Instantie: Hoge Raad, 8 februari 1991

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Als een omgangsregeling niet toewijsbaar is, kan de met het gezag beklede
ouder verplicht zijn inlichtingen betreffende het kind te geven. B en H
zijn in 1987 gescheiden. Het kind is na het echtscheidingsvonnis geboren
terwijl de man al eerder de echtelijke woning heeft verlaten. De man heeft
nooit met het kind samengewoond. In 1989 verzoekt de man aan de rechtbank
een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank wijst dit verzoek af.
De man gaat in hoger beroep en verzoekt primair het vaststellen van een
omgangsregeling, subsidiair een maandelijkse rapportage over het wel en
wee van het kind. Het Hof oordeelt dat de man, louter en alleen op grond
van biologisch vaderschap, zonder bijkomende omstandigheden aan te voeren,
niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot een omgangsregeling. Het verzoek
van de man, om de vrouw te verplichten hem over het welzijn van het kind
te informeren, steunt volgens het Hof niet op de wet, zodat de man in dat
verzoek evenmin ontvankelijk wordt verklaard. De man stelt daarop beroep
in cassatie in.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 15 maart 1989 gedateerd
verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen de man –
zich gewend tot de Rechtbank te Breda met verzoek een omgangsregeling vast
te stellen tussen hem en Hanna Rosa B., op 17 september 1987 te Breda
geboren uit het huwelijk van de man met verweerster in cassatie – verder
te noemen de vrouw – welk huwelijk op 11 augustus 1987 is geeindigd door
inschrijving van het vonnis van echtscheiding van 28 juli 1987. Nadat de
vrouw tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kinderrechter in de
Rechtbank bij beschikking van 16 augustus 1989 het verzoek van de man
afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Hij heeft het Hof Primair verzocht
alsnog een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en zijn dochter en
subsidiair te beschikken dat de vrouw wordt verplicht de man te informeren
omtrent het wel en wee van het kind middels een maandelijkse rapportage,
al dan niet door tussenkomst van een door de vrouw in te schakelen
deskundige. Bij beschikking van 4 januari 1990 heeft het Hof de bestreden
beschikking vernietigd en de man niet ontvankelijk verklaard in zijn
inleidend verzoek. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking
gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te
verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot
vernietiging van de beschikking van het Hof en tot verwijzing van de zaak
naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3. De beoordeling van de middelen

3.1 Nadat op 11 augustus 1987 het huwelijk van de man en de vrouw was
ontbonden door inschrijving van het tussen hen gewezen
echtscheidingsvonnis is op 17 september 1987 Hanna Rosa B. uit de vrouw
geboren. De vrouw was toen niet hertrouwd. De vrouw is tot voogdes over
Hanna benoemd. De man heeft de Rechtbank verzocht een omgangsregeling
tussen hem en Hanna vast te stellen. In hoger beroep heeft het Hof de man
niet ontvankelijk verklaard in dit verzoek op de grond, dat de man, naast
zijn biologisch vaderschap, geen bijkomende omstandigheden heeft gesteld
waaruit voortvloeit dat er tussen hem en Hanna een band bestaat die kan
worden aangemerkt als “vie familiale”/”family life” in de zin van art. 8
EVRM. Middel a komt terecht tegen deze beslissing op. Het Hof heeft
miskend dat, nu het hier gaat om een kind dat ingevolge art. 1:197 tweede
zin BW de man tot vader heeft, de man rechtstreeks aan art. 1:161 lid 5,
zoals die bepaling tot 1 december 1990 heeft gegolden, het recht ontleent
de rechter te verzoeken een omgangsregeling vast te stellen zonder dat hij
daartoe bijkomende omstandigheden behoefde te stellen.

Het bij de wet van 13 september 1990, Stb. 482, – in werking getreden op
1 december 1990 – ingevolge de art. 1:161a lid 2 behelst een op dit stuk
gelijke regeling. Deze wet houdt overigens wel nadere, niet in art. 161
lid 5 (oud) voorkomende voorschriften in met betrekking tot de beslissing
op een verzoek als het onderhavige. Zij bevat niet een overgangsbepaling
welke antwoord geeft op de vraag of de oude dan wel de nieuwe regeling
moet worden toegepast na vernietiging en verwijzing door de
cassatierechter. Nu na verwijzing het verzoek van de man in zijn geheel
opnieuw zal moeten worden behandeld zal daarbij de nieuwe regeling moeten
worden toegepast, zulks in overeenstemming met het slot van de tweede zin
van art. 74 lid 4 van het wetsvoorstel nr. 18.998 tot aanvulling van de
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Invoeringswet Boeken 3,5 en 6 nieuw
BW, elfde gedeelte).

3.2 Het Hof heeft voorts de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn in
hoger beroep alsnog subsidiair gedaan verzoek tot vaststelling van een aan
de vrouw op te leggen verplichting hem over het wel en wee van zijn
dochter te informeren, op de grond dat dit verzoek niet op de wet berust.
Daartegen keert zich middel b. Ook dit middel is gegrond. Een kind en zijn
niet met het gezag over hem belaste ouder hebben recht op omgang met
elkaar, zoals thans uitdrukkelijk is bepaald in art. 1:161a lid 1 BW. De
daartoe vereiste medewerking van de met het gezag beklede ouder zal in het
algemeen meebrengen dat hij de andere ouder op de hoogte stelt van
belangrijke feiten en omstandigheden betreffende het kind. Hiervan
uitgaande kan niet uitgesloten worden geacht dat de rechter, wanneer hij
een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling niet toewijsbaar
oordeelt, wel -indien zich geen gronden overeenkomstig die welke in art.
161a lid 3 (nieuw) zijn vermeld daartegen verzetten- een regeling
vaststelt die daartoe beperkt blijft dat de met het gezag beklede ouder
verplicht is de andere ouder -in de door de rechter te bepalen omvang en
vorm- inlichtingen betreffende het kind te geven.

Een dergelijke verplichting -die de uitoefening van het gezag door de
daarmede beklede ouder niet beperkt- is immers aan te merken als een
minder vergaande dan die welke evengenoemde ouder verplicht eraan mede te
werken dat de andere ouder zijn omgangsrecht uitoefent, en door de
aanvaarding ervan wordt voorkomen dat de band tussen het kind en de andere
ouder in ernstiger mate wordt verbroken dan wordt gerechtvaardigd door de
gronden die zich tegen het treffen van een omgangsregeling verzetten. Een
redelijke uitleg van de in het Burgerlijk Wetboek en in het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering vervatte procedureregels betreffende het
vaststellen van een omgangsregeling brengt mee, dat deze regels ook moeten
worden toegepast bij het vaststellen van een regeling omtrent het geven
van inlichtingen als vorenbedoeld.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Gerechtshof
te ‘s-Hertogenbosch van 4 januari 1990; en verwijst het geding naar het
Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

Rechters

Mrs. Snijders, De Groot, Hermans, Roelvink, Heemskerk; A-G Moltmaker

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage, 7 februari 1991

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De ex-partner van eiseres volgt haar regelmatig en valt haar dan lastig
Eiseres eist een straatverbod en een contactverbod. De President wijst
deze vordering toe onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 250,= per
overtreding

Volledige tekst

1. De feiten

Bijkens de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van 24 januari
1991 staat voorshands tussen partijen het volgende vast:

– Partijen hebben vanaf 1985 tot juni 1988 samengewoond in de woning van
eiseres

– In juni 1988 heeft gedaagde onder de dreiging van een kort geding tot
ontruiming de woning van eiseres verlaten

– Bij brief van 17 september 1990 heeft eiseres gedaagde laten weten
geen enkel contact meer met hem te willen hebben

– Gedaagde probeert desondanks contact met eiseres te zoeken en haar op
hinderlijke wijze te volgen

– Eiseres leeft door het gdrag van gedaagde onder een psychische druk
die zowel haar geestelijke als lichamelijke gezondheid ondermijnt

2. De vordering en het verweer

Eiseres vordert – zakelijk weergegeven –

1. gedaagde te verbieden zich op te houden:

a. in het gebied van het winkelcentrum —- te —-, met ondermeer de
straten: ——, Engelendaal, Merelstraat, Laan van Ouderenzorg, Heinsiuslaan,
alsmede in het flatgebouw aan de —-

b. in het gebied van de —-straat, te —-, met onder meer de straten:
—–, ——,——-,—–,—- en ——-

c. in het gebied van de —– te Leiden, met onder meer het begin van
het ——, de ——, ——- en ——

d. in het gebied van het —— te —— aan de —–

2. gedaagde te verbieden iedere handeling jegens eiseres waardoor hinder
of overlast aan eiseres wordt bezorgd, waaronder in ieder geval het aanspreken
van eiseres

Het onder 1.en 2. gevorderde op straffe van een dwangsom en met bepaling
dat dat vonnis zonodig ten uitvoer gelegd kan worden met behulp van de sterke
arm van politie en justitie

Zij stelt daartoe dat gedaagde haar voortdurend op hinderlijke wijze
volgt en vrijwel dagelijks contact met haar zoekt. Gedaagde parkeert zijn
auto naast die van eiseres in de winkelhofgarage te Leiderdorp waar eiseres
haar auto moet parkeren. Hij spreekt haar aan, rijdt achter haar aan, en
post op plaatsen waar zij werkt. Eiseres is van mening dat gedaagde door
zijn hinderlijk gedrag inbreuk maakt op haar persoonlijke levenssfeer en
zodoende onrechtmatig handelt jegens haar. Zij leeft tengevolge hiervan
onder zware psychische druk die psycho-somatische klachten veroorzaakt

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zonodig wordt daarop
hieronder nader ingegaan

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Ter beoordeling staat de vraag of gedaagde een zodanig
onaanvaardbare inbreuk maakt op het prive-leven van eiseres, dat een straat-
en contactverbod gerechtvaardigd is

3.2. Ter zitting is genoegzaam gebleken van spanningen bij eiseres; zij
heeft overtuigend uitgelegd dat zij zich in een zeer moeilijke situatie
bevindt waaraan een einde dient te komen

3.3. Voorshands kan uit de overgelegde getuigen-verklaringen, een en
ander in onderling verband bezien, worden opgemaakt dat eiseres door gedaagde
voortdurend hinderlijk gevolgd en lastig gevallen wordt, zowel bij haar eigen
woning als bij de woning van haar moeder aan de —— te —-. Ook op
plaatsen waar eiseres werkt – bij — te —- en bij —– te —— – staat
gedaagde regelmatig te posten en haar op te wachten

3.4. Gedaagde heeft ter zitting verklaard contact te zoeken met eiseres
in verband met een schilderij en andere roerende goederen die eiseres nog in
haar bezit heeft

Het door gedaagde gevoerde verweer dat hij eiseres voortaan niet meer
zal achtervolgen aangezien hij nu een nieuwe relatie heeft, lijkt gezien de
getuigen-verklaringen en recente achtervolgingen van gedaagde, voorshands
weinig geloofwaardig

3.5. Het straatverbod is toewijsbaar

Een straatverbod vormt een ingreep in de bewegingsvrijheid van gedaagde,
die in beginsel niet van onbeperkte duur behoort te zijn. Dat deel van de
beslissing zal dan ook aan een termijn worden gebonden. Ook het gebied
waarvoor een straatverbod gevorderd wordt, zal in omvang beperkt zijn

Gedaagde wordt tevens verboden contact te zoeken met eiseres, zodat zij
geen hinder of overlast meer ondervindt van gedaagde

3.6. Voorts zijn er termen om deze voorziening te versterken door middel
van een dwangsom, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gematigd op na
te melden wijze

Naast het opleggen van een dwangsom komt tenuitvoerlegging met behulp
van de sterke arm ons overbodig voor

3.7. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in de kosten van het geding

3.8. Een en ander leidt tot de volgende beslissing

4. Beslissing

De President:

Verbiedt gedaagde om vanaf de betekening van dit vonnis voor de periode
van een half jaar zich te bevinden in het flatgebouw aan de —– te —-,
waar de woning van eiseres is gelegen, en binnen een afstand van 500 meter van
dit flatgebouw, alsmede binnen een afstand van 500 meter van de
winkelhofgarage te Leiderdorp waar eiseres haar auto moet parkeren. Het
voormelde verbod tot het verblijven met inbegrip van de genoemde afstand van
500 meter geldt voor gedaagde ook ten aanzien van het huis van eiseresses
moeder aan de —- te —–. Het —– aan de —- te Katwijk en het —–
aan de —- te Leiden

Verbiedt gedaagde om vanaf betekening van dit vonnis contact te zoeken
met eiseres

Bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van ƒ 250,- voor iedere keer
dat hij voormelde verboden overtreedt

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

Wijst af het meer of anders gevorderde

Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot op deze
uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op f.1067,95

Rechters

mr. J.J. de Groot

Instantie: Hof van Justitie EG, 7 februari 1991

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Rechtvaardiging voor ongelijke behandeling deeltijdwerkers moet van
geval tot geval worden bekeken. De rol van de collectieve
arbeidsovereenkomst (ook: Rechtspraak Nemesis 1991, nr. 131)

Volledige tekst

Urteil

1 Das Arbeitsgericht Hamburg hat mit BeschluB vom 13. April 1989, beim
Gerichtshof eigegangen am 25. Mai 1989, gemaB Artikel 177 EWG-Vertrag zwei
Fragen nach der Auslegung des Artikels 119 EWG-Vertrag und der Richtlinie
75/117/EWG des Rates vom 10. Februar 1975 zur Angleichung der
Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten uber die Anwendung des Grundsatzes des
gleichen Entgelts fur Manner und Frauen (ABL. L 45, S. 19) zur
Vorabentscheidung vorgelegt

2 Diese Fragen stellen sich in einem Rechtsstreit zwischen Frau N. und
ihrem Arbeitgever, der Freien und Hansestadt Hamburg, uber ihren Aufstieg in
eine hohere Vergutungsgruppe

3 Aus den Akten geht hervor, daB das fragliche Arbeitsverhaltnis den
Bestimmungen des Bundes-Angestelltentarifvertrags (BAT) unterliegt. Nach
23a Nr. 6 BAT in seiner bis zum 31. Dezember 1987 geltenden Fassung werden fur
den Bewahrungsaufstieg in eine hohere Vergutungsgruppe die Dienstzeiten von
Arbeitsnehmern, die mit mindestens drei Viertel der regelmaBigen Arbeitszeit
beschaftigt sind, voll, die Dienstzeiten von Arbeitnehmern, deren Arbeitszeit
zwischen der Halfte und drei Viertel der regelmaBigen Arbeitszeit betragt,
aber nur zur Halfte angerechnet

4 Unter Hinweis auf diese bestimmung und mit der Begrundung, die
Klagerin sei mit weniger als drei Viertel der regelmaBigen Arbeitszeit
beschaftigt, Lehnte es ihr Arbeitgeber ab, ihr nach sechsjahriger
Zugehorigkeit zur Vergutungsgruppe V b Fallgruppe 1 a BAT den Aufstieg in die
nachsthohere Vergutungsgruppe, und zwar die Vergutungsgruppe IV b Fallgruppe 2
BAT, zu gewahren

5 Die Klagerin sah darin eine gesetzwidrige Diskriminierung, da die
Arbeitnehmer, die mit mindestens drei Viertel der regelmaBigen Arbeitszeit
beschaftigt seien, nach sechsjahriger Zugehorigkeit zu einer Vergutungsgruppen
Anspruch auf einen automatischen Aufstieg in die nachsthohere Vergutungsgruppe
hatten

Sie erhob daher Klage beim Arbeidsgericht Hamburg. Nach Auffassung
des vorlegenden Gerichts wirft die Klage Fragen nach der Auslegung der Artikel
117 und 119 EWG-Vertrag sowie der Richtlinie 75/117 auf. Es hat daher das
Verfahren ausgestetzt und dem Gerichshof folgende Fragen zur Vorabentscheidung
vorgelegt: (…) 1. Liegt ein Verstoss gegen Artikel 119 EWG-Vertrag in Form
der “mittelbaren Diskriminierung von Frauen” vor, wenn ein Tarifvertrag fur
den offentlichen Dienst fur den Bewahrungsaufstieg in die nachsthohere Verg
utungsgruppe im Hinblick auf die Position einer Verwaltungsfachangestellten
der Universitat bestimmt:

“Bewahrungszeiten, in denen der Angestellte regelmassig mit mindestens
drei Viertel der regelmassigen Arbeitszeit eines entsprechenden
vollbeschaftigten Angestellten beschaftigt war, werden voll, Bewahrungszeiten,
in denen er mit mindestens der Halfte der regelmassigen Arbeitszeit
beschaftigt war, werden zur Halfte angerechnet”,

wenn von allen angestellten Teilzeitbeschaftigten mit weniger als drei
Viertel der regelmassigen Arbeitszeit eines entsprechenden vollbeschaftigten
Angestellten mehr als 90 % weiblichen Geschlechts sind und von allen
Teilzeitbeschaftigten mit mindestens drei Viertel der regelmassigen
Arbeitszeit eines entsprechenden vollbeschaftigten Angestellten und den
Vollzeitbeschaftigten knapp uber 55 % weiblichen Geschlechts sind?

2. Fur den Fall der Bejahung der Frage 1:

Gebieten Artikel 119 in Verbindung mit Artikel 117 EWG-Vertrag und/oder
die Regelung der Richtlinie 75/117/EWG des Rates, dass fur die
Teilzeitbeschaftigten mit weniger als drei Viertel der regelmassigen
Arbeitszeit eines entsprechenden vollzeitbeschaftigten Angestellten die
gleiche Bewahrungszeit gilt wie fur Teilzeitbeschaftigte mit mindestens drei
Viertel der regelmassigen Arbeitszeit eines vollbeschaftigten Angestellten
oder eines Vollzeitbeschaftigten,

oder

darf das Gericht im Hinblick auf eine Regelungsautonomie der
Tarifvertragsparteien keine solche Entscheidung treffen, sondern muss diese
vielmehr den Tarifvertragsparteien uberlassen?

6 Wegen weiterer Einzelheiten des Sachverhalts des Ausgangsverfahrens,
der fraglichen gemeinschaftsrechtlichen Bestimmungen, des Verfahrensablaufs
sowie der beim Gerichtshof eingereichten schriftlichen Erklarungen wird auf
den Sitzungsbericht verwiesen. Der Akteninhalt wird im folgenden nur
insoweit wiedergegeben, als die Begrundung des Urteils dies erfordert

Zur ersten Frage

7 Die erste Frage des vorlegenden Gerichts geht dahin, ob es Artikel 119
EWG-Vertrag nicht zulasst, dass ein fur den nationalen offentlichen Dienst
geschlossener Tarifvertrag vorsieht, dass fur den Aufstieg in eine hohere
Vergutungsgruppe die Dienstzeit von Arbeitnehmern, die mit mindestens drei
Viertel der regelmassigen Arbeitszeit beschaftigt sind, voll, die Dienstzeit
van Arbeitnehmern, deren Arbeitszeit zwischen der Halfte und drei Viertel der
regelmassigen Arbeitszeit betragt, jedoch nur zur Halfte angerechnet wird,
wenn zu der letztgenannten Arbeitnehmergruppe sehr viel mehr Frauen als Manner
gehoren

8 Zur sachgerechten Beantwortung dieser Frage ist zunachst zu prufen, ob
der Aufstieg in eine hohere Vergutungsgruppe zum Anwendungsbereich des
Artikels 119 EWG-Vertrag gehort

9 Aus den Akten geht hervor, dass es sich im vorliegenden Fall um ein
System der quasiautomatischen Einstufung in die Vergutungsgruppen handelt, das
auf den in einem Tarifvertrag enthaltenen Dienstzeitvorschriften beruht.
Diese Vorschriften bestimmen die Entwicklung der Vergtung als solcher, die
einem Arbeitnehmer ohne nderung der Tatigkeit zusteht

10 Folglich fallen unter diesen Umstanden die Vorschriften uber den
quasiautomatischen Aufstieg in eine hohere Vergutungsgruppe grundsatzlich
unter den Begriff des Entgelts im Sinne des Artikels 119 EWG-Vertrag

11 Da Artikel 119 zwingenden Charakter hat, ist das Verbot der
diskriminierenden Ungleichbehandlung von mannlichen und weiblichen
Arbeitnehmern nicht nur fur die Behorden verbindlich, sondern es erstreckt
sich auch auf alle Tarifvertrage, die die abhangige Erwerbstatigkeit kollektiv
regeln, und auf alle Vertrage zwischen Privatpersonen (siehe zuletzt Urteil
vom 27. Juni 1990 in de Rechtssache C-33/89, Kowalska, noch nicht in der
amtlichen Sammlung veroffentlicht)

12 Den Akten ist zu entnehmen, dass nach der fraglichen Bestimmung des
Tarifvertrags die Arbeitnehmer, die mit mindestens der Halfte, aber weniger
als drei Viertel der Arbeitszeit eines vollzeitbeschaftigten Arbeitnehmers
beschaftigt sind, im Verhaltnis zu diesen doppelt so viele Dienstjahre
benotigen, um in die nachsthohere Vergutungsgruppe aufzusteigen. Ein
Tarifvertrag wie der hier in Rede stehende, der es den Arbeitgebern gestattet,
zwischen zwei Gruppen van Arbeitnehmern – denjenigen, die eine bestimmte
Mindestzahl von Arbeitsstunden pro Woche oder pro Monat leisten, und denen,
die bei gleichen Aufgaben diese Mindeststundenzahl nicht erreichen – einen
Unterschied beim Gesamtentgelt aufrechtzuerhalten, fuhrt jedoch faktisch zu
einer Diskriminierung der weiblichen Arbeitnehmer im Verhaltnis zu den
mannlichen, wenn sich herausstellt, dass prozentual erheblich weniger Manner
als Frauen teilzeitbeschaftigt sind. Ein derartiger Tarifvertrag muss
grundsatzlich als Artikel 119 EWG-Vertrag zuwiderlaufend angesehen werden
Anders ware dies nur, wenn die unterschiedliche Behandlung der beiden
Arbeitnehmergruppen durch objektive Faktoren gerechtfertigt ware, die nichts
mit einer Diskriminierung aufgrund des Geschlechts zu tun haben (siehe Urteil
vom 13. Mai 1986 in der Rechtssache 170/84, Bilka-Kaufhaus, Slg. 1986, 1607)

13 Insoweit hat die Stadt Hamburg in diesem Verfahren im wesentlichen
geltend gemacht, die Arbeitnehmer, die vollzeitbeschaftigt oder mit drei
Viertel der Arbeitszeit beschaftigt seien, gewannen schneller Fahigkeiten und
Fertigkeiten fur ihre Tatigkeit hinzu als die ubrigen Arbeitnehmer. Die
Bundesregierung hat sich daruber hinaus auf das grossere Erfahrungswissen der
erstgenannten Arbeitnehmer berufen

14 Derartige Erwagungen stellen jedoch lediglich verallgemeinernde
Aussagen zu bestimmten Kategorien von Arbeitnehmern dar. Ihnen lassen sich
keine objektive Kriterien entnehmen, die nichts mit einer Diskriminierung
aufgrund des Geschlechts zu tun haben (siehe Urteil vom 13. Juli 1989 in der
Rechtssache 171/88, Rinner-Kuhn, Slg. 1989, 2743). Zwar geht das
Dienstalter Hand in Hand mit der dienstlichen Erfahrung, die den Arbeitnehmer
grundsatzlich zu einer besseren Erfullung seiner Aufgaben befahigt, jedoch
hangt der objektive Charakter eines solchen Kriteriums von allen Umstanden des
Einzelfalls und insbesondere davon ab, welche Beziehung zwischen der Art der
ausgeubten Tatigkeit und der Erfahrung besteht, die die Ausubung dieser
Tatigkeit nach einer bestimmten Anzahl geleisteter Arbeitsstunden verschafft
Es ist aber Sache des nationalen Gerichts, das zur Beurteilung des
Sachverhalts allein zustandig ist, in Anbetracht aller Umstande festzustellen,
ob und in welchem Umfang eine tarifvertragliche Bestimmung wie die hier
fragliche durch objektive Grunde, die nichts mit einer Diskriminierung
aufgrund des Geschlechts zu tun haben, gerechtfertigt ist

15 Daher ist auf die erste Frage des vorlegenden Gerichts wie folgt zu
antworten: Artikel 119 EWG-Vertrag ist dahin auszulegen, dass er es nicht
zulasst, dass ein fur den nationalen offentlichen Dienst geschlossener
Tarifvertrag vorsieht, dass fur den Aufstieg in eine hohere Vergutungsgruppe
die Dienstzeit von Arbeitnehmern, die mit mindestens drei Viertel der
regelmassigen Arbeitszeit beschaftigt sind, voll, die Dienstzeit von
Arbeitnehmern, deren Arbeitszeit zwischen der Halfte und drei Viertel der
regelmassigen Arbeitszeit betragt, jedoch nur zur Halfte angerechnet wird,
wenn sich herausstellt, dass zu der letztgenannten Arbeitnehmergruppe
erheblich weniger Manner als Frauen gehoren, es sei denn, der Arbeitgeber
weist nach, dass die tarifvertragliche Bestimmung durch objektive
Kriteriengerechtfertigt ist, die insbesondere darauf abstellen, welche
Beziehung zwischen der Art der ausgeubten Tatigkeit und der Erfahrung besteht,
die die Ausubung dieser Tatigkeit nach einer bestimmten Anzahl geleisteter
Arbeitsstunden verschafft

Zur zweiten Frage

16 Die zweite Frage geht dahin, welche Folgen sich – insbesondere im
Hinblick auf die Regelungsautonomie der Tarifvertragsparteien – ergaben, wenn
das vorlegende Gericht die Unvereinbarkeit einer Bestimmung eines
Tarifvertrags mit Artikel 119 EWG-Vertrag feststellte

17 Wie der Gerichtshof im Urteil vom 8. April 1976 in der Rechtssache
43/75 (Defrenne, Slg. 1976, 455) entschieden hat, ist Artikel 119 EWG-Vertrag
hinreichend bestimmt, so dass ein Betroffener vor einem innerstaatlichen
Gericht unter Berufung auf diese Bestimmung verlangen kann, dass das Gericht
nationale Rechtsvorschriften ausser Anwendung lasst, und zwar auch in dem
Fall, dass sich die betreffende Bestimmung aus einem Tarifvertrag ergibt, der
mit Artikel 119 nicht vereinbar ist

18 Aus dem Urteil vom 27. Juni 1990 in der Rechtssache C-33/89 (a.a.O.)
geht hervor, dass im Falle einer mittelbaren Diskriminierung durch eine
Bestimmung eines Tarifvertrags die Angehorigen der dadurch benachteiligten
Gruppe Anspruch auf die gleiche Behandlung und auf Anwendung der gleichen
Regelung wie die ubrigen Arbeitnehmer haben, wobei diese Regelung, solange
Artikel 119 EWG-Vertrag im innerstaatlichen Recht nicht ordnungsgemass
durchgefuhrt ist, das einzig gultige Bezugssystem bleibt

19 Ferner ist nach standiger Rechtsprechung des Gerichtshofes (siehe
insbesondere das Urteil vom 9. Marz 1978 in der Rechtssache 106/77, Slg. 1978,
629) das nationale Gericht, das im Rahmen seiner Zustandigkeit die
Bestimmungen des Gemeinschaftsrechts anzuwenden hat, gehalten, fur die volle
Wirksamkeit dieser Normen Sorge zu tragen, indem es erforderlichenfalls jede
entgegenstehende Bestimmung des nationalen Rechts aus eigener
Entscheidungsbefugnis unangewendet lasst, ohne dass es die vorherige
Beseitigung dieser Bestimmung auf gesetzgeberischem Wege oder durch irgendein
anderes verfassungsrechtliches Verfahren beantragen oder abwarten musste

20 Diese Erwagungen gelten auch fur den Fall, dass sich die dem
Gemeinschaftsrecht entgegenstehende Bestimmung aus einem Tarifvertrag ergibt
Es ware namlich mit dem Wesen des Gemeinschaftsrecht unvereinbar, wenn
dem nationalen Gericht die uneingeschrankte Befugnis abgesprochen wurde,
unmittelbar bei der ihm obliegenden Anwendung des Gemeinschaftsrechts
Bestimmungen eines Tarifvertrags ausser Anwendung zu lassen, die die volle
Wirksamkeit der gemeinschaftsrechtlichen Vorschriften moglicherweise
behindern

21 Daher ist auf die zweite Frage zu antworten, dass im Falle einer
mittelbaren Diskriminierung durch eine Bestimmung eines Tarifvertrags das
nationale Gericht verpflichtet ist, diese Bestimmung – ohne dass es ihre
vorherige Beseitigung durch Tarifverhandlungen oder auf anderem Wege
beantragen oder abwarten musste – ausser Anwendung zu lassen und auf die
Angehorigen der durch diese Diskriminierung benachteiligten Gruppe die gleiche
Regelung wie auf die ubrigen Arbeitnehmer anzuwenden, wobei diese Regelung, so
lange Artikel 119 EWG-Vertrag im nationalen Recht nicht ordnungsgemass
durchgefuhrt ist, das einzig gultige Bezugssystem bleibt

Kosten

22 Die Auslagen des Bundesrepublilek Deutschland, des Vereinigten
Konigreichs und der Kommission der Europaischen Gemeinschaften, die
Erklarungen vor dem Gerichtshof abgegeben haben, sind nicht erstattungsfahig
Fur die Parteien des Ausgangsverfahrens ist das Verfahren ein
Zwischenstreit in dem bei dem nationalen Gericht anhangigen Rechtsstreit; die
Kostenentscheidung ist daher Sache dieses Gerichts

