Brief aan College voor de Rechten van de Mens over negeren uitspraak CEDAW

Aan het College voor de rechten van de Mens
t.a.v. mevrouw Mr. L. Koster
Postbus 16001
3500 DA Utrecht
Leiden, 9 oktober 2014

Geachte mevrouw Koster,

Op 17 februari 2014 stelde het Committee on de Elimination of Discrimination against Women (CEDAW) zijn Views aangaande Communication No. 36/2012 vast. Het betrof de individuele klacht die zes zelfstandig werkende vrouwen hadden ingediend tegen de Staat der Nederlanden, die hen een zwangerschapsuitkering had onthouden.

CEDAW stelde klaagsters volledig in het gelijk (zie voor een samenvatting en de PDF van het oordeel van CEDAW oud-vvr.computersaysno.eu) en deed de volgende aanbevelingen aan de Staat:
1. Zorg voor reparatie voor de zes klaagsters, inclusief passende geldelijk compensatie voor de gemiste zwangerschapsuitkering;
2. Algemeen: door de herinvoering van een zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen in juni 2008 zullen vergelijkbare schendingen van het VN-Vrouwenverdrag voor de toekomst uitblijven, maar de groep zelfstandigen zwanger tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008 is geen compensatie mogelijk. Daarom nodigt CEDAW de Staat uit “to address and redress the situation of such women”.

Op 19 september 2014 berichtte de minister van sociale zaken en werkgelegenheid de Tweede Kamer de aanbevelingen van CEDAW niet te zullen uitvoeren, terwijl de Agent van het Koninkrijk der Nederlanden CEDAW daarvan in kennis stelde (Kamerstukken II 2014/15 30420 nr. 208 + bijlage, bijgevoegd).

De Commissie Gelijke Behandeling heeft zich destijds intensief bezig gehouden met het dossier zwangere zelfstandigen.  Gelet op de in artikel 3 WCRM genoemde taak van het College Rechten voor de Mens om toezicht te houden op de naleving van aanbevelingen van internationale instanties zijn de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann en het Proefprocessenfonds Clara Wichmann benieuwd naar de opvattingen van het College over de afwijzende opstelling van het kabinet.
Beide organisaties hebben klaagsters van meet af aan bijgestaan in hun streven gecompenseerd te worden voor het gemis aan een zwangerschapsuitkering. Het spreekt dat zij zeer bereid zijn nader van gedachten te wisselen met het College.

In afwachting van uw reactie,

Met vriendelijke groet

Mr. M.M. van der Burg                                               Mr. A. de Ruijter
Voorzitter VVR                                                           Voorzitter Proefprocessenfonds

Eva Cremers – Betogen voor Recht en Verandering

Op 26 juni 2014 verscheen bij Kluwer i.s.m. de VVR Betogen voor recht en verandering door Eva Cremers-Hartman, oud voorzitter van de VVR. Tijdens de Algemene Ledenvergadering van de VVR op die dag is Eva bij acclamatie tot ere-lid van de VVR benoemd.

Het boek bevat een bundeling van de meest belangrijke bijdragen van Eva Cremers op het terrein van sociaal recht.Het telt vijf delen:

  1. Gelijke behandeling algemeen
  2. Positie van zwangere zelfstandigen
  3. Voorkeursbeleid van vrouwen
  4. Bewijs van discriminatie
  5. Rechtspositie huishoudelijk personeel en alfahulpen

Dit bijna 300 pagina’s tellende boek is voor € 10 (inclusief verzendkosten) bij de VVR verkrijgbaar. Ledenprijs € 7,50 (inclusief verzendkosten). Bestellen via het contactformulier.

Brief aan Tweede Kamer over uitbreiding herleving werknemerschap voor zwangere zelfstandigen, d.d. 28 augustus 2014

Aan de leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelenheid van de Tweede Kamer
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Betreft: wetsontwerp verzamelwet SZW 2015 ( 33 988)
uitbreiding herleving werknemerschap voor zwangere zelfstandigen

Leiden, 28 augustus 2014

Geachte dames en heren,

Binnenkort zult u zich buigen over allerlei technische aanpassing van sociale wetgeving bij de behandeling van het wetsontwerp verzamelwet SZW 2015. Minister Asscher heeft al een eerste nota van wijzigingen aangekondigd met voorstellen die voortkomen uit de parlementaire behandeling van de Wet werk en zekerheid en de wet invoering Participatiewet.

De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) stelt u voor te bewerkstelligen dat bij tweede nota van wijziging of bij amendement tevens het herlevingsrecht van het werknemerschap (art. 8 WW) wordt uitgebreid met de periode dat een zelfstandige een ZEZ-uitkering geniet.

Ter toelichting daarop het volgende: als een WW-gerechtigde een zwangerschaps- en bevallingsuitkering krijgt wordt deze periode van tenminste 16 weken terecht niet (meer) gedeeltelijk afgetrokken van de duur van de WW. Toenmalig minister Melkert heeft daar destijds voor gezorgd, nadat hij er op was gewezen dat dit niet strookte met het VN-Vrouwenverdrag (art. 11 tweede lid sub b).

Bij de introductie van de Zwangerschaps- en Bevallingsuitkering (ZEZ-uitkering) voor zelfstandigen in 2007 is verzuimd op analoge wijze de duur van de ZEZ-uitkering niet mee te tellen voor de periode waarin iemand die als zelfstandige is gestart vanuit de WW het werknemerschap kan laten herleven.

Eerder dit jaar heeft het toezichthoudend VN-Vrouwenrechtencomité in een individuele klachtprocedure uitdrukkelijk geoordeeld dat het tweede lid van art 11 VN-Vrouwenverdrag sub b van toepassing is op zelfstandig werkende vrouwen (zie oud-vvr.computersaysno.eu). Dit artikel verplicht tot het invoeren van verlof wegens bevalling met behoud van loon en met vergelijkbare sociale voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van (…) de hun toekomende sociale voorzieningen. Daar hoort naar de mening van de VVR ook de periode waarin men het werknemerschap kan laten herleven bij.
De wijziging past goed bij de al in Onderdeel B voorgestelde wijziging van art. 8 WW en de kosten van de door de VVR voorgestelde wijziging zullen gezien de nog beperktere doelgroep dan waar in de MvT aangaande Onderdeel B op p. 2 over wordt gesproken vrijwel nihil zijn.

De VVR gaat er dan ook vanuit dat u deze kans die de voorgestelde Verzamelwet biedt om de sociale wetgeving in Nederland beter te laten sporen met de verplichtingen voortvloeiend uit het VN-Vrouwenverdrag zult grijpen. Het spreekt dat de VVR de minister een afschrift van deze brief zal doen toekomen.

Met vriendelijke groet

Mr. M.M. van der Burg, voorzitter

Brief VVR en Proefprocessenfonds aan Raad voor de Rechtspraak en Rechtbank Den Haag over voorgenomen voorkeursbeleid voor meer mannen in de rechtbank

Den Haag, 18 juni 2014

Geachte dames en heren,

Op 22 mei jl. berichtte het AD dat de Haagse Rechtbank mannen voortaan wil “voortrekken” bij sollicitaties.1 De reden hiervoor zou zijn gelegen in het feit dat het hoge aantal vrouwelijke rechters het onpartijdige beeld van de rechterlijke macht ongunstig zou kunnen beïnvloeden. Dit nieuwsbericht is door diverse andere media opgepakt en naar buiten gebracht.2 Het voornemen om een voorkeursbeleid voor mannen in te stellen, stamt kennelijk uit een interne notitie die in de ondernemingsraad van de Haagse Rechtbank is besproken, maar waarover (nog) geen besluit is genomen.

Het nieuwsbericht heeft het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de Vereniging voor Vrouw en Recht onaangenaam verrast. Het behoeft immers geen betoog dat de rechterlijke macht maatschappelijk aanzien geniet en dat haar beslissingen (om al dan niet een voorkeursbeleid in te stellen in een geval als het onderhavige) gezag hebben. Wij vrezen dat de berichtgeving omtrent de interne notitie van uw Rechtbank de indruk zou kunnen wekken dat het wettelijk toegestaan is om voorkeursbeleid ten behoeve van mannen in te stellen. Dit is niet het geval, zoals wij in het navolgende zullen toelichten. Bovendien kan een dergelijke maatregel de indruk wekken dat de thans werkzame (vrouwelijke) rechters niet het professionele vertrouwen van de Rechtbank Den Haag genieten. Om dergelijke onwenselijke misverstanden te voorkomen, verzoeken wij u dan ook om publiekelijk afstand te doen van het (vermeende) voornemen om voorkeursbeleid ten behoeve van mannen in te stellen.
Volledigheidshalve zetten wij in het navolgende beknopt het wettelijk kader uiteen. Uitgangspunt is dat het wettelijk verboden is om onderscheid te maken op grond van geslacht bij onder meer het aanbieden van een betrekking, de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking en het aangaan van een arbeidsverhouding.3

Op dit wettelijke uitgangspunt wordt een klein aantal, limitatief in de wet opgesomde uitzonderingen aangenomen. Voor zover hier relevant, geldt het verbod van onderscheid niet indien het onderscheid “een specifieke maatregel betreft die tot doel heeft vrouwen of personen behorende tot een bepaalde etnische of culturele minderheidspositie een bevoorrechte positie toe te kennen ten einde feitelijke nadelen verband houdende met de gronden ras of geslacht op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot dat doel”.4 Het voeren van een voorkeursbeleid op grond van geslacht moet worden teruggevoerd op één van de wettelijke bepalingen die het maken van direct onderscheid op grond van geslacht expliciet toestaan. Uit het hierboven weergegeven citaat blijkt wel dat het voeren van een voorkeursbeleid op grond van geslacht enkel mogelijk is ten behoeve van vrouwen.

Het gegeven dat voorkeursbeleid op grond van geslacht bedoeld moet zijn om de positie van vrouwen – en niet die van mannen – te verbeteren, blijkt niet enkel uit de tekst van de gelijke behandelingswetgeving, maar ook uit de toelichting op het wetsvoorstel voor de Algemene wet gelijke behandeling. De wetgever heeft bij de behandeling van dit wetsvoorstel met zoveel woorden aangegeven dat voorkeursmaatregelen de mogelijkheid scheppen om de (thans bestaande) achterstandspositie van vrouwen en etnische minderheden te verminderen of op te heffen.5 Juist voor deze groepen is het treffen van maatregelen om feitelijke ongelijkheden op te heffen immers van groot belang. Parafraserend: mannen hebben niet te kampen met feitelijke ongelijkheden die hen een achterstandspositie op de arbeidsmarkt verschaffen, zodat het niet in de rede ligt om ten behoeve van deze groep voorkeursbeleid in te stellen.

Ten slotte merken wij op dat wij alle begrip hebben voor de wens die kennelijk bij Uw Rechtbank leeft om te groeien naar een diverse samenstelling van de rechterlijke macht. Een dergelijk doel dient echter te worden nagestreefd met de instrumenten die het wettelijke kader thans biedt. Nu het op grond van de wet thans niet mogelijk is om voorkeursbeleid in te stellen ten behoeve van mannen, geven wij u in overweging om diversiteit op andere wijzen na te streven. Voor de aan deze brief te besteden aandacht zeggen wij u bij voorbaat dank.

Met vriendelijke groet,

Het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de Vereniging voor Vrouw en Recht

 

1 http://www.ad.nl/ad/nl/1040/Den-Haag/article/detail/3659492/2014/05/22/R…
2 Zie onder meer http://nos.nl/artikel/651040-rechtbank-wil-meer-mannen.html%20en%20http:…
3 Zie artikel 5 lid 1 Algemene wet gelijke behandeling en artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; zie ook artikel 7:646 lid 1 BW.
4 Zie artikel 2 lid 3 Algemene wet gelijke behandeling; zie ook artikel 5 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7:646 lid 4 BW.
5 Kamerstukken II 1990-1991, 22 014, nr. 3, p. 14. De grond van de bepalingen is volgens de wetgever gelegen in de “algemene achterstandspositie” van de desbetreffende groepen op de in deze wet aangegeven terreinen van het maatschappelijk leven.

Verslag bijeenkomst “Vrouw en Turks? Mag dit gevolgen hebben voor de hoogte van uw schadevergoeding?”, 5 juni 2014

De Vereniging voor Vrouw en Recht organiseerde op 5 juni een bijeenkomst die in het teken stond van de uitspraak van Rechtbank Den Haag in de zaak Coşkun vs. Reaal.
De bijeenkomst werd voorgezeten door mr. D.J.B. (Diana) de Wolff, advocaat arbeids- en sociaalzekerheidsrecht. Als sprekers waren te gast:

  • mr. A.H.H. (Arnoud) Fuchs, advocaat van Esra Coşkun te Den Haag
  • prof. mr. S.D. (Siewert) Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en betrokken bij het verkennend onderzoek naar onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade, door de Commissie Gelijke Behandeling (voorganger van het College voor de Rechten van de Mens)
  • mr. A. (Arlette) Schijns, advocaat te Amsterdam, die onder andere optreedt namens verzekeraars in letselschadeprocedures.

Mr. M.M. (Mieke) van der Burg, voorzitter van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR), heet iedereen welkom, ook namens de werkgroep Sociaal en Europees Recht van de VVR.

Over Vereniging Vrouw en Recht
Voor degenen die niet bekend zijn met de VVR meldt mevrouw van der Burg dat de vereniging in 2004 (weer) is opgericht na de opheffing van het Clara Wichmann Instituut (CLWI). De landelijke vereniging houdt zich bezig met de verbetering van de (rechts)positie van vrouwen. De vereniging kijkt naar de praktijk en hoe zaken wettelijk geregeld zijn of juist niet (goed) zijn geregeld. Deze confrontatie geeft aanleiding tot commentaar en adviezen aan de regering, Tweede en Eerste Kamer. De VVR kent vier werkgroepen (Sociaal en Europees recht, Migratierecht, Seksueel en huiselijk geweld en personen- en familierecht) die vrijwel ieder kwartaal bijeen komen. Daarnaast organiseert de VVR thema-avonden, congressen etc. Zij geeft het woord aan de dagvoorzitter. Mr. D.J.B.(Diana) de Wolff en wenst iedereen een inspirerende bijeenkomst.

Aanleiding
Op 7 november 2003 is de 10-jarige Esra Coşkun aangereden door een motorrijder waarna ze ernstig letsel heeft opgelopen. Ze raakt deels verlamd en het hersenletsel is dermate ernstig dat ze nooit in staat zal zijn te werken. In juli 2013 doet de Rechtbank Den Haag uitspraak in een deelgeschil met betrekking tot de vaststelling van het verlies aan arbeidsinkomen, omdat partijen daar onderling niet uitkomen. De door partijen begrote schade loopt sterk uiteen.
De rechter doet een uitspraak waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat Esra vrouw is en met haar culturele achtergrond.
Op dit moment loopt er een klachtenprocedure bij het College voor de Rechten van de Mens (CRM), voorheen Commissie Gelijke Behandeling.
De vraag is: zou de uitspraak anders zij uitgevallen als Esra een jongen was geweest of geen Turkse vrouw zou zijn geweest?

Geschillen rondom de berekening van het verlies aan arbeidsvermogen van een jonge (Turkse) vrouw, door mr. Fuchs (zie ook Powerpoint Fuchs)
De eerste spreker is mr. Fuchs, advocaat van Esra. Hij licht het ongeval toe en vertelt daarbij wat de medische gevolgen zijn geweest. Esra is door het ongeval lichamelijk beperkt geraakt. Ze heeft onder andere spastische verlamming van ledematen, een beperking van de fijne motoriek en snelheid van handelen en een beperkte mobiliteit. Ze spreekt erg traag en is slecht verstaanbaar. Ook heeft ze cognitieve stoornissen en een zeer laag IQ (52). Ze is zeer zwak begaafd.
Omdat partijen het over de schadepost verlies van arbeidsvermogen niet eens konden worden, is er een deelgeschil aanhangig gemaakt, waarin de rechter  is verzocht zich uit te spreken over het verlies aan arbeidsinkomen.
In de procedure Coşkun vs. Reaal waren de uitgangspunten van Esra als volgt. Er is vanuit gegaan dat Esra na de basisschool een VMBO- opleiding zou hebben voltooid en dat zij in 2010 zou zijn gaan werken in een dienstbetrekking op dat niveau. Ook is er een NRL-indicateur jonggehandicapten gehanteerd. Het NRL heeft een berekening gemaakt en het verlies aan arbeidsvermogen is begroot op €432.893.
De uitgangspunten van de verzekeraar zijn dat het werk- en denkniveau van Esra op het laagste VMBO-niveau moet worden vastgesteld. Ook stelt Reaal: “Vanuit algemene bekendheid mag voorts worden aangenomen dat een persoon zoals Esra hooguit gedurende een beperkte periode fulltime zou hebben gewerkt en vervolgens hooguit parttime werkzaamheden zal verrichten. Esra zou zonder ongeval van haar 17e tot haar 26e fulltime hebben gewerkt, vervolgens vanwege de komst van kinderen 10 jaar niet hebben gewerkt en aansluitend tot haar 67e voor 50%. Vanwege het cumulatieve overschot (door de Wajong-uitkering) zou er na 2019 geen verlies aan arbeidsvermogen zijn. Het totale verlies aan arbeidsvermogen begroot Reaal op €22.717. De stellingen van de verzekeraar zijn gebaseerd op statistische gegevens uit 2005 waaruit blijkt dat 52% van de kapsters stopt met werken op hun 26e.

De rechter acht het redelijk te veronderstellen dat Esra, “als vrouw in Nederland en gegeven haar culturele achtergrond en persoonlijke omstandigheden, een partner zou hebben gevonden en rond haar 26e levensjaar kinderen zou hebben gekregen”. De rechter gaat mee in het door Reaal verwachtte arbeidspatroon. Ook stelt de rechter dat het een feit van algemene bekendheid is dat slechts een kleine groep vrouwen na de geboorte van kinderen fulltime blijft werken. Hoewel de verzekeringsmaatschappij het heeft over ‘een persoon als Esra’, betrekt de rechter de ‘culturele achtergrond’ er op eigen initiatief bij. Deze uitspraak heeft voor veel kritische geluiden gezorgd, onder andere van prof. mr. J.C.J. Dute (hoogleraar Gezondheidsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en lid van het CRM)[1]. Er worden met name vraagtekens gezet bij de door de rechter gestelde ‘feiten van algemene bekendheid’. Deze lijken niet overeen te komen met huidige statistieken en zijn onvoldoende gemotiveerd. Althans, zo wordt door critici gesteld.

Onderscheid naar geslacht bij afhandeling letselschade? door prof. mr. Lindenbergh (zie ook Powerpoint Lindenbergh)
Prof. Lindenbergh geeft aan ‘blij’ te zijn met deze uitspraak. In 2001 stelde hij het mogelijke onderscheid naar geslacht reeds aan de orde.[2] Vervolgens is er in 2012 een onderzoek verricht naar onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade door de Commissie Gelijke Behandeling (thans CRM).[3] Er werd echter over het algemeen weinig aandacht besteed aan dit onderwerp. Deze zaak lijkt daar verandering in te brengen.
Het uitgangspunt in het aansprakelijkheidsrecht is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de situatie moet worden gebracht die zonder het ongeluk zou zijn geweest. Omdat het in een dergelijke letselschadezaak niet mogelijk is de gezondheidssituatie te herstellen, dient de schade concreet te worden berekend. Hiervoor moet een hypothetische situatie worden vastgesteld. Omdat Esra ten tijde van het ongeval nog erg jong was (tien jaar), is er weinig bekend over haar carrièreperspectief. De schade is daarom veel moeilijker te berekenen dan bijvoorbeeld een 37 jarige piloot die bij KLM werkzaam is. Aan de benadeelde mogen niet te strenge eisen worden gesteld aan het bewijzen van een hypothetisch scenario (Vehof).[4] Een toekomstige situatie valt immers niet te bewijzen in feitelijke sfeer. Het is wel aan het slachtoffer om de schade aannemelijk te maken. Als schadeposten bij letsel dient er te worden gekeken naar de kosten van herstel, verlies aan arbeidsvermogen en eventueel smartengeld. Prof. Lindenbergh vergelijkt het onderhandelingsproces bij de vaststelling van letselschade met een kerstboom die door de benadeelde partij wordt opgetuigd, waarna de verzekeraar vervolgens tracht zoveel mogelijk kersballen uit de boom te schieten. De resterende kerstboom is het verschil tussen de eiser en verzekeraar.

Door het CGB (thans CRM) is het gebruik van statistische gegevens als ‘neutraal’ beoordeeld en dus geoorloofd, zolang de gegevens relevant, kwalitatief goed en actueel zijn. Concluderend geeft prof. Lindenbergh aan dat het gaat om verlies aan arbeidsvermogen. Dit houdt in dat het niet slechts gaat om het verlies aan inkomen gegenereerd uit arbeid, maar ook om onbetaald arbeidsvermogen dat eveneens economische waardevol is. Gedacht kan worden aan kosten voor het huishouden, klussen in en om het huis en de zorg voor kinderen. De huidige letselschade praktijk is erop gericht de schade zo concreet mogelijk vast te stellen. Dit kan met zich meebrengen dat er rekening wordt gehouden met discriminatiegevoelige factoren. Een mogelijke oplossing zou zijn de realiteit te abstraheren. Bijvoorbeeld door uit te gaan van een modaal inkomen.

Discriminatie bij de afwikkeling van letselschade? door mr. A.J.J.G. Schijns
Mr. Schijns is als advocaat werkzaam bij Kennedy Van der Laan en treedt onder andere op namens verzekeraars in letselschadezaken. Ze geeft aan dit onderwerp een belangrijk thema te vinden. Het is goed om te onderzoeken of er wellicht discriminatoire elementen worden toegepast binnen de huidige letselschadepraktijk en wat er eventueel veranderd kan worden. Mr. Schijns licht in haar betoog de optiek van de verzekeraars toe mede aan de hand van stellingen (Powerpoint Schijns) en begint met het schetsen van een fictieve casus. Een driejarige autochtone peuter (jongen) uit een agrarisch gezin wordt aangereden door een tractor en raakt daardoor blijvend invalide. Bij het vaststellen van de letselschade dient het verlies aan arbeidsinkomen meegenomen te worden. De ouders stellen dat hij de zaak niet van zijn ouders zou hebben overgenomen, maar in plaats daarvan rechten zou zijn gaan studeren aan de universiteit. Uit statistieken blijkt echter dat de appel bij agrarische gezinnen niet ver van de boom valt. Het is daarom waarschijnlijker dat het bedrijf door de zoon zou zijn overgenomen. Hoewel het standpunt van de ouders niet onbegrijpelijk is, zou het niet redelijk zijn om van de verzekeraar te verwachten hierin mee te gaan. De verzekeraar gaat uit van een concrete benadering om het verlies aan arbeidsvermogen te bepalen. Onzekere elementen dienen daarom voldoende aannemelijk gemaakt te worden. Bij kinderen is dit erg moeilijk. Mr. Schijns wijst hierbij op een uitspraak: “Het leven van een kind wordt al beschadigd in de knop, nog voor we weten hoe de bloem of vrucht eruit zou hebben gezien”. Indien er weinig bekend is over hoe de toekomst eruit zou hebben gezien en er weinig aanknopingspunten zijn, is het niet vreemd dat er wordt uitgegaan van ervaringsregels en statistische gegevens, mits met gezond verstand gebruikt.

De vraag die rijst naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Den Haag is  of we bij de begroting van personenschade bij jonge mensen toe moeten naar een andere wijze  van schadebegroting. Vanuit verzekeraars en de rechterlijke macht zijn daarvoor al suggesties gedaan. Die zien op model dat uitgaat van de behoefte van het slachtoffer in plaats van een nauwkeurige berekening van de inkomensschade aan de hand van de hypothetische situatie zonder ongeval. Mr. Schijns wijst er ook op dat door het gebruik van deskundigen een procedure in sommige gevallen kan worden voorkomen. Zo kan een arbeidsdeskundige worden ingeschakeld om empirisch en statistisch onderzoek te doen naar arbeidsparticipatie in een bepaalde branche, indien partijen onvoldoende hebben aan de huidige statistieken.

Discussie
Door het publiek worden verschillende vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Zo geeft iemand aan dat statistieken die betrekking hebben op volwassenen, worden toegepast in letselschadezaken van (nu nog) jonge kinderen. De vraag is of dit gebruik wel representatief is aangezien de toekomst steeds in beweging is. Gegevens die nu van toepassing zijn, kunnen over tien of twintig jaar de plank volledig mis slaan. Als voorbeeld wordt er gewezen op het feit dat het opleidingsniveau van Turkse meisjes in de afgelopen jaren enorm is veranderd. Ook is de arbeidsparticipatie van vrouwen over het algemeen niet meer zoals het vroeger was. Het komt steeds vaker voor dat vrouwen blijven werken na de geboorte van een kind. Verder wordt de vraag opgeworpen of in plaats van deskundigen, mediation ook geen uitkomst kan bieden en procedures worden voorkomen. Het maakt het ‘menselijker’.

In het publiek wordt (door prof. dr. Westerveld) ook de vraag gesteld of de discussie niet méér zou moeten gaan om de principiële kwestie. Willen we dat er dergelijk onderscheid wordt gemaakt? Prof. Westerveld is van mening dat elementen als sekse of ras geen rol zouden mogen spelen bij de vaststelling van letselschade omdat deze discriminatoir zijn. Er zou moeten worden vastgehouden aan de gelijke behandelingswetgeving.Dit is in het verleden ook al eens gebeurd naar aanleiding van de Europese Defrenne zaak, waarin het onderscheid naar geslacht in de pensioenleeftijd als discriminatoir werd beoordeeld door het Europese Hof van Justitie.[5] Een mogelijkheid zou zijn om de schade veel meer abstract te berekenen los van geslacht of ras. Hoewel dat een compleet andere wijze van schadeberekening is, kan hiermee wel worden voorkomen dat discriminatoire elementen een rol gaan spelen bij het vaststellen van de schade. Het idee van concrete schadeberekening zou dan ook moeten worden losgelaten. Als alternatief kan er ook kunnen worden uitgegaan van een modaal inkomen. Prof. Lindenbergh wijst erop dat er nu wel gedaan wordt alsof de schade concreet wordt berekend, maar dat het in feite allemaal fictief is. De toekomst is immers onzeker.
De huidige praktijk en met name deze uitspraak gaat volgens het publiek in tegen het maatschappelijk gevoel van rechtvaardigheid.

Geconcludeerd wordt dat uit de principiële discussie is voortgekomen dat het wenselijk zou zijn om van een concrete benadering met verfijningen, meer naar een abstracte benadering te gaan zonder dat geslacht, ras etc. een rol speelt en wellicht ook meer naar modale berekeningen.

De VVR voorzitter bedankt de sprekers en de dagvoorzitter met een attentie en alle aanwezigen voor hun komst en bijdrage aan de discussie. De VVR zal met het resultaat zeker verder gaan!

Verslag: Nadia Benaissa [6]
[1] J.C.J. Dute, ‘Een rechterlijk vooroordeel als feit van algemene bekendheid’, www.njb.nl 24 augustus 2013

[2] S.D. Lindenbergh, ‘Schade aan het lichaam als bron van inkomsten’, Nemesis 2001/6

[3] Commissie Gelijke Behandeling, Onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade, 2012

[4] NJ 1998/624 (Vehof/Helvetia)

[5] 8 april 1976 (zaak 43/75) Defrenne/Sabena II

[6] N. Benaissa is student master Privaatrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en doet onderzoek naar geoorloofd en ongeoorloofd onderscheid bij de vaststelling van verlies aan arbeidsinkomen bij letselschade.

Het College voor de Rechten van de Mens heeft op 19 augustus 2014 geoordeeld dat Reaal Schadeverzekering N.V. de vrouw discrimineert bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding.

Verslag (vervolg) bijeenkomst Economische gevolgen van huwelijk en echtscheiding, 17 april 2014

 Verslag bijeenkomst 17 april 2014 CEDAW GR29 in PDF

Op 17 april 2014 vond een bijeenkomst plaats over de economische gevolgen van huwelijk en scheiding in het kader van de aanbevelingen van CEDAW in general recommendation 29 (2013).
Organisatie :  Rights for Change, Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann en Netwerk VN-Vrouwenverdrag

De bijeenkomst werd geopend door middagvoorzitter Leontine Bijleveld namens het Netwerk VN- Vrouwenverdrag.  Leontine Bijleveld benadrukt in haar inleiding voor de middag het belang van het VN- Vrouwenverdrag en de aanbevelingen van het toezichthoudende CEDAW-Comité. Er zijn steeds meer handvatten om de rechten, ontleend aan het Vrouwenverdrag, af te dwingen. Ze wijst op het recente oordeel van het CEDAW-Comité in de klachtprocedure van de zelfstandigen die geen zwangerschapsuitkering kregen: de Nederlandse staat moet hen compenseren.

Ze geeft voor de eerste presentatie het woord aan Margreet de Boer, medeorganisator van deze bijeenkomst en onder meer voormalig schaduwrapporteur aangaande het VN Vrouwenverdrag en advocaat. Margreet de Boer introduceerde het publiek verder in het VN- Vrouwenverdrag en de aanbevelingen van het CEDAW. Het Vrouwenverdrag is een bijzonder verdrag, in die zin dat het a- symmetrisch is en alleen op de rechten van vrouwen ingaat. Het stelt de rechtspositie van vrouwen gelijk aan die van mannen. Niet alleen de formele en substantiële gelijkheid tussen mannen en vrouwen is volgens het gehele verdrag belangrijk, maar ook de materiële gelijkheid. Margreet benadrukt in dat verband het belang van het onderzoeken van de effecten van wetgeving. Leidt het bijvoorbeeld wel daadwerkelijk tot gelijkheid van vrouwen?

Het verdrag schrijft voor dat Staten passende maatregelen moeten nemen om de verschillende vormen van discriminatie van vrouwen uit te bannen, hun positie te verbeteren en de dominante gender-ideologie te bestrijden. Het is in beginsel aan de staten om de concrete maatregelen te kiezen. De algemene aanbevelingen van het CEDAW moeten door de overheid betrokken worden bij de ontwikkeling van wetten en beleid. Daarnaast kunnen ze gebruikt worden bij de interpretatie van de verdragsverplichtingen en de daarmee corresponderende individuele rechten.

Margreet de Boer gaat vervolgens over tot de bespreking van de algemene aanbeveling 29. Deze aanbeveling is een uitwerking van met name artikel 16 van het verdrag.

Dit artikel omschrijft de verplichting van staten om alle passende maatregelen te nemen om discriminatie jegens vrouwen in alle aangelegenheden betreffende huwelijk en familiebetrekkingen uit te bannen en gelijkheid van de man en de vrouw in deze te verzekeren. Er dient sprake te zijn van: ‘dezelfde rechten voor beide echtgenoten met betrekking tot eigendom, verwerving, beheer, bestuur en genot van en beschikking over bezittingen’.

De gedachte achter aanbeveling 29 is dat het gezin niet alleen een sociale, juridische en religieuze, maar ook een economische constructie is.  Vrouwen genieten vaak een niet- gelijkelijk gezinsinkomen en dragen gewoonlijk grotere kosten bij scheiding dan mannen. Eenouder gezinnen (vrouwen) over de hele wereld hebben de grootste kans op armoede. Daarnaast ligt ongelijkheid binnen het gezin ten grondslag aan alle andere aspecten van vrouwendiscriminatie en wordt dit vaak gerechtvaardigd vanuit ideologie, traditie en cultuur.

Concrete aanbevelingen die mogelijk interessant zijn voor de situatie in Nederland, betreffen:

  • Registratie van (religieuze) huwelijken
  • Polygamie
  • Geregistreerd partnerschap
  • Feitelijk samenwonen
  • Informatieverstrekking bij huwelijkssluiting
  • Huwelijkse voorwaarden
  • Economische gevolgen van scheiding (zoals verdeling van het huwelijksvermogen, alimentatie en huisvesting)
  • Onderzoek (staten dienen te onderzoeken en beleidsstudies uit te voeren naar de economische positie van vrouwen in het gezin/relaties en bij de verbreking daarvan, en de resultaten daarvan op een toegankelijke manier publiceren
  • Eigendomsrechten na de dood

Vanuit het publiek komt een vraag naar de aanbeveling met betrekking tot polygamie. Ellettha Schoustra:  ‘Ik heb in mijn onderzoek gezien  dat de keuze voor polygamie altijd genomen wordt door de man, de vrouw kan alleen in een contract voorafgaand aan het huwelijk opnemen dat haar man monogaam dient te zijn. In plaats van een tweede vrouw te nemen gaat de man dan over tot echtscheiding waarna de vrouw toch weer met lege handen staat’

Margreet de Boer antwoordt hierop dat volgens CEDAW enerzijds polygame huwelijken verboden dienen te worden en staten alle maatregelen moeten nemen die nodig zijn om polygame huwelijken uit te bannen, maar anderzijds de vrouwen uit de polygame huwelijken ook dienen te beschermen.

                                                                                                                                             

De presentatie van Margreet de Boer wordt gevolgd door een inleiding in het huwelijksvermogensrecht door Bart Breederveld, raadsheer plaatsvervanger, universitair docent Huwelijksvermogensrecht en advocaat in Alkmaar. Bart Breederveld houdt zich in zijn praktijk voornamelijk bezig met (complexe) zaken met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogen.

Aan de huwelijksgemeenschap van echtgenoten komt een eind als de rechter de echtscheiding uitspreekt. In ons rechtsstelsel ontstaat objectieve lotsverbondenheid door huwelijk in alle opzichten: alle bezittingen en schulden van beide partners worden ingebracht in de gemeenschap. Sinds 1815 kent Nederland dit stelsel. Omdat er in die tijd nog nauwelijks scheidingen waren, was dit niet problematisch.  In deze situatie is door de jaren heen wel aardig wat verandering in gekomen.  Vanaf 1970 koos men steeds meer voor huwelijkse voorwaarden. Men kon alleen voor de Koude uitsluiting kiezen, meer keus was er niet. Dit had voor veel vrouwen nare gevolgen, de niet-werkende vrouwen ondervinden al snel de slechte kanten van de koude uitsluiting: na echtscheiding staan ze met lege handen.

Notarissen bogen zich vervolgens over het vraagstuk hoe dit voorkomen kon worden en vrouwen toch aanspraak te laten maken op een deel van het huwelijksvermogen  dat gedurende het huwelijk opgebouwd werd.  Men kwam met het volgende: als de man inkomen overhield dan moest hij dit ieder jaar verrekenen met zijn partner. Hoewel dit in de huwelijkse voorwaarden werd opgenomen, verdween  in de praktijk van alledag algauw in de kast en werd er jaarlijks niet verrekend.

De Hoge Raad oordeelde hier in een uitspraak in 1995 over dat indien partijen dit hadden afgesproken in de huwelijkse voorwaarden, maar er in de praktijk niet verrekend werd, dit bij scheiding met terugwerkende kracht alsnog diende plaats te vinden. Zo werd de situatie van vrouwen toch gelijkgetrokken. Het bezwaar van mannen hierop was dat het huwelijksvermogen niet enkel vanuit het eigen inkomen van de man groeide. Notarissen grepen vervolgens toch weer naar de koude uitsluiting.

Bart Breederveld kijkt vervolgens naar de huidige situatie in ons land.

De Tweede Kamer wil af van het stelsel van (automatische en volledige) gemeenschap van goederen en naar een systeem waarbij de gemeenschap van goederen pas ingaat vanaf de datum van de huwelijkssluiting. Leningen en vermogen van voor de huwelijksdatum zouden dan buiten de gemeenschap blijven. Staatssecretaris Teeven staat echter niet open voor verandering van de regelgeving op dit terrein.  Verschillende fracties bereiden nu samen een initiatief wetsvoorstel voor.

Nederland is wat haar huwelijksgoederenstelsel betreft uniek in de wereld. Andere landen kennen al wel een huwelijksgoederenstelsel dat na echtscheiding alleen datgene verrekent wat na huwelijkssluiting in de gemeenschap terecht is gekomen.

Er wordt op dit moment nagedacht over de (on-)wenselijkheid van de bepaling over koude uitsluiting in de wet.  Afschaffing van de mogelijkheid van koude uitsluiting staat echter wel op gespannen voet met de contractvrijheid van partijen. Vanuit het publiek wordt er op gewezen dat volgens de belasting wetgeving huwelijkspartners ook automatisch fiscale partners zijn. Daar valt ook niets te kiezen.

Bart haalt een voorbeeld van Californië aan. Een staat waarin de bescherming van het gezinsleven heel belangrijk is, maar ook de meeste echtscheidingen voorkomen. Als de vrouw met kinderen in de echtelijke woning woont, dan mag dit huis na echtscheiding niet verrekend worden.

Een vraag uit het publiek: Zou het initiatief wetsvoorstel nadelig zijn voor vrouwen als de zwakkere partij?

Bart Breederveld antwoordde hierop:  “Nee dat denk ik niet. Wat al van jezelf was, blijft van jezelf, dus wat dat betreft is er sprake van gelijkheid.  Denk hierbij bijvoorbeeld aan de voorhuwelijkse schulden van de man die nu volgens het huidige huwelijksgoederenstelsel ook in de huwelijksgemeenschap vallen. Daar lijdt de vrouw ook onder.”

Een andere vraag uit het publiek: In testamenten komt het weleens voor dat legaten niet mogen vallen in de huwelijksgemeenschap. Is dat een loze bepaling?

Bart Breederveld antwoordde hierop: “Nee,  we zien vaak dat notarissen bij veel testamenten koude uitsluiting adviseren. Ook verknochtheid zorgt ervoor dat vermogen buiten de huwelijksgemeenschap valt. Volgens de Hoge Raad is smartengeld bijvoorbeeld ook verknocht.“

                                                                                                                                             

Ellettha Schoustra volgt de presentatie van Bart Breederveld op met een korte voordracht over haar boek  ‘over de grens’.

Het boek  gaat over internationale huwelijken, waarbij de focus ligt op westerse vrouwen die trouwen in landen met een patriarchaal systeem. Vrijwel al deze landen zijn bij het Vrouwenverdrag aangesloten, maar hebben op artikel 15 en 16 van het verdrag een voorbehoud gemaakt, omdat bepalingen niet stroken met het eigen (familie) recht.

Ellettha merkt op dat veel van deze relaties stuklopen. Vrouwen lopen vaak tegen een aantal dingen aan die ze niet verwachten. Zoals bijvoorbeeld het niet eigen baas zijn in eigen huis, het scheidingsrecht dat enkel de man toekomt, het ontbreken van het recht op alimentatie en het ontbreken van de steun van de schoonfamilie bij problemen met de echtgenoot.

Ellettha beschrijft in haar boek hoe deze aanstaande bruiden zich kunnen voorbereiden op hun emigratie naar deze landen. Het belangrijkst is dat vrouwen zich dienen te verplaatsen in het leven van de vrouwen in hun toekomstige woonplaats.

                                                                                                                                             

Na een korte pauze vangt de discussie met de sprekers en het publiek aan.

De groep is het al snel met elkaar eens dat koude uitsluiting niet in lijn is met de aanbevelingen van het CEDAW en dat het uitgangspunt zou moeten zijn dat partners door echtscheiding niet slechter uit een huwelijk mogen komen.

Het is echter wel moeilijk om tot een standaardmodel te komen dat tot de meest gewenste resultaten leidt. Dat er een (goede) informatieplicht moet bestaan ten opzichte van toekomstige gehuwden, is erg belangrijk.  Vragen als ‘hoe kun je mensen dwingen informatie te krijgen over waar ze aan beginnen’ houden de zaal wel bezig. Verschillende alternatieven zijn al eerder geopperd, maar deze zijn of afgeketst of hebben tot onvoldoende resultaat geleid. Zo hebben ambtenaren van de burgerlijke stand al eerder aangegeven niet open te staan voor een informatieplicht van ambtenaren. Ambtenaren zien het niet zitten om belast te worden met de (extra) taak/verplichting om toekomstig gehuwden te informeren over het huwelijksgoederenstelsel. Ook met de huwelijkse voorwaarden bereik je het gewenste doel van voorlichting/informatieverstrekking niet, omdat de praktijk uitwijst dat huwelijkse voorwaarden in de dagelijkse huwelijkspraktijk algauw naar de achtergrond verdwijnen. Daarnaast is  de huwelijkse voorwaarden anno 2013 -2014 meestal in veel te ingewikkelde taal geformuleerd.

Tijdens de discussie wordt wederom aangehaakt bij het stelsel van de staat Californië. Hier krijgt men korting op de kosten voor het huwelijk als zij consensus hebben bereikt over allerlei afspraken die het huwelijk en daarna aangaan. De praktijk wijst uit dat hier veelvuldig gebruik van wordt gemaakt.

Het moge duidelijk zijn, het voorlichten van partners over de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk vormt een belangrijk speerpunt voor de groep. Op sommige terreinen is deze voorlichting, zoals in geval van samenwonen, de informatie/voorlichtings-voorziening(en) redelijk op orde. Zo staat het merendeel van de koopwoningen dat door samenwoners wordt ingetrokken, al op naam van beide partners, omdat notarissen hier al erg op gebrand zijn.

Op het terrein van het huwelijk is echter nog veel winst te behalen. Voor het voorkomen van na- huwelijkse vermogensrechtelijke problemen dient het moment van voorlichten van partners dan ook in het wetsvoorstel opgenomen te worden.

Leontine besluit dat het in ieder geval goed is om in de schaduwrapportage alvast de vraag te suggereren voor het CEDAW aan hoe de Nederlandse regering de informatieverplichting wil gaan vormgeven en uitvoeren in de nieuwe wetgeving.  Ze bedankt de sprekers en overhandigt ze een attentie namens de drie organisaties.

Verslag: Nacha Rakraki i.s.m. Beatrijs Haverkamp

Eva Cremers: CEDAW-uitspraak in de individuele klachtprocedure tegen de Staat der Nederlanden: artikel 11 Vrouwenverdrag en de rechten van zwangere zelfstandigen

presentatie Eva Cremers in PDF

Presentatie Eva Cremers ter gelegenheid van de feestelijke bijeenkomst op 23 mei 2014

Inleiding
Op 17 februari 2014 deed het CEDAW, het comité dat toezicht houdt op de naleving van het Vrouwenverdrag (ook wel CEDAW-Comité genoemd),  uitspraak in de individuele klachtprocedure tegen de Staat der Nederlanden.[1] Deze uitspraak van het CEDAW is de reden voor deze feestelijke bijeenkomst.
Volgens het comité hebben ook zwangere zelfstandigen recht op inkomenscompensatie tijdens de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. De bepaling uit het Vrouwenverdrag waarin het recht op een zwangerschapsuitkering is toegekend – artikel 11 lid 2 aanhef en onderdeel b –  is voldoende duidelijk geformuleerd om directe werking aan te nemen, aldus het comité. Deze bepaling legt Nederland en de andere lidstaten bij het verdrag daarom een resultaatsverplichting op. De stelling van Nederland dat slechts sprake is van een inspanningsverplichting gaat niet op.
Het CEDAW stelt zich op het standpunt dat Nederland de zes individuele klaagsters en alle andere 20.000 zelfstandigen die een zwangerschapsuitkering hebben moeten missen, alsnog moet compenseren. Nederland moet binnen zes maanden rapporteren op welke manier aan de aanbevelingen van het Comité zal worden voldaan.

Deze uitspraak van het CEDAW heeft mijns inziens een dubbele betekenis. Allereerst is de uitspraak van groot belang voor deze specifieke groep vrouwen. Daarnaast heeft de uitspraak ook een verderstrekkende betekenis. De overwegingen van het CEDAW over de directe werking en de resultaatsverplichtingen voor de lidstaten zijn niet alleen van belang voor het onderdeel van artikel 11 Vrouwenverdrag over de zwangerschapsuitkering. Deze overwegingen zijn ook toepasbaar op de andere onderdelen van artikel 11 en eveneens op andere bepalingen uit het Vrouwenverdrag.
De impact van het verdrag voor de Nederlandse rechtspraktijk is met deze uitspraak verduidelijkt en vergroot. Deze dubbele betekenis van de uitspraak is voor dit moment alleszins een feestje waard en het is belangrijk om de meerwaarde van de uitspraak voor diverse andere situaties te onderstrepen.

In deze presentatie zal ik me verder bepalen tot deze zaak zelf. Het gaat om bijna tien jaar procederen met een grote inzet van personen en voor deze zaak belangrijke organisaties. Een aantal van de zes individuele klaagsters is vandaag aanwezig en het is goed om na al deze jaren procederen nader kennis te kunnen maken met de klaagsters. Zij hebben zich iedere keer bereid getoond om als procespartij in een proefproces op te treden en dat is niet niks. Het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann zijn hier vertegenwoordigd en deze twee organisaties verdienen een bijzondere vermelding als meest bij de zaak betrokken organisaties.
De gerechtelijke procedures bij rechtbank en hof zijn gevoerd door Miek Greebe (Bosch Advocaten) en ondergetekende, de individuele klachtprocedure bij het CEDAW door Marlies Vegter (Bosch Advocaten) en ondergetekende. Voor de procedure bij de Hoge Raad is het cassatiekantoor Barents Krants ingeschakeld. Mac Vijn (Bosch Advocaten) doet nu met het Proefprocessenfonds de afronding van de zaak in de follow-up op de uitspraak.
Wij hebben als juristen met veel plezier en grote inzet aan de processtukken gewerkt. Het was een proefproces en dat is op zich boeiend. De nationale rechter hebben we jammer genoeg niet van ons gelijk kunnen overtuigen maar het CEDAW heeft ons in alle opzichten in het gelijk gesteld. Nederland moet als verdragspartij de aanbevelingen van het CEDAW opvolgen en daarmee wordt de nationale rechtspraak ‘overruled’. Het is van het grootste belang te zorgen dat Nederland zich daadwerkelijk aan de verdragsverplichtingen gaat houden.

Geschiedenis van de publiekrechtelijke zwangerschapsuitkering
In Nederland is op 1 januari 1998 de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) in werking getreden, een wet die voor diverse groepen zelfstandigen voorzag in een publiekrechtelijke verplichte verzekering tegen het risico van inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid.[2] Deze wet gaf aan vrouwelijke verzekerden tevens een recht op een uitkering in verband  met zwangerschap en bevalling gedurende een tijdvak van ten minste 16 weken rond de bevallingsdatum. De uitkering bedroeg 100% van de toepasselijke uitkeringsgrondslag, maar was niet hoger dan het wettelijk minimumloon.
Op 1 december 2001 is de Wet arbeid en zorg[3] in werking getreden waarin verschillende wettelijke verlofregelingen voor de combinatie van arbeid en zorg werden ondergebracht. Sinds die datum maakte ook de regeling van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor vrouwelijke zelfstandigen deel uit van de Wet arbeid en zorg en wel in artikel 3:19. De financiering van deze regeling is daarbij niet gewijzigd.

Op 1 augustus 2004 is een einde gemaakt aan de publiekrechtelijke verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid met de Wet einde toegang verzekering WAZ.[4] Zelf dacht ik aanvankelijk dat de zwangerschapsuitkering een veilige plek in de Wet arbeid en zorg had gekregen. Dat bleek niet het geval te zijn. De Wet einde toegang verzekering WAZ maakte ook een einde aan het recht van vrouwelijke zelfstandigen op de zwangerschapsuitkering.
De afschaffing van deze publiekrechtelijke verzekering voor het risico van arbeidsongeschiktheid en het risico van zwangerschap/bevalling had als achtergrond dat de toenmalige regering de overheidsbemoeienis met de inkomensderving als gevolg van het intreden van deze risico’s niet langer wenselijk achtte. De zelfstandigen zouden zich tot private verzekeraars kunnen wenden als zij deze risico’s zouden willen verzekeren. Het betrof dus een privatiseringsoperatie.
Op het moment van inwerkingtreding van de Wet einde toegang verzekering WAZ was herverzekering van het risico van zwangerschap en bevalling bij particuliere verzekeraars voor veel vrouwelijke zelfstandigen geen oplossing. De verzekeraars hanteerden een wachttijd van twee jaar waarin de vrouwen geen uitkering zouden ontvangen. De Nederlandse regering was zich daar heel goed van bewust. Voor wat de herverzekering betreft vormden de kosten van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering inclusief een uitkering bij zwangerschap en bevalling een ander probleem omdat de premie van een particuliere verzekering aanzienlijk hoger was dan de premie die vrouwelijke zelfstandigen voor de WAZ verschuldigd waren.

De beëindiging van de publiekrechtelijke verzekering voor zelfstandigen van het risico van zwangerschap en bevalling heeft tot de nodige maatschappelijke commotie geleid. Het proefproces en de activiteiten rondom het proces heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Toen de intrekking van de publiekrechtelijke zwangerschapsuitkering gaande was, zijn diverse bijeenkomsten georganiseerd door de Vereniging voor Vrouw en Recht en ook door de Commissie Gelijke Behandeling. Door beide organisaties zijn adviezen uitgebracht met als strekking dat de zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen behouden moet blijven en dat daar goede juridische argumenten voor zijn. Daarnaast is gewezen op het belang van betaald verlof voor de gezondheid van moeder en kind. Op de websites van deze organisaties zijn de adviezen en adviesbrieven terug te vinden.
Uiteindelijk is opnieuw een wettelijke regeling tot stand gebracht. Op 4 juni 2008 is de Wet Zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen in werking getreden.[5] Door deze wet is in de Wet arbeid en zorg opnieuw een regeling opgenomen die voor zelfstandigen voorziet in een uitkering gedurende een periode van ten minste 16 weken in verband met zwangerschap en bevalling.

Vrouwelijke zelfstandigen die voor 4 juni 2008 zijn bevallen konden aan deze nieuwe wet echter geen recht op een uitkering ontlenen. De Nederlandse regering heeft geen terugwerkende kracht aan de nieuwe wet willen toekennen. Het gevolg hiervan is dat voor vrouwelijke zelfstandigen die vanwege zwangerschap en bevalling niet hebben kunnen werken in een tijdvak gelegen tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008 geen publiekrechtelijke regeling heeft gegolden die voorzag in een inkomensvervangende uitkering.

De gerechtelijke procedures

Ten tijde van de intrekking van de zwangerschapsuitkering in 2004 hebben diverse benadeelde vrouwelijke zelfstandigen zich gemeld bij FNV-bonden waarvan ze lid waren. Een groep van zeven van deze vrouwen is tezamen met het Proefprocessenfonds en de FNV gaan procederen tegen de Staat der Nederlanden. Het Proefprocessenfonds heeft de kosten van de procedures tot het einde voor haar rekening genomen; de FNV is afgehaakt na het vonnis van rechtbank Den Haag.
Er is tot in hoogste rechterlijke instantie tegen de Staat geprocedeerd. De intrekking van de publiekrechtelijke inkomensvoorziening zou onrechtmatig zijn omdat er geen deugdelijke en adequate mogelijkheid was voor een particuliere verzekering voor de inkomensderving gedurende de periode rondom de bevalling. Dit zou in strijd zijn met artikel 11 lid 2 aanhef en onder b Vrouwenverdrag omdat deze bepaling vrouwen het recht toekent op verlof wegens bevalling met behoud van loon of een vergelijkbare sociale voorziening. In de procedures is ook betoogd dat de intrekking in strijd is met het recht van de Europese Unie en andere internationaalrechtelijke verplichtingen. Die andere internationaalrechtelijke verplichtingen laat ik hier buiten beschouwing. [6] Het beroep op artikel 11 lid 2 aanhef en onderdeel b VN-Vrouwenverdrag heeft steeds een centrale rol vervuld in alle gerechtelijke procedures. In de CEDAW-procedure speelde alleen deze bepaling een rol.

Rechtbank ’s-Gravenhage heeft het standpunt over de onrechtmatigheid van de intrekking van de zwangerschapsuitkering van de hand gewezen.[7] Tegen dat vonnis is hoger beroep aangetekend bij het hof ’s-Gravenhage.
Hangende het hoger beroep van klaagsters is de zojuist genoemde nieuwe wettelijke regeling tot stand gebracht die vanaf 1 augustus 2008 voorzag in een publiekrechtelijke inkomensvoorziening voor vrouwelijke zelfstandigen. Als gevolg van het ontbreken van terugwerkende kracht hebben vrouwelijke zelfstandigen in de periode van 1 augustus 2004 tot 4 juni 2008 geen aanspraak kunnen maken op een publiekrechtelijke inkomensvoorziening gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Klaagsters behoren tot deze groep vrouwen en met hen naar schatting 20.000 andere zelfstandigen.
De gerechtelijke procedure bij hof ‘s-Gravenhage is voortgezet omdat nog steeds een grote groep vrouwen schade had geleden en dit onverminderd in strijd was met het Vrouwenverdrag. Hof ’s-Gravenhage heeft hun vordering afgewezen[8] en klaagsters hebben tegen dit arrest cassatie aangetekend bij de Hoge Raad der Nederlanden. Ook de Hoge Raad wees de vordering af.[9]

Voor klaagsters waren de nationale rechtsmiddelen daarmee uitgeput. Vanaf dat moment konden zij gebruik maken van de individuele klachtprocedure bij het Vrouwenverdrag en het CEDAW verzoeken zich uit te spreken over de schending van artikel 11 aanhef en lid 2 onder b Vrouwenverdrag door de Staat der Nederlanden. Zes klaagsters zijn die procedure ingegaan met de steun van het Proefprocessenfonds Clara Wichmann. Voor één klaagster was het genoeg geweest, zij wilde de zaak nu afsluiten.
In de individuele klachtprocedure kan het fonds zelf niet als procespartij optreden. Die mogelijkheid bestaat alleen voor individuen die nadeel ondervinden van de niet-naleving van het Vrouwenverdrag. Het fonds heeft alle kosten van de procedure gedragen.

Betekenis artikel 11 aanhef en lid 2 onder b Vrouwenverdrag
Ter informatie vooraf: Nederland heeft het Vrouwenverdrag in 1980 ondertekend en pas in 1991 geratificeerd. Bij de totstandkoming van het verdrag heeft Nederland een heel actieve rol vervuld. Het Facultatief Protocol bij het verdrag dat voorziet in de individuele klachtprocedure is ondertekend op 10 december 1999 en op 22 mei 2002 door Nederland geratificeerd.

Toelichting artikel 11 Vrouwenverdrag
De aanhef van art. 11 Vrouwenverdrag verplicht de Staten die partij zijn bij het verdrag tot:
– het treffen van alle passende maatregelen,
– om discriminatie van vrouwen in het arbeidsproces uit te bannen,
– ten einde vrouwen, op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen, dezelfde rechten (bij de arbeid) te verzekeren.

Het eerste lid kent vrouwen een reeks rechten toe die betrekking hebben op het traject van toegang tot en met einde van de arbeidsverhouding.
Het tweede lid verplicht tot het treffen van een aantal concrete maatregelen die ertoe moeten dienen om discriminatie van vrouwen op grond van huwelijk of moederschap daadwerkelijk te voorkomen en het daadwerkelijk recht van vrouwen op arbeid te verzekeren. De invoering van verlof wegens bevalling is één van deze maatregelen. Het derde lid kent een verplichting tot evaluatie van beschermende wetgeving.

Art. 11 lid 2 onderdeel b Vrouwenverdrag verplicht de lidstaten tot de passende maatregel om: ‘verlof wegens bevalling in te voeren met behoud van loon of met vergelijkbare sociale voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van de vroegere werkkring, de behaalde anciënniteit of de hun toekomende sociale uitkeringen’.

Juridische vragen in de procedures n.a.v. artikel 11 Vrouwenverdrag
1. Is artikel 11 Vrouwenverdrag alleen van toepassing op vrouwen die in loondienst werken of ook op vrouwen die als zelfstandige werken?

2. Is de zinsnede uit artikel 11 lid 2 onderdeel b Vrouwenverdrag: ‘invoeren van verlof wegens bevalling met behoud van loon of een vergelijkbare sociale voorzieningen’ voldoende concreet om door de rechter te worden toegepast? Kun je uit deze bepaling afleiden dat Nederland verplicht is om te zorgen dat ook zelfstandigen recht hebben op een inkomensvoorziening tijdens het zwangerschapsverlof ?

Standpunt namens klaagsters
1. Artikel 11 Vrouwenverdrag is van toepassing op alle vormen van betaalde arbeid en dus ook op het werk van zelfstandigen. Sommige onderdelen van artikel 11 zijn meer toegeschreven naar de positie van vrouwen in loondienst (bijvoorbeeld als wordt gesproken over ontslag) maar voor de meeste onderdelen geldt dit niet. Uit de internationale wordingsgeschiedenis is bovendien op te maken dat de bepaling geldt voor alle denkbare betaalde beroepsactiviteiten.[10]
CEDAW heeft in de eerste individuele klachtprocedure tegen Nederland dit standpunt bevestigd (zie ook de onderhavige CEDAW-uitspraak). Deze uitspraak is in 2006 gedaan.[11]
Dit standpunt is tevens bevestigd in de Concluding Observations van CEDAW, dat zijn de commentaren van CEDAW op de Nederlandse rapportages over de uitvoering van het Vrouwenverdrag.[12] In de Nederlandse rapportages zelf wordt de positie van zelfstandigen overigens ook altijd besproken bij de naleving van artikel 11 Vrouwenverdrag.

2.  De zinsnede ‘invoeren van verlof met behoud van loon of vergelijkbare sociale voorziening’ geeft duidelijk aan welk resultaat Nederland moet bereiken. Een inkomensvoorziening voor zowel werkneemsters als voor zelfstandigen is een passende maatregel. De bepaling is voldoende duidelijk en concreet om door de rechter te worden toegepast. In de Nederlandse situatie is een publiekrechtelijke voorziening als basisvoorziening voor zelfstandigen een passende maatregel.

Standpunt nationale rechters

1. Rechtbank Den Haag in een overweging ten overvloede: artikel 11 Vrouwenverdrag  is niet van toepassing op zelfstandigen; uit de bewoordingen van diverse onderdelen van de bepaling blijkt dat het artikel geldt voor vrouwen in loondienst.
Het Hof laat zich niet uit over deze kwestie omdat dit niet meer nodig is. Het Hof had namelijk eerst vraag 2 al beantwoord. Bij de Hoge Raad speelt de kwestie ook niet meer.

2. Volgens het Hof is artikel 11 lid 2 aanhef en sub b Vrouwenverdrag te algemeen van aard om door de rechter te kunnen worden toegepast. Het artikel verplicht de Staat slechts om “passende maatregelen” te nemen. De bepaling schrijft niet voor wat die maatregelen moeten inhouden. De duur van het verlof wegens bevalling, de vorm ervan en de hoogte van de te verstrekken uitkering zijn niet gespecificeerd en daarom kan het artikel niet door de rechter worden toegepast. Het artikel geeft een instructienorm voor de lidstaten.

De Hoge Raad onderschrijft dit standpunt. Rechtbank Den Haag was tot dezelfde conclusie gekomen, maar met een iets andere formulering.

Het is opvallend dat de uitleg van het CEDAW in de commentaren op de Nederlandse rapportages over de uitvoering van het Vrouwenverdrag in de rechterlijke uitspraken geen enkele rol spelen. De rechters betrekken die uitleg niet in de oordeelsvorming. Ook de eerdere uitspraak van CEDAW uit 2006 speelde geen enkele rol bij de overwegingen van rechtbank Den Haag over de personele werkingssfeer van artikel 11 Vrouwenverdrag.

Standpunt CEDAW

1. Uit de bewoordingen van artikel 11 Vrouwenverdrag in het algemeen en specifiek van artikel 11 lid 2 sub b kan niet de enge interpretatie volgen dat de bepaling niet van toepassing is op vrouwen die als zelfstandige werken.
Deze zienswijze van CEDAW is al eerder gebleken bij de beoordeling door CEDAW van de periodieke landenrapportages.
In de zaak Nguyen vs. Nederland uit 2006 heeft CEDAW dit standpunt ook ingenomen.

2. CEDAW verwijst naar de Concluding Observations waarin het standpunt is ingenomen dat artikel 11 lid 2 sub b direct toepasbaar is. CEDAW herhaalt daarbij de bezorgdheid over de status die Nederland toekent aan het Vrouwenverdrag.
CEDAW wijst erop dat Nederland zelf met de ratificatie van het Vrouwenverdrag en met de ratificatie van het protocol dat voorziet in de individuele klachtprocedure de directe toepasbaarheid op individuen heeft erkend. Nederland heeft zich daarmee  verplicht de verdragsbepalingen toe te passen en kan zich niet beroepen op een gebrek aan directe toepasbaarheid of op kwalificaties als “instructienormen’ inzake artikel 11 lid 2 sub b.
In de gegeven situatie heeft Nederland de zwangere zelfstandigen nadeel toegebracht. Dit is een directe discriminatie op grond van geslacht en dit is in strijd met artikel 11 Vrouwenverdrag. Nederland heeft bovendien in strijd gehandeld met artikel 11 lid 2 sub b door een bestaande regeling voor zwangerschapsverlof voor zelfstandigen in te trekken en voor hen geen regeling te treffen voor de periode na intrekking van de oude regeling en de invoering van een nieuwe regeling die voorziet in een zwangerschapsuitkering.

Aanbevelingen in de uitspraak van het CEDAW
CEDAW heeft in de uitspraak de volgende aanbevelingen gedaan aan de Staat der Nederlanden:
–        de individuele klaagsters moeten in financiële zin schadeloos worden gesteld voor hun verlies aan inkomen tijdens het zwangerschapsverlof;
–        in het algemeen kan worden vastgesteld dat aan vrouwelijke zelfstandigen die in de periode van 1 augustus 2004 tot 4 juni 2008 een kind hebben gekregen geen compensatie is geboden voor de intrekking van de zwangerschapsuitkering. De staat wordt daarom uitgenodigd om de situatie van deze vrouwen te adresseren ofwel in ogenschouw te nemen en te repareren.

Binnen zes maanden moet Nederland schriftelijk inhoudelijk reageren op de standpunten van CEDAW in de uitspraak en tevens op de aanbevelingen omtrent de positie van de klaagsters en de andere vrouwelijke zelfstandigen die nadeel hebben ondervonden.
Ook wordt Nederland verzocht de uitspraak en de aanbevelingen van CEDAW te publiceren en een brede bekendheid te geven.

Volgende spreeksters zullen nader ingaan op de follow-up van deze uitspraak.



[1] Communication No. 36/2012 Elisabeth de Blok et al. vs. The Netherlands, adopted 17 February 2014 (CEDAW/C/57/D/36/212).

[2] Wet van 24 april 1997, Stb. 1997, 176.

[3] Wet van 16 november 2001, Stb. 2001, 567.

[4] Wet van 6 juli 2004, Stb. 2004, 324.

[5] Wet van 29 mei 2008, Stb. 2008, 192.

[6] Zie hierover: E.Cremers-Hartman, ‘Zwangere zelfstandige moet beter verzekerd’, Sociaal Recht 2007, p. 233-246; zie ook A.K. de Keizer, ‘De standaard verzekerde is nog steeds een man’, Sociaal Recht 2007, p. 241-246.

[7] Rechtbank ’s-Gravenhage 25 juli 2007.

[8] Hof ’s-Gravenhage 21 juli 2009.

[9] Hoge Raad 1 april 2011, LJN BP3044, NJ 2011, 354, m. nt. M.R. Mok; AB 2011, 370, m. nt. E.Geurink; JB 2011, 115, m. nt. J. H. Gerards.

[10] Voor een uitgebreide toelichting op de betekenis van artikel 11 Vrouwenverdrag, kan worden verwezen naar: E. Cremers-Hartman, ‘Zwangerschaps- en bevallingsverlof Wa&z. Een toetsing aan het VN-vrouwenverdrag’, Nemesis 2002, nr. 5, p. 119-127.

[11] CEDAW 14 augustus 2006,  zaak Nguyen tegen de Staat der Nederlanden, Communication No.3/2004; zie: E. Cremers-Hartman, ‘CEDAW doet uitspraak in klacht tegen Staat der Nederlanden’, Sociaal Recht 2006, nr. 12, p. 372-374.

[12] Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 2009/10, 30 420, nr. 154 en nr. 157.

Brief aan Tweede Kamer het gewijzigd wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche, d.d. 7 april 2014

De VVR heeft een reactie geschreven op het gewijzigd wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (hierna: de Novelle). Dit commentaar is op 7 april 2014 verzonden naar voorzitter en leden van de Commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer.
De Novelle is het vervolg op een motie van de Eerste Kamer van juli 2013 om het Wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) te splitsen. Alleen het uniforme vergunningsstelsel zou in stand moeten blijven en twee discutabele elementen (registratieplicht en vergewisplicht) zouden moeten worden geschrapt. Daarnaast zijn in het gewijzigd wetsontwerp een aantal verbeteringen en aanvullingen zijn toegevoegd.

In het commentaar gaat de VVR in op de volgende aspecten, na aandacht besteed de hebben aan doelstelling van wetgeving/beleid en beeldvorming.

  1. Uniform vergunningenstelsel
  2. Binnentreden in een woning
  3. Verhoging leeftijd van 18 naar 21 jaar
  4. Strafbaarstelling van jonge sekswerkers en klanten

Brief aan TK over Novelle WRP 7 april 2014 in PDF

Evaluatie opting-in regeling in de besloten prostitutie, 31 maart 2014

Evaluatie Opting-in Regeling_VVR_Platform Positieverbetering Prostituees (in PDF).
i.s.m. Platform Positieverbetering Prostituees.

Omdat het een document van 29 pagina’s is hebben we een PDF geplaatst. De aanbevelingen vormen in feite een korte samenvatting:

Aanbevelingen

  1. Verbetering van de voorlichting aan sekswerkers over hun arbeidspositie en de voorwaarden waaraan exploitanten moeten voldoen indien zij werken met opting-in. Voorlichting dient niet overgelaten te worden aan de exploitanten. De overheid dient hier een actieve rol in te spelen, onder meer door middel van schriftelijk voorlichtingmateriaal in verschillende talen en door de inrichting van een informatie en -meldpunt waar sekswerkers,  desgewenst anoniem,[1] terecht kunnen met vragen en klachten over de naleving van het voorwaardenpakket.
  2. Verbetering van de handhaving resp. controle op de naleving van het voorwaardenpakket. Dit is een taak van de belastingdienst. Of sprake is van opting-in, loondienst of zelfstandige arbeid dient bepaald te worden aan de hand van de feitelijke omstandigheden, zoals dat ook in andere sectoren gebeurd. Houdt de exploitant zich niet aan het voorwaardenpakket en wordt voldaan aan de voorwaarden voor loondienst (gezagsverhouding, persoonlijke arbeid, tegen betaling), dan dient loondienst te worden aangenomen.
  3. Naleving van het voorwaardenpakket bij opting-in opnemen als voorwaarde in het gemeentelijke vergunningenstelsel (indien door de exploitant voor opting-in is gekozen). Indien de voorwaarden niet worden nageleefd kan dit tot een waarschuwing, boete of in het ergste geval tot sluiting van het bedrijf leiden.
  4. Rekenvoorbeelden in het voorlichtingsmateri aal van de belastingdienst dienen er niet van uit te gaan dat de sekswerker standaard 50% van haar (of zijn) verdiensten afdraagt aan de exploitant, waarmee gesuggereerd wordt dat dit onderdeel vormt van het voorwaardenpakket. Het percentage dat wordt afgedragen aan de exploitant dient per situatie te worden afgesproken en in verhouding te staan tot de geboden voorzieningen.
  5. Afschaffing van de verplichte toepassing van opting-in in de besloten prostititutie. Aan exploitanten én prostituees dient de keuze geboden te worden of zij in loondienst, via opting-in of als zzp’er willen werken. [2] Welke arbeidsverhouding van toepassing is dient te worden bepaald op grond van de feitelijke omstandigheden in plaats van (schijn) aannames.
  6. Toevoegen van een alinea aan de toelichting op Artikel 3 punt l AmvB Wrp (p. 8). Oorspronkelijke tekst: “In onderdeel l van het eerste lid is bepaald dat een exploitant inzicht moet geven in de voorwaarden waaronder een prostituee voor of bij hem werkzaam is. Daar waar het gaat om waarborgen die gelden bij het verrichten van werkzaamheden in de prostitutie is het uitgangspunt waaraan een exploitant dient te voldoen het vigerende wettelijke kader, zoals de Arbeidsomstandighedenwet [schrappen: de Arbeidstijdenwet, de wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag] ”. Toevoegen: “Bij loondienst is de Arbeidstijdenwet van kracht, evenals de wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag. Bij prostituees die werkzaam zijn via opting-in dient de arbeidsrelatie te voldoen aan het Voorwaardenpakket. Binnen seksinrichtingen waarin prostituees als zelfstandige werkzaam zijn, dient de exploitant aan de van toepassing zijnde fiscale verplichtingen te voldoen zoals het verstrekken van BTW-facturen.”[1] Voor sekswerkers kan het riskant zijn een klacht in te dienen wanneer er niet zeker van kunnen zijn dat deze desgewenst anoniem wordt afgehandeld. Door het maximumstelsel zijn de legale werkplekken immers zeer schaars. Zoals dit rapport ook laat zien, brengt klagen het risico met zich mee de schaarse werkplek te verliezen.

[2] Ook zouden werkzaamheden eventueel gesplitst kunnen worden in animeren (loondienst of opting-in) en het verlenen van seksuele diensten (zzp). In geval van arbeid als zzp’er betaalt de prostituee de exploitant voor de faciliteiten die hij verleent (huur kamer, schoonmaak, etc.) vergelijkbaar met de raamprostitutie.