Zie deel IV Het internationale juridische kader van Een baan als alle andere?! De commissie Kalsbeek verwijst ook naar deze publicatie wat betreft internationale regelgeving.
[4] Mensenrechten in Nederland 2012. Jaarlijkse rapportage van het College voor de Rechten van de Mens. p. 122.
[5] CEDAW dat toezicht houdt op de naleving van het VN-Vrouwenverdrag in 2010. Zie Een baan als alle andere?! p. 150-151. Het Comité voor Economische en Sociale Rechten, dat toeziet op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten in november 2010 (E/C.12/NLD/CO4-5 para 17).
[6] Door de VVR via een WOB-verzoek verkregen bij brief van 4 november 2013
[7] Zie Een baan als alle andere?! p. 71 e.v.
[8]  De VVR onderstreept dat er ook gemeenten en thuiszorginstellingen zijn die zich wel aan letter en geest van de gewijzigde Wmo houden.
[9] Kamerstukken II 2010/11, 29544 nr. 334 p. 12
[10] Zie de brief van de VVR aan uw commissie d.d. 16 mei 2012
[11] Art 2 a en f en art. 11 van het VN-Vrouwenverdrag. Para 26 (a) en (b) van Algemene Aanbeveling 26.
[12] Zie ook de kanttekeningen van het parlement, de SER en deskundigen besproken in Een baan als alle andere?! p. 33 e.v.

Brief aan vaste commissies SZW van Tweede Kamer en Eerste Kamer over minister Asschers weigering CEDAW’s uitspraak in klachtprocedure te volgen, 31 oktober 2014

Aan de leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van de Tweede Kamer en Eerste Kamer

Leiden, 31 oktober 2014

Betreft: Brief Minister Asscher over CEDAW’s uitspraak in de individuele klachtprocedure van vrouwelijke zelfstandigen zonder uitkering d.d. 19 september 2014 (Kamerstukken II 2014/15 30420 nr. 208)

Geachte dames en heren,

Bij brief van 19 september 2014 informeerde minister Asscher u over het feit dat hij het niet opportuun acht de aanbeveling van het CEDAW Comité (Comité voor de uitbanning van discriminatie tegen vrouwen) op te volgen, inzake zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen. In deze brief willen Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann en Proefprocessenfonds Clara Wichmann u vragen om het kabinet en de minister ervan te overtuigen dat deze afwijzende houding ten aanzien van de zes klaagsters niet legitiem is.

De feiten zijn als volgt. Zes gedupeerde vrouwen hadden, nadat alle nationale rechtsmiddelen waren uitgeput, een klacht tegen de Staat ingediend wegens schending van hun rechten onder het VN-Vrouwenverdrag. Door in 2004 een einde te maken aan de toegang tot de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) was de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen afgeschaft. De zes vrouwen voelden zich in hun rechten onder het VN-Vrouwenverdrag geschonden omdat er geen uitkering meer voor hen open stond bij de geboorte van hun kind. Op 17 februari 2014 heeft het Comité haar oordeel gegeven en klaagsters volledig in het gelijk gesteld: de Staat heeft hun rechten onder artikel 11, lid 2 (b) VN-Vrouwenverdrag geschonden. Vervolgens beveelt het Comité de Staat aan om voor reparatie voor de zes klaagsters te zorgen, inclusief passende geldelijk compensatie voor de gemiste zwangerschapsuitkering. Daarnaast deed het Comité een algemene aanbeveling ten aanzien van de gehele groep zelfstandigen die tussen 1-8-2004 en 4-6-2008 een zwangerschapsuitkering misliep.

De minister voelt zich niet gebonden aan het oordeel van het comité. Echter dit is volgens ons onjuist.  Uitspraken van het Comité in de individuele klachtprocedure zijn wel degelijk bindend voor Nederland. Door het ratificeren van het Facultatief Protocol bij het VN-Vrouwenverdrag in 2002 heeft Nederland zich gecommitteerd aan deze uitspraken.

Het is niet te begrijpen dat burgers wel de mogelijkheid is gegeven een klacht in te dienen door ratificatie van een Facultatief Klachtprotocol bij een VN-Mensenrechtenverdrag, maar vervolgens de uitkomst van deze klachtprocedure te negeren. Dan had de Staat der Nederlanden het Facultatief Protocol niet moeten ratificeren; er bestond immers geen enkele verplichting daartoe.

Het Comité heeft de zes klaagsters gevraagd om een reactie op het standpunt van de regering. De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann en het Proefprocessenfonds Clara Wichmann staan (de advocaat van) de zes daarin bij. Het Comité zal in de follow-up procedure blijven aandringen op compensatie voor klaagsters, zoals het ook in de zaak A.T. versus Hongarije (Communication No. 3/2003) jarenlang deed, uiteindelijk met succes. Wij hopen echter dat zo’n jarenlange proces niet nodig zal zijn en roepen u op de minister en het hele kabinet ervan te overtuigen dat deze zes vrouwen, die nu al jarenlang procederen, eindelijk gerechtigheid toekomt.

Daarnaast dienen in onze ogen de argumenten gewogen te worden die de minister naar voren brengt om de algemene aanbeveling van het Comité inzake de hele groep zelfstandigen (2004-2008) niet te volgen, temeer omdat de minister hiermee geen recht doet aan de aard en bedoeling van het VN Vrouwenverdrag. U vindt onze juridische onderbouwing in de bijlage van deze brief.

In afwachting van uw reactie,

Met vriendelijke groet
Mr. M.M. van der Burg                                    Mr. A. de Ruijter
Voorzitter VVR                                                Voorzitter Proefprocessenfonds

Bijlage in PDF: SoZaWe.1e2ekamer.TKEKafwijzing_CEDAW 5.annex

HR: leden sekswerkers coöperatie mogelijk in dienstbetrekking

Anders dan Hof Den Haag en de Inspecteur van de belastingdienst ziet de Hoge Raad geen reden waarom de leden van een coöperatie van prostituees niet in dienstbetrekking zouden kunnen zijn. Datum arrest 12 september 2014.
Net als in andere sectoren diende het Hof primair te onderzoeken of tussen belanghebbende [de werknemerscoöperatie] en haar leden arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Daarbij is niet vereist dat min of meer nauwkeurig is geregeld hoe de hoogte van het loon wordt afgeleid. Evenmin is vereist hoe lang en hoe vaak de arbeid zal worden verricht.

In 2009 besliste de belastingdienst dat de bij de coöperatie aangesloten sekswerkers  niet verzekerd konden zijn op grond van de werknemersverzekeringen. Nadat bezwaar was afgewezen heeft de coöperatie beroep ingesteld bij Rb ’s Gravenhage, die de coöperatie in augustus 2011 in het gelijk stelde (ECLI:NL:RBSGR:2011: BT2358). Het Hof vernietigde deze uitspraak in juni 2013 en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. Nu moet Hof Amsterdam de zaak verder behandelen met in achtneming van het arrest van de HR.

Een vergelijkbare uitspraak deed de Hoge Raad aangaande het afdragen van de omzetbelasting van de leden van de coöperatie.