Instantie: Raad van Beroep Groningen, 23 januari 1991

Instantie

Raad van Beroep Groningen

Samenvatting


Aan klaagster is met ingang van 28 juli 1989 een uitkering ingevolge de
WAO en de AAW toegekend. Beide uitkeringen zijn vastgesteld op ƒ 32,16 bruto
per dag op grond van het loon dat zij heeft verdiend voordat zij
arbeidsongeschikt werd. Klaagster, die 18,25 uur per week als schoonmaakster
werkte, heeft de hoogte van de AAW-uitkering bestreden, aangezien zij zich
gediscrimineerd acht daar haar (individuele) grondslag is afgestemd op deze
parttime deelname aan het arbeidsproces, terwijl fulltimers een hogere
uitkering krijgen.

De stelling berust volgens de Raad niet op een juiste feitelijke
grondslag, aangezien niet uitsluitend de omvang van de deelname, maar ook het
inkomen dat zij daarmee verworven heeft, tot gevolg heeft dat haar
AAW-uitkering op een individuele grondslag berust.

De Raad handhaaft zijn stelling dat het toepassen van de individuele
grondslag geen (indirecte) discriminatie oplevert en onder verwijzing naar
zijn uitspraak in de zaak Wilbrink wordt dit standpunt verder aangescherpt.
Voor commentaar wordt verwezen naar de noot onder de uitspraak
Ruzius-Wilbrink, Rechtspraak Nemesis 1990, nr 105 met noot.

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing.

De beslissing van verweerder d.d. 8 februari 1990, nummer
WAO/715.231041.0/AA01.

2. Terechtzitting.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 13 december 1990,
gehouden te Groningen.

Klaagster is aldaar verschenen bij haar gemachtigde mr. A. Fokkema,
advocaat en procureur te Winschoten.

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr. R. van der Wal,
medewerker van de juridische afdeling van verweerder.

I. Feiten.

Verweerder heeft klaagster met ingang van 28 juli 1989 een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend. Beide uitkeringen zijn door
verweerder vastgesteld op ƒ 32,16 bruto per dag op grond van het loon dat
klaagster heeft genoten in de dienstbetrekkingen, welke zij tot het intreden
van haar arbeidsongeschiktheid heeft vervuld.

Klaagster heeft de hoogte van haar WAO-uitkering niet bestreden.

Klaagster heeft echter wel de hoogte van haar AAW-uitkering bestreden,
omdat zij zich daardoor gediscrimineerd acht.

Klaagster is geboren op 23 oktober 1941. Zij werkte sedert 1 december
1985 gedurende, 18,25 uur per week als schoonmaakster.

Zij heeft gesteld dat zij zich gediscrimineerd acht, omdat haar
grondslag op deze deelname aan het arbeidsproces is afgestemd (individuele
grondslag), terwijl degenen die (een) fulltime aan het arbeidsproces hebben
deelgenomen een hogere uitkering krijgen dan zij.

Klaagster vindt dit discriminerend omdat meer vrouwen dan mannen
parttime werken. Zij acht strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR), en met artikel 4 van de Derde
EEG-Richtlijn aanwezig.

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden en medegedeeld geen
contramemorie in te dienen.

Klaagsters gemachtigde is een afschrift van de gedingstukken
toegezonden.

II. Rechtsoverwegingen.

Klaagster heeft haar beroep gegrond op de stelling, welke in de rubriek
feiten is weergegeven. Zij heeft deze stelling niet aangevuld of uitgewerkt.

Klaagster heeft haar vergelijking beperkt tot de omvang van de deelname
aan haar arbeidsproces.

Een vergelijking op grond van het dervingsbeginsel zal klaagster, naar
de Raad aanneemt, daargelaten hebben, omdat deze voor haar gunstiger uitpakt
dan voor veel andere AAW-gerechtigden; hetgeen de Raad hierna zal
uiteenzetten.

De Raad moet constateren dat klaagsters vergelijking geen steun vindt in
de toepasselijke regels van de AAW. Het is immers niet uitsluitend de omvang
van klaagsters deelname aan het arbeidsproces, welke tot gevolg heeft dat haar
AAW-uitkering op een individuele grondslag berust. Het inkomen dat zij met die
deelname heeft verworven in het jaar voorafgaande aan het intreden van haar
arbeidsongeschiktheid, alsmede de omvang van haar deelname zijn bepalend.

Indien klaagster meer dan het in het derde lid van art. 10 AAW bedoelde
inkomen had verworven, dan was haar AAW-uitkering (los van het
uitkeringspercentage) lager geweest dan dat inkomen, doch deze uitkering zou
niet gebaseerd zijn op een individuele grondslag, hoezeer zij ook minder dan
de voor de toepassing van de AAW normaal te achten duur zou hebben gewerkt.
Klaagsters stelling berust dus niet op een juiste feitelijke grondslag.

Bovendien ziet klaagster er in haar stelling aan voorbij dat de hoogte
van haar AAW-uitkering (los van het uitkeringspercentage) weliswaar lager is
dan de AAW-uitkering van een werknemer die fulltime werkte, doch gelijk aan is
aan het arbeidsinkomen dat zij door haar arbeidsongeschiktheid derft zoals ook
aan haar WAO-uitkering het proratabeginsel ten grondslag ligt. Degene
daarentegen die, met fulltime of parttime arbeid, meer verdiende dan het
wettelijk minimumloon krijgt minder uitgekeerd dan hij of zij die derft. Hij
of zij zou zich dus in verhouding tot klaagster veeleer tekort gedaan kunnen
voelen ten opzichte van degenen, die zonder inkomen uit arbeid toch een
AAW-uitkering op grond van de grondslag van het minimumloon krijgen.

Hoewel de Raad klaagsters stelling hiermee genoegzaam besproken acht,
meent de Raad hier niet mee te kunnen volstaan. De Raad overweegt voorts als
volgt.

De Raad verwijst naar zijn overwegingen in de zaak van mevrouw M.L.
Wilbrink, nr. AAW 1285-2630, RSV 1990 nr. 314, welke de Raad mede ten
grondslag legt aan zijn beslissing van het onderhavige geschil.

De Raad heeft in aansluiting op die overwegingen als volgt overwogen.

Het Hof van Justitie der EEG heeft bij het arrest van 13 december 1989,
zaak 102/88, in de zaak Wilbrink niet geoordeeld dat de regeling van de
individuele grondslag in art. 10 AAW in strijd is met art. 4, eerste lid, van
de Richtlijn 79/7 van 19 december 1978.

Dit kan het Hof niet uitspreken, omdat het Hof deze Richtlijn uitlegt,
terwijl de nationale rechter de nationale wetsregel dient te toetsen aan het
bepaalde in die Richtlijn, zoals door het Hof uitgelegd. De Raad verwijst ter
illustratie van deze regel naar het betrekkelijk recente arrest van het Hof
van 18 april 1989, zaak 128/88 (arrest Di Felice), RSV 1990 nr. 285, hoewel
het Hof al veel eerder van deze rolverdeling heeft doen blijken, zoals de Raad
in de zaak Wilbrink heeft overwogen. Het Hof overwoog in de zaak Di Felice:

“Gelet op de formulering van de eerste twee vragen zij er vooreerst aan
herinnerd, dat het Hof in het kader van art. 177 EEG-Verdrag niet bevoegd is
om communautaire voorschriften op een concreet geval toe te passen of
bepalingen van nationaal recht aan die voorschriften te toetsen. Het kan de
nationale rechter echter wel alle interpretatiegegevens met betrekking tot het
gemeenschapsrecht verschaffen, welke voor die rechter van belang kunnen zijn
bij de beoordeling van de werking van de bepalingen van dit
gemeenschapsrecht.”

Voorts heeft het Hof met name door de formulering van de eerste
prejudiciele vraag, overwegingen in het verwijzingsbevel, en de daaruit
afgeleide waardering van het stelsel van uitkeringsrechten door de verwijzende
rechter (zie onder meer aanhef onder 2 rapport ter terechtzitting en onder
punt 21 van de Memorie van de Europese Commissie) in het antwoord op die vraag
ten onrechte aangenomen dat de AAW in verband met de uitlegging van art. 4,
eerste lid, van Richtlijn 79/7, een regeling inhoudt ‘die aan
arbeidsongeschikt geworden verzekerden een sociaal minimum garandeert’. Men
moest immers niet alleen verzekerd zijn (art. 4 AAW), maar ook aan andere
voorwaarden voldoen om aanspraak op de door het Hof bedoelde minimumuitkering
te krijgen. Daarvan was met name het bepaalde in art. 6 en 10 AAW van belang
en juist in dat kader speelde de vraag naar de aanwezigheid van
discriminatie.

Met andere woorden:

– de vergelijking van het Hof bij de toepassing van het getalscriterium
is onzuiver;

– omdat niet slechts ‘de categorie’ van deeltijdwerkers geen uitkering
op sociaal minimumniveau kreeg;

– zodat van een ‘uitzondering’ van deeltijdwerkers ten opzichte van alle
andere groepen geen sprake is;

– terwijl daarentegen juist bepaalde andere groepen ten opzichte van
alle andere groepen in voor hen gunstige zin uitgezonderd zijn van de
koppeling (op diverse punten) aan arbeid en inkomen uit die arbeid.

De Raad wil in verband hiermee er voorts de aandacht op vestigen dat de
AAW, zoals in het onderhavige geding aan de orde, een bescherming van de
verzekerde op het niveau van het genoemde ‘sociaal minimum’ niet meer kent, in
de zin als in het geding ten name van mevrouw Wilbrink. Deze functie is door
de Toeslagenwet overgenomen.

Voorts wil de Raad over de waarde van meergenoemd arrest voor de
toetsing van de aan klaagster toegekende grondslag, het volgende opmerken.

Het Hof heeft in rechtsoverweging zestien niet alle mogelijke
rechtsvaardigingsgronden besproken, welke de Raad in de zaak Wilbrink door de
è

werende partij zijn voorgehouden. Het Hof heeft zich bij uitsluiting
uitgelaten over het niet gerechtvaardigd zijn van een AAW-uitkering, welke
hoger zou zijn dan het voor het intreden der arbeidsongeschiktheid met arbeid
verdiende inkomen, zoals dit door de Bedrijfsvereniging was beargumenteerd
voordat de Raad zijn prejudiciele vragen stelde.

Het Hof heeft evenmin overwogen over de rechtvaardigingsgronden, welke
in de procedure bij het Hof naar voren zijn gebracht.

Het Hof spreekt dan ook over ‘de enige in de hoofdzaak aangevoerde
reden’.

Het gaat de Raad bepaald te ver om bij deze vaststelling en bij het
ontbreken van enige uit het arrest blijkende overweging over alle andere
aangevoerde rechtvaardigingsgronden, de conclusie te trekken dat deze gronden
‘dus kennelijk te licht bevonden zijn’ of ‘blijkbaar niet alleen niet zwaar
genoeg, doch ook niet relevant bevonden zijn’. Indien het Hof (een van) deze
gronden niet als een objectieve factor, welke niets van doen heeft met
discriminatie van geslacht, zou hebben gezien, dan ligt een overweging als
onder zestien gegeven niet voor de hand; tenzij het Hof deze overweging
voldoende achtte, hetgeen dan waarschijnlijk verband houdt met het (onjuiste)
beeld dat het Hof van de kring van AAW-gerechtigden in het antwoord op de
eerste prejudiciele vraag geeft in verband met de formulering van die vraag.

Dit beeld gaat er immers vanuit dat iedere AAW-verzekerde gelijk
behandeld wordt, met uitzondering van parttimers. Van gelijke gevallen is in
deze zin echter geen sprake, zoals al in de eerste overwegingen van deze
uitspraak is uiteengezet.

De Raad heeft – ook – in het onderhavige geding in ieder geval niet
kunnen constateren dat de benadering van het Hof aan duidelijkheid niet te
wensen over lijkt te laten.

De Raad verstaat rechtsoverweging zestien, gezien de samenhang met
rechtsoverwegingen 13 en 17, zo, dat daarin is uitgemaakt dat de omvang van
het met arbeid verdiende inkomen in een nationaal stelsel dat een sociaal
minimum garandeert, niet gezien mag worden als een van ‘de objectieve factoren
die niets van doen hebben met discriminatie van geslacht’, indien dit
criterium slechts voor parttimers geldt.

Het Hof heeft hiermee dus uitgemaakt dat het vermoeden van discriminatie
op grond van de werking van het getalscriterium niet wijkt, indien die
nationale rechter uitsluitend evenvermelde grond wordt voorgehouden, zoals in
de hoofdzaak tot op dat moment was geschied, indien de rechter (de Raad) bij
zijn einduitspraak de reden voor het onderscheid uitsluitend op die grond kan
verklaren.

Hetgeen in de zaak van mevrouw Wilbrink nu juist niet het geval is
geweest.

De (tekst van) rechtsoverweging twintig kan aan deze conclusie niet
afdoen, voorzover daarin (in de Nederlandse tekst) sprake is van ‘een geval
van indirecte discriminatie, zoals zich in de hoofdzaak voordoet’, omdat, los
van het feit dat de Franse tekst kan leiden tot een vertaling als ‘een geval
van indirecte discriminatie als in de hoofdzaak aan de orde’, het Hof in de
rechtsoverweging naar het oordeel van de Raad aangeeft dat de regel, welke in
het FNV-arrest voor gevallen van directe discriminatie is gegeven, ook geldt
in een geval, waarin de nationale rechter tot het oordeel komt dat van
indirecte discriminatie sprake is, met als bijzonderheid dat de klaagster in
de hoofdzaak tot een groep behoort, welke zowel uit vrouwen als uit mannen
bestaat.

De Raad heeft ook in het onderhavige geding onvoldoende reden gezien
nadere prejudiciele vragen aan het Hof voor te leggen.

De Raad is, in aansluiting op zijn oordeel in de zaak Wilbrink, namelijk
van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of klaagster naar geslacht wordt
gediscrimineerd, het hierna volgende doorslaggevend is. Daarbij gaat de Raad
er vanuit dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, hoewel
het zelfs de vraag is of de verschillende groepen, welke hiervoor ter sprake
zijn gekomen, wel zo gelijk zijn als door klaagster wordt aangenomen (of met
andere woorden: in hoeverre is de situatie van bijvoorbeeld een
vroeggehandicapte gelijk aan die van klaagster?).

De Raad constateert dat de wetgever met de artikelen 4, 6 en 10 AAW een
aantal doelstellingen heeft willen realiseren, welke door de Raad ieder op
zich niet discriminerend wordt geacht. De Raad wil daarlaten of sprake is
geweest van een verstandige keus van de wetgever om dit binnen een wet te
regelen.

Voor de koppeling van de hoogte van de aanspraak aan aard en omvang van
arbeid, alsmede arbeidsinkomen, welke een van de doelstellingen vormt, geldt
dat dit een uitdrukking is van het proratabeginsel; welke beginsel naar het
oordeel van de Raad juist parttime-werkenden verzekert van gelijke behandeling
als het gaat om loon en uitkeringen, in die zin dat zij niet mogen worden
uitgesloten van rechten, of anderszins naar verhouding slechter mogen worden
behandeld, dan fulltime-werkenden (vergelijk onder meer arrest Rinner-Kuhn,
HvJ 13 juli 1989, zaak 171/88).

Doordat de wetgever binnen een wettelijke voorziening een aantal
doelstellingen heeft willen realiseren, is het mogelijk om op de uit die
verschillende doelstellingen voortvloeiende verschillen in regeling te wijzen,
of op de verschillen in gevolg van een regeling. Zo kunnen parttime-werkenden
in loondienst, zoals klaagster, voor wie in arbeidsrechtelijk opzicht door de
wetgever specifieke beschermende regels zijn gegeven (onder andere de Wet op
het Minimumloon en de Minimumvakantiebijslag), onder andere vergeleken worden
met fulltime-werkende zelfstandigen, op wie die regels niet van toepassing
zijn. Daarop kan vervolgens het getalscriterium aan beide kanten van de
vergelijking worden toegepast.

De Raad acht, uitgaande van dergelijke vergelijkingen, voor het verschil
in regels c.q. uitwerking van regels, voor de vergeleken groepen, objectieve
gronden aanwezig, welke niets van doen hebben met discriminatie van geslacht.
Deze verschillen zijn geschikt en noodzakelijk om de specifieke omstandigheden
van de groep(en), waarmee klaagster zich wil vergelijken, geen verhindering te
doen vormen om voor die groep(en) de bescherming van de AAW te kunnen
realiseren, welke deze groepen harder nodig hebben dan personen als klaagster,
voor wie, bij het ontbreken van een uitkeringsrecht op grond van de AAW
(hetgeen, zoals gezegd, niet het geval is doordat voor klaagster onverkort het
proratabeginsel geldt), de WAO een uitkeringsrecht verleent. Voorzover het
meergenoemde groep(en) en personen betreft, kan de Raad de wijze waarop de
wetgever zijn keuze voor het systeem van de AAW heeft ingericht, niet
onevenredig achten aan de aanspraken, welke klaagster aan de AAW kan
ontlenen.

Op grond van deze overwegingen wordt beslist als volgt.

III. Beslissing.

De Raad van Beroep te Groningen,

Recht doende!

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mr A.H.J. Lennaerts, voorzitter, J. van Wieringen en J.G. Wolters,leden.

Instantie: , 22 januari 1991

Instantie

Samenvatting


De verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer erkent de aansprakelijkheid
voor de mislukte sterilisatie van mevrouw X.

Zij betalen de vrouw die ondanks de sterilisatie zwanger is geworden,
een bedrag van ƒ 75.000,- voor kosten die verband houden met de zwangerschap,
bevalling en aanwezigheid van het kind, zoals kosten van verbouwing van het
huis en voedingskosten van het kind. Tevens vergoedt de
verzekeringsmaatschappij de kosten van rechtsbijstand en deskundigenadvies –
waaronder een medisch rapport – die de vrouw ter ondersteuning van haar
vordering moest maken.

Volledige tekst

IN AANMERKING NEMENDE:

– dat mevrouw X een medische behandeling in de zin van een
sterilisatieingreep heeft ondergaan in het Schieland Ziekenhuis te Schiedam;

– dat deze sterilisatieingreep werd verricht op 21 augustus 1985;

– dat deze sterilisatieingreep werd uitgevoerd door de heer J.V.,
gynaecoloog;

– dat ondanks deze ingreep een zoon werd geboren genaamd Beau op 6 juni
1986;

– dat tengevolge van deze ingreep de heer Y en mevrouw X nadelige
gevolgen hebben ondervonden;

– dat de heer Y en mevrouw X het Schieland Ziekenhuis en de heer J.V.
aansprakelijk houden voor de gevolgen voortvloeiend uit desterilisatieingreep
van 21 augustus 1985;

– dat partijen hebben besloten het tussen hen hangende geschil in der
minne te zullen regelen middels een dading.

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. Partijen stellen het totale beloop van de door de heer Y en mevrouw X
volgens hun beweren uit hoofde van bedoeld gebeurtenis geleden en nog te
lijden schade in de zin van materiele schade en verzorgingskosten in volledige
overeenstemming en bindend ten opzichte van ieder aan wie de schade van de
heer Y en mevrouw X mocht aangaan, ex aequo et bono vast op een totaal bedrag
groot ƒ 75.000,-.

2. Centraal Beheer zal onverwijld na ondertekening door de heer Y en
mevrouw X van onderhavige akte van dading ervoor zorgdragen, dat het toaal
bedrag groot ƒ 75.000,- aan hen betaalbaar wordt gesteld onder aftrek van het
reeds betaalde bedrag groot ƒ 10.000,-.

3. De heer Y en mevrouw X verklaren bij deze tegenover de hiervoor
bedoelde betaling groot ƒ 75.000,- voorbehoudsloos en uitdrukkelijk kwijting
te verlenen aan zowel Centraal Beheer als aan haar verzekerden het Schieland
Ziekenhuis en de heer J.V. onder bevestiging dat zij, na die betaling, niets
meer, uit welke hoofde dan ook, van Centraal Beheer en/of haar verzekerden te
vorderen hebben of zullen hebben terzake van de te dezen bedoeld medische
behandeling van 21 augustus 1985.

4. Partijen verklaren ieder voor zichzelf alle goede en kwade kansen van
de onderhavige minnelijke regeling te aanvaarden en deswege uitdrukkelijk
afstand te doen van ieder beroep op toekomstige of reeds ingetreden aan hen al
dan niet bekende feiten of omstandigheden te ener of te anderer zijde, welke
ook, die anders invloed zouden kunnen hebben op de omvang van de
aansprakelijkheid of op de omvang van de door eerder bedoelde medische
behandeling veroorzaakte schade.

5. De heer en mevrouw laten zich in deze kwestie bijstaan door mr.
A.C.T. Hommes advokaat te Rotterdam.

Rechters

onbekend

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 17 januari 1991

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Tegen X is aangifte gedaan wegens verkrachting. Tegen hem loopt een
gerechtelijk vooronderzoek. Hoewel de kantonrechter op grond van de
geloofwaardige en consistente weergave van mevrouw A van de wijze waarop zij
door X op zakenreizen in België tot seksueel contact is gedwongen,
aannemelijk acht dat sprake is van verkrachtingen, zijn deze feiten in deze
procedure, gezien de ontkenning van X, niet komen vast te staan. Wel staat
vast dat X met mevrouw A enige malen gemeenschap heeft gehad en dit onder
omstandigheden (op zakenreizen, in hotels) waarin A meer dan anders in een
afhankelijke positie verkeerde. Voorts staat vast dat X haar tijdens het werk
onzedelijk heeft betast. Het is ongeloofwaardig dat A zich daartoe
uitnodigend heeft gedragen, zoals X wil doen geloven. Vorenbedoeld gedrag van
X jegens een ondergeschikte werkneemster op de afdeling waarvan hij hoofd is,
een werkneemster die zoals hij wist in 1988 was gehuwd, wier man bovendien
bij Y BV werkzaam was, is mede gezien de positie die X innam binnen het
bedrijf van Y BV onacceptabel en levert een dringende reden voor ontslag op.
Nu de arbeidsovereenkomst anders dan wegens verandering in de omstandigheden
wordt ontbonden is geen plaats voor toekenning aan één van beide partijen van
een vergoeding.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van dringende redenen, zonder
toekenning van schadevergoeding.

Volledige tekst

(…) Motivering

1. X is sedert 5 februari 1973 voor onbepaalde tijd in dienst van Y BV thans
als hoofd verkoop machines, tegen een brutoloon van ƒ 6120 per maand. Sedert
begin 1988 was op de afdeling verkoop waaraan X leiding geeft, werkzaam
mevrouw A, als commercieel medewerker. Op 7 juni 1990 heeft mevrouw A
aangifte gedaan bij de politie van op verschillende tijdstippen gepleegde
verkrachtingen door X, alsmede van ontuchtige handelingen die X bij haar zou
hebben gepleegd. Op 18 juni 1990 is X in verband met deze aangifte
aangehouden, tot 30 juni 1990 heeft X voorlopige hechtenis ondergaan. Er is
een gerechtelijk vooronderzoek geopend. Sedert 18 juni 1990 is X
arbeidsongeschikt.

2. Y BV vordert op grond van de feiten waarvan mevrouw A aangifte bij de
politie heeft gedaan en waaromtrent het gerechtelijk vooronderzoek loopt, de
ontbinding van de arbeidsovereenkomst met X op grond van gewichtige redenen
in de zin van een dringende reden, subsidiair op grond van gewichtige redenen
in de zin van veranderingen in omstandigheden, onder toekenning aan Y BV van
een passende vergoeding, met veroordeling van X in de kosten.

3. X erkent enige malen op zakenreizen met mevrouw A seksuele gemeenschap
gehad te hebben, alsmede haar op het werk intiem te hebben betast. Hij stelt
evenwel dat dit alles met instemming van mevrouw A geschiedde, zodat geen
sprake is van verkrachtingen, respectievelijk ongewenste intimiteiten. Hij
bestrijdt dat voldoende gronden aanwezig zijn de arbeidsovereenkomst te
ontbinden. Indien het verzoek zal worden toegewezen vordert X subsidiair een
schadevergoeding wegens inkomstenderving en wegens immateriële schade.

4. Door partijen zijn overgelegd processen-verbaal van verhoren door de
politie en de rechter-commissaris van onder meer mevrouw A. Hoewel de
kantonrechter op grond van de geloofwaardige en consistente weergave door
mevrouw A van de wijze waarop zij door X op zakenreizen in België tot
seksueel contact is gedwongen, aannemelijk acht dat sprake is van
verkrachtingen, zijn deze feiten in de onderhavige procedure, gezien de
ontkenning door X, niet komen vast te staan. Wel staat vast dat X met mevrouw
A enige malen gemeenschap heeft gehad en dit onder omstandigheden (op
zakenreizen, in hotels) waarin mevrouw A nog meer dan anders in een
afhankelijke positie verkeerde. Voorts staat vast dat X tijdens het werk
mevrouw A onzedelijk heeft betast. Ongeloofwaardig is, vooral gezien de aard
van de handelingen, dat mevrouw A zich daartoe uitnodigend zou hebben
gedragen, zoals X wil doen geloven.
Vorenbedoeld gedrag van X jegens een ondergeschikte werkneemster op de
afdeling waarvan hij hoofd is, een werkneemster die, zoals hij wist, in 1988
was gehuwd, wier man eveneens bij Y BV werkzaam was, is mede gezien de
positie die X innam binnen het bedrijf van Y BV onacceptabel en levert een
dringende reden voor ontslag op.
De arbeidsovereenkomst dient per 1 februari 1991 te worden ontbonden. Nu de
arbeidsovereenkomst anders dan wegens veranderingen in de omstandigheden
wordt ontbonden, is geen plaats voor toekenning aan een van beide partijen
van een vergoeding.
(…)

NB Ontbinding per 1 februari 1991 met compensatie van kosten.

Rechters

Jhr. Mr. W.M.C. de Jonge

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 16 januari 1991

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Hoger beroep van Kantongerecht Amsterdam van 27 juli 1989, rolnummer
3457/88. Vernietigt bovenvermeld vonnis en wijst verzoek gedeeltelijk toe. Zie
ook Hoge Raad, 29 november 1991, nr. 13833.

Volledige tekst


In de tweede plaats stelt de stichting zich op het standpunt dat zij
niet kan worden verplicht het gevorderde aan S. af te dragen, nu zij zich
daartoe niet had verbonden.

Nu het hier een betaling van loon betreft en nu aangenomen mag worden
dat er geen enkel belang mee is gediend om dit loon thans nog voor S. aan de
belastingdienst af te dragen, faalt ook dit verweer.

Tenslotte heeft de stichting zich in hoger beroep nog beroepen op de in
artikel 2012 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde verjaringstermijn.

Dit beroep slaagt. Loonbetalingen zijn periodieke betalingen als in dit
artikel bedoeld, zodat de vordering slechts kan worden toegewezen over de
periode welke is gelegen tussen het instellen van de vordering en 5 jaar
daarvoor.

Blijkens de in eerste instantie bij repliek overgelegde overzichten van
de salarisbetalingen bedraagt de vordering over die periode ƒ 13.304,37, welk
bedrag zal worden toegewezen.

11. Nu beide partijen in hoger beroep deels in het ongelijk zijn gesteld
worden de kosten gecompenseerd.

BESLISSING IN HOGER BEROEP

De rechtbank:

– vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te
Amsterdam van 27 juli 1989;

en opnieuw rechtdoende:

– veroordeelt de stichting tot betaling aan S. van ƒ 13.304,37, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 1988 tot aan de dag van
de algehele voldoening;

– wijst de vordering voor het overige af;

Rechters

mrs. M. Hartzuiker, A.C. Monster en U. van de Pol

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 januari 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Zwangere stewardessen krijgen sinds augustus 1990 een volledig
vliegverbod opgelegd. De zwangerschap moet direct worden gemeld. Vast
personeel krijgt vervangend werk of een uitkering van 60- procent aangeboden;
stand-by stewardessen krijgen geen werk meer aangeboden. De KLM voert als
argument aan bescherming van de vrouw. Deze “bescherming” gaat echter
duidelijk verder dan het stand-by personeel zelf wenst.

De Commissie is van oordeel dat deze handelwijze discriminatie oplevert
zolang niet vaststaat dat doorvliegen tijdens de zwangerschap gevaar voor de
gezondheid met zich meebrengt.

Volledige tekst

5. DE OVERWEGING VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de beeindiging door de wederpartij van de
registratie van stand-byers bij zwangerschap in strijd is met de wetgeving
inzake gelijke behandeling. Daarbij gaat het om de situatie die voor 1
augustus 1990 gold, als ook de nieuwe regeling die vanaf die datum geldt.

Allereerst komt de vraag aan de orde, wat de aard is van de
rechtsbetrekking tussen de wederpartij en de stand-byers. Partijen verschillen
op dit punt van mening. Verzoekster is van mening dat hier sprake is van een
doorlopende arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht. De
wederpartij is van mening dathier sprake is van een voorovereenkomst op grond
waarvan het mogelijk is om bij iedere vlucht mondeling een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd aan te gaan.

5.2. Het is niet in de eerste plaats de taak van de Commissie om vast te
stellen, wat naar burgerlijk recht de aard en de inhoud van een overeenkomst
is. Deze Commissie oordeelt over die zaken die de interpretatie van de
wetgeving inzake gelijke behandeling betreffen. Desondanks kan het voor de
Commissie nodig zijn om, ten behoeve van de toepassing van de wetgeving inzake
gelijke behandeling, de aard van een rechtsbetrekking te definieren. Het
antwoord op de vraag, of er tussen de wederpartij en de stand-byers wel of
niet een doorlopende arbeidsovereenkomst van kracht is, is niet in zijn
algemeenheid te beantwoorden. Het antwoord kan in individuele gevallen
verschillend luiden. De Commissie zal daarom aan beide mogelijkheden aandacht
besteden.

5.3. Voor het geval sprake is van een (doorlopende) arbeidsovereenkomst
met uitgestelde prestatieplicht kan de handelwijze van de wederpartij worden
getoetst aan art. 1637ij BW. Deze bepaling verbiedt de werkgever onderscheid
naar geslacht te maken bij het aangaan of de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst, bij het verstrekken van onderricht aan de arbeider, in de
arbeidsvoorwaarden en bij de bevordering. Onderscheid naar zwangerschap wordt
in art. 1637ij BW op een lijn gesteld met direct onderscheid naar geslacht.

De vraag is dan, of er hetzij onder de oude regeling, hetzij onder de
sinds 1 augustus 1990 geldende regeling door de wederpartij werd/wordt
gehandeld in strijd met deze bepaling. Voor het antwoord op deze vraag moet
een onderscheid worden gemaakt tussen het beeindigen van de registratie op
zich en het beeindigen van het aanbieden van werk.

Het wegens zwangerschap (tijdelijk) stoppen met werken door de
stand-byers kan nadelige rechtsgevolgen hebben voor de stand- byers, met name
waar het gaat om de opbouw van wettelijke sociale zekerheidsrechten. Het is de
Commissie echter duidelijk gebleken uit verklaringen van de kant van
verzoekster zelf, dat de stand- byers in de oude situatie zelf aangaven
wanneer zij wilden stoppen met werken. In de praktijk konden ze zo lang
doorgaan als ze wilden. De wederpartij kan niet worden verweten dat zij op het
moment dat de stand-byer wil stoppen, die stand-byer ook geen werk meer
aanbiedt.

Naast het tijdelijk stoppen met het eventueel aanbieden van
werkbeeindigde de wederpartij de registratie van de zwangere stand- byer op
het moment dat deze aangaf met werken te willen stoppen.

Hieromtrent geldt dat het de Commissie uit de ter zitting beschikbare
gegevens niet is gebleken dat deze beeindiging van registratie op zich
rechtsgevolgen met zich meebrengt als bedoeld worden in art. 1637ij lid 1 BW.
(…)

5.4. Onder de nieuwe regeling geldt het volgende: nog steeds uitgaande
van de veronderstelling dat sprake is van een doorlopende arbeidsovereenkomst
met uitgestelde prestatieplicht.

De stand-byer krijgt een vliegverbod opgelegd waardoor het haar
onmogelijk wordt gemaakt te werken. De wederpartij voert aan dat dit gebeurt
ter bescherming van de vrouw. Art. 1637ij lid 3 BW maakt het mogelijk af te
wijken van het beginsel van gelijke behandeling indien het bedingen betreft
die op de bescherming van de vrouw, met name in verband met zwangerschap of
moederschap betrekking hebben. Deze bepaling heeft tot doel, de rechten van
vrouwen bij zwangerschap en moederschap te garanderen, niet echter om haar
rechtspositie te verslechteren. De wederpartij heeft voor de Commissie niet
voldoende aannemelijk kunnen maken, dat het vliegen voor een zwangere vrouw
en/of haar ongeboren kind zulke gevaren met zich meebrengt dat haar het werken
als (in dit geval) stand-by stewardess geheel onmogelijk moet worden gemaakt.

De gegevens die zij tot nu toe heeft overgelegd zijn omstreden, niet in
het minst in de kring van het stand-by personeel zelf.

Indien de wederpartij het stand-by personeel bij zwangerschap op
verdergaande wijze dan door henzelf gewenst wil beschermen, terwijl daarvoor
onvoldoende feitelijke grondslag is, dan dient naar het oordeel van de
Commissie de wederpartij er zorg voor te dragen dat de nadelen van die
verregaande bescherming niet bij het stand-by personeel liggen. Het beginsel
van gelijke behandeling brengt dan met zich mee dat de wederpartij hetzij zorg
draagt voor een aanbod van vervangende arbeid, hetzij voor een uitkering.

Wat betreft de beeindiging van de registratie wordt verwezen naar de
laatste alinea onder 5.3.

5.5. Voor het geval sprake is van een voorovereenkomst, zoals gesteld
door de wederpartij, geldt het volgende. In de oude situatie hield de
wederpartij op met het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op
het moment dat de zwangere stand-byer zelf aangaf dat ze zo’n aanbod niet zou
aanvaarden. Op het moment dat de stand-by stewardess na de bevalling aangaf
weer te willen werken hervatte de wederpartij het aangaan van
arbeidsovereenkomsten. De wederpartij kan niet worden verweten dat zij stopt
met het aangaan van arbeidsovereenkomsten voorzover de stand-by stewardess
heeft aangegeven het aanbod niet te zullen aanvaarden. Wat betreft de
beeindiging van de registratie wordt verwezen naar de laatste alinea onder
5.3.

5.6. In de nieuwe situatie geldt, dat de wederpartij zonder meer stopt
met het aangaan van arbeidsovereenkomsten op het moment dat de stand-by
stewardess meldt dat zij zwanger is. De wederpartij kan zich niet beroepen op
het feit dat zij de stand-by stewardess beschermt zolang de noodzaak van deze
vorm van verregaande bescherming niet is aangetoond en de nadelige gevolgen
daarvan eenzijdig bij het stand-by personeel worden gelegd. Hier geldt verder
hetzelfde als is gesteld onder 5.4.

Wat betreft de beeindiging van de registratie wordt verwezen naar de
laatste alinea onder 5.3.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

6.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de wederpartij:

– geen onderscheid maakte naar geslacht door voor 1 augustus 1990 bij
zwangerschap te stoppen met het aanbieden van werk dan wel het aangaan van
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan/met zwangere stand-by
stewardessen die zelf hadden aangegeven dat zij wegens die zwangerschap
(tijdelijk) niet meer als stewardess wilden werken;

– zolang onvoldoende aannemelijk is dat voor een zwangere vrouw en/of
haar ongeboren kind het vliegen op zich niet zodanige gevaren voor de
gezondheid meebrengt dat haar het werk als (stand-by) stewardess geheel
onmogelijke moet worden gemaakt: wel onderscheid maakt naar geslacht door het
vanaf 1 augustus 1990 zwangere stand-by stewardessen onmogelijk te maken te
werken door hen geen arbeid meer aan te bieden dan wel geen
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd meer met hen aan te gaan; daarmee
handelt de wederpartij in strijd met art. 1637ij lid 1 BW. (…)

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 4 januari 1991

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Onderstaande beslissing is een vervolg op HR 10 november 1989, NJ 1990,
628. Zie ook Rechtspraak Nemesis 1990 nr 73.

In dat arrest ging de HR om: biologisch vaderschap alleen is niet (meer)
aan te merken als family life in de zin van art. 8 EVRM. Er moet daarnaast een
nauwe persoonlijke band met het kind bestaan voor de ontvankelijkheid van het
verzoek. De zaak werd verwezen naar het Hof Amsterdam. In de onderhavige zaak
stond dan ook de vraag centraal of sprake is van (voldoende) bijhorende
omstandigheden om van family life te kunnen spreken. Het Hof concludeerde dat
dit niet kon worden vastgesteld en verklaarde de man niet ontvankelijk in zijn
verzoek. De Hoge Raad komt aan de beoordeling van deze kwestie niet toe in
verband met de feitelijkheden van het oordeel van het Hof.

Volledige tekst

1. De procedure

De Hoge Raad verwijst naar zijn beschikking van 10 november 1989, NJ
1990, 628 (Rechtspraak Nemesis 1990 nr 73), voor een samenvatting van het
geding in feitelijke instanties en het geding in cassatie voorafgaande aan
genoemde beschikking.

Bij die beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 24 februari 1989 vernietigd en de zaak ter
verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam
(hierna aan te duiden als het Hof).

Nadat verzoeker tot cassatie – verder te noemen de vader – bij
verzoekschrift na verwijzing het Hof had verzocht hem alsnog ontvankelijk te
verklaren in zijn verzoek tot het treffen van een omgangsregeling met zijn
dochter E. en verweerster in cassatie – verder te noemen de moeder – daartegen
verweer had gevoerd, heeft het Hof bij beschikking van 26 maart 1990 de
beschikking van de Kinderrechter in de Rechtbank te ‘s-Gravenhage van 25
oktober 1988 vernietigd en de vader niet ontvankelijk in zijn verzoek
verklaard.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze
beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping
van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Middel I maakt bezwaar tegen de overweging van het Hof dat bij de
mondelinge behandeling en uit de stukken onder meer gebleken is dat de vader
vanaf ongeveer de eerste verjaardag van E. “tot ongeveer 1 januari 1988”
contact met haar heeft gehad.

Het middel, dat een beroep doet op de stelling van de vader dat hij “nog
tot medio mei 1988 op bezoek is geweest”, faalt. De bestreden overweging,
welke berust op ’s Hofs waardering van hetgeen in de gedingstukken is gesteld
en ter terechtzitting van het Hof is verklaard, is niet onbegrijpelijk, gelet
op de verklaring van de moeder ter terechtzitting van het Hof dat “de laatste
contacten tussen de vader en E. in januari 1988 zijn geweest”. Tot nader
onderzoek was het Hof niet verplicht.

3.2. Middel II voert aan dat de weergave door het Hof van hetgeen de
vader heeft gesteld tot staving van zijn standpunt dat sprake is van family
life in de zin van art. 8 EVRM tussen hem en E., geen steun vindt in de
stukken. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld, omdat het Hof kennelijk
heeft bedoeld een samenvatting van de essentie van de stellingen van de vader
te geven, welke samenvatting in het licht van de gedingstukken niet
onbegrijpelijk is. Dat het Hof in die samenvatting de door de vader gestelde
diepgang van zijn contacten met E. zou hebben miskend, valt daaruit niet af te
leiden.

3.3. Middel III faalt omdat het ten onrechte veronderstelt dat het Hof,
in rov. 3, eerste alinea, sprekende van “bijzondere omstandigheden”, daarmede
iets anders op het oog zou hebben dan “bijkomende omstandigheden” als bedoeld
in rov. 3.3, voorlaatste alinea, en rov. 3.4, tweede alinea, van HR 10
november 1989, NJ 1990, 628.

3.4. Middel IV bestrijdt tevergeefs de eerste zin van de tweede alinea
van rov. 3. In die zin verwijst het Hof naar “het voorgaande”, waarmede het
bedoelt hetgeen in rov. 2 is vermeld omtrent de gebleken feiten en
omstandigheden en omtrent destandpunten van de vader en de moeder. De
waardering van een en ander leidt het Hof tot de conclusie dat een band tussen
de vader en E. welke als family life in voormelde zin kan worden aangemerkt,
in onvoldoende mate is komen vast te staan. Anders dan het middel aanvoert was
het Hof niet gehouden de vader in de gelegenheid te stellen tot bewijs van
zijn stellingen, voorzover door het Hof niet als juist is aanvaard. Voor zover
het middel een beroep doet op hetgeen in het kader van de middelen II en III
is betoogd, stuit het af op het met betrekking tot die middelen overwogene.

3.5. Middel V richt zich tegen de tweede zin van de tweede alinea van
rov. 3, waarin het Hof veronderstellenderwijs uitgaat van dejuistheid van
hetgeen de vader heeft gesteld omtrent de aard en de frequentie van zijn
contacten met E. Het Hof acht in die veronderstelling onvoldoende bijkomende
omstandigheden – in de zin van het hierboven onder 3.3 overwogene – aanwezig
om van family life te kunnen spreken. ’s Hofs oordeel geeft niet blijk van een
onjuiste rechtsopvatting; het getuigt met name niet van het aanleggen van een
te strenge maatstaf. Voor het overige berust dat oordeel op ’s Hofs waardering
van het gestelde, welke waardering van feitelijke aard is. Het Hof heeft zijn
oordeel voldoende gemotiveerd. Nu het tot de slotsom kwam dat van family life
geen sprake is, was niet aan de orde de vraag of een aanvankelijk aanwezig
family life later heeft opgehouden te bestaan. Een beslissing van het Hof
omtrent die vraag is in de bestreden overweging niet te lezen. Ook middel V is
dus tevergeefs voorgesteld.

3.6. Middel VI heeft geen zelfstandige betekenis.

4. Beslissing

De Hoge raad verwerpt het beroep.

Beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam, 26 maart 1990, rek.nr.
897/89.

(…)

2. De feiten en omstandigheden en de standpunten van partijen

Bij de mondelinge behandeling en uit de stukken is onder meer het
volgende gebleken.

Partijen hebben een relatie gehad, doch hebben niet samengewoond. Deze
relatie werd voor de geboorte van E. verbroken. E. is op 20 november 1982
geboren. De vader is de biologische vader. Hij heeft E. niet erkend. Ongeveer
een week na de geboorte heeft de vader E. bezocht. Daarna zijn er verder geen
contacten geweest, totdat E. ongeveer een jaar oud was.

Vanaf die tijd tot ongeveer 1 januari 1988 heeft de vader contactmet E.
gehad. Partijen zijn het niet met elkaar eens over de aard en de frequentie
van deze contacten.

Op 9 september 1988 is E. erkend door M.v.W., en vervolgens op 7 oktober
1988 gewettigd door het huwelijk van de moeder met M.v.W.

De vader vindt dat er sprake is van family life in de zin van art. 8 van
het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) tussen hem en E., omdat
hij niet alleen de biologische vader van haar is, maar tevens regelmatig op
haar heeft gepast en haar heeft verzorgd. Volgens de vader kwam hij ongeveer
tweemaal per week bij de moeder op bezoek waarbij hij contact met E. had en
hij ook regelmatig bleef slapen. Verder is hij met de moeder en E. een paar
maal op vakantie geweest en heeft hij ook samen met de moeder een
kleuterschool voor E. uitgezocht.

Slechts omdat de moeder een nieuwe relatie kreeg heeft zij hem eenzijdig
de contacten met E. ontzegd, aldus de vader.

De moeder ontkent dat er sprake is van family life, omdat de relatie met
de vader reeds voor de geboorte van E. was verbroken. De contacten die de
vader met E. had vanaf ongeveer E.’s eerste verjaardag tot ongeveer januari
1988, zijn volgens haar spaarzaam geweest. Daarbij heeft de vader niet op E.
gepast, noch heeft hij haar verzorgd. Ook de kleuterschool is niet in
onderling overleg uitgezocht. De vader is wel een aantal malen meegeweest met
vakantie toen de moeder met E. haar familieleden bezocht, omdat hij graag
meewilde. Een gezamenlijke vakantie was het echter niet, aldus de moeder.
Bovendien vindt zij dat, als er al sprake zou zijn van family life, dit thans
is verbroken, omdat de laatste contacten tussen de vader en E. in januari 1988
zijn geweest.

3. De beoordeling van het hoger beroep

Voor de ontvankelijkheid van het verzoek van de vader is naast het
biologisch vaderschap vereist dat de vader voldoende bijzondere omstandigheden
stelt waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke band
tussen hem en het kind, dat sprake is van family life in de zin van art. 8 van
het EVRM, en dat deze band niet door latere gebeurtenissen is doorbroken.

Uit het voorgaande volgt echter dat onvoldoende is komen vast te staan
dat tussen de vader en E. een zodanig nauwe persoonlijke band is ontstaan dat
deze kan worden aangemerkt als family life in de zin van art. 8 EVRM.
Daarnaast is voorts van belang dat zelfs als hetgeen door de vader is gesteld
omtrent de aard en de frequentie van zijn contacten met E. zou komen vast te
staan, dan nog brengt dat niet met zich mee dat tussen de vader en E. family
life in de zin van art. 8 EVRM aanwezig is, dan wel nog aanwezig is.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

Het Hof: vernietigt de beschikking van de Kinderrechter in de Rechtbank
te ‘s-Gravenhage van 25 oktober 1988, en verklaart de vader niet- ontvankelijk
in zijn verzoek.

Rechters

De Groot als voorzitter, Haak, Boekman en Hermans, raadsleden.

Instantie: Kantonrechter Maastricht, 4 januari 1991

Instantie

Kantonrechter Maastricht

Samenvatting


Beide partijen hebben een ontbindingsverzoek ingediend. Het conflict wat
hieraan ten grondslag ligt, heeft te maken met de wens van de vrouw haar baby
borstvoeding op haar werk te geven. Dit is haar geweigerd omdat de
aanwezigheid van een baby op het werk de aanwezige medewerkers zou afleiden.
De kantonrechter is van mening dat de verstoorde arbeidsverhouding grotendeels
te wijten is aan Delta Lloyd. Los van de vraag of Delta Lloyd een wettelijke
verplichting heeft in dezer, heeft zij niet gehandeld als een goed werkgever
betaamt. Door de houding van Delta Lloyd is verzoekster ook psychische schade
berokkend. Zij krijgt 25.000,- materiele schadevergoeding en5.000,-
immateriele.

Volledige tekst

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel
onvoldoende weersproken mede aan de hand van de overgelegde produkties vast:

– dat U. sedert 15 december 1972 in dienst is bij Delta Lloyd in de
functie van administratief medewerkster;

– dat het inkomen van U. bedraagt ƒ 1396 bruto per maand zulks op basis
van een 20-urige werkweek;

– dat de huidige leeftijd van U. 37 jaren is;

– dat U. van 15 december 1982 tot 3 juni 1988 werkzaam is geweest bij
Delta Lloyd op basis van 40 arbeidsuren per week en sedert 3 juni 1988 op
basis van 20 arbeidsuren per week;

– dat gerequestreerde sedert 18 mei 1990 ziek is en dat thans nog steeds
is. Delta Lloyd wenst op grond van gewichtige redenen bestaande uit een
dringende reden c.q. een wijziging van omstandigheden ontbinding van de tussen
partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

U. verzoekt in haar verzoekschrift op haar beurt in voorwaardelijke
reconventie ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op
grond van het feit, dat een verdere samenwerking tussen partijen niet meer tot
de mogelijkheden behoort.

Ons is derhalve gebleken, dat beide partijen het erover eens zijn, dat
de basis voor een goede en verdere samenwerking tussen partijen geheel is
komen te ontvallen.

Wij zijn derhalve van oordeel, dat de tussen partijen bestaande
arbeidsverhouding ontbonden dient te worden.

Voorts zijn Wij van oordeel, dat Delta Lloyd niet althans onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt, dat er te dezen sprake zou zijn van zodanige feiten
en/of omstandigheden, die een dringende reden, als bedoeld in artikel 1639o,
eerste lid, zouden hebben opgeleverd, indien de dienstbetrekking deswege
onverwijld beeindigd ware.

Thans dient de vraag beantwoord te worden of aan U. en vergoeding als
bedoeld in art. 1639 w lid 8 Burgerlijke Wetboek toegekend dient te worden.

Delta Lloyd is van mening dat er in casu geen plaats is voor toekenning
van enige vergoeding aan Delta Lloyd nu de tussen partijen vaststaande
verstoorde arbeidsverhouding geheel en al te wijten is aan U., nu U. niet meer
de bereidheid heeft getoond om op adequate wijze haar werkzaamheden uit te
voeren.

U. daarentegen heeft Ons verzocht haar een bruto vergoeding toe te
kennen ten laste van Delta Lloyd van 60.000,- alsmede een immateriele
schadevergoeding van 25.000,- althans een zodanige vergoeding als Wij in
goede justitie zullen bepalen, stellende daartoe dat de verstoorde
arbeidsverhouding geheel en al te wijten zou zijn aan de opstelling van Delta
Lloyd in deze.

– Delta Lloyd heeft daartoe, kort samengevat, gesteld, dat het
functioneren van U. reeds langere tijd te wensen overliet, hetgeen blijkt uit
het beoordelingsformulier uit 1989 en het verslag van het
functioneringsgesprek in 1990;

-dat de problemen met U. eigenlijk pas echt zijn begonnen op het moment
dat U. van een full-time dienstverband over ging naar een part-time
dienstverband, met name over het op de vrijdagmiddag verrichten van arbeid
door U.;

– dat het voor haar, Delta Lloyd, bijzonder belangrijk was dat zij op
vrijdag de gehele dag over U. kon beschikken in verband met de andere
part-time krachten en de bezetting op vrijdag;

– dat er ook met U. afspraken zijn gemaakt, dat zij op vrijdag de gehele
dag zou komen werken doch dat U. al snel de 8-urige vrijdag ter discussie
stelde en zij op vrijdagmiddag vrij wilde hebben;

– dat Delta Lloyd echter aan dit verzoek, gelet op de eerdergenoemde
belangen, geen gehoor kon geven, dat U. zich echter hiermede nooit heeft
kunnen verenigen en in deze kwestie een onverzoenlijk standpunt heeft
ingenomen hetgeen uiteindelijk de belangrijkste oorzaak was voor de
verslechterde arbeidsrelatie;

– dat U. zich begin 1990 heeft gewend tot haar met het verzoek om nog
slechts op drie dagen te mogen werken, in ieder geval niet op vrijdagmiddag
daar zij dan haar kind borstvoeding zou moeten geven;

– dat zij dit verzoek van U. geweigerd heeft alsook het verzoek van U.
om haar kind dan op vrijdagmiddag op kantoor borstvoeding te mogen geven en
wel om die reden, dat de aanwezigheid van een baby op de drukke vrijdagmiddag
de aanwezige medewerkers te veel zou afleiden nu het een feit van algemene
bekendheid is dat baby’s op vele vrouwen, en ook mannen, een bijzondere
aantrekkingskracht hebben zodat het derhalve uiterst reeel was te verwachten
dat de medewerkers gedurende zekere tijd hun belangstelling zouden wijden aan
de baby, hetgeen vanzelfsprekend hun werkzaamheden niet ten goede zou komen
waarbij tevens een rol speelt, dat het kantoor te Maastricht een relatief
klein kantoor is, ook qua ruimte, waardoor de verwachting gerechtvaardigd was
dat een groot percentage van de aanwezige medewerkers door de baby zou worden
afgeleid.

U. heeft een gemotiveerd verweer gevoerd waarbij zij met name heeft
betwist dat zij in het verleden niet goed gefunctioneerd zou hebben alsmede
dat de problemen reeds lang zouden zijn ontstaan nog voordat zij Delta Lloyd
had verzocht om op vrijdagmiddag vrij te kunnen zijn voor het geven van
borstvoeding aan haar kind.

Het is, aldus U., wel juist dat zij in eerste instantie heeft verzocht
om op vrijdagmiddag niet te hoeven werken maar het was de wens van Delta Lloyd
om toch op die vrijdagmiddag te komen werken. Er was echter geen sprake van

de toestemming van Delta Lloyd om op part-time basis werkzaam te zijn,
afhankelijk was van de bereidheid van haar om de gehele vrijdag te werken. Zij
heeft zich ook akkoord verklaard met die vrijdagmiddag. Wel is haar meegedeeld
van de zijde van haar cheffin dat zij niet op de vrijdagmiddag werkzaam hoefde
te zijn wanneer zij een collega kon vinden die bereid was dit dagdeel van haar
over te nemen. Toen zij echter na de geboorte van haar tweede kind Delta Lloyd
verzocht om niet meer op vrijdagmiddag werkzaam te hoeven zijn of haar
toestemming te verlenen haar kind op die vrijdagmiddag borstvoeding te mogen
geven op kantoor, heeft Delta Lloyd dit botweg geweigerd. Men wilde haar enkel
in de gelegenheid stellen af te kolven. De stellingname van Delta Lloyd, dat
het van haar in redelijkheid absoluut niet verlangd kon worden dat zij een
verzoek tot het geven van borstvoeding op het kantoor in kwestie zou
honoreren, raakt, volgens U., kant noch wal nu Delta Lloyd enerzijds op basis
van de wet verplicht was haar medewerking te verlenen en anderzijds zij wel
gelegenheid wilde geven om af te kolven.

Delta Lloyd wilde geen enkele medewerking verlenen om de ontstane
situatie op te lossen.

U. voert voorts nog aan dat door de uiterst onredelijke opstelling van
Delta Lloyd de spanningen bij haar zo hoog zijn opgelopen, dat zij zich
arbeidsongeschikt heeft moeten melden per 18 mei 1990 waarbij opgemerkt dient
te worden dat de huidige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van de opstelling
van Delta Lloyd.

Wij zijn van oordeel dat de door Ons aanwezig geachte verandering van
omstandigheden welke een ontbinding van de tussen partijen bestaande
arbeidsverhouding rechtvaardigt, grotendeels te wijten is aan Delta Lloyd.

Wij komen tot dit oordeel op grond van het navolgende:

Ter terechtzitting is Ons duidelijk geworden dat de voornaamste oorzaak
van de verstoorde arbeidsverhouding gelegen is in het feit dat U. op haar
standpunt bleef staan, dat Delta Lloyd haar in de gelegenheid diende te
stellen om haar tweede kind borstvoeding te geven.

Immers is Ons door Delta Lloyd niet althans onvoldoende aannemelijk
gemaakt dat U. gedurende haar 18-jarig dienstverband onvoldoende
gefunctioneerd zou hebben. Delta Lloyd heeft van dit beweerdelijk slecht
functioneren ook geen enkel schriftelijk stuk overgelegd behoudens een
beoordelingsformulier van 24 juli 1990 uit welk beoordelingsformulier, naar
Ons oordeel, niet althans onvoldoende is af te leiden dat U. niet goed zou
functioneren of niet goed gefunctioneerd zou hebben. Voorts komt het Ons een
ietwat vreemd voor dat een werkgeefster een werkneemster die niet goed zou
functioneren 18 jaar in haar bedrijf laat werken zonder ooit maar een
schriftelijke aanmerking te maken.

Los van de vraag of Delta Lloyd een wettelijke verplichting heeft om U.
de gelegenheid te geven haar kind op vrijdagmiddag borstvoeding te geven, zijn
Wij van oordeel dat Delta Lloyd in casu niet heeft gehandeld zoals het een
goed werkgever betaamt, nu, naar Ons oordeel, in dit geval, gelet op het toch
zeer lang dienstverband van U., de redelijkheid en billijkheid gevergd zouden
hebben dat Delta Lloyd haar medewerking wel zou hebben verleend, en nu voorts
de door Delta Lloyd gegeven redenen om het verzoek voor het geven van
borstvoeding te weigeren, naar Ons oordeel, in hun geheel niet opgaan.

Ter terechtzitting is immers komen vast te staan dat op het kantoor in
Maastricht een geschikte ruimte aanwezig was alwaar U. zich zou kunnen
afzonderen om haar kind borstvoeding te geven.

Voorts dient naar Ons oordeel de door Delta Lloyd gevreesde
produktievermindering in zoverre zij heeft gesteld dat de aanwezigheid van een
baby op de drukke vrijdagmiddag de aandacht van de aanwezige medewerkers te
veel zou afleiden, niet afgewenteld te worden op de werknemer, in casu U.,
doch op de leiding van het kantoor in Maastricht; indien die leiding haar
personeel in dit opzicht niet in het gareel kan houden dient dit, naar Ons
oordeel, niet voor rekening te komen van U.

Gelet op al het vorenstaande, de leeftijd van U., de toch zeer lange
duur van de dienstbetrekking alsmede de moeilijke situatie waarin U. komt te
verkeren op de arbeidsmarkt, achten wij een vergoeding aan U. ten laste van
Delta Lloyd bestaande uit een bedrag van 25.000,- bruto, welk bedrag dient
als suppletie op de eventueel door U. te ontvangen sociale uitkeringen c.q.
vervangend loon tot 100 procent van haar laatstverdiende netto-loon, redelijk
en billijk. Voorts achten Wij ten deze redelijk en billijk dat aan U. ten
laste van Delta Lloyd een bedrag van 5.000,- toegekend wordt terzake van
immateriele schadevergoeding, nu U. Ons voldoende aannemelijk heeft gemaakt,
dat haar, gelet op de door Delta Lloyd in deze aangenomen houding, ook
psychische schade is berokkend.

Nu ook U. in voorwaardelijk reconventie ontbinding van de tussen
partijen bestaande arbeidsverhouding heeft verzocht, zullen Wij, alvorens
verder te beslissen, partijen van Ons voornemen de arbeidsovereenkomst te
ontbinden en daaraan ten laste van Delta Lloyd een vergoeding aan U. te
verbinden, in kennis stellen, met bepaling van een termijn, binnen welke zowel
Delta Lloyd als U. de bevoegdheid hebben haar verzoek in te trekken als na te
melden.

Tenzij beide partijen haar verzoek intrekken, zal de tussen partijen
bestaande arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 februari 1991.

Rechters

Mr. J.C.M. Pooters

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 21 december 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Eiseres heeft aan gedaagde verzocht haar bijdrage in de premie voor
ziektekostenverzekering naar rato van haar inkomen vast te stellen. Het beroep
tegen het afwijzend besluit is ongegrond verklaard. Ook de Centrale Raad
verklaart het beroep ongegrond. Voor de Raad staat niet vast dat op basis van
cijfermatige vergelijking een vermoeden van discriminatie gegrond is. En
overigens is de Raad van mening dat de aan de regeling ten grondslag liggende
objectieve en zakelijke motivering en afweging een toereikende
rechtvaardigingsgrond voor de gekozen oplossing inhoudt, ook al zou dit enige
benadeling van bepaalde deeltijdwerkende IZR-deelneemsters tot gevolg hebben.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 11 mei 1987 heeft gedaagde afwijzend beschikt op het
verzoek van eiseres haar bijdrage in de premie voor haar
ziektekostenverzekering op een lager bedrag vast te stellen.

Het Ambtenarengerecht te Haarlem heeft het beroep tegen dit besluit bij
uitspraak van 10 juni 1988, nr. AW 87/141, ongegrond verklaard.

Eiseres is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 6 december 1990. Eiseres
is daar in persoon verschenen, bijgestaan door Mr. E. Faas, verbonden aan de
AbvaKabo.

Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door Mr. J.H. van Beurden,
werkzaam ter provinciale griffie. Voorts was aanwezig Mr. Th.B. Frohn,
werkzaam bij de Interprovinciale Ziektekostenregeling.

II. Motivering

Eiseres was in 1987 in deeltijd (30,5 uur per week) in ambtelijke dienst
van de provincie Noord-Holland werkzaam en uit dien hoofde deelneemster aan de
Interprovinciale Ziektekostenregeling (IZR).

Van deze verzekering zijn uitgesloten zij wier arbeidstijd minder dan 50
procent van een volledige betrekking bedraagt. Ten behoeve van hen, die wel
ingevolge de IZR verzekerd zijn, wordt de premie, die in 1987 nog geheel aan
het inkomen gerelateerd was en uitgedrukt werd in een bepaald percentage van
de premiegrondslag, door de provincie voldaan, met dien verstande dat de
verzekerden daartoe een bijdrage ten bedrage van de halve premie verschuldigd
zijn. Daarbij wordt ten aanzien van hen, die een betrekking van 32 uur per
week of meer vervullen, uitgegaan van het werkelijk genoten inkomen terwijl
ten aanzien van hen, die een betrekking van minder dan 32 uur per week
vervullen, wordt uitgegaan van het inkomen dat zij zouden hebben genoten
wanneer zij die betrekking voor 32 uur per week zouden hebben vervuld.

Eiseres heeft in januari 1987 aan gedaagde verzocht haar premiebijdrage
vast te stellen op basis van haar werkelijk genoten inkomen. Gedaagde heeft
dit verzoek bij het bestreden besluit afgewezen.

Eiseres had tevoren het advies ingewonnen van de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare
dienst (Commissie GMV b.o.d.), als bedoeld in art. 3 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst (Wet GMV
b.o.d.). Deze commissie heeft in een uitvoerig advies van 27 oktober 1986 als
haar oordeel gegeven, dat de toelatingsgrens van 50 procent arbeidstijd niet
in strijd met de Wet GMV b.o.d. is. De commissie heeft voorts als haar oordeel
uitgesproken ‘dat de afwijkende premieheffing voor IZR-deelnemers die in
deeltijd werken, in de praktijk met name vrouwen benadeelt en voor deze
benadering geen objectieve rechtvaardiging bestaat waardoor de betreffende
premieheffing in strijd is met art. 1 lid 1 van de Wet GMV b.o.d.’.

De vaststelling van de toelatingsgrens berust op het doel aan allen, die
een hoofdbetrekking bij de provincie vervullen, een volwaardige
ziektekostenvoorziening te verschaffen. Uitgaande van een ondeelbaar
voorzieningenpakket tegen een redelijke premie en tegen de achtergrond van een
verplichte deelname is gekozen voor een toelatingsgrens welke de deelname aan
de IZR beperkt tot diegenen, wie arbeidstijd ten minste 50 procent van een
volledige betrekking bedraagt.

De grieven van eiseres richten zich echter niet zo zeer tegen de
gestelde toelatingsgrens doch tegen de wijze waarop vervolgens de
premiebijdrage geregeld is. De kern van het betoog van eiseres bestaat hierin,
dat (ook) bij de provincie Noord-Holland veel meer vrouwen dan mannen in
deeltijd werken en dat de geldende premiebijdrageregeling vooral ten nadele
van de vrouwelijke deelneemsters uitpakt hetgeen een ongeoorloofde
discriminatie inhoudt.

De Raad deelt vooreerst niet de mening, dat voor de toetsing van de
premiebijdrageregeling moet worden uitgegaan van allen die bij de provincie in
deeltijd werkzaam zijn.

De regeling, dat de premiebijdrage niet op basis van het werkelijk
genoten inkomen doch op basis van een hogere grondslag wordt berekend, betreft
de groep IZR-verzekerden die meer dan 19 en minder dan 32 uur per week
werkzaam zijn. Of deze groep voor het overgrote deel uit vrouwen bestaat is de
Raad – en ook de Commissie GMV b.o.d. – niet bekend; ter terechtzitting kon
hierover geen nadere informatie worden verstrekt. Of er uit dien hoofde
voldoende grondslag is voor het vermoeden, dat in casu sprake is van
discriminatie naar geslacht, staat derhalve niet vast.

Maar ook indien de genoemde groep deeltijdwerkers wel voor het overgrote
deel uit vrouwen zou bestaan, dan nog is naar ’s Raads oordeel geen
toereikende grondslag aanwezig voor de conclusie dat voor de
premiebijdrageregeling, zoals die voor de genoemde groep deeltijdwerkers is
vastgesteld, een objectieve rechtvaardigingsgrond ontbreekt.

Bij de vaststelling van de toelatingsgrens en van de
premiebijdrageregeling hebben verschillende noties een rol gespeeld. Zo heeft
het draagkrachtbeginsel dan wel het beginsel van de solidariteit voor de
opstellers van de in 1985 tot stand gekomen (herziene) regeling een belangrijk
uitgangspunt gevormd.

Zo is voorts een belangrijk streven geweest zoveel als doenlijk was
onevenwichtigheden te voorkomen en er voor zorg te dragen dat geen
wanverhouding zou ontstaan bijvoorbeeld tussen de premiebijdrage en het
werkelijk genoten inkomen; of tussen de premiebijdrage van deeltijdwerkers met
een gering aantal uren en die van hen met een volledige betrekking; of tussen
de premiebijdrage van de deeltijdwerkers en hun aanspraak op een volledige
ziektekostenvoorziening. Bij dit alles heeft het onderscheid tussen mannen en
vrouwen, middellijk of onmiddellijk, geen enkele rol gespeeld.

Doelstellingen als deze zijn in de afweging betrokken en het is met dat
samenstel van doeleinden en gezien de aard van de materie voorzienbaar dat,
tot welk resultaat die afweging ten slotte ook leidt, in een bezinning op
beleidsniveau in alle redelijkheid steeds ook een andere uitkomst verdedigbaar
is. De beschouwingen van de Commissie GMV b.o.d. leveren daarvan een voorbeeld
door op de noemer van de solidariteit beschouwingen te bouwen, welke weliswaar
alleszins binnen redelijkheidsgrenzen liggen, doch andere en tot andere
oplossingen leidende beschouwingen binnen diezelfde redelijkheidsgrenzen
geenszins uitsluiten. ’s Raads rechterlijke toetsing dient zich evenwel te
beperken tot de vraag of het bestreden besluit in strijd met enige regel van
geschreven of ongeschreven recht is en of uit dien hoofde de aangevochten
regeling in eiseresses geval buiten toepassing had moeten blijven –
daargelaten hoe de premiebijdrage dan had moeten worden berekend.

Zoals boven overwogen acht de Raad te dezen van belang, dat niet
vaststaat dat op basis van cijfermatige vergelijking een vermoeden van
discriminatie gegrond is en dat overigens de aan de regeling ten grondslag
liggende objectieve en zakelijke motivering en afweging een toereikende
rechtvaardigingsgrond voor de gekozen oplossing inhoudt ook al zou dit enige
benadeling van de betreffende IZR-deelneemsters tot gevolg hebben. De Raad
heeft dan ook niet tot de overtuiging kunnen komen dat in casu strijd met enig
geschreven of ongeschreven discriminatieverbod aanwezig is. Aangezien ook
overigens niet is gebleken van strijd met enig algemeen verbindend
voorschrift, algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk
bestuur, dient te worden beslist als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mr Boesjes, voorzitter, mrs Janssen en De Vrey, leden.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 21 december 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Eiseres, die sinds 1962 als zelfstandige werkzaam is, staakt haar arbeid
met ingang van 1 november 1982, aangezien zij vanwege knieklachten sindsdien
(geheel) arbeidsongeschikt zou zijn. De aanvraag om een AAW-uitkering is
afgewezen, omdat eiseres als gehuwde vrouw op dat moment niet verzekerd werd
geacht. Op grond van de destijds geldende bepalingen van de AAW was zij niet
verzekerd, aangezien haar echtgenoot niet verzekerd was, omdat hij vanwege
zijn werk als grensarbeider ingevolge de Duitse sociale wetgeving was
verzekerd.

In eerste instantie is het beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad
acht echter het toepasselijke KB vanaf 17 februari 1983 in strijd met het op
deze datum in werking getreden art. 1 van de Grondwet, dat onder meer
discriminatie op grond van geslacht verbiedt. Naar de mening van de Centrale
Raad kan noch op de gemeenschapsbepalingen van de EEG noch op art. 26 van het
BuPo-Verdrag een beroep worden gedaan. De bedrijfsvereniging moet beslissen
over het al dan niet buiten beschouwing laten van de op 17 januari 1983
bestaande arbeidsongeschiktheid.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij schrijven van 8 februari 1984 heeft gedaagde aan eiseres mededeling
gedaan van de beslissing om niet te voldoen aan haar verzoek om haar een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) toe te
kennen. Daartoe is volgens die brief overwogen:

” In de AAW is bepaald dat een gehuwde vrouw, wier echtgenoot buiten het
Rijk in dienstbetrekking arbeid verricht en ter zake van die arbeid krachten
een buitenlandse wettelijke regeling inzake uitkering wegends ouderdom,
overlijden, en langdurige arbeisongeschiktheid alsmede inzake kinderbijslag
verzekerd is niet behoort tot de kring van verzekerden die in Nederland een
AAw-uitkering kunnen claimen.

Gezien het bovenstaande zullen wij uw aanvraag om AAW-uitkering niet
verder in behandeling nemen.

Deze beslissing is genomen met inachtneming van het bepaalde in de
artikelen: 4, 79 en 80 van de AAW”.

De Raad van Beroep te Roermond heeft bij uitspraak van 15 februari 1958
het beroep van eiseres tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Namens eiseres is tegen die uitspraak hoger beroep aangetekend door haar
echtgenoot R., die op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden de Raad
kennelijk heeft willen verzoeken om die uitspraak alsmede die beslissing te
vernietigen en te verstaan, dat eiseres alsnog recht heeft op toekenning van
de door haar gevraagde uitkering ingevolge de AAW.

Bij schrijven van 20 januari 1987 heeft gedaagde nadere stukken aan de
Raad doen toekomen. Bij brieven van 21 april 1989 en van 27 februari 1990
heeft R. voornoemd nadere stukken aan de Raad doen toekomen en daarin nadere
opmerkingen gemaakt.

Bij schrijven van 21 september 1990 zijn van de zijde van de Raad enkele
vragen aan gedaagde voorgelegd.

Gedaagde heeft daarop geantwoord bij brief van 13 november 1990, met
bijlage.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 14 november
1990, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde
Mr. J.L.J.E. K. , advocaat te M., en waar voor gedaagde is opgetreden Mr. L.E.
M., werkzaam bij gedaagdes bedrijfsvereniging.

II. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat
de Raad van de volgende feiten uit. Eiseres, geboren op 16 april 1946, heeft
sedert 1962 met twee zuster in een vennootschap onder firma een detailhandel
in levensmiddelen, in de vorm van een supermarkt, geexploiteerd. Bij schrijven
van 4 oktober 1983 heeft eisers bij gedaagde een uitkering ingevolge de AAW
aangevraagd. Eiseres heeft verklaard op grond van met name knieklachten met
ingang van 1 november 1982 volledig de arbeid te hebben gestaakt en sinds die
datum (geheel) arbeidsongeschikt te zijn. In het kader van deze aanvraag is
voorts gebleken, dat de echtgenoot van eiseres, R. voornoemd, als
grensarbeider in loondienst werkzaam was bij de firma K. te A. en deswege
ingevolge de Duitse sociale wetgeving verzekerd was.

Bij de onder I genoemde beslissing – zoals deze materieel kan worden
verstaan – is vervolgens de aanvraag van eiseres afgewezen, reeds omdat zij
ten tijde hier van belang niet verzekerd was te achten in de zin van art. 4
van de AAW, met name ingevolge art. 2, eerste lid, aanhef en onder j, in
samenhang met het gestelde onder a, van het – ingevolge het derde lid van art.
4 van de AAW gegeven – Koninklijk Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 557 (nader
genoemd: het KB), zoals deze bepalingen alle luidden ten tijde van de door
eiseres gestelde aanvang van haar arbeidsongeschiktheid op 1 november 1982
alsmede ten tijde van de bestreden beslissing van 8 februari 1984. Ingevolge
deze bepalingen wordt niet als verzekerde onder meer ingevolge de AAW
aangemerkt de binnen het Rijk wonende gehuwde vrouw, wier echtgenoot niet
verzekerd is, omdat hij als ingezetene buiten het Rijk in dienstbetrekking
arbeid verricht en ter zake van die arbeid krachtens een buitenlandse
wettelijke regeling inzake uitkering wegens ouderdom, overlijden en langdurige
arbeidsongeschiktheid alsmede inzake kinderbijslag verzekerd is.

In dit geding is de vraag aan de orde of de aanvraag van eisers bij de
bestreden beslissing terecht op evengenoemde grond is afgewezen. De eerste
rechter heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Raad overweegt het
volgende.

Nationaalrechtelijk bezien, verdient in het bijzonder opmerking, dat
ingevolge de wetten van 19 januari 1983, Stb. 15-51, met ingang van 17
februari 1983 in werking is getreden het nieuwe artikel 1 van de Grondwet,
onder meer inhoudende dat discriminatie op grond van geslacht niet is
toegestaan. Aangezien de uitsluiting van de verzekering ingevolge de AAW,
voortvloeiende uit bovengenoemd art. 2, eerste lid, aanhef en onder j van het
KB, slechts geldt voor de gehuwde vrouw en zodanige uitsluiting ontbreekt voor
de gehuwde man in soortgelijke omstandigheden, dient deze bepaling als een
vorm van directe discriminatie op grond van geslacht te worden aangemerkt,
naar uiteindelijk ook door gedaagde niet wordt bestreden. Aan toetsing van
genoemde bepaling van het KB aan het in art. 1 nieuw van de Grondwet vervatte
discriminatieverbod staat art. 120 van de Grondwet, anders dan wanneer het
toetsing daaraan van de wet in formele zin zou betreffen, niet in de weg.
Bedoeld discriminatieverbod op grond van geslacht is voorts in een geval als
het onderhavige voldoende duidelijk en nauwkeurig om door particulieren voor
de rechter te kunnen worden ingeroepen teneinde de toepassing van de daarmee
strijdige bepaling van het KB te beletten in die zin, dat vrouwen recht hebben
op toepassing van dezelfde bepalingen als mannen die in gelijke situatie
verkeren.

In aanmerking genomen voorts, dat de inwerkingtreding van art. 1 van de
Grondwet niet is opgeschort – anders dan bij sommige andere bepalingen van
hoofdstuk 1 (Grondrechten) van de Grondwet het geval is, zulks ingevolge
‘additionele artikelen’ – is de Raad van oordeel, dat de toetsing van
bovenbedoelde bepaling van het KB aan het in art. 1 van de Grondwet vervatte
verbod van discriminatie op grond van geslacht dient plaats te vinden met
ingang van bovengenoemde datum 17 februari 1983. Derhalve dient naar het
oordeel van de Raad in het onderhavige geval art. 2, eerste lid, aanhef en
onder j van het KB, leidende tot uitsluiting van eiseres van de verzekering
ingevolge de AAW, met ingang van 17 februari 1983 buiten toepassing te worden
gelaten wegens het missen van verbindende kracht uit hoofde van strijd met de
Grondwet.

Dit betekent, indien zou moeten worden uitgegaan van de door eiseres
gestelde ingangsdatum 1 november 1982 van haar arbeidsongeschiktheid alsmede
van een voortduren van deze arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken, dat
eiseres verzekerd zou zijn te achten op de datum waarop haar in beginsel een
uitkering ingevolge de AAW zou kunnen worden toegekend, zij het dat deze
verzekering eerst is aangevangen op 17 februari 1983. Derhalve zou eiseres bij
de aanvang van haar verzekering reeds arbeidsongeschikt zijn te achten, hetzij
gedeeltelijk, hetzij volledig.

Daarmee dient zich de vraag aan, wat er zij van de toepassing in het
eerste geval (gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid) van art. 5, tweede lid, van
de AAW, in het tweede geval (volledige arbeidsongeschiktheid) van art. 21,
eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW, zoals deze bepalingen luidden ten
tijde in dit geding van belang. Ingevolge art. 120 van de Grondwet kan de
formeelwettelijke bepaling van art. 5, tweede lid, eerste volzin, luidende:

‘Degene, die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang
neemt, in de zin van het vorige lid reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is,
wordt voor wat betreft de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken als
geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij ten gevolge
van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid,
die is berekend voor zijn bij aanvang van de verzekering nog aanwezige
krachten en bekwaamheid en die hem met het oog daarop in billijkheid kan
worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht
heeft of op een naburige soortgelijke plaats te verdienen, hetgeen
soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt in de zin van
het vorige lid zijn, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.’,
niet getoetst worden aan art. 1 van de Grondwet. Derhalve zal bij
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op 17 februari 1983 een weigering dan wel
een toekenning naar een mate van arbeidsongeschiktheid, welke bepaald is aan
de hand van het evengenoemde imperatieve voorschrift van art. 5, tweede lid,
in rechte kunnen standhouden. Het bij volledige arbeidsongeschiktheid op 17
februari 1983 in aanmerking te nemen art. 21, eerste lid, aanhef en onder a,
luidende:

‘De bedrijfsvereniging is voorts bevoegd met betrekking tot uit deze wet
voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten
aanmerking te laten:

a. algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de
verzekering een aanvang nam.’ kan als formeelwettelijke bepaling als zodanig
evenmin getoetst worden aan art. 1 van de Grondwet. Art. 21 van de AAW is
echter geen imperatief voorschrift, maar biedt het bestuur van de
bedrijfsvereniging de bevoegdheid om met betrekking tot uit de AAW
voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend de
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten bij onder andere algehele
arbeidsongeschiktheid welke bestond op het tijdstip dat de verzekering een
aanvang nam. Art. 21 van de AAW schrijft niet voor hoe en in welke gevallen
het bestuur van de bedrijfsvereniging die bevoegdheid dient te hanteren. De
wetgever heeft daarmee aan het uitvoeringsorgaan een zeer grote ruimte gelaten
om al dan niet van bedoelde bevoegdheid gebruik te maken.

De in de uitvoeringspraktijk gehanteerde beleidsregels zijn uiteraard
van lagere orde dan de wet in formele zin. Naar de mening van de Raad zal
evenwel de wijze waarop van bedoelde bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, in
overeenstemming dienen te zijn met het zowel naar aard als naar plaats van
hoge orde zijnde, in art. 1 van de Grondwet neergelegde discriminatieverbod.

Daarbij zal evenwel althans onder de evengestelde omstandigheden en bij
een weigeringsbevoegdheid als hier bedoeld – bij algehele
arbeidsongeschiktheid bij de aanvang van de verzekering – mede in de afweging
moeten worden betrokken, dat hantering van die weigeringsbevoegdheid met zich
mee zou brengen, dat een voor 17 februari 1983 toegestane, maar nadien
verboden ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen na die datum zou
doorwerken.

Zodanige bevoegdheidshantering zal de aan de rechter opgedragen toetsing
niet kunnen doorstaan.

Eiseres kan naar het oordeel van de Raad geen rechten ontlenen – althans
ten tijde hier van belang, te weten tot en met laatstelijk 8 februari 1984,
datum van de bestreden beslissing – aan de gemeenschapsbepalingen van de EEG.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft immers in het arrest
van 23 september 1982 in de zaak 275/81 betreffende het geding tussen G.F.
Koks en de Raad van Arbeid te ‘s-Hertogenbosch, onder meer gepubliceerd in RSV
1983, nr. 83, onder meer overwogen, dat afgezien van richtlijn nr. 79/7/EEG
van 19 december 1978 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, pag.
24), die de Lid-Staten een termijn van zes jaar laat om de nodige bepalingen
in werking te doen treden, niet onverenigbaar was met de vigerende
gemeenschapsbepalingen een nationale bepaling van een Lid-Staat, voor zover
deze inhoudt dat een in de Lid-Staat wonende gehuwde vrouw wier echtgenoot
niet voor ouderdomspensioen verzekerd is omdat hij krachtens een wettelijke
regeling van een andere Lid-Staat voor ouderdomspensioen verzekerd is, ook
zelf niet voor ouderdomspensioen is verzekerd, zelfs indien zij op het
grondgebied van eerstbedoelde Lid-Staat heeft gewoond en aldaar arbeid in
dienstbetrekking heeft verricht. De Raad acht deze prejudiciele beslissing en
de daarop gebaseerde uitspraak van deze Raad van 18 januari 1983, nr. AOW
1976/21, RSV 1983, nr. 84, eveneens van betekenis in het onderhavige geschil,
in aanmerking genomen, dat de bepalingen van meergenoemd, hier aan de orde
zijnd KB van toepassing zijn op de verplichte verzekering zowel ingevolge de
Algemene Ouderdomswet als ingevolge de AAW. Aangezien genoemde, in de
richtlijn nr. 79/7/EEG aangegeven termijn van zes jaar eerst op 23 december
1984 was verstreken, bieden bedoelde gemeenschapsbepalingen eerst dan
toetsingsmogelijkheden, en dan ook met betrekking tot formeelwettelijke
bepalingen, zoals ook gedaagde bij zijn onder I genoemd schrijven van 13
november 1990 heeft opgemerkt.

Dit was echter nog niet het geval ten tijde van de bestreden beslissing
van 8 februari 1984.

Hetzelfde moet worden gezegd van de toetsing aan art. 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten, gesloten te
New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij Rijkswet van 24 november 1978,
Stb. 624, en voor Nederland in werking getreden op 11 maart 1979 (nader
genoemd: IVBPR) De Raad is – in de lijn van hetgeen hij reeds enkele malen
heeft uitgesproken – van oordeel, dat met ingang van 23 december 1984, de
datum waarop de uitvoeringstermijn van de genoemde EEG-richtlijn was
beeindigd, ook met betrekking tot de hier aan de orde zijnde bepalingen van de
AAW rechtstreekse werking van genoemd art. 26 van het IVBPR moet worden
aangehouden.

Daarbij acht de Raad niet van doorslaggevende betekenis, dat hij in zijn
uitspraken van 5 januari 1988 – gepubliceerd in RSV 1988, onder nrs. 104, 198,
199 en 200 – reeds met ingang van 1 januari 1980 rechtstreekse werking heeft
aangenomen van art. 26 van het IVBPR met betrekking tot de toetsing van een
aantal bepalingen van de Wet van 20 december 1979, Stb. 708, houdende nadere
wijziging van de AAW, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
Ziektewet. De Raad merkt op, dat bij (of krachtens) evengenoemde wet van 20
december 1979 welbewust buiten beschouwing zijn gelaten – en mitsdien ook
ongewijzigd zijn gebleven – bepalingen van premieheffing en verplichte
verzekering, gezien het samenhangende stelsel van premieheffing van de
volksverzekeringen als de AAW, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen-
en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, waarvan de problematiek in de op evengenoemde wet van 20
december 1979 volgende jaren door de wetgever aan de orde zou worden gesteld.
Het bovenstaande in aanmerking genomen, acht de Raad onvoldoende grond
aanwezig om met betrekking tot de toetsing van bepalingen van verplichte
verzekering en van bepalingen met de aanvang van deze verzekering in verband
staande – voor zover in dit geding van belang eveneens ongewijzigd gebleven
bij de wet van 20 december 1979 – in het kader van art. 26 van het IVBPR van
bovengenoemde eerdere toetsingsdatum, te weten 1 januari 1980, uit te gaan.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen berust de bestreden beslissing
derhalve nationaalrechtelijk bezien op onjuiste juridische grondslag, zodat
deze beslissing, alsmede de aangevallen uitspraak voor vernietiging in
aanmerking komt. Gedaagde zal na het verrichten van een nader onderzoek ter
zake een nadere beslissing dienen te nemen met inachtneming van het
bovenstaande. Derhalve wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede de bestreden beslissing;

Verstaat, dