Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een ‘medewerker buro
computergegevens en systeembeheerder’. Niet vermeld is dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties vraagt de wederpartij om een
‘medewerker buro computergegevens en systeembeheer’.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB. Verzoeker heeft ook over de acht andere advertenties het oordeel van de
Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgesteld beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal
mannelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd
waaruit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij
vrouw is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook
worden bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld.
Andere beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen
uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: […] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een vacaturemelding van de wederpartij
gesignaleerd. In deze vacaturemelding vraagt de wederpartij om een ‘medewerker
buro computergegevens en systeembeheer’. In de vacaturemelding staat niet
vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden
functie.

3.3. Verzoeker stelt dat ook interne vacaturemeldingen conform de WGB
moeten zijn. Verzoeker is van mening dat de onderhavige vacaturemelding in
strijd met de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de vacaturemelding voldoet
aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers geen
onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft. Voorts merkt de wederpartij op dat de vacaturemelding
volgens bij haar gangbaar gebruik is opgesteld. In de vacaturemelding wordt de
gebruikelijke functiebenaming gehanteerd. In de functie-eisen wordt evenmin
onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. De respons op interne
vacaturemeldingen zou bewijzen dat deze wijze van werving geen aanleiding
geeft tot misverstanden: zowel mannelijke als vrouwelijke personeelsleden
solliciteren en worden als zij aan de functie-eisen voldoen, geselecteerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
WGB door in de onderhavige advertentie om een ‘medewerker buro
computergegevens en systeembeheer’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking
komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat -naar reeds in diverse oordelen is uiteengezet en
toegelicht- deze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming van een
advertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking uitdrukkelijk
zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen
als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

4.5. De Commissie merkt hierbij nog op -zij het ten overvloede- dat
voorgaande temeer geldt nu de wederpartij in haar beleidsplan emancipatie van
1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft uitgesproken meer vrouwen te
willen werven voor bepaalde functies. Indien dergelijke beleidsplannen in de
praktijk niet worden uitgevoerd, kan het emancipatiebeleid als illusoir worden
beschouwd. De Commissie constateert dat de onderhavige advertentie niet in
overeenstemming is met het emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De
wederpartij wil immers haar doelstelling onder andere bereiken door in de
wervingsadvertenties vrouwen uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een
advertentietekst waaruit niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet
aan de voorwaarden die in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te
werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

mr E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; mr M.M. Hubner,plaatsvervangend secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een ‘procesleider’. Niet
vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden
functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties vraagt de wederpartij om een
‘procesleider’.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB. Verzoeker heeft ook over de acht andere advertenties het oordeel van de
Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
é

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgesteld beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal
mannelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd
waaruit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij
vrouw is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook
worden bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld.
Andere beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen
uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: […] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een vacaturemelding van de wederpartij
gesignaleerd. In deze vacaturemelding vraagt de wederpartij om een
‘procesleider’. In de vacaturemelding staat niet vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

3.3. Verzoeker stelt dat ook interne vacaturemeldingen conform de WGB
moeten zijn. Verzoeker is van mening dat de onderhavige vacaturemelding in
strijd met de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de vacaturemelding voldoet
aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers geen
onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft. Voorts merkt de wederpartij op dat de vacaturemelding
volgens bij haar gangbaar gebruik is opgesteld. In de vacaturemelding wordt de
gebruikelijke functiebenaming gehanteerd. In de functie-eisen wordt evenmin
onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. De respons op interne
vacaturemeldingen zou bewijzen dat deze wijze van werving geen aanleiding
geeft tot misverstanden: zowel mannelijke als vrouwelijke personeelsleden
solliciteren en worden als zij aan de functie-eisen voldoen, geselecteerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
WGB door in de onderhavige advertentie om een ‘procesleider’ te vragen,
terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor
de functie in aanmerking komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat -naar reeds in diverse oordelen is uiteengezet en
toegelicht- deze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming van een
advertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking uitdrukkelijk
zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen
als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

4.5. De Commissie merkt hierbij nog op -zij het ten overvloede- dat
voorgaande temeer geldt nu de wederpartij in haar beleidsplan emancipatie van
1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft uitgesproken meer vrouwen te
willen werven voor bepaalde functies. Indien dergelijke beleidsplannen in de
praktijk niet worden uitgevoerd, kan het emancipatiebeleid als illusoir worden
beschouwd. De Commissie constateert dat de onderhavige advertentie niet in
overeenstemming is met het emancipatiebeleid van de wederpartij terzake. De
wederpartij wil immers haar doelstelling onder andere bereiken door in de
wervingsadvertenties vrouwen uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een
advertentietekst waaruit niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet
aan de voorwaarden die in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te
werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

mr E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; mr M.M. Hubner,plaatsvervangend secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een ‘wagenverdeler’. Niet
vermeld is dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden
functie. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 januari 1990 verzocht de ondernemingsraad van te Utrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Utrecht
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft negen personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In een van deze advertenties vraagt de wederpartij om een
‘wagenverdeler’.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB. Verzoeker heeft ook over de acht andere advertenties het oordeel van de
Commissie gevraagd.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1990. Partijen hebben
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mevrouw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mevrouw drs C.M. Sjerps (secretaris)

Bij de beraadslagingen is gebleken dat de Commissie nadere informatie
nodig had alvorens een oordeel uit te kunnen spreken.

2.3. Na afronding van het nader onderzoek zijn partijen vervolgens
wederom uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 14
februari 1991. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– mevrouw (voorzitter van de commissie emancipatie van de
ondernemingsraad)

– mevrouw (lid van de commissie emancipatie van de ondernemingsraad)

van de kant van de Commissie

– mevrouw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mevrouw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– de heer ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mevrouw mr Y. Telenga (toehoorster)

– mevrouw mr M.M. Hubner (plaatsvervangend secretaris)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De ondernemingsraad van het bedrijf van de wederpartij heeft een
commissie emancipatie. Deze commissie behartigt aangelegenheden die betrekking
hebben op gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De commissie toetst
eveneens de uitvoeringsmaatregelen die getroffen zijn door de wederpartij naar
aanleiding van een door de wederpartij opgesteld beleidsplan emancipatie uit
1984. Een van de subdoelstellingen van het emancipatiebeleid van de
wederpartij is het nastreven van een (meer) gelijke verhouding van het aantal
mannelijke en vrouwelijke werknemers, verdeeld over de verschillende functies,
taakgroepen en diensten. Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd waar
uit blijkt dat 14,5% van het totaal aantal werknemers bij de wederpartij vrouw
is. Deze vrouwen zijn met name in de lagere taakgroepen ingedeeld. Ook worden
bepaalde functies, zoals lokettist, voornamelijk door vrouwen vervuld. Andere
beroepen, bijvoorbeeld machinist, worden weer vooral door mannen uitgeoefend.

Een van de uitvoeringsmaatregelen van het beleidsplan heeft betrekking
op wervingsadvertenties. Het emancipatiebeleid is geintegreerd in het sociaal
beleidsplan van juni 1988.

Daarin staat in paragraaf 6.2 (voor zover van belang) het volgende
vermeld: “Bij het plaatsen van wervingsadvertenties dient een zin opgenomen te
worden, gericht op het bevorderen van plaatsingsmogelijkheden voor vrouwen van
de volgende strekking: […] streeft ernaar (wil) meer vrouwen in dienst te
nemen, daarom worden vooral ook zij uitgenodigd te solliciteren.” En verder in
paragraaf 4.1: “[…] Positieve discriminatie met het oog op het ‘inhalen’ van
in het verleden ontstane achterstanden wordt niet toegepast.”

3.2. Verzoeker heeft een vacaturemelding van de wederpartij
gesignaleerd. In deze vacaturemelding vraagt de wederpartij om een
‘wagenverdeler’. In de vacaturemelding staat niet vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

3.3. Verzoeker stelt dat ook interne vacaturemeldingen conform de WGB
moeten zijn. Verzoeker is van mening dat de onderhavige vacaturemelding in
strijd met de WGB is.

3.4. De wederpartij stelt dat de tekst van de vacaturemelding voldoet
aan de eisen die de WGB stelt. Volgens de wederpartij wordt er immers geen
onderscheid gemaakt naar geslacht waar het de doelgroep van mogelijke
kandidaten betreft. Voorts merkt de wederpartij op dat de vacaturemelding
volgens bij haar gangbaar gebruik is opgesteld. In de vacaturemelding wordt de
gebruikelijke functiebenaming gehanteerd. In de functie-eisen wordt evenmin
onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. De respons op interne
vacaturemeldingen zou bewijzen dat deze wijze van werving geen aanleiding
geeft tot misverstanden: zowel mannelijke als vrouwelijke personeelsleden
solliciteren en worden als zij aan de functie-eisen voldoen, geselecteerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
WGB door in de onderhavige advertentie om een ‘wagenverdeler’ te vragen,
terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor
de functie in aanmerking komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5 twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4.4. De Commissie vat -naar reeds in diverse oordelen is uiteengezet en
toegelicht- deze nadere eisen aldus op dat bij kennisneming van een
advertentie, aanstonds duidelijk moet zijn dat de betrekking uitdrukkelijk
zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

In de advertentie wordt slechts een functiebenaming vermeld. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen
als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

4.5. De Commissie merkt hierbij nog op -zij het ten overvloede- dat
voorgaande temeer geldt nu de wederpartij in haar beleidsplan emancipatie van
1984 en haar sociaal beleidsplan van 1988 heeft uitgesproken meer vrouwen te
willen werven voor bepaalde functies. Indien dergelijke beleidsplannen in de
praktijk niet worden uitgevoerd, kan het emancipatiebeleid als illusoir worden
beschouwd. De Commissie constateert dat de onderhavige advertentie niet in
overeenstemming is met het emancipatiebeleid van de wederpartij ter zake. De
wederpartij wil immers haar doelstelling onder andere bereiken door in de
wervingsadvertenties vrouwen uitdrukkelijk uit te nodigen te solliciteren. Een
advertentietekst waaruit niet duidelijk blijkt dat de betreffende functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen aangeboden wordt, voldoet niet
aan de voorwaarden die in het beleidsplan gesteld zijn om meer vrouwen te
werven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

mr E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; mr M.M. Hubner,plaatsvervangend secretaris

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 5 april 1991

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De kinderen hebben ernstige bezwaren tegen informatieverstrekking aan de
vader. Dit vormt volgens de Hoge Raad op zichzelf geen beletsel tot toewijzing
van het verzoek. Maar omdat het geven van inlichtingen en foto’s aan de vader
ook spanning en onrust bij de kinderen teweeg zou brengen, verzetten de
zwaarwegende belangen van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 22 januari 1990 ter griffie van de Rechtbank te Breda
ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen de
vader – zich gewend tot de Kinderrechter aldaar met verzoek een
informatieregeling vast te stellen en verweerster in cassatie – verder te
noemen de moeder – te verplichten hem gedurende driemaal per jaar schriftelijk
te informeren over het wel en wee – met name over de schoolresultaten, de
vakkenpakketten en de gezondheidstoestand – van hun kinderen:

– J., geboren op 22 januari 1974,

– R., geboren op 17 januari 1977, beiden te Tilburg, alsmede te bepalen
dat de moeder hem een keer per jaar een recente foto van de kinderen zal
sturen, althans een zodanige regeling als de Rechtbank in goede justitie
vermeende te behoren vast te stellen.

Nadat de moeder tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de
Kinderrechter bij beschikking van 26 maart 1990 het verzoek van de vader
afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 20 september 1990 heeft het Hof de bestreden
beschikking bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie
ingesteld, waarna de moeder voorwaardelijk incidenteel beroep heeft ingesteld.
Het cassatierekest en het verweerschrift houdende het voorwaardelijk
incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel
uit.

De vrouw heeft verzocht het principaal beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping
van het principaal beroep.

3. Beoordeling van het middel in het principaal beroep

3.1. Anders dan het middel onderstelt heeft het Hof de omstandigheid dat
de kinderen zeer ernstige bezwaren hebben tegen de gevraagde
informatieverstrekking, niet op zichzelf als een beletsel voor toewijzing van
het verzoek van de vader beschouwd. Het heeft die omstandigheid in aanmerking
genomen in samenhang met de door het Hof onderschreven overweging van de
Kinderrechter dat het verstrekken van informatie en foto’s spanningen en
onrust bij de kinderen teweeg zou brengen. Voor zover op voormeld uitgangspunt
berustend faalt het middel dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.

De overwegingen van het Hof, die erop neer komen dat zwaarwegende
belangen van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek van de vader
verzetten, geven rekenschap van ’s Hofs waardering van de omstandigheden,
welke waardering van feitelijke aard is. Die overwegingen zijn niet
onbegrijpelijk en bevatten een voldoende redengeving voor ’s Hofs beslissing.

Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

3.2. Het middel in het incidenteel beroep komt niet aan de orde, nu de
voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet is vervuld.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het principaal beroep.

Rechters

Mrs De Groot, Hermans en Boekman

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een Gemeente heeft een ouderschapsverlofregeling. In deze verlofregeling
is bepaald dat ambtenaren met een dienstverband van minder dan 40% van 38
uur geen recht hebben op betaald, maar wel op onbetaald ouderschapsverlof.
Degenen met een dienstverband van meer dan 40% ontvangen wel loon tijdens
het ouderschapsverlof. Verzoekster in kwestie heeft een dienstverband van
minder dan 40%. De Gemeente heeft haar meegedeeld dat zij daarom niet in
aanmerking komt voor betaald ouderschapsverlof. Uit de overgelegde gegevens
blijkt dat door het 40%-criterium in overwegende mate vrouwen nadelig
worden getroffen. De Gemeente heeft niet kunnen aantonen dat voor het
onderscheidende criterium objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn.
De Gemeente maakt derhalve indirect onderscheid jegens verzoekster door het
40%-criterium van de ouderschapsverlofregeling toe te passen.
90-339; Oordeel 339-91-16

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 juli 1990 verzocht mevrouw te Arnhem (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de gemeente (hierna:
de Gemeente) indirect onderscheid op grond van geslacht jegens verzoekster
maakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB,
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster is in deeltijd werkzaam bij de Gemeente (15,1 uur). De
Gemeente heeft een ouderschapsverlofregeling waarin bepaald is dat alleen
ambtenaren met een dienstverband van meer dan 15,2 uren gedurende hun
ouderschapsverlof gedeeltelijke loondoorbetaling krijgen. Verzoekster is
van mening dat de Gemeente hiermee indirect onderscheid op grond van
geslacht maakt ten aanzien van vrouwen in strijd met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten weer te geven respectievelijk op elkaars standpunten te
reageren.

2.2. De Commissie heeft ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om
nadere informatie verzocht.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 27 februari 1991. Partijen
hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.4. Bij deze zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:

de heer prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter) mevrouw mr J.E.
Goldschmidt (lid) mevrouw drs A.J. Huber (lid) mevrouw drs C.M. Sjerps
(secretaris)
2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.

In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf 2.4.

DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3. De feiten

3.1. Verzoekster is in deeltijd (15,1 uur per week) werkzaam bij de
Gemeente. Op 1 april 1989 heeft verzoekster een kind gekregen. Op grond van
de ouderschapsverlofregeling van de Gemeente heeft verzoekster op 17 juli
1989 zes maanden onbetaald ouderschapsverlof opgenomen. In deze regeling
is in artikel 4 lid 1b bepaald dat personen met een dienstverband van
minder dan 40% van 38 uur (zoals verzoekster) geen recht hebben op
(gedeeltelijke) loondoorbetaling.

Verzoekster heeft op 7 augustus 1989 de Gemeente verzocht haar loon
gedeeltelijk door te betalen gedurende haar ouderschapsverlof. Aan
verzoekster is mondeling meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor
doorbetaald verlof, omdat zij een dienstverband van minder dan 40% heeft.
Haar is verder meegedeeld dat een deeltijdfunctie van zodanig kleine omvang
moeilijk te vervullen is.

Verzoekster heeft op 4 september 1989 de Gemeente verzocht artikel 8 van
de -hierna in 3.3. kort weergegevenmodelverordening van de VNG toe te
passen (hardheidsclausule).

Op 31 oktober 1989 en 7 mei 1990 heeft zij een schriftelijke afwijzing van
haar verzoek ontvangen. De Gemeente stelt daarin dat artikel 8 niet bestemd
is om af te wijken van de 40%-grens.

3.2. De bovengenoemde ouderschapsverlofregeling van de Gemeente is in
werking getreden op 1 juli 1989. Voordat deze ouderschapsverlofregeling in
werking trad had de Gemeente reeds een ouderschapsverlofregeling.

Deze oude regeling werd op 1 augustus 1988 in het Algemeen
Ambtenarenreglement van de Gemeente opgenomen. De volgende bepalingen van
deze oude regeling zijn van belang:

zowel voltijdwerkers als deeltijdwerkers hadden recht op onbezoldigd
ouderschapsverlof gedurende zes maanden;

er was naar keuze verlof voor de gehele werktijd of voor een gedeelte van
de werktijd mogelijk; deeltijdwerkers die minder dan 16 uur werkten,
dienden echter verlof op te nemen voor hun gehele werktijd;

de Gemeente betaalde bepaalde premies (ziektekosten en pensioen) door
tijdens het ouderschapsverlof.

3.3. Op 1 juli 1989 is een model-verordening betreffende een experimentele
regeling over de aanspraak op ouderschapsverlof van de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten ingegaan. De model-verordening van de VNG houdt het
volgende in:

belanghebbende is de ambtenaar die een werkweek vervult van tenminste 16
uur; het ouderschapsverlof bedraagt tenminste een en ten hoogste zes
maanden; het verlof mag opgenomen worden over ten hoogste de helft van de
voor belanghebbende geldende arbeidsduur; gedurende het ouderschapsverlof
heeft belanghebbende recht op 75% doorbetaling van het loon over het aantal
opgenomen verlofuren.

3.4. De gemeenteraad heeft op voorstel van het College van Burgemeester en
Wethouders de model-verordening van de VNG overgenomen. Echter, de
verkregen rechten van ambtenaren op grond van de oude regeling van de
Gemeente werden geeerbiedigd. Met andere woorden:
het recht om meer uren dan de helft van de normale arbeidsuren op te nemen
bleef bestaan. Over deze verlofuren zal echter geen loon doorbetaald
worden. Het recht op onbetaald verlof geldt zowel voor voltijdals voor
deeltijdwerkers (ook met een dienstverband van minder dan 40%). Ambtenaren
met een dienstverband van minder dan 40% mogen nog steeds alleen over de
gehele werktijd ouderschapsverlof opnemen en hebben geen recht op bezoldigd
ouderschapsverlof (artikel 4 lid 1b van de ouderschapsverlofregeling).
Verder is in de regeling van de Gemeente de duur van een werkweek gesteld
op 38 uur.

Concluderend is het gevolg van deze regeling dat een ieder die tenminste
15,2 uur werkt gedurende een verlofperiode van maximaal de helft van de
arbeidsuren, recht heeft op 87,5% van het totale salaris.

De financiele tegemoetkoming voor de Gemeente ten behoeve van de invoering
van het betaald ouderschapsverlof ontvangt de Gemeente via het
gemeentefonds.

De berekening van deze tegemoetkoming is gebaseerd op de model-verordening
van de VNG. De Gemeente heeft zelf de extra kosten (premies,
vervangingskosten) die de uitbreiding van het model met zich brachten op
zich genomen.

3.5. De Commissie heeft de VNG verzocht om nadere informatie over de
40%-grens in de model-verordening van de VNG. De VNG stelt dat de reden
waarom in de model-verordening van de VNG is opgenomen dat een aanspraak
op ouderschapsverlof slechts geldt voor diegenen met een dienstverband van
minstens 40 %, in het karakter van de regeling gezocht moet worden. De
regeling is namelijk primair bedoeld als een werkgelegenheidsmaatregel. De
regeling is getroffen omdat er door het centrale arbeidsvoorwaardenoverleg
in 1989 gelden aan de gemeenten beschikbaar zijn gesteld voor
werkgelegenheidsmaatregelen.

De regeling moet daarom zodanig van inhoud zijn dat er een maximaal
herbezettingseffect van uitgaat. Om dit doel te bereiken moet het verlof
tenminste 8 uur (een werkdag) omvatten. Naast de
werkgelegenheidsdoelstelling beoogt de regeling vrouwen en mannen meer
mogelijkheden te geven om ouderschapstaken te combineren met betaalde
arbeid. Op deze wijze zou de regeling kunnen bijdragen aan een betere
verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. De noodzaak hiervoor laat zich
sterker gelden naarmate de werkweek langer is.

3.6. De Gemeente heeft de volgende gegevens overgelegd:

Aantal voltijden deeltijdwerkers, uitgesplitst naar geslacht:
Tabel 1 (peildata 31 december 1989/1 januari 1990)

mannen vrouwen totaal
voltijders 1706 200 1906
deeltijders 102 284 386
totaal ++++ +++ ++++

1808 484 2292

Aantal deeltijdwerkers met een dienstverband van minder dan 40%,
uitgesplitst naar geslacht:
Tabel 2

mannen vrouwen totaal
<40% 2 9 11 In de periode van 1 juli 1989 tot en met 30 juni 1990 hebben 17 mannen en
11 vrouwen van de verlofregeling gebruik gemaakt. Van deze 28 personen
heeft alleen verzoekster een dienstverband van minder dan 40%. Onbekend is
hoeveel mannen en hoeveel vrouwen van de regeling gebruik zouden hebben
kunnen maken. Verder is bekend dat verlofgangers in principe vervangen
worden door een andere arbeidskracht. Dit is afhankelijk van onder andere
de functie en de duur van het verlof.

3.7. De VNG heeft gegevens overgelegd die betrekking hebben op alle
gemeenten in Nederland:

Aantal voltijden deeltijdwerkers per 31-12-1989, uitgesplitst naar
geslacht:
tabel 3

mannen vrouwen totaal
voltijders 128.109 24.724 152.833
deeltijders 10.389 36.510 46.899
+++++++ ++++++ +++++++
totaal 138.498 61.234 199.732

Aantal deeltijdwerkers naar omvang van hun dienstverband per 31-12-1989,
uitgesplitst naar geslacht:
Tabel 4
wekelijkse arbeidsduur

mannen vrouwen totaal
<25% 1.077 2.599 3.676
2549% 745 6.831 7.576
50% 1.620 4.839 6.459
5175% 2.184 10.922 13.106
7685% 3.049 7.949 10.998
86-100% 1.714 3.300 5.014

totaal 10.389 36.440 46.829

Op grond van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk een uitsplitsing
te maken naar het aantal mannen en vrouwen met een dienstverband van meer
dan wel minder dan 40%. Wel is uit tabel 4 op te maken dat de categorie
deeltijdwerkers met een dienstverband tot 50% in overwegende mate uit
vrouwen bestaat, zowel in relatieve als in absolute zin.

Niet alle gemeenten hebben een ouderschapsverlofregeling ingevoerd. De
volgende cijfers betreffen dan ook alleen die gemeenten die wel een
verlofregeling hebben ingevoerd.

Het aantal mensen dat een beroep op de verlofregeling heeft gedaan,
uitgesplitst naar geslacht en voltijdof deeltijdbetrekking en afgezet tegen
het aantal personeelsleden:
Tabel 5

mannen vrouwen aantal pers. % aantal pers. %
voltijd 511 41.428 12,3

154 7.942 19,4
deeltijd 42 4.219 9,9

328 11.768 27,9

totaal 553 45.647 12,1

482 19.710 24,4

Uit tabel 5 blijkt dat vrouwen relatief tweemaal zo vaak als mannen een
beroep doen op de maatregel.

Tevens blijkt dat vrouwen met een deeltijdbetrekking vaker een beroep doen
op de maatregel dan vrouwen met een volledige betrekking.

4. De standpunten van partijen

4.1. Verzoekster is van mening dat de Gemeente, door deeltijdwerkers met
een dienstverband van minder dan 40% geen recht op (gedeeltelijk) betaald
ouderschapsverlof te geven, indirect onderscheid maakt op grond van
geslacht. Immers, zo stelt zij, deeltijdwerkers met een dienstverband van
minder dan 40% zijn in overwegende mate vrouwen.

Verzoekster stelt verder dat een deeltijdwerker met een dienstverband van
minder dan 40 %, afhankelijk van iemands persoonlijke omstandigheden,
eveneens behoefte kan hebben aan ouderschapsverlof. Die persoonlijke
omstandigheden kunnen gelegen zijn in overlapping van de werktijd met die
van de partner.

Tevens kan iemand andere maatschappelijke bezigheden naast de arbeid
hebben.

Verzoekster brengt verder naar voren dat er wel een rechtvaardig
alternatief gevonden had kunnen worden.

De Gemeente kan de ‘kleine’ deeltijdwerkers ook in aanmerking laten komen
voor betaald verlof, aangezien het verschil in budget marginaal is. De
Gemeente had ook kunnen kiezen voor een percentage van 74% doorbetaling
over de helft van de normale arbeidsuren voor iedereen die van de regeling
gebruik maakt.

4.2. De Gemeente is van mening dat de ouderschapsverlofregeling niet in
strijd is met de WGB. Zij stelt dat de regeling immers beter is dan die van
de VNG. Indien de Gemeente de verlofregeling van de VNG had overgenomen
zouden deeltijdwerkers met een dienstverband van minder dan 40% helemaal
geen recht gehad hebben op ouderschapsverlof. Bovendien heeft de Gemeente
al de extra kosten op zich genomen die de uitbreiding ten opzichte van de
model-verordening met zich mee brachten. De financiele tegemoetkoming
vanuit het gemeentefonds is gebaseerd op de modelregeling van de VNG. De
Gemeenteraad vond het te ver gaan om de hier in geding zijnde categorie
deeltijdwerkers ook in aanmerking te laten komen voor bezoldigd verlof,
aangezien de financiele tegemoetkoming niet voor deze categorie bedoeld
was. Dit was ook de reden dat verlof, voor zover het meer dan 50% van de
normale arbeidstijd betrof, eveneens onbezoldigd wordt verleend.

De Gemeente stelt verder dat de ouderschapsverlofregeling als doelstelling
heeft ervoor te zorgen dat mensen die kinderen krijgen, kunnen blijven
werken.

Iemand die al weinig uren per week werkt heeft minder behoefte aan
ouderschapsverlof omdat diegene werk en gezinsvorming beter kan combineren.
Wanneer deeltijdwerkers met een dienstverband van minder dan 40% toch
ouderschapsverlof willen dienen zij dat vanwege praktische gronden
(vervangingsmogelijkheden) voor de gehele werktijd en voor eigen rekening
te nemen.

De Gemeente heeft voorts naar voren gebracht dat verzoekster niet tegen de
besluiten van 31 oktober 1989 en 7 mei 1990 in beroep is gegaan.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de Gemeente indirect onderscheid maakt tussen
mannen en vrouwen in strijd met artikel 1a lid 1 WGB door deeltijdwerkers
met een dienstverband van minder dan 40% van de gebruikelijke werktijd van
38 uur per week geen recht op gedeeltelijke loondoorbetaling gedurende het
ouderschapsverlof toe te kennen.

Artikel 1a WGB verbiedt het bevoegd gezag onderscheid op grond van geslacht
te maken in de arbeidsvoorwaarden.

Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig effect van een regeling
in overwegende mate personen van een geslacht treft, terwijl daarvoor geen
of onvoldoende objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn.

5.2. Om de in geding zijnde vraag te kunnen beantwoorden moet derhalve
eerst vastgesteld worden of het 40% criterium in de
ouderschapsverlofregeling van de Gemeente in overwegende mate personen van
een geslacht treft. Het effect van het criterium naar geslacht is niet
exact vast te stellen. De Commissie beschikt immers niet over gegevens
waaruit blijkt welke personen van de regeling hadden kunnen profiteren. Wel
is bij benadering te constateren hoe het criterium uitwerkt:

In totaal werken er bij de Gemeente 9 vrouwen en 2 mannen die een
dienstverband van minder dan 40% hebben. Uit de gegevens die de VNG heeft
overgelegd blijkt dat de cijfers van de Gemeente niet afwijken van de
landelijke cijfers. Tabel 4 laat zien dat de categorie deeltijdwerkers met
een dienstverband van minder dan 50% in overwegende mate uit vrouwen
bestaat, zowel in relatieve als in absolute zin. Dit roept een vermoeden
op van indirect onderscheid.

Het ligt dan op de weg van de Gemeente om aan te tonen dat het onderscheid
gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en dat
daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel
te bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op een andere wijze
waarbij geen onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

5.3. De Gemeente voert twee rechtvaardigingsgronden aan:

1) het onderscheid wordt gemaakt omdat de financien van de Gemeente niet
toereikend zijn om ook degenen met een dienstverband van minder dan 40%
betaald ouderschapsverlof te verlenen. De gelden uit het gemeentefonds zijn
berekend op grondslag van de model-verordening van de VNG. Derhalve is geen
geld beschikbaar gesteld voor loondoorbetaling van werknemers met een
dienstverband van minder dan 40% omdat deze personen in de
model-verordening uitgesloten zijn van het recht op ouderschapsverlof. De
Gemeente zegt bovendien al meer kosten te maken vanwege het doorbetalen van
premies (pensioen en ziektekosten) voor werknemers die gebruik maken van
het door de Gemeente gecreeerde extra recht op onbetaald ouderschapsverlof.

2) daarnaast stelt de Gemeente dat de regeling bedoeld is om ouderschap en
betaalde arbeid te kunnen combineren. Iemand die al weinig uren werkt heeft
minder behoefte aan ouderschapsverlof. Het verlof dat aan degenen met een
dienstverband van minder dan 40% is toegekend moet daarom als een extra
faciliteit beschouwd worden.

5.4. Met betrekking tot deze rechtvaardigingsgronden heeft de Commissie als
volgt overwogen.

Ten aanzien van het eerste argument:

De Commissie heeft reeds eerder uitgesproken dat het financiele argument
op zich nooit voldoende is om als een zelfstandige en objectieve
rechtvaardigingsgrond te fungeren voor het maken van onderscheid als
bedoeld in de wet. De Commissie is niet gebleken dat de Gemeente heeft
nagegaan welke financiele gevolgen het laten vervallen van het
40%-criterium zou hebben.

De Gemeente heeft evenmin naar voren gebracht dat het laten vervallen van
het bewuste criterium tot onoverkomelijke nadelige financiele gevolgen zou
leiden. Gelet op het geringe aantal personen met een dienstverband van
minder dan 40% is ook niet aannemelijk dat deze gevolgen zich voordoen.

Ten aanzien van het tweede argument:

In de ouderschapsverlofregeling van de Gemeente is bepaald dat iedere
belanghebbende volledig verlof kan opnemen. De ouderschapsverlofregeling
van de Gemeente wijkt op dit punt af van de model-verordening van de VNG.
Hierin is immers bepaald dat alleen werknemers met een dienstverband van
minstens 16 uren over maximaal de helft van de normale arbeidsuren verlof
kunnen opnemen. De VNG heeft gesteld dat de regeling (onder andere) bedoeld
is om werknemers meer mogelijkheden te geven ouderschapstaken en betaalde
arbeid te combineren. Deze doelstelling is voor de VNG een van de redenen
geweest om de ondergrens van 16 uren te hanteren. De Gemeente heeft echter
in haar verlofregeling de onder-grens van 40% niet opgenomen om te bepalen
of iemand recht heeft op ouderschapsverlof. Het 40%-criterium in de
regeling van de Gemeente wordt alleen gehanteerd om te bepalen of iemand
recht heeft op betaald ouderschapsverlof.

De Commissie is dan ook van oordeel dat de Gemeente niet heeft aangetoond
dat het bewuste criterium is aangelegd om de betreffende doelstelling
(combineren van ouderschapstaken met betaalde arbeid) te bereiken. Het
tweede argument voldoet dus evenmin als objectieve rechtvaardigingsgrond.

De Commissie is op grond van bovenstaande overwegingen van oordeel dat de
Gemeente door het aldus hanteren van het 40%-criterium indirect onderscheid
maakt naar geslacht in strijd met artikel 1a WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de gemeente indirect
onderscheid maakt naar geslacht jegens mevrouw te Arnhem in strijd met
artikel 1a van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen door het
40%-criterium toe te passen, zoals omschreven in artikel 4 lid 1b van de
ouderschapsverlofregeling van de gemeente .

Aldus vastgesteld op 4 april 1991 naar aanleiding van de behandeling in de
raadkamer op 27 februari 1991.

Rechters

Prof. mr. P.F. van der Heijden, kamervoorzitter en drs. C.M. Sjerps,secretaris

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 4 april 1991

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vervolg op President rechtbank Amsterdam, 20 september 1990 (RN 1991,
162).

De ongewenste gedragingen van de man jegens de vrouw zijn – in
belangrijke mate wegens hun heimelijke karakter – moeilijk aantoonbaar. Toch
acht het hof voldoende aannemelijk dat de man zich wederom heeft schuldig
gemaakt aan anonieme telefoontjes.

Het contactverbod blijft in stand. Begluren is niet onder alle
omstandigheden onrechtmatig en in casu ontbreekt iedere rechtsgrond om de man
een verbod op te leggen om uit de ramen te kijken. De vrouw zal hiertegen zelf
voorzieningen moeten treffen.

Volledige tekst

1. Procesverloop.

1.1. Bij exploit van 2 oktober 1990 is appellant, De M. in hoger beroep
gekomen van een door de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam
in de zaak onder rolnummer KG in reconventie tussen partijen gewezen en op 20
september 1990 uitgesproken vonnis en heeft hij geintimeerde, O., onder
aanvoering van zes grieven voor dit hof gedagvaard teneinde te horen
concluderen dat het hof het aangevallen vonnis voorzover in reconventie
gewezen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende O. alsnog in haar vordering
niet ontvankelijk zal verklaren althans haar deze zal ontzeggen met haar
veroordeling in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van grieven concludeerde De M. overeenkomstig de
appeldagvaarding en bracht hij een aantal producties in het geding.

1.2. O. heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, een
productie in het geding gebracht en geconcludeerd tot handhaving van het
bestreden vonnis en veroordeling van de M. in de kosten van beide instanties.

1.3. Ter zitting van 27 februari 1991 hebben partijen de zaak mede aan
de hand van nadien bij de stukken gevoegde pleitnotities door hun advocaten
doen toelichten. De M. werd akte verleend van het in het geding brengen van
twee produkties. Na afloop van de pleidooien hebben partijen de hier als
ingelast geldende stukken van beide instanties aan het hof overgelegd voor het
wijzen aan arrest.

2. De grieven.

Grief I

Ten onrechte heeft de President overwogen dat bij de beoordeling van de
vordering in reconventie de gebeurtenissen uit het verleden van belang zijn.

Grief II

Ten onrechte heeft de President overwogen dat De M. zich niet aan zijn
verklaring van 31 oktober 1989 heeft gehouden.

Grief III

Ten onrechte heeft de President De M. verboden om uit het raam/de ramen
van de achterzijde van de derde verdieping van het pand aan de …. te
Amsterdam te kijken.

Grief IV

Ten onrechte heeft de President De M. verboden op enige wijze contact te
zoeken met O. onder andere door haar te bellen, te schrijven en/of haar te
begluren.

Grief V

Ten onrechte heeft de President De M. veroordeeld om een voorschot van ƒ
1.000,– als schadevergoeding aan O. te voldoen.

Grief VI

Ten onrechte heeft de President De M. veroordeeld in de proceskosten in
conventie en reconventie.

3. Waarvan het hof uitgaat.

Geen grief is gericht tegen hetgeen de president onder 1 heeft
overwogen, zodat ook het hof van het daar onder a tot en met d vermelde zal
uitgaan.

4. Beoordeling

4.1. De M. heeft O. van het einde van 1988 tot het einde van 1989 lastig
gevallen. Een in verband daarmee door O. tegen De M. aangespannen kort geding
is ingetrokken nadat De M. op 31 oktober 1989 schriftelijk had verklaard zich
te zullen onthouden van het telefonisch of anderszins contact zoeken met O.,
het nadrukkelijk binnenkijken van haar woning of het haar op andere wijze
lastigvallen, en aan O. een vergoeding van ƒ 1.000,- had voldaan.

Het oordeel van de president, dat aannemelijk is dat O. – zoals zij
stelt – in genoemde periode regelmatig door De M. werd begluurd en telefonisch
lastig gevallen is in hoger beroep niet bestreden.

4.2. De eerste grief klaagt erover dat de president voor de beoordeling
van de vorderingen van O. ook de onder 4.1. aangeduide gebeurtenissen uit het
verleden van belang heeft geacht. Volgens De M. is dat onjuist omdat die
dateren uit een op 31 oktober 1989 door partijen nadrukkelijk afgesloten
periode.

4.3. De grief is ongegrond. Van een afgesloten periode – en in ieder
geval het ontbreken van een spoedeisend belang – zou slechts sprake zijn
indien er in dit geding van zou moeten worden uitgegaan dat De M. zich in alle
opzichten aan zijn toezegging van 31 oktober 1989 heeft gehouden. Dat is,
zoals uit de bespreking van grief II zal blijken, niet het geval. Terecht
heeft de president derhalve bij de beantwoording van de vraag of er
voorzieningen moeten worden getroffen ook de gedragingen van De M. van voor 31
oktober 1989 van belang geacht.

4.4. Met grief II, letterlijk genomen gericht tegen een overweging die
niet in het vonnis voorkomt, bedoelt De M. kennelijk op te komen tegen de
rechtsoverwegingen 11, 12 en 13 voorzover inhoudende dat voldoende aannemelijk
is geworden dat de recente anonieme telefoontjes van De M. afkomstig zijn, dat
De M. de woning van O. regelmatig binnenkijkt en dat hij haar opnieuw
lastigvalt.

4.5. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de president. De door O. aan
De M. verweten gedragingen zijn – in belangrijke mate door hun heimelijke
karakter – moeilijk aantoonbaar. Desondanks is O. erin geslaagd aannemelijk te
maken dat De M. haar gedurende ongeveer een jaar voorafgaande aan de
verklaring van 31 oktober 1989 herhaaldelijk heeft lastiggevallen door haar,
anoniem of onder een valse naam, op te bellen en haar te begluren. De M. heeft
een en ander echter, hoewel dat nauwelijks te verenigen is met zijn verklaring
van 31 oktober 1989, nimmer erkend. Er is echter geen reden te twijfelen aan
de juistheid van O.’s bewering dat zij sedert mei 1990 weer telefonisch wordt
lastiggevallen, terwijl de kans dat O. binnen een vrij korte tijd bij
herhaling zou worden lastiggevallen door twee verschillende personen toch zeer
gering moet worden geacht.

Daarom is voldoende aannemelijk dat De M. zich in dit opzicht niet
gehouden heeft aan zijn toezegging van 31 oktober 1989.

Bezien in het licht van de voorgeschiedenis vormen daarnaast de door O.
overgelegde verklaringen voldoende grond om aan te nemen dat De M., eveneens
in strijd met zijn toezegging, regelmatig nadrukkelijk de woning van O.
binnenkijkt. De door De M. overgelegde verklaringen kunnen hieraan niet
afdoen. Grief II wordt derhalve verworpen.

4.6. Grief III komt terecht op tegen het door de president aan De M.
opgelegde verbod om uit de achterramen van de (door zijn broer bewoonde) derde
verdieping van het pand … te kijken.

Voor een dergelijk verbod ontbreekt iedere rechtsgrond. Weliswaar heeft
De M. toegezegd niet meer nadrukkelijk de, op een afstand van ongeveer 20
meter eveneens op de derde verdieping gelegen, woning van O. binnen te kijken
maar ook dat rechtvaardigt uiteraard een zo vergaand en ingrijpend verbod
niet. Zelfs niet indien er van zou moeten worden uitgegaan dat dit het enige
afdoende middel is om te bewerkstelligen dat De M. zich aan zijn toezegging
houdt. O. zal, zoals vele anderen in vergelijkbare situaties, zelf
voorzieningen moeten treffen die het (hinderlijk) binnenkijken van haar woning
tegengaan of onmogelijk maken.

4.7. Grief IV richt zich tegen het aan De M. opgelegde contactverbod.
Voorzover dit verbod betrekking heeft op andere wijzen van contactzoeken dan
begluren vindt de grief zijn weerlegging in het onder 4.4. overwogene.

Het door O. gevorderde verbod haar te begluren is uitsluitend gebaseerd
op de stelling dat De M. haar begluurt vanuit het blok, waarin – op de tweede
verdieping – zijn woning gelegen is. O. heeft niet gesteld, althans
aannemelijk gemaakt, dat De M. haar van meer nabij begluurt of dreigt te
begluren. Dit in aanmerking nemende is het door haar gevorderde verbod,
waarbij zij er ten onrechte van lijkt uit te gaan dat begluren – wat daar in
dit verband ook precies onder verstaan moet worden – zonder meer en onder alle
omstandigheden onrechtmatig is, te vaag om voor toewijzing in aanmerking te
komen. Dit onderdeel van de grief treft doel.

4.8. Grief V klaagt over de toewijzing van een voorschot van ƒ 1.000,-
terzake van schadevergoeding. Deze beslissing kan al daarom niet in stand
blijven omdat O. op geen enkele wijze heeft aangegeven welk spoedeisend belang
zij bij toewijzing van enig voorschot terzake van de door haar gestelde
immateriele schade heeft.

4.9. In zijn zesde en laatste grief stelt De M. zich op het standpunt
dat hij ten onrechte in reconventie in de kosten is veroordeeld. Dit standpunt
wordt verworpen. Hoofdpunt van geschil betrof de vraag of De M. zich aan zijn
toezegging van 31 oktober 1989 had gehouden en zo nee, of dat ingrijpen van de
rechter in kort geding rechtvaardige. Die vraag is in het voordeel van O.
beantwoord. Aldus bezien is De M. ondanks het feit dat hij in hoger beroep op
enkele onderdelen in het gelijk is gesteld de in overwegende mate in het
ongelijk gestelde partij en bestaat er geen grond wijziging te brengen in de
door de president gegeven beslissing ten aanzien van de kosten.

5. Slotsom

De gedeeltelijke gegrondbevinding van de grieven leidt ertoe dat, met
vernietiging van het vonnis in zoverre, de bij conclusie van eis in
reconventie ander a, onder d en onder b, voorzover inhoudende een verbod om O.
te begluren, gevraagde voorzieningen alsnog zullen worden geweigerd. Voor het
overige wordt het vonnis bekrachtigt. De M. wordt als de in overwegende mate
in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger
beroep.

6. Beslissing.

Het hof:

-vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de in het dictum
onder 2,5, en 3 – voorzover inhoudende een verbod om O. te begluren – gegeven
beslissingen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

-Weigert de gevraagde voorzieningen in zoverre;

-Bekrachtigt het vonnis voor al het overige;

-Veroordeelt de M. in de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde
van O. tot heden begroot op ƒ 2.700,– op de voet van artikel 57b RV te
voldoen aan de griffier van dit hof.

Rechters

Mrs Cornelissen, Fleers en Mout.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 april 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een werkgever die op grond van een verplichtstelling door de Minister
deelneemt aan de bedrijfspensioenregeling van de DETAM handelt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling door voor vrouwen en mannen verschillende
toetredingsleeftijden te hanteren. Tot 1991 konden mannen vanaf 23 jaar,
vrouwen pas vanaf 27 jaar deel gaan nemen aan de regeling. Ook sloot de
regeling tot 1991 gehuwde vrouwen direct uit van deelname. De Commissie acht
zich bevoegd hierover te oordelen. Uitzondering voor pensioen in de Wet moet
worden uitgelegd conform uitspraak EG-Hof in de zaak Barber. Daarin spreekt
het Hof uit dat pensioen in bepaalde gevallen valt onder de gelijke
loonbepaling in art. 119 van het EEG-verdrag.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 november 1989 verzocht mevrouw S. te H. (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of [haar werkgever] te Amsterdam (hierna:
de wederpartij) jegenshaar in strijd handelt met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. De pensioenregeling die op werknemers van de wederpartij van
toepassing is bevatte tot 1 januari 1991 een voor mannen en vrouwen
verschillende toetredingsleeftijd. Voorts werden tot die datum gehuwde vrouwen
uitgesloten van deelneming. Verzoekster is van mening dat de wederpartij bij
wie zij reeds voor 1991 in dienst was in verband hiermee in strijd handelde
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun
standpunten nader toe te lichten en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 6 februari 1991. Bij deze zitting
waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

-mevrouw (verzoekster)

-mevrouw mr. J. Dierx (getuige-deskundige)

van de kant van de wederpartij

-de heer (bedrijfsinspecteur)

-de heer mr. P.J.W.M. Sliepenbeek (advocaat)

van de kant van de Commissie

-mevrouw mr. C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

-de heer mr. A.W. Heringa (lid Kamer)

-mevrouw mr. I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer)

-de heer mr. R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

-mevrouw mr. A.C. Possel (lid Kamer)

-mevrouw mr. G.L.M. Lenssen (plaatsvervangend secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.

Daarin hebben zitting de leden genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De wederpartij neemt als boekhandel deel aan een – door de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplichtgestelde
bedrijfspensioenregeling van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel.

Administrateur van de Stichting Pensioenfonds voor de Detailhandel is de
DETAM.

Tot 1 januari 1991 bepaalde art. 8 lid 1 van de Statuten van de
Stichting dat mannelijke werknemers op hun 23e jaar tot de regeling toetreden
en ongehuwde vrouwelijke werknemers op hun 27e jaar. Gehuwde vrouwen zijn van
deelneming uitgesloten. Deelname van een ongehuwde vrouwelijke werknemer
eindigt zodra zij in het huwelijk treedt.

Art. 8 lid 5 biedt onder meer vrouwelijke deelnemers die in het huwelijk
treden de mogelijkheid om op vrijwillige basis aan de regeling te blijven
deelnemen. In dat geval dienen zij zelf het werkgeversaandeel in de
pensioenpremie te betalen.

3.2. Verzoekster is vanaf 1 mei 1986 in dienst bij de wederpartij. Vanaf
1 mei 1987, toen zij 27 jaar werd, zijn zijzelf en de wederpartij voor haar
premie gaan betalen aan het bedrijfspensioenfonds. De premiebetaling is
gestaakt met ingang van 1 september 1989 in verband met het huwelijk van
verzoekster op 28 september van dat jaar. Zij heeft de deelneming niet
vrijwillig voortgezet.

3.3. Het standpunt van verzoekster luidt als volgt.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd handelde met de
wetgeving gelijke behandeling door jegens haar niet op gelijke wijze als voor
haar mannelijke werknemers in een pensioenregeling te voorzien.

Zij verwijst naar jurisprudentie van het EG-Hof van Justitie, in het
bijzonder de uitspraken inzake Bilka Kaufhaus/-Weber von Hartz, d.d. 13 mei
1986 en inzake Barber/Guardian Royal Exchange Assurance Group, d.d. 17 mei
1990. Zij leidt hieruit af dat pensioenvoorzieningen die de werkgever treft
ten behoeve van zijn werknemers begrepen moeten worden in het loonbegrip van
artikel 119 EEG-Verdrag. Het EG-Hof kent ook in het geval van
pensioenvoorzieningen rechtstreekse werking toe aan dit artikel.

Gelet op de tekst van artikel 119 EEG-Verdrag is de werkgever zelf
verantwoordelijk voor eventuele ongelijkheden in de pensioenvoorzienigen. Het
feit dat de wederpartij geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud van
de verplicht gestelde pensioenregeling kan het onderscheid niet
rechtvaardigen. Zij had immers de mogelijkheid om dat wel te doen maar heeft
daar kennelijk van af gezien.

Verzoekster heeft door de ongelijke pensioenvoorziening inmiddels een
achterstand in pensioenopbouw opgelopen ten opzichte van haar mannelijke
collega’s. Zij is van mening dat deze achterstand alsnog ongedaan moet worden
gemaakt.

Zij wijst er in dit verband op dat het eerder genoemde Barber-arrest
alleen betrekking had op onderscheid tussen mannen en vrouwen wat betreft de
pensioenleeftijd.

Het feit dat het Hof in dit arrest de terugwerkende kracht heeft
beperkt, betekent niet automatisch dat deze beperking van de terugwerkende
kracht ook van toepassing is op de toetredingsleeftijd en de voorwaarden voor
deelname. Het feit dat het EG-Hof de consequentie van zijn uitspraak naar het
verleden wilde beperken kan immers samenhangen met de EG-richtlijn 86/378 die
nog uitstel toestaan ten aanzien van pensioenleeftijden.

Zij wijst voorts op de uitdrukkelijke uitzondering in het vijfde
onderdeel van het dictum van bedoeld arrest. Hierin stelt het EG-Hof dat de
beperking van de terugwerkende kracht niet geldt voor diegenen die voor de
datum van het arrest een “claim” terzake hebben ingediend. Onder een “claim”
moet in ieder geval ook een verzoek om een oordeel van de Commissie worden
verstaan.

3.4. De wederpartij heeft het volgende naar voren gebracht.

Ten eerste meent zij dat de Commissie in deze niet bevoegd is. Zij wijst
op de uitdrukkelijke uitzondering in artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW)op
het punt van aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen. In
uitspraken van voor juli 1989 heeft de toenmalige Commissie zich wel eens
bevoegd geacht op pensioengebied, maar overwegingen daarvoor acht zij niet
overtuigend.

Zij acht de Commissie in ieder geval niet bevoegd om de financiele
gevolgen van de pensioenbreuk van verzoekster ongedaan te maken. De Commissie
kan hoogstens oordelen over de situatie voor 1 januari 1991, een situatie
waarin de wederpartij erkent dat de pensioenregeling onderscheid maakt.

Voorts wijst de wederpartij erop, dat het EG-Hof eerst in het
eerdergenoemde Barber-arrest een uitspraak heeft gedaan waaruit afgeleid zou
kunnen worden dat de gelijkheidsnorm ook voor pensioenregelingen geldt.
Eerdere uitspraken van het EG-Hof hadden slechts betrekking op bepaalde
pensioenregelingen. Zij verwijst naar punt 5 van het dictum in het
Barber-arrest, waarin de term “entitled to a pension”, wordt gebruikt en niet,
zoals eerder, alleen “contracted-out pension schemes”. Het EG-Hof verwijst
voorts naar de zogenaamde derde en vierde EG-richtlijnen inzake gelijke
behandeling, en niet naar haar eerdere uitspraak in het Bilka-Weber-arrest
waar een echte contractuele relatie aan de orde was.

In het onderhavige geval is echter sprake van een verplicht gestelde
pensioenregeling, waarbij de wederpartij noch op de totstandkoming noch op de
inhoud van de pensioenregeling invloed heeft gehad.

Wat betreft de terugwerkende kracht betoogt de wederpartij het
volgende.

Het EG-Hof erkent in haar overweging 43 van het Barber-arrest, dat de
lid-staten en de betrokken partijen hadden kunnen concluderen dat artikel 119
van het EEG-Verdrag niet van toepassing zou zijn op pensioenregelingen.
Terugwerkende kracht kan derhalve slechts gelden tot de datum van het
Barber-arrest, 17 mei 1990.

Het Hof maakt in het Barber-arrest een uitzondering voor degenen die
eerder al een procudure zijn begonnen of een “equivalent claim” hebben
ingediend. Het is de vraag of een verzoek bij de Commissie hieronder begrepen
moet worden.

Tenslotte wijst de wederpartij op de verjaringstermijn in artikel 11 van
de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168) terzake van
loonvorderingen.

Deze beperkt naar haar mening in ieder geval een rechtstreekse
verwijzing naar artikel 119 EEG-Verdrag.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst is de vraag aan de orde of de Commissie bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit tespreken. Zij
overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de eerdere Wet gelijk
loon voor vrouwen en mannen (Stb.1975, 129) en voorts met art. 1637ij BW en
art. 7 en verder WGB mede een volledige uitwerking heeft willen geven aan art.
119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Van Colson/Kamann
d.d. 10 april 1984 (Von Colson en Kamann vs Land Nordrhein-Westfalen, zaak nr.
14/83) van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag
zijn om binnen hunbevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen
en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling
van – in dit geval – art. 119 EEG-Verdrag.

Naar de mening van de Commissie betekent dit dat zij het begrip loon
zoals vallend onder art. 1637ij lid 1 BW en art. 7 lid 2 WGB moet
interpreteren conform de betekenis die het EG-Hof hieraan in zijn
jurisprudentie toekent.

Genoemde artikelen maken een uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken
en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie deze uitzondering zo op, dat
slechts die pensioenkwesties die volgens het EG-Hof niet onder het loonbegrip
vallen van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het begrip loon, en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Ten aanzien van de onderhavige pensioenregeling overweegt de
Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het eerdergenoemde Barber-arrest stelt het
EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van art. 119 EEG-Verdrag
valt indien deze het resutlaat is van overeenstemming tussen werknemers en
werkgevers of een eenzijdige beslissing van de werkgever vormt. Voorts moet
het gaan om een regeling die geheel gefinancierd wordt door de werkgever of
door werkgever en werknemers gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige
bijdrage van de overheid.

De Commissie stelt vast dat de onderhavige regeling aan deze eisen
voldoet.

In overweging 26 van hetzelfde arrest gaat het EG-Hof nader in op de
vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten
worden onder de werkingssfeer van art. 119 EEG- Verdrag te vallen.

Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing is
é

werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan
de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de dienstbetrekking met de
betrokken werkgever.

De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling geen
betrekking heeft op algemene categorieen van werknemers, maar slechts op
werknemers van bepaalde bedrijven en instellingen, waaronder het bedrijf van
de wederpartij.

4.3. De wederpartij beroept zich op het feit dat zij noch zelf, noch
vertegenwoordigd door een organisatie, invloed heeft kunnen uitoefenen op de
inhoud van de regeling. Haar gebondenheid aan de regeling was slechts
gebaseerd op een beschikking van de Staatssecretaris. Zij kan derhalve niet
voor de inhoud van de regeling verantwoordelijk worden gesteld.

De Commissie meent dat dit verweer niet op kan gaan.

Immers, in nummer 1 van zijn dictum in eerdergenoemd Barber- arrest
stelt het EG-Hof dat het voor de toepasselijkheid van art. 119 EEG-Verdrag
geen verschil maakt of de voordelen worden betaald ingevolge een
arbeidsovereenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen of vrijwillig. Onder
wettelijke bepalingen moet naar de mening van de Commissie mede worden
begrepen de verplichtstelling door de Staatssecretaris op grond van de wet. De
werkgever is derhalve ook in het onderhavige geval jegens werknemers
aansprakelijk.

4.4. Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de
onderhavige pensioenregeling begrepen moet worden onder art. 119 EEG-Verdrag
en dat de wederpartij in deze derhalve gehouden is aan het beginsel van
gelijke beloning.

4.5. Partijen verschillen van mening over de vraag of de gelijkheidsnorm
in de onderhavige pensioenregeling ook al voor de uitspraak van het EG-Hof op
17 mei 1990 van toepassing moet worden geacht. Hierover overweegt de Commissie
het volgende.

In onderdeel 5 van zijn dictum in eerdergenoemd Barber-arrest geeft het
EG-Hof weliswaar een beperking wat betreft de terugwerkende kracht, maar
spreekt tevens uit dat deze niet geldt ingeval er op een eerder tijdstip een
rechtsvordering of een naar nationaal recht daarmee gelijk te stellen actie is
ingediend. Naar de mening van de Commissie moet het verzoek van verzoekster om
een oordeel van de Commissie gezien worden als een aanvraag, die te beschouwen
is als een “equivalent claim”, te weten een nationaalrechtelijk geregelde
beroepsmogelijkheid. De Commissie concludeert derhalve dat in het onderhavige
geval geen beperking in terugwerkende kracht van toepassing is.

4.6. Niet bestreden is dat in de onderhavige pensioenregeling tot 1
januari 1991 onderscheid werd gemaakt tussen mannen en vrouwen bij de
toetredingsleeftijd en de deelname van gehuwde vrouwen. Er is geen beroep
gedaan op een rechtvaardigingsgrond. Het bestaan daarvan is ook niet
gebleken.

4.7. Daarmee staat vast dat de wederpartij jegens verzoekster in strijd
heeft gehandeld met art. 1637ij BW.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam jegens
mevrouw S. te H. onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 1637ij BW
door voor haar een hogere toetredingsleeftijd tot de pensioenvoorziening toe
te passen dan voor mannelijke werknemers, en haar deelname aan de
pensioenregeling in verband met haar huwelijk te beeindigen.

Aldus vastgesteld op 3 april 1991 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 6 februari 1991.

Rechters

Mr. C.H. S. Evenhuis, voorzitter en mr. G.L.M. Lenssen, plaatsvervangendsecretaris

Instantie: College van Beroep Universiteit voor bedrijfskunde Nijenrode, 2 april 1991

Instantie

College van Beroep Universiteit voor bedrijfskunde Nijenrode

Samenvatting


Student E., beklaagde, gaat in beroep tegen de uitspraak van de
President, waarin E. van Nijenrode wordt verwijderd wegens het tegen
haar wil geslachtsgemeenschap hebben met klaagster L., medestudent.

Het College van Beroep overweegt dat art. 2 van het Algemeen Reglement
onverlet laat de algemeen geldende normen van intermenselijk verkeer.
Tot deze normen behoort het respecteren van de privacy van
medestudenten. Vast staat dat beklaagde met klaagster
geslachtsgemeenschap heeft gehad, waarvan niet bewezen is dat deze tegen
haar wil heeft plaatsgevonden, maar waarvan wel mag worden aangenomen
dat het in samenhang met de ongevraagde binnenkomst van beklaagde heeft
geleid tot psychische problemen bij klaagster. Het College van Beroep
acht dit ongevraagd binnenkomen een grove schending van de privacy en
verklaart het beroep ongegrond. Zie ook de uitspraak van de President
Universiteit voor bedrijfskunde Nijenrode, 11 februari 1991.

Volledige tekst

Het College van Beroep heeft kennis genomen van:

1. Het beroepschrift met bijlagen van beklaagde van 12 maart 1991,
ingediend door zijn gemachtigde mr. H. Kampe, advocaat;

2. de pleitnota inzake het beroep van E. van 7 maart 1991, opgesteld
door de gemachtigde van klaagster Mr. A. van Bon-Moors, advocate;

3. de volledige uitspraak van de President van 7 maart 1991;

4. de openbare verkorte uitspraak van de President van 7 maart 1991;

5. de brieven van N., P. en W., waarbij deze hun eerder afgelegde
verklaringen intrekken;

6. een enquete met bijbehorende enquete-uitslagen;

7. drie open brieven inzake de onderhavige kwestie van J., F. en V.;

8. twee stukken van de campusraad met betrekking tot eerdere zaken.

Het College van Beroep heeft op 2 april 1991 klaagster bijgestaan door
haar raadsvrouwe en beklaagde bijgestaan door diens raadsman de
mogelijkheid gegeven hun standpunten nader toe te lichten.

Overwegende:

1. Uit het Reglement voor Studenten blijkt hoe de procedure voor
President en College van Beroep plaatsvindt, terwijl ook blijkens de
gedingstukken beklaagde de mogelijkheid heeft gekregen kennis te nemen
van de stukken en zijn verweer in te dienen.

2. Het ingestelde beroep heeft uiteraard slechts betrekking op de
uitspraak van de President van 7 maart 1991 en niet op de openbare
verkorte uitspraak.

3. De President heeft blijkens zijn uitspraak van 11 februari 1991
conform de hem daartoe gegeven bevoegdheid in artikel 40 van het
Reglement voor Studenten en gelet op de ernst van de klacht zelf de
behandeling van de zaak ter hand genomen.

4. Het College van Beroep heeft tot taak te beoordelen of de President
in de gegeven omstandigheden in redelijkheid had kunnen komen tot de
gegeven uitspraak.

Het College van Beroep is van mening dat artikel 2 van het Reglement
voor Studenten onverlet laat de algemeen geldende normen van
intermenselijk verkeer. Tot deze normen behoort het respecteren van de
privacy van medestudenten. Deze verantwoordelijkheid geldt eens te meer
gezien de “open deur policy” op Nijenrode. Bij de introductie wordt
iedere student op deze verantwoordelijkheid gewezen.

6. Het staat vast dat beklaagde op 16 december 1990 om plusminus drie
uur ‘s-nachts ongevraagd de op dat moment donkere kamer van klaagster,
die hij slechts oppervlakking kende, is binnengetreden. Gezien deze
feiten diende beklaagde er van uit te gaan dat klaagster sliep.
Klaagster verklaarde ook zelf dat zij lag te slapen.

7. Voorts staat vast dat, na hetgeen onder 6 is genoemd, beklaagde met
klaagster geslachtsgemeenschap heeft gehad, waarvan niet bewezen is, dat
deze tegen haar wil heeft plaatsgevonden, maar waarvan wel mag worden
aangenomen dat het in samenhang met de binnenkomst van beklaagde als
onder 6 bedoeld, heeft geleid tot psychische problemen bij klaagster,
zoals ondermeer blijkt uit het feit dat zij zich korte tijd later
overstuur tot haar vriendin heeft gewend en zich sedertdien onder
behandeling heeft gesteld van het Riagg.

8 Het College van Beroep acht hetgeen onder 6 bewezen is verklaard een
grove schending van de privacy van klaagster. Beklaagde heeft de
verantwoordelijkheid te nemen voor de in overweging 7 genoemde gevolgen
van zijn gedrag. Deze gevolgen dienen te worden betrokken bij het
bepalen van de strafmaat inzake de schending van de privacy.

9. Zelfs wanneer door beklaagde zou zijn aangetoond dat hetgeen hem ten
laste is gelegd gebruikelijk is op Nijenrode, vormt zulks naar het
oordeel van het College van Beroep geen rechtvaardiging voor de bewezen
verklaarde schending van de privacy, getoetst aan de onder 5 genoemde
norm. Derhalve doen enquete en afgelegde of ingetrokken verklaringen
niet af aan het oordeel van het College van Beroep.

10. Het College van Beroep is daarom van oordeel dat de President in
redelijkheid tot de uitspraak waartegen beroep is ingesteld heeft kunnen
komen, daarbij mede overwegende dat het bezwaarlijk voor klaagster moet
worden geacht indien zij tijdens haar verblijf op Nijenrode regelmatig
met beklaagde wordt geconfronteerd en dat beklaagde er geen blijk van
heeft gegeven zich te realiseren wat hij klaagster alsmede de
studentengemeenschap op Nijenrode heeft aangedaan, laat staan zulks te
betreuren.

Het College van Beroep verklaart het tegen de uitspraak van de President
ingestelde beroep ongegrond.

Rechters

Mr. S.M. van Steenbergen, voorzitter; drs. S.E.M. Everwijn en T.Hermsen, leden

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 28 maart 1991

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Relevantie van de in het arrest Barber door het Hof van Justitie
aangebrachte beperking op de werking in de tijd van zijn arrest. Prejudiciele
vragen aan het Hof van Justitie.

Volledige tekst

Motivering

1. Bij de beoordeling van het geschil tussen partijen kan worden
uitgegaan van de navolgende feiten, die door niet of niet voldoende betwisting
dan wel door de inhoud van de in het geding gebrachte bescheiden vaststaan:

a. Eiser is gehuwd geweest met H.

b. Tijdens haar leven was H. werkzaam in de schoonmaakbranche.

De pensioenvoorziening, die bij haar werkgever getroffen was, was
ondergebracht bij gedaagde. Het betreft een collectief bedrijfspensioen, dat
door de werkgevers en de werknemers wordt bekostigd.

c. Op 13 oktober 1988 is H. overleden.

d. Tot 1 januari 1989 kende het pensioenreglement van gedaagde geen
weduwnaarspensioen.

e. Sinds 1 januari 1989 is het pensioenreglement gewijzigd.

Vanaf dit tijdstip kent het pensioenreglement een weduwnaarspensioen
toe. Die toekenning vindt volgens gedaagde niet met terugwerkende kracht
plaats.

f. Eiser heeft aan gedaagde de toekenning van een weduwnaarspensioen
verzocht met ingang van 13 oktober 1988 (de overlijdensdatum). Bij brief van
27 maart 1990 is deze aanvraag afgewezen, omdat er naar het oordeel van het
Bestuur van gedaagde geen gronden waren voor toekennning met toepassing van de
hardheidsclausule (art. 15 lid 2 Pensioenreglement) en omdat toekenning van
dit pensioen aan eiser een onaanvaardbare precedentenwerking tot gevolg zou
hebben.

2. Met een beroep op art. 119 van het EG-Verdrag verzoekt eiser om na
voorlegging van een prejudiciele vraag aan het Hof van Justitie te beslissen
dat alsnog aan hem vanaf 13 oktober 1988 een weduwnaarspensioen wordt
toegekend.

Volgens eiser legt art. 119 EG-Verdrag de werkgever de verplichting op
geen onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen inzake beloning voor
gelijke arbeid. Ook pensioenen zijn als beloningen in de zin van deze bepaling
aan te merken.

Wanneer eiser een vrouw was geweest en zijn echtgenote een man, zou
eiser aanspraak op een weduwepensioen hebben gehad. Thans krijgt eiser geen
weduwnaarspensioen. Dit is volgens eiser in strijd met het beginsel van
gelijke beloning van mannen en vrouwen.

3. Gedaagde voert verweer. Gedaagde betwist in feite niet dat een
pensioen, zoals het onderhavige, een beloning als bedoeld in art. 119
EG-Verdrag kan zijn c.q. is, maar beroept zich op de beperking, die het Hof
van Justitie in een arrest van 17 mei1990 inzake pensioenrechten heeft bepaald
(Barber/Guardien Royal Exchange Assurance Group C 262/88, hierna aan te duiden
als de Barber-zaak). In deze uitspraak is weliswaar beslist dat niet-
wettelijke pensioenvoorzieningen onder de directe werking van het loonbegrip
van art. 119 EG-Verdrag vallen, maar de werking van die uitspraak heeft het
EG-Hof volgens gedaagde beperkt tot de periode vanaf de datum van de
beslissing. Eerst vanaf die datum kan een individuele werknemer zich op het
artikel beroepen, tenzij reeds een procedure aanhangig was. Dit is in deze
zaak naar het oordeel van gedaagde niet het geval. Omdat de toekenning van het
weduwnaarspensioen zoals vastgelegd in het Pensioenreglement sedert 1 januari
1989 geen terugwerkende kracht kent, kan eiser, omdat zijn echtgenote voor 1
januari 1989 is overleden, nimmer aanspraak maken op het weduwnaarspensioen.

4. In de eerste plaats wordt overwogen dat eiser in deze procedure de
toepassing van de hardheidsclausule door gedaagde niet aan de orde heeft
gesteld. Er wordt dan ook van uit gegaan dat eiser in de grond van weigering,
voorzover gebaseerd op het niet toepassen van de hardheidsclausule, berust.

5. In deze procedure beroept eiser zich louter op art. 119 EG- Verdrag.
Die bepaling verbiedt kortweg gezegd voor gelijk werk ongelijke beloning van
mannen en vrouwen, welke de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit
hoofde van de dienstbetrekking voldoet.

Gedaagde is niet de werkgever van eisers echtgenote geweest.

Desalniettemin spreekt eiser gedaagde met een beroep op art. 119
EG-Verdrag aan. Gedaagde heeft niet het verweer gevoerd, dat art. 119
EG-Verdrag niet geldt voor de rechtsverhouding tussen partijen, omdat zij geen
werkgeefster is geweest.

Mede gezien de processuele stellingname van gedaagde zal de
kantonrechter de stellingen van partijen aldus verstaan, dat zij beide van
oordeel zijn dat de pensioenregeling een deel van de arbeidsovereenkomst is,
dat met goedvinden van beide partijen nader vastgesteld wordt door gedaagde.
Aldus is gedaagde te beschouwen als een derde, die de inhoud van een deel van
de beloning van de werknemer namens beide partijen bepaalt en als zodanig
gehouden is het bepaalde in art. 119 EG-Verdrag toe te passen. Derhalve kan
eiser gedaagde ten deze in rechte betrekken.

Overwogen wordt dat deze beslissing in overeenstemming is met het
standpunt dat in de Nederlandse wetgeving ter uitvoering van de vierde
richtlijn van de Raad van Ministers van de EEG d.d. 26 juli 1986 wordt
ingenomen.

6. Beide partijen hebben zich beroepen op de Barber-zaak.

In die beslissing heeft het Hof van Justitie bepaald, dat een
ouderdomspensioen in die zaak uitgekeerd op basis van een Brits contracted-out
scheme valt onder de werking van het loonbegrip van art. 119 EG-Verdrag.
Bovenwettelijke, aanvullende pensioenregelingen (gefinancierd door werkgevers,
werknemers dan wel door beide) vallen onder het loonbegrip van dit
artikel.Ieder element van de voorziening dient voor mannen en vrouwen gelijk
te zijn.

De kantonrechter verwijst naar de navolgende literatuur:

Mr. Sacha Prechal: Ondeugdelijke communautaire wetgeving: de
pensioenregelingen, NJB 1990 blz. 1299 e.v.

Drs. C.M. Sjerps: Van Doornroosje en haar hardnekkige prins oftewel: hoe
het EG-Hof de pensioenwereld probeert te wekken, Sociaal Recht 1990 7/8.

Mr. E. Lutjens: Gelijke behandeling van man en vrouw in
pensioenregelingen, AA 1987 blz.205 e.v.

7. Gezien de verstrekkende financiele gevolgen alsmede gezien het onder
andere door de vierde richtlijn opgewekte vertrouwen heeft het Hof van
Justitie in de Barber-zaak de werking in tijd van zijn uitspraak beperkt.
Tenzij reeds in rechte een beroep is gedaan of een daarmee gelijk te stellen
klacht is ingediend, kan op het arrest geen beroep worden gedaan met het oog
op de toekenning van het pensioen vanaf een tijdstip gelegen voor de datum van
het arrest.

8. Eiser heeft voor de datum van het arrest gedaagde niet in rechte
betrokken. Het onderhavige verzoek is ingediend op 8 juni 1990. Eiser heeft
voor 8 juni 1990 ook geen met een beroep in rechte gelijk te stellen klacht
ingediend. Hij heeft weliswaar voor 17 mei 1990 de toekenning van een
weduwnaarspensioen aan gedaagde verzocht, maar een zodanig verzoek is niet als
een beroep in rechte aan te merken. Zeker geldt dit omdat het antwoord op
eisers verzoek geen noodzakelijke voorwaarde was om de procedure aanhangig te
maken. Hierbij komt dat eiser in zijn verzoek aan gedaagde ook niet de
principiele aspekten van de zaak aan de orde heeft gesteld, waarop hij zich in
de procedure beroept.

9. Toch houdt bovenstaande niet in dat gedaagdes verweer op zodanige
wijze wordt gehonoreerd dat eisers aanvraag wordt afgewezen. De hiervoor
vermelde uitspraak van het Hof van Justitie alsmede eerdere beslissingen van
dit Hof sluiten immers bepaaldelijk niet uit, dat gedaagdes beroep op art. 119
EG-

Verdrag gehonoreerd zou kunnen worden.

10. Een weduwnaarspensioen als waarop eiser aanspraak maakt, is als
zodanig niet het onderwerp geweest van door het Hof van Justitie gegeven
beslissingen. Gezien de strekking van en deverbondenheid van het
weduwnaarspensioen met het ouderdomspensioen, waarover wel beslissingen zijn
gegeven, zou beslist kunnen worden, dat ook voor het weduwnaarspensioen art.
119 EG-Verdrag zijn werking doet gelden. Dit noopt de kantonrechter de
hieronder onder I. vermelde vraag aan het Hof van Justitie te stellen.

11. Wanneer de eerste vraag bevestigend beantwoord wordt, zal eveneens
duidelijk moeten zijn vanaf welk tijdstip eiser zijn rechten op de betaling
van het weduwnaarspensioen op grond vanart. 119 EG-Verdrag geldend kan doen
maken. Op dat tijdstip heeft de tweede vraag, die gesteld wordt, betrekking.

12. De procedure wordt aangehouden tot op de hiervoor gestelde vragen
door het Hof van Justitie is beslist. De griffier van dit kantongerecht zal
aan partijen berichten op welk tijdstip deze zaak daarna wederom op de rol zal
worden geplaatst.

Beslissing.

De kantonrechter:

stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap
de navolgende vragen:

I. Dienen onder beloning in de zin van art. 119 EG-Verdrag dan wel de in
dit artikel bedoelde voordelen begrepen te worden bovenwettelijke uitkeringen
aan nagelaten betrekkingen (zoals in casu de betaling van een
weduwnaarspensioen)?

II. Indien vraag I. bevestigend beantwoord wordt, geldt art. 119
EG-Verdrag voor eiser dan in zodanige mate dat hij aanspraak op de betaling
van een weduwnaarspensioen kan maken:

a. met ingang van het tijdstip van het overlijden van zijn echtgenote
(13 oktober 1988)?

b. met ingang van de beslissing van uw Hof van 17 mei 1990?

c. in het geheel niet, daar de echtgenote van eiser is overleden voor 17
mei 1990?

houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 28 maart 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De tiende zogenaamde Bopa-zaak is door het Ambtenarengerecht Haarlem
sinds 1981 aangehouden tot na de uitspraak van de CRvB van 24 juni 1986.
Conform deze uitspraak wordt het beroep gegrond verklaard. De staatssecretaris
gaat hiervan toch in beroep, aangezien hij zich niet kan verenigen met de
uitspraak van de CRvB. Hij krijgt echter de deksel op zijn neus. De Centrale
Raad laat, met voorbijgaan aan het inhoudelijke verweer, het
gelijkheidsbeginsel prevaleren.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens eiser is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de door het Ambtenarengerecht te Haarlem
op 3 februari 1989 onder nr. AW 80/48 tussen partijen gegeven uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 12 maart 1991, waar voor
eiser is opgetreden Mr. G.R.J. de Groot, advocaat te ‘s-Gravenhage en waar
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mevr. Mr. A.C.M. van
Lierop, juridisch beleidsmedewerkster bij de AbvaKabo te Zoetermeer.

II. Motivering

Het onderhavige geding, een zogenoemde Bopa-zaak, is in eerste aanleg
geeindigd met de thans door eiser aangevochten uitspraak, waarbij de eerste
rechter onder overneming van het oordeel van deze Raad als neergelegd in zijn
uitspraken van 24 juni 1986 (TAR 1986, 186) het bestreden besluit nietig heeft
verklaard en heeft bepaald dat eiser een nieuw besluit zal nemen met
inachtneming van de nu aangevochten uitspraak.

Ten aanzien van het aan deze uitspraak voorafgegane procesverloop in
eerste aanleg houdt een op 5 augustus 1988 namens gedaagde (destijds
klaagster) aan het ambtenarengerecht toegezonden reactie op een namens eiser
(destijds verweerder) ingezonden contra-memorie onder meer het volgende in:

‘Klaagster heeft op 10 april 1980 verzocht om alsnog ƒ 1.517,- premie
AOW/AWW over haar salaris 1979 te voldoen. Als reden hiervoor voerde zij aan
de strijdigheid van de Bopa-regeling met art. 119 EEG-verdrag en de
EEG-richtlijn gelijk loon voor mannen en vrouwen.

Op 23 april 1980 weigert de staatssecretaris van Financien aan het
verzoek te voldoen. In deze beslissing wordt een relatie gelegd naar de
uitspraak van het Ambtenarengerecht ‘s-Gravenhage, waarbij in een soortgelijke
zaak het beroep deels niet ontvankelijk en deels ongegrond was verklaard.
Klaagster stelt beroep in op 23 mei 1980.

Op 28 april 1981 blijkt uit een beschikking van de voorzitter van het
gerecht ex art. 101a van de Ambtenarenwet 1929, dat het gerecht zich
conformeert aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 april
1981, CR AW 79/B 143, inhoudend dat de Bopa-regeling niet in strijd is met het
EEG-verdrag en mitsdien als onverbindend zou moeten worden aangemerkt.

Tegen deze beslissing heeft klaagster verzet aangetekend, aanvankelijk
bij schrijven van 13 mei 1981, primair om haar termijn veilig te stellen,
daarna door middel van een uitgebreid schrijven. Naar aanleiding van deze
laatste brief heeft klaagster van de griffier van uw gerecht een schrijven
ontvangen, gedateerd 12 juni 1981, waarin deze meedeelt dat de beschikking van
de fungerend voorzitter van 28 april 1981 als gevolg van het verzet is
vervallen en dat in verband daarmee het beroep verder ter terechtzitting zal
worden behandeld. Dit is het laatste officiele bericht dat klaagster heeft
ontvangen van uw gerecht. Telefonische navraag (waarvan zij aantekeningen
heeft) leerde haar dat om redenen van proceseconomie gewacht werd op de
uitspraak, welke in soortgelijke zaken verwacht werd. Gedoeld werd op de
procedures van de negen vrouwen, die uiteindelijk op 24 juni 1986 door de
Centrale Raad van Beroep gegrond zijn verklaard.

Een vergelijking met deze procedures dringt zich dan ook op.’.

Aan het evengeciteerde voegt de Raad nog toe dat van de zijde van de
eerste rechter na ’s Raads uitspraken van 24 juni 1986 met eiser is
gecorrespondeerd over de vraag of eiser in die uitspraken wellicht aanleiding
vond zijn standpunt in de onderhavige zaak te herzien. Eiser heeft,
laatstelijk op 30 mei 1988, te kennen gegeven zijn standpunt en het bestreden
besluit te handhaven. Daarbij heeft hij zich onder meer beroepen op de
circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 december 1986, nr.
AB86/U1850, betreffende de consequenties van ’s Raads evenbedoelde uitspraken
en op de in die circulaire aangekondigde proefprocessen.

In de hiervoor reeds geciteerde reactie van 5 augustus 1988 is van de
zijde van gedaagde voorts onder meer het volgende aangevoerd:

‘Klaagster is in wezen de tiende ‘Bopa-vrouw’, die vanwege het feit dat
uw gerecht om haar moverende redenen voorkeur gaf aan wachten op de uitspraken
zoals vorenbedoeld, niet in de procedure Centrale Raad en Hof van Justitie
heeft kunnen meedoen.

Zoals u zich op 28 april 1981 conformeerde aan de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 16 april van dat jaar, waarin de Bopa-regeling
verbindend is verklaard, kan naar het oordeel van klaagster, met toepassing
van het gelijkheidsbeginsel, thans slechts eerdergenoemde uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 24 juni 1986 gevolgd worden, waarbij in de zaak
van ‘de negen’ de Bopa-regeling in strijd met art. 119 EEG-verdrag is
verklaard.

Reeds om die reden dient, naar het oordeel van klaagster, het
onderhavige beroep eveneens gegrond en het bestreden besluit nietig te worden
verklaard.’.

Nadat eiser hoger beroep had ingesteld tegen de aangevallen uitspraak,
in welke uitspraak het evengeciteerde overigens onbesproken is gebleven, heeft
gedaagde ook jegens de Raad met nadruk doen wijzen op haar positie als ’tiende
Bopa-vrouw’.

Anders dan de eerste rechter acht de Raad termen aanwezig om primair
aandacht te schenken aan deze stelling van gedaagde.

De Raad moet vaststellen dat eiser in de diverse gewisselde stukken zich
niet of nauwelijks heeft uitgelaten over de feitelijke juistheid van deze
stelling. Blijkens met name de correspondentie tussen de eerste rechter en
eiser in de periode oktober 1986 tot maart 1988 heeft eiser het uit 1980
daterende verzoek van gedaagde, dat tot het bestreden besluit heeft geleid,
‘ondergebracht bij’ en zakelijk gelijkgesteld met de verzoeken die eerst veel
later – namelijk na het bekend worden van ’s Raads uitspraken van 24 juni 1986
– alsnog bij diverse administratieve organen zijn ingediend. Kenmerkend acht
de Raad in dit verband het herhaalde beroep op de proefprocessen en op de
circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 december 1986, die
blijkens het daarin onder punt 1 en 2 vermelde bepaald niet zag op een verzoek
als hier aan de orde.

Naar ’s Raads oordeel is het van de zijde van gedaagde gestelde omtrent
de (materiele) gelijkheid van haar geval met de negen gevallen waarin de Raad
op 24 juni 1986 uitspraak heeft gedaan feitelijk juist. Gelet op deze
gelijkheid ziet de Raad geen enkel aanknopingspunt voor een veronderstelling
dat hij – indien het procesverloop in de onderhavige zaak gelijk zou zijn
geweest aan dat in de negen bedoelde zaken en de zaak van gedaagde door de
Raad eveneens in juni 1986 zou zijn behandeld – in haar zaak tot een van de
negen zaken afwijkend oordeel zou zijn gekomen. Dit ook niet voorzover, zoals
van eisers zijde is benadrukt, in casu zou moeten worden gezegd dat het
bestreden besluit moet worden aangemerkt als een weigering om terug te komen
van een eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit. Aan de Raad is
gebleken dat niet alle negen zaken waarin hij op 24 juni 1986 uitspraak deed
in dit opzicht verschillen van de zaak van gedaagde, hetgeen echter niet heeft
geleid tot onderling afwijkende eindoordelen in die zaken. Het gaat naar ‘s
Raads oordeel dan niet aan om aan deze stelling van eiser – wat daar overigens
van zij – in het onderhavige geval een zodanige kracht toe te kennen als eiser
daaraan kennelijk toegekend wenst te zien. Voorzover eiser met die stelling
beoogt aansluiting te zoeken bij het karakter van de besluiten die ten aanzien
van na 24 juni 1986 alsnog ingediende verzoeken zijn genomen kan de Raad eiser
hierin niet volgen.

Daarvoor verschilt het feitelijk substraat van gedaagdes verzoek te zeer
van dat in de veel later ingediende verzoeken als evenbedoeld.

De Raad overweegt vervolgens, uitgaande van de door hem geconstateerde
gelijkheid als vorenvermeld, dat het van de zijde van gedaagde genoemde
gelijkheidsbeginsel niet alleen gelding dient te hebben ten aanzien van door
een administratief orgaan in gelijke gevallen te nemen besluiten, maar ook ten
aanzien van door de rechter in gelijke gevallen te geven uitspraken. Gedaagde
heeft in feite ook een zodanig gelijk rechterlijk oordeel gekregen, echter
niet – zoals in de negen meergenoemde zaken – van de Raad, doch van de eerste
rechter. Dit uitsluitend als gevolg van de aanhouding van haar zaak door die
rechter. Zij verkreeg aldus niet een onherroepelijke einduitspraak, maar een
die in hoger beroep kon worden aangevochten en door eiser is aangevochten.

Aangevochten echter niet omdat naar eisers mening de eerste rechter het
oordeel van de Raad in de negen andere zaken ten onrechte van toepassing heeft
geacht op de zaak van gedaagde, maar omdat eiser zich in wezen niet kan
verenigen met het eindoordeel van de Raad in de negen zaken en/of vanwege een
– onjuiste – vermenging van gedaagdes geval met de proefprocedures. Zeker in
een dergelijke situatie dient naar ’s Raads oordeel het beroep op het
gelijkheidsbeginsel te prevaleren en dient de door de Raad erkende gelijkheid
te leiden tot een gelijk eindoordeel in rechte. Daaraan voegt de Raad nog toe
dat hem ten processe niet danwel zeker onvoldoende is gebleken van aan de
zijde van eiser aanwezige belangen bij een andersluidend oordeel ten materiele
in specifiek deze zaak, die zouden moeten worden afgewogen tegen het beroep op
het gelijkheidsbeginsel; dit ook niet in de vorm van ernstige repercussies die
handhaving van het oordeel waartoe de eerste rechter is gekomen voor eiser zou
meebrengen.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak op basis van
die overwegingen te worden bevestigd en onthoudt de Raad zich van bespreking
van hetgeen van eisers zijde overigens is aangevoerd.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Noot

Nadat de eerste gehuwde ambtenares, die tegen de BOPA-korting op haar
salaris (over 1978) in beroep ging, bij de ambtenarenrechter niet ontvankelijk
was verklaard, heeft zij in Opzij van januari 1980 een oproep gepubliceerd aan
alle ambtenaressen, wier premie AOW/AWW eveneens niet of niet volledig was
afgedragen, om te procederen om hun gelijke loon over 1979 te krijgen. Zeer
vele gehuwde vrouwen in overheidsdiensten hebben dat toen gedaan.

De eerste vrouw werd op 16 april 1981 in het ongelijk gesteld door de
Centrale Raad van Beroep (AB 1981, 408, m.nt. J.E. Dammers), die in strijd met
art. 177 EEG-Verdrag geen prejudiciele vraag voorlegde aan het Hof van
Justitie in Luxemburg. Het ministerie van Binnenlandse Zaken instrueerde
vervolgens de overheidswerkgevers de vrouwen die nog procedeerden, een
standaardbrief te sturen met het advies het beroep in te trekken, aangezien de
Centrale Raad van Beroep het beroep op gelijk loon had verworpen. Vermoedelijk
hebben vrijwel alle vrouwen gevolgt geven aan de missive.

Een kopgroep van negen vrouwen, die inmiddels al ongelijk hadden
gekregen van de ambtenarenrechter in Amsterdam en in beroep waren gegaan bij
de Centrale Raad van Beroep, zette de zaak door. Toen bleek dat met name
Brussel ernstige kritiek had op de schending van het EEG-Verdrag door de
weigering naar Luxemburg te verwijzen, heeft de Centrale Raad van Beroep wel
een prejudiciele beslissing gevraagd en de negen tenslotte op 24 juni 1986
(TAR 1986, 186) in het gelijk gesteld. Maar met ingang van 1985 was de gehuwde
vrouw ook voor de premieheffing bij aanslag verzelfstandigd en de
BOPA-regeling ingetrokken.

De ambtenarenbonden zijn vervolgens proefprocessen begonnen ten einde
alle gekorte vrouwen in (semi-)overheidsdienst, die zich voor 1987 zouden
melden – 7.000 van de in totaal 70.000 deden dat -, alsnog de niet afgedragen
premie te doen uitkeren. In de procedure voor de niet-ambtenaressen is voor de
Hoge Raad gepleit op 21 juni 1991, op 5 maart 1991 voor de Raad van State in
de procedure voor de vrouwen in de rechterlijke macht. De andere ambtenaressen
hebben op 22 mei 1990 een afwijzende beslissing gekregen van de Centrale Raad
van Beroep (RN 1990 nr 117).

Een ambtenares bij de belastingdienst ontdekte in 1988 dat haar in 1980
gestarte procedure nog altijd wachtte op behandeling door de volle kamer van
het ambtenarengerecht in Haarlem. De Centrale Raad van Beroep heeft haar dan
nu, na elf jaar, in het gelijk gesteld.

Deze uitspraak lag voor de hand, aangezien de zaak identiek was aan die
van de negen. Toch rijst er nog een vraag. Liggen er misschien nog meer van
deze zaken vergeten in de kast ter griffie van het ambtenarengerecht of de
Centrale Raad van Beroep?

Hieke Snijders-Borst

Rechters

Mrs Kloos, Van den Brink, Brenninkmeijer.