Instantie: Rechtbank Almelo, 22 mei 1991

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Gedaagde is voor incest met zijn minderjarige dochter veroordeeld.
Eiseres, de dochter vordert, immateriele schadevergoeding ter hoogte van
ƒ 20.000,=. Deze eis wordt toegewezen.

Volledige tekst

Gehoord partijen; Gezien de stukken, waaronder die betrekking hebbende op
het op 14 november 1989 onder gedaagde gelegde conservatoire beslag;

Overwegende ten aanzien van de feiten: Eiseres heeft gesteld en
geconcludeerd voor eis, en gedaagde heeft geconcludeerd voor antwoord.
Hierna hebben partijen geconcludeerd voor repliek en dupliek, waarna zij
de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, hebben gefourneerd
ter fine van vonnis.

Overwegende ten aanzien van het recht: 1. Met betrekking tot het gelegde
beslag overweegt de Rechtbank dat is voldaan aan de wettelijke termijnen
en voorschriften.

2. Als gesteld en erkend, dan wel niet althans niet gemotiveerd
weersproken, ten dele blijkend uit de onweersproken gebleven inhoud der
overgelegde produkties, staat tussen partijen vast dat gedaagde gedurende
meerdere jaren meerdere malen vleselijke gemeenschap heeft gehad met zijn
(toenmaals minderjarige) dochter, eiseres in de onderhavige procedure, die
alstoen de leeftijd had tussen 12 en 16 jaren, voor welk strafbaar feit
gedaagde door de strafrechter is veroordeeld. Voorts staat alsdus vast dat
eiseres zich onder behandeling heeft doen stellen van een maatschappelijk
werker alsmede een zenuwarts.

3. Eiseres stelt zich -kort samengevat en in hoofdzaak- op het standpunt
dat gedaagde door zijn bovenomschreven gedragingen jegens haar
onrechtmatige heeft gehandeld hetgeen smart en derving van levensvreugde
heeft opgeleverd en ook thans nog oplevert alsmede een aantal door haar
genoemde verdere gevolgen (zoals nachtmerries, slaapwandelen, depressieve
buien, onzindelijkheid tot het 17e levensjaar en ontbreken van
lustgevoelens bij seksueel verkeer); hetwelk grondslag oplevert voor een
vordering tot vergoeding van immateriele schade tot primair een beloop van
ƒ 20.000,– alsmede voor de in de conclusie van eis genoemde
nevenvorderingen.

4. Gedaagde heeft het gevorderde bestreden.

Gedaagde voert primair aan dat de door eiseres gestelde verdere gevolgen
-zo deze al aanwezig zijn hetgeen eiseres zal hebben te bewijzen- in niet
geringe mate (ook) voorkomen bij personen die nimmer met feiten als door
gedaagde gepleegd werden geconfronteerd, terwijl (voorts) het vereiste
causale verband tussen het bovengenoemde handelen van gedaagde en de
gevolgen wordt betwist. Daarnaast voert gedaagde aan dat de door eiseres
gevorderde schade in redelijkheid niet voor toewijzing in aanmerking komt;
althans niet tot het door eiseres gevorderde bedrag.

5. De rechtbank acht ter vaststelling van het gestelde onrechtmatig
karakter van de handelingen van gedaagde, een nader onderzoek naar de door
eiseres gestelde verdere gevolgen (alsmede het causale verband
daaromtrent) dan ondervonden smart en gederfde levensvreugde, overbodig.

Immers, de onrechtmatigheid van de gedragingen van gedaagde staat vast
door zijn erkenning van deze gedragingen, terwijl het onderhouden van
vleselijke gemeenschap met zijn minderjarige dochter als zodanig reeds is
te kwalificeren als het maken van inbreuk op de lichamelijke integriteit,
en daarmede als een inbreuk op een aan eiseres toekomend subjectief
(persoonlijkheids-) recht; derhalve een aantasting van de persoon.
Overwogen wordt daarbij dat als feit van algemene bekendheid heeft te
gelden, alsmede besloten ligt in de strafbaarstelling door de wetgever van
gedragingen zoals door gedaagde jegens eiseres verricht (mede) met het oog
op de daardoor te verwachten psychische schade, dat een inbreuk op de
lichamelijke integriteit zoals eiseres in casu heeft ondergaan, (direct)
voor betrokkene oplevert het ondervinden van smart en het derven van
levensvreugde. Zulks geldt -ten overvloede- te meer nu vast staat dat
eiseres zich heeft moeten voorzien van ondersteuning door deskundigen,
terwijl laatstbedoelden (maatschappelijk werker en zenuwarts) in een
schriftelijke verklaring hebben gesteld -zakelijk weergegeven- dat zulks
geschiedde naar aanleiding van het bovenbedoelde seksuele misbruik. Nu
alsdus de onrechtmatige gedragingen zoals door gedaagde ten opzichte van
eiseres begaan, juridisch waren voltooid en gevolgen opleverden reeds ten
tijde van het begaan ervan, kan de door gedaagde gestelde afwezigheid van
de door eiseres genoemde verdere gevolgen aan de onrechtmatigheid van zijn
gedragingen niets afdoen.

6. Hooguit kan de gestelde afwezigheid van meerbedoelde verdere gevolgen
van invloed zijn op de omvang van het nog te bepalen schadebedrag.

De rechtbank overweegt terzake dat de inbreuk op de lichamelijke
integriteit zoals eiseres in casu meerdere malen gedurende meerdere jaren
op jeugdige leeftijd heeft ondergaan, gezien de ernst daarvan, in beginsel
reeds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid grondslag biedt tot
vaststelling van een immateriele schadevergoeding op een omvang zoals
gevorderd. Aan die grondslag doet derhalve de door gedaagde gestelde
afwezigheid van verdere gevolgen niet af, nog geheel daargelaten de
omstandigheid dat gedaagde slechts stellenderwijs, zonder daaraan nadere
motivering te geven, bedoelde afwezigheid opwerpt terwijl toch feit van
algemeen bekendheid is dat incestueuze handelingen in vergelijkbare
omstandigheden als regel (mede) aanleiding geven tot (een of meer )
gevolgen zoals thans door eiseres gesteld. Dientengevolge zal de Rechtbank
ook voorbij gaan aan gedaagdes stelling dat ook niet-incestslachtoffers
in niet geringe mate lijden aan de door eiseres genoemde verdere gevolgen.
Het instellen van nader onderzoek naar meerbedoelde verdere gevolgen
teneinde te beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor een
schadevergoeding hoger dan ƒ 25.000,= hetgeen in beginsel tot de
mogelijkheden zou kunnen behoren nu het petitum daarvoor de ruimte biedt,
zal de Rechtbank achterwege laten nu het toch de kennelijke bedoeling van
eiseres moet worden geacht om met het genoemde bedrag een bovengrens voor
de gevorderde som aan te geven.

7. Gedaagde heeft nog aangevoerd dat hij gezien de omvang van zijn inkomen
ten hoogste ƒ 50,= per maand kan vrijmaken voor betaling van enig
schadevergoeding, zulks in verband met – onder meer- zijn hypothecaire
verplichtingen. Gedaagde voert in verband hiermede aan dat het niet voor
de hand ligt om hem te belasten met maandelijkse betalingen gedurende een
periode van ruim 41 jaren.

8. De Rechtbank kan laatstbedoeld standpunt met gedaagde delen, doch merkt
op dat deze situatie zich in rechte niet zal voordoen, nu toch de wet
bepaalt dat de schuldenaar met zijn hele vermogen en derhalve niet alleen
met in inkomen, voor zijn schulden in staat. Nu voorts hetgeen in deze
procedure omtrent ieders vermogen is gesteld of gebleken geen grondslag
biedt voor een matiging van het in beginsel redelijke schadebedrag dat
door eiseres wordt gevorderd, zal de Rechtbank aan eiseres toewijzen als
vergoeding voor immateriele schade het bedrag van ƒ 25.000,= alsmede de
gevorderde wettelijke rente daarover. Op grond van het bovenstaande zal
ook het gelegde beslag van waarde dienen te worden verklaard. Gedaagde zal
als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure alsmede
de kosten van het beslag verwezen dienen te worden.

9. Gedaagde heeft nog aangevoerd dat de in het beslagrequest genoemde
vrees voor verduistering niet (voldoende) is onderbouwd, doch zulks heeft
geen invloed op hetgeen boven reeds is overwogen aangezien vrees voor
verduistering een rol speelt bij het verlenen van verlof tot
beslaglegging, doch niet bij de vanwaarde verklaring.

10. Hetgeen door partijen verder nog is aangevoerd kan als hierboven reeds
behandeld, dan wel als niet terzake dienende, buiten beschouwing blijven.

Rechtdoende: Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting
aan eiseres te betalen het bedrag groot ƒ 25.000,= (zegge:
vijfentwintigduizend gulden) te vermeerderen met de wettelijke rente over
dit bedrag vanaf 21 november 1989 tot aan de dag der algehele voldoening;
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; Verklaart van
waarde het in aanhef genoemde conservatoire beslag; Veroordeelt gedaagde
in de kosten van deze procedure met inbegrip van de kosten van het beslag,
tot op deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 2.383,95
waarvan te betalen aan: 1. de griffier van de arrondissementsrechtbank te
Almelo: a. ƒ 225,= wegens in debet gesteld griffierecht b. ƒ 204,55 wegens
exploitkosten c. ƒ 1.860,= wegens salaris en verschotten van de procureur
2. de procureur van de eiser: a. ƒ 75,= wegens niet in debet gesteld
griffierecht b. ƒ 19,40 wegens uitroepgelden

Rechters

mr Drewes, lid en Hondebrink, griffier

Instantie: Kantonrechter Alkmaar, 15 mei 1991

Instantie

Kantonrechter Alkmaar

Samenvatting


Al ver voor de bevalling verzoekt een werkneemster, op grond van het
‘Protocol Emancipatie’ van de CAO, om omzetting van het full- time
dienstverband in een part-time baan nadat de baby is geboren (eind november
1990). De werkgever weigert. Na inwerkingtreding van de Wet op het
ouderschapsverlof wordt alsnog dit verlof voor zes maanden aangevraagd. Dat
kan niet worden geweigerd, maar werkgever stelt zonder nader overleg eenzijdig
de urenspreiding over de week vast. Werkneemster dient daarop
ontbindingsverzoek in. Rechter ontbindt, onder verwijt dat de ‘gewichtige
redenen’ van art. 1638oo lid 5 niet eerder aan rechter zijn voorgelegd.
Vergoeding ƒ 12.500,- bruto.

Volledige tekst

Overwegende als volgt:

1. Het komt minder juist voor een tegenverzoek bij wege van reconventie
in te stellen; daarvoor is in de verzoekschriftprocedure geen plaats; het
tegenverzoek zal daarom zo nodig als zelfstandig antidotaal request worden
behandeld.

2. Partijen hebben beiden over en weer hun intentie tot ontslag kenbaar
gemaakt; aangenomen mag dan worden, dat van een ontslagsituatie wordt
uitgegaan en daarnaast alleen nog de vraag ter discussie staat of en in
hoeverre daaraan een vergoeding behoort te worden verbonden.

3. De aanleiding tot het ontstaan van de aan deze ontwikkeling ten
grondslag liggende vertrouwensbreuk, is gelegen in de omstandigheid, dat
verzoekster aanvankelijk op basis van de voor partijen toepasselijke CAO,
naderhand onder referte aan de nieuwe regeling van art. 1638oo BW omzetting
heeft verzocht van haar full-time dienstverband in een deeltijdbaan. Eerst was
er daarbij sprake van de periode na afloop van verzoeksters bevallingsverlof,
nadien is het probleem naar de toekomst verschoven doordat verzoekster gebruik
heeft willen en kunnen maken van de inmiddels in werking getreden mogelijkheid
ouderschapsverlof op te nemen.

4. Verweerster heeft blijkens de correspondentie niet in deeltijdarbeid
willen toestemmen, zulks om bedrijfsorganisatorische redenen, terwijl zij
voorts, overigens naast verleend bevallings- en ouderschapsverlof, tevergeefs
van verzoekster antwoord heeft gevraagd omtrent haar bereidheid na het verlof
weer full-time bij de bank te komen werken. Kennelijk heeft deze bereidheid
ook ontbroken, maar verzoekster is daar niet expliciet voor uitgekomen
tegenover verweerster.

5. Inderdaad voorziet nu de nieuwe regeling van art. 1638oo BW in een
eenvoudige, maar tijdige melding van de werknemer aan de werkgever van het
voornemen verlof op te nemen onder gelijktijdige opgave van de periode, aantal
uren en spreiding daarvan over het werk. Werkgever kan bedoelde spreiding
eenzijdig wijzigen op grond van gewichtige redenen. Verweerster heeft dit
gedaan door overleg met de werknemer in het vooruitzicht te stellen geheel
conform de wettelijke regeling. Volgens verweerster is dit overleg mislukt;
verzoekster daarentegen stelt dat er geen overleg is geweest, maar slechts een
ultimatum is gesteld, waarop direkt moest worden beslist door haar.

6. De vraag of deze gang van zaken door de aanwezigheid van
zwaarwichtige redenen werd gerechtvaardigd, is volgens de Memorie van
Toelichting op eerderbedoelde Wet op het ouderschapsverlof slechts te
beoordelen aan de hand van de mate van ontwrichting, die de gewenste
urenspreiding in de gang van zaken bij het bedrijf zou teweegbrengen en het
belang van de werknemer, afgewogen tegen de gevolgen van die ontwrichting.

Indien partijen hier zelf niet uitkomen en werknemer zich nietbij de
wijziging door de werkgever wil neerleggen, rest hem slechts de zaak aan de
rechter voor te leggen.

7. Het is echter op dat punt, dat verzoekster tekort is geschoten. Zij
heeft immers niet dit geschil expliciet aan de rechter voorgelegd, maar zulks
impliciet gedaan in het kader van een ontbindingsprocedure. Wij missen daarbij
echter de mogelijkheid om het geschil inhoudelijk te beoordelen, nu het hier
gaat om een verzoekschriftprocedure, waarbij Wij niet aan de wettelijke
bewijsregels gebonden zijn. Art. 1639w BW geeft slechts de mogelijkheid een
vergoeding naar billijkheid te verbinden aan een ontbinding van de
arbeidsrelatie, al naar gelang de aanleiding daarvoor in de risicosfeer van
deze of gene partij gelegen is of lijkt te zijn.

8. Uitgaande van dat beoordelingsschema kan slechts worden vastgesteld,
dat niet alleen de bank zich weinig cooperatief heeft opgesteld, maar ook
verzoekster door te zwijgen over wat er na het verlof van haar te verwachten
viel, het vertrouwen in haar verspeelde. Behalve dat de bank er recht op had
dat te weten en zij ook gehouden was tijdens de verlofperiode de werkplaats
voor verzoekster te reserveren, is echter ook de verlofconstructie een
indicatie ervoor, dat na ommekomst van het verlof weer de normale arbeidstijd
zal worden vervuld. Het ziet er naar uit dat verzoekster geen plannen in die
richting had, hetgeen de bank echter op haar beurt niet hoefde te accepteren,
de beleidsinstanties uit het Protocol Emancipatie uit de CAO ten spijt.

9. Om die reden zal worden uitgegaan van een situatie van een verstoorde
arbeidsrelatie, waarbij beide partijen gedeelten van de feitelijke
ontwikkelingen tussen hen kunnen worden toegerekend. Een en ander geeft
tezamen met de duur van het dienstverband en verzoeksters staat van dienst
aanleiding tot vaststelling van onderstaande vergoeding naar billijkheid,
gelet op de veranderde omstandigheden van het geval.

Smartegeld dient echter gereserveerd te worden voor gevallen van
ernstige aantasting van levensvreugde, lijf, eer en goede naam.

Daar valt een normaal arbeidsconflict niet onder.

Mitdien wordt beslist als volgt:

BESCHIKKENDE OP HET VERZOEKSCHRIFT:

Stellen partijen in kennis van Ons voornemen de arbeidsovereenkomst
tussen hen te ontbinden met ingang van 1 juni 1991 onder gelijktijdige
vaststelling van een vergoeding ten laste van verweerster en ten gunste van
verzoekster;

Bepalen dat het verzoek in dat verband kan worden ingetrokken tot en met
uiterlijk 28 mei 1991, en voorts:

Voor het geval het verzoek wordt ingetrokken:

Veroordelen verzoekster in de kosten vande procedure, deze voor zover
aan de zijde van verweerster gevallen en tot op heden begroot op ƒ 1.500,–
voor salaris gemachtigde.

Ontbinden de arbeidsovereenkomst met ingang van dezelfde datum, thans
ten verzoeke van verweerster, met eveneens vaststelling van onderstaande
vergoeding;

Voor het geval niet wordt ingetrokken:

Ontbinden de onderwerpelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen met
ingang van 1 juni 1991;

Bepalen dat verweerster terzake daarvan aan verzoekster zal voldoen een
vergoeding van ƒ 12.500,- bruto, ter aanvulling van door verzoekster te
verwachten sociale uitkeringen dan wel elders te verdienen lager loon;

Compenseren alsdan de kosten van de procedure in dier voege, dat ieder
van partijen de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr A.E. Jansen.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 mei 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een “handige jonge vent”.
Niet is vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de
aangeboden functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1991 verzocht de te Drachten (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen haar oordeel uit te
spreken over de vraag of door te Drachten (hierna: de wederpartij) bij het
aanbieden van een betrekking onderscheid is gemaakt in strijd met de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoekster is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid,
met een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoekster te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de Drachtster Courant van 6 maart 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een “handige jonge vent”. In
de advertentie is niet vermeld dat ook vrouwen kunnen solliciteren.

4.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft telefonisch meegedeeld geen tijd te hebben of
vrij te willen maken om op het standpunt van verzoekster te reageren, omdat de
wederpartij het onzin vindt om zoveel tijd aan een klacht van een aantal
vrouwen te besteden.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie te
vragen om een “handige jonge vent”, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld
heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod
worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie worden
vermeld.

5.3. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.4. In de advertentie wordt expliciet gevraagd om een jongen. Op geen
enkele wijze wordt aangegeven dat ook meisjes in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 1.

5.5. Naar aanleiding van het verweer van de wederpartij, wil de
Commissie het volgende toevoegen.

Het verbod om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is mede een
uitwerking van het grondwettelijk discriminatieverbod. Uit onderzoek blijkt
dat met name vrouwen door ongelijke behandeling bij werving en selectie minder
kansen hebben in de betaalde arbeid, in het bijzonder in die functies die van
oudsher door mannen worden vervuld. Mede om die reden is in de Wet bepaald dat
bij de werving van personeel uitdrukkelijk uit de advertentie moet blijken dat
zowel vrouwen als mannen in aanmerking komen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Drachten bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt en
daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, voorzitter; drs C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch, 7 mei 1991

Instantie

Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Een zwangere werkneemster doet binnen enkele maanden na de aanvang van
het dienstverband een beroep op de ZW in verband met arbeidsongeschiktheid die
(mede) werd veroorzaakt door de zwangerschap. Als de uitkering op grond van
art. 44 lid 1b ZW wordt geweigerd, gaat klaagster in beroep. De Raad van
Beroep oordeelt dat art. 44 lid 1b ZW in casu buiten toepassing moet blijven
wegens strijd met de Derde richtlijn. Art. 44 lid 1b ZW treft slechts vrouwen
en stelt zwaardere voorwaarden dan de algemeen geldende bepaling onder a dat
artikel. De risicoselectie bij zwangere vrouwen mag in ieder geval niet ruimer
worden toegepast dan bij mannen die arbeidsongeschikt werden wegens ziekte.
Dit betekent niet dat, waar het beleid inzake art. 44 lid 1b ZW gunstiger is
voor vrouwen, dit geen doorgang zou kunnen vinden.

Volledige tekst

Feiten

Klaagster, die de Turkse nationaliteit heeft, is op 23 maart 1988 via
uitzendburo Randstad gaan werken als produktiemedewerkster.

Op 18 mei 1988 is zij uitgevallen als gevolge van enkelklachten.

Bij bestreden beslissing heeft verweerder geweigerd klaagster ter zake
van deze arbeidsongeschiktheid ziekengeld toe te kennen onder de volgende
overweging:

“Voor 23 maart 1988, de datum dat uw verplichte verzekering ingevolge de
Ziektewet een aanvang nam, was u niet in loondienst werkzaam, terwijl als
vermoedelijke bevallingsdatum werd aangegeven 1 oktober 1988.

Op grond van het bepaalde in artikel 44, lid 1 b van de Ziektewet is de
bedrijfsvereniging bevoegd om ziekengeld geheel of ten dele te weigeren bij
zwangerschap ontstaan voor of bevalling binnen zes maanden na de dag, waarop
de verzekering een aanvang nam. Het bestuur van de bedrijfsvereniging maakt
gebruik van haar bevoegdheid overeenkomstig de richtlijnen van de Federatie
van Bedrijfsverenigingen die bepalen dat ziekengeld onder meer kan worden
geweigerd, indien de verplichte verzekering ingevolge de Ziektewet aanving na
de 6e week en voor 21e week van zwangerschap, en betrokkene in het jaar
voorafgaande aan de eerste veruimdag niet op tenminste 130 dagen verzekerd is
geweest.

In het jaar voorafgaande aan uw eerste verzuimdag werkte u slechts op 26
dagen zodat u terzake van uw zwangerschap en bevalling geen aanspraak kunt
maken op ziekengeld.”

Tegen die beslissing is beroep ingesteld. In het aanvullend klaagschrift
d.d. 19 januari 1989 zijn de gronden van het beroep uiteengezet en is
gevorderd de bestreden beslissing te vernietigen en klaagster alsnog een
uitkering krachtens de Ziektewet te verstrekken.

Daartoe is met name aangevoerd:

“dat van februari tot en met juli 1987 klaagster arbeid heeft verricht
in loondienst bij een Textielfabriek te Tilburg; dat op 23 maart 1988
klaagster wederom in loondienst is getreden;

dat klaagster op 13 mei 1988 ziek c.q. arbeidsongeschikt is geworden;

dat klaagster op 8 november 1988 bevallen is van een zoon;

dat klaagster, toen zij op 23 maart 1988 in loondienst trad, niet van
het feit dat zij zwanger was op de hoogte was;

dat de wijze waarop door de Bedrijfsvereniging in deze van de in de art.
44 bedoelde bevoegdheid gebruik is gemaakt niet in overeenstemming is met de
redelijkheid;

dat in casu sprake is van strijdigheid met art. 14 van het verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

dat klaagster op grond van haar geslacht achtergesteld is;”

Desgevraagd heeft klaagsters gemachtigde bij schrijven d.dis 10 juli
1989 en 13 september 1989 zijn standpunt dat er sprake is van strijdigheid met
artikel 14 van evenvermeld Verdrag nader toegelicht. In de laatste brief heeft
hij met betrekking tot het verband tussen de zwangerschap en de
arbeidsongeschiktheid op 18 mei 1988 voorts opgemerkt:

” Cliente had destijds last van bijzonder dikke voeten. Cliente haar
huisarts Dr Blomdeel deelde cliente mede dat de dikke voeten direct verband
hielden met de zwangerschap, maar een en ander waarschijnlijk een gevolg was
van het feit dat cliente er niet tegen kon om hele dagen te staan.

Cliente haar werk bestond namelijk uit het staande inpakken van kaas aan
de lopende band. In dit kader dient te worden opgemerkt dat cliente bij haar
indiensttreding niet is gekeurd”.

Ter ondersteuning van dit standpunt heeft de gemachtigde op 1 december
1989 een verklaring van klaagsters huisarts d.d. 24 november 1989
toegezonden.

Naar aanleiding van vragen van de voorzitter van de raad heeft de
collega van klaagsters -inmiddels overleden- huisarts H.J. Weltevrede, in zijn
verklaring d.d. 4 juli 1990 het volgende opgemerkt:

“Op de patientenkaart wordt door Blomdeel aangetekend: Op 17/5 oedemen!
verbod om te werken (Am 16 wk) Patiente had voordien bij lang staan ook dikke
enkels (sept. 87). Dit oedeem was echter veel erger en is ontstaan in de
zwangerschap. Na rusten is mw enkele kg’s afgevallen 66 – 60 kg”.

In aanvulling daarop is zijdens klaagster op 19 september 1990
toegezonden de verklaring d.d. 20 juli 1990 van Dr. Malik Dulgeroglu,
specialist fysiotherapie en rehablitiatie te Merkez, Denizli. Daarvan wordt
aangehaald:

“Pijn en opzwellingen in de knieen en voeten. Vanaf 1983 zijn er
klachten. Zij is in Nederland onderzocht en er werd gezegd dat bloedarmoede de
oorzaak is.”

Verweerder heeft hierop bij schrijven d.d. 29 oktober 1990 het
commentaar van de verzekeringsgeneeskundige v. Irsel toegezonden en – onder
meer – opgemerkt:

“Daaruit blijkt dat de verzekeringsgeneeskundige van oordeel blijft dat
de klachten van klaagster, m.n. gezien de ernst daarvan en het feit dat er
tevens een verlaagd Hb-gehalte werd geconstateerd, in mei 1988 veroorzaakt
werden door de zwangerschap. Derhalve zijn wij van oordeel dat niet voor
redelijke twijfel vatbaar is dat er verband is tussen de arbeidsongeschiktheid
en de zwangerschap en dat de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate moet
worden toegeschreven aan de zwangerschap.

Het feit, dat klaagster voor- en nadien aanzienlijk mindere mate last
heeft gehad van opgezette benen kan daaraan niet afdoen”.

Bedoelde commentaar d.d. 22 oktober 1990, welke in afschrift aan
klaagsters gemachtigde is toegezonden, wordt geacht hier te zijn ingelast.

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

Van de gedingstukken met name hierboven gedeeltelijk weergegeven
medische gegevens alsmede de stukken, die betrekking hebben op het geding
tussen E., wonende te Amsterdam tegen de Stichting Vormingscentrum voor Jong
Volwassenen (VJV-centrum) te Wormer, welke ambtshalve aan het dossier zijn
toegevoegd.

5. Gronden

In dit geding is aan de orde de vraag of verweerders beslissing,
berustend op art. 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ziektewet in
rechte kan worden gehandhaafd.

De raad zal die vraag allereerst beantwoorden naar nationaal recht,
althans voor zover het betreft de vraag of verweerder bedoeld artikelonderdeel
terecht van toepassing heeft geacht. Vervolgens gaat de raad in op de vraag of
art. 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ziektewet in strijd komt met de
richtlijn van de raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1987 nr.
79/7 (de derde richtlijn) en zo ja, welke gevolgen daaraan verbonden moeten
worden voort de onderhavige beslissing.

I. Toepasselijkheid van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van
de Ziektewet:

In bedoeld artikelonderdeel is bepaald: ‘Het bestuur van de
bedrijfsvereniging of van de afdelingskas is bevoegd de uitkering van
ziekengeld geheel of ten dele te weigeren: … b. bij zwangerschap ontstaan
voor, of bevalling binnen zes maanden na de dag, waarop de verzekering een
aanvang nam; het in de voorgaande zinsnede bepaalde vindt geen toepassing,
indien in de periode van zwangerschap, voorzover deze op de dag, waarop de
verklaring, bedoeld in art. 29, achtste lid, is opgemaakt, is verstreken, de
verzekering, vroegere verzekeringen van de verzekerde inbegrepen, niet
gedurende meer dan 60 dagen is onderbroken geweest; eveneens vindt het in de
eerste zinsnede bepaalde geen toepassing bij bevalling, indien hetzij het
ziekengeld, bedoeld in art. 29, zevende lid, is toegekend, hetzij de
verzekering, vroegere verzekeringen van de verzekerde inbegrepen, in het
tijdvak van veertig achtereenvolgende weken, onmiddellijk voorafgaande aan de
dag der bevalling, niet gedurende meer dan 60 dagen onderbroken is geweest.’.

Vast staat dat klaagster op 23 maart 1988 werkzaamheden is gaan
verrichtte, uit hoofde waarbij zij verzekerd werd ingevolge de ZW, terwijl zij
in de periode daarvoor in ieder geval gedurende ruim een half jaar dergelijke
werkzaamheden niet heeft verricht.

Onbetwist is verder dat klaagster op die datum al 7 a 8 weken zwanger
was.

Tussen partijen bestaat echter met betrekking tot de toepasselijkheid
van art. 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW wel verschil van mening
over de vraag of de op 18 mei 1988 ingetreden arbeidsongeschiktheid in
overwegende mate moet worden toegeschreven aan de zwangerschap.

Gelet op de beschikbare medische gegevens, waarvan met name de onder de
feiten weergegeven verklaring van 4 juli 1990 van H.J. Weltevrede en het
commentaar van 22 oktober 1990 van de verzekeringsdeskundige van Irsel, is de
raad van oordeel dat er inderdaad een zodanig verband bestond tussen de
zwangerschap en de arbeidsongeschiktheid. Hieraan kan niet afdoen dat
klaagster reeds eerder dergelijke enkelklachten heeft gehad, nu uit de stukken
kan worden afgeleid dat de klachten in mei 1988 veel ernstiger van aard waren
en in belangrijke mate negatief werden beinvloed door factoren, die met de
zwangerschap te maken hadden. Voorts wijst de raad erop, dat blijkens het
afschrift medische kaart ook sprake is geweest van een zwangerschapstoxicose.

Hieruit volgt, dat verweerder terecht het bepaalde in art. 44, eerste
lid, aanhef en onder b, eerste volzin, van de ZW op klaagster van toepassing
heeft geacht, terwijl er geen sprake is van een van de uitzonderingssituaties
waarnaar overigens in dat artikelonderdeel wordt verwezen.

II. Strijd met de derde richtlijn

a. Personele werkingssfeer

De raad heeft allereerst bezien of klaagster valt onder de personele
werkingssfeer van de derde richtlijn, welke in art. 2 daarvan is omschreven.

De richtlijn is blijkens dat artikel van toepassing op de
beroepsbevolking – met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en
zelfstandigen wier arbeid is onderbroken voor ziekte, ongeval of vrijwillige
werkloosheid en van werkzoekenden – alsmede op gepensioneerde of invalide
werknemers en zelfstandigen.

De onderhavige beslissing heeft betrekking op een ziekengelduitkering
nadat klaagster in verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van met name
haar zwangerschap haar werkzaamheden als werkneemster van de Lid- Staat
Nederland heeft onderbroken.

Naar dezerzijds oordeel behoorde klaagster – uitgaande van de tekst van
de richtlijn en met name art. 2 daarvan – tot de personenkring van de derde
richtlijn.

Dat klaagster niet de Nederlandse nationaliteit bezit, acht de raad geen
belemmering. Nergens is uitdrukkelijk bepaald dat de werking van de richtlijn
is beperkt tot de onderdanen van de lid-staten. Gelet op het karakter en het
doel van de richtlijn ligt dat naar dezerzijds oordeel ook niet voor de hand.
De richtlijn beoogt immers te bewerkstelligen dat vrouwelijke en mannelijke
werknemers binnen een lid-staat gelijk worden behandeld, waarbij het criterium
nationaliteit irrelevant is en zelfs, indien het geaccepteerd zou worden, een
belangrijk inbreuk op het onderliggende beginsel zou betekenen.

Voorts hebben de lid-staten zich in dat verband verplicht alle
wettelijke bepalingen die strijdig zijn met dat beginsel in te trekken. Het
ontgaat de raad hoe daarop een uitzondering gemaakt kan worden voor de
niet-onderdaan.

Gelet op het vorenstaande meent de raad – zelfs indien zou moeten worden
aangenomen dat klaagster niet onder de personele werkingssfeer van de
richtlijn valt – in ieder geval ambtshalve te kunnen toetsen of de onderhavige
nationale bepaling niet in strijd is met de richtlijn en zo ja, die bepaling
buiten toepassing te laten (de zogenaamde rechtmatigheidstoets), hetgeen naar
hieronder blijkt voor betrokkene niet tot een ander resultaat leidt.

b. De materiele werkingssfeer

Van belang is of art. 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW valt
onder het toepassingsbereik van de derde richtlijn.

In dat verband overweegt de raad als volgt.

In art. 19, tweede lid, van de ZW is voor de toepassing van die wet
‘zwangerschap en bevalling’ gelijkgesteld met ‘ziekte’ als bedoeld in het
eerste lid van art. 19.

Dit betekent dat in beginsel in het kader van de ZW een verzekerde bij
uitval als gevolg van zwangerschap en bevalling op gelijke voet behandeld
wordt als de verzekerde, die uitvalt als gevolg van (een andere) ziekte, met
dien verstande dat – ten tijde van belang – vanaf de eerste dag van de zes
weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum een zwangerschapsuitkering werd
verstrekt en gedurende zes weken na de bevalling een bevallingsuitkering ter
hoogte van het dagloon van betrokkene.

Voor het overige wordt bij uitval als gevolg van zwangerschap en
bevallingsuitkering verstrekt naar 70 procent van het dagloon. Aan de
bedrijfsvereniging is voorts in art. 44, eerste lid, van de ZW de bevoegdheid
gegeven in bepaalde gevallen dat ziekengeld (inclusief de zwangerschaps- en
bevallingsuitkering) geheel of gedeeltelijk te weigeren.

Voorzover hier van belang, gaat het dan om de bepalingen 44, eerste lid,
aanhef en onder a (algemeen weigeringsartikel) en onder b (specifiek voor aan
zwangerschap en bevalling gerelateerde ziekte), van die wet welke beogen
misbruik tegen te gaan alsmede een zekere – beperkte – risicoselectie mogelijk
te maken.

De raad is – gelet op het voorafgaande – van oordeel dat deze wettelijke
bepaling(en) vallen onder het toepassingsbereik van de derde richtlijn, nu het
gaat om een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen ziekte (art. 3 van
de richtlijn) en – eventuele – discriminatie met betrekking tot de
werkingssfeer van die regeling alsmede de voorwaarden inzake toelating daartoe
(art. 4, eerste lid, van de richtlijn).

Resteert de vraag of er sprake is van discriminatie op grond van
geslacht als bedoeld in art. 4 van de richtlijn.

c. Discriminatie

Vast staat, dat op grond van art. 44, eerste lid, aanhef en onder b, van
de ZW aan vrouwen uitkering van ziekengeld kan worden geweigerd, hetgeen –
naar de raad afleidt uit het arrest van 8 november 1990 van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna het Hof) in het onder 4.
vermelde geding – in beginsel een direct onderscheid op grond van geslacht is.
Voor een dergelijk onderscheid kan blijkens het tweede lid van art. 4 van de
richtlijn slechts als rechtvaardiging dienen dat er sprake is van een
specifieke bepaling ter bescherming van de vrouw wegens zwangerschap.

Naar het oordeel van de raad heeft art. 44, eerste lid, aanhef en onder
b, van de ZW echter geenszins die strekking. Integendeel, art. 44, eerste lid
aanhef en onder b, van de ZW, dat slechts vrouwen kan treffen stelt zelfs
zwaardere voorwaarden dan de algemeen geldende bepaling onder a van dat
artikel en is om die reden dan ook in strijd met de derde richtlijn.

Aan vrouwen kan namelijk op grond van art. 44, eerste lid aanhef en
onder b, van de ZW ziekengeld worden geweigerd wegens het enkele feit, dat zij
zwanger zijn bij aanvang van de verzekering ingevolge de ZW. Voor de
toepasselijkheid van art. 44, eerste lid, aanhef en onder a ten eerste is
daarnaast de eis gesteld, dat als gevolg van de ‘ziekte’ bij aanvang van de
verzekering ook ongeschiktheid tot werken bestond. Ingeval die laatste eis ook
ten aanzien van zwangere vrouwen zou gelden, zou dit een belangrijke beperking
van de weigeringsbevoegdheid ex art. 44 van de ZW tot gevolg hebben.

Daarnaast brengt de huidige bepaling met zich mee, dat – uitgaande van
de aanspraak op zwangerschapsuitkering, zoals die ten tijde van belang bestond
– een vrouw wegens zwangerschap, hoewel zij deswege bij aanvang van de
verkering ingevolge de ZW niet ongeschikt was tot werken, in beginsel tot 7
1/2 maand na de aanvang van haar verzekering uitkering ingevolge de ZW kan
worden ontzegd, terwijl de risicoselectie van art. 44, eerste lid, aanhef en
onder a ten tweede – overige voorwaarden daargelaten – zich beperkt tot een
ongeschiktheid tot werken intredend binnen een half jaar na aanvang van de
verzekering.

Voorts merkt de raad op dat in art. 44, eerste lid, aanhef en onder b,
van de ZW na de eerste volzin weliswaar een afwijkende – en voor zwangere
vrouwen gunstiger – regeling is opgenomen voor onderbroken verzekeringen, maar
dit kan aan vorenstaande directe discriminatie niet afdoen en kan naar
dezerzijds oordeel ook niet – zoals door verweerders gemachtigde ter zitting
is gesuggereerd – beschouwd worden als een afdoende rechtvaardiging of
compensatie daarvoor.

Een en ander leidt wel tot het oordeel, dat art. 44, eerste lid, aanhef
en onder b, van de ZW enkel voor wat betreft de eerste volzin in strijd is met
de derde richtlijn.

Op grond van al het voorgaande concludeert de raad, dat art. 44, eerste
lid, aanhef en onder b eerste volzin, van de ZW een directe discriminatie op
grond van geslacht inhoudt, terwijl er geen sprake is van de in het tweede lid
van art. 4 van de derde richtlijn vermelde rechtvaardigingsgrond, te weten een
specifieke bepaling ter bescherming van de vrouw wegens moederschap.

De raad wijst ter ondersteuning van zijn standpunt nog op de conclusie
van de advocaat-generaal M. Darmon in het onder rubriek 4 vermelde geding (zie
met name diens overwegingen onder 26 en 27). Hieruit leidt de raad af dat voor
de toekenning van ziekengeld in verband met zwangerschap en bevalling
weliswaar voorwaarden mogen worden gestelde betreffende de duur van de
verzekering of de arbeid, maar dat het beginsel van gelijke behandeling
vereist dat de zwangere werkneemster terzake – in ieder geval – op gelijke
wijze als haar – zieke – mannelijke collega’s wordt behandeld. Het artikel 44,
eerste lid onder a juncto b, van de ZW voldoet daaraan echter niet.

Hieraan kan niet afdoen, dat de besturen van de bedrijfsverenigingen –
en ook verweerder blijkens de bestreden beslissing – in het kader van haar
bevoegdheid ex art. 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW zich in het
algemeen houden aan de Circulaire van de Federatie van Bedrijfsverenigingen
van 30 november 1983, nummer C.757, aangezien deze Circulaire onverlet laat de
strijd van bedoelde wettelijke bepaling met de derde richtlijn. Bovendien
merkt de raad op, dat ook die Circulaire de hiervoor eerstens vermelde
zwaardere voorwaarde niet geheel uitsluit.

Uit al het voorgaande concludeert de raad dat art. 44, eerste lid,
aanhef en onder b eerste volzin, van de ZW buiten toepassing moet blijven. Dit
betekent dat de grondslag aan de bestreden beslissing komt te ontvallen.

Verweerder zal dienaangaande opnieuw kunnen beslissen met inachtneming
van de inhoud van deze uitspraak. Gelet op verweerders bevoegdheid in deze en
de diverse keuzemogelijkheden die hij terzake nog heeft en het – op onderdelen
– voor zwangere vrouwen gunstiger beleid, acht de raad het – onder verwijzing
naar de hiervoor gegeven overwegingen over de personele werkingssfeer – niet
aangewezen in de onderhavige zaak zelf te voorzien door rechtstreekse
toepassing van de derde richtlijn.

Wel wijst de raad – zij het ten overvloede – nog op de weergave van het
standpunt van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het Rapport ter
terechtzitting in de zaak Dekker/VJV-Centrum. De Commissie (zie met name
bladzijde 16) merkt daar onder meer op, dat de in die zaak aan de orde zijnde
zes-maanden regeling in ieder geval het effect heeft van indirecte
discriminatie aangezien de problematiek vooral zal spelen bij nieuwe
dienstverbanden, die – in de daar bedoelde situatie – vooral jonge vrouwelijke
werknemers zal treffen.

Of een en ander zich ook in die mate zal voordoen bij de toepassing van
het vergelijkbare artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW kan de
raad niet overzien, maar zal door verweerder in ieder geval bij zijn
besluitvorming bezien dienen te worden.

Tenslotte merkt de raad nog op, dat deze uitspraak met zich brengt dat
de risicoselectie ten aanzien van zwangere vrouwen in ieder geval niet ruimer
mag worden toegepast dan ten aanzien van mannen, die arbeidsongeschikt worden
wegens ziekte.

Dit betekent echter geenszins dat verweerder zijn beleid inzake de
toepassing van art. 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW – voorzover
dit voor zwangere vrouwen gunstiger is – niet moet blijven toepassen. Of zelfs
deze gunstiger benadering moet verruimen, naar kan worden afgeleid uit het
schrijven van 18 december 1990 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan de Federatie van Bedrijfsverenigingen.

De raad vestigt er bij verweerder nog de aandacht op, dat zijdens
klaagster is aangevoerd dat er wel een arbeidsverleden was voor 23 maart 1988.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerder daarnaar geen onderzoek ingesteld
en evenmin bezien om welke reden klaagster in ieder geval geruime tijd niet
aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. Een en ander zal in het kader van de
nieuwe beslissing wel bij de besluitvorming betrokken moeten worden.

Het voorgaande leidt tot de volgende uitspraak.

Beslissing

De raad van beroep te ‘s-Hertogenbosch.

Recht doende:

Vernietigt de bestreden beslissing.

Bepaalt dat verweerder terzake een nieuwe beslissing neemt over
klaagsters aanspraak op uitkering ingevolge de ZW op en na 18 mei 1988 met
inachtneming van de inhoud van deze uitspraak.

Gelast dat het gestorte recht aan klaagster door verweerder wordt
vergoed.

Rechters

Mrs Van Buitenen, Van Cuyk, Stevens-van Ham

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 mei 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een “vlotte tante” en een
“vrouwelijke mannetjesputter”. Niet vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen voor de aangeboden functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1991 verzocht de Stichting Vrouw en Werkwinkel
Zuid-Oost Friesland te Drachten (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken of
door te Drachten (hierna: de wederpartij) bij het aanbieden van een
betrekking onderscheid is gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoekster is van mening dat deze advertentie in strijd is met
de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid,
met een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt. De wederpartij is
eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van verzoekster te
reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de Drachtster Courant van 6 maart 1991.

Uit de advertentie blijkt dat de wederpartij kandidaten zoekt voor de
functie van administratief medewerkster. Bovenaan de advertentie staat in
grote vetgedrukte letters de term “vlotte tante”. Halverwege de advertentie
wordt gevraagd om een “vrouwelijke mannetjesputter”, waarbij het woord
“mannetjesputter” in grote vette letters is gedrukt. Er wordt voorts gevraagd
naar “een administratief medewerkster” en “een dame”. In de advertentie staat
niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de
aangeboden functie.

4.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

Ook vindt verzoekster het taalgebruik in de advertentie denigrerend ten
opzichte van vrouwen.

4.3. De wederpartij stelt dat tekst en inhoud van de advertentie door
niemand van het buro van de wederpartij als kwetsend zijn ervaren, voor welke
doelgroep dan ook, en dat, als dit wel het geval was geweest, zij de
advertentie niet geplaatst zou hebben.

Ook deelt de wederpartij mee zoveel reacties te hebben ontvangen op de
advertentie dat daaruit geconcludeerd kan worden dat de doelgroep zich niet
bezwaard heeft gevoeld.

De wederpartij heeft wel meegedeeld voortaan “nog zorgvuldiger” met
advertentieteksten om te zullen gaan. De wederpartij geeft daarbij als
voorbeeld een advertentie waarin zij gevraagd heeft om een “snelle henkie”. In
deze advertentie is volgens de wederpartij wel de toevoeging m/v gebruikt.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB door in de onderhavige advertentie te vragen
om een “vlotte tante” en om een “vrouwelijke mannetjesputter”, terwijl zij
niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie
in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod
worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie worden
vermeld.

5.3. Los van de vraag of in de advertentie termen zijn gebruikt die
gevoelsmatig wellicht denigrerend kunnen zijn ten opzichte van vrouwen,
hetgeen door de wederpartij overigens wordt ontkend, blijkt uit de tekst van
de advertentie dat de wederpartij zich alleen richt tot vrouwelijke
kandidaten. In de advertentie wordt op geen enkele wijze aangegeven dat ook
mannen voor de functie in aanmerking komen.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.4. Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 1 WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Drachten door bij de
aanbieding van de betrekking uitdrukkelijk om een vrouw te vragen, onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 3
lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, voorzitter; mr M.M. Hubner, adjunct-secretaris

Instantie: Kantonrechter Zevenbergen, 2 mei 1991

Instantie

Kantonrechter Zevenbergen

Samenvatting


Ontbindingsverzoek tegen werkneemster die na ouderschapsverlof blijvend
part-time wil werken en bovendien een kort geding heeft aangespannen omdat
werkgever haar tijdens ouderschapsverlof niet haar eigen werk liet verrichten.
Ontbinding volgt onder toekenning van ƒ 35.000,- bruto plus ƒ 2.500,- voor
vergoeding juridische hulp. Vervolg op President Rechtbank Breda 14 maart
1991, Rechtspraak Nemesis 1991 nr 181 (ook: KG 1991, 128).

Zie ook: ‘Ouderschapsverlof, een tussenbalans’ elders in dit nummer.

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van het recht.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel
niet of onvoldoende betwist vast dat gerequestreerde, nader ook te noemen B.
sedert 1978 in dienst is van verzoekster, nader ook te noemen de Bank,
laatstelijk wel in de functie van medewerkster commerciele ondersteuning voor
de afdeling bedrijven, tegen een salaris van ƒ 35,584 bruto per jaar exclusief
8% vakantietoeslag en een 13e maand en dat B. met de Bank een
hypotheekovereenkomst op personeelscondities heeft gesloten.

De Bank heeft de Kantonrechter verzocht deze arbeidsovereenkomst met B.
te ontbinden op grond van gewichtige redenen, bestaande in een zodanige
verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve
op korte termijn dient te worden beeindigd.

De Bank voert daartoe – zakelijk weergegeven – aan dat B. op geen enkele
wijze een constructieve bijdrage heeft geleverd om tot een overbrugging van de
tussen partijen gerezen verschillen van inzicht te komen. B. tracht hoe dan
ook en met alle middelen af te dwingen dat zij de functie van medewerkster
commerciele ondersteuning part-time kan gaan verrichten, waar de Bank van
oordeel is dat die functie niet part-time vervuld kan worden.

Door de hele gang van zaken is, aldus de Bank, het vertrouwen in B.
verloren gegaan en is een herstel van de harmonieuze sfeer op het kantoor van
de Bank uitgesloten.

B. heeft zich verweerd. Zij betwist met name een destructieve houding
jegens de Bank te hebben aangenomen.

Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld, is de
Kantonrechter genoegzaam gebleken dat de arbeidsrelatie tussen partijen
dermate ernstig verstoord is geraakt dat een vruchtbare samenwerking in de
toekomst niet meer mogelijk moet worden geacht. Dit levert een zodanige
verandering in de omstandigheden op dat er sprake is van een gewichtige reden
welke de ontbinding van de tussen partien bestaande arbeidsovereenkomst
rechtvaardigt. Het verzoek van de Bank zal dan ook worden ingewilligd en wel
per 1 juni 1991.

De Kantonrechter acht redenen aanwezig om aan B. ten laste van de Bank
een vergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 1639w lid 8 van het
Burgerlijk Wetboek.

Naar het oordeel van de Kantonrechter zijn de ontstane spanningen in
belangrijke mate aan de Bank te wijten. Uit deverklaring ter zitting van de
heer Van den Broek, directeur van de Bank, trekt de Kantonrechter de conclusie
dat de Bank het verzoek van B. om haar functie part-time te mogen gaan
uitoefenen nauwelijks serieus heeft overwogen. Hoewel het in beginsel aan de
Bank is om te beslissen of zij bepaalde functies al dan niet part-time wil
laten vervullen, had het op haar weg gelegen het verzoek van B. die – naar
vaststaat – 12 jaar naar volle tevredenheid voor de Bank werkzaam was, serieus
in overweging te nemen. De Bank mocht zich niet zonder meer op haar (ooit?)
ingenomen standpunt stellen dat het part-time invullen van de onderhavige
functie uitgesloten was en had minstgenomen aan B. gemotiveerd duidelijk
moeten maken waarom zij dit standpunt huldigde. Bovendien had het op de weg
van de Bank gelegen B. een redelijk alternatief te bieden. Met de president
van de Arrondissementsrechtbank is de Kantonrechter van oordeel dat het
aangeboden min/max contract niet als zodanig kan worden aangemerkt.

De fixatie van de zijde van de Bank op de door haar bestuur en haar
dagelijkse leiding ingenomen standpunten en het kennelijk niet kunnen omgaan
met kritiek daarop (zie de uitlating van Van den Broek ter zitting: ‘Ik
betreur het dat het beleid van de bank zo kritisch is bekeken. Het bestuur
stelt het beleid vast, de staf en medewerkers voeren dat beleid uit!’) is naar
het oordeel van de Kantonrechter de belangrijkste oorzaak van de ontstane
situatie.

Aan B. kan niet worden tegengeworpen dat zij de haar ter beschikking
staande juridische wegen heeft bewandeld om haar functie part-time te mogen
gaan uitvoeren, ook al heeft zij daarmee het gebrek aan flexibiliteit van de
Bank blootgelegd.

Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waartoe naast de
hierboven geschetste houding van de bank tevens rekening wordt gehouden met de
lange duur van het dienstverband en de kansen voor B. om in een betrekkelijk
kleine gemeenschap als H. dan wel in de directe omgeving daarvan een
gelijkwaardige baan te vinden, zal de Kantonrechter die vergoeding vaststellen
op een bedrag van ƒ 35.000,- bruto ineens, welke vergoeding dient als
suppletie op een door B. eventueel te ontvangen sociale uitkering dan wel op
door haar elders te verdienen loon, te vermeerderen met een bedrag ad ƒ
2.500,- als tegemoetkoming in de door B. ingeroepen juridische hulp. Daarnaast
zal de Kantonrechter bepalen dat de Bank B. tot 1 juni 1996 ten aanzien van de
tussen partijen gesloten hypotheekovereenkomst de status van ‘werknemer’ – met
de daarbij behorende gunstige condities – zal dienen te blijven verschaffen.

Voor het toekennen van een vergoeding ter zake immateriele schade acht
de Kantonrechter geen gronden aanwezig nu niet is gebleken dat B., die naar de
Kantonrechter heeft kunnen constateren uiterst weerbaar is, daadwerkelijk
immateriele schade heeft geleden terwijl ook van een aantasting van haar eer
en goede naam geen sprake is, nu de Bank zich nimmer negatief over haar
kwaliteiten heeft uitgelaten.

Nu de Kantonrechter voornemens is de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een vergoeding aan B.
ten laste van de Bank, zal hij conform artikel 1639w lid 9 van het Burgerlijk
Wetboek partijen van dit voornemen in kennis stellen en de Bank een termijn
gunnen om haar verzoek desgewenst alsnog in te trekken.

(Ontbinding bij eindbeschiking d.d. 27 mei 1991, met ingang van 1 juni
1991 met toekenning als aangekondigd en compensatie van kosten. Red.)

Rechters

Mr H. Koopman.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 mei 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een “secretaresse”. Niet
vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden
functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. Het verzoek

1.1. Op 11 maart 1991 verzocht de ondernemingsraad van te Tilburg
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Tilburg
(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een “secretaresse”.
Verzoeker is van mening dat deze vacaturevermelding in strijd is met de WGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

2.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het dagblad de Stem van 2 februari 1991. In de advertentie
vraagt de wederpartij om een “secretaresse”. In de vacaturevermelding staat
niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de
aangeboden functie.

3.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

3.3. De wederpartij heeft erkend dat bij het gebruik van de
functiebenaming “secretaresse” zij er niet aan heeft gedacht de toevoeging
“m/v” te hanteren. De wederpartij stelt dat zij – voordat zij voor de
functiebenaming “secretaresse” koos – heeft overwogen de functiebenaming
“secretaris” met de aanduiding “m/v” te gebruiken.

De wederpartij heeft hier echter van afgezien, omdat zij van mening is
dat dit associaties oproept met een functie van een andere inhoud.

Voorts merkt de wederpartij op dat zij bij het aanbieden van vacatures
in het algemeen de Wet correct toepast.

Zowel interne vacatures als vacatures in dagbladen en andere externe
media worden steeds aan mannen en vrouwen aangeboden. Waar zij in haar
personeelsbeleid onderscheid maakt, betreft het een met haar ondernemingsraad
afgesproken beleid volgens welke zij streeft naar een toename van het aantal
vrouwen in leidinggevende- en staffuncties. Onlangs heeft zij daarvoor nog een
Commissie Positieve Aktie ingesteld die haar nog voor het midden van dit jaar
aanbevelingen zal doen op dit terrein.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
“secretaresse” te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

4.4. In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld,
namelijk “secretaresse”. In dat geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk
wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de betreffende functie in
aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt echter in de
advertentie. Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
op grond van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in
strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Tilburg bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3
lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, voorzitter; drs C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Rechtbank Haarlem, 26 april 1991

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Uit de relatie van verzoekers is, binnen 306 dagen na de ontbinding van
het huwelijk van de moeder, een dochter geboren.

De vader wil het kind erkennen en de moeder ontkent het vaderschap van
haar ex-echtgenoot. De ouders zijn niet van plan met elkaar te trouwen
waardoor de erkenning van de vader en de ontkenning van de moeder niet het
door de ouders gewenste gevolg kan hebben.

Volgens de rechtbank kan, gezien de maatschappelijke en juridische
ontwikkelingen, de huwelijkseis niet strekken tot bescherming van de belangen
van het kind en is deze derhalve in casu in strijd met de artikelen 8 en 14
EVRM.

Volledige tekst

1. De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende
stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

-het op 1 november 1990 ter griffie van deze rechtbank ontvangen
verzoekschrift met bijlagen,

-de op 7 februari 1991 ter griffie ontvangen conclusie van de officier
van Justitie in dit arrondissement,

-het proces-verbaal van de zitting van deze rechtbank van 1 maart 1991
waar deze zaak is behandeld,

-de handgeschreven pleitnotities van mr. A.W.M. Willems, advocaat te
Amsterdam, raadsman van de ouders,

-de op 7 maart 1991 ter griffie ontvangen brief van J. Stuve, ambtenaar
van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlem, met bijlagen.

2. Feiten en omstandigheden

2.0. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is onder
meer het volgende gebleken.

2.1. De moeder is gehuwd geweest met C. Dit huwelijk is op …..1990
ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van
de burgerlijke stand te ….

2.2. De ouders hebben van februari 1990 tot december 1990 samengewoond.
Sedert december 1990 onderhouden zij een LAT-relatie.

2.3. Op 15 juni 1990 heeft de moeder tegenover de ambtenaar van de
burgerlijke stand te Haarlem ontkend dat het kind waarvan zij zwanger was, het
kind was van C. De vader heeft bij dezelfde akte dat kind erkend.

2.4. Uit de relatie van de ouders is op 18 juli 1990 een dochter
geboren. Op aangifte van de vader heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand
van Haarlem opgemaakt akte nummer … met onder meer als inhoud:

“Op achttien juli negentienhonderd negenennegentig, te …uur,
…minuten, is geboren in de gemeente…, dochter D. van de vroegere
echtgenoten: C., en A. wonende te Haarlem.”

2.5. De raadsman van de ouders heeft bij brief van 24 juli 1990
voormelde ambtenaar verzocht deze akte te wijzigen zodanig dat daar onder meer
uit zou blijken dat D. is het natuurlijk kind van de moeder en het natuurlijk
erkend kind van de vader. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft
geweigerd aan dit verzoek gevolg te geven.

2.6. C. heeft onder rolnummer bij deze rechtbank een vordering
aanhanging gemaakt tot ontkenning van zijn vaderschap ten aanzien van D. In
die zaak wordt niet voortgeprocedeerd in afwachting van de uitkomst van deze
procedure.

2.7. D. woont thans bij haar moeder; de vader ziet D. iedere dag en is
nauw bij haar opvoeding betrokken.

3. Het verzoek

3.1. De ouders verzoeken – na aanvulling van hun verzoekschrift ter
zitting – de ambtenaar van de burgerlijke stand te Haarlem te gelasten:

– voormelde geboorteakte van D door te halen;

– in plaats daarvan een akte op te maken waaruit – kort gezegd – blijkt
dat D de dochter is van de ouders;

– de kantmelding ex art. 1:29 lid 3 BW voor niet-geschreven te houden in
gevallen waarin door de ambtenaar een compleet afschrift of uittreksel wordt
verstrekt;

– art. 1:17 lid 1 sub c BW buiten toepassing te laten.

3.2. De ouders voeren aan dat zij niet voornemens zijn (op korte
termijn) met elkaar te huwen, waardoor eerdergenoemde ontkenning door de
moeder en erkenning door de vader ingevolge art. 1:198 lid 3 BW niet het door
de ouders gewenste gevolg kan hebben. Naar de mening van de ouders wordt
daardoor in strijd met art. 8 EVRM belet dat er een familierechtelijke band
ontstaat tussen D en haar vader.

Voorts voeren zij aan dat het verschil dat de wetgever in art. 1:198 lid
3 BW maakt tussen gehuwden en niet-gehuwden is achterhaald door
maatschappelijke ontwikkelingen en daarom niet gerechtvaardigd is.
Laatstgenoemd artikel is derhalve bovendien in strijd met het in art. 14 EVRM
neergelegde verbod van discriminatie.

3.3. Ten aanzien van hun verzoek de kantmelding ex art. 1:29 lid 3 BW
voor niet-geschreven te houden hebben de ouders aangevoerd dat zulks
noodzakelijk is ten einde de privacy van D te waarborgen. De ouders wijzen
erop dat op die manier nimmer iets anders aan D bekend hoeft te worden dan dat
zij in familierechtelijke betrekking heeft gestaan en staat tot de vader. Ook
de grootouders van D – die volgens de ouders niet op de hoogte zijn van het
feit dat D binnen 306 dagen na ontbinding van het huwelijk van de moeder met C
is geboren – behoeven op die manier niet te ervaren welke de werkelijke gang
van zaken is geweest.

4. Beoordeling van het verzoek

4.1. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden staat vast dat er
een zodanig nauwe feitelijke band bestaat tussen D en haar vader dat er sprake
is van ‘family life’ als bedoeld in art. 8 EVRM. Deze relatie dient derhalve
zo veel mogelijk te worden erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking.
Art. 1:198 lid 3 BW vormt in dit geval een beletsel nu immers de ouders niet
(voornemens zijn te) voldoen aan de in dat artikel gestelde huwelijkseis.

4.2. De vraag die thans voorligt is of de huwelijkseis in voormeld
artikel gerechtvaardigd is. De ratio van deze eis is te voorkomen dat een kind
door ontkenning door de moeder en erkenning door de vader in een minder
gunstige positie zou komen dan daarvoor, namelijk in plaats van wettig kind
zou worden natuurlijk (erkend) kind.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat door maatschappelijke
ontwikkelingen het al dan niet hebben van de status van wettig kind aan belang
heeft ingeboet. In de huidige omstandigheden komt het veelvuldig voor dat
kinderen geboren worden uit ouders die ongehuwd zijn. Door onder meer de
ontwikkelingen van de rechtspraak ter zake is de positie van met name erkende
natuurlijke kinderen vrijwel gelijk aan die van wettige kinderen, zodat de
huwelijkseis in bedoeld artikel niet langer is gerechtvaardigd aangezien die
eis niet kan strekken tot bescherming van de belangen van het kind.

4.4. Nu niet is gebleken van andere, met name publiekrechtelijke,
belangen die bescherming vinden in voormeld artikel komt de rechtbank tot het
oordeel dat art. 1:198 lid 3 BW in dit geval in strijd is met de artt. 8 en 14
EVRM en derhalve buiten toepassing dient te worden gelaten. Daaruit volgt dat
het verzoek van de ouders tot doorhaling van vorenbedoelde akte en opmaking
van een nieuwe akte toewijsbaar is. De rechtbank verwerpt daarmee de
andersluidende conclusie van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank wijst er daarbij op dat een materieel gelijk resultaat zou
kunnen worden bereikt wanneer C zijn ontkenningsaktie zou doorzetten. Terecht
hebben de ouders erop gewezen dat het niet juist is dat zij afhankelijk zouden
zijn van het al dan niet instellen van die aktie.

4.5. Ter zitting is onder meer op grond van inlichtingen van J. Stuve,
ambtenaar van de burgerlijke stand van Haarlem, gebleken dat de formulering
van het petitum – voor zover betrekking hebbend op art. 1:198 BW – niet
voldoet aan eisen die te stellen zijn aan een deugdelijke akte. De rechtbank
heeft daarom ter zitting, voor het geval zij het verzoek zou toewijzen, met
instemming van de ouders, voornoemde ambtenaar verzocht haar voor te lichten
omtrent een tekst die wel voldoet aan deze eisen.

In voormelde op 7 maart 1991 ter griffie ontvangen brief heeft de
ambtenaar aan dit verzoek voldaan. De rechtbank kan zich met de inhoud van die
brief voor zover betrekking hebbend op de tekst van de akte verenigen en zal
die als uitgangspunt nemen voor haar hierna te geven beslissing.

4.6. De rechtbank verwerpt het betoog van de ouders dat bij afgifte van
een volledig afschrift of uittreksel als bedoeld in art. 1:28 lid 2 BW de
kantmelding voor niet-geschreven dient te worden gehouden teneinde de privacy
van D te waarborgen. Slechts in geval van een bijzonder zware en derhalve
niet- gerechtvaardigde inbreuk op de privacy is er grond een maatregel met
deze strekking te gelasten. De ouders hebben niet aannemelijk gemaakt dat
zulks in deze zaak het geval is. De rechtbank merkt daarbij op dat – anders
dan de ouders blijkbaar menen – D er (op den duur) recht op heeft te ervaren
onder welke omstandigheden haar geboorte heeft plaatsgevonden; het kan dus
niet in het belang van D zijn dat de ouders wensen te verhinderen dat deze
informatie haar zal kunnen bereiken. Dat de grootouders thans onkundig zijn en
naar de mening van de ouders ook moeten blijven, van de juridische situatie
ten tijde van de geboorte van D is evenmin voldoende grond voor inwilliging
van dit verzoek.

4.7. Het verzoek van de ouders tot buitentoepassinglating van art. 1:17
lid c BW is onvoldoende onderbouwd en heeft voorts naar het oordeel van de
rechtbank geen zelfstandige betekenis in het licht van hetgeen zij hierna zal
beslissen, zodat dat verzoek geen bespreking behoeft.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. Gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van Haarlem:

a. de doorhaling van aktenummer …, voorkomende in het register van de
geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlem over het jaar 1990,
relaterende de geboorte op … van het kind D;

b. de aanvulling van het ‘lopende’ register van geboorten van de
Burgerlijke stand te Haarlem met een akte luidende:

‘Op … negentienhonderdnegentig, te … uur … minuten, is geboren in
de gemeente Haarlem, D, dochter van B en A, beiden wonende te Haarlem. Dit
kind is op … door de vader voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van
Haarlem erkend.

5.2. Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Rechters

Mr Huijzer, plaatsvervangend lid van de enkelvoudige kamer.

Instantie: Europees Hof voor de rechten van de mens, 26 april 1991

Instantie

Europees Hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


Klager betoogt dat zijn recht om getuigen a charge te (doen)
ondervragen is geschonden. Het betreft zijn vriendin die aangifte van
mishandeling en bedreiging met een geweer heeft gedaan bij de politie. Een
paar dagen na de aangifte geeft ze de wens te kennen de aanklacht in te
willen trekken. Ter terechtzitting beroept ze zich op haar
verschoningsrecht en weigert te getuigen. Naast het proces-verbaal van de
aangifte zijn er andere bewijsmiddelen. Bovendien is de politieagent die
de aangifte heeft opgenomen aanwezig op de terechtzitting. Het Hof acht
geen schending van art. 6 lid 3 (d) aanwezig omdat er voor is gezorgd dat
de rechten van de verdachte zijn gerespecteerd.

Volledige tekst


Een uitstapje: De zaak Unterpertinger

Alois Unterpertinger is getrouwd met Rosi. Zijn vrouw heeft een dochter
die bij hen woont. Ruzies tussen Alois en Rosi monden regelmatig uit in
geweld, wat (soms) wederzijds is. De politie is al enige keren opgetreden
als Alois in augustus 1979 aangifte komt doen van mishandeling met een
briefopener door zijn vrouw. Hierdoor heeft hij een hoofdwond opgelopen.
De dokter constateert licht letsel. De vrouw wordt als verdachte gehoord.
Zij vertelt dat hij haar in het gezicht heeft geslagen en geschopt, en dat
hij haar dochter bij de haren heeft gegrepen en licht verwondde toen zij
weg wilde vluchten. Zij en haar dochter hebben toen teruggevochten. Zij
had een briefopener in haar hand en heeft hem wellicht daarmee geraakt.
De dochter wordt gehoord als informant en bevestigt het verhaal van haar
moeder. Een kleine maand later doet de vrouw aangifte van mishandeling
door haar echtgenoot. Het ziekenhuisrapport vermeldt ernstig letsel. Een
maand later wordt Alois verhoord. Hij ontkent zijn vrouw verwond te
hebben. Ondertussen heeft Rosi een echtscheidingsprocedure gestart en
wonen zij niet meer samen.

De aanklacht tegen Rosi wordt afgescheiden van de zaak tegen Alois, en zij
wordt vrijgesproken. Alois moet voorkomen voor mishandeling van vrouw en
stiefdochter (zaak 1) en mishandeling van zijn vrouw met zwaar letsel tot
gevolg (zaak 2). Hij erkent het slaan van zaak 1, maar ontkent de zware
mishandeling. Hij voert voorts nog aan dat hij niet in staat was de vrouw
te trappen omdat hij verwond was aan zijn knie. Rosi en haar dochter
beroepen zich op hun verschoningsrecht. De rechtbank veroordeelt Alois tot
een half jaar gevangenisstraf op grond van de voorgelezen
politie-rapporten, het verhaal van Alois en zijn strafblad. Alois gaat in
hoger beroep. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Hierop
wordt een klacht ingediend wegens schending van art. 6 lid 1 en 3 (d)
EVRM. De commissie oordeelt met vijf tegen vijf stemmen en een
doorslaggevende stem van de voorzitter dat er geen sprake is van een
inbreuk op art. 6. Het Hof daarentegen vindt wel dat er sprake is van een
inbreuk op art 6 lid 1 en 3 (d). Hoewel de verklaringen van Rosi en haar
dochter niet het enige bewijs waren waarop de veroordeling plaatsvond,
vond de veroordeling wel hoofdzakelijk plaats op grond van deze
verklaringen.

Asch als variant van Unterpertinger?

Asch is een variant van de Unterpertingerzaak, alleen de feitelijke
omstandigheden verschillen. Naar mijn idee is het belangrijkste verschil
gelegen in het feit dat het in de Unterpertingerzaak ging om wederzijds
geweld en in de Aschzaak om eenzijdig geweld tegen de vrouw. Juridisch
gezien was de aanklacht tegen Rosi losgemaakt van de aanklacht tegen
Alois, maar feitelijk blijft dit een rol spelen in de interpretatie van
het bewijs, namelijk de betrouwbaarheid van de getuigen. Rosi heeft haar
eerste verklaring afgelegd als verdachte en niet als aangeefster. De
dochter van Rosi kiest de kant van haar moeder, aldus het politierapport.
De getuigen worden hierdoor minder betrouwbaar geacht en ondervraging ter
terechtzitting wordt daardoor meer noodzakelijk (zie ook de dissenting
opinion van Trechsel). Tevens wordt door de onbetrouwbaarheid van de
getuigenverklaringen de geloofwaardigheid van Alois groter die zegt te
hebben gehandeld uit zelfverdediging. Daarnaast kunnen medische
verklaringen geen uitsluitsel geven over de vraag hoe en door wie het
letsel tot stand is gekomen (zie de dissenting opinion bij het oordeel van
de Commisie). Een tweede verschil betreft het feit dat in de Aschzaak de
agent die de aangifte opnam, wordt gehoord op de terechtzitting als
getuige, terwijl Asch geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om
vragen te stellen. Het is gebruikelijk dat een verdachte die geen gebruik
heeft gemaakt van zijn recht om getuigen te horen, zich niet later kan
beroepen op schending van het onmiddellijkheidsbeginsel (Melai, aant. 12
op 280 Sv & aant. 3 op 282 Sv.). In de Unterpertingerzaak daarentegen
weigerde het hof het verzoek van Alois om een aantal getuigen te horen.
(Op een na die het verhaal van Alois dat zijn vrouw al een gekneusde duim
had niet kon bevestigen.) Een inbreuk op het onmiddellijkheidsbeginsel
ligt dan meer voor de hand. Tot slot kan een rol hebben gespeeld dat Asch
erkent zijn vriendin te hebben aangevallen en weggeduwd, terwijl
Unterpertinger ontkent zijn vrouw te hebben geschopt met zwaar lichamelijk
letsel tot gevolg, terwijl de erkenning van het slaan wederzijds geweld
betrof.

Het verschoningsrecht

In Nederland is het verschoningsrecht wegens verwantschap geregeld in de
art. 217 Sv. De zaak Asch betrof een samenwonend stel. In Oostenrijk
kunnen ook samenwonenden zich op dit verschoningsrecht beroepen. In
Nederland daarentegen wordt ‘verwantschap’ strikt geinterpreteerd en
weigeren rechters systematisch het verschoningsrecht voor samenwonenden
te laten gelden. Mols doet daarom een beroep op de wetgever om het
verschoningsrecht ook voor samenwonenden te regelen. (Mols, Getuigen en
strafzaken, 1993, Kluwer Deventer pp. 7, 18; Melai (losbladig commentaar
op het Wetboek van strafvordering, aantekeningen op art. 217 Sv)

Familieleden kunnen zich op het verschoningsrecht beroepen tijdens een
verhoor ter terechtzitting of binnen een gerechtelijk vooronderzoek door
de rechter-commissaris. Wanneer zij door de politie worden gehoord tijdens
de voorfase bestaat er geen spreekplicht en uit dien hoofde is er geen
verschoningsrecht. Dit juridische verschil is voor getuigen niet helder.
Zij hebben het idee dat er een plicht tot getuigen bestaat in elke fase
van het strafproces. Wanneer familieleden zich beroepen op het
verschoningsrecht, dan moet de rechter dit beroep honoreren als de
familiebetrekking vaststaat. Maar er bestaat geen plicht voor rechters ter
terechtzitting en binnen een gerechtelijk vooronderzoek om getuigen te
wijzen op hun verschoningsrecht (HR 8 november 1977, NJ 1978, 536; HR 10
januari 1984, NJ 1984, 421). Hiermee wordt afbreuk gedaan aan het doel van
het verschoningsrecht, familieleden niet in conflict brengen tussen
enerzijds het verklaren van de waarheid en anderzijds hun relatie met de
verdachte; een belastende verklaring zou de relatie onherstelbaar kunnen
verstoren. In dat licht gezien behoort de getuige op de hoogte te zijn van
het verschoningsrecht zodat zij of hij een juiste afweging kan maken (Zie
ook: Mols, Getuigen en strafzaken, 1993). Dit beroep op het
verschoningsrecht kan in elke fase van het proces worden ingeroepen, ook
nadat eerder belastende verklaringen zijn afgelegd. Het is vaste
jurisprudentie in Nederland dat dit niet betekent dat eerdere verklaringen
vastgelegd in een proces-verbaal niet als schriftelijk stuk gebruikt kan
worden voor het bewijs. Het de auditu arrest maakte hier de weg voor vrij.
(Zie: HR 8 februari 1932, NJ 1932, p. 620; HR 2 juni 1936, NJ 1936, 992;
HR 27 juni 1938, NJ 1939, 60; HR 20 februari 1990, NJ 1990, 635).

Ik wil nog een opmerking maken over de reikwijdte van het
verschoningsrecht. Sommigen proberen het verschoningsrecht op te rekken,
zoals in de zaak Asch, door te stellen dat het inroepen van het
verschoningsrecht betekent dat de belastende verklaring niet mee mag
werken aan het bewijs. Maar als de vrijwillig afgelegde verklaring niet
zou mogen worden gebruikt voor bewijs in het geval dat de getuige zich
later op het verschoningsrecht beroept, dan zou aan het verschoningsrecht
meer rechten zijn verbonden dan de wetgever heeft bedoeld. Het gaat er dan
niet meer om dat de wetgever aan de getuige een pijnlijk conflict heeft
willen besparen. Op die manier zou het vervolgingsmonopolie worden
aangetast, zoals ook het Hof in de zaak Asch constateerde in
rechtsoverweging 28. (Zie tevens: Noot van Taverne, HR 30 september 1929,
NJ 1929, p. 1549). Recent probeerde de raadsman van een verdachte het
verschoningsrecht te beperken door te stellen dat het doen van aangifte
en het afleggen van een belastende verklaring moet worden gezien als een
expliciete afwijzing van het gebruik van het verschoningsrecht. Dit beroep
heeft de Hoge Raad, zonder nadere motivering, afgewezen (20 februari 1990,
NJ 1990, 635.) Het betrof hier een zaak van mishandeling en afpersing van
de moeder door de zoon.

De jurisprudentie omtrent het verschoningsrecht lijkt vrij vast. De
uitspraak in de zaak Asch valt binnen deze vaste jurisprudentie. Wel vindt
er een nuancering plaats, namelijk dat het oordeel van de rechter niet
hoofdzakelijk op de verklaring van de – niet ter terechtzitting gehoorde
– getuige mag worden gebaseerd. Tot zover de processuele aspecten van het
verschoningsrecht.

Slachtoffer-getuigen

Ter afsluiting wil ik nog een opmerking maken over het onderscheid tussen
het zijn van enkel getuige en het zijn van slachtoffer-getuige en hoe het
verschoningsrecht hierbij een rol speelt.

Terug naar vrouwenmishandeling. Het feit dat een vrouw aangifte doet van
geweld door haar partner geeft aan dat zij een reactie van de overheid wil
op dit geweld en dat zij hulp van buitenaf nodig heeft om het geweld te
stoppen. De reden waarom ze zich later beroept op haar verschoningsrecht
kan gelegen zijn in een vrees voor verslechtering van de relatie. Maar ook
andere redenen kunnen een rol spelen, zoals chantage van de man of omdat
het moeten getuigen de gebeurtenis weer opnieuw oprakelt terwijl ze haar
leven hier juist van wil losmaken. Deze redenen hebben niets te maken met
het wel of niet willen van een vervolging of een strafrechtelijke reactie.
Misschien wil de vrouw wel een strafrechtelijke reactie, maar kan ze het
niet aan om te getuigen ter terechtzitting of voor de rechter-commissaris.

Ik raak hier aan een punt dat in het algemeen geldt voor
slachtoffer-getuigen. Zij hebben redenen waarom zij niet ter
terechtzitting willen getuigen. Een beperkte categorie kan het
verschoningsrecht inroepen omdat er een familierechtelijke relatie
bestaat. Deze groep kan worden uitgebreid door het verschoningsrecht ook
voor samenwonenden te laten gelden, maar dan nog blijft er een grote groep
van slachtoffer-getuigen die zich niet op zo’n recht kunnen beroepen. Zij
zijn afhankelijk van de afweging die de rechter maakt of het niet
verschijnen van de getuige valt binnen art. 280 lid 4 of 282 lid 2 Sv. Met
andere woorden, of de rechter oordeelt dat door het niet oproepen van de
getuige de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden
geschaad omdat de getuige geen noodzakelijke bijdrage zal leveren aan de
opheldering van de zaak (overbodigheid), ofwel dat de rechter het
onaannemelijk acht dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal
verschijnen (nutteloos). (Corstens, DD, 1992, pp. 205-211.)

De interpretatie van deze termen – overbodigheid en nutteloos – is
trouwens in beweging. Tegenwoordig wordt bijvoorbeeld het belang van de
getuige meegewogen door vast te stellen dat een nader verhoor ter
terechtzitting psychisch zeer belastend is voor het slachtoffer waardoor
nadere oproeping achterwege kan blijven. De afweging wordt vervolgens
onder de termen nutteloos en overbodig gebracht (HR 2 februari 1989, NJ
1989, 632; HR 25 februari 1992, NJ 1992, 555; HR 26 mei 1992, NJ 1992,
680).

In de huidige discussie over het onmiddellijkheidsbeginsel wordt
regelmatig gesteld dat getuigen nog maar zelden op de zitting worden
gehoord en dat het onmiddellijkheidsbeginsel van zijn confrontatie
pretenties is ontdaan (zie bijvoorbeeld a.w. Mols & Corstens). Afgezien
van de vraag of dit wel zo is voor zaken van seksueel geweld (ik hoor van
direct betrokkenen bij slachtoffers van seksueel geweld juist dat
slachtoffers weer steeds vaker op de terechtzitting moeten verschijnen)
mis ik in die discussie een onderscheid in soort getuigen. De (anonieme)
infiltrant moet naar mijn mening worden onderscheiden van de (anonieme)
getuige die slachtoffer is van een (seksueel) geweldsdelict, en de
slachtoffer-getuige, die een relatie heeft (gehad) met de verdachte. In
het eerste geval is er sprake van een beroepsrisico en spelen andere
vragen een rol. In het tweede geval is het van groot belang dat het
slachtoffer niet nogmaals wordt getraumatiseerd door de strafrechtelijke
procedure. Wanneer een slachtoffer aangeeft dat een nader verhoor
traumatiserend is, zal de verdachte moeten aangeven wat de meerwaarde van
zo’n nader verhoor is. Zeker als het slachtoffer al eens door de rechter-
commissaris is gehoord.

Binnen de rechtspraak gebeurt dit ook wel, zoals in de Finkensieperzaak
en recent in een verkrachtingszaak (HR 9 februari 1993, nr 93.293, NJB
Rechtspraak 1993, nr 56 (strafkamer), p. 158) Deze belangenafweging zou,
naar mijn mening, een duidelijker plaats moeten krijgen binnen de
strafwet. Hiermee kan worden voorkomen dat er discussies ontstaan die niet
de kern van de afwijzing van het horen van de getuige ter terechtzitting
raken. (HR 1 oktober 1991, NJ 1992, 197, p 743 m.nt. Sch.) Zoals Corstens,
hij stelt dat het hof in de zaak Finkensieper op onterechte gronden het
horen van de getuigen heeft geweigerd. Er was volgens hem geen sprake van
overbodigheid omdat het niet totaal irrelevante getuigen betrof.
(Corstens, DD 1992, p 208) Die constatering lijkt mij juist, maar treft
niet de kern van het probleem, namelijk dat getuigen mensen zijn en dat
zeker slachtoffergetuigen extra kunnen worden getraumatiseerd door een
verhoor op de terechtzitting.

Door het belang van de slachtoffer-getuige te expliciteren wordt de
secondaire victimisering van slachtoffers een erkend belang, waar rekening
mee gehouden moet worden in de afweging of de getuige zou moeten
verschijnen op de terechtzitting. Tevens wordt de discrepantie tussen de
slachtoffer-getuigen die zich op een verschoningsrecht kunnen beroepen en
degenen die dat niet kunnen verkleind. Wanneer getuigen op grond van dit
belang niet worden gehoord op de terechtzitting, kan dit natuurlijk
consequenties hebben voor (de overtuiging van) het bewijs. Deze
consequentie hoort nu eenmaal bij het risico van een strafprocedure.

Katinka Lunnemann

Rechters

Mrs. Ryssdal (president), Matscher, Evans, Macdonald, Russo,Bernhardt, Spielmann, De Meyer, Valticos.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Hulpverleningscentrum heeft personeelssamenstelling waarbij vrouwen over
het algemeen niet onevenredig vertegenwoordigd zijn. Cenrum heeft daarom geen
algemeen geformuleerd voorkeursbeleid voor vrouwen. In een bepaalde
managementfunctie zijn vrouwen sterk ondervertegenwoordigd. Bij vacature voor
zo’n functie werft centrum alleen onder vrouwen. In casu sprake van
voorkeursbehandeling met incidenteel karakter. Gelet op grote achterstand van
vrouwen in die functie is gekozen vorm van voorkeursbehandeling verenigbaar
met eisen die WGB daaraan stelt.

Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK:

1. Op 2 april 1991 verzocht de ondernemingsraad van het (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid met spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
te Amsterdam (hierna: wederpartij) onderscheid maakt naar geslacht bij de
werving en selectie van een sectorhoofd Drugsklinieken.

1.2. De wederpartij heeft bij de interne werving voor de vacante functie
van sectorhoofd alleen vrouwelijke kandidaten uitgenodigd te solliciteren in
verband met een ongelijke verdeling binnen leidinggevende functies. In de
uitspraken van de direktie en het overleg met verzoeker is steeds sprake
geweest van een voorkeursbehandeling van vrouwen bij gelijke geschiktheid.
Verzoeker vraagt zich af of toepassing van een sterke vorm van
voorkeursbehandeling al dan niet in strijd is met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 22
april 1991. Voorafgaand aan de zitting heeft de wederpartij op verzoek van de
Commissie schriftelijk haar standpunt uiteengezet.

De wederpartij heeft op verzoek van de Commissie toegezegd de procedure
ter vervulling van de onderhavige functie op te schorten totdat de Commissie
haar oordeel heeft gegeven.

2.2. Bij de zitting van 22 april waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– dhr (voorzitter OR)

– mw drs (ambtelijk secretaris OR)

– dhr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij

– dhr dr (directeur)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (Kamerlid)

– mw mr A.C. Possel (Kamerlid)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. Hierin
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

2.4. Het dictum van het oordeel is op verzoek van partijen op 22 april
1991 mondeling uitgesproken.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De wederpartij is een centrum voor de preventie en behandeling van
mensen met verslavingsproblemen.

Binnen de organisatie bestaat onder het personeel de volgende man/vrouw
verdeling:

– medewerkers 172 mannen

222 vrouwen

– afdelingshoofden 12 mannen

8 vrouwen

– sectorhoofden 5 mannen

1 vacature

– diensthoofden 3 mannen

2 vrouwen

– directie 1 man

De wederpartij heeft een ondernemingsraad en een emancipatiecommissie.

3.2. De ondernemingsraad heeft in 1989 in het bedrijf van de wederpartij
een enquete gehouden onder het personeel naar de wensen ten aanzien van een
positief aktieplan voor vrouwen. Op basis van de uitkomst van deze enquete
heeft de ondernemingsraad een rapport ‘Positieve Aktie Een Noodzaak’
opgesteld. De emancipatiecommissie heeft daarover een pre- advies opgesteld.
De ondernemingsraad wilde hiermee een aanzet geven tot een discussie met de
directie over positieve actie voor vrouwen teneinde te komen tot een beleid
terzake.

In juni 1990 heeft de ondernemingsraad in vervolg op de eerdere nota een
aantal concrete voorstellen gedaan aan de directie inzake positieve actie.
Onderdelen van dit voorstel zijn overgenomen door de directie bij brief van 17
juli 1990. Daarbij gaf de directie (onder andere) het volgende aan:

“Er wordt reeds gestreefd naar een evenwichtige man/vrouw verdeling van
managementfuncties. Het beleid is reeds dusdanig dat bij gelijkwaardige
kandidaten vrouwelijke sollicitanten voor een functie voorrang krijgen boven
mannelijke kandidaten.”

Deze uitspraak komt overeen met het voorstel van de ondernemingsraad,
die in zijn nota onder 2. ook spreekt over het geven van voorrang aan
vrouwelijke kandidaten bij gelijkwaardige capaciteiten.

De directie heeft zelf geen beleid inzake positieve actie voor vrouwen
op schrift gesteld en uitgewerkt. Ter zitting heeft de directeur verklaard
geen behoefte te hebben aan zo’n beleid gelet op de vrij evenwichtige
man/vrouw verdeling onder het personeel. De directeur ziet alleen een probleem
voor de functie sectorhoofd. Bij de sectorhoofden is sprake van een grote
onevenwichtigheid. Deze onevenwichtigheid is voor de directeur

aanleiding om ten aanzien van deze specifieke functie incidenteel, apart
actie te ondernemen.

3.3. In 1989 waren er 5 mannelijke sectorhoofden en 1 vacature. Na
overleg met de ondernemingsraad heeft de directie daarop voor deze vacature
alleen onder vrouwen geworven en een vrouw aangesteld. Deze vrouw is onlangs
vertrokken waardoor dezelfde situatie als in 1989 ontstond. De directie heeft
daarop besloten weer alleen onder vrouwen te werven.

3.4. In de advertentie voor de betreffende vacature die intern is
verschenen staat onder meer het volgende.

“T.a.v. bovenstaande vacature worden i.v.m. ongelijke verdeling binnen
leidinggevende functies alleen vrouwelijke kandidaten met belangstelling voor
deze functie verzocht te solliciteren.”

3.5. Verzoeker vraagt zich af of deze procedure al dan niet in strijd is
met de wetgeving gelijke behandeling. Hij verwijst hierbij naar een klacht die
een aantal afdelingshoofden van de wederpartij bij verzoeker hebben ingediend.
Deze hoofden stellen dat het beleid er op is gericht om bij gelijke
geschiktheid voorkeur te geven aan vrouwen. Het uitsluitend werven onder
vrouwen zou een -ongeoorloofde- stap verder zijn.

3.6. De wederpartij is van mening conform de wetgeving gelijke
behandeling te hebben gehandeld. Zij beroept zich op artikel 5 lid 1 Wet
gelijke behandeling.

Als globale richtlijn houdt de wederpartij het volgende aan: zo lang het
aantal vrouwen in deze managementlaag kleiner dan 20% was, uitsluitend vrouwen
werven; tussen de 20 en 40%, bij gebleken geschiktheid, voorkeur voor vrouwen;
en boven de 40% via gewone procedure streven naar gemiddeld 50% vrouwen en 50%
mannen.

Bij de invulling van de functie sectorhoofd bestaat op dit moment een
aanzienlijke achterstand met betrekking tot de man/vrouw verhouding, namelijk
5 mannen en

1 vacature.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij handelt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling door voor de vervulling van de vacante functie
van sectorhoofd alleen vrouwelijke kandidaten uit te nodigen om te
solliciteren.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid tussen
mannen en vrouwen bij de aanbieding van een betrekking en bij de selectie van
kandidaten. Afwijking van dit verbod is op grond van artikel 3 lid 2 juncto
artikel 5 lid 1 toegestaan indien beoogd wordt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

4.3. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of toepassing van de
onderhavige voorkeursbehandeling gebaseerd is op een voorkeursbeleid of op een
incidenteel besluit. Van een voorkeursbeleid is sprake indien gedurende een
periode een vorm van voorkeursbehandeling wordt toegepast zonder dat daartoe
in elk concreet geval een apart besluit wordt genomen.

De Commissie stelt vast dat de bestreden voorkeursbehandeling een
incidenteel karakter draagt. De wederpartij achtte het immers niet opportuun
een algemeen voorkeursbeleid op te stellen, naast en anders dan in het
incidentele geval van een grote achterstand, zoals ten aanzien van de
onderhavige functie van sectorhoofd.

4.4. Vervolgens moet worden nagegaan of toepassing van de betreffende
vorm van voorkeursbehandeling, namelijk het in eerste aanleg alleen oproepen
van vrouwelijke kandidaten, voldoet aan artikel 5 lid 1 WGB.

In de betreffende functiegroep van sectorhoofd zijn op dit moment 5
mannen werkzaam en bestaat 1 vacature. Daarmee is een zodanig grote
achterstand aangetoond dat de onderhavige vorm van voorkeursbehandeling in
redelijkheid binnen de voorwaarden valt die uit artikel 5 lid 1 WGB
voortvloeien.

4.5. Daarmee staat vast dat de wederpartij in de onderhavige situatie
niet in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te Amsterdam geen
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in strijd met artikel 3 lid 2

juncto artikel 5 lid 1 Wet gelijke behandeling bij de werving en
selectie van een sectorhoofd Drugsklineken.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris