Instantie: Arrondissementsrechtbank Rotterdam, 17 april 1991

Instantie

Arrondissementsrechtbank Rotterdam

Samenvatting


De gemeente Hellevoetsluis besluit om met ingang van maart 1989 de
uitkering van de bijstand op te schuiven tot de maand volgend op de
maand waarover de bijstand verschuldigd is. Voor de
uitkeringsgerechtigden die daardoor in de problemen komen wordt een
individuele regeling getroffen. Begin januari 1991 maakt de gemeente
bekend deze opschuifoperatie weer ongedaan te maken, opnieuw om
administratieve redenen. Dit heeft tot gevolg dat in januari weliswaar
de uitkering over december wordt uitbetaald, maar dat de
overbruggingsuitkering wordt ingehouden. Met name bij de beeindiging van
de uitkering zou dit nadeel merkbaar worden. Ook degenen van wie de
uitkeringsnorm tussentijds is gewijzigd, komen in de problemen. De
uitkeringsgerechtigden, waaronder het Comite Vrouwen in de Bijstand,
willen dit gesol niet langer accepteren en proberen met een kort geding
de gemeente te dwingen de uitkering over december ongekort uit te
betalen.

Vonnis Rb Rotterdam waarin President eiseressen niet ontvankelijk
verklaarde omdat er ter beslechting van het onderhavige geschil “een met
voldoende waarborgen omgeven administratieve rechtsgang” bestaat. Ten
overvloede overweegt de President dat -ook indien eisers in hun
vordering wel ontvankelijk zouden zijn verklaard- de door eisers
gevorderde voorziening zou zijn geweigerd op grond dat eisers geen
spoedeisend belang bij de voorziening hebben.

Volledige tekst

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Eisers hebben ter terechtzitting van 31 januari 1991 doen concluderen
van eis overeenkomstig de dagvaarding, van welk stuk een kopie aan de
minuut van dit vonnis is gehecht.

Gedaagde heeft hierop voor antwoord doen concluderen eisers in hun
vordering niet ontvankelijk te verklaren althans die vordering af te
wijzen met veroordeling van eisers in de kosten van dit kort geding.

De raadslieden van partijen hebben vervolgens aan de hand van door hen
overgelegde pleitnota’s en onder overlegging van producties nadere
toelichtingen gegeven.

Nadat de behandeling van het onderhavige kort geding voor onbepaalde
tijd was aangehouden, is deze behandeling voortgezet ter terechtzitting
van 3 april 1991. Op laatstgenoemde terechtzitting hebben de raadslieden
van partijen aan de hand van door hen overgelegde aanvullende
pleitnota’s en onder overlegging van producties wederom toelichtingen
gegeven. Nadat de stukken waren overgelegd voor het wijzen van vonnis is
de uitspraak daarvan bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Eisers vorderen in het onderhavige kort geding -zakelijk weergegeven-
gedaagde te verbieden de aan de eisers in maart 1989 verstrekte
overbruggingsuitkering in mindering te brengen op de periodieke
uitkering ter voorziening in het levensonderhoud krachtens de Algemene
Bijstandswet en de Wet Inkomensvoorziening Oudere en (gedeeltelijk)
Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers, alsmede op de eventueel in de
toekomst te verstrekken uitkeringen terzake van incidentele bijstand als
bedoeld in die wetten c.q. (voor zover de overbruggingsuitkering reeds
is ingehouden) gedaagde te gebieden binnen 8 dagen na het te dezen te
wijzen vonnis aan eisers te betalen het bedrag van de op de periodieke
uitkering in mindering gebrachte overbruggingsuitkering, een en ander
cum annexis.

2. Gedaagde heeft in de eerste plaats als verweer gevoerd, dat ter
beslechting van een geschil als het onderhavige in de Algemene
Bijstandswet een met voldoende waarborgen omgeven administratieve
rechtsgang is voorzien, en in deze wet tevens een regeling is getroffen
voor het verkrijgen van een spoedvoorziening bij de voorzitter van
Gedeputeerde Staten, zodat de president in kort geding niet bevoegd is
van het onderhavige geschil kennis te nemen en de vordering van eisers
niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

3. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad laten de in de
Algemene Bijstandswet opgenomen regeling van de rechtsgang en de
motieven die daarbij een rol hebben gespeeld geen plaats voor de
beoordeling van een bodemgeschil inzake de verlening van bijstand en de
vaststelling van het bedrag der uitkering door de burgerlijke rechter.
Uit deze jurisprudentie blijkt voorts, dat in de gevallen waarin de weg
van artikel 45 van de Algemene Bijstandswet openstaat een
overeenkomstige voorlopige voorziening niet tevens in kort geding kan
worden gevorderd.

De door eisers in casu gevorderde voorlopige voorziening strekt ertoe,
dat eisers maandelijks hun volledige uitkering (derhalve zonder korting
met de overbruggingsuitkering) ontvangen.

Voorshands valt niet in te zien, dat deze voorziening afwijkt van de
voorlopige voorziening die uit hoofde van het bepaalde in artikel 45 van
de Algemene Bijstandswet kan worden verzocht. Met gedaagde dient
derhalve voorshands te worden geoordeeld, dat eisers in hun vordering
niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Ten overvloede wordt nog overwogen, dat -ook indien eisers in hun
vordering wel ontvankelijk zouden zijn verklaard- de door eisers
gevorderde voorziening zou zijn geweigerd op grond dat eisers geen
spoedeisend belang bij die voorziening hebben.

Eisers hebben immers erkend, dat zij zowel in december 1990 als in
januari 1991 een volledige maandelijkse uitkering hebben ontvangen.
Gedaagde heeft voorts toegezegd, dat van een korting op de maandelijkse
uitkering geen sprake zal zijn -en derhalve eisers maandelijks hun
volledige uitkering zullen ontvangen- zolang over de toelaatbaarheid van
deze korting in de aanhangige bodemprocedures geen beslissing zal zijn
gegeven. Onder deze omstandigheden valt voorshands niet in te zien, dat
uit hoofde van onverwijld spoed een voorlopige voorziening als door
eisers gevorderd vereist is.

4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zullen eisers in hun vordering
niet ontvankelijk worden verklaard.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING

Verklaren eisers niet ontvankelijk in hun vordering.

Veroordelen eisers in de kosten van dit kort geding, tot op heden aan de
zijde van gedaagde begroot op ƒ 250,- aan verschotten en op ƒ 1.250,-
aan salaris van de procureur.

Rechters

mr. de Bruin, president

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft in een sollicitatiegesprek aan de wederpartij
meegedeeld dat zij zwanger was. Zij is vervolgens afgewezen voor de
openstaande functie. De wederpartij stelt dat verzoekster is afgewezen omdat
de relatie verstoord was. Daarnaast voert zij rechtvaardigingsgronden aan voor
het gemaakte onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap is direct
onderscheid. Geen ruimte voor rechtvaardigingsgronden. Verstoorde relatie
vindt haar oorzaak in de discussie over de financiele en praktische gevolgen
van verzoeksters’ zwangerschap voor de wederpartij.

Direct onderscheid in strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 24 april 1990 verzocht mevrouw te Utrecht (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of te Hilversum (hierna: de wederpartij)
jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster is van beroep redacteur. De wederpartij heeft
verzoekster uitgenodigd voor een gesprek in het kader van de vervulling van
een tijdelijke functie als redacteur.Verzoekster heeft in dit gesprek aan de
wederpartij verteld dat zij zwanger was. Verzoekster is uiteindelijk afgewezen
voor de betreffende functie. Zij is van mening dat de reden hiervoor gelegen
is in haar zwangerschap en dat de wederpartij daarmee in strijd met de WGB
gehandeld heeft.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 27 februari 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

-mevrouw

-de heer mr (gemachtigde, rechtskundigedienst FNV)

van de kant van de wederpartij

-de heer (managing director)

-de heer (eindredacteur)

-de heer mr H.M. de Jong Schouwenburg (advocaat)

-de heer mr (toehoorder)

van de kant van de Commissie

-de heer prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

-mevrouw drs A.J. Huber (lid Kamer)

-mevrouw mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

-mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

A. De feiten

3.1. De wederpartij is een bedrijf dat de productie van
films/televisieprogramma’s verzorgt.Verzoekster heeft gedurende drie jaren
(1986-1989) als free-lance redacteur aan een televisieprogramma meegewerkt.

De betreffende omroeporganisatie heeft de productie van het
televisieprogramma gestaakt in het voorjaar van 1989. De wederpartij heeft
toen het plan opgevat het programma te produceren.

De wederpartij is in contact getreden met het Ministerie van Economische
Zaken teneinde (gedeeltelijke) financiering van het project te verkrijgen. Op
18 augustus 1989 stemde het Ministerie in met de gevraagde financiering onder
de voorwaarde dat na vier uitzendingen een besluit over verdere financiering
zou worden genomen. Op 18 oktober 1989 is het betreffende contract tussen de
wederpartij en het Ministerie gesloten.

3.2. De wederpartij heeft in juni/juli 1989 met zes kandidaten,
waaronder verzoekster, gesprekken gevoerd. Een van deze kandidaten had,
evenals verzoekster, reeds eerder aan het televisieprogramma meegewerkt. Een
tweede kandidaat had incidenteel aan het programma meegewerkt. De overige drie
kandidaten zijn door de wederpartij benaderd omdat zij in een bestand van de
wederpartij waren opgenomen.

De wederpartij wilde alvast nagaan welke kandidaten mogelijk beschikbaar
waren voor de functie van redacteur in het komende seizoen. De wederpartij
heeft alle kandidaten meegedeeld dat de productie van het televisieprogramma
alleen doorgang zou vinden indien de overheid de productie mede zou
financieren.

Voorts is in de gesprekken onderhandeld over de voorwaarden (onder
andere de hoogte van het salaris en de werktijden) waaronder de wederpartij en
de kandidaten met elkaar een dienstverband wilden aangaan.

3.3. De managing director van de wederpartij en de eindredacteur van het
televisieprogramma hebben verzoekster voor een gesprek uitgenodigd op 4 juli
1989. Zij hebben verzoekster benaderd omdat zij aan de eerdere productie van
het programma had meegewerkt en een ruime ervaring als redacteur bezat. In
vervolg op het gesprek van 4 juli heeft verzoekster, op haar initiatief, op 10
juli en 14 juli telefonisch contact gehad met de wederpartij. Verzoekster
heeft daarna op 18 juli een brief geschreven aan de wederpartij, waarin zij de
inhoud van de gevoerde gesprekken weergeeft.

De verklaringen die partijen geven over het verloop van de genoemde
gesprekken verschillen op een aantal punten van elkaar (zie onder de
paragrafen 3.6 en 3.7).

In het gesprek van 4 juli hebben de managing director en de
eindredacteur met verzoekster gesproken over de voorwaarden waaronder zij
mogelijk als redacteur aangesteld kon worden.

Verzoekster heeft in dit gesprek voorts verteld dat zij zwanger was en
dat dat zou betekenen dat zij half december met zwangerschapsverlof zou gaan.
Tijdens dat gesprek waren er drie punten waarover geen overeenstemming bestond
tussen partijen, namelijk over de omvang van het dienstverband, het salaris en
de bijzondere consequenties die de zwangerschap van verzoekster met zich mee
zouden brengen. De wederpartij stelde de eis dat de functie voltijds verricht
moest worden, terwijl verzoekster liever vier dagen wilde werken. Verzoekster
was het ook niet eens met het voorgestelde salaris omdat zij het te laag vond.
Partijen hebben verder afgesproken nadere inlichtingen in te winnen over de
mogelijke gevolgen van de zwangerschap van verzoekster voor de wederpartij.

In het telefoongesprek van 10 juli heeft verzoekster aan de managing
director bericht dat het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor (GAK) haar
gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof een uitkering op grond van
de Ziektewet zou verstrekken. Ook hebben partijen gesproken over de van
toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden. Partijen waren het er over eens dat
daarover overeenstemming bereikt kon worden.

Op 14 juli hoorde verzoekster van de eindredacteur dat niet zeker was of
een contract met haar tot stand zou komen.

Partijen hebben onder andere over de beschikbaarheid van verzoekster
gesproken. De eindredacteur vond het bezwaarlijk dat verzoekster midden in het
seizoen zou stoppen.

Voor de wederpartij zou dat betekenen dat er dan een nieuwe redacteur
gezocht moest worden die vervolgens ook nog een maand voor het einde van het
seizoen zou moeten opstappen, omdat verzoekster dan weer terug zou komen.

Als de wederpartij de keuze op verzoekster zou laten vallen, dan zou
alleen een contract tot half december tot de mogelijkheden behoren.
Verzoekster heeft daarop gezegd dat de wederpartij haar kennelijk niet wilde
aannemen omdat zij zwanger was.

Verzoekster heeft op diezelfde dag nog contact gehad met de managing
director, die hetzelfde vertelde als de eindredacteur. Verzoekster heeft
daarop een woordenwisseling met hem gehad. De wederpartij heeft daarna geen
contract afgesloten met verzoekster.

3.4. De wederpartij noemt een aantal factoren die meegespeeld hebben bij
haar besluit om met verzoekster geen contract af te sluiten:

– het feit dat verzoekster een hoger salaris wilde dan de andere
kandidaten: twee kandidaten zijn voor een lager bedrag dan aan verzoekster
geboden aangetrokken;

– het feit dat verzoekster een deeltijdbaan ambieerde;

– het feit dat eerder kritiek op het functioneren van verzoekster is
geuit;

– het feit dat verzoekster beperkt beschikbaar zou zijn gedurende de
periode dat het programma geproduceerd moest worden.

3.5. De wederpartij is uiteindelijk in de tweede helft van augustus met
drie van de vijf overige kandidaten een overeenkomst aangegaan voor de periode
van half september 1989 tot 1 januari 1990. In de contracten staat vermeld dat
verlenging van de overeenkomst tot 21 april 1990 tot de mogelijkheden
behoort.

B. De standpunten van partijen

3.6 Verzoekster betwist dat het gesprek van 4 juli een orienterend
karakter had. Verzoekster stelt dat de wederpartij op 4 juli aan haar de
functie van redacteur heeft aangeboden voor het gehele seizoen, onder de
voorwaarde dat de overheid de productie van het programma mede zou
financieren. Verzoekster zou op 10 juli het aanbod van de wederpartij aanvaard
hebben. Nadat zij de managing director in het gesprek van 10 juli verteld had
dat het GAK haar een uitkering zou doen toekomen tijdens haar bevallings- en
zwangerschapsverlof meende laatstgenoemde dat verzoekster gewoon een contract
zou kunnen krijgen tot het einde van het seizoen. De reden waarom de
wederpartij geen uitvoering aan de overeenkomst heeft gegeven zou enkel
gelegen zijn in de beperkte beschikbaarheid van verzoekster vanwege haar
zwangerschap. Indien de conclusie mocht luiden dat er geen overeenkomst tot
stand is gekomen, dan nog zou de oorzaak daarvoor gezocht moeten worden in
haar zwangerschap en niet in de overige door de wederpartij aangedragen
argumenten. Ter onderbouwing van haar stelling heeft verzoekster naar voren
gebracht dat de wederpartij tegenover haar met geen woord gerept heeft over
kritiek op haar functioneren. Bovendien was de kritiek kennelijk niet zo
ernstig dat de wederpartij daarin aanleiding zag om haar niet voor een gesprek
uit te nodigen. Evenmin zou de wederpartij haar verteld hebben dat zij een van
de zes mogelijke kandidaten was.

Verzoekster is het verder niet eens met het standpunt van de wederpartij
dat het moeilijk is om voor een korte tijden midden in een seizoen een
redacteur aan te trekken.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd met de WGB heeft
gehandeld door haar af te wijzen voor debetreffende functie vanwege haar
zwangerschap.

3.7. De wederpartij stelt het volgende. Zij heeft aan verzoekster noch
aan de overige kandidaten een aanbod gedaan. Dit was niet mogelijk aangezien
in de betreffende periode de onderhandelingen met de overheid over de
financiering van het voorgenomen programma nog niet rond waren. Derhalve is er
ook geen overeenkomst tot standgekomen op 10 juli. De wederpartij had zich op
dat moment ook nog niet op de hoogte gesteld van de gevolgen die de
zwangerschap van verzoekster voor haar had.

De wederpartij wilde bovendien pas na de sollicitatieronde een keuze
maken uit de kandidaten. Voordat de wederpartij echter een keus kon maken uit
ò

kandidaten, was de relatie met verzoekster al zodanig verstoord dat van een
samenwerking geen sprake meer kon zijn. Aan een afwegingvan de voordelen (de
ervaring van verzoekster) en de nadelen (genoemd in paragraaf 3.4.) van een
benoeming van verzoekster is de wederpartij daarom niet toegekomen.

De wederpartij brengt voorts naar voren dat in het telefoongesprek van
14 juli het accent op de zwangerschap van verzoekster kwam te liggen omdat
verzoekster er vanuit ging dat het contract met haar om die reden niet door
zou gaan. Daardoor zijn de overige punten niet aan de orde geweest.

Verder stelt de wederpartij dat een werkgever niet direct of indirect in
strijd met de WGB handelt indien het niet aanstellen van een zwangere vrouw
door objectieve omstandigheden gerechtvaardigd is. De wederpartij voert de
volgende objectieve rechtvaardigingsgronden aan:

a) de beperkte inzetbaarheid van verzoekster;

b) de tijdelijkheid en korte duur van het dienstverband;

c) het feit dat de werkgever in zijn algemeenheid niet afwijzend
tegenover vrouwen staat;

d) het feit dat de belangen van de werkgever zwaarwegend zijn.

Met betrekking tot deze rechtvaardigingsgronden voert de wederpartij aan
dat het een dienstbetrekking van zes maanden betrof; verzoekster zou gedurende
de helft van deze periode niet beschikbaar zijn. In redelijkheid kan van de
wederpartij niet verwacht worden dat zij midden in een seizoen een vervangster
voor verzoekster zou vinden. Indien verzoekster als redacteur aangesteld zou
zijn, zou dat de totstandkoming van een behoorlijke productie in belangrijke
mate belemmerd hebben. Het werken als team van de redactie zou immers
bemoeilijkt worden wanneer verzoekster tussentijds niet beschikbaar zou zijn.
De wederpartij is voorts van mening dat, mede gezien de oogmerken van de
wetgever ter zake, onderscheid gemaakt dient te worden tussen de situatie dat
een werkneemster een dienstbetrekking dreigt te verliezen die anders nog
tientallen jaren zou hebben voortgeduurd en een situatie als de onderhavige.

Tenslotte brengt de wederpartij naar voren dat zij ook vrouwen benoemd
heeft als redacteur.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt jegens
verzoekster in strijd met artikel 1637ij lid 1 van het Burgelijk Wetboek
(BW).

4.2. Artikel 1637ij lid 1 BW verbiedt de werkgever onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Artikel
1 WGB en artikel 1637ij lid 5BW geven aan wat in dit verband onder onderscheid
moet worden verstaan. Onderscheid op grond van zwangerschap is blijkens deze
bepalingen een vorm van direct onderscheid.

De Wet biedt, anders dan de wederpartij denkt, geen ruimte voor het
rechtvaardigen van direct onderscheid. De enige toegelaten uitzonderingen op
het verbod om direct onderscheid te maken zijn de in de Wet genoemde:
onderscheid is alleen toegestaan indien een voorkeursbehandeling van vrouwen
van toepassing is, indien een functie geslachtsbepaald is of wanneer het
bedingen betreft die op de bescherming van de vrouw, met name in verband met
zwangerschap of moederschap, betrekking hebben (artikel 1637ij lid 2-4 BW).

4.3. De Commissie heeft reeds eerder uitgesproken dat verminderde
inzetbaarheid als gevolg van zwangerschaps- en bevallingsverlof op een lijn te
stellen is met de zwangerschap zelf. Afwezigheid in verband met zwangerschap
en bevalling is immers een onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg van de
zwangerschap zelf. Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid om hier
genoemde reden levert dus direct onderscheid op.

4.4. De wederpartij heeft niet aangevoerd dat een van de wettelijke
uitzonderingsmogelijkheden van toepassing is en zulks is de Commissie ook niet
gebleken. De vraag die hier dan voor ligt is of het feit dat verzoekster
beperkt beschikbaar zou zijn vanwege haar zwangerschaps- en bevallingsverlof,
een rol van betekenis heeft gespeeld bij het besluit van de wederpartij om
verzoekster niet te benoemen in de betreffende functie. Is dat het geval, dan
is gehandeld in strijd met de Wet, zoals ook is uitgemaakt door het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Uit de verklaringen die partijen ter zitting en gedurende het
schriftelijk onderzoek van de Commissie hebben afgelegd, concludeert de
Commissie dat het gegeven van de zwangerschap een rol van betekenis heeft
gespeeld bij het niet-aannemen van verzoekster.

Zoals uit het hiervoor onder 3.3. en 3.4. overwogene blijkt, heeft een
aantal factoren meegespeeld bij de omstreden beslissing van de wederpartij,
waaronder de beperkte beschikbaarheid van verzoekster. Over de kwestie van het
salaris en het aantal werkdagen is overeenstemming bereikt, omdat verzoekster
daaromtrent zich aanpaste aan de verlangens van de wederpartij. Het in 3.4.
genoemde punt van de eerdere kritiek op verzoeksters functioneren was
blijkbaar onvoldoende sterk om verzoekster niet voor een sollicitatiegesprek
uit te nodigen en speelde derhalve een rol van ondergeschikte betekenis. Uit
een en ander blijkt dat het gegeven van de beperkte beschikbaarheid een rol
van betekenis heeft gespeeld bij de overwegingen die ertoe leidden verzoekster
de baan niet aan te bieden. Dat uiteindelijk de verstoorde relatie tussen
partijen de reden was voor de wederpartij om verzoekster niet aan te
nemen, doet niet af aan het hierboven overwogen. De oorzaak vande verstoring
was grotendeels gelegen in de zwangerschapvan verzoekster en de daarmee
verbonden discussie over de gevolgen daarvan voor de wederpartij.

De Commissie komt aldus tot de slotsom dat de zwangerschap van
verzoekster een niet onbelangrijke rol speelde bij het niet-aannemen van
verzoekster. Daarmee staat tevens vast dat de wederpartij onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wettelijke voorschriften ter zake.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Hilversum direct
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw te Utrecht bij
het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Zulks is in strijd met artikel 1637ij
van het Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Prof. mr. P.F. van der Heijden, kamervoorzitter en drs. C.M. Sjerps,secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is door een selectiecommissie bij het bestuur van de
desbetreffende instelling voorgedragen voor benoeming. Alvorens het bestuur
zou beslissen over de benoeming van verzoekster, heeft laatstgenoemde
meegedeeld dat zij zwanger was. Het bestuur heeft verzoekster uiteindelijk
afgewezen. Een van de argumenten om verzoekster af te wijzen, was de beperkte
beschikbaarheid van verzoekster vanwege haar zwangerschap. Gebleken is dat de
beperkte beschikbaarheid van verzoekster een bepalend element is geweest voor
het besluit van het bestuur. Onderscheid op grond van zwangerschap is direct
onderscheid in strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 augustus 1990 verzocht mevrouw te Haarlem (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het bestuur van te
Purmerend (hierna: het bestuur) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met de Wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168) respectievelijk artikel 1637ij van het
Burgerlijk Wetboek (BW).

1.2. Verzoekster heeft bij een stichting gesolliciteerd naar de functie
van coordinator. Na een tweetal gesprekken gevoerd te hebben met de
selectiecommissie is verzoekster door deze commissie bij het bestuur
voorgedragen voor benoeming. Verzoekster had intussen het bestuur laten weten
dat zij zwanger was. Verzoekster is vervolgens voor de betreffende functie
afgewezen. Verzoekster is van mening dat het bestuur haar niet benoemd heeft
vanwege haar zwangerschap en daardoor in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 14 februari 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

-mevrouw (verzoekster)

-mevrouw mr (gemachtigde)

-de heer (toehoorder)

-mevrouw (toehoorster)

van de kant van de wederpartij

-mevrouw – (voorzitter en gemachtigde van het bestuur)

-de heer (lid van de selectiecommissie)

-mevrouw (personeelslid)

-mevrouw(toehoorster)

van de kant van de Commissie

-mevrouw mr C.E. van Vleuten (Kamervoorzitter)

-mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (lid Kamer)

-mevrouw mr Y. Telenga (lid Kamer)

-mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

-de heer ing. J. van Hemert (toehoorder).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De wederpartij is het bestuur van een stichting die de belangen van
ouderen behartigt. Bij deze instelling zou in mei 1990 de functie van
coordinator vrijkomen vanwege het vertrek van de toenmalige coordinator. Met
het oog op deze situatie achtte het bestuur het noodzakelijk om zo snel
mogelijk een ervaren opvolger te vinden. Het heeft onmiddellijk een
selectiecommissie benoemd die de opdracht kreeg om op korte termijn kandidaten
te zoeken voor deze vacature. Het bestuur heeft daartoe een advertentie
geplaatst.

3.2. In deze advertentie worden de volgende functie-eisen gesteld:

– voltooide opleiding sociale academie/H.B.O. met opbouwwerk accent;

– aantoonbare ervaring in opbouwwerkpraktijk c.q. ouderenwerk;

– affiniteit met de doelgroep.

Op de advertentie hebben 15 kandidaten, waaronder verzoekster,
gereageerd.

3.3. De selectiecommissie, die de sollicitaties behandelde, bestond uit
de volgende leden: de secretaris en de penningmeester van het bestuur, een
vertegenwoordiger van het personeelsteam tevens plaatsvervangend coordinator,
een regionaal functionaris van de regio Noord-Holland en de coordinator. In de
procedure stond voorop dat de selectiecommissie een voordracht deed aan het
bestuur, waarna het bestuur over benoeming zou beslissen.

Verzoekster heeft de opleiding MO-pedagogiek gedaan en volgde ten tijde
van de sollicitatie de Voortgezette Opleiding. Zij was, en is thans nog,
werkzaam in een psychiatrisch ziekenhuis waar zij een
leidinggevende/coordinerende functie heeft. In deze functie heeft zij ervaring
opgedaan in het werken met ouderen, maar niet in het ouderenwerk als zodanig.
Verzoekster heeft voorts ervaring in het opbouwwerk, doch heeft daarin geen
opleiding gevolgd. Zij geeft thans leiding aan twaalf personeelsleden terwijl
zij in de onderhavige vacature leiding zou moeten geven aan zes
personeelsleden.

Op grond van een eerste selectie van de reacties zijn vijf kandidaten
voor een gesprek uitgenodigd. Verzoekster behoorde niet tot deze kandidaten.
Haar is meegedeeld dat zij niet was uitgekozen omdat zij niet de vereiste
opleiding bezat.

Geen van de kandidaten uit de eerste gespreksronde is benoemd.

3.4. Vervolgens heeft de selectiecommissie alsnog verzoekster
uitgenodigd voor een gesprek. Naar aanleiding van dit gesprek is verzoekster
uitgenodigd voor een kennismaking met het personeel op 14 mei 1990. Het advies
van het personeel aan de selectiecommissie was volgens het bestuur verdeeld.
Een lid van het personeelsteam verklaarde ter zitting echter dat het advies
van het personeelsteam unaniem negatief was. Het personeelsteam was tot dit
advies gekomen op grond van het ontbreken van beleidsmatige kwaliteiten en
ervaring in het ouderenwerk bij verzoekster. Daarnaast was voor het
personeelsteam van belang dat verzoekster beperkt beschikbaar zou zijn vanwege
haar komende vakantie. Genoemd personeelslid wist niet meer precies welke
vragen er vanuit het personeelsteam aan verzoekster gesteld zijn op het punt
van beleidsmatige kwaliteiten en ervaring in het ouderenwerk. Het
personeelsteam heeft, nadat bekend was geworden dat de selectiecommissie
verzoekster toch voorgedragen had, zich bij die voordracht neergelegd.

In het tweede gesprek dat de selectiecommissie op 15 mei 1990 met
verzoekster voerde, is naar aanleiding van het kennismakingsgesprek met het
personeel dieper ingegaan op beleidsmatige aspecten van de betreffende
functie. De leden van de selectiecommissie waren eveneens verdeeld over de
vraag of verzoekster over de vereiste kwaliteiten beschikte maar hebben haar
desondanks aan het bestuur voorgedragen voor benoeming. De selectiecommissie
wilde verzoekster het voordeel van de twijfel geven.

Deze voordracht is door het bestuur besproken op de bestuursvergadering
van 5 juni 1990.

Uit de ter zitting afgelegde verklaringen is onduidelijk gebleven
hoeveel leden van de selectiecommissie voor, respectievelijk tegen een
benoeming van verzoekster waren.

3.5. Verzoekster heeft de plaatsvervangend coordinator verzocht aan het
bestuur bekend te maken dat zij in verwachting was, alvorens het bestuur tot
benoeming zou overgaan. Ten behoeve van de bespreking heeft de
plaatsvervangend coordinator een notitie opgesteld. Hierin staat een aantal
gegevens betreffende de mogelijke aanstelling van verzoekster; vakantie, datum
van indiensttreding, inschaling enzovoorts. Tevens staat in de notitie vermeld
dat verzoekster in verwachting is. In de notitie staat verder geschreven naar
aanleiding van laatstgenoemde mededeling: “Zij beseft terdege dat dit voor de
stichting een probleem kan zijn. Ze wilde daarom dat het bestuur hiervan op de
hoogte is voordat men een definitief besluit neemt over de aanstelling. De
verwachte bevallingsdatum is eind januari 1991.”

Verzoekster heeft voorafgaand aan deze bespreking, op haar verzoek,
kennisgemaakt met de overige leden van het bestuur.

3.6. Verzoekster is vervolgens naar aanleiding van de bespreking op 5
juni 1990 afgewezen. Verzoekster is in eerste instantie telefonisch van de
afwijzing op de hoogte gesteld door de voorzitter van het bestuur. Op 6 juni
1990 is de afwijzing schriftelijk bevestigd. In deze brief staat de reden voor
afwijzing niet vermeld.

Verzoekster heeft daarop een brief aan het bestuur geschreven de dato 6
juni 1990, waarin zij meedeelt niet akkoord te gaan met de beslissing van het
bestuur de reeds toegezegde aanstelling per 1 augustus 1990 in te trekken.
Zijschrijft verder dat (in het telefoongesprek met de voorzitter) als enige
reden om haar niet te benoemen haar zwangerschap is genoemd. Verzoekster geeft
aan dat deze handelwijze in strijd met de WGB is en dat zij het bestuur
aansprakelijk zal stellen voor door haar te lijden schade wanneer dit in zijn
beslissing volhardt.

Het bestuur heeft bij brief van 13 juni 1990 geantwoord dat een
ongedaanmaking van de intrekking van haar benoeming niet ter zake doet,
aangezien er geen benoeming heeft plaatsgevonden.

Inmiddels is een nieuwe coordinator (een vrouw) benoemd.

3.7. Het bestuur heeft schriftelijk en ter zitting verklaard dat de
motieven om verzoekster af te wijzen waren:

1) het feit dat verzoekster geen ervaring had in het ouderenwerk;

2) het feit dat verzoekster niet aantoonbaar over de vereiste
beleidsmatige kwaliteiten beschikte;

3) het feit dat verzoekster het eerste jaar onregelmatig beschikbaar zou
zijn wegens vakantie en zwangerschaps- en bevallingsverlof.

In het verslag van de vergadering van 5 juni 1990, dat het bestuur heeft
overgelegd, staan geen motieven vermeld omtrent de afwijzing van verzoekster.
Wel staat in hetverslag vermeld: “Nieuw is het feit dat […] in verwachting
is. Dit houdt in dat zij binnen enige maanden 14 tot 16 weken
zwangerschapsverlof opneemt.”

Ter zitting heeft de voorzitter van het bestuur voorts het volgende
verklaard.

Bij de bestuursvergadering van 5 juni 1990 waren drie van de vier
bestuursleden aanwezig. De secretaris van het bestuur was op dat moment
opgenomen in een ziekenhuis. De vertegenwoordiger van het personeelsteam in de
selectiecommissie, tevens plaatsvervangend coordinator, was eveneens bij de
bestuursvergadering.

Het behoort tot de uitzonderingen dat het bestuur tegen het advies van
de selectiecommissie in gaat. Voor de bestuurs-vergadering van 5 juni 1990 was
in ieder geval de voorzitter van het bestuur niet op de hoogte van de twijfels
van de selectiecommissie en het personeelsteam over de beleidsmatige
kwaliteiten en de ervaring in het ouderenwerk van verzoekster. Een deel van
het bestuur achtte het van groot belang dat de toekomstige coordinator over
beleidsmatige kwaliteiten zou beschikken omdat kort tevoren een reorganisatie
had plaatsgevonden. Door deze reorganisatie was er veel veranderd binnen de
instelling. In de bestuursvergadering is verder als derde punt de beperkte
beschikbaarheid van verzoekster ter sprake gekomen. Verzoekster zou vlak na
haar indiensttreding drie weken op vakantie gaan, dan enkele weken werken en
vervolgens weer met zwangerschaps-verlof gaan. Het feit dat verzoekster
beperkt beschikbaarzou zijn, was een belangrijk punt voor het bestuur.
å

De bestuursleden hebben niet formeel gestemd over de voordracht van de
selectiecommissie. De meningen waren binnen het bestuur als volgt verdeeld.
Een lid was tegen benoeming van verzoekster. Hij wilde liever niet iemand die
de komende tijd beperkt beschikbaar zou zijn. Bovendien telde ook de twijfel
over de beleidsmatige kwaliteiten van verzoekster mee bij zijn beslissing. Met
de secretaris(die ook aan de selectiecommissie had deelgenomen) is tijdens de
vergadering telefonisch overleg gevoerd. Zij was, nadat zij hoorde over de
beperkte beschikbaarheid van verzoekster, uiteindelijk ook tegen benoeming van
verzoekster. De penningmeester (die eveneens in de selectiecommissie zitting
had) wilde verzoekster het voordeel van de twijfel blijven geven. De
voorzitter, die een zwaarwegende stem heeft binnen het bestuur, was eveneens
tegen benoeming van verzoekster. Behalve de beperkte beschikbaarheid van
verzoekster, heeft bij het oordeel van de voorzitter het negatieve advies van
het personeelsteam zwaar gewogen, aangezien een goede samenwerking tussen het
personeel in een klein team zeer belangrijk is. Hoewel de instelling dringend
een coordinator nodig had, gaf de voorzitter er om bovengenoemde redenen de
voorkeur aan een nieuwe selectieprocedure te starten. Zij wilde liever een
aantal maanden zonder coordinator werken, temeer nu verzoekster in die periode
ook geruime tijd afwezig zou zijn geweest.

3.8. Verzoekster stelt het volgende.

Zij betwijfelt of, afgezien van haar zwangerschap, de door het bestuur
genoemde motieven om haar niet te benoemen een belangrijke rol hebben
gespeeld. De selectiecommissie was immers al lang op de hoogte van het feit
dat zij geen ervaring in het ouderenwerk had. Voorts is in de gesprekken met
de selectiecommissie en het bestuur niet aan de orde gesteld in hoeverre
verzoekster over beleidsmatige kwaliteiten beschikte.

Verzoekster is daarom van mening dat haar zwangerschap de enige reden
vormde om haar niet te benoemen en acht dit in strijd met de WGB. Verzoekster
brengt in dit verband twee punten naar voren. Zij wijst erop dat het bestuur
erkend heeft dat haar beperkte beschikbaarheid -dus haar zwangerschap- een van
de redenen vormde voor haar afwijzing. Ten tweede stelt verzoekster dat de
voorzitter van het bestuur haar in het telefoongesprek van 5 juni 1990 heeft
meegedeeld dat zij niet benoemd zou worden vanwege haar zwangerschap.

Verzoekster merkt verder op dat zij op grond van de notitie ten behoeve
van de bestuursvergadering van de plaatsvervangend coordinator ervan uit mocht
gaan dat benoeming zou plaatsvinden.

3.9. Het bestuur is van mening dat het niet in strijd met de WGB heeft
gehandeld. Het heeft na een uitvoerige discussie over de voordracht van
verzoekster negatief beslist op grond van de in paragraaf 3.7. genoemde
redenen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of het bestuur bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst onderscheid heeft gemaakt naar geslacht jegens verzoekster
in strijd met artikel 1637ij lid 1 BW.

4.2. Artikel 1637ij lid 1 BW verbiedt de werkgever onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Artikel
1 WGB en artikel 1637ij lid 5 BW geven aan wat in dit verband onder
onderscheid moet worden verstaan. Onderscheid op grond van zwangerschap is
blijkens deze bepalingen een vorm van direct onderscheid. De Wet biedt geen
ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid. De enige toegelaten
uitzonderingen op het verbod om direct onderscheid te maken zijn de in artikel
1637ij lid 2-4 BW genoemde.

4.3. De Commissie heeft reeds eerder uitgesproken dat verminderde
inzetbaarheid als gevolg van zwangerschaps- en bevallingsverlof op een lijn te
stellen is met de zwangerschap zelf. Onderscheid op grond van beperkte
inzetbaarheid om hiergenoemde reden levert dus direct onderscheid op.

4.4. De vraag, die hier nu voorligt, is of het feit dat verzoekster in
het eerste jaar beperkt beschikbaar zou zijn vanwege haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof, een bepalend element is geweest voor het besluit van het
bestuur om verzoekster niet te benoemen in de desbetreffende functie.

Uit de verklaringen die partijen ter zitting hebben afgelegd concludeert
de Commissie dat dit inderdaad het geval is. De Commissie heeft daartoe als
volgt overwogen. Het bestuur heeft verklaard dat het tot de uitzonderingen
behoort dat zij van een voordracht van de selectiecommissie afwijkt. Voorts is
bekend dat het bestuur dringend een nieuwe coordinator nodig had. Gelet op het
bovenstaande, is de vraag dan ook welk argument voor het bestuur van zodanig
gewicht was dat zij de voordracht van de selectiecommissie niet overnam.

Het bestuur heeft gesteld dat daarvoor drie argumenten aanwezig waren,
te weten:

1) niet aantoonbare beleidsmatige kwaliteiten;

2) ontbreken van ervaring in het ouderenwerk;

3) de beperkte beschikbaarheid van verzoekster.

Met betrekking tot de eerste twee argumenten merkt de Commissie op dat
twee van de vier bestuursleden ook aan de selectiecommissie deel hadden
genomen. Zij waren derhalve al op de hoogte van de twijfels ten opzichte van
deze punten bij het personeelsteam en de selectiecommissie.

Vanwege de dringende behoefte aan een nieuwe coordinator, heeft de
selectiecommissie, ondanks voornoemde twijfels, verzoekster voorgedragen voor
benoeming. Het personeelsteam heeft naar aanleiding van de voordracht evenmin
reden gezien om daartegen bij het bestuur protest aan te tekenen.

De Commissie acht het dan ook niet aannemelijk dat het bestuur op basis
van slechts deze argumenten niet tot benoeming zou zijn overgegaan. Op grond
van bovenstaande overwegingen is de Commissie tot de overtuiging gekomen dat
verzoekster door haar beperkte beschikbaarheid ten gevolge van haar
zwangerschap -het derde argument- niet langer het voordeel van de twijfel
genoot dat zij ten tijde van de voordracht nog wel genoot. Door verzoeksters
beperkte beschikbaarheid was immers een van de redenen om haar het voordeel
van de twijfel te geven, namelijk de dringende behoefte aan een coordinator,
komen te vervallen. De door de zwangerschap veroorzaakte beperkte
beschikbaarheid was daardoor een bepalend element in de besluitvorming.

De zwangerschap van verzoekster was bovendien het enige nieuwe feit dat
tijdens de bestuursvergadering aan de orde is gekomen en gedurende de
selectieprocedure nog niet bekend was. Het bestuur heeft voorts zelf verklaard
dat de beperkte beschikbaarheid van verzoekster voor drie van de vier
bestuursleden een belangrijk punt was -ten nadele van verzoekster- bij hun
opvatting over de benoeming van verzoekster. Een aanvankelijk positief
adviserend lid van de selectiecommissie heeft onbetwist, na telefonische
raadpleging, om die reden ingestemd met het niet benoemen van verzoekster.

Hiermee staat vast dat het bestuur direct onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt jegens verzoekster bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst. Niet gesteld of gebleken is dat een van de wettelijke
uitzonderingsgronden op het verbod om onderscheid te maken in casu van
toepassing is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het bestuur van te
Purmerend onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw te
Haarlem bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel
1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mr E.F.A. van Buitenen, Kamervoorzitter; mr M.M. Hubner,plaatsvervangend secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Gemeente heeft een experimentele regeling voor betaald
ouderschapsverlof. De gemeenteraad heeft het College in een motie gevraagd de
kring van rechthebbenden op betaald ouderschapsverlof te beperken. Het College
is voornemens medewerkers in tariefgroep 3, volgens het College de
‘alleenverdieners’, in beginsel uit te sluiten van de regeling. Indirect
onderscheid in strijd met artikel 1a WGB, geen objectieve rechtvaardiging.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 15 februari 1990 verzocht het College van te (hierna: het College) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel
uit te spreken over de vraag of een door het College overwogen invulling van
arbeidsvoorwaarden met betrekking tot ouderschapsverlof een verboden
onderscheid tussen mannen en vrouwen impliceert.

Het College heeft een experimentele regeling voor betaald
ouderschapsverlof. Het College is voornemens een motie van de gemeenteraad uit
te voeren die ertoe strekt de kring van rechthebbenden van deze
ouderschapsverlofregeling te beperken. Uitvoering van de motie zal ertoe
leiden dat uitsluitend medewerkers die volgens de werknemersverklaring voor de
loon- en inkomstenbelasting behoren tot de categorie ’tweeverdieners’ of
‘alleenstaande ouders’, recht hebben op betaald ouderschapsverlof.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. In dit kader heeft zij het College om nadere informatie
gevraagd.

2.2. De Commissie heeft het College opgeroepen zijn standpunt nader toe
te lichten tijdens een zitting op 27 februari 1991.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van het College

– de heer mr (juridisch beleidsmedewerker afdeling P & O)

van de kant van de Commissie

– de heer prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mevrouw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Op 1 januari 1991 is de Wet op het ouderschapsverlof (Stb. 1990,
562) in werking getreden. Deze geeft zowel werknemers in de private sector als
degenen werkzaam in dienst van een publiekrechtelijk lichaam het recht
gedurende een bepaalde periode onbetaald ouderschapsverlof op te nemen. Van
deze regeling mag -onder voorwaarden- worden afgeweken. Het aantal uren
onbetaald ouderschapsverlof mag echter niet minder zijn dan volgens de
wettelijke regeling.

Vooruitlopend op deze wettelijke regeling heeft het College sinds 1 juli
1989 een experimentele regeling ingevoerd voor (betaald) ouderschapsverlof.
Midden 1991 zal de definitieve regeling in werking treden.

3.2. De huidige experimentele ouderschapsverlofregeling ziet er als
volgt uit.

De regeling beoogt vrouwen en mannen mogelijkheden te geven om betaalde
arbeid te combineren met ouderschapstaken, zonder dat de band met de betaalde
arbeid wordt verbroken. Het ouderschapsverlof kan zo, aldus de toelichting op
de regeling, bijdragen aan de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid,
die nu nog ongelijk zijn verdeeld over mannen en vrouwen.

Rechthebbenden zijn die medewerkers die voldoen aan, onder meer, de
volgende voorwaarden:

werkzaam zijn binnen bepaalde sectoren van de gemeente, en . reeds
gedurende ten minste een jaar en voor ten minste gemiddeld 16 uur per week
werkzaam zijn bij de gemeente.

Zij kunnen ouderschapsverlof opnemen voor een periode van een tot zes
maanden. Medewerkers kunnen hun werktijd terugbrengen tot de helft van de
normale werktijd. Zij dienen minimaal acht uren per week ouderschapsverlof op
te nemen. Dit minimum van acht uren houdt verband met de herbezetting van de
vrijkomende tijd. Herbezetting wordt volgens het College problematisch wanneer
ouderschapsverlof wordt opgenomen voor minder dan acht uren per week. Over de
uren ouderschapsverlof ontvangen medewerkers 75% van de normale bezoldiging.

Onder de huidige regeling kunnen medewerkers in enkele

takken van dienst in de sector gezondheidszorg nog geen
ouderschapsverlof opnemen. De financiering van ouderschapsverlof voor deze
takken van dienst levert problemen op. Het College werkt op dit moment aan een
ouderschapsverlofregeling voor deze sector.

3.3. In december 1989 nam de gemeenteraad een motie aan met betrekking
tot de ouderschapsverlofregeling. Het College wil deze motie uitvoeren.

De gemeenteraad vraagt het College in de motie onder andere de kring van
rechthebbenden op ouderschapsverlof in een bepaald opzicht te beperken.
Volgens de gemeenteraad moeten enkel die medewerkers voor ouderschapsverlof in
aanmerking kunnen komen die volgens de werknemersverklaring tot de tariefgroep
’tweeverdieners’ of ‘alleenstaande ouders’ behoren.

De motieven voor deze wens tot beperking van de doelgroep heeft de
gemeenteraad neergelegd in de motie. Hij overwoog onder andere dat

– ouderschapsverlof beoogt meer mogelijkheden te geven ouderschapstaken
te combineren met betaalde arbeid,

– in Nederland de verantwoordelijkheid voor ouderschapstaken nog te veel
bij de moeder en de taak om het inkomen te verdienen bij de vader ligt,

– deze opvatting wordt gepremieerd in het belastingstelsel,

– deze opvatting niet extra moet worden beloond door de
alleenverdienende vaders ouderschapsverlof toe te kennen, en

– onbedoelde vervuiling van de regeling in het nadeel werkt van de
ambtenaren die trachten een eerlijke verdeling van verantwoordelijkheden
binnens- en buitenshuis gestalte te geven.

De gemeenteraad wil een uitzondering maken op de regel dat enkel
’tweeverdieners’ en ‘alleenstaande ouders’ in aanmerking komen voor betaald
ouderschapsverlof voor die gevallen waarin aan de bedoeling van de regeling
wordt voldaan.

3.4. Het College is nog niet tot uitvoering van de motie overgegaan. Het
vraagt zich namelijk af of hetgeen de gemeenteraad wil strijd oplevert met de
wetgeving gelijke behandeling, omdat er sprake zou kunnen zijn van indirecte
discriminatie van mannen. Deze vraag heeft het College voorgelegd aan de
Commissie. De Commissie heeft het College gevraagd aan te geven op welke wijze
het de regeling wil aanpassen aan de wensen van de gemeenteraad.

Dit heeft de volgende informatie opgeleverd.

Het College wil de doelgroep van de ouderschapsverlofregeling beperken
om daarmee het onbedoeld gebruik van ouderschapsverlof tegen te gaan. Van
onbedoeld gebruik is volgens hem sprake wanneer een medewerker niet de
intentie heeft ouderschapsverlof te gebruiken om in substantiele mate
ouderschapstaken te combineren met betaalde arbeid.

Bij ‘alleenverdienende ouders’ zou deze intentie doorgaans ontbreken.
Daarom wil het College deze groep uitsluiten van het recht op
ouderschapsverlof. Medewerkers die volgens de aldus aangepaste regeling geen
recht hebben op ouderschapsverlof maar wel voldoen aan de doelstelling van de
regeling kunnen op grond van een uitzonderingsbepaling alsnog in aanmerking
komen voor ouderschapsverlof. Het College heeft overigens geen onderzoek
verricht naar de intentie van de medewerkers en de wijze waarop de
uitzonderingsbepaling zal worden ingevuld. Wel gaf het College aan te denken
aan het toekennen van ouderschapsverlof aan een ‘alleenverdienende’ ambtenaar
met studerende partner.

Het College is van mening dat aansluiting bij de tariefgroepindeling in
de loon- en inkomstenbelasting de beste manier is om bovengenoemde selectie
uit te voeren. De regel zal zijn dat medewerkers in tariefgroep 3 geen recht
hebben op ouderschapsverlof, behalve wanneer zij een beroep kunnen doen op de
uitzonderingsbepaling.

Ter zitting is namens het College aangegeven dat aan de beperking van de
ouderschapsverlofregeling niet de gedachte ten grondslag ligt dat
’tweeverdieners’ en ‘alleenstaande ouders’ een financiele tegemoetkoming
verdienen ter compensatie van de bevoordeling van ‘alleenverdieners’ in het
belastingstelsel. Het gaf daarbij overigens wel aan dat leden van de
gemeenteraad die de motie hebben ondersteund hier mogelijk anders over
denken.

3.5. Over de personele samenstelling en het gebruik van de
ouderschapsverlofregeling is het volgende bekend.

Bij de gemeente werkten op 1 januari 1990 ruim achtduizend mannen en
ruim drieduizend vrouwen. Zowel relatief als absoluut waren meer vrouwen dan
mannen in deeltijd werkzaam. De verdeling van het personeel over de
tariefgroepen was niet bekend. Er is volgens het College geen aanleiding te
veronderstellen dat dit beeld afwijkt van het gebruikelijke, hetgeen inhoudt
dat de groep ‘alleenverdieners’ voor het merendeel bestaat uit mannen.

In de periode 1 juli 1989 – 1 maart 1990 maakten 130 ambtenaren (67
mannen en 63 vrouwen) gebruik van de ouderschapsverlofregeling.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of een ouderschapsverlofregeling indirect
onderscheid op grond van geslacht oplevert, wanneer medewerkers in tariefgroep
3 van de loon- en inkomstenbelasting in beginsel geen gebruik kunnen maken van
een regeling die medewerkers het recht toekent op betaald ouderschapsverlof.

Een ouderschapsverlofregeling kan worden aangemerkt als een
arbeidsvoorwaarde. Artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168) verbiedt het bevoegd gezag onder meer het maken van
onderscheid tussen mannen en vrouwen in arbeidsvoorwaarden.

4.2. Vooraleer tot beantwoording van de voorliggende vraag over te gaan
merkt de Commissie het volgende op. Bij het besluit tot beperking van de
ouderschapsverlofregeling zijn zowel gemeenteraad als het College
vanbetrokken. Het verzoek om een oordeel is ingediend door het College als
bevoegd gezag. De Commissie zal hieronder dan ook uitgaan van hetgeen het
College heeft gesteld ten aanzien van doel en inhoud van de beperking van de
ouderschapsverlofregeling.

4.3. Degene die ouderschapsverlof wil opnemen dient volgens de
wettelijke voorschriften aan enkele voorwaarden te voldoen. Deze voorwaarden
hebben geen betrekking op de tariefgroep waarin iemand is ingedeeld. Dat een
werkgever wel nadere voorwaarden aan het recht op -betaaldouderschapsverlof
mag verbinden kan worden afgeleid uit artikel 1638oo Burgerlijk Wetboek. Dit
artikel biedt werkgevers immers de mogelijkheid af te wijken van de wettelijke
ouderschapsverlofregeling.

Het College is voornemens een nadere voorwaarde te verbinden aan het
recht op betaald ouderschapsverlof. Medewerkers in tariefgroep 3 zullen ofwel
geen recht meer hebben op betaald ouderschapsverlof ofwel aan meer eisen
moeten voldoen dan medewerkers in andere tariefgroepen.

4.4. De eerste vraag die beantwoord moet worden is de volgende.

Is er sprake van een nadelig effect van de nieuwe
ouderschapsverlofregeling en treft dit nadelig effect in overwegende mate
personen van een bepaald geslacht?

De Commissie beantwoordt deze vraag bevestigend.

In de nieuwe ouderschapsverlofregeling worden medewerkers in tariefgroep
3 benadeeld. Zij zullen immers in beginsel geen recht meer hebben op betaald
ouderschapsverlof. Tariefgroep 3 bestaat grotendeels uit de zogenaamde
‘alleenverdieners’, waarmee doorgaans die categorie van mensen wordt aangeduid
die samenleeft met een partner die geen eigen inkomen heeft. Feit van algemene
bekendheid is dat veel meer mannen dan vrouwen ‘alleenverdiener’ zijn. Er is,
zoals het College ook heeft aangegeven, geen aanleiding te veronderstellen dat
dit in het onderhavige geval anders zou zijn.

De Commissie stelt derhalve vast dat een ouderschapsverlofregeling die
medewerkers in tariefgroep 3 in beginsel uitsluit van het recht op betaald
ouderschapsverlof, nadelige effecten heeft voor in overwegende mate personen
van een bepaald geslacht, te weten mannen.

4.5. Indien evenwel voor het te maken onderscheid een objectieve
rechtvaardiging kan worden aangevoerd is er geen sprake van verboden indirect
onderscheid naar geslacht. Een objectieve rechtvaardiging is aanwezig wanneer
het onderscheid wordt gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen
en daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel
te bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op andere wijze, waarbij
geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

Het College heeft aangegeven dat de objectieve rechtvaardiging voor de
beperking zijns inziens daarin is gelegen dat enkel diegenen in aanmerking
komen voor ouderschapsverlof die daadwerkelijk de intentie hebben in
substantiele mate ouderschapstaken te combineren met betaalde arbeid.
Medewerkers in tariefgroep 3, volgens het College de ‘alleenverdienende
ouders’, kunnen dan in beginsel worden uitgesloten van het recht op
ouderschapsverlof. Zij hebben immers doorgaans niet de intentie daadwerkelijk
ouderschapstaken en betaalde arbeid te combineren.

De Commissie is van oordeel dat, afgezien van de vraag of hier sprake is
van een objectief gerechtvaardigd doel, het door het College gekozen middel
niet voldoet aan de hierboven vermelde eisen. Het hier gekozen middel brengt,
met name ook gelet op het achterliggende doel, een te grof onderscheid aan
binnen de kring van het personeel van de gemeente.

Enerzijds zullen ook medewerkers die niet de intentie hebben
ouderschapstaken te combineren met betaalde arbeid recht hebben op
ouderschapsverlof. Gedacht kan worden aan ’tweeverdieners’ waarvan de ene
partner een baan heeft en de andere een uitkering ontvangt en het kind
verzorgt, of aan ’tweeverdieners’ die beide een baan hebben maar de zorg voor
de kinderen toch aan een van beide partners hebben toebedeeld.

Anderzijds zullen in tariefgroep 3 ook medewerkers zijn ingedeeld die
wel voldoen aan de doelstelling van de regeling maar geen recht op
ouderschapsverlof hebben.

Zoals bijvoorbeeld ‘alleenverdieners’ met een partner die een baan
zoekt, een opleiding volgt, of een zodanig klein inkomen verdient dat de
fiscus beide partners niet als ’tweeverdiener’ aanmerkt. Verder valt te denken
aan de ‘alleenverdiener’ die met het opnemen van ouderschapsverlof juist
beoogt de bestaande rolverdeling te doorbreken.

Weliswaar zal de mogelijkheid bestaan medewerkers in

tariefgroep 3 toch voor ouderschapsverlof in aanmerking te laten komen,
dit laat echter onverlet dat het criterium fiscale tariefgroep als zodanig
gehandhaafd blijft. Bovendien heeft het College niet kunnen aangeven op welke
wijze deze uitzonderingsmogelijkheid geconcretiseerd zal worden, het heeft
enkel aangegeven dat de medewerkers in tariefgroep 3 aan zwaardere eisen
zullen moeten voldoen dan andere medewerkers.

Daarmee staat vast dat het College voor het te maken onderscheid geen
objectieve rechtvaardiging heeft kunnen aanvoeren.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat indien het College vante
zijn ouderschapsverlofregeling aanpast in die zin dat medewerkers in
tariefgroep 3 van de loon- en inkomstenbelasting in beginsel worden
uitgesloten van het recht op betaald ouderschapsverlof, deze regeling op dit
punt strijd oplevert met artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

Prof. Mr. P.F. van der Heijden, kamervoorzitter en drs. C.M. Sjerpssecretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een ‘bedrijfspsycholoog’.
Onderaan de advertentie is in kleine onopvallende letters vermeld: “[…] is
bereid meer vrouwen aan te nemen. Daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te
solliciteren”. Uit de tekst en vormgeving van deze advertentie is niet
aanstonds duidelijk dat de bewuste betrekking zowel aan mannen als aan vrouwen
wordt aangeboden. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties vraagt de wederpartij om een
‘bedrijfspsycholoog’.

Verzoeker is van mening dat deze personeelsadvertentie in strijd is met
de WGB. Verzoeker heeft ook over de acht andere advertenties het oordeel van
de Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipa

tie van de ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgesteld beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal
mannelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd waar
uit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij vrouw
is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook worden
bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld. Andere
beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: […] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘bedrijfspsycholoog’. Deze functiebenaming staat bovenaan de advertentie in
grote vetgedrukte letters vermeld. Onderaan de advertentie is in onopvallende
letters vermeld: “[…] is bereid meer vrouwen aan te nemen. Daarom worden
vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.”

3.3. Verzoeker is van mening dat de personeelsadvertentie in strijd met
de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de personeelsadvertentie
voldoet aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers
geen onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft.

De wederpartij is bovendien van mening dat in de advertentie vrouwen
duidelijk wordt gewezen op de mogelijkheid naar de aangeboden functie te
solliciteren. De wederpartij brengt verder naar voren dat voor de betreffende
functie een vrouw is aangenomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
WGB. In de onderhavige advertentie staat met grote vetgedrukte letters in de
kop de functiebenaming ‘bedrijfspsycholoog’ vermeld. Onderaan de advertentie
staat in kleine onopvallende letters vermeld: “[…] is bereid meer vrouwen
aan te nemen. Daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.”

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een
personeelsadvertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat -naar reeds in diverse oordelen is uiteengezet en
toegelicht- deze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming van de
personeelsadvertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen
als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding is in kleine onopvallende letters onderaan de advertentie
geplaatst. De onopvallende letters die voor de betreffende zinsnede gebruikt
zijn en de plaatsing van dat tekstgedeelte staan echter niet in verhouding tot
de opvallende plaats en de grote vetgedrukte letters van de functiebenaming
‘bedrijfspsycholoog’.

De Commissie is van oordeel dat daardoor bij kennisneming van de
advertentie niet aanstonds duidelijk is dat de bewuste betrekking
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 4 en daarmee tevens in
strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

4.5. De Commissie merkt hierbij nog op -zij het ten overvloede- dat het
voorgaande temeer geldt nu de wederpartij in haar beleidsplan emancipatie van
1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft uitgesproken meer vrouwen te
willen werven voor bepaalde functies. Indien dergelijke beleidsplannen in de
praktijk niet worden uitgevoerd, kan het emancipatiebeleid als illusoir worden
beschouwd. De Commissie constateert dat de onderhavige advertentie niet in
overeenstemming is met het emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De
wederpartij wil immers haar doelstelling onder andere bereiken door in de
wervingsadvertenties vrouwen uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een
advertentietekst waaruit niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet
aan de voorwaarden die in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te
werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 4 en
daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter en mr. M.M. Hubner, plv.secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie staat in de kop in grote vette letters
vermeld: “Wie kan zijn. ervaring als leidinggevende overdragen aan
toekomstige [] -managers?” In de noot bij de advertentie staat als
toelichting op het vermelde dat vrouwen bij de desbetreffende onderneming niet
minder welkom zijn dan mannen.

Voorts staat in de advertentietekst, in kleinere letters dan die van de
koptekst, de functiebenaming ‘managementopleider’ vermeld met daarachter het
toevoegsel ‘m/v’. Uit de tekst en vormgeving van deze advertentie is niet
aanstonds duidelijk dat de bewuste betrekking zowel aan mannen als aan vrouwen
wordt aangeboden.

Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties is in de kop het volgende vermeld:
“Wie kan zijn. ervaring als leidinggevende overdragen aan toekomstige
[…]-managers?”.

In een noot bij de advertentie staat als toelichting op het vermelde dat
vrouwen bij […] niet minder welkom zijn dan mannen. Verzoeker is van mening
dat deze personeelsadvertentie in strijd met de WGB is. Verzoeker heeft ook
over de acht andere advertenties het oordeel van de Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgesteld beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal
mannelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd
waaruit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij
vrouw is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook
worden bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld.
Andere beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen
uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: “[…] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie is in de kop het volgende vermeld:

“Wie kan zijn. ervaring als leidinggevende overdragen aan toekomstige
[…]-managers?”. Deze koptekst is in grote vetgedrukte letters geschreven. De
asterix bij het woord ‘zijn’ verwijst naar een tekst onderaan de advertentie.

Daar is in kleine onopvallende letters vermeld: “vrouwen zijn bij […]
niet minder welkom dan mannen.” In de advertentietekst staat verder in
dezelfde soort letter als de hierboven genoemde zinsnede geschreven: “[…]
zijn of haar leidinggevende ervaring kan overdragen […]; Als u de juiste man
of vrouw bent […].” Voorts staat in de advertentietekst in vette letters
(kleiner dan de letters van de koptekst) de functiebenaming
‘managementopleider’ met daarachter het toevoegsel ‘m/v’ vermeld.

3.3. Verzoeker is van mening dat in de koptekst in plaats van ‘zijn’ met
een asterix ook ‘zijn/haar’ geschreven had kunnen worden. Verzoeker stelt
voorts dat de zinsnede “vrouwen zijn bij […] niet minder welkom dan mannen”
niet bepaald uitnodigend is voor vrouwen. Verzoeker is van mening dat daardoor
de personeelsadvertentie in strijd met de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de personeelsadvertentie
voldoet aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers
geen onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft.

De wederpartij is bovendien van mening dat in de advertentie vrouwen
duidelijk wordt gewezen op de mogelijkheid naar de aangeboden functie te
solliciteren. De wederpartij brengt verder naar voren dat voor de betreffende
functie een vrouw is aangenomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een
personeelsadvertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat -naar reeds in diverse oordelen is uiteengezet en
toegelichtdeze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming van de
personeelsadvertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

4.5. De vraag die nu voorligt is of de onderhavige personeelsadvertentie
in strijd is met artikel 3 WGB.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

In de onderhavige advertentie staat met grote vetgedrukte letters in de
kop geschreven: “Wie kan zijn. ervaring als leidinggevende overdragen aan
toekomstige […]-managers?”

De asterix bij het woord ‘zijn’ verwijst naar een tekst onderaan de
advertentie. Daar is in kleine onopvallende letters vermeld: “vrouwen zijn bij
[…] niet minder welkom dan mannen”. In de advertentietekst staat verder in
dezelfde soort letter als de hierboven genoemde zinsnede geschreven: “[…]
zijn of haar leidinggevende ervaring kan overdragen […]; Als u de juiste man
of vrouw bent […].” Voorts staat in de advertentietekst in vette letters
(kleiner dan de letters van de koptekst) de functiebenaming
‘managementopleider’ met daarachter het toevoegsel ‘m/v’ vermeld.

Bij kennisneming van de onderhavige personeelsadvertentie valt de
koptekst het eerst op vanwege de grote vetgedrukte letters en de plaatsing
ervan bovenaan de advertentie. In deze koptekst staat het woord ‘zijn’
geschreven. De eerste indruk is derhalve dat de functie enkel aan mannen wordt
aangeboden. In de advertentietekst zelf wordt vervolgens wel aangegeven dat
vrouwen ook kunnen solliciteren. Dat vrouwen ook kunnen solliciteren wordt
echter in onopvallende letters aangeduid. De onopvallende letters die voor
deze aanduidingen gebruikt zijn en de plaatsing van de betreffende
tekstgedeelten staan dan ook niet in verhouding tot de opvallende plaats en de
grote vetgedrukte letters van het woord ‘zijn’.

Bovendien is de inhoud van de zin “vrouwen zijn bij […] niet minder
welkom dan mannen”, gelet op de dubbele ontkenning erin en de mogelijke
dubbelzinnige uitleg daarvan, weinig uitnodigend voor vrouwen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat
uit de tekst en vormgeving van de onderhavige personeelsadvertentie niet
aanstonds duidelijk is dat de bewuste betrekking uitdrukkelijk zowel aan
mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 4 en daarmee tevens in
strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

4.6. De Commissie merkt hierbij nog op -zij het ten overvloede- dat het
voorgaande temeer geldt nu de wederpartij in haar beleidsplan emancipatie van
1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft uitgesproken meer vrouwen te
willen werven voor bepaalde functies. Indien dergelijke beleidsplannen in de
praktijk niet worden uitgevoerd, kan het emancipatiebeleid als illusoir worden
beschouwd. De Commissie constateert dat de onderhavige advertentie niet in
overeenstemming is met het emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De
wederpartij wil immers haar doelstelling onder andere bereiken door in de
wervingsadvertenties vrouwen uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een
advertentietekst waaruit niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet
aan de voorwaarden die in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te
werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 4 en
daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter en mr. M.H. Hubner, plv.secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om ‘bedrijfsassistenten’. Niet
vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de
aangeboden functies. Strijd met de Wet.

Voorts is als functie-eis gesteld dat kandidaten een lengte hebben tussen
1.60 en 1.90 meter.

Door het hanteren van de ondergrens worden in overwegende mate mannen
getroffen. Door het hanteren van de bovengrens worden in overwegende mate
vrouwen getroffen. De wederpartij heeft niet voldoende aangetoond dat voor
deze lengte-eisen objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn.
Indirect onderscheid in strijd met de Wet.
90-150; Oordeel:150-91-19

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna:
de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van betrekkingen
in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb.
1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties vraagt de wederpartij om
‘bedrijfsassistenten’.

Verzoeker is van mening dat deze personeelsadvertentie in strijd is met de
WGB. Verzoeker heeft ook over de acht andere advertenties het oordeel van
de Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen
hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter) mevrouw mr C.E. van
Vleuten (lid Kamer) mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) mevrouw drs
C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie nodig
had van partijen alvorens een oordeel uit te kunnen spreken. De Commissie
heeft tevens ten behoeve van het onderzoek bij het Centraal Bureau voor de
Statistiek gegevens opgevraagd.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens wederom
uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie
van de ondernemingsraad) mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)
mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)
de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)
mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)
mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die
betrekking hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De
commissie toetst eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door
de wederpartij naar aanleiding van een door de wederpartij opgesteld
beleidsplan emancipatie uit 1984. Een van de subdoelstellingen van het
emancipatiebeleid van de wederpartij is het nastreven van een (meer)
gelijke verhouding van het aantal mannelijke en vrouwelijke werknemers,
verdeeld over de verschillende functies, taakgroepen en diensten. Verzoeker
heeft ter zitting stukken overgelegd waaruit blijkt dat 14,5% van het
totaal aantal werknemers bij de wederpartij vrouw is. Deze vrouwen zijn met
name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook worden bepaalde functies,
zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld. Andere beroepen,
bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking op
wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende vermeld:

“Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen
van de volgende strekking:
[…] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te nemen, daarom worden
vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in paragraaf 4.1:
“[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van in het
verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om
‘bedrijfsassistenten’. Deze functiebenaming staat bovenaan de advertentie
in grote vetgedrukte letters vermeld. In de advertentie staat niet vermeld
dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden
functie. Om voor de functie in aanmerking te komen dienen kandidaten onder
andere tussen de 18 en 30 jaar oud te zijn en een lengte te hebben tussen
1.60 en 1.90 meter.

De Commissie heeft bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
gegevens opgevraagd over de lichaamslengte van mannen en vrouwen in die
leeftijdscategorie. Het CBS beschikte niet over cijfers die exact konden
aangeven hoeveel mannen en hoeveel vrouwen van 18 tot 30 jaar een lengte
onder de 1.60 en boven de 1.90 meter hebben. Het CBS beschikte wel over de
volgende cijfers:

Lichaamslengte van de bevolking van 18-29 jaar 1985/1988
mannen % vrouwen %
-167 cm 2,9 -157 cm 4,4
168-172 cm 9,2 158-162 cm 13,6
173-177 cm 16,3 163-167 cm 23,6
178-182 cm 26,3 168-172 cm 31,9
183-187 cm 25,3 173-177 cm 16,5
188-192 cm 12,6 178-182 cm 8,1
>193 cm 7,3 >183 cm 1,9
steekproefaantal steekproefaantal
absoluut (=100%) absoluut (=100%)
3.604 3.520

Uit de statistieken is op te maken dat in ieder geval meer dan 4,4% van de
vrouwen niet voldoet aan de gestelde lengte-eis van 1.60 meter. Bij de
mannen ligt het percentage dat in ieder geval niet aan de lengte-eis van
1.90 meter voldoet op meer dan 7,3%.

3.3. Verzoeker is van mening dat de personeelsadvertentie in strijd met de
WGB is. Verzoeker heeft met betrekking tot de lengte-eisen ter zitting het
volgende aangevoerd. Alle machinerieen worden op bestelling gemaakt en
getest door groepen mensen. Verzoeker stelt daarom dat er machines zijn die
aangepast kunnen worden op verschillende lengtes.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de personeelsadvertentie voldoet
aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers geen
onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft.

De wederpartij brengt verder naar voren dat de lengte-eis in de advertentie
gesteld wordt om de volgende redenen:

1) de technisch onmogelijkheid om verschillende ter plaatse aanwezige
machinerieen af te stellen op gebruik door personen van zeer verschillende
lengte.

Bij de aanschaf van de machinerieen is daarom uitgegaan van medewerkers met
een gemiddelde lengte.

Voorbeelden van dergelijke machinerieen zijn:

een produktieband waaraan verschillende medewerkers, naast elkaar staande,
handelingen uitvoeren aan materiaal dat op deze band wordt getransporteerd;

kranen, heftrucks en dergelijke die door de medewerkers worden gebruikt;

2) de arbeidsveiligheid:
voor het uitvoeren van rangeerwerkzaamheden ter plaatse zijn beperkingen
ten aanzien van de lichaamslengte noodzakelijk;

3) op ergonomische gronden:
de medische dienst van de wederpartij acht de kans groot dat zich medische
problemen gaan voordoen als gevolg van ongunstige werkomstandigheden bij
mensen die kleiner of groter zijn dan de gevraagde lengte.

De wederpartij heeft verder aangevoerd dat zij bij meer functies dergelijke
lengte-eisen stelt. Bedrijfsartsen kunnen, wanneer de te gebruiken
apparatuur dit toelaat, van deze normen afwijken. De wederpartij stelt dat
zij daarbij in hoge mate afhankelijk is van wat de industrie aan apparatuur
kan leveren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding zijn twee vragen:

A) heeft de wederpartij bij de aanbieding van de betrekkingen onderscheid
gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de WGB door in de
onderhavige personeelsadvertentie om ‘bedrijfsassistenten’ te vragen,
zonder uitdrukkelijk te vermelden dat zowel mannen als vrouwen voor de
functie in aanmerking komen?

B) heeft de wederpartij bij de aanbieding van de betrekkingen indirect
onderscheid gemaakt naar geslacht in strijd met de WGB door lengte-eisen
van minimaal 1.60 meter en maximaal 1.90 meter te stellen?

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking.

Dit verbod geldt voor zowel direct onderscheid als indirect onderscheid.
Het vermoeden van indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig effect
van een functie-eis in overwegende mate personen van een geslacht treft.

De Wet noemt in artikel 5 twee toegelaten uitzonderingen op het verbod van
direct onderscheid. Onderscheid is toegestaan als een voorkeursbehandeling
van vrouwen van toepassing is of als de betreffende functie
geslachtsbepaald is.

Daarnaast kan in geval van een vermoeden van indirect onderscheid degene
die het onderscheid teweegbrengt daarvoor objectieve
rechtvaardigingsgronden aanvoeren.

Daarmee kan het verboden karakter aan het gemaakte onderscheid ontnomen
worden.

In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken
naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een
personeelsadvertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden
dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.3. De Commissie vat -naar reeds in diverse oordelen is uiteengezet en
toegelichtdeze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming van de
personeelsadvertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

Met betrekking tot vraag A:

4.4. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.5. In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel
mannen als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een
dergelijke vermelding ontbreekt echter. Daarmee staat vast dat de
wederpartij onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

4.6. De Commissie merkt hierbij nog op -zij het ten overvloededat het
voorgaande temeer geldt nu de wederpartij in haar beleidsplan emancipatie
van 1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft uitgesproken meer
vrouwen te willen werven voor bepaalde functies. Indien dergelijke
beleidsplannen in de praktijk niet worden uitgevoerd, kan het
emancipatiebeleid als illusoir worden beschouwd. De Commissie constateert
dat de onderhavige advertentie niet in overeenstemming is met het
emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De wederpartij wil immers
haar doelstelling onder andere bereiken door in de wervingsadvertenties
vrouwen uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een advertentietekst
waaruit niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie uitdrukkelijk
zowel aan mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet aan de
voorwaarden die in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te werven.

Met betrekking tot vraag B:

4.7. Uit de beschikbare gegevens is het effect van de lengte-eisen naar
geslacht niet exact vast te stellen. Wel is bij benadering te constateren
hoe de lengte-eisen uitwerken.

Door de eis dat kandidaten tenminste een lengte van 1.60 meter moeten
hebben worden in overwegende mate vrouwen uitgesloten. Door de eis dat
kandidaten hooguit een lengte van 1.90 meter moeten hebben, worden in
overwegende mate mannen uitgesloten. In zo’n geval ligt het op de weg van
de wederpartij om aan te tonen dat de twee onderscheidingen die bij de
onderen bovengrens worden gemaakt -elk afzonderlijkeen objectief
gerechtvaardigd doel dienen en dat daartoe middelen zijn gekozen die
geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl dit doel
niet te bereiken is op andere wijze waarbij geen onderscheid naar geslacht
wordt gemaakt.

De wederpartij heeft aangevoerd dat de objectieve rechtvaardiging voor het
gemaakte onderscheid gelegen is in:

de technische onmogelijkheid om machinerieen af te stellen op gebruik door

personen van zeer verschillende lengte;
de arbeidsveiligheid;
gezondheidsredenen.

De wederpartij zou verder wat betreft de aanschaf van machines in hoge mate
afhankelijk zijn van wat de industrie haar aan apparatuur kan leveren.

Met betrekking tot de bovengenoemde argumenten van de wederpartij merkt de
Commissie het volgende op. De Commissie is er niet van overtuigd dat het
technisch onmogelijk is om machinerieen zodanig af te stellen dat personen
van zeer verschillende lengte de machinerieen kunnen gebruiken.

De Commissie wijst er op dat verzoeker naar voren heeft gebracht dat
bijvoorbeeld verhogingen gebruikt kunnen worden indien mensen kleiner zijn
dan 1.60 meter. Evenmin heeft de wederpartij aannemelijk gemaakt dat de
arbeidsveiligheid vereist dat alleen personen met de gevraagde lengtes
rangeerwerkzaamheden kunnen uitvoeren.

De Commissie merkt met betrekking tot het derde argument
(gezondheidsredenen) op dat de wederpartij niet heeft aangetoond dat dit
doel ook niet op andere, minder vergaande wijze, te bereiken zou zijn.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat de
wederpartij er niet in is geslaagd aan te tonen dat er objectieve
rechtvaardigingsgronden zijn voor het stellen van de bewuste lengte-eisen.
Daarmee staat vast dat de wederpartij door het stellen van de bewuste
lengte-eisen indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekkingen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

De Commissie spreekt tevens als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van
de betrekkingen indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter, mr. M.M. Hubner, plv. secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een ‘medewerker loket’.
Niet vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de
aangeboden functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties vraagt de wederpartij om een
‘medewerker loket’.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB. Verzoeker heeft ook over de acht andere advertenties het oordeel van de
Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgesteld beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal

nelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd waar
uit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij vrouw
is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook worden
bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld. Andere
beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: […] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een vacaturemelding van de wederpartij
gesignaleerd. In deze vacaturemelding vraagt de wederpartij om een ‘medewerker
loket’. In de vacaturemelding staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

3.3. Verzoeker stelt dat ook interne vacaturemeldingen conform de WGB
moeten zijn. Verzoeker is van mening dat de onderhavige vacaturemelding in
strijd met de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de vacaturemelding voldoet
aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers geen
onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft.

Voorts merkt de wederpartij op dat de vacaturemelding volgens bij haar
gangbaar gebruik is opgesteld. In de vacaturemelding wordt de gebruikelijke
functiebenaming gehanteerd. In de functie-eisen wordt evenmin onderscheid
gemaakt tussen mannen en vrouwen. De respons op interne vacaturemeldingen zou
bewijzen dat deze wijze van werving geen aanleiding geeft tot misverstanden:
zowel mannelijke als vrouwelijke personeelsleden solliciteren en worden als
zij aan de functie-eisen voldoen, geselecteerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
WGB door in de onderhavige advertentie om een ‘medewerker loket’ te vragen,
terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor
de functie in aanmerking komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat -naar reeds in diverse oordelen is uiteengezet en
toegelicht- deze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming van een
advertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking uitdrukkelijk
zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen
als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

4.5. De Commissie merkt hierbij nog op -zij het ten overvloede- dat
voorgaande temeer geldt nu de wederpartij in haar beleidsplan emancipatie van
1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft uitgesproken meer vrouwen te
willen werven voor bepaalde functies. Indien dergelijke beleidsplannen in de
praktijk niet worden uitgevoerd, kan het emancipatiebeleid als illusoir worden
beschouwd. De Commissie constateert dat de onderhavige advertentie niet in
overeenstemming is met het emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De
wederpartij wil immers haar doelstelling onder andere bereiken door in de
wervingsadvertenties vrouwen uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een
advertentietekst waaruit niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet
aan de voorwaarden die in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te
werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; mr. M.M. Hubner, plv.secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een ‘medewerker
reisbureau’. Niet vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen
voor de aangeboden functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties vraagt de wederpartij om een
‘medewerker reisburo’.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB. Verzoeker heeft ook over de acht andere advertenties het oordeel van de
Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgestelde beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal
mannelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd waar
uit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij vrouw
is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook worden
bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld. Andere
beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: […] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een vacaturemelding van de wederpartij
gesignaleerd. In deze vacaturemelding vraagt de wederpartij om een ‘medewerker
reisburo’. In de vacaturemelding staat niet vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

3.3. Verzoeker stelt dat ook interne vacaturemeldingen conform de WGB
moeten zijn. Verzoeker is van mening dat de onderhavige vacaturemelding in
strijd met de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de vacaturemelding voldoet
aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers geen
onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft.

Voorts merkt de wederpartij op dat de vacaturemelding volgens bij haar
gangbaar gebruik is opgesteld. In de vacaturemelding wordt de gebruikelijke
functiebenaming gehanteerd. In de functie-eisen wordt evenmin onderscheid
gemaakt tussen mannen en vrouwen. De respons op interne vacaturemeldingen zou
bewijzen dat deze wijze van werving geen aanleiding geeft tot misverstanden:
zowel mannelijke als vrouwelijke personeelsleden solliciteren en worden als
zij aan de functie-eisen voldoen, geselecteerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
WGB door in de onderhavige advertentie om een ‘medewerker reisburo’ te vragen,
terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor
de functie in aanmerking komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat deze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming
van een advertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

4.5. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.6. In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen
als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

4.7. De Commissie merkt hier voorts op dat de wederpartij in haar
beleidsplan emancipatie van 1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft
uitgesproken meer vrouwen te willen werven voor bepaalde functies. Indien
dergelijke beleidsplannen in de praktijk niet worden uitgevoerd, kan het
emancipatiebeleid als illusoir worden beschouwd. De Commissie constateert dat
de onderhavige advertentie niet in overeenstemming is met het
emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De wederpartij wil immers haar
doelstelling onder andere bereiken door in de wervingsadvertenties vrouwen
uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een advertentietekst waaruit
niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie uitdrukkelijk zowel aan
mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet aan de voorwaarden die
in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; mr. M.M. Hubner, plv.secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie staat vermeld: ‘vakature lkt Haarlem’. Niet
vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden
functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties staat vermeld: “vakature lkt
Haarlem”.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgesteld beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal
mannelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd
waaruit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij
vrouw is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook
worden bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld.
Andere beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen
uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: […] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een vacaturemelding van de wederpartij
gesignaleerd. In deze vacaturemelding staat vermeld: “vakature lkt Haarlem.”
In de vacaturemelding staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen voor de aangeboden functie.

3.3. Verzoeker stelt dat ook interne vacaturemeldingen conform de WGB
moeten zijn. Verzoeker is van mening dat de onderhavige vacaturemelding in
strijd met de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de vacaturemelding voldoet
aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers geen
onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft. Voorts merkt de wederpartij op dat de vacaturemelding
volgens bij haar gangbaar gebruik is opgesteld. In de vacaturemelding wordt de
gebruikelijke functiebenaming gehanteerd. In de functie-eisen wordt evenmin
onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. De respons op interne
vacaturemeldingen zou bewijzen dat deze wijze van werving geen aanleiding
geeft tot misverstanden: zowel mannelijke als vrouwelijke personeelsleden
solliciteren en worden als zij aan de functie-eisen voldoen, geselecteerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
WGB door in de onderhavige advertentie te vermelden “vakature lkt”, terwijl
zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de
functie in aanmerking komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat deze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming
van een advertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

4.5. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.6. In de advertentie is slechts vermeld “vakature lkt”.

Zoals gezegd moet uit tekst en vormgeving duidelijk blijken dat zowel
mannen als vrouwen in aanmerking komen om te solliciteren. Een dergelijke
vermelding ontbreekt echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 3 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 1 WGB.

4.7. De Commissie merkt hier voorts op dat de wederpartij in haar
beleidsplan emancipatie van 1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft
uitgesproken meer vrouwen te willen werven voor bepaalde functies.

Indien dergelijke beleidsplannen in de praktijk niet worden uitgevoerd,
kan het emancipatiebeleid als illusoir worden beschouwd. De Commissie
constateert dat de onderhavige advertentie niet in overeenstemming is met het
emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De wederpartij wil immers haar
doelstelling onder andere bereiken door in de wervingsadvertenties vrouwen
uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een advertentietekst waaruit
niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie uitdrukkelijk zowel aan
mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet aan de voorwaarden die
in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 3 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

Rechters

mr E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; mr M.M. Hubner,plaatsvervangend secretaris