Instantie: Rechtbank Haarlem, 5 maart 1991

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Vordering ƒ 15.000,= immateriele schadevergoeding wegens fysieke en
psychische schade na verkrachting. Gedaagde was ten tijde van het misdrijf
minderjarig. Uitsluitend in geschil is de hoogte van de vergoeding. De
rechtbank oordeelt de onderbouwingvan de vordering met aangehaalde
rechtspraak en verwijzing naar uitkeringen door het Schadefonds
Geweldmisdrijven onvoldoende. De geringe financiele draagkracht en
jeugdige leeftijd van gedaagde is reden tot matiging. Toewijzing ƒ 7500,=.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure Voor de loop van het geding verwijst de
rechtbank naar de volgende door partijen te vonniswijzing voorgelegde
stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen: – de
dagvaarding d.d. 23 juni 1989 – de conclusie van eis, – de conclusie van
antwoord, – de akte houdende produkties van eiseres, met produkties, – de
conclusie van repliek met bewijsaanbod, – de conclusie van dupliek met
bewijsaanbod,

2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan
wel niet of onvoldoende weersproken staat in dit geding het volgende vast:
a. Eiseres is op 1 november 1988 te Haarlemmermeer door gedaagde, toen 17
jaar oud, aangerand en verkracht door middel van bedreiging met geweld.
b. Gedaagde is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem d.d.
27 februari 1989, welk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, ter zake
van voormelde feiten strafrechtelijk veroordeeld.

3. De vordering 3.1. Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot
betaling aan haar van ƒ 15.000,= te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 1 juni 1989 tot de dag der algehele voldoening alsmede veroordeling
van gedaagde in de kosten van de procedure. 3.2. Aan deze vordering legt
eiseres de volgende feiten en stellingen ten grondslag.

3.2.1. Gedaagde heeft jegens haar onrechtmatig gehandeld op de wijze als
onder 2a vermeld. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen van gedaagde
heeft eiseres ernstige fysieke en psychische schade geleden. Zo heeft zij
haar werkzaamheden als bewaakster geruime tijd niet of niet full-time
kunnen uitvoeren, durfde zij niet meer alleen van en naar huis te fietsen
en kon zij geen avond- en nachtdiensten verrichten. Ook heeft zij geruime
tijd psychische begeleiding nodig gehad teneinde weer normaal aan het
arbeidsproces te kunnen deelnemen. Eiseres ondervindt nog steeds psychisch
leed ten gevolge van hetgeen haar is overkomen, terwijl niet is te
overzien hoe lang dit psychisch leed nog zal voortduren.

3.2.2. Gezien de hoogte van in vergelijkbare zaken in de jurisprudentie
toegekende schadebedragen, het feit dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven
in dergelijke ernstige gevallen (van verkrachting) zonder meer het maximum
van ƒ 10.000,= aan gelaedeerden uitkeert, de omstandigheid dat het
psychisch leed in gevallen als het onderhavige vaak een blijvend karakter
heeft, en het gegeven dat eiseres buiten haar schuld betrokken is geraakt
bij een opzettelijk door gedaagde gepleegd geweldsmisdrijf, wordt de door
eiseres geleden psychische schade gesteld op ƒ 15.000,=

3.3.3. Er is duidelijk aantoonbaar causaal verband tussen de handelingen
van gedaagde en de psychische schade die eiseres heeft gelden en nog
lijdt, zodat gedaagde aansprakelijk is voor de vergoeding van deze schade.

3.3.4. Eiseres heeft gedaagde – rechtstreeks en via zijn raadsman –
verzocht c.q. gesommeerd voormeld bedrag van ƒ 15.000,= te voldoen. Tevens
is gedaagde de wettelijke rente aangezegd tegen 1 juni 1989. Gedaagde
heeft aan deze sommatie niet voldaan.

4. Het verweer 4.1. Gedaagde erkent dat hij jegens eiseres een
onrechtmatige daad heeft gepleegd, zoals omschreven in art. 1407 B.W.
Gedaagde acht evenwel het bedrag van de gevorderde schadevergoeding te
hoog en verzoekt afwijzing van de vordering voor zover deze een bedrag van
ƒ 3.000,= te boven gaat.

4.2. Daartoe heeft gedaagde allereerst aangevoerd dat eiseres niet kan
volstaan met verwijzing naar vergelijkbare jurisprudentie, doch meer
inzicht dient te verschaffen met name over de tijdsduur van de
begeleiding, de tijdsduur van het niet kunnen deelnemen aan het voor haar
gebruikelijke arbeidsproces alsmede de op heden nog bestaande psychische
gevolgen.

4.3. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat zowel art. 1407 lid 2 B.W. als
de ratio van de verplichting tot vergoeding van immateriele schade welke
volgens gedaagde onder meer is de bevrediging van het rechtsgevoel van de
betrokkene doordat van de wederpartij een opoffering wordt gevraagd, ertoe
noopt bij de vaststelling van de hoogte van schadevergoeding rekening te
houden met de omstandigheden aan de zijde van de wederpartij. Deze
omstandigheden zijn de volgende. Gedaagde is een zeer jeugdige dader, die
ten tijde van de daad civiel – en strafrechtelijk minderjarig was. Aan
gedaagde is een, gezien zijn jeugdige leeftijd, tamelijk langdurige
vrijheidsstraf opgelegd. Gedaagde was ten tijde van de daad werkzaam tegen
het minimum jeugdloon en heeft gedurende zijn detentie geen inkomsten
gehad. Gedaagde is na zijn vrijlating nog enige tijd werkloos geweest en
ontvangt inmiddels een inkomen uit arbeid ter hoogte van het voor zijn
leeftijd geldende wettelijk minimumloon. Gedaagde is niet voor verhaal
tegen schade voor feiten als de onderhavige verzekerd en heeft buiten een
bromfiets geen enkel vermogen. Toewijzing van de gevorderde
schadevergoeding zal met zich brengen dat gedaagde de eerstkomende jaren
op het absolute bestaansminimum zal verkeren. Nu er rekening dient te
worden gehouden met de wederzijdse stand en fortuin en het voor personen
in zijn omstandigheden mogelijk is om bij een gemeentelijke kredietbank
een lening te sluiten tot maximaal ƒ 3.000,= dient de schadevergoeding op
dit bedrag te worden gesteld.

5. Beoordeling van het geschil Tussen partijen is uitsluitend in geschil
de hoogte van de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor de door haar
als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde geleden psychische
schade. Hoewel eiseres daarin niet geheel eenduidig is, meent de rechtbank
uit haar stellingen te moeten afleiden dat eiseres daarbij in het
bijzonder het oog heeft op de immateriele schade. Eiseres heeft naar
aanleiding van het onder 4.2. opgenomen verweer van gedaagde haar
stellingen in die zin aangevuld dat zij heeft gesteld geruime tijd
gesprekken met een psychiater te hebben gevoerd en nog steeds niet haar
volledige diensten te kunnen draaien. Gedaagde heeft niet betwist dat
eiseres de psychische schade die zij stelt te hebben ondervonden, ook
daadwerkelijk heeft geleden. Wel heeft hij betwist dat deze schade ex
aequo et bono gesteld zou moeten worden op ƒ 15.000,= c.q. heeft hij
aangevoerd dat de schadevergoeding gematigd zou moeten worden. De door
eiseres ter vergelijking aangehaalde rechtspraak biedt, daargelaten dat
de rechtbank daarin vanwege de beperkte omvang (nog) onvoldoende
aanknopingspunten aanwezig acht voor de vaststelling van de hoogte van het
toe te kennen schadevergoeding in gevallen als het onderhavige, ook op
zichzelf onvoldoende steun voor toekenning van een schadevergoeding ter
hoogte van ƒ 15.000,= .

Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar de
uitkeringen die het Schadefonds Geweldsmisdrijven in dergelijke gevallen
zou uitkeren. In aanmerking nemende enerzijds dat door gedaagdes handelen
de lichamelijke en geestelijke integriteit van eiseres ernstig is
aangetast en eiseres daarvan nog steeds de psychische gevolgen ondervindt
en wellicht blijvend zal ondervinden en anderzijds de jeugdige leeftijd
van gedaagde, zijn onbetwist geringe financiele draagkracht en het feit
dat zijn aansprakelijkheid niet door verzekering is gedekt, stelt de
rechtbank de schadevergoeding ex aequo et bono vast op ƒ 7.500,=.

6. Slotsom en kosten 6.1. De vordering is tot een bedrag van ƒ 7.500,=
toewijsbaar. Gedaagde wordt als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde
partij veroordeeld in de proceskosten.

7. Beslissing De rechtbank 7.1. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk
bewijs van kwijting aan eiseres te betalen de somma van ƒ 7.500,=,
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 1989 tot
aan de dag der algehele voldoening.

7.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

7.3. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten tot aan de uitspraak van dit
vonnis aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 401,20 aan verschotten en ƒ
1040,= aan salaris van de procureur een en ander op de voet van art. 57b
Rv. te voldoen aan de griffier van deze rechtbank. 7.4. Wijst af het meer
of anders gevorderde.

Rechters

mr. Kok

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 februari 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Fysiotherapeute in een ziekenhuis komt niet in aanmerking voor
urenuitbreiding. Reden hiervoor is het feit dat zij in een zeer vroeg stadium
-informeel- kenbaar heeft gemaakt ontslag te zullen nemen wanneer zwangerschap
en bevalling goed verlopen. Dit zou betekenen dat zij slechts korte tijd
werkzaam kan zijn in haar nieuwe taken. Beslissing gehandhaafd, ook na
intrekking van voornemen ontslag te nemen door verzoekster. De Commissie stelt
vast dat verzoeksters zwangerschap (mede) ten grondslag lag aan de beslissing
van wederpartij verzoekster geen urenuitbreiding toe te kennen. Direct
onderscheid. Geen van de wettelijke uitzonderingsmogelijkheden van
toepassing.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 januari 1991 verzocht mevrouw te Enkhuizen (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid met spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of het te Hoorn
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt naar geslacht.

Verzoekster is als ergotherapeute voor 20 uur per week werkzaam bij de
wederpartij. Haar is geen urenuitbreiding per 1 december 1990 toegekend.
Verzoekster is van mening dat haar zwangerschap daarvoor de reden was en dat
de wederpartij derhalve heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 6
februari 1991. Voorafgaand aan de zitting is bij beide partijen nadere
informatie opgevraagd.

2.2. Bij de zitting van 6 februari waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:

– mevrouw

– de heer

van de kant van de wederpartij:

– de heer (hoofd PAAZ)

– mevrouw (hoofd Personeel en Organisatie)

van de kant van de Commissie:

– mevrouw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– de heer mr A.W. Heringa (lid)

– mevrouw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid)

– de heer mr R.A.C.M. Langemeijer (lid)

– mevrouw mr A.C. Possel (lid)

– mevrouw mr G.L.M. Lenssen (plaatsvervangend secretaris).

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De wederpartij is een ziekenhuis. Verzoekster werkt sinds 1 oktober
1986 voor 20 uur per week als -enige- ergotherapeute op de PAAZ-afdeling van
de wederpartij. Deze PAAZ-afdeling is de psychiatrische afdeling van het
algemeen ziekenhuis.

De wederpartij is geruime tijd bezig geweest met de voorbereiding van de
invoering van dagbehandeling van patienten op de afdeling. Invoering van
dagbehandeling is afhankelijk van goedkeuring door de Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur. Invoering van de dagbehandeling brengt meer werk
en ook formatieve ruimte (urenuitbreiding) voor de afdeling met zich mee.

3.2. In de loop van 1990 zijn, voorafgaand aan de ministeriele
goedkeuring, op voorlopige basis plannen gemaakt voor de daadwerkelijke
invoering van de dagbehandeling. In april 1990 werd een voorlopig resultaat
door de dienstleiding gepubliceerd, met daarin de plannen voor de invulling
van het programma van de dagbehandeling en de gevolgen van dat programma voor
de formatie-opvang en werkindeling van de verschillende disciplines op de
afdeling. Na overleg met alle betrokkenen van de afdeling, het
therapeutenteam, is het concept-programma aangepast in een voorstel van de
dienstleiding van 2 juli 1990. In dit voorstel is voorzien in een
urenuitbreiding voor ergotherapie van 20 uren naar 24 uren.

Het therapeutenteam, waaronder verzoekster, is schriftelijk accoord
gegaan met de voorstellen ten aanzien van de werktijden. Op basis hiervan is
een concept-rooster gemaakt dat ingevoerd zou worden na het verkrijgen van de
ministeriele goedkeuring.

3.3. Verzoekster heeft de dienstleiding begin oktober -informeel-
verteld dat zij op dat moment 3 maanden zwanger was en voornemens was om na de
bevalling ontslag te nemen. Zij heeft geen formele stappen tot beeindiging van
het dienstverband gezet. Korte tijd later hebben de medewerkers vernomen dat
de Minister de invoering van de dagbehandeling had goedgekeurd.

Daarop is het voorstel voor urenuitbreiding voor de collega’s van
verzoekster aan de directie voorgelegd.

Aan verzoekster is geen urenuitbreiding toegekend.

Zij heeft hiertegen bij brief van 7 november bij de directie
geprotesteerd. Bij brief van 16 november heeft de wederpartij haar stelling
dat zij geen urenuitbreiding had gekregen vanwege haar zwangerschap bestreden.
Het feit dat verzoekster na de bevalling ontslag wil nemen zou reden zijn voor
de beslissing van de wederpartij. Verzoekster heeft haar mededeling van begin
oktober -dat zij na haar bevalling ontslag zou nemen- ingetrokken. Dit is voor
de wederpartij geen aanleiding geweest haar beslissing ten aanzien van de
urenuitbreiding voor verzoekster te heroverwegen.

Per 1 december 1990 is de wederpartij gestart met de dagbehandeling van
patienten.

Vanaf deze datum draaien de therapeuten de extra toegekende uren en
werken zij samen om de dagbehandeling vorm te geven. Omdat aan verzoekster
geen urenuitbreiding is toegekend, is in dit samenwerkingsverband de
discipline ergotherapie niet vertegenwoordigd.

3.4. Verzoekster is van mening dat zij, op basis van het gevoerde
overleg, per 1 december 1990 urenuitbreiding had moeten krijgen. Volgens
verzoekster heeft de wederpartij haar om reden van haar zwangerschap geen
urenuitbreiding gegeven. Zij acht dit in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. Verder stelt verzoekster dat zij door de beslissing van de
wederpartij ook financieel benadeeld wordt.

Verzoekster is van mening dat zij in ieder geval tot aan haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof invulling had kunnen geven aan de
beschikbare uren ergotherapie. Zij had samen met de andere therapeutische
disciplines vorm kunnen geven aan de dagbehandeling en haar inzichten en
werkwijze te zijner tijd kunnen overdragen aan haar opvolger. Van een
verspilling van inwerktijd doordat tweemaal een ergotherapeut moet worden
ingewerkt is volgens verzoekster geen sprake. Het inwerken neemt volgens haar
slechts een klein deel van de beschikbare vier uren in beslag, mede gezien het
feit dat de medewerkers de patienten reeds kennen omdat zij eerder intern
werden verzorgd.

Verzoekster heeft ter zitting aangegeven ontslag te hebben overwogen
omdat een baan van 20 of 24 uur met de verzorging van het kind en haar studie
moeilijk te combineren lijkt. Verzoekster is echter van mening dat de
wederpartij hiermee bij het toedelen van de uren geen rekening had mogen
houden. Zij had immers formeel geen ontslag ingediend, terwijl zij haar eerder
gedane informele mededeling had ingetrokken. Zij wijst er op dat het risico
dat medewerkers weggaan altijd bestaat.

3.5. De wederpartij is van mening niet te hebben gehandeld in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

Niet de zwangerschap van verzoekster, maar haar voornemen op korte
termijn ontslag te nemen is reden voor het feit dat zij geen urenuitbreiding
heeft gekregen. Wanneer verzoekster niet had aangekondigd ontslag te zullen
nemen dan zouden de uren ergotherapie aan haar zijn toegekend. Uitgangspunt
was immers om de extra beschikbare uren zoveel mogelijk toe te kennen aan de
reeds in dienst zijnde medewerkers.

De wederpartij acht het echter zinloos een medewerker te belasten met
nieuwe taken wanneer het duidelijk is dat deze, om welke reden dan ook, nog
maar korte tijd in dienst zal zijn. Ter ondersteuning van deze laatste
stelling voert de wederpartij het volgende aan.

– Het opzetten van de dagbehandeling brengt met zich mee dat nieuwe
taken ontstaan die inhoudelijk afwijken van de reeds bestaande taken. Dat bete
kent dat in de beginfase van de vier beschikbare uren ergotherapie er een moet
worden bestempeld als inwerktijd. Wanneer nu een ergotherapeut moet worden
ingewerkt en over enkele maanden weer een andere neemt dit voor de wederpartij
teveel tijd en ruimte in beslag.

– Elke medewerker geeft een individuele invulling aan zijn
werkzaamheden. Verzoekster nu de uren ergotherapie laten invullen brengt een
bepaalde wijze van werken met zich mee. Haar opvolger zal ook weer op eigen
wijze invulling geven aan de taken. Voor collega’s en patienten betekent dit
dat zij opnieuw een relatie moeten opbouwen met de ergotherapeut.

– Voor de patienten betekent dit tevens dat de continuiteit in hun
behandeling wordt verstoord.

Dat de uren ergotherapie op dit moment niet worden ingevuld vindt de
wederpartij vervelend. Zij zou patienten liever een totaalpakket aanbieden.
Zij acht op dit moment de nadelen van een tijdelijke invulling door
verzoekster echter bezwaarlijker dan de voordelen.

3.6. De zekerheid dat verzoekster ontslag zal nemen zegt de wederpartij
te ontlenen aan verzoeksters uitlatingen. De wederpartij is zich ervan bewust
dat verzoekster formeel geen stappen heeft gezet tot beeindiging van het
dienstverband. De informele mededeling terzake is ingetrokken. Verzoekster zou
echter ook nu nog aan collega’s vertellen dat zij voornemens is na haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof ontslag te nemen. Volgens de wederpartij
kunnen financiele motieven ten grondslag liggen aan het feit dat verzoekster
haar mededeling over haar ontslag heeft ingetrokken.

De wederpartij heeft een vacature opengesteld voor de functie van
ergotherapeut voor de duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof van
verzoekster.

Mocht verzoekster na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof terugkeren
dan zal zij alsnog in aanmerking komen voor de urenuitbreiding.

Desgevraagd stelde de wederpartij ter zitting dat een zwangerschap een
goede uitvoering van de werkzaamheden niet hoeft te belemmeren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster heeft
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling, door haar per 1
december 1990 geen urenuitbreiding toe te kennen.

Artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) verbiedt het maken van
onderscheid tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden en
bij de aanstelling. Onderscheid op grond van zwangerschap is, zo bepaalt het
vijfde lid van dit artikel, een vorm van direct onderscheid. De wet biedt geen
ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid, anders dan op grond van
artikel 1637ij lid 2, 3 en 4 BW.

4.2. Kort samengevat houden de stellingen van partijen het volgende in.

De wederpartij heeft aangevoerd dat verzoeksters voornemen om op korte
termijn ontslag te nemen aanleiding was voor haar beslissing ten aanzien van
de urenuitbreiding. Daarmee heeft volgens de wederpartij enkel het feit dat en
niet de reden waarom verzoekster ontslag zou nemen ten grondslag gelegen aan
haar beslissing. Verzoekster daarentegen is van mening dat haar zwangerschap
reden is geweest haar geen urenuitbreiding toe te kennen.

4.3. De Commissie overweegt als volgt.

Verzoekster heeft reeds in een vroeg stadium haar voornemen kenbaar
gemaakt om na een goed verlopen bevalling haar functie te beeindigen. De
Commissie constateert dat er een verband bestaat tussen het vroege tijdstip
van deze mededeling en de daaraan ten grondslag liggende reden, verzoeksters
zwangerschap. Het is immers gebruikelijk dat een medewerkster haar werkgever
reeds in een vroeg stadium op de hoogte stelt van haar zwangerschap en dat -de
wijze van- voortzetting van het dienstverband wordt besproken. De zwangere
medewerkster verkeert daarmee in een andere positie dan bijvoorbeeld de
medewerker die een bedrijf verlaat in verband met het accepteren van een baan
elders, en dit voornemen pas kenbaar maakt ten tijde van de formele
opzegging.

De wederpartij heeft aan de -informele- mededeling van verzoekster met
betrekking tot haar voorgenomen ontslag de conclusie verbonden dat haar geen
uren- uitbreiding kon worden toegekend.

De Commissie is, tijdens het schriftelijk onderzoek en ook ter zitting,
gebleken met welk een grote stelligheid deze beslissing is genomen en later
gehandhaafd.

Het feit dat verzoekster tot op dit moment geen enkele formele stap tot
beeindiging van haar dienstverband heeft genomen en haar mededeling terzake
heeft ingetrokken heeft de wederpartij immers niet doen besluiten haar
beslissing te heroverwegen.

Ter zitting is komen vast te staan dat het netto rendement van de
beschikbare vier uren ergotherapie 75% zou zijn.

Daarnaast is komen vast te staan dat de discipline ergotherapie op dit
moment niet is vertegenwoordigd in het dagbehandelingsprogramma, dat de
wederpartij dit ook betreurt en dat de aanwezige ergotherapeute, te weten
verzoekster, de beschikbare uren graag zou invullen.

De wederpartij heeft haar beslissing ten aanzien van verzoekster
gemotiveerd met een beroep op het feit dat het zinloos is verzoekster in te
werken terwijl vaststaat, althans voor de wederpartij, dat zij slechts korte
tijd werkzaam zal zijn. Met het inwerken van verzoekster zou, naar het oordeel
van de wederpartij, aldus te veel geld en tijd gemoeid zijn.

Dit feitelijk verweer van de wederpartij heeft de Commissie niet kunnen
overtuigen. Voor zover het door de wederpartij gestelde risico van
rendementsverlies haar beslissing zou kunnen dragen, quod non, geldt dat
risico ook ten aanzien van andere werknemers van de wederpartij. Immers ook
zij kunnen na een korte periode van inwerken om hen moverende redenen
besluiten bij de wederpartij hun ontslag in te dienen. In het algemeen zal een
dergelijk voornemen tot ontslag de wederpartij slechts twee maanden te voren
bekend gemaakt worden. De enige reden derhalve, dat het risico van
rendementsverlies met betrekking tot verzoekster aannemelijk geacht wordt is
gelegen in haar zwangerschap, een omstandigheid die naar haar aard meebrengt
dat een mogelijke beeindiging van het dienstverband reeds in een zeer vroeg
stadium bekend gemaakt wordt.

De wederpartij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een andere reden dan
het feit dat verzoeksters mededelingen verband hielden met haar zwangerschap
aanleiding waren voor het gewraakte besluit. Daarmee staat vast dat
verzoeksters zwangerschap (mede) ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing
van de wederpartij haar geen urenuitbreiding toe te kennen.

De Commissie is niet gebleken, en zulks is ook niet aangevoerd door de
wederpartij, dat een van de wettelijke uitzonderingsmogelijkheden van
toepassing zou zijn.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te Hoorn door geen
urenuitbreiding toe te kennen aan mevrouw te Enkhuizen, jegens haar
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 1637ij lid 1
Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, voorzitter en mr G.L.M. Lenssen, plaatsvervangendsecretaris

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 22 februari 1991

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Biologische vader wenst kind te erkennen dat inmiddels door de huidige
partner van de moeder is erkend. Nietigheid erkenning door andere man? .

De vrouw heeft ongeveer anderhalf jaar lang een relatie gehad met een
man. Uit deze relatie is in 1983 een kind geboren. De moeder verbleef tijdens
en na de geboorte in een tehuis voor ongehuwde moeders. De biologische vader
heeft de relatie met de moeder verbroken. Tussen vader en kind zou het contact
wel zijn gecontinueerd, de omvang daarvan is onduidelijk. In 1988 start de
vader een omgangsprocedure, die aan onderstaande procedure vooraf ging. De
kinderrechter verklaarde op 11 mei 1988 de man ontvankelijk in zijn verzoek
tot omgang ‘op grond van het enkele feit dat verzoeker de biologische vader
van het kind is’. Deze beschikking is door het hof bevestigd. Op dat moment
was deze grond immers de heersende leer van de Hoge Raad (NJ 1986, 3; zie ook
RVR 1992, nr. 34). De feitelijke toekenning van de omgang besloeg twee uur per
week onder begeleiding van een gezinsvoogd.

Vervolgens wil de man het kind erkennen. De moeder heeft haar
toestemming voor erkenning geweigerd, mede omdat zij tijdens haar zwangerschap
door de man is geslagen en geschopt. De man verzoekt de ambtenaar van de
burgerlijke stand een akte van erkenning op te maken en start na weigering
daarvan een gerechtelijke procedure.

Drie maanden daarna wordt het kind met toestemming van de moeder erkend
door een andere man, van wie zij inmiddels een tweede kind heeft. De vader
vult daarop zijn verzoekschrift aan met de eis dat deze akte van erkenning zal
worden doorgehaald. De rechtbank wijst het verzoek van de man af en het hof
verklaart de man niet ontvankelijk. Daarop gaat hij in cassatie.

Volledige tekst

(…)

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(…)

De rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 1989 het verzoek in
beide onderdelen afgewezen op grond van de overweging – samengevat weergegeven
– dat het kind reeds op rechtsgeldige wijze door een andere man was erkend,
dat dit meebrengt dat het kind niet meer vatbaar is voor erkenning door de
vader en dat hierin geen schending van het door de vader aan art. 8 lid 1 EVRM
te ontlenen recht op erkenning van het kind is gelegen. Daarbij is de
rechtbank ervan uitgegaan dat tussen vader en kind ‘family life/vie familiale’
in de zin van art. 8 EVRM bestaat op grond van het enkele feit dat de vader
het kind heeft verwekt.

Bij zijn in cassatie bestreden beschikking heeft het hof, anders dan de
rechtbank ervan uitgaande dat het enkele feit van het biologische vaderschap
niet toereikend is voor het aannemen van ‘family life/vie familiale’ in
voormelde zin, geoordeeld dat de aard en de omvang van de contacten die de
vader met het kind heeft gehad, een te summier karakter hadden om de tussen
vader en kind bestaande betrekking als ‘family life/vie familiale’ aan te
merken. Op grond van dit oordeel heeft het hof de beschikking van de rechtbank
vernietigd en de vader in zijn verzoek niet ontvankelijk verklaard.

3.2 Onderdeel 4 van het middel keert zich tegen het vorenomschreven
uitgangspunt van het hof, echter tevergeefs. Bij de beschikking van 10
november 1989, NJ 1990, 628, heeft de Hoge Raad, naar aanleiding van recente
rechtspraak van het EHRM terugkomende op zijn voordien gevolgde leer volgens
welke tussen de biologische vader en zijn kind steeds – en derhalve door de
enkele geboorte – een als ‘family life/vie familiale’ aan te merken betrekking
staat, geoordeeld dat voor het aanvaarden van zulk een betrekking meer dan het
enkele biologisch vaderschap is vereist. Weliswaar betrof dit oordeel een
verzoek van de biologische vader tot het treffen van een omgangsregeling met
zijn kind, maar er bestaat – anders dan het onderdeel bepleit – geen grond om
met betrekking tot een verzoek als het onderhavige anders te oordelen, gezien
de ingrijpende consequenties die erkenning van een natuurlijk kind door zijn
verwekker meebrengt voor de tussen hen bestaande betrekking.

3.3 Onderdeel 1 verwijt het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in
hoger beroep te zijn getreden door, ofschoon in de feitelijke instanties noch
de moeder, noch de ambtenaar van de burgerlijke stand of de vertegenwoordiger
van het openbaar ministerie het bestaan tussen vader en kind van een als
‘family life/vie familiale’ aan te merken betrekking had betwist, in afwijking
van hetgeen de rechtbank had aangenomen ambtshalve te oordelen dat aan de
vereisten voor het aanvaarden van zodanige betrekking te dezen niet is
voldaan.

Dit onderdeel wordt eveneens vruchteloos voorgesteld, aangezien ook in
hoger beroep de rechter er zich ten aanzien van een verzoek als het
onderhavige zelfstandig rekenschap van heeft te geven of aan de voor
toewijzing daarvan geldende vereisten is voldaan.

3.4 Onderdeel 3 komt met een motiveringsklacht op tegen ’s hofs oordeel
volgens hetwelk onvoldoende is komen vast te staan dat de tussen vader en kind
bestaande betrekking van dien aard is dat zij kan worden aangemerkt als
‘family life/vie familiale’ in de zin van art. 8 EVRM, aangezien – aldus het
hof – de aard en de omvang van de contacten die de vader met het kind heeft
gehad, hiervoor een te summier karakter hebben.

De klacht treft doel, aangezien het hof aldus niet een toereikend
inzicht biedt in de gedachtengang die het tot zijn bestreden oordeel heeft
geleid, in aanmerking genomen dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de
aard van de relatie tussen de vader en de moeder, waaruit het kind is geboren,
en dat – gezien het door het hof onder 2 van zijn beschikking overwogene – de
aard en de omvang van de contacten tussen de vader en het kind ten processe
niet zijn komen vast te staan.

3.5 De bestreden beschikking kan dus niet in stand blijven. Na
verwijzing dient alsnog te worden beslist of de tussen vader en kind bestaande
betrekking van dien aard is dat gesproken kan worden van ‘family life/vie
familiale’ in de zin van art. 8 EVRM , zulks nadat partijen in de gelegenheid
zullen zijn gesteld hun stellingen dienaangaande desgewenst aan te vullen in
het licht van de hiervoor onder 3.2 beschreven wijziging in de jurisprudentie
van de Hoge Raad.

In verband met dit laatste behoeft onderdeel 2 van het middel geen
behandeling.

3.6 Voor het geval de rechter na verwijzing tot de slotsom komt dat
tussen vader en kind ‘family life/vie familiale’ in vorenbedoelde zin bestaat,
is het volgende van belang.

Indien de moeder van een natuurlijk kind weigert toe te stemmen in
erkenning van dat kind door de biologische vader ervan die tot het kind in een
als ‘family life/vie familiale’ aan te merken relatie staat, biedt het
bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM de mogelijkheid die toestemming te vervangen
door een rechterlijke uitspraak, waarbij – gelijk de vader te dezen verzoekt –
de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt gelast de door de vader verlangde
erkenningsakte op te maken, echter uitsluitend wanneer de weigering van de
moeder om in erkenning toe te stemmen slechts kan worden opgevat als misbruik
van haar bevoegdheid daartoe. In een geval als het onderhavige, waarin moeder
en kind in gezinsverband samenleven, is van zodanig misbruik slechts sprake
indien de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering
heeft (HR 18 mei 1990, onder 3.6, RVR 1992, nr. 6).

Indien de moeder door te weigeren in erkenning door de vader toe te
stemmen haar bevoegdheid in voege als voormeld misbruikt, en daarenboven
toestemming verleent tot erkenning van het kind door een andere man, met geen
ander doel dan om aan de vader verwezenlijking van diens uit art. 8 lid 1 EVRM
voortvloeiende aanspraak op erkenning te onthouden, staat deze bepaling eraan
in de weg die toestemming als een rechtsgeldige aan te merken hetgeen
meebrengt dat de met zodanige toestemming gedane erkenning ingevolge het
bepaalde in art. 1:224 lid 1 aanhef en onder d BW nietig is.

Hieruit volgt dat niet reeds bij voorbaat kan worden uitgesloten dat
hetgeen de vader bij zijn appelrekest ten grondslag heeft gelegd aan zijn
verzoek doorhaling te gelasten van de akte van erkenning door de andere man,
te weten dat die erkenning ‘uitsluitend en alleen is tot standgekomen om de
biologische vader te dwarsbomen in zijn pogingen tot erkenning te komen’,
toewijzing van dat verzoek kan dragen.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof van 9
april 1990; verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het
Hof ‘s-Gravenhage.

Nora Holtrust/Ineke de Hondt

1. Volgens het stelsel van de wet (art. 1:225 BW) kan een man die een
kind heeft erkend, de erkenning vernietigen wanneer er sprake is van dwaling,
bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden, ook wanneer hij de
biologische vader is.

Stel dat de verwekker ‘gedwaald heeft’ toen hij het kind erkende (hij
ø

ht bijvoorbeeld dat de erkenning pas rechtskracht zou hebben wanneer hij
met de moeder trouwde maar de moeder zag van het huwelijk af; zie: NJ 1971,
418 en NJ 1972, 455) dan kan hij via een gerechtelijke procedure de erkenning
laten vernietigen. De huidige wet geeft de moeder een dergelijke
vernietigingsmogelijkheid niet. Ook het Wetsvoorstel herziening
afstammingsrecht (TK 20 626) dat volgens de Memorie van Toelichting de
gelijkheid van man en vrouw nastreeft, voorziet niet in een dergelijke
mogelijkheid (zie hierover uitgebreider Nemesis 1988, 6, p. 227-228).

De erkenner kan dus wel van het vaderschap afkomen, de moeder niet. Met
andere woorden de wetgever heeft wel oog voor de eventuele kwade trouw aan de
kant van de moeder maar niet aan de kant van de vader. Overigens wezen wij
reeds in 1982 (FJR nr. 8, p. 221) in dit verband op het belang van een
schakelbepaling in het (N)BW. Titel 2 boek 3 (N)BW handelt over
rechtshandelingen en geeft ondermeer bepalingen inzake de wilsgebreken
bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden. Art. 3:59 (N)BW bepaalt:
‘buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstig
toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet’. Blijkens de toelichting (MvT
Boek 3 NBW, pag. 305) is hier uitdrukkelijk aan het personen- en familierecht
gedacht. Via de omweg van de schakelbepaling heeft de moeder dus toch (bijna)
dezelfde mogelijkheid als de erkenner. Bijna, want zij heeft wel dezelfde
mogelijkheden ten aanzien van bedreiging, bedrog of misbruik van
omstandigheden, maar niet ten aanzien van dwaling. Dwaling geregeld in Boek 6
(N)BW bij het verbintenissenrecht, kent slechts een beperkte schakelbepaling
en familierechtelijke rechtshandelingen worden daarvan uitgesloten (zie art.
6:216 (N)BW).

2. Desalniettemin is het in 1977 ooit eens een moeder gelukt om van de
erkenning af te komen. Niet door middel van de vernietigbaarheid op grond van
de wilsgebreken maar door het met succes inroepen van de nietigheid van de
erkenning wegens het ontbreken van haar toestemming. Die toestemming had zij
weliswaar schriftelijk gegeven maar kennelijk niet in vrijheid en was derhalve
non-existent (zie RVR 1992, nr. 7)

Het is niet bepaald denkbeeldig dat het vaker voorkomt dat moeders de
erkenning willen terugdraaien, wanneer zij daarvan de consequenties
ondervinden die zij niet hebben geweten. De erkenning kan immers bijna
geruisloos plaatsvinden wanneer de erkenner met de schriftelijke toestemming
van de moeder naar het stadhuis gaat en een erkenningsakte op laat maken. Hoe
kan zij immers weten welke verstrekkende gevolgen deze simpele toestemming
inmiddels heeft tot aan voogdijwijziging toe.

3. In 1988 is het leerstuk misbruik van bevoegdheid uit het
vermogensrecht (N)BW, art. 3:13, van stal gehaald om het toestemmingsvereiste
van de moeder te doorbreken, waarna in 1990 het begrip misbruik van
bevoegdheid nader is genuanceerd. In RVR 1992, nr. 8 speelt een andere
kwestie. De moeder heeft nu juist wel toestemming gegeven voor de erkenning,
weliswaar niet aan de biologische vader maar aan haar vriend, van wie zij ook
een tweede kind heeft. De nietigheid van deze erkenning wordt ingeroepen door
de biologische vader en hij verzoekt om vervangende toestemming om het kind
zelf te kunnen erkennen. Nadat het verzoek van de man door de rechtbank is
afgewezen op grond van het feit dat het kind reeds is erkend door een andere
man en het hof de man niet ontvankelijk heeft verklaard omdat hij geen family
life heeft met het kind, gaat de man in cassatie. De Hoge Raad onderscheidt in
deze rechtsvraag drie niveaus. Het Hof ‘s-Gravenhage, waar de zaak ter
afhandeling naar wordt verwezen:

A. dient te onderzoeken of er al dan niet sprake is van family life
tussen de biologische vader en het kind;

B. wanneer dit oordeel positief voor de man zou uitvallen, dan kan er
sprake zijn van misbruik van bevoegdheid aan de kant van de moeder wanneer zij
geen enkel te respecteren belang had om toestemming te weigeren;

C. gesteld dat de moeder geen enkel te respecteren belang had, dan kan
de toestemming gegeven aan de andere man nietig zijn, wanneer die met geen
ander doel is gegeven dan om de biologische vader te dwarsbomen.

Hoe het Hof ‘s-Gravenhage hierover heeft geoordeeld, is op het moment
dat wij dit schrijven nog niet bekend.

4. Wat wel duidelijk is, is dat de Hoge Raad hier geconfronteerd wordt
met een probleem dat hij zelf heeft gecreeerd. Het doorbreken van de
toestemming van de moeder in 1988, zeker in combinatie met een aantal jaren
waarin louter en alleen de ‘bloedband’ al family life betekende, leverde
onverkwikkelijke procedures op. De wetgever nam 150 jaar geleden de
toestemming van de moeder voor de erkenning in de wet op om haar te
beschermen. De doorbreking van deze toestemming door de Hoge Raad in april
1988, nam deze bescherming weg. In het verleden was er dan misschien sprake
van een juridische machtspositie van de moeder; in de feitelijke
machtsverhoudingen tussen man en vrouw slaat de weegschaal maar al te vaak
door naar de kant van de man. De feitelijke machtspositie van de man wordt
door de Hoge Raad nu – en vermoedelijk over enige tijd ook door de wetgever –
ondersteund met juridische middelen.

In de hier bovenstaande procedure ging het om een man en een vrouw die
korte tijd een relatie hadden. In 1983, toen de zoon werd geboren, was de
relatie al verbroken. De vrouw, die tijdens de zwangerschap door de man werd
geschopt en geslagen, verbleef in een tehuis voor ongehuwde moeders. Het kind
werd onder toezicht gesteld maar de moeder heeft inmiddels wel samen met het
kind zelfstandige woonruimte.

Vijf jaar later, in 1988, diende de man een verzoek in tot een
omgangsregeling. Op basis van de toen geldende jurisprudentie van de Hoge
Raad, werd de man op grond van zijn verwekkerschap ontvankelijk verklaard. De
man krijgt een omgangsregeling van twee uur! per maand, in aanwezigheid van de
gezinsvoogd.

Een paar maanden later begint de man opnieuw een procedure, nu om het
kind te erkennen. De moeder die inmiddels een tweede kind heeft, laat haar
eerste kind door haar nieuwe vriend erkennen. Misbruik van bevoegdheid? Zou de
moeder het kind ook door een andere man hebben laten erkennen, wanneer de Hoge
Raad de toestemming van de moeder niet had doorbroken? Waarschijnlijk niet,
want het tweede kind is niet erkend. Is het in het belang van een kind dat het
wordt erkend door een man die tijdens de zwangerschap de moeder heeft
mishandeld; of althans door een man met wie de moeder niets te maken wil
hebben of is erkenning vooral in het belang van de man, zodat hij een sterkere
juridische positie ten opzichte van het kind – en dus ten opzichte van de
moeder – heeft?

Rechters

Mrs. Royer, Bloembergen, Roelvink, Davids, Heemskerk; A-G Moltmaker

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 22 februari 1991

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De taken en bevoegdheden van de toeziend voogd zijn niet beperkt tot de
situatie dat een minderjarige over vermogen beschikt en kunnen rechtstreeks
contact met de minderjarigen noodzakelijk of wenselijk maken. De beslissing
van het hof om de vader tot toeziend voogd te benoemen, omdat in het algemeen
de niet met de voogdij belaste ouder met de toeziende voogdij wordt belast,
kan daarom niet in stand blijven.

In 1987 heeft de moeder de echtelijke woning verlaten en haar intrek
genomen in een opvanghuis voor vrouwen. In 1988 is de echtscheiding
uitgesproken. De definitieve beslissing over het gezag van de kinderen werd
pas op 5 juni 1989 door de rechtbank ‘s-Gravenhage genomen. De moeder is tot
voogdes en haar nieuwe echtgenoot tot toeziend voogd benoemd. Uit een
onderzoek van de raad voor de kinderbescherming is naar voren gekomen dat de
kinderen erg angstig voor de vader zijn. Het verzoek van de vader om een
omgangsregeling te treffen is dan ook afgewezen. Tegen deze beschikking heeft
de vader hoger beroep ingesteld bij het Hof ‘s-Gravenhage. Het hof heeft de
beschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd. Het hof is van oordeel
dat de gebleken angst van de kinderen voor de vader aan het treffen van een
omgangsregeling in de weg staat maar benoemt de vader wel tot toeziend voogd.
Van deze beschikking gaat de moeder in cassatie.

Volledige tekst

Hoge Raad

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het hof heeft zijn beslissing om de vader met de toeziende voogdij
te belasten gemotiveerd met de overweging dat er geen goede reden is om aan
het verzoek van de vader voorbij te gaan, ‘nu in het algemeen de niet met de
voogdij belaste ouder met de toeziende voogdij wordt belast en, in aanmerking
genomen dat de kinderen geen vermogen hebben, de taak van de vader in zijn
voormelde hoedanigheid geen overleg met de moeder of rechtstreeks contact met
de kinderen vereist.’

3.2 Het middel betoogt in de onderdelen 2 en 3 – het eerste onderdeel
bevat slechts een inleiding – dat het hof, overwegende als hiervoor
weergegeven, heeft miskend dat de toeziende voogd niet alleen functioneert als
toezichthouder op het financiele beheer van de voogd en dat de taken van de
toeziende voogd in sommige omstandigheden wel contact met de minderjarige
vereisen.

Het middel treft doel. Onder meer de artt. 1:313, 314 en 315 BW
omschrijven de taken en bevoegdheden van de toeziende voogd. Uit die
bepalingen blijkt dat die taken en bevoegdheden niet beperkt zijn tot het
geval dat de minderjarige over een vermogen beschikt doch dat deze mede
strekken tot het waarnemen van alle belangen van de minderjarige, wanneer deze
met die van de voogd in strijd zijn (art. 1:313) en tot het verrichten van
alle daden van voogdij die geen uitstel kunnen lijden, zolang bij blijvende of
tijdelijke ontstentenis van de voogd niet in de voogdij is voorzien (art.
1:315). Het verrichten van die taken en het uitoefenen van die bevoegdheden
kunnen zeer wel rechtstreeks contact met de minderjarigen noodzakelijk of
wenselijk maken.

’s Hofs overweging, als hiervoor weergegeven, geeft derhalve blijk van
een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toeziende voogdij. Op grond van het
vorenstaande kan de beschikking van het hof niet in stand blijven voor zover
betreft de benoeming van de vader tot toeziende voogd.

3.3 De Hoge Raad zal zelf als volgt recht doen. In appel heeft de vader
wat betreft de persoon van de heer V., de huidige echtgenoot van de moeder,
geen bezwaren gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat diens benoeming
tot toeziende voogd in het belang van de minderjarigen is. De beschikking van
de rechtbank kan derhalve voor zover die benoeming betreft worden
bekrachtigd.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof ‘s
Gravenhage van 5 januari 1990, voorzover daarbij de beschikking van de
Rechtbank ‘s-Gravenhage van 5 juni 1989 is vernietigd en de vader is benoemd
tot toeziend voogd;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover daarbij de heer
H.A. V (echtgenoot van de moeder, red.) is benoemd tot toeziend voogd over de
minderjarigen.

Nora Holtrust/Ineke de Hondt

Over het algemeen wordt de toeziende voogdij in de literatuur beschreven
als een soort wassen neus, een fooi voor de ouder die na de echtscheiding geen
voogd over zijn kind is geworden. In een voorlichtingsbrochure van het
ministerie van justitie staat het als volgt: ‘Wat houdt de plicht van een
toeziend voogd in? Kort gezegd: erop toezien dat de voogdij zijn taak goed
vervult, speciaal wanneer het kind (enig) vermogen heeft. De taak van de
toeziende voogdij is hoofdzakelijk toezicht op het beheer van het vermogen van
het kind’. Tot voor kort werd dan ook min of meer automatisch de ouder die na
echtscheiding de voogdij niet kreeg belast met de toeziende voogdij.

In de eerste plaats houdt de toeziende voogdij natuurlijk toch wel iets
meer in dan alleen het toezicht op het beheer van het vermogen door de voogd.
In de tweede plaats heeft in de beleving van zowel de voogd als de toeziend
voogd zelf, de toeziende voogdij ook een meer emotionele lading. Dankzij
feministische advocaten heeft de rechtspraak dit inmiddels ook onderkend. Daar
waar de verhouding tussen ouders dermate gespannen is, waar overleg over de
kinderen tot een absolute onmogelijkheid behoort, en een vader zich
bijvoorbeeld agressief en polariserend opstelt (zie Hof Amsterdam 23 juli
1990, RN 1990, 128 en RVR 1992, nr. 31), bestaat de mogelijkheid om het
automatisme van de andere ouder als toeziend voogd te benoemen, te
doorbreken.

Rechters

Mrs. Snijders, Bloembergen, Roelvink, Davids, Heemskerk; A-G Moltmaker

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 20 februari 1991

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Dat de vrijwillig voor de Ziektewet verzekerde vrouw geen recht heeft op
zwangerschaps- en bevallingsuitkering – omdat de fictie dat zwangerschap en
bevalling op een lijn worden gesteld met ziekte niet geldt voor de vrijwillig
verzekerde – levert directe discriminatie op. Beroep tegen de weigering van de
uitkering door de bedrijfsvereniging door de Raad van Beroep gegrond
verklaard.

Volledige tekst

Motivering

-Vaststelling van de feiten

Klaagster is van 1 april 1984 tot 1 juli 1986 als advocaat in loondienst
werkzaam geweest en zij was gedurende voormelde periode verplicht verzekerd op
grond van de Ziektewet (ZW).

Sedert 1 juli 1986 is klaagster als zelfstandig advocaat werkzaam. Met
ingang van laatstgenoemde datum is zij vrijwillig verzekerd voor de ZW als
bedoeld in art. 64 lid 1 van de ZW.

Bij brief van 12 juli 1988 heeft klaagster verzocht om in aanmerking te
worden gebracht voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering.

Dit verzoek heeft verweerder bij de bestreden beslissing geweigerd op
grond van de volgende overweging:

“In art. 69 lid 1 en 2 iuncto art. 19 lid 2 sub a van de ziektewet is
bepaald dat de vrijwillig verzekerde (vrouw) geen recht heeft op
zwangerschaps- en bevallingsuitkering, tenzij de zwangerschap reeds bestond
bij het einde van de verplichte verzekering.

Uitgaande van de door u opgegeven vermoedelijke bevallingsdatum, 9
september 1988, heeft de aan deze bevalling voorafgaande zwangerschap niet
bestaan op 1 juli 1986. Gelet op het vorenstaande kunt u aan de ziektewet geen
recht op zwangerschaps- en bevallingsuitkering ontlenen.”

-Beoordeling van het geschil

Punt van geschil in dit geding is de vraag of verweerder terecht heeft
geweigerd klaagster in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de ZW.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van klaagster de
ZW daartoe geen mogelijkheid biedt. Klaagster beroept zich in het bijzonder op
het discriminatieverbod als bedoeld in art. 26 van hetinternationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 19 december 1966, voor
Nederland goedgekeurd bij de wet van 24 november 1978, Stb. 624, en van kracht
geworden op 11 maart 1979 (hierna: IVBPR) en art. 4, lid 1 van de Richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/7/EEG
(hierna: de derde EEG-richtlijn).

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Art. 69 van de ZW luidde in de voor dit geding van belang zijnde periode
als volgt:

1. De vrijwillig verzekerde heeft recht op uitkering indien hij wegens
ziekte ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid. Behoudens het
bepaalde in het tweede lid, blijft het bepaalde in art. 19, tweede lid, onder
a, buiten toepassing.

2. Een vrouw, die bij het einde van haar verplichte verzekering zwanger
was, heeft terzake van die zwangerschap en de daaruit volgende bevalling
aanspraak op de uitkering voorzien bij art. 29, zevende en achtste lid.

Art. 19 van de ZW luidt als volgt:

1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens
deze wet bepaalde.

2. Voor de toepassing van deze wet worden onder ziekte mede verstaan:

a. zwangerschap en bevalling

b. gebreken.

Het vorenstaande impliceert dat het recht op zwangerschaps- en
bevallingsuitkering voor vrijwillig verzekerde zwangere vrouwen op grond van
art. 69, tweede lid van de ZW, beperkt is tot de vrouw, die bij het einde van
haar verplichte verzekering zwanger was. De vrouw, die eerst na het sluiten
van een vrijwillige verzekering zwanger wordt, heeft mitsdien geen recht op
een dergelijke uitkering. Bedoelde bepalingen impliceren tevens dat vrijwillig
verzekerde zwangere vrouwen slechts in bijzondere omstandigheden, namelijk als
de ongeschiktheid geen directverband houdt met de normale gevolgen van
zwangerschap en bevalling, een uitkeringsrecht aan art. 69, lid 1 van de ZW
kunnen ontlenen. Een en ander is het gevolg van de omstandigheden dat voor de
vrijwillige verzekering niet de fictie geldt dat zwangerschap en bevalling
gelijk zijn aan ziekte (art. 69 lid 1, tweede volzin).

De partijen verdeeld houdende vraag is nu of art. 69 van de ZW in strijd
is met art. 26 van het IVBPR en/of de derde EEG- richtlijn.

Deze – als rechtstreeks werkende te beschouwen – bepalingen verbieden
(onder meer) ongelijke behandeling naar geslacht ten aanzien van de hier aan
de orde zijnde wetgeving.

Wil er sprake zijn van discriminatie in dit verband dan zal duidelijk
moeten zijn dat ongelijke behandeling plaatsvindt vanmannen en vrouwen.
Daarbij tekent de Raad aan dat ingevolge de uitspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen op 8 november 1990 (zaak C-177/88, Dekker/VJV)
het onderscheid maken op grond van zwanger zijn directe discriminatie kan
opleveren.

Klaagsters aanvraag om uitkering is er in de eerste plaats op gericht om
een zwangerschaps- en bevallingsuitkering te verkrijgen op dezelfde wijze als
verplicht verzekerde vrouwen.

Een dergelijke uitkering is naar ’s Raads oordeel terecht geweigerd. Er
is geen aanknopingspunt om op grond van art. 26 IVBPR en/of de derde
EEG-richtlijn te concluderen tot een rechtens relevant verboden onderscheid.
Het effect van het bepaalde in het tweede lid van art. 69 van de ZW is
slechts, hoe ongewenst dit ook moge zijn, een onderscheid tussen verschillende
groepen verzekerde vrouwen.

Met betrekking tot het buiten toepassing laten in art. 69 lid 1 van de
fictie als bedoeld in art. 19, tweede lid onder a van de ZW overweegt de Raad
het volgende.

Zwangerschap en bevalling vallen in het systeem van de ZW niet onder het
begrip ziekte.

Door art. 19, tweede lid onder a op te nemen heeft de wetgever kennelijk
aangenomen dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen
ongeschiktheid tengevolge van ziekte en ongeschiktheid tengevolge van
zwangerschap/bevalling.

Door meergenoemde fictie buiten toepassing te laten in de vrijwillige
verzekering heeft de wetgever vrouwelijke vrijwillig verzekerden die zwanger
worden en door de normale en directe gevolgen van een zwangerschap ongeschikt
worden, uitgesloten van het recht op uitkering.

Wat er ook zij van de ontstaansgeschiedenis van de wet, de Raad dient de
vraag onder ogen te zien in hoeverre bedoelde wetgeving discriminatoir is.

Dienaangaande wil het de Raad voorkomen dat de lichamelijke gesteldheid
van zwangere vrouwen tot gevolg heeft dat zij althans gedurende een beperkte
periode in een toestand verkeren die veelal zodanig is dat deze op een lijn
dient te wordengesteld met een toestand van ziekte. Niet valt in te zien
waarom de daaruit voortspruitende ongeschiktheid tot werken niet tot het
verzekerde risico zou behoren.

De Raad heeft daarbij in het bijzonder ook het oog op de bevalling en de
periode kort daarna.

Door juist deze vorm van verstoring van het evenwicht in de
gezondheidstoestand niet als ziekte te kwalificeren wordt een verboden
onderscheid naar geslacht gemaakt aangezien deze verstoring per definitie
alleen vrouwen kan betreffen.

Deze vorm van directe discriminatie is naar het oordeel van de Raad in
strijd met art. 26 van het IVBPR, welk artikel luidt als volgt:

“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak
op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige
bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur,
geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.”

Van redelijke en objectieve criteria op grond waarvan een verschil in
behandeling tussen mannen en vrouwen geoorloofd zou zijn, is de Raad niet
gebleken. Voorts is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat, gelet
op de inmiddels gevormde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, om de
rechtstreekse werking van art. 26 IVBPR op een latere datum te doen ingaan dan
23 december 1984. Verweerder zal zich dan ook met inachtneming van
vorengenoemde uitgangspunten op basis van de feitelijke gezondheidstoestand
van klaagster opnieuw dienen te beraden gedurende welke periode klaagster
ongeschikt tot werken is geweest.

Beslissing

De Raad van Beroep te Arnhem,

RECHT DOENDE,

Verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden beslissing;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen met
inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

bepaalt dat verweerder het door klaagster gestorte griffierecht
vergoedt.

Rechters

Mr H.R. Borgerhoff Mulder als voorzitter, mr M.I. van Doorn en H.J.J.Schoutrop als leden.

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 20 februari 1991

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Een zelfstandig werkende advocate is vrijwillig verzekerd voor de
ziektewet. Zij raakt zwanger, maar de Bedrijfsvereniging keert niet uit bij
zwangerschap en bevalling, op grond van het bepaalde in artikel 69 en 19 van
de Ziektewet. De Raad van Beroep acht dit een vorm van directe discriminatie
en derhalve in strijd met art. 26 IVBPR.

Volledige tekst

MOTIVERING

– Vaststelling van de feiten

Klaagster is van 1 april 1984 tot 1 juli 1986 als advocaat in loondienst
werkzaam geweest en zij was gedurende voormelde periode verplicht verzekerd
op grond van de Ziektewet (ZW).
Sedert 1 juli 1986 is klaagster als zelfstandig advocaat werkzaam. Met ingang
van laatstgenoemde datum is zij vrijwillig verzekerd voor de ZW als bedoeld
in artikel 64 lid 1 van de ZW.

Bij brief van 12 juli 1988 heeft klaagster verzocht om in aanmerking te
worden gebracht voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering.

Dit verzoek heeft verweerder bij de bestreden beslissing geweigerd op grond
van de volgende overweging:

“In artikel 69 lid 1 en 2 juncto artikel 19 lid 2 sub a van de ziektewet is
bepaald dat de vrijwillig verzekerde (vrouw) geen recht heeft op
zwangerschaps- en bevallingsuitkering, tenzij de zwangerschap reeds bestond
bij het einde van de verplichte verzekering.

Uitgaande van de door u opgegeven vermoedelijke bevallingsdatum, 9 september
1988, heeft de aan deze bevalling voorafgaande zwangerschap niet bestaan op 1
juli 1986.

Gelet op het vorenstaande kunt u aan de ziektewet geen recht op
zwangerschaps- en bevallingsuitkering ontlenen.”

– Beoordeling van het geschil

Punt van geschil in dit geding is de vraag of verweerder terecht heeft
geweigerd klaagster in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de ZW.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van klaagster de ZW
daartoe geen mogelijkheid biedt.

Klaagster beroept zich in het bijzonder op het discriminatieverbod als
bedoeld in artikel 26 van het internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten, New York, 19 december 1966, voor Nederland goedgekeurd bij
de wet van 24 november 1978, Stb. 624, en van kracht geworden op 11 maart
1979 (hierna: IVBPR) en artikel 4, lid 1 van de Richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/7/EEG (hierna: de derde
EEG-richtlijn).

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 69 van de ZW luidde in de voor dit geding van belang zijnde periode
als volgt:

1. De vrijwillig verzekerde heeft recht op uitkering indien hij wegens ziekte
ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid. Behoudens het
bepaalde in het tweede lid, blijft het bepaalde in artikel 19, tweede lid,
onder a, buiten toepassing.

2. Een vrouw, die bij het einde van haar verplichte verzekering zwanger was,
heeft terzake van die zwangerschap en de daaruit volgende bevalling aanspraak
op de uitkering voorzien bij artikel 29, zevende en achtste lid.

Artiekl 19 van de ZW luidt als volgt.

1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze
wet bepaalde.

2. Voor de toepassing van deze wet worden onder ziekte mede verstaan:

a. zwangerschap en bevalling

b. gebreken.

Het vorenstaande impliceert dat het recht op zwangerschaps – en
bevallingsuitkering voor vrijwillig verzekerde zwangere vrouwen op grond van
artikel 69, tweede lid van de ZW, beperkt is tot de vrouw, die bij het einde
van haar verplichte verzekering zwanger was. De vrouw, die eerst na het
sluiten van een vrijwillige verzekering zwanger wordt, heeft mitsdien geen
recht op een dergelijke uitkering. Bedoelde bepalingen impliceren tevens dat
vrijwillig verzekerde zwangere vrouwen slechts in bijzondere omstandigheden,
namelijk als de ongeschiktheid geen direct verband houdt met de normale
gevolgen van zwangerschappen bevalling, een uitkeringsrecht aan artikel 69,
lid 1 van de ZW kunnen ontlenen. Een en ander is het gevolg van de
omstandigheid dat voor de vrijwillige verzekering niet de fictie geldt dat
zwangerschap en bevalling gelijk zijn aan ziekte (artikel 69 lid 1, tweede
volzin).

De partijen verdeeld houdende vraag is nu of artikel 69 van de ZW in strijd
is met artikel 26 van het IVBPR en/of de derde EEG-richtlijn.

Deze -als rechtstreeks werkend te beschouwen- bepalingen verbieden
(ondermeer) ongelijke behandeling naar geslacht ten aanzien van de hier aan
de orde zijnde wetgeving.

Wil er sprake zijn van discriminatie in dit verband dan zal duidelijk moeten
zijn dat ongelijke behandeling plaats vindt van mannen en vrouwen. Daarbij
tekent de Raad aan dat ingevolge de uitspraak van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen op 8 november 1990 (zaak C-177/88, Dekker/VJV) het
onderscheid maken op grond van zwanger zijn directe discriminatie kan
opleveren.

Klaagsters aanvraag om uitkering is er in de eerste plaats op gericht om een
zwangerschaps- en bevallingsuitkering te verkrijgen op dezelfde wijze als
verplicht verzekerde vrouwen.

Een dergelijke uitkering is naar ’s Raads oordeel terecht geweigerd. Er is
geen aanknopingspunt om op grond van artikel 26 IVBPR en of de derde
EEG-richtlijn te concluderen tot een rechtens relevant verboden onderscheid.
Het effect van het bepaalde in het tweede lid van artikel 69 van de ZW is
slechts, hoe ongewenst dit ook moge zijn, een onderscheid tussen
verschillende groepen verzekerde vrouwen.

Met betrekking tot het buiten toepassing laten in artikel 69 lid 1 van de
fictie als bedoeld in artikel 19, tweede lid onder a van de ZW overweegt de
Raad het volgende.

Zwangerschap en bevalling vallen in het systeem van de ZW niet onder het
begrip ziekte.

Door artikel 19, tweede lid onder a op te nemen heeft de wetgever kennelijk
aangenomen dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen
ongeschiktheid tengevolge van ziekte en ongeschiktheid tengevolge van
zwangerschap/bevalling.

Door meergenoemde fictie buiten toepassing te laten in de vrijwillige
verzekering heeft de wetgever vrouwelijk vrijwillig verzekerden die zwanger
worden en door de normale en direkte gevolgen van een zwangerschap ongeschikt
worden, uitgesloten van recht op uitkering.

Wat er ook zij van de ontstaans geschiedenis van de wet, de Raad dient de
vraag onder ogen te zien in hoeverre bedoelde wetgeving discriminatoir is.

Dienaangaande wil het de Raad voorkomen dat de lichamelijke gesteldheid van
zwangere vrouwen tot gevolg heeft dat zij althans gedurende een beperkte
periode in een toestand verkeren die veelal zodanig is dat deze op een lijn
dient te worden gesteld met een toestand van ziekte. Niet valt in te zien
waarom de daaruit voortspruitende ongeschiktheid tot werken niet tot het
verzekerde risico zou behoren.

De Raad heeft daarbij in het bijzonder ook het oog op de bevalling en de
periode kort daarna.

Door juist deze vorm van verstoring van het evenwicht in de
gezondheidstoestand niet als ziekte te kwalificeren wordt een verboden
onderscheid naar geslacht gemaakt aangezien deze verstoring per definitie
alleen vrouwen kan treffen.

Deze vorm van directe discriminatie is naar het oordeel van de Raad in strijd
met artikel 26 IVBPR, welk artikel luidt als volgt:

“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op
gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie
van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming
tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht,
taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.”

Van redelijke en objectieve criteria op grond waarvan een verschil in
behandeling tussen mannen en vrouwen geoorloofd zou zijn, is de Raad niet
gebleken. voorts is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat, gelet
op de inmiddels gevormde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, om
de rechtstreekse werking van artikel 26 IVBPR op een latere datum te doen
ingaan dan 23 december 1984. Verweerder zal zich dan ook met inachtneming van
vorengenoemde uitgangspunten op basis van de feitelijke gezondheidstoestand
van klaagster opnieuw dienen te beraden gedurende welke periode klaagster
ongeschikt tot werken is geweest.

BESLISSING

De Raad van Beroep te Arnhem,

RECHTDOENDE:

verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden beslissing;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming
van het in deze uitspraak overwogene;

bepaalt dat verweerder het door klaagster gestorte griffierecht vergoedt.

Rechters

mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter; mrs. Van Doorn en Schoutrop,leden

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 20 februari 1991

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Vrouw is van haar 11e tot haar 16e jaar door haar vader seksueel
misbruikt. Ze eist materiele en immateriele schadevergoeding ten bedrage
van ƒ 30.000,–. De onherroepelijke veroordeling van de vader voor het
plegen van ontucht met de dochter is volgens de rechtbank voldoende voor
de vaststelling, dat de vader jegens de dochter onrechtmatig heeft
gehandeld. De rechtbank acht het noodzakelijk voor de vaststelling van
het schadebedrag over de recente inkomensgegevens te beschikken van
vader en dochter, en acht een schikking niet uitgesloten. Bij de daartoe
ingelast comparitie van partijen wordt een schikking overeengekomen van
ƒ 12.500,– te betalen door de vader aan de dochter.

Volledige tekst

Het verdere procesverloop.

In deze zaak is een tussenvonnis gewezen op 3 januari 1990, waarbij de
zaak voor onbepaalde tijd is aangehouden, met bepaling, dat de meest
gerede partij plaatsing van de zaak ter rolle zou verzoeken, zodra de
strafzaak tegen gedaagde onherroepelijk zou zijn geworden.

Eiseres -verder te noemen de dochter- heeft een akte ter rolle genomen,
waarbij zij het arrest van de Hoge Raad van 17 september 1990 in het
geding brengt.

Gedaagde -verder te noemen de vader- heeft een akte genomen.

Partijen hebben de stukken aan de rechtbank overgelegd en gevraagd
vonnis te wijzen.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Verdere omschrijving van het geschil.

1. De rechtbank heeft in genoemd tussenvonnis reeds overwogen, dat
tussen partijen vaststaat, dat de vader de -thans meerderjarige- dochter
in de periode van 1973 tot en met 1977, derhalve van haar elfde tot en
met haar vijftiende jaar, meermalen aan borsten en vagina heeft betast.

2. Thans staat tevens vast, dat de vader onherroepelijk is veroordeeld
voor het plegen van ontucht met zijn minderjarig kind, meermalen
gepleegd.

3. De dochter stel, dat de vader zich heeft schuldig gemaakt aan een
onrechtmatige daad jegens haar, bestaande uit het ontelbare malen plegen
van ontuchtige handelingen en het minstens eenmaal hebben van seksuele
gemeenschap met haar gedurende bovengenoemde periode. Zij stelt hierdoor
ernstige psychische schade te hebben geleden en nog steeds te lijden als
gevolg van dit onrechtmatig handelen en begroot gemotiveerd deze schade
op ƒ 30.000,–, waarbij tevens is inbegrepen vergoeding van nog te
verwachten leed.

4. De vader erkent gedurende genoemde periode circa 3 a 4 maal
ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met de dochter. Hij ontkent,
dat het “ontelbare malen” is voorgevallen en hij ontkent de seksuele
gemeenschap.

Tevens ontkent de vader, dat de dochter als rechtstreeks gevolg van zijn
handelen psychische schade heeft geleden. Hij verwijst hiertoe onder
meer naar een drietal door hem ter griffie gedeponeerde fotoboeken,
waaruit volgens hem blijkt, dat de relatie tussen de vader en dochter
tot in elk geval eind 1987 zeer harmonisch was.

Tevens betwist de vader, dat er sprake is van zeer ernstig misdrijf. De
dochter zou thans weer enig contact hebben met haar moeder en de vader
stelt veel spijt van zijn handelen te hebben.

Subsidiair beroept de vader zich op zijn financiele situatie. Hij stelt
te leven van een -niet voor beslag vatbare- uitkering, terwijl de door
hem en zijn echtgenote gebruikte inboedel niet zijn eigendom zou zijn.
De vader geeft aan, dat wellicht een comparitie van partien gelast zou
kunnen worden.

5. De dochter geeft aan waaruit de geleden en nog te verwachten
psychische schade bestaat. Zij biedt bewijs van haar stellingen aan door
een onderzoek en rapport van deskundigen.

Verdere beoordeling van het geschil.

6. De onherroepelijke veroordeling van de vader voor het plegen van
ontucht met de dochter is voldoende voor de vaststelling, dat de vader
jegens de dochter onrechtmatig heeft gehandeld. Tevens neemt de
rechtbank als vaststaand aan, dat de dochter psychische schade heeft
geleden als gevolg van de door de vader gepleegde ontuchtige
handelingen. De vele onderzoeken naar de psychische gevolgen van incest
hebben immers minimaal aangetoond, dat incestueuze handelingen van vader
jegens zijn dochter een ernstige inbreuk maken op het basale vertrouwen,
dat een kind in de ouder heeft.

De rechtbank verwerpt derhalve de stelling van de vader, dat niet
vaststaat dat de dochter geestelijke schade heeft opgelopen door de door
hem gepleegde onrechtmatige daad. De exacte omvang van de geleden en nog
te lijden geestelijke schade staat niet zonder meer vast. De dochter
heeft bewijs aangeboden door middel van een onderzoek door deskundigen.
Hoewel bewijs door middel van een deskundigenrapport tot de
mogelijkheden behoort, merkt de rechtbank reeds thans op, dat bij de
vaststelling van de schadevergoeding in geld rekening gehouden zal
dienen te worden met de wederzijdse stand en fortuin.

De vader heeft bij conclusie van dupliek in september 1989 onweersproken
gesteld, dat hij van een WAO-uitkering leeft, die op dat moment ƒ
1.377,75 per maand bedroeg, terwijl zijn echtgenote destijds een salaris
van ƒ 1.500,– per maand verdiende.

De rechtbank acht het noodzakelijk voor de vaststelling van het
schadebedrag te beschikken over de recente inkomensgegevens van de vader
en zijn echtgenote, alsmede van de dochter en haar echtgenoot, waarbij
reeds thans wordt opgemerkt, dat het gevorderde bedrag op zichzelf -los
van de financiele situatie van de vader en de dochter- niet onredelijk
voorkomt, zodat wellicht kan worden volstaan met het overleggen van de
gevraagde financiele gegevens, zonder dat tot een deskundigenrapport
voor het bewijs van de omvang der schade behoeft te worden overgegaan.

De rechtbank acht niet onmogelijk, dat, uitgaande van hetgeen reeds door
de rechtbank als vaststaand is aangenomen, een schikking kan worden
bereikt. Zij zal dan ook een datum vaststellen voor een comparitie van
partijen, opdat dan aan de hand van de tevoren toegestuurde financiele
gegevens kan worden bezien of een schikking mogelijk is.

Indien een confrontatie met de vader voor de dochter geestelijk te
belastend is, geeft de rechtbank in overweging, dat zij haar advocaat
machtigt om ter comparitie voor haar te verschijnen en eventueel een
aanbod te accepteren. Ook is het mogelijk, dat de zaak in dat geval
wordt verwezen naar de rol voor het overleggen van de gevraagde
financiele gegevens.

Beslissing.

De rechtbank:

Bepaalt, dat de comparitie van partijen zal worden gehouden op donderdag
14 maart 1991 te 9.00 uur ten overstaan van de ten deze benoemde
rechter-commissaris, mr. T.A.C. van Hartingsveldt, in het gebouw van
deze rechtbank, te Dordrecht, voor het geven van inlichtingen en het
beproeven van een minnelijke schikking, en bepaalt voorts dat partijen
alle stukken die op deze zaak betrekking hebben of kunnen hebben dienen
mee te nemen.

PROCES-VERBAAL VAN COMPARITIE VAN PARTIJEN

Proces-verbaal van comparitie van partijen, ter terechtzitting gehouden
op 21 maart 1991 ingevolge vonnis van de arrondissementsrechtbank te
Dordrecht d.d. 20 februari 1991 in de zaak, rolnumer 1183/1988 van R.,
wonende te Zwijndrecht, eiseres bij dagvaarding van 22 augustus 1988,
procureur mr. P.C. van Houten, tegen H., wonende te Zijndrecht,
gedaagde, procureur mr. B.A. Fijma.

Tegenwoordig zijn:

Mr. T.A.C. Hartingsveldt, als rechter-commissaris en H.H. Maspaitella
als griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen:

-mevrouw R. in persoon;

-mr. A.C.T. Hommes, kantoorhoudende te Rotterdam, advocate van eiseres;

-de heer H. in persoon;

-mr. Fijma voornoemd, advocaat van gedaagde.

Partijen wensen hun geschil, bekend onder rolnummer 1183/1988 bij de
rechtbank Dordrecht als volgt te regelen:

Partij H. betaalt binnen een maand na heden een bedrag van ƒ 5.000,–
(vijfduizend gulden) ten behoeve van partij R. door overmaking van dit
bedrag op girorekening ….ten name van Advocaten Collektief V. onder
vermelding van de zaak R.

Uiterlijk op 21 april 1992 zal door H. wederom een bedrag worden
overgemaakt ten behoeve van partij R. van ƒ 5.000,– (vijfduizend
gulden) op dezelfde wijze als bovenvermeld.

Uiterlijk op 21 april 1993 zal door partij H. een bedrag worden
overgemaakt ten behoeve van partij R. van ƒ 2.500,– (tweeduizend
vijfhonderd gulden) op dezelfde wijze als bovenvermeld. Na effectuering
van het bovenstaande verlenen partijen elkaar over en weer finale
kwijting.

Ieder der partijen draagt de eigen proceskosten.

Voorgelezen, volhard en getekend.

De procedure wordt met ingang van heden geroyeerd.

Waarvan proces-verbaal.

Rechters

mrs. Geertsema, van Hartingsveldt, Kramer

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 19 februari 1991

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Individualisering gefinancierde rechtsbijstand. Het Buro voor Rechtshulp
te Alkmaar past het nieuwe individualiseringsbeleid niet (merkbaar) toe. De
vrouw krijgt geen individuele toevoeging voor een vordering tot
schadevergoeding na seksueel geweld. De president verleent de gevraagde
tussenkomst. Hij acht in deze kwestie de afhankelijkheid van een
niet-huwelijkspartner onaanvaardbaar. Er volgt een individuele toevoeging, ook
al wordt verzoekster door de houding van haar partner niet iedere feitelijke
mogelijkheid om te procederen ontnomen.

Volledige tekst

Overwegende

Bij brief van 31 oktober 1990 van haar advocate mr J. Boot verzocht
aanvraagster een tweetal toevoegingen teneinde een vordering in te stellen tot
schadevergoeding als gevolg van de omstandigheid dat zij tussen haar 15e en
17e jaar seksueel is misbruikt, alsmede om een aanvraag in te dienen bij het
Schadefonds geweldsmisdrijven. In het bij de aanvraag gevoegde bewijs van
onvermogen staat aangegeven dat zij duurzaam samenleeft met haar partner. Zij
doet het verzoek in aanmerking te komen voor een geindividualiseerde
draagkrachtberekening. Haar partner is niet bereid een gedeelte van zijn
salaris af te staan voor de kosten van rechtsbijstand. Zij stelt dat er tussen
haar en haar partner een geringe financiele verstrengeling is, nu zij
maandelijks van haar inkomen van ƒ 1.867,90 netto per maand een bedrag van ƒ
700 naar een gemeenschappelijke rekening overmaakt ter bestrijding van de
gemeenschappelijke kosten van voering en huur, en beiden overigens gescheiden
hun overige financien beheren.

Het buro heeft deze aanvrage afgewezen met de motivering, dat partijen
een gemeenschappelijke huishouding voeren, en er ook overigens geen
omstandigheden bestaan op grond waarvan tot individualisering zou kunnen
worden overgegaan.

Dit evenwel naar het inzicht van de President ten onrechte. Er dient
immers van te worden uitgegaan, dat het hier om een zo hoogst persoonlijke –
alleen aanvraagster rakende – juridische kwestie gaat, dat het onaanvaardbaar
moet worden geoordeeld, dat zij voor de vraag, of zij in deze situatie tot
rechtsmaatregelen kan overgaan, afhankelijk zou zijn van de instemming van de
partner.

Zeker nu beide partners niet in de echt verbonden zijn en hun
samenwoning daarom niet in het teken staat van een als blijvend bedoelde
lotsgemeenschap, kan het niet van de partner worden gevergd dat in het kader
van de toepassing van de regels tot vaststelling van de financiele
draagkrachtgrenzen ingevolge de WROM zijn financiele situatie mede betrokken
wordt bij de beoordeling van de rechtshulpaanvrage van degene met wie hij
samenwoont.

De feitelijke situatie tussen hen dwingt hiertoe ook niet nu hun
financiele verstrengeling niet zodanig gecompliceerd is dat een individuele
beoordeling van beider financiele positie, niet mogelijk zou zijn.

Hoewel gelet op het inkomen en het spaargeld van aanvraagster niet
gezegd kan worden, dat door de houding van haar partner haar iedere feitelijke
mogelijkheid om in genoemde kwestie te procederen wordt ontnomen, brengt een
redelijke wetstoepassing met zich dat in deze aangelegenheid, die zozeer
hoogst persoonlijk van aard is, de financiele situatie van aanvraagster
behoort te worden bezien, als woonde zij niet samen. Haar inkomen en vermogen
doen haar dan aanspraak hebben op de van overheidswege gefinancierde
rechtshulp.

Het buro zal met inachtneming van het vorenstaande opnieuw hebben te
beslissen.

Beslissende

Verleent de gevraagde tussenkomst.

Noot

Deze noot heeft betrekking op beide hierboven afgedrukte
’tussenkomst’-uitspraken van de president van de rechtbank te ALkmaar. De
eerste uitspraak, betreffende een verzoek om gefinancierde rechtsbijstand
inzake een individueel huurgeschil daterend van voor het huwelijk van de
verzoekster, is opgenomen in verband met het in de uitspraak omschreven nieuwe
beleid van het Buro voor Rechtshulp te Alkmaar. Deze beleidswijziging kwam tot
stand omdat er binnen de gefinancierde rechtsbijstand als gevolg van de bij de
draagkrachtberekening gehanteerde partnertoets sprake zou kunnen zijn van
indirecte discriminatie van vrouwen. De tweede uitspraak betreft een verzoek
om gefinancierde rechtsbijstand inzake een vordering tot schadevergoeding na
seksueel geweld.
In beide gevallen weigerde het Alkmaarse Buro een advocaat toe
te voegen, omdat de verzoekster hierop als gevolg van de partnertoets geen
aanspraak kon maken. In het tweede geval was de president het niet eens met de
weigering en verleende de gevraagde tussenkomst.

Om met het wellicht minst interessante aspect van de tweede uitspraak te
beginnen: het Buro voor Rechtshulp te Alkmaar geeft geen blijk ervan het
nieuwe toevoegbeleid te hanteren en de rechter toetst de aangevochten
beslissing niet aan dit, in de eerste uitspraak, door hem goedgekeurde beleid.
De zaak waar het om gaat lijkt te voldoen aan de criteria die het Buro
aanlegde voor gevallen, waarin voortaan een partnertoets achterwege dient te
blijven. De aanvraag betreft een rechtsgeschil, dat in het limitatieve rijtje
voorkomt, en is afkomstig van een vrouw wier partner weigert geld af te staan
voor haar rechtsbijstandkosten, terwijl het paar de financien gescheiden heeft
gehouden. De verzoekster komt op basis van haar eigen inkomen in aanmerking
voor gefinancierde rechtsbijstand. Het Buro weigert echter een advocaat toe te
voegen zonder (merkbaar) te onderzoeken of hierdoor, gegeven de weigering van
haar partner, ‘het effectieve recht op rechtsbijstand in de knel komt’. Het is
opmerkelijk dat een Buro, dat ‘de wenselijkheid om te komen tot een meer
geindividualiseerde inkomensberekening’ onderschrijft, zich van een zaak, die
op het eerste oog aan alle nieuwe beleidscriteria voldoet, afmaakt met de niet
terzake doende motivering ‘dat partijen een gemeenschappelijke huishouding
voeren’.

De overweging van de president dat deze vrouw door de houding van haar
partner niet ‘iedere feitelijke mogelijkheid om (…) te procederen wordt
ontnomen’ is, gezien de context, niet bedoeld om de afwijzing van het Buro
alsnog conform het nieuwe beleid te doen zijn. Ook uit andere overwegingen
valt niet af te leiden dat de rechter het Buro met het eigen nieuwe beleid
confronteert.

Over dit nieuwe beleid valt het volgende op te merken. Zoals het Buro
zichzelf al realiseert, is het aantal rechtzoekenden dat voor een individuele
toevoeging in aanmerking zal kunnen komen, uiterst gering. Met name
(huwelijks)partners zonder eigen inkomen hebben, gezien het voor alle gevallen
geldende criterium van aantoonbaar gescheiden financien, geen aanspraak op een
individuele toevoeging. Tevens valt op dat dit criterium geldt als een
weliswaar noodzakelijk, maar op zich onvoldoende voorwaarde voor
individualisering. Het is sinds jaar en dag bij een aantal Buro’s gebruikelijk
om in geval van aantoonbaar gescheiden financien aan ongehuwd samenwonenden
een advocaat toe te voegen op basis van het individuele inkomen. De Buro’s te
Amsterdam en Haarlem, waarbij door Alkmaar aansluiting is gezocht, zien, ook
wanneer gehuwde partners hun financien gescheiden hebben gehouden, reden voor
een individuele toevoeging. De gestelde aansluiting bij het beleid van deze
Buro’s en bij het advies van de commissie-Gisolf kan uiterst beperkt worden
genoemd. Amsterdam, Haarlem en de commissie Gisolf eisen, wanneer alleen de
verzoeker juridisch partij is, voor een individuele draagkrachtbeoordeling
niet dat de (huwelijks)partner weigert bij te dragen aan de advocaatkosten
noch dat vaststaat dat dientengevolge ‘het effectieve recht op rechtsbijstand
in de knel komt’. Het Alkmaarse Buro geeft eveneens te kennen met het nieuwe
beleid invulling te willen geven aan zowel het meerderheidsstandpunt van het
LOB als een uitspraak van de president van de Alkmaarse rechtbank van 26
oktober 1989. In het eerste deel van dit voornemen is het Buro geslaagd.

Een meerderheid van de LOB-leden verwierp het ten behoeve van die leden
uitgebrachte advies om tot totale individualisering van de
draagkrachtberekening over te gaan. Met de verwijzing naar de uitspraak van 26
oktober 1989 doelde het Buro wellicht op een daarin vervatte overweging (ten
overvloede) die inhoudt dat een individuele draagkrachtberekening pas geboden
is, indien als gevolg van de partnertoets voor een rechtzoekende met een
weigerachtige (huwelijks)partner de toegang tot de rechter is afgesloten. De
situatie dat het grondrecht op toegang tot de rechter niet kan worden
geeffectueerd, doet zich (slechts) voor, wanneer een rechtzoekende die geen
advocaat krijgt toegevoegd en geen advocaat kan financieren, betrokken is in
een procedure waarbij procesvertegenwoordiging verplicht is. Blijkens de
memorie van toelichting beperkt de grondwetgever het bereik van het grondrecht
op (gefinancierde) rechtsbijstand niet tot dit soort procedures (MvT
1975-1976, 13 873, nrs. 1-4). De invulling die het Alkmaars Buro aan de van 26
oktober 1989 daterende uitspraak geeft, is meer in overeenstemming met dit
aspect van het grondrecht op (gefinancierde) rechtsbijstand, gezien de
beleidsregel dat (indien aan de overige criteria is voldaan) in geval van een
weigerachtige (huwelijks)partner geen partnertoets zal worden toegepast
wanneer vaststaat dat zodoende de rechtzoekende het grondrecht op
rechtsbijstand niet kan effectueren. Hiermee wil overigens niet gezegd zijn
dat in het nieuwe beleid aan het grondrechtelijk karakter van (gefinancierde)
rechtsbijstand voldoende recht wordt gedaan.

De Alkmaarse rechtbankpresident acht het nieuwe Alkmaarse beleid –
waarin afhankelijkheid regel is – aanvaardbaar en getuigt in zijn uitspraken
niet van de onder zijn voorzitterschap door de commissie-Gisolf verwoorde
opvatting dat het grondrecht op (gefinancierde) rechtsbijstand dient te worden
gezien in het licht van de individuele betekenis die inherent is aan
grondrechten. Wel kan worden opgemerkt dat de president het op 26 oktober 1989
door hem geformuleerde restrictieve criterium niet meer hanteert. In de eerste
uitspraak wordt de tussenkomst geweigerd, niet op grond van de overweging dat
voor de verzoekster de feitelijke toegang tot de rechter onbelemmerd
openstaat, maar omdat aan de verzoekster feitelijk de toegang tot de
noodzakelijke rechtshulp niet is ontzegd. In de tweede uitspraak gebiedt de
president een individuele inkomenstoets, ook al is zijns inziens voor de
betrokken vrouw, ondanks haar onwillige partner, de feitelijke toegang tot de
rechter niet geblokkeerd. Dat brengt mij tot de vraag waarom de rechter in
deze tweede zaak – bij uitzondering – bepaalt dat ‘de financiele situatie van
verzoekster behoort te worden bezien, als woonde zij niet samen’.

In het oog springt de juridisch volstrekt irrelevante overweging dat
ongehuwd samenwonenden per definitie geen blijvende lotsgemeenschap op het oog
kunnen hebben. Aan deze persoonlijke opvatting verbindt de rechter de
conclusie dat financiele betrokkenheid niet van de partner kan worden gevergd.
Dat betekent echter niet dat in meer algemene zin de partnertoets slechts te
pas zou komen bij rechtzoekenden met wettige echtgenoten/s. Het gewicht dat de
president toekent aan het feit dat de partners niet gehuwd zijn, is direct
gekoppeld aan het onderwerp van het geschil. Dat de vrouw gaat procederen voor
vergoeding van schade die het gevolg is van – in haar jeugd ondergaan –
seksueel geweld maakte de kwestie zo hoogst persoonlijk dat in dit geval
afhankelijkheid van de instemming van de partner onaanvaardbaar wordt
bevonden. Er is mij geen uitspraak bekend inzake welk andersoortig hoogst
persoonlijk geschil dan ook, waarin afhankelijkheid van een verzoekster van
haar (huwelijks)partner onaanvaardbaar wordt bevonden en waarin voor de
onwilligheid van de partner zo expliciet begrip wordt opgebracht. Aanvaardt de
president van de rechtbank te Alkmaar het verschijnsel van de ‘nimmer
neutrale-wellicht zeer jaloerse’ partners van slachtoffers van seksueel
geweld?
(Levelt-Overmars 1989 in een notitie voor het LOB)

De gedachte dringt zich op dat de rechter de partnertoets in dit geval
ongepast vindt, omdat van een man geen betrokkenheid kan worden gevergd bij
seksueel geweld dat zijn vrouw, met wie hij ongehuwd samenwoont, is aangedaan.
In een identieke situatie echter, zo blijkt uit het vervolg van de uitspraak,
kan er toch sprake zijn van aanvaardbare afhankelijkheid enerzijds en te
vergen betrokkenheid anderzijds, te weten wanneer de ‘financiele
verstrengeling (…) zodanig gecompliceerd is dat een individuele beoordeling
van beider financiele posities niet mogelijk zou zijn’. In deze visie kan het
effectueren van het individuele grondrecht op gefinancierde rechtsbijstand,
zelfs bij een zo hoogst persoonlijk geschil dat afhankelijkheid van de partner
onaanvaardbaar en betrokkenheid bij de partner niet te vergen is, afstuiten op
een onoverzichtelijke financiele administratie.

Alles bij elkaar genomen lijkt de rechtsopvatting van de president van
de Alkmaarse rechtbank over de draagkrachtberekening binnen de gefinancierde
rechtsbijstand nog niet geheel en al uitgekristalliseerd te zijn.

Jeanneke Stam

Rechters

Mr R.C. Gisolf

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 19 februari 1991

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank Roermond van 23 november
1989. Geintimeerde, buurman van appellant, heeft onder bedreiging
naaktfoto’s gemaakt van twee dochtertjes van appellant en met het derde
dochtertje ontuchtige handelingen gepleegd. Appellant eist ƒ 5.000,=
immateriele schadevergoeding per kind; de rechtbank veroordeelt
geintimeerde tot betaling van 2 x ƒ 500,= en 1 x ƒ 1000,=.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg.

Bij het aangevallen vonnis werd de vordering van D gedeeltelijk toegewezen
werd F veroordeeld tot betaling aan D van ƒ 2.200,= in totaal, met kosten.
Voor de overwegingen van de Rechtbank ter zake verwijst het Hof naar het
vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep.

D heeft in het principale appel een memorie van grieven genomen en daarin
bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd alsmede zijn eis in
dier voege vermeerderd dat hij subsidiair verzoekt geintimeerde te
veroordelen tot betaling van zodanig hogere bedragen dan waartoe de
Rechtbank hem heeft veroordeeld als het hof in goede justitie zal vernemen
te behoren. D. heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan
hoger beroep en alsnog toewijzing van het oorspronkelijk gevorderde
subsidiair veroordeling van F als bij vermeerdering van eis gevorderd.

F. heeft de bezwaren van D bestreden en bij incidenteel appel zijnerzijds
bezwaar gemaakt tegen het vonnis waarvan beroep, concluderend tot
bevestiging voor wat betreft de veroordeling tot betaling van ƒ 200,= met
vernietiging voor het overige.

D. heeft het incidenteel appel bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken ter fine van arrest overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep.

De bezwaren in het principaal appel richten zich tegen de aan F opgelegde
bedrage. D is van oordeel dat deze hoger moeten zijn. Ook tegen de
compensatie van de proceskosten maakt D bezwaar.

In incidenteel appel komt /F op tegen de veroordeling tot betaling van
enig bedrag ter zake van vergoeding van door de minderjarige voor wie D
optreedt geleden immateriele schade.

4. Beoordeling.

Het Hof is van oordeel, dat ter zake van de gevraagde vergoeding voor
immateriele schade zowel wat betreft D zelf, als de minderjarigen voor wie
hij optreedt volstaan kan worden met de door de Rechtbank dienaangaande
aan F’s opgelegde bedragen. Niet de ernst van de misdrijven als zodanig,
meer de daarvan ondervonden schade is bepalend. Het Hof kan zich dan ook
in zoverre geheel verenigen met de aangevallen beslissing en de gronden
waarop deze berust, dit heeft onder meer tot gevolg dat met de gestelde
arbeidsongeschiktheid geen rekening kan worden gehouden. Het Hof neemt
daarbij nog het volgende in aanmerking. Het geringe letsel van de
rechterpink van D, dat zich bovendien in de toekomst nog lijkt te kunnen
herstellen rechtvaardigt niet dat ter zake een hogere vergoeding wordt
gegeven, nu D verder op geen enkele wijze nader aannemelijk heeft gemaakt
dat en in hoeverre andere verwondingen waarvan hij een litteken zou hebben
overgehouden tot enig lijden van pijn of derven van levensvreugde hebben
geleid is er voor vergoeding van immateriele schade te dier zake geen
plaats. Zijn stellingen op dit punt zijn -na hetgeen de Rechtbank hierover
opmerkte- daarvoor te vaag. Het onrechtmatig handelen van F jegens de
minderjarige dochters voor wie D als haar vader ten processe optreedt,
blijkt genoegzaam uit de stukken, alsook dat hij daar bij de privacy van
die meisjes op volstrekt ontoelaatbare wijze heeft aangetast, en dat
rechtvaardigt een vergoeding aan ieder van die meisjes van (geleden)
immateriele schade.

Ook in hoger beroep is voor wat betreft geen der meisjes enige aanwijzing
gegeven in hoeverre zij zodanig psychisch leed van de gedragingen van F
hebben ondervonden, of nog zullen ondervinden, dat daarvoor een hogere
vergoeding dan ƒ 1.000,= voor X, en ƒ 500,= voor ieder der andere meisjes
is geindiceerd. Het beroep op algemene bekendheid van die gevolgen is niet
voldoende geindividualiseerd.

De tegen de ter vergoeding van schade aan F opgelegde bedragen gemaakte
bezwaren (principaal en incidenteel) worden door het Hof verworpen. Met
de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de aanzienlijke mate waarin de
oorspronkelijke vordering is afgewezen een compensatie van kosten
rechtvaardigt. Ook dat in het principaal appel aangevoerde bezwaar mist
derhalve doel.

Aangezien zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep alle
aangevoerde bezwaren zijn verworpen moet het aangevallen vonnis worden
bekrachtigd.

Nu partijen beide in hoger beroep in het ongelijk zijn gesteld acht het
Hof termen aanwezig de in hoger beroep gevallen proceskosten te
compenseren zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. Beslissing.

het hof:

in het principaal en in het incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan hoger beroep.

compenseert de in hoger beroep gevallen kosten in dier voege dat iedere
partij haar eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Vos, Schlingemann-Vermeulen, Langemeijer

Instantie: President Universiteit voor bedrijfskunde Nijenrode, 11 februari 1991

Instantie

President Universiteit voor bedrijfskunde Nijenrode

Samenvatting


E. student Nijenrode, gaat midden in de nacht de kamer binnen van
een vrouwelijke medestudent, L. en heeft tegen haar wil
geslachtsgemeenschap met haar.

De President, die deze zaak krachtens art. 40 van het Algemeen Reglement
voor Studenten heeft behandeld, overweegt dat E. in hoge mate
onvoldoende rekening heeft gehouden met L’s opvattingen, rechten en
integriteit. E.’s handelwijze maakt een ernstige inbreuk op de
‘open-deur policy’ van Nijenrode. In de situatie die is ontstaan,
berokkent de enkele aanwezigheid van E. op Nijenrode schade aan het
belang van klaagster, in dier voege, dat verwacht moet worden dat zij
niet in staat zal zijn haar studie onder die omstandigheid op normale
wijze voort te zetten. De President besluit dat E. met onmiddellijke
ingang van Nijenrode wordt verwijderd. Zie voor E’s beroep tegen deze
uitspraak: College van Beroep, Universiteit voor bedrijfskunde,
Nijenrode, 2 april 1991.

Volledige tekst

Geachte heer E.,

Zoals met u besproken is door een medecampusgenote van u, mevrouw L.,
een klacht ingediend jegens u, stellende dat u in de nacht van 15 op 16
december jl. terwijl zij sliep, bij haar ongevraagd op haar kamer bent
binnengekomen en tegen haar wil geslachtsgemeenschap met haar hebt
gehad.

Op grond van artikel 40 van het Algemeen Reglement voor Studenten en
gezien de ernst van de aanklacht is de behandeling van deze zaak door
mij als President ter hand genomen.

In het bijzijn van getuigen zijn in de week van 28 januari 1991
achtereenvolgens klaagster gehoord, bent u gehoord en is de vriendin van
klaagster, mevrouw E. gehoord. Tevens is een medestudente, mevrouw V.
gehoord.

U bent vergezeld van uw vader, opnieuw gehoord op 4 februari 1991. Uw
vader heeft toen, met uw instemming, bepleit dat, voordat Nijenrode in
deze zaak tot een uitspraak zou komen, er contact tussen uw ouders zou
zijn en de ouders van mevrouw L.

Ik heb overwogen dat, gezien de ingrijpendheid van de gebeurtenissen
voor de beide families, het de zorgvuldigheid ten goede zou komen indien
de ruimte en de tijd geschapen werd voor een zodanig contact. Daarbij is
bepaald en aan u medegedeeld:

-Dat een zodanig contact op initiatief van de ouders hen uiteraard vrij
staat.

-Dat Nijenrode in deze een eigen verantwoordelijkheid heeft en derhalve
niet gebonden is aan de uitkomst van een overleg tussen beide families,
maar de uitslag wel een element in de beslissing zal zijn.

-Dat niet de ouders, maar de beide meerderjarige studenten in deze zaak
partij zijn.

-Dat ondergetekende uiterlijk 8 februari 1991 de resultaten van een
eventueel contact wil vernemen.

-Dat ondergetekende uiterlijk 11 februari 1991 uitspraak zal doen.

De decaan en de campusdecaan zijn gehoord.

Op grond van artikel 2 van het Algemeen Reglement geldt voor iedere
student dat:

“Van de studenten wordt verwacht dat zij alles doen dat in hun vermogen
ligt Nijenrode aan zijn doelstellingen te laten beantwoorden. Daarbij
zullen zij zorg dragen voor een goede geest en alles nalaten wat afbreuk
kan doen aan de goede naam van Nijenrode.”

Met name is in dit artikel ook bepaald:

“Zij zullen persoonlijke opvattingen, rechten en eigendommen van elkaar
en anderen eerbiedigen, aan Nijenrode geen schade toebrengen en zich
onthouden van gedragingen die hinderlijk zijn voor anderen.”

Ik heb mij zorgvuldig beraden.

Gezien al het voorhanden zijnde materiaal acht ik de lezing van
klaagster geloofwaardig, waarbij ik mede van belang acht de lezing van
getuige E., waar klaagster direct na afloop overstuur naar toe is
gegaan.

Ik heb daarbij overwogen dat het door u in uw verklaring gestelde qua
loop der gebeurtenissen grotendeels overeenstemt met de verklaring van
klaagster.

Ik heb ook overwogen dat op de campus van Nijenrode de deuren van de
studentenflats niet worden afgesloten (open-deur-policy), waarbij voor
alle studenten de regel geldt dat de persoonlijke opvattingen en rechten
en met name ook de integriteit door de studenten onderling zonder
voorbehoud wordt gerespecteerd. Slechts bij strikte naleving van deze
regel kan de open-deur-policy gehandhaafd blijven.

Uw handelwijze maakt een zeer ernstige inbreuk op bovenstaande regel.

Daarbij heb ik overwogen dat zo er, om welke reden, onder welk excuus of
onder welk voorwendsel dan ook, inbreuk gemaakt wordt op de persoonlijke
opvattingen, rechten of integriteit, de betrokkene die deze inbreuk
pleegt ten volle verantwoordelijk is voor alle gevolgen van deze inbreuk
en dat mede in dat licht van een ieder die inbreuk pleegt verwacht mag
worden dat de inbreuk niet verder gaat dan hij of zij achteraf kan
verantwoorden in het algemeen en in het bijzonder tegenover degeen op
wiens opvattingen, rechten of integriteit inbreuk wordt gemaakt.

In concreto heb ik overwogen dat in de betreffende nacht van u verlangd
kon worden dat u zich realiseerde dat u een groot psychologisch
overwicht had.

U was immers als man per verrassing midden in de nacht een kamer van een
vrouwelijke student, waarmee u tevoren geen bijzondere
vriendschappelijke of andere relatie had onderhouden, binnengegaan
terwijl deze studente alleen op de kamer aanwezig was en onder de
omstandigheid dat u gekleed was en zij vrijwel geheel ontkleed in bed
lag te slapen.

Ik acht uw verweer dat klaagster onvoldoende duidelijk gemaakt heeft dat
zij van uw avances niet gediend was tegen deze achtergrond van geen
waarde en uw verklaring dat uitlatingen van klaagster, waarbij zij u
verzocht op te houden en weg te gaan te negeren van deze uitlatingen bij
‘het versieren horen’ eerder een aanwijzing voor het feit dat u in hoge
mate onvoldoende rekening heeft gehouden met haar opvattingen, rechten
en integriteit.

Ik heb eveneens overwogen dat op Nijenrode een verantwoordelijkheid rust
ten aanzien van de veiligheid en het behoud van de integriteit van
klaagster, alsook die van andere vrouwelijke studenten.

Daarbij weegt onder meer mee de verklaring van een medestudent bij wie
sinds een nachtelijk bezoek van u angst aanwezig is en de deur op slot
wordt gedaan.

Ik heb ook overwogen dat Nijenrode een verantwoordelijkheid heeft
tegenover u als student en een afweging heeft te maken van uw belang
tegenover dat van klaagstere en tegenover dat van de universiteit als
geheel.

Ik heb geconstateerd dat de contacten tussen de ouders van klaagster en
uw ouders er niet toe hebben geleid dat de klacht van klaagster is
ingetrokken, noch dat zij haar verklaring heeft herroepen of gewijzigd.

Ik heb bovendien geconcludeerd dat in de situatie die nu is ontstaan,
ongeacht de persoonlijkheden van klaagster en u, uw enkele aanwezigheid
op Nijenrode schade berokkent aan het belang van klaagster, in dier
voege dat verwacht moet worden dat zij niet in staat zal zijn haar
studie onder die omstandigheid op normale wijze voort te zetten.

Gezien uw zeer ernstige inbreuk op de persoonlijke opvattingen en
rechten en op de integriteit van klaagster, de verantwoordelijkheid die
u daarmee op zich laadt, het belang van klaagster en het belang van
Nijenrode als geheel, kan van Nijenrode niet langer gevergd worden u tot
Nijenrode toe te laten.

Ik kom dan ook tot de beslissing dat u met onmiddellijke ingang van
Nijenrode wordt verwijderd. Deze bevoegdheid wordt ontleend aan artikel
13 sub 1 b van het Algemeen Reglement.

Op grond van artikel 13 lid 3 Algemeen Reglement dient deze uitspraak
openbaar te worden gemaakt. Het Reglement voorziet niet in een situatie
als de onderhavige, waarbij de aard van de klacht een regeling ter
waarborg van de privacy van de betrokkenen rechtvaardigt.

Overeenkomstig artikel 40 lid 2 heb ik besloten dat slechts een gedeelte
van de uitspraak, zonder vermelding van de namen van de betrokkenen,
openbaar zal worden gemaakt, onder vermelding dat op verzoek aan de
President inzage aan studenten en medewerkers van Nijenrode in de
beslissing zal worden gegeven.

Deze uitspraak is vatbaar voor beroep overeenkomstig artikel 32 van het
Algemeen Reglement.

Hoogachtend, ir. F.J. Schijff,

president

Rechters

ir. F.J. Schijff