Aus diesen Grunden

hat

DER GERICHTSHOF (Sechste Kammer)

auf die ihm vom Arbeitsgericht Hamburg mit Beschluss vom 13. April 1989
vorgelegten Fragen fur Recht erkannt:

1) Artikel 119 EWG-Vertrag ist dahin auszulegen, dass er es nicht
zulasst, dass ein fur den nationalen offentlichen Dienst geschlossener
Tarifvertrag vorsieht, dass fur den Aufstieg in eine hohere Vergutungsgruppe
die Dienstzeit von Arbeitnehmern, die mit mindestens drei Viertel der
regelmassigen Arbeitszeit beschaftigt sind, voll, die Dienstzeit von
Arbeitnehmern, deren Arbeitszeit zwischen der Halfte und drei Viertel der
regelmassigen Arbeitszeit betragt, jedoch nur zur Halfte angerechnet wird,
wenn sich herausstellt, dass zu der letztgenannten Arbeitnehmergruppe
erheblich weniger Manner als Frauen gehoren, es sei denn, der Arbeitgeber
weist nach, dass die betreffende Bestimmung durch objektive Kriterien
gerechtfertigt ist, die insbesondere darauf abstellen, welche Beziehung
zwischen der Art der ausgeubten Tatigkeit und der Erfahrung besteht, die die
Ausubung dieser Tatigkeit nach einer bestimmten Anzahl geleisteter
Arbeitsstunden verschafft

2) Im Falle einer mittelbaren Diskriminierung durch eine Bestimmung
eines Tarifvertrags ist das nationale Gericht verpflichtet, diese Bestimmung –
ohne dass es ihre vorherige Beseitigung durch Tarifverhandlungen oder auf
anderen Wegen beantragen oder abwarten musste – ausser Anwendung zu lassen und
auf die Angehorigen der durch diese Diskriminierung benachteiligten Gruppe die
gleiche Regelung wie auf die ubrigen Arbeitnehmer anzuwenden, wobei diese
Regelung, so lange Artikel 119 EWG-Vertrag im nationalen Recht nicht
ordnungsgemass durchgefuhrt ist, das einzig gultige Bezugssystem bleibt

Rechters

Mancini, O’Higgins, Diez da Velasco, Kakouris en Kapteyn

Instantie: Raad van Beroep Zwolle, 6 februari 1991

Instantie

Raad van Beroep Zwolle

Samenvatting


Betrokkene (een alleenstaande vrouw) werkte voor 32 uur per week als
chauffeur bij een koeriersdienst

Na bevalling wilde zij wel blijven werken, als zij kind in auto mee kon
nemen. Werkgeefster wilde dit niet. Gezien de onregelmatigheid van de
werktijden kon betrokkene niet blijven werken. Na einde bevallingsverlof
werd dienstverband met wederzijds goedvinden beeindigd

Betrokkene vraagt na 2 weken een WW-uitkering aan vanaf einde
bevallingsverlof en schrijft zich bij GAB in voor 40 uur op regelmatige
tijden

WW-uitkering wordt over de eerste zes weken geweigerd, omdat betrokkene
geen beroep heeft gedaan op ontslagverbod van art. 1639 h lid 4 BW
(benadelingshandeling). Daarnaast krijgt betrokkene (na gemotiveerde
aanvraag voor beroep vatbare beschikking) een korting van 10% over 13 weken,
omdat zij niet geprotesteerd heeft tegen reden van het ontslag (verwijtbaar
werkloos en/of benadelingshandeling)

Beide sankties worden vernietigd

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder d.d. 19 juni 1990

2. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen

Op 31 augustus 1987 is klaagster als chauffeuse/koerierster voor 32 uur
per week in dienst getreden van C. te Deventer (verder te noemen
werkgeefster)

Vanaf 27 december 1988 t/m 20 juni 1989 heeft klaagster een uitkering
ingevolge de Ziektewet (ZW) genoten waarvan het laatste gedeelte als
zwangerschaps-uitkering

Op 9 mei 1989 is klaagster bevallen van een zoon

Na de bevalling heeft klaagster niet meer bij werkgeefster gewerkt

Bij verklaring d.d. 21 juni 1989 heeft werkgeefster het volgende aan
klaagster medegedeeld:

“Als werkgever deel ik u mede dat zij de dienstbetrekking met ingaan van
heden 21 juni 1989 tot haar spijt met u moet verbreken

Reden: Het is M. niet mogelijk chauffeursdiensten te verrichten i.v.m.
geboorte zoon

M. gaat accoord met dit ontslag”

Klaagster en werkgeefster hebben deze verklaring/mededeling ondertekend

Naar aanleiding van deze beëindiging van de dienstbetrekking heeft
klaagster aan verweerder verzocht haar in aanmerking te brengen voor een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW)

Klaagster heeft zich op 3 juli 1989 als werkzoekende bij het Gewestelijk
Arbeidsbureau laten inschrijven

Bij beslissing d.d. 28 september 1989 heeft verweerder onder meer het
volgende aan klaagster medegedeeld:

“U hebt met ingang van 14 augustus 1989 recht op een WW-uitkering. Uw
dagloon is vastgesteld op ƒ 79,28 dit is inclusief vakantietoeslag

De uitbetaling is 70% van het dagloon ƒ 55,50

min vakantietoeslag ƒ 4,11

_______

Bruto per dag ƒ 51,39

Bovendien hebt u recht op een uitkering krachtens de Toeslagenwet.
Die toeslag bedraagt ƒ 22.02 bruto per dag en wordt gelijktijdig met uw
WW-uitkering betaald”

Bij schrijven d.d. 27 november 1989 heeft klaagster aan verweerder
verzocht haar over de periode 21 juni 1989 t/m 13 augustus 1989 ook in
aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de WW

Bij brief d.d. 4 december 1989 is namens klaagster het volgende aan
verweerder bericht

“27 november 1989 heeft mevr. M. een voor beroep vatbare beschikking
aangevraagd, omdat zij het niet eens is met de datum van ingang van de
WW-uitkering als vermeld in uw brief van 28-9-1989 kenmerk WW 21 23-96076
Hieronder gelieve u de gronden van dit bezwaar aan te treffen

Kliente is buiten haar schuld werkloos geworden per 21-6-1989. U kent
eerst een WW-uitkering toe ingaande 14-8-1989, omdat er gedurende 6 weken na
het bevallingsverlof een ontslagverbod zou gelden. Voor de goede orde maakt
kliente u erop attent dat dit niet korrekt is. Het ontslagverbod van art.
1639h lid 4 BW geldt slechts ingeval de werkneemster na de bevalling haar werk
heeft hervat. Kliente is echter in verband met het onregelmatige karakter
van de werkzaamheden niet in staat geweest het werk na de bevalling te
hervatten. Zij heeft dan ook in beëindiging van de arbeidsovereenkomst na
afloop van het bevallingsverlof moeten berusten

U gelieve op grond van bovenstaande uw beslissing te herzien en kliente
alsnog een WW-uitkering toe te kennen ingaande 21-6-1989. Indien u hiertoe
niet bereid bent, gelieve u uw beslissing in een voor beroep vatbare vorm te
geven, zodat kliente deze dan aan de Raad van Beroep kan voorleggen. “

Vervolgens heeft verweerder de bestreden beslissing genomen en daa
rbij het volgende besloten

“Naar aanleiding van uw aangifte van werkloosheid, volgens welke u in
verband met de beëindiging van uw dienstbetrekking bij C. Koerierservice
gevestigd te Deventer, lid van de bedrijfsvereniging met ingang van 21 juni
1989 werkloos bent geworden, delen wij u mede, dat het bestuur van de
bedrijfsvereniging gezien de binnengekomen rapporten en adviezen, heeft
besloten u terzake van de aangegeven werkloosheid tot 14 augustus 1989 geen
uitkering toe te kennen

Het bestuur heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen

Sedert 31 augustus 1987 was u bij genoemde werkgever in dienst als
chauffeuse

Gedurende de periode 10 mei 1989 tot en met 20 juni 1989 ontving u een
bevallingsuitkering ingevolge de Ziektewet

Uw werkgever heeft u op 21 juni 1989 met onmiddellijke ingang ontslagen
omdat u uw werkzaamheden niet zou kunnen combineren met de verzorging van uw
zoon, met deze ontslagaanzegging ging u akkoord

In artikel 1639 h van het Burgerlijk Wetboek is bepaald, dat een
werkgever de dienstbetrekking niet kan opzeggen gedurende het tijdvak van de
zevende tot de twaalfde week na de bevalling

Het gegeven ontslag is derhalve in strijd met genoemd ontslagverbod

Naar het oordeel van het bestuur van de bedrijfsvereniging had van u
verwacht mogen worden, dat u de nietigheid van het ontslag had ingeroepen

Alsdan had uw dienstbetrekking na opzegging, eerst met ingang van 14
augustus 1989 op een regelmatige wijze beeindigd kunnen worden

Het bestuur is van oordeel dat u, door in te stemmen met het u op 21
juni 1989 gegeven ontslag, een handeling heeft gepleegd die het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWF) of de bedrijfsvereniging benadeeld heeft of had
kunnen benadelen

Onder deze omstandigheden is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering
tijdelijk geheel te weigeren

Van deze bevoegdheid maakt het bestuur gebruik door de uitkering te
weigeren over de periode van 21 juni 1989 tot 14 augustus 1989

“Bovendien is het bestuur van oordeel dat van u protest tegen de
ontslagreden verlangd had mogen worden, derhalve is het bestuur van oordeel
dat uw werkloosheid een verwijtbaar karakter draagt, danwel dat u eveneens om
deze reden een handeling heeft gepleegd die het AWF of de bedrijfsvereniging
benadeeld heeft of had kunnen benadelen

Onder deze omstandigheden is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering
tijdelijk of blijvend geheel danwel tijdelijk gedeeltelijk te weigeren

Van deze bevoegdheid maakt het bestuur eveneens gebruik door ingaande 21
juni 1989 op uw uitkering een sanctie/korting toe te passen van 10% gedurende
13 weken”

Tegen deze beslissing is beroep ingesteld

3. Motivering

De schriftelijke behandeling is voltooid

Klaagster en werkgeefster hebben de hierboven geciteerde verklaringen
d.d. 21 juni 1989 beiden ondertekend. De dienstbetrekking moet derhalve
ingaande 21 juni 1989 geacht worden met wederzijds goedvinden te zijn
beeindigd. De zich bij de stukken bevindende verklaringen van werkgeefster
en werkneemster, gedateerd 15 en 21 augustus 1989 wijzen ook in die richting:
werkgeefster verklaart onder meer, dat het ontslag in onderling overleg heeft
plaatsgevonden, werkneemster verklaart, dat zij daarmee accoord is gegaan
Onder die omstandigheden is er geen sprake van een onregelmatige
beëindiging van de dienstbetrekking. Dit laatste wordt door verweerder
blijkens de voorlegger d.d. 16 mei 1990 ook erkend

Wil dit nu ook zeggen, dat klaagster vanuit een oogpunt van toepassing
van de werkloosheidwet zich zonder meer met deze beëindiging van het
dienstverband op zich zelf accoord had kunnen of mogen verklaren? Die vraag
wordt in de bestreden beslissing ontkennend beantwoord. Klaagster had de
nietigheid van het ontslag dienen in te roepen, aldus verweerder, op grond van
het bepaalde in artikel 1639 h lid 4 in samenhang met artikel 1639 o lid 5 van
het Burgerlijk Wetboek. Door dit niet te doen heeft zij een
benadelingshandeling gepleegd tegenover het Algemeen Werkloosheidsfonds

Deze redenering zou slechts juist zijn, indien klaagster de bedongen
arbeid na de bevalling had hervat. Daarvan is echter geen sprake geweest
Die arbeid had klaagster, juist niet hervat vanwege het onregelmatige
karakter daarvan, reden, waarom zij toestemde in de beëindiging van het
dienstverband

Onder deze omstandigheden kan de primaire beslissing, zoals in de
bestreden beslissing opgenomen geen stand houden. De subsidiare grond, die
leidt tot de beslissing van verweerder dat vanaf 21 juni 1989 gedurende 13
weken een korting van 10% op klaagsters uitkering moet worden toegepast, is
hierboven weergegeven. Deze grond wordt aldus begrepen, dat klaagster
verwijtbaar werkloos is dan wel evenzeer een benadelingshandeling jegens het
AWF heeft gepleegd door niet te protesteren bij werkgeefster tegen de reden
van het ontslag zoals in de hierboven geciteerde verklaring van 21 juni 1989
is opgenomen

Deze grond is immers niet anders te begrijpen, nu op zichzelf de
beëindiging van de dienstbetrekking regelmatig was en geen schadeplichtigheid
van werkgeefster met zich bracht

Klaagster kon haar werkzaamheden in dienst van werkgeefster niet
combineren met de verzorging van haar zoon. Wel stelde zij zich voor 40 uur
arbeid beschikbaar, maar in andere werkzaamheden dan als
chauffeuse/koerierster in dienst van werkgeefster, nu de laatste gepaard
gingen met onregelmatige werktijden. Verweerder acht zulks verwijtbaar
Waar die verwijtbaarheid in schuilt, is echter niet duidelijk geworden
Naar moet worden aangenomen heeft verweerder bedoeld te zeggen, dat
klaagster door met de beëindiging van de dienstbetrekking accoord te gaan,
impliciet, maar zonder redelijke grond eisen heeft gesteld met betrekking tot
haar werktijden, die de voortzetting van het dienstverband ook voor
werkgeefster onaantrekkelijk maakte

De vraag is of klaagster door zich in beginsel niet meer beschikbaar te
stellen voor haar werk als chauffeuse/koerierster -op grond van de aard van
het werk en de daaraan verbonden onregelmatige werktijden- eisen heeft
gesteld, die de werkloosheid verwijtbaar doen zijn dan wel waardoor het AWF
zou kunnen worden benadeeld. Deze vraag beantwoordt ’s raads voorzitter
ontkennend. Allereerst wijst hij er op, dat klaagster zich gedurende 40 uur
voor werkzaamheden beschikbaar stelt. Ook verweerder gaat van de juistheid
van dit gegeven uit, anders had verweerder zich niet tot de in de bestreden
beslissing aangegeven gronden beperkt. Voorts mag niet uit het oog worden
verloren, dat klaagster op zichzelf nog wel bereid was geweest om de
werkzaamheden voor werkgeefster voort te zetten, mits haar zoontje in de auto
kon worden meegenomen. Werkgeefster had daartegen echter overwegend
bezwaar, zoals blijkt uit het verhoor van werkgeefster d.d. 15 augustus 1989

’s Raads voorzitter komt dan ook tot de slotsom, dat klaagster op
zichzelf in het overleg met werkgeefster over de voortzetting van het
dienstverband alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar vanuit een
oogpunt van toepassing van de Werkloosheidswet kon worden gevergd. Toen
werkgeefster er blijk van gaf het niet verantwoord te vinden, als zij haar
kind in de auto meenam behoefde van klaagster vanuit een oogpunt van
toepassing van die wet niet te worden geeist haar wensen met betrekking tot de
opvoeding van haar zeer jonge kind dan maar op te geven. Dit klemt te meer
nu klaagster zich wel beschikbaar heeft gesteld voor arbeid gedurende 40 uur
ê
week, mits dit een regelmatig karakter had, zodat zij tijdig een oppas
voor haar kind kon regelen

Onder die omstandigheden kan de op 21 juni 1989 ontstane werkloosheid
niet verwijtbaar worden geacht; evenmin kan klaagster geacht worden een
benadelingsbehandeling te hebben gepleegd, zoals hierboven aangegeven

Ook de grond, die subsidiair aan de bestreden beslissing ten grondslag
is gelegd, kan derhalve geen stand houden, zodat recht moet worden gedaan als
volgt:

Er is voldoende grondslag verkregen voor een beslissing op het namens
klaagster ingestelde beroep. Met toepassing van artikel 128, eerste lid,
van de Beroepswet moet worden beslist als volgt

4. Beslissing

De voorzitter van de Raad van Beroep te Zwolle,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden beslissing;

verstaat dat verweerder een nadere beslissing dient te nemen met
inachtneming van deze beschikking;

bepaalt dat verweerder aan klaagster het door hem gestorte recht van ƒ
25,- vergoedt

Rechters

mr J.J. van Uchelen als voorzitter, mw. M. van Raalte als griffier

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 6 februari 1991

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Klager verhandelde op grote schaal pornobanden binnen de TBS- inrichting
‘Veldzicht’. De handel in pornografische videobanden, mits geen harde porno,
wordt door de directie toegestaan. Onder de afnemers van de banden was een
personeelslid. De CRvS overweegt of het in beginsel toestaan van de invoer van
een handel in pornografische videobanden op zichzelf niet reeds het gevaar van
excessen – en daardoor schade aan het behandelingsklimaat en de individuele
behandelingsprocessen – in zich draagt. Klager is in afzondering geplaatst en
overgeplaatst naar het Dr. F.S. Meijers Instituut, mede wegens de excessen die
in verband werden gebracht met de handel in pornobanden. Zie ook het alsnog
gepubliceerde relaas over sexisme in het Dr. F.S. Meijers Instituut in Nemesis
1991, nr. 6.

Volledige tekst

De beroepscommissie uit de sectie terbeschikkingstelling van de Centrale
Raad, bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Tijdelijke regeling van de
rechtspositie van ter beschikking gestelden (verder te noemen de Tijdelijke
Regeling), heeft kennis genomen van een op 8 augustus en een op 22 september
1990 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door
mr. R. Amelink, namens J.H., verder te noemen klager,

gericht tegen een beschikking d.d. 14 september 1990 van de
beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de Rijkinrichting
“Veldzicht” te Balkbrug, alsmede gericht tegen de door de minister van
justitie op 2 augustus 1990 verleende toestemming tot verlenging van zijn
afzondering,

alsmede van de overige stukken, waaronder de beschikking van de
beklagcommissie en een toelichting d.d. 16 augustus 1990 van de minister van
justitie.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de beroepscommissie gehouden
op 20 november 1990 in het “Dr. F.S. Meijers Instituut” te Utrecht en ter
zitting van de beroepscommissie gehouden op 18 december 1990 in de
Rijksinrichting “Veldzicht”.

Op eerstgenoemde zitting waren aanwezig klager, bijgestaan door zijn
raadsman mr. C.F. Korvinus, alsmede J. de Natris, behandelingscoordinator in
de Rijksinrichting “Veldzicht”.

Op de tweede zitting waren aanwezig klager, bijgestaan door zijn
raadsman mr. R. Amelink, alsmee D.W. Oppedijk, geneesheer-directeur van
genoemde inrichting, voornoemde J. de Natris, alsmede 3
behandelingscoordinatoren.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag alsmede de beschikking van de beklagcommissie
en de inhoud van het beroep gericht tegen de beschikking van de minsiter van
justitie inhoudende toestemming tot verlenging van de afzondering:

Het beklag betreft klagers plaatsing in afzondering op 5 juli 1990
wegens zijn rol in de in de inrichting plaatsvindende handel in videobanden.

De beklagcommissie heeft het beklag, voorzover in beroep van belang,
ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte beschikking
weergegeven.

Het beroep betreft de toestemming tot verlenging van bovengenoemde
afzondering, gegeven op 2 augustus 1990 op grond van artikel 7 lid 1 jo
artikel 6 lid 1 van de Tijdelijke Regeling.

Op 7 augustus 1990 werd klager overgebracht naar het “Dr. F.S. Meijers
Instituut”.

Standpunten van klager, de directeur en de minister van justitie:

Zitting 20 november 1990

Door en namens klager is op de zitting d.d. 20 november 1990 volhard in
het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.

Voorts is betoogd dat het onjuist is dat de beklagcommissie heeft
afgezien van het horen van getuigen. De directeur had immers geen enkele
schriftelijke verklaring waarin belastende informatie over klager was
opgenomen. Hij had de informatie waarop hij zijn beslissing tot afzondering
had gebaseerd, alleen van “horen zeggen”.

Bovendien was deze informatie zeer vaag.

Klagers raadsman had met meerdere bewoners in “Veldzicht” gesproken en
deze hadden allen verklaard dat klager ten onrechte was afgezonderd. Naar het
oordeel van klagers raadsman is een nader onderzoek in deze zaak
noodzakelijk.

Ook is aangevoerd dat de invoer van en de handel in pornografische
videobanden in ‘Veldzicht’ is toegestaan. Zo werd het klager toegestaan 40 a
50 van dergelijke banden de inrichting in te voeren. Duidelijk was dat deze
banden voor de handel bestemd waren. Door deze handel ontstaat er een
crediteur/debiteur-verhouding; dit heeft naar klagers weten echter nimmer tot
onderliggende spanningen geleid. Ook weet klager niets van bedreigende
situaties en wordt door hem ontkend dat de pornografische videobanden van
sado-masochistische of bestiale aard waren.

Naar de mening van klager en zijn raadsman had eerder of in ieder geval
voorafgaande aan klagers afzondering een onderzoek naar klagers rol in de
videohandel dienen plaats te vinden. Klager heeft het gevoel dat men hem kwijt
wilde en dat hij de dupe geworden is van het feit dat genoemde handel in de
inrichting wordt toegestaan.

Tenslotte is nog aangevoerd dat klager door zijn afzondering grote
schade heeft geleden: de relatie met zijn (ex-)echtgenote was broos en door
het gebeurde heeft zij de relatie verbroken.

Dit werd ook veroorzaakt door het feit dat klager in separatie niet in
staat werd gesteld zijn echtgenote te bellen waardoor hij het een en ander
niet kon uitleggen.

Namens de directeur is op genoemde zitting aangevoerd dat de handel in
pornografische videobanden in de inrichting wordt toegestaan. Harde porno
wordt echter niet getolereerd en de banden die klager had, vielen in deze
categorie.

Voor het voeren van handel moet toestemming van het personeel zijn
verkregen. Klager had geen toestemming voor het verhandelen van de partij
videobanden die hij in zijn bezit had. Er was sprake van ongecontroleerde
handel, waarbij uit signalen van klagers medebewoners bleek dat een aantal van
hen onder druk waren komen te staan. Een bewonder verklaarde zelfs dat hij
mishandeld was, waar hij echter tegelijkertijd aan toevoegde dat hij deze
verklaring in een confrontatie met klager onmiddellijk zou intrekken.

Aangevoerd wordt dat klager voor de wijze waarop hij handelde al een
paar maal was gewaarschuwd; er werd in de staf al over een handelsverbod voor
hem gedacht. Toegegeven wordt dat een van de personeelsleden ook een videoband
van klager heeft gekocht; dit had niet mogen gebeuren en het betreffende
personeelslid is hiervoor gewaarschuwd.

Toen een van klagers medebewoners met het verhaal over de roofoverval
kwam, meende de directie dit serieus te moeten nemen. Een separatie werd
noodzakelijk geacht. In de speciale teambespreking werd de conclusie getrokken
dat behandeling van klager in ‘Veldzicht’ niet langer mogelijk was. Hierop
werd aangestuurd op een spoedige overplaatsing naar het Meijers

Instituut.

Zitting 18 december 1990

Op de zitting van 18 december 1990 is door en namens klager nog gesteld
dat hij de videofilms voor een medebewoner had ingevoerd.

Deze medebewoner had namelijk financi le problemen en zou de banden op
zijn beurt weer kunnen verkopen. Dit was bekend onder het personeel. Bij
binnenkomst in de inrichting werden alle videofilms gecontroleerd. Door klager
is voorts erkend dat hij een vijl heeft ingevoerd. De beschuldiging van invoer
van drank is door hem ontkend. Ook heeft hij geen medebewoners mishandeld.

Door klagers raadsman is nog aangevoerd dat de op de tweede zitting
aanwezige personeelsleden geen informatie uit eigen waarneming kunnen leveren,
zodat de aan het adres van klager geuite beschuldigingen vaag blijven.

Voorts had het advies van de minister van justitie betreffende de
verlenging van klagers afzondering beter genuanceerd moeten worden en hadden
van de zijde van de inrichting ook de gevolgen van een toegestane handel in
videobanden geaccepteerd dienen te worden. Bedacht had moeten worden dat
problemen tussen debiteuren en crediteuren niet per se door de crediteuren
veroorzaakt behoeven te zijn.

Door de geneesheer-directeur is in de eerste plaats aangevoerd dat de
invoer van videobanden in de Rijksinrichting ‘Veldzicht’ op grote schaal
geschiedt. Controle op de inhoud van de banden vindt steekproefsgewijs plaats.
Hierbij wordt gelet op de persoon van de bewoners. Er dient echter wel een
mogelijkheid tot ingrijpen te bestaan. In het onderhavige geval was al
gedurende langere tijd sprake van een uit de hand gelopen handelspraktijk,
waarbij gebruik werd gemaakt van afpersing, mogelijke mishandeling en
psychische terreur enzovoorts.

Een en ander werd regelmatig naar klager teruggekoppeld. Deze
terugkoppeling was een onderdeel van zijn behandeling. Klager werd in verband
met zijn opstelling in de handelspraktijken eerder op cel gesepareerd en werd
meerdere malen, ook in aanwezigheid van zijn echtgenote, gewaarschuwd.

Klager kon op die momenten agressief reageren; eenmaal gooide hij een
cd-opbergrek kapot.

Tenslotte is benadrukt dat bij nader onderzoek niet is gebleken dat de
door klager ingevoerde videobanden van sado- masochistische of bestiale aard
waren.

Door een van de drie aanwezige socio-therapeutisch medewerkers is onder
meer verklaard dat een medebewoner van klager hem meegedeeld dat hij onder
druk werd gezet door klager en dat hij en andere medebewoners door klager in
posities werden gemanoevreerd waarin zij hem niets konder weigeren. Een
medebewoner had verklaard dat klager voorwerpen wenste te ruilen, hetgeen
echter alleen met medeweten van het personeel mag gebeuren.

De socio-therapeutisch medewerkers waren al langere tijd op de hoogte
van het feit dat klager bewoners benaderde die een gesprek hadden gehad met
een socio-therapeutisch medewerker. Hij vroeg hen dan of zij “babbelden”.

De bewoners hielden hierdoor op en gegeven moment gesprekken met
medewerkers af. Voorts werd op klagers cel een bankoverschrijving van ƒ 2500,-
aangetroffen. De hierbij betrokken medebewoners en klager weigerden iets mee
te delen over de een of andere transactie.

Door een tweede socio-therapeutisch medewerker werd van de volgende door
klagers medebewoners aan hem afgelegde verklaringen mededeling gedaan:

Klager zou drank de inrichting hebben binnengesmokkeld; hij zou een
gijzeling hebben overwogen; hij zou hebben aangegeven dat hij zwakke
medebewoners financieel zou uitkleden; hij zou hebben gezegd dat bewoners die
zouden praten niet veilig zouden zijn tijdens het douchen (hierdoor durfde een
bepaalde medebewoner niet te douchen) en tenslotten zou hij een vijl en andere
gereedschap de inrichting hebben ingevoerd. De bewoners durfden hun
verklaringen echter niet op papier te bevestigen.

Het gehele team stond achter klagers afzondering, dit vooral in verband
met de bescherming van de zwakkere bewoners. Na klagers vertrek van de
afdeling werd duidelijk hoe sterk zijn invloed op de groep was geweest: de
sfeer werd beter, de bewoners meer open en tolerant.

De namens de minster van justitie versterkte schriftelijk toelichting
verwijst naar de door de geneesheer-directeur beschreven situatie zoals die
zich rond klager ontwikkelde en die leidde tot klagers plaatsing in
afzondering. De geneesheer-directeur verzocht de minister van justitie om
klagers herselectie middels overbrenging naar het “Dr. F.S. Meijers
Instituut”.

Deze overbrenging kon echter wegens capaciteitsproblemen niet direct
worden gerealiseerd, zodat de afzonderingsperiode van een maand ontoereikend
leek te zullen zijn. Nu uit de gegevens echter bleek dat een plaatsing van
klager tezamen met zijn medebewoners niet verantwoord kon worden geacht en er
intussen uitzicht was ontstaan op een spoedige overbrenging van klager naar
het Meijers Institiuut werd op 2 augustus 1990 de ministeriele machtiging tot
overbrenging van de afzondering verleend.

3. Beoordeling

Op 5 juli 1990 werd klager in afzondering geplaatst op grond van art. 6
lid 1 van de Tijdelijke Regeling wegens zijn rol in de in de inrichting
‘Veldzicht’ plaatsvindende handel in videobanden.

De beroepscommissie is van oordeel dat uit de haar ter beschikking
staande gegevens, waaronder met name de verklaringen van de op de tweede
zitting aanwezige sociotherapeutisch medewerkers voldoende aannemelijk is
geworden dat klager in genoemde handel een dominerende rol speelde, waarbij
hij onder meer trachtte zijn medebewoners onder druk te zetten, zodat zijn
optreden als bedreigend werd ervaren en daarvan een ongunstige invloed uitging
op het leefklimaat op de afdeling.

De geneesheer-directeur kon derhalve in redelijkheid tot klagers
afzondering besluiten. Dit geldt temeer, nu gebleken is dat klager reeds
meerdere malen op zijn gedrag, alsmede de eventuele consequenties hiervan, was
aangesproken.

Wel merkt de beroepscommissie op dat zij het betreurt dat klagers
bejegening door de inrichting aangaande zijn handelspraktijk niet zodanig is
geweest dat een escalatie als de onderhavige voorkomen kon worden; een
strakkere opstelling jegens klager had wellicht in de lijn gelegen.

Overigens vraagt de beroepscommissie zich af of het in beginsel toestaan
van de invoer van en handel in pornografische videobanden op zichzelf niet
reeds het gevaar van excessen – en daardoor schade aan het behandelingsklimaat
en de individuele behandelingsprocessen – in zich draagt.

Op 2 augustus 1990 werd klagers afzondering op grond van art. 7 lid 1 jo
art. 6 lid 1 van de Tijdelijke Regeling verlengd, daar een terugplaatsing van
klager naar zijn medebewoners niet verantwoord werd geacht.

De beroepscommissie is van oordeel dat de machtiging van de minister van
justitie hiertoe in redelijkheid gegeven kon worden, daar ook na klagers
afzondering belastende verklaringen ten aanzien van hem werden afgelegd en de
sfeer op de afdeling waar hij verbleven had aantoonbaar verbeterde.

4. Beslissing

De beroepscommissie verklaart het beroep gericht tegen de beschikking
van de beklagcommissie ongegrond en bekrachtigt deze beschikking. Zij
verklaart het beroep gericht tegen de toestemming tot verlenging van de
afzondering op grond van art. 7 lid 1 jo art. 6 lid 1 van de Tijdelijke
Regeling ongegrond.

Rechters

Mr J.W. Fokkens, voorzitter, mr P.A.M. Hendriks en dr. M. Oosterlee,leden.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 30 januari 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Klager, wiens jongste zoon is geboren op 20 februari 1970 en wiens
echtgenote op 2 juli 1986 is overleden, heeft naar aanleiding van de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van 7 december 1988, dat op 6 april 1986 de
termijn voor het geleidelijke opheffen van de in de AWW vervatte discriminatie
naar geslacht is verstreken, deze uitkering aangevraagd. Gedaagde maakt
aanspraak op uitkering ingevolge de AWW ingaande 1 juli 1986. De Sociale
Verzekeringsbank is van mening dat rechtstreekse werking op zijn vroegst kan
worden aangenomen per april 1986, de overlijdensdatum in de uitspraak van 7
december 1988 en dat in casu geen sprake is van een bijzonder geval. De
Centrale Raad van Beroep houdt vast aan 23 december 1984, zijnde de datum
waarop aan art. 26 van het IVBPR rechtstreekse werking niet kan worden
ontzegd. Tevens is de Centrale Raad van Beroep van mening dat er sprake is van
een bijzonder geval, aangezien voor de uitspraak van 7 december 1988 grote
onzekerheid bestond over het antwoord op de vraag of weduwnaars aanspraak
konden maken op een uitkering ingevolge de AWW, mede veroorzaakt door de
toentertijd bestaande onduidelijkheid over internationaalrechtelijke normen.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 30 januari 1991

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Er ontstaat geen vergoedingsrecht als de vermogensverschuiving is
geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Door de
tenaamstelling van het appartementsrecht heeft de erflater voldaan aan
een verplichting tot verzorging na zijn overlijden en aan beloning van
de arbeid van zijn vrouw in de huishouding gedurende het huwelijk en
daarmee heeft de erflater voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

Volledige tekst

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het hof heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is
dat erflater en belanghebbende het onroerend goed gezamenlijk hebben
gekocht. Het eerste onderdeel van het middel, dat klaagt over
onbegrijpelijkheid van dezer vaststelling, faalt omdat deze vaststelling
in overeenstemming is met de tot levering bestemde akte van 15 juni
1983, waarvan de inhoud in de uitspraak van het hof is opgenomen en
waarin is vermeld dat erflater en belanghebbende met de verkoopster een
koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot het ten processe
bedoelde appartementsrecht.

4.2. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de koopsom in haar geheel door
erflater is voldaan en dat erflater en belanghebbende waren gehuwd op
huwelijkse voorwaarden die elke gemeenschap van goederen uitsloten.
Tevens heeft het hof klaarblijkelijk in aanmerking genomen dat het
appartementsrecht aan erflater en belanghebbende gezamenlijk is
overgedragen in dier voege dat ieder van hen daarin voor de helft
gerechtigd werd. Het hof heeft uit een en ander afgeleid dat erflater
het recht heeft verkregen het deel van de koopsom dat belanghebbende
aangaat – zijnde de helft daarvan nu van een andere verdeling niet is
gebleken – van haar terug te vorderen. Het tweede en derde onderdeel van
het middel klagen erover dat het hof aldus onvoldoende is ingegaan op de
stellingen van belanghebbende.

4.3. Deze klacht is gegrond. Wanneer echtgenoten die met uitsluiting van
elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, een goed op beider naam
verkrijgen, maar de tegenprestatie geheel door een van hen wordt
voldaan, verkrijgt deze echtgenoot in beginsel jegens de andere een
recht op vergoeding van de helft van de waarde van die tegenprestatie.
Dit kan anders zijn wanneer tussen de echtgenoten anders is
overeengekomen of wanneer een en ander tussen hen beiden is geschied om
te voldoen aan een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot
verzorging van de andere, terwijl ook niet is uitgesloten dat uit goede
trouw in verband met de omstandigheden van het geval anders voortvloeit.
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat in het onderhavige geval slechts
op de eerste van deze drie mogelijkheden een beroep is gedaan doch heeft
het bestaan van het ingeroepen beding niet aangenomen. In de door het
hof vermelde stelling van belanghebbende dat het gestelde beding ertoe
strekte te voldoen aan een op erflater rustende verplichting
belanghebbende na zijn overlijden niet onverzorgd achter te laten en
mede diende voor beloning van belanghebbende voor haar arbeid in de
huishouding gedurende het huwelijk, ligt evenwel ook een beroep besloten
op voldoening door de erflater aan een natuurlijke verbintenis. Het hof
heeft daarover geen oordeel gegeven. Aldus is zijn uitspraak op dit punt
niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Verwijzing moet volgen.
Het middel behoeft voor het overige geen behandeling meer.

5. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, verwijst het geding
naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak
in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest en verstaat dat
door de staatssecretaris aan belanghebbende wordt vergoed het door deze
ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte recht
ten bedrage van ƒ 300.

Noot

M (erflater) en V (belanghebbende) hebben gezamenlijk een appartement
gekocht voor een bedrag van ƒ 369 000. Na overlijden van de man
constateert de inspecteur van belastingen dat tot de nalatenschap van M
mede behoort een vordering van M op V ter waarde van ƒ 184 500. De
inspecteur stelt zich op het standpunt dat zakenrechtelijk gezien beide
echtgenoten ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn geworden van
het appartementsrecht. Nu de man de hele koopsom heeft betaald is er
sprake van een vermogensverschuiving ten gunste van de vrouw
waartegenover de man een vergoedingsrecht jegens de vrouw heeft
verkregen. Uiteraard verhoogt dit vergoedingsrecht de heffing van
successierechten in aanmerkelijke mate, terwijl de echtgenoten juist
hebben beoogd (de notaris had hun dit destijds bij de koop gesuggereerd)
door de tenaamstelling van het appartementsrecht een verlaging van het
successierecht te bewerkstelligen en de huishoudelijke partner daardoor
in een voordeliger positie te brengen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 juni 1987, NJ 1988, 150
(Kriek/Smit) de mogelijkheid van een vergoedingsrecht tussen echtgenoten
die buiten elke gemeenschap van goederen zijn getrouwd erkend. Zo’n
vergoedingsrecht is in beginsel nominaal, gelijk aan het bedrag van de
oorspronkelijke waardeverschuiving. Mocht het (onroerend) goed dat met
het terbeschikking gestelde kapitaal is gekocht, in de tussentijd in
waarde zijn gestegen (zoals in het geval Kriek/Smit) of gedaald (zoals
in de zaak HR 10 januari 1992, RvdW 1992, 28) dan heeft dit in beginsel
geen invloed op de omvang van het vergoedingsrecht.

Met deze nieuwe uitspraak blijkt dat het ontstaan van een
vergoedingsrecht geen automatisme is. De Hoge Raad onderscheidt drie
gevallen waarin geen vergoedingsrecht ontstaat:

a. als de echtgenoten anders zijn overeengekomen;

b. als de vermogensverschuiving is geschied om te voldoen aan een
natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot verzorging van de
andere;

c. als dit voortvloeit uit de goede trouw in verband met de
omstandigheden van het geval.

Voor een huishoudelijke partner is vooral geval b van belang, aangezien
de objectieve goede trouw (in het huidige recht redelijkheid en
billijkheid geheten) slechts in zeer uitzonderlijke situaties aan bod
kan komen.

De Hoge Raad oordeelt dat de stelling van de vrouw, dat de erflater met
de tenaamstelling van het appartementsrecht voldeed aan een verplichting
tot verzorging na zijn vooroverlijden en mede voor beloning van
belanghebbende voor haar arbeid in de huishouding gedurende het
huwelijk, een beroep inhoudt op een natuurlijke verbintenis. Sinds HR 4
december 1987, NJ 1988, 610 (De Brouwer/Leenaarts) is duidelijk dat een
natuurlijke verbintenis ten behoeve van de meewerkende echtgenote kan
ontstaan en dat deze kan worden nagekomen bij handeling onder de
levenden. Ook is vrij algemeen in de literatuur geaccepteerd dat een
natuurlijke verbintenis ontstaat tot verzorging van de echtgenote na
vooroverlijden van de man (Wessels, Natuurlijke verbintenissen, nr.
591-596). In het fiscale recht wordt onderlinge verzorging tijdens de
(huwelijks)relatie eveneens als natuurlijke verbintenis beschouwd
(Wessels, a.w., nrs. 549 -550). In dit arrest wordt echter, fraai
aangereikt door de advocaat van de vrouw, een mogelijkheid gesuggereerd
tot ontstaan van een natuurlijke verbintenis tot een vergoeding voor
verrichte huishoudelijke werkzaamheden. Een voorzichtige suggestie in
die richting was eerder te vinden in de conclusie van A-G
Biegman-Hartogh bij het genoemde arrest van HR 4 december 1987, (onder
nr. 7 van de conclusie). Erg duidelijk is een en ander echter nog niet,
daarvoor zijn meer expliciete vraagstellingen nodig.

Een enkele dubbele tenaamstelling is niet voldoende om verlaging van
successierechten voor de langstlevende echtgenoot te bereiken omdat de
vermogensverschuiving in beginsel een vergoedingsrecht in het leven
roept. Is de vermogensverschuiving nagestreefd als beloning van door de
vrouw verrichte werkzaamheden in het huishouden, dan is het goed dit
duidelijk kenbaar te maken, bijvoorbeeld door een overeenkomst.

Wendelien Elzinga

Rechters

Mrs. Stoffer, Mijnssen, Wildeboer, Urlings, Zuurmond, A-GMoltmaker.

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 27 januari 1991

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Ongelijke pensioenleeftijden voor mannen (65 jaar) en vrouwen (60 jaar).
Gelijktrekking pensioenleeftijd naar 65 jaar onder verwijzing naar het
Barber-arrest. De rechtsgeldigheid en de gevolgen van een wijziging in de CAO.
Vordering tot handhaving ongelijke pensioenleeftijden wordt afgewezen.

Volledige tekst

1. Het verloop van het proces:

1.1. Eiseressen hebben gedaagden in kort geding gedagvaard tot.
samengevat:

1. dat aan gedaagde onder 1 geboden zal worden om de door eiseressen
verkregen pensioenrechten te handhaven, onder intrekking van de hierop
betrekking hebbende brief van 14 december 1990,

2. dat aan gedaagde onder 2 verboden zal worden ter vergadering van 18
juni 1991 enig voorstel in stemming te brengen dat kan leiden tot aantasting
van deze pensioenrechten, althans dat haar geboden zal worden het onder 4.
geagendeerde voorstel in te trekken,

3. dat althans ten faveure van eiseressen een zodanige beslissing ter
handhaving van hun pensioenrechten zal worden genomen, als ik in goede
justitie zou vermenen te behoren,

4. dat aan overtreding een dwangsom zal worden verbonden en

5. dat gedaagden in de proceskosten zullen worden veroordeeld.

1.2. De behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 17 juni
1991. Mr. Poelman heeft namens de in het hoofd van dit vonnis vermelde
informele vereniging een incidentele conclusie tot tussenkomst,
subsidiairvoeging, genomen. Mr. Lutjens heeft namens gedaagden de incidentele
vordering
bestreden. Door mij is bepaald dat de beslissing op de incidentele vordering
genomen zal worden tegelijk met de beslissing in de hoofdzaak. Mr. Poelman is
voorshands toegelaten het standpunt van incidenteel eiseres toe te lichten.

1.3. Mr Poelman heeft vervolgens het standpunt van eiseressen en dat van
incidenteel eiseres toegelicht, waarna Mr. Lutjens de vorderingen namens
gedaagden heeft bestreden. Beide raadslieden hebben pleitnotities en andere
stukken overgelegd.

1.4. Inzake de vordering onder 2. is direkt mondeling vonnis gewezen.
Deze vordering is ontzegd. Op de incidentele vordering en op de overige
hoofdvorderingen wordt in het onderhavige vonnis beslist.

2. De incidentele vordering

2.1. Gedaagden hebben aangevoerd dat de incidentele vordering niet
toewijsbaar is omdat een informele vereniging krachtens art. 20a van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen niet als procespartij kan optreden.
Bovendien zou toelating tot een onredelijke vertraging bij de behandeling van
het kort geding leiden.

Incidenteel eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat de vordering niet is
ingesteld op grond van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en dat
aan haar krachtens de algemene regeling van het Burgerlijk Wetboek de
bevoegdheid toekomt om als procespartij op te treden.

2.2. Naar mijn voorlopig oordeel ligt het gelijk aan de zijde van
gedaagden. Weliswaar berust de vordering niet rechtstreeks op de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, maar op een door het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen gewezen arrest (van 17 mei 1990, arrest-Barber),
waarin het Hof een interpretatie van art. 119 van het EEG-Verdrag gaf. De Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen is echter gegeven ter aanpassing van
de Nederlandse wet aan het recht van de Europese Gemeenschappen en wanneer in
die wet wordt bepaald dat alleen rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid in rechte een vordering kunnen instellen, moet worden
aangenomen dat dit ook geldt in een geval als het onderhavige.

2.3. Incidenteel eiseres kan dus niet in haar vordering ontvangen
worden. Aangezien voorshands aannemelijk is dat het verweer voeren tegen deze
vordering geen kosten met zich meegebracht heeft kan een kostenveroordeling
achterwege blijven.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1. Eiseressen zijn allen van het vrouwelijk geslacht en zij zijn – en
waren dit ook op 31 december 1990 – in loondienst van tot het Philips-concern
behorende ondernemingen, waaronder gedaagde onder 1. Zij zijn uit dien hoofde
aangesloten bij gedaagde onder 2. Op de eiseressen onder 6 en 8 na zijn zij
geen lid van enige vakorganisatie.

3.2. Krachtens het bepaalde in de statuten en het pensioenreglement van
gedaagde onder 2 gold in ieder geval tot 31 december 1990 voor eiseressen als
vrouwelijke werknemers een pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar, terwijl
die voor mannelijke werknemers 65 jaar was.

3.3 Gedaagde onder 1 heeft bij brief van 14 december 1990 verzonden
onder meer aan alle eiseressen (althans aan diegenen die bij haar in dienst
waren, het is niet helemaal duidelijk of deze brief ook door gedaagde onder 1.
verzonden is aan werkneemsters van andere Philips-bedrijven), het volgende
meegedeeld:

“Inmiddels heeft het Europees Hof van Justitie vastgesteld dat gelijke
behandeling van mannen en vrouwen eenvoudigweg verplicht is, waardoor
eventuele overgangsmaatregelen niet mogelijk zijn. Derhalve zijn er, in
overleg met de vakorganisaties, met ingang van 1 januari 1991 wijzigingen
aangebracht in de pensioen en ouderenregelingen voor de categorie van
medewerksters waartoe ook u behoort. Deze worden opgenomen in de CAO-A met
ingang van 1 januari 1991.

Het gaat hier om de volgende wijzigingen:

1. Met ingang van 1 januari 1991 is uw pensioengerechtigde leeftijd 65
jaar, net zoals dat thans reeds voor mannen in uw indelingsgroep het geval
is.

2. De door u verschuldigde premie voor deelname aan het Philips
Pensioenfonds A bedraagt met ingang van 1 januari 1991 2 procent van de
daartoe aangewezen inkomensbestanddelen. Dat is hetzelfde percentage als geldt
voor mannelijke werknemers in uw indelingsgroep.

3. Met ingang van 1 januari 1991 komt u, net zoals mannelijke
medewerkers in uw indelingsgroep, in aanmerking voor deelname aan de Regeling
Eerder Beeindigen, die thans geldt volgens de Philips CAO. Deze komt voor u in
plaats van de Suppletieregeling vrijwillig vervroegd pensioen, die gold in de
oude situatie.’

3.4. Deze brief is verzonden nadat gedaagde onder 1 bij brief van 28
november 1990 aan de vakorganisaties had voorgesteld aldus te handelen en
nadat de vakorganisaties (industriebond FNV bij brief van 10 december, unie
BLHP bij brief van 11 december en industrie- en voedingsbond CNV bij brief van
13 december) hadden bericht hiermee akkoord te gaan. Bij brief van 4 januari
1991 bevestigde de directeur van de Dienst collectieve arbeidsvoorwaarden aan
partijen bij de Collectieve arbeidsovereenkomst A. voor personeel van gedaagde
onder 1 dat deze dienst op 17 december 1990 van gedaagde onder 1 de mededeling
en de bescheiden als bedoeld in art. 4 eerste lid van de Wet op de loonvorming
had ontvangen met betrekking tot de Collectieve arbeidsovereenkomst A voor
personeel van gedaagden, waaruit bleek dat de CAO was gewijzigd voor de,
periode van 1 januari 1991 tot en met 31 maart 1992. Deze brief gold als
kennisgeving van ontvangst als bedoeld in art. 4, tweede lid WLV. Verzocht
werd zo spoedig mogelijk een door alle partijen ondertekend exemplaar van de
CAO-wijziging toe te zenden.

3.5. In de Philips-koerier van 14 februari 1991 werd een toelichting
gegeven op de wijzigingen in de CAO betreffende de pensioenregelingen. In de
Philips-koerier van 8 juni 1991 werden de aangeslotenen bij gedaagde onder 2
opgeroepen voor de jaarvergadering, die op 18 juni 1991 gehouden zou worden.
Onder 4 was in de agenda opgenomen een voorstel van het College van Beheer tot
wijziging van het Pensioenreglement. Deze wijzigingen werden in hetzelfde
nummer van de Philips-koerier gepubliceerd.

Verder werd bij deze toelichting opgenomen een voorstel van een aantal
aangeslotenen om, samengevat, de behandeling aan te houden totdat over de
wettigheid van overgangsmaatregelen duidelijkheid zou zijn verkregen. Dit
voorstel was ingediend door eiseressen of een aantal van hen.

3.6. Een aantal verontruste werkneemsters van Philipsbedrijven heeft
zich verenigd in een werkgroep onder de naam ‘Recht op (on)gelijk’. Deze
werkgroep, waartoe blijkens opgave van eiseressen thans een kleine 900
werkneemsters als leden of sympathisanten behoren, heeft zich bij brief van 17
mei 1991 tot gedaagde onder 1 gericht en daarin bezwaar gemaakt tegen de
wijziging van de CAO en tegen de voorgestelde wijziging van het
pensioenreglement, waarover op 18 juni besloten zou worden, met namen tegen
het ontbreken van keuze- of overgangsmaatregelen.

Voorts heeft de werkgroep zich bij brief van 24 mei 1991 gericht tot het
Pensioenfonds in verband met de voor 18 juni uitgeschreven vergadering.

3.7. Eiseressen leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag:
veel vrouwen hebben zich emotioneel, financieel en anderszins ingesteld op een
pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar. Deze pensioengerechtigde leeftijd
betekent in beginsel tevens het automatische einde van de arbeidsovereenkomst.
Zij worden nu tegen hun wil geconfronteerd met een verplichting om 5 jaar
langer dan overeengekomen door te werken en zij zien hun pensioenuitkering met
eenzelfde periode van 5 jaar uitgesteld.

Zij konden voorheen op de leeftijd van 55 jaar met vervroegd pensioen
krachtens de zogenaamde SVVP-regeling. Deze mogelijkheid is vervallen. Het
ouderdomspensioen werd voorheen op jaarbasis berekend op 1,75 procent per
pensioenjaar bij een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en 2 procent per
pensioenjaar bij een pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar.

Zij hebben aldus een pensioenrecht van 2 procent per jaar opgebouwd en
volgens wordt dit voor het verleden teruggebracht tot 1,75 procent per jaar.
De werkgever kan niet zomaar verandering aanbrengen in de arbeidsovereenkomst
en de op grond van die overenkomst verkregen rechten, waaraan niet kan afdoen
dat de vakorganisaties met wijziging van de CAO hebben ingestemd. In ieder
geval kan dit degenen die geen lid van enige vakorganisatie zijn niet binden.
Overigens stellen de vakorganisaties zich op het standpunt dat nog geen
overeenstemming is bereikt over het vraagstuk van de (opgebouwde)
pensioenrechten. Het arrest-Barber noopt gedaagden niet om gelijkstelling
tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen door de voor vrouwen geldende
gunstiger regeling te laten vervallen en voor hen de voor mannen geldende
ongunstiger regeling toepasselijk te verklaren. De regeling van art. 119
EEG-Verdrag beoogt juist de gediscrimineerde groep, en dat zijn in het
algemeen de vrouwen, te beschermen. Hier zou op zijn minst een
overgangsregeling getroffen moeten worden en de redelijkheid en billijkheid
kunnen met zich meebrengen dat aan vrouwen een keuzemogelijkheid wordt
gegeven. Het is voorts twijfelachtig of de CAO wel rechtsgeldig is gewijzigd.
Blijkens art. 3 van de Wet op de CAO kan een CAO slechts worden aangegaan bij
authentieke of onderhandse akte en krachtens art. 5 van deze wet geldt
hetzelfde voor wijziging van een CAO. Een briefwisseling is niet genoeg en een
akte ontbreekt. Niet voor niets vraagt de directeur van de Dienst collectieve
arbeidsvoorwaarden in zijn brief van 4 januari om toezending van een door alle
partijen ondertekend exemplaar van de CAO-wijziging. De CAO houdt voorts in
dat, indien een der partijen door bijzondere omstandigheden wijziging van de
overeenkomst noodzakelijk mocht oordelen, dit aan de andere partijen
schriftelijk zal worden meegedeeld en dat partijen hierover onverwijld
onderhandelingen zullen openen.

Bijzondere omstandigheden ontbraken, immers de CAO is pas ondertekend op
27 juni 1990, dus na het wijzen van het arrest- Barber. Van onderhandelingen
is geen sprake geweest. Voorzover de CAO wel rechtsgeldig mocht zijn
gewijzigd, komt de wijziging in strijd met de artt. 8 en 26 van het
BuPo-Verdrag, immers het zijn enkel vrouwen die hun rechtspositie aangetast
zien en zij worden dus gediscrimineerd, terwijl de maatregelen voorts
neerkomen op een eenzijdige verlenging van de duur van het arbeidscontract en
daarmee ‘verplichte arbeid’ in de zin van art. 8 opleveren.

Dit laatste wordt ook bij art. 4 van het EVRM verboden. Verder verzetten
geest en strekking van de Pensioen- en Spaarfondsenwet tegen het laten
vervallen van opgebouwde pensioenrechten.

Krachtens art. 32 PSW mag een pensioen of een aanspraak op pensioen niet
worden afgekocht en het ontnemen van reeds opgebouwde pensioenrechten is nog
kwalijker dan het afkopen hiervan. Art. 8 van de Wet op het algemeen
verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve
arbeidsovereenkomsten heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de bevoegdheid om bepalingen onverbindend te verklaren, indien het algemeen
belang zulks vereist. Gezien het vorenstaande bestaat hiervoor aanleiding.
Gedaagde onder 1 zou niet als een goed werkgever handelen indien zij onder
deze omstandigheden de werkneemsters zou houden aan de CAO-wijziging. Dit
temeer nu de werkneemsters op grond van het CAO-boekje en de
voorlichtingsbrochures van Philips erop mochten vertrouwen dat in ieder geval
voor 1 januari 1992 op pensioengebied niets zou veranderen en dat de
overgangsmaatregelen die in een aanhangig wetsontwerp voorzien waren, gevolgd
zouden worden. Eiseressen hebben van het Pensioenfonds een pensioenoverzicht
per 1 januari 1990 ontvangen, waarin uitdrukkelijk vermeld is per welke datum
ieder van hen pensioengerechtigd zou zijn. Enigen van hen zijn 55 of 57 jaar
oud. Met twee oudere vrouwen is door gedaagden een speciale regeling
getroffen.

Tenslotte nog het volgende:

In de individuele arbeidsovereenkomsten wordt verwezen naar de geldende
collectieve arbeidsovereenkomst. In die arbeidsovereenkomsten heeft de
werkgever zich niet het recht voorbehouden daarin wijzigingen aan te brengen
en de arbeidsovereenkomsten worden dan ook nog steeds beheerst door wat
destijds werd overeengekomen, dus inclusief de inhoud van de destijds geldende
CAO. Een wijziging van de CAO kan in de relatie tussen de individuele
werkneemsters en de werkgever geen wijziging brengen.

3.8. De oudste van de bij gedaagde onder 1 in dienst zijnde eiseressen
is 55 jaar, Gedaagden stellen hiertegenover het volgende.

De CAO is rechtsgeldig gewijzigd. Krachtens art. 4 van de Wet op de
Loonvorming treedt de wijziging van de CAO in werking met ingang van de dag,
volgende op die waarop de in het tweede lid van dit artikel bedoelde
kennisgeving is verzonden. Dat de akte pas later wordt ondertekend, doet
daaraan niet af.

Eiseressen zijn aan de CAO en dus ook aan de wijziging gebonden
krachtens de verwijzing in de individuele arbeidsovereenkomsten. Het is
duidelijk dat de verwijzing naar de CAO in die arbeidsovereenkomsten niet
bedoelt dat de ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomsten geldende
CAO de rechtsverhouding tussen partijen blijft beheersen ook nadat die CAO is
gewijzigd of vervallen of vervangen door een andere. De geldende CAO maakt
deel uit van de individuele arbeidsovereenkomsten. De wijziging in de CAO was
nodig geworden door het arrest-Barber. Dat was wel degelijk een bijzondere
omstandigheid die reden voor wijziging van de CAO opleverde.

Weliswaar was de CAO pas op 27 juni 1990 ondertekend, maar die
ondertekening was niet meer dan een formaliteit en de vaststelling van de CAO
had plaatsgevonden voor het arrest-Barber was gewezen. De vakorganisaties zijn
met de voorgestelde wijziging akkoord gegaan en onderhandelingen behoefden dus
niet plaats te vinden. Van discriminatie of verplichte arbeid in de zijn van
het BuPo-verdrag is geen sprake en evenmin van strijd met de Pensioen- en
Spaarfondsenwet. Het is ook niet aannemelijk dat de Minister de wijziging
onverbindend zal verklaren. Een voorlichtingsbrochure schept geen rechten. De
situatie is nu eenmaal door het arrest-Barber grondig gewijzigd en gedaagden
moesten zich bij de nieuwe situatie aanpassen. Ook kunnen eiseressen geen
rechten ontlenen aan het hen toegezonden pensioenoverzicht, vermeldende de
datum waarop zij krachtens de oude regeling pensioengerechtigd zouden zijn.
Het betreft hier, zoals de mededeling vermeldt, slechts een informatieve
opgave op grond van de toen geldende regeling. De werkgever handelt geenszins
in strijd met redelijkheid en billijkheid door de gewijzigde CAO, ook ten
aanzien van eiseressen, toe te passen.

Anders dan eiseressen stellen komt de nieuwe regeling, in samenhang met
andere geldende regelingen, voor hen zelfs voordeliger uit. De vordering onder
1 moet worden ontzegd, waarbij nog opgemerkt kan worden dat eiseressen geen
enkel belang hebben bij intrekking van de brief van 14 december 1990. Evenmin
hebben eiseressen belang bij de vordering onder 2. De voorgestelde wijzigingen
waren, voorzover het werknemers betrof die op 31 december 1990 in loondienst
waren, slechts van tekstuele aard. In de oude tekst werd bepaald dat onder de
pensioengerechtigde leeftijd wordt verstaan de in de CAO voor de aangeslotene
van kracht zijnde pensioneringsleeftijd van 60 of 65 jaar en in de nieuwe
tekst wordt vermeld dat onder de pensioengerechtigde leeftijd van de
aangeslotene wordt verstaan de leeftijd van 65 jaar, indien de aangeslotene op
of na 1 januari 1991 in dienst van Philips is getreden en de leeftijd van 60
of 65 jaar conform de voor de aangeslotene geldende CAO indien de aangesloten
op 31 december 1990 in dienst van Philips was.

Voor eiseressen maakt dit geen verschil. Voor het treffen van
overgangsmaatregelen achtte het College van Beheer, dat voor 50 procent uit
werknemers is samengesteld, geen redenen aanwezig.

De vordering onder 3 is zo onbepaald dat hij reeds om die reden niet
toewijsbaar kan zijn. Voorzover belangenafweging aan de orde mocht komen,
wijzen gedaagden erop dat het arrest-Barber met zich meebracht dat de oude
pensioenregeling nietig was geworden en dat spoedige aanpassing noodzakelijk
was, omdat anders mannen hadden kunnen eisen op 60-jarige leeftijd
gepensioneerd te worden. Aanpassing van de regeling voor mannen aan die voor
de vrouwen zou tot financieel onaanvaardbare gevolgen leiden.

Toewijzing van de vorderingen zou betekenen dat gedaagden wanprestatie
jegens de vakorganisaties plegen. Inderdaad is met twee vrouwen een speciale
regeling getroffen, maar dat is gebeurd voordat de wijziging in de CAO tot
stand was gekomen. De eiseressen onder 5, 6, en 7 kunnen in ieder geval niet
in hun vordering ontvangen worden omdat zij niet in dienst zijn bij gedaagde
onder 1., maar bij een andere Philips-onderneming.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Omtrent de vordering onder 2. is reeds mondeling uitspraak gedaan
direct aansluitend aan de behandeling van het kort geding en deze vordering
kan dus verder buiten beschouwing blijven.

4.2. Aangezien eiseressen niet bestreden hebben dat eiseressen onder 5,
6 en 7 in dienst van andere Philips-onderneming dan gedaagde onder 1. zijn,
kunnen zij niet in hun vordering ontvangen worden. Overigens is dit niet meer
dan een formele beslissing, want aangenomen mag worden dat zij behoudens de
persoon van de werkgever in dezelfde rechtspositie verkeren als de overige
eiseressen en dat dus ten aanzien van hen hetzelfde geldt als wat in dit
vonnis ten aanzien van de overige eiseressen zal worden overwogen.

4.3. Bij de beoordeling van het geschil moet duidelijk onderscheid
worden gemaakt tussen de wijziging van de CAO (voor de toekomst) en de vraag
welke rechten voor eiseressen verbonden zijn aan de voordien geldende CAO. Een
wijziging van de CAO kan geldende rechten niet aantasten. Het komt voorshands
dan ook aannemelijk voor dat de door eiseressen opgebouwde pensioengrondslag,
op basis van 2 procent per jaar, in stand is gebleven.

4.4. Voorshands komt aannemelijk voor dat de CAO rechtsgeldig gewijzigd
is. Het arrest-Barber was een bijzondere omstandigheid die reden voor
wijziging van de CAO opleverde, waaraan niet kan afdoen dat dit arrest ten
tijde van de ondertekening van de CAO reeds bekend was, immers die
ondertekening is inderdaad niet meer dan een formaliteit en de overeenstemming
tussen werkgever en vakbonden was reeds voor het wijzen van dit arrest
bereikt.

Weliswaar schrijft de CAO voor dat onderhandelingen gevoerd moeten
worden wanneer men een wijziging wenst, maar het is duidelijk dat voor het
voeren van onderhandelingen geen noodzaak bestaat wanneer partijen het reeds
direct met elkaar eens zijn.

Dat de wijziging nietig zou zijn of dat voor de Minister aanleiding zou
bestaan tot onverbindendverklaring van de wijziging, komt niet aannemelijk
voor. Het is moeilijk aan te nemen dat eiseressen zelf zouden geloven dat de
wijziging een discriminatie in de zin van art. 26 van het BuPo-Verdrag
betekent of zou neerkomen op verplichte arbeid in de zin van art. 8 van dat
verdrag of art. 4 van het EVRM. Ook komt niet aannemelijk voor dat de
strekking van de Pensioen- en Spaarfondsenwet zich tegen een wijziging als de
onderhavige verzet, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat, zoals
hiervoor overwogen, de wijziging van de CAO los staat van de vraag welke
rechten eiseressen op grond van de voordien geldende CAO hebben.

4.5. Voorshands komt eveneens aannemelijk voor dat eiseressen aan de
wijziging gebonden zijn. Hoewel de tekst van de individuele
arbeidsovereenkomst een interpretatie als daaraan door eiseressen gegeven
mogelijk maakt, komt deze interpretatie zozeer in strijd met de kennelijke
bedoeling van de desbetreffende bepaling dat deze uitleg als onaannemelijk
moet worden beschouwd. In de loop der jaren hebben nieuwe CAO’s veelal de
rechtspositie van de werknemers verbeterd en het door eiseressen ingenomen
standpunt zou dan tot gevolg hebben dat zij op die verbeteringen rechtens geen
aanspraak zouden kunnen doen maken omdat voor hen nog steeds de CAO gold die
van toepassing van ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomsten.

4.6. De omstandigheid dat de wijziging van de CAO rechtsgeldig tot stand
zou zijn gekomen, impliceert niet dat de werkgever jegens de individuele
werknemer of jegens bepaalde groepen werknemers niet verplicht tot meer zou
kunnen zijn dan in de gewijzigde CAO is bepaald. Het betrof hier immers een
nogal ingrijpende wijziging, waarbij de pensioengerechtigde leeftijd werd
verschoven van 60 naar 65 jaar, met alle daaraan verboden gevolgen voor wat
betreft het tijdstip van beeindiging van de arbeidsovereenkomst en de gelding
van andere regelingen, zoals overgangsregelingen voor vervroegd uittreden. Het
zal duidelijk zijn dat men iemand die 59 jaar is en verwacht het volgend jaar
met pensioen te gaan niet zonder meer die verwachting kan ontnemen door de
pensioengerechtigde leeftijd naar 65 jaar op te schuiven. Het is de vraag of
de eisen van redelijkheid en billijkheid in een dergelijk geval niet met zich
meebrengen dat de werkgever de effecten van de wijziging voor betrokkenen,
individueel en eventueel ook groepsgewijs, beziet en, indien die effecten
zwaar uitpakken, overgangsmaatregelen of individuele oplossingen voorstelt.
Hetzelfde geldt voor anderen die de leeftijd van 65 jaar ten tijde van de
invoering van de CAO- wijziging reeds tamelijk dicht genaderd waren, waarbij
in het midden kan blijven waar precies de grens getrokken moet worden.

Het komt voorshands aannemelijk voor dat hier door gedaagden te weinig
aandacht aan deze effecten gegeven is. Zo valt op dat gedaagden bij de
behandeling van het kort geding hebben aangevoerd dat de nieuwe regeling in
sommige opzichten voor eiseressen gunstiger uitkomt dan de oude. Van enige
voorlichting betreffende de effecten van invoering van de nieuwe regeling, in
het bijzonder voor oudere werkneemsters, blijkt echter niet.

4.7. De vordering onder 1 is niet toewijsbaar. Het recht op een
pensioneringsleeftijd van 60 jaar kan niet als verworven recht worden
beschouwd. Voor intrekking van de brief van 14 december 1990 bestaat geen
reden.

4.8. Voor toewijzing van de vordering onder 3 bestaat evenmin reden.

Terecht hebben gedaagden aangevoerd dat deze vordering wel erg algemeen
is geformuleerd, maar hij beoogt kennelijk de mogelijkheid te geven om,
wanneer het onder 1 en 2 gevorderde niet toewijsbaar zou zijn, iets van minder
strekkende aard dan het onder 1 en 2 gevorderde te bepalen. Daartoe acht ik
echter onvoldoende reden aanwezig. Aangenomen mag worden dat tussen de
vakorganisaties en gedaagde onder 1 nog verder onderhandeld zal worden over de
opgebouwde pensioenrechten. Verder komt het aannemelijk voor dat gedaagde
onder q bereid zal zijn met de als incidenteel eiseres opgetreden informele
vereniging nader te overleggen over de gevolgen van de wijzigingen.

4.9. Hoewel de vorderingen moeten worden ontzegd vind ik in de
omstandigheid dat voor de verontrusting van eiseressen wel enige aanleiding
blijkt te bestaan reden om de proceskosten te compenseren.

5. De beslissing

De President,

rechtdoende in kort geding:

verklaart incidenteel eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering tot
tussenkomst of voeging;

verklaart eiseressen onder 5, 6 en 7 niet-ontvankelijk in haar
vorderingen;

ontzegt de overige eiseressen haar vorderingen;

compenseert de proceskosten van de hoofdprocedure aldus dat beide
partijen de eigen kosten dragen.

Rechters

Mr G.R. Andre de la Porte

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 25 januari 1991

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Geen verhaalsrecht op de partner van ambtenaar terzake van
invaliditeitsuitkering als gevolg van ongeval veroorzaakt door die partner
Gelijkstelling ongehuwd samenwonenden aan gehuwden omdat ‘de uitkeringen
van het slachtoffer in feite zullen worden aangewend ter bestrijding van de
kosten van de gemeenschappelijke huishouding’. Verhaal zou slachtoffer van
ongeval feitelijk van uitkering beroven

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie – verder te noemen het A.B.P. – heeft bij exploot van
9 juli 1986 verweerder in cassatie – verder te noemen E. – gedagvaard voor de
Rechtbank te Maastricht en gevorderd E. te veroordelen om aan het A.B.P. te
betalen een bedrag van ƒ 146.099,04 met de wettelijke rente vanaf 15 januari
1986

Nadat E. tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij
vonnis van 2 juni 1988 aan het A.B.P. de vordering ontzegd

Tegen dit vonnis heeft het A.B.P. hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, waarna E. voorwaardelijk incidenteel hoger
beroep heeft ingesteld

Bij arrest van 25 januari 1989 heeft het Hof in het principaal appel het
bestreden vonnis bekrachtigd en in het incidenteel appel verstaan dat dit
beroep niet is gehandhaafd

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft het A.B.P. beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit

E. heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot vernietiging
van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof
ter verdere behandeling en beslissing

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan

Op 10 november 1973 heeft te Breda een aanrijding plaatsgevonden,
waarbij betrokken waren een personenauto Citroen en een bestelauto Ford. De
Citroen werd bestuurd door E. en was tegen wettelijke aansprakelijkheid
verzekerd bij de Zwolsche Algemeene

Tengevolge van deze aanrijding is gewond geraakt mevrouw K., toenmaals
administratief beambte bij de toneelacademie te Maastricht, die inzittende was
in de Citroen. K. heeft van 28 november 1976 tot 1 januari 1986 vanwege het
A.B.P. een invaliditeitspensioen ontvangen ten bedrage van ƒ 146.099,04

E. en K. voeren sedert 1972 een gemeenschappelijke huishouding – in de
bewoordingen van het Hof -: “in het kader van een ongehuwd samenleven”

Het A.B.P. heeft E. bij brief van 1 december 1981 rechtstreeks
aansprakelijk gesteld voor de schade, die het A.B.P. lijdt tengevolge van
diens pensioenverplichtingen jegens K. De rechtstreekse vordering van het
A.B.P. jegens de Zwolsche Algemeene op grond van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen is verjaard

3.2 Het A.B.P. heeft zijn vordering gebaseerd op art. 2 Verhaalswet
ongevallen ambtenaren (VOA). E. heeft tegen die vordering onder meer het
verweer gevoerd – kort samengevat – dat aan het A.B.P. niet een verhaalsrecht
op de voet van de VOA toekomt omdat zich hier het geval voordoet dat twee
partners een gemeenschappelijke huishouding voeren in het kader van een
ongehuwd samenleven, en de ene partner aansprakelijk zou zijn ter zake van
uitkeringen of verstrekkingen waarop de andere partner als ambtenaar tijdens
die samenleving recht heeft

3.3.1 Zowel de Rechtbank als het Hof heeft dit verweer aanvaard. Het
Hof heeft in dat verband geoordeeld dat ingeval van ongehuwd samenleven aan
het A.B.P. geen verhaalsrecht toekomt, “indien en voor zover dat verhaalsrecht
betrekking heeft op uitkeringen, waarop de ambtenaar (K.) recht heeft
verkregen in de periode dat deze feitelijk een gemeenschappelijke huishouding
voerde met de aansprakelijke partner (E.), en die ter bestrijding van de
kosten van deze gemeenschappelijke huishouding zijn aangewend”

Het Hof is tot dat oordeel gekomen op grond van de overweging dat,
wanneer in een zodanig geval wel een verhaalsrecht aan het A.B.P. zou
toekomen, het bedrag dat de aansprakelijke partner schuldig zou worden aan het
A.B.P., feitelijk zou worden betaald uit de gezamenlijke inkomsten van de
partners, waaronder de uitkeringen aan de ambtenaar, zodat de ambtenaar in
feite zou worden verstoken van zijn uitkeringen. Het Hof acht zulks in
strijd met onder meer het in art. 2 VOA neergelegde voorschrift dat het
verhaal niet ten nadele van de ambtenaar kan worden uitgeoefend

3.3.2 Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat de omstandigheid dat de
aansprakelijkheid van de aansprakelijke partner verzekerd is, niet tot een
ander oordeel leidt, omdat aan een dergelijke verzekering in dit verband geen
invloed kan worden toegekend

3.4 De onderdelen 1, 2 en 3 van het middel bestrijden ’s Hofs hiervoor
onder 3.3.1 weergegeven oordeel. Zij berusten op de stelling dat voor een
beperking van het verhaalsrecht krachtens de VOA slechts plaats is als de
aansprakelijke persoon en de ambtenaar, aan wie uitkeringen zijn verleend, met
elkaar zijn gehuwd. Die stelling kan niet als juist worden aanvaard. In
een geval als het onderhavige, waarin de aansprakelijke persoon en de
ambtenaar, bedoeld in art. 2 VOA, samenwonen en een gemeenschappelijke
huishouding voeren “in het kader van een ongehuwd samenwonen”, gelden de
overwegingen waarvan de Hoge Raad is uitgegaan ten aanzien van echtgenoten (HR
26 juni 1987, NJ 1988, 536) in gelijke mate, aangezien ook hier de uitkeringen
aan het slachtoffer in feite zullen worden aangewend ter bestrijding van de
kosten van de gemeenschappelijke huishouding, terwijl anderzijds hetgeen de
aansprakelijke partner schuldig zou worden aan het A.B.P. als regel in feite
zou worden betaald uit de gezamenlijke inkomsten, waaronder de uitkeringen,
zodat het slachtoffer in feite zou worden verstoken van zijn uitkeringen.
In het midden kan blijven in hoeverre bijzondere omstandigheden ertoe kunnen
leiden dat zulks niet het geval is, nu niet blijkt dat zodanige omstandigheden
zijn aangevoerd

’s Hofs oordeel geeft derhalve niet blijk van een onjuiste
rechtsopvatting, zodat de onderdelen tevergeefs zijn aangevoerd

3.5 In het derde en het vierde onderdeel wordt voorts een klacht gericht
tegen het hiervoor onder 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Ook deze
klacht faalt. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat hier bij de
beantwoording van de vraag of het A.B.P. een verhaalsrecht toekomt, aan een
eventuele aansprakelijkheidsverzekering geen invloed kan worden toegekend

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt het A.B.P. in de kosten van het geding in cassatie, tot op
deze uitspraak aan de zijde van E. begroot op ƒ 1.356,30 aan verschotten en
ƒ 2.500,– voor salaris

Rechters

vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Hermans,Boekman, Davids en Heemskerk

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 24 januari 1991

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Centrale Raad onderschrijft het standpunt van de Raad van Beroep dat
art. 34, eerste lid onder a, van de wet niet strijdig is met art. 26
Bupo-verdrag.

Zie de noot onder RN 1991, nr. 161 van Len Andringa
1989/232; WUV 1989/234; WUV 1989/287; WUV 1989/411; WUV 1989/425; WUV1989/467; WUV 1989/488; WUV 1989/556; WUV 1989/559; WUV 1989/562; WUV 1990/5;WUV 1990/57 ; WUV 1990/90

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Op diverse data in 1989 respectievelijk op 2 februari 1990 heeft de
Uitkeringsraad -bedoeld in artikel 23 van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945, zoals die wet tot 1 juli 1990 luidde- ten
ô

zien van klaagsters, allen gehuwde vrouwen, na gemaakt bezwaar, een
beslissing genomen waarbij het standpunt is gehandhaafd dat aan klaagsters een
periodieke uitkering toekomt met ingang van de eerste dag van de maand, waarin
de aanvraag om uitkering is ingediend.

Hiertoe heeft de Uitkeringsraad onder meer overwogen:

“U verzoekt ons de ingangsdatum, mede gelet op de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep, op 23 december 1984 te stellen.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift hebben wij een onderzoek
ingesteld als resultaat waarvan wij u het navolgende kunnen berichten.

De Centrale Raad van Beroep heeft uitgesproken (14 mei 1987, WUV
1984/82) dat artikel 26 van het Internationaal Verdrag van Burgerlijke en
Politieke Rechten sedert 23 december 1984 rechtstreekse werking heeft, op
grond waarvan artikel 7 lid 4 van de WUV sedert die datum buiten toepassing
moet blijven.

U bent van mening dat de ingangsdatum van de uitkering op een eerder
tijdstip moet worden gesteld dan 1 november 1987.

Voor dit standpunt meent u steun te vinden in voornoemde uitspraak van
de Centrale Raad van Beroep. Wij menen echter dat met dit oordeel geen afbreuk
wordt gedaan aan artikel 34 lid 1 onder a van de WUV, waarin is bepaald dat de
uitkering ingaat op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is
ingediend. De aansluiting bij de datum van 23 december 1984 wordt, onder de
huidige wet, slechts toelaatbaar geacht indien aan de aanvraag voor een
periodieke uitkering mede het karakter van een verzoek om herziening kan
worden gehecht. In dit geval kan worden gedacht aan een eerdere afwijzing van
de aanvraag wegens de gehuwde staat van de vrouw of de beeindiging van de
uitkering bij huwelijk.”

Tegen die beslissing is door of namens klaagsters bij de Raad beroep
ingesteld.

Verweerder heeft zich bij schrijven van 4 december 1990 met bijlagen nog
tot de Raad gewend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van 13 december
1990, waar klaagsters sub 3, 8 en 9 in persoon zijn verschenen. Voor klaagster
sub 1 is aldaar verschenen N.J. T. te R., voor klaagster sub 2, 4, 5, 7, 8 en
12 Mr. Drs. F.G. H., staffunktionaris juridische zaken Stichting Joods
Maatschappelijk Werk te A., voor klaagsters sub 6 en 17 H.W. I. te H., voor
klaagsters sub 11 en 15 Mr. R.E. C., juridisch adviseur te A. en voor
klaagster sub 13 Mr. A.H. P. -K., advocaat en procureur te U. terwijl voor
klaagster sub 16 is opgetreden Mr. J.F. van B., advocaat en procureur te A.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. G. werkzaam bij de
Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

De uitkeringsraad heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad
d.d. 14 mei 1987, gegeven in het geding nummer WUV 1984/82, onder meer
gepubliceerd in AB 1987, 543, en RVS 1987 nr. 246, het standpunt ingenomen dat
onder andere artikel 7, vierde lid, en artikel 36 van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (verder te noemen: de Wet) wegens strijd met
artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
Rechten (gesloten te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij Rijkswet
van 24 november 1978, Staatsblad 624, en voor Nederland in werking getreden op
11 maart 1979) te rekenen van 23 december 1984 af bij het beoordelen van
aanvragen om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet, gedaan
door een gehuwde vrouw buiten toepassing moeten blijven en dat een gehuwde
alsook een in concubinaat levende vrouw -indien zij ook overigens aan de
voorwaarden ter zake bij en krachtens de Wet gesteld voldoen- gelijk een
gehuwde man onder dezelfde omstandigheden een periodieke uitkering toekomt.

In een informatie-bulletin van oktober 1987 heeft de uitkeringsraad zijn
standpunt naar buiten gebracht. In dit bulletin is voorts opgenomen dat de
Uitkeringsraad, mede op verzoek van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur, heeft besloten in afwachting van een nadere wettelijke regeling
bij de toekenning en berekening van de periodieke uitkeringen aan gehuwde en
in concubinaat levende vrouwen de vigerende tekst van de Wet zoveel mogelijk
naar de letter toe te passen, zijn de hoofdlijnen van de te volgen praktijk
uiteengezet en is vermeld dat een vervolgde vrouw, die meent
dienovereenkomstig voor een periodiek uitkering in aanmerking te komen, bij de
Uitkeringsraad een aanvraag kan indienen. Dat laatste geldt volgens het
bulletin ook voor degenen aan wie in het verleden een periodieke uitkering is
toegekend welke in verband met huwelijk of concubinaat werd beeindigd dan wel
aan wie reeds een uitkering ingevolge artikel 7, zesde lid, van de Wet en/of
het bedrag als bedoeld in artikel 21b van de Wet is verleend. Beklemtoond is
tenslotte dat een aanvraag niet meer behoeft te worden gedaan indien dat
intussen op een tijdstip na 14 mei 1987 al was gedaan.

Ieder van klaagsters heeft na 14 mei 1987 aan de Uitkeringsraad verzocht
haar als gehuwde vrouw een periodieke uitkering ingevolge de Wet toe te
kennen.

De Uitkeringsraad heeft bij onderscheidene beslissingen aan ieder van
klaagsters een periodieke uitkering ingevolge de Wet verleend ingaande de
eerste dag van de maand waarin de betreffende aanvraag was ingediend. Daarbij
heeft de Uitkeringsraad toepassing gegeven aan artikel 34, eerste lid onder a,
van de Wet.

Klaagsters kunnen zich met de ingangsdatum van de hun toegekende
periodieke uitkering ingevolge de Wet niet verenigen. Zij wensen op
onderscheidene -goeddeels op een lijn liggende- gronden een eerdere
ingangsdatum vastgesteld te zien worden, in doorsnee zijnde 1 december 1984.

De Raad overweegt het volgende.

De Uitkeringsraad heeft in casu terecht tot uitgangspunt genomen dat elk
der onderhavige aanvragen van klaagsters om toekenning van een periodieke
uitkering op zich zelf beschouwd een aanvraag is in de zin van art. 34, eerste
lid onder a, van de Wet.

Ingevolge dat voorschrift gaat een periodieke uitkering – behoudens een
hier niet aan de orde zijnde uitzondering – in met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de aanvraag om een uitkering is ingediend.

De Raad heeft geen argumenten gevonden om de stelling van enige
klaagsters te onderschrijven, dat art. 34, eerste lid onder a, van de Wet
strijdt met art. 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten en aldus in rechte geen toepassing kan vinden.

Evenmin kan de Raad het betoog onderschrijven dat art. 34, eerste lid
onder a, van de Wet dat lot moet ondergaan wegens strijd met art. 2 (met name
derde lid onder c) van bedoeld Verdrag, reeds aangezien geen van de
voorliggende gevallen beantwoorden aan het derde lid onder b, van
laatstgenoemd artikel.

De regeling, neergelegd in art. 34, eerste lid aanhef en onder a, van de
Wet is imperatief van aard. De Raad heeft een formeel-wettelijk voorschrift
van die aard te eerbiedigen. Dit is slechts dan anders indien in een concrete
casus zodanige bijzondere omstandigheden kunnen worden onderkend dat op grond
van ongeschreven recht een strikte toepassing van het betreffende voorschrift
geen rechtsplicht meer kan zijn.

In dit kader kan worden geplaatst de stelling dat klaagsters in de tijd
voor mei 1987 wel uiting hebben gegeven aan hun wens een periodieke uitkering
te verkrijgen maar dat zij zich toen hebben gericht naar en hebben berust in
de informatie vanwege de begeleidende instelling dan wel de Uitkeringsraad dat
zij als gehuwde vrouw aan de Wet geen aanspraak op een periodieke uitkering
konden ontlenen.

De Raad is van oordeel dat deze stelling geen zodanige bijzondere
omstandigheden weergeeft als nodig is voor de slotsom, dat ten aanzien van
klaagsters op grond van ongeschreven recht een strikte toepassing van art. 34,
eerste lid aanhef en onder a, van de Wet geen rechtsplicht meer kan zijn.

Hiertoe heeft de Raad laten wegen dat de betrokken klaagsters zich met
hun opstelling in wezen gericht hebben naar de Wet. Met haar inhoud waren de
toen bij de Uitkeringsraad vigerende uitvoeringspraktijk en de alstoen in het
voetspoor van die praktijk aan de betrokken klaagsters aangereikte informatie
in overeenstemming. In die situatie is eerst wijziging gekomen naar aanleiding
van de voormelde uitspraak van de Raad van 14 mei 1987, gegeven in een geding
waarin geen van klaagsters (mede) partij was.

Het zojuist overwogene laat tevens zien dat het appel dat enige
klaagsters hebben gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 1988,
gepubliceerd in AB 1988, 337, niet kan slagen. Dat is reeds daarom het geval
omdat in de betreffende casus sprake was van een beroep op het
vertrouwensbeginsel op de grond dat een bestuursorgaan aan de betrokkene naar
geldend recht onjuiste voorlichting had verstrekt.

Ook anderszins is de Raad niet gebleken van omstandigheden die
toereikend zijn voor de (verregaande) conclusie dat strikte toepassing van
art. 34, eerste lid aanhef en onder a, van de Wet in een of meer van de
voorliggende gevallen geen rechtsplicht meer zou kunnen zijn.

De Uitkeringsraad heeft naar aanleiding van de zojuist genoemde
uitspraak van de Raad een zogenoemde interim-regeling ontworpen mede aan de
hand waarvan hij aanvragen zoals die van klaagsters heeft behandeld. Deze
regeling houdt onder andere in dat in de gevallen waarin een voor 23 december
1984 gevraagde periodieke uitkering op grond van art. 7, vierde lid, van de
Wet is afgewezen dan wel ingevolge art. 34 of art. 36 van de Wet is beeindigd
respectievelijk niet wordt betaald, met toepassing van art. 61, derde lid, van
de Wet een periodieke uitkering wordt verleend, welke ingaat op 23 (effectief
1) december 1984.

De Raad kan dit onderdeel van de interim-regeling niet onredelijk
vinden. De Raad tekent hierbij aan dat hij in casu – in het voetspoor van
hetgeen hij reeds eerder als zijn oordeel heeft doen kennen – geen grond
aanwezig acht terug te komen van zijn uitspraak van 14 mei 1987 wat betreft de
daarin vermelde datum van 23 december 1984.

De Uitkeringsraad heeft in aanmerking genomen dat geen van de
onderhavige gevallen voldoet aan de in de interim-regeling genoemde
omstandigheden, onder welke op voormelde wijze aan art. 61, derde lid, van de
Wet toepassing pleegt te worden gegeven.

De Raad onderschrijft dit.

In dit raam kan de Raad niet voor onjuist houden de opvatting van de
Uitkeringsraad dat hij de gevallen waarin aan de betrokkenen voor 1 december
1984 desgevraagd dan wel ambtshalve een uitkering ingevolge art. 21b van de
Wet is verleend maar waarin niet tevens een aanvraag om een periodieke
uitkering expressis verbis op grond van art. 7, vierde lid, van de Wet is
afgewezen, niet op een lijn ziet liggen met de gevallen waarin dat laatste wel
is gebeurd.

De Raad acht daartoe deugdelijk de motivering, welke de Uitkeringsraad
aan die opvatting ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat in de gevallen
waarin enkel een uitkering ingevolge art. 21b van de Wet is verleend niet is
nagegaan of aan met name art. 7, eerste lid onder a, van de Wet was voldaan.
De Raad acht hierbij nog van belang dat geen van de klaagsters, die in beroep
hebben gewezen op een aanvraag voor 1 december 1984 welke is uitgemond in een
beslissing houdende het toekennen van een uitkering ingevolge art. 21b van de
Wet en waarin op het al dan niet bestaan van het recht op een periodieke
uitkering ingevolge de Wet niet is ingegaan, tegen de betreffende beslissing
een rechtsmiddel heeft aangewend teneinde de aanspraak op een periodieke
uitkering ingevolge de Wet voorwerp van expliciete beoordeling te maken.

Dit doet naar ’s Raads oordeel ook opgeld in die gevallen, waarin in een
in de tijd voor de onderhavige aanvragen uitgereikte beslissing van de
Uitkeringsraad mede was opgenomen dat de betrokken klaagster
uitkeringsgerechtigde in de zin van art. 7 van de Wet was. De Raad heeft in
dit verband geen deugdelijke gronden gevonden om te twijfelen aan de juistheid
van hetgeen de vertegenwoordigster van verweerder ter terechtzitting op dit
punt heeft betoogd, namelijk dat in de betreffende, in het verleden gegeven
beslissingen per abuis is vermeld dat de betrokkenen (tevens)
uitkeringsgerechtigden in voormelde zin waren en dat dit enkel en alleen
plaatsvond omdat ten aanzien van de ziekten of gebreken van de betrokkenen
werd aanvaard dat zij in causaal verband met de vervolging staan en niet mede
omdat de betrokkenen ook overigens voldeden aan de voorwaarden van art. 7,
eerste lid onder a, van de Wet. Voorts heeft de Raad mede in aanmerking
genomen dat bij de betreffende beslissingen aan de betrokkenen op grond van de
bedoelde vermelding niet een periodieke uitkering ingevolge de Wet is verleend
en dat zij daartegen niet hebben geageerd.

Het vorenoverwogene brengt mee dat geen van de voorliggende gevallen wat
de ingangsdatum aangaat binnen de grenzen van de meergenoemde interim-regeling
vallen, zodat klaagsters niet met toepassing van die regeling recht kunnen
doen gelden op een periodieke uitkering ingaande 1 december 1984.

Tenslotte overweegt de Raad dat verweerder bij brief van 21 september
1990 aan ieder van klaagsters heeft medegedeeld dat de kwalificatie
“voorlopig”, welke in de bestreden beslissingen is gebezigd, gegeven een
uitspraak van de Raad d.d. 28 juni 1990, als vervallen kan worden beschouwd en
dat de aan klaagsters toekgekende periodieke uitkering definitief is verleend.
Daarmee acht de Raad het vitium dat op dit vlak aan elk van de bestreden
beslissingen kleeft processueel aldus hersteld dat aan het beroep dat enige
klaagsters tegen ook dat onderdeel van de bestreden belsissingen hebben
ingesteld het belang geacht kan worden te zijn ontvallen. De Raad heeft er in
casu dan ook van afgezien de bestreden beslissingen op dat stuk te
vernietigen.

Op grond van al het vorenoverwogene beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende in naam der Koningin!

Verklaart de beroepen ongegrond.

Rechters

Mrs A.G. van Galen, voorzitter, J.G. Treffers en R.C. Schoemaker, leden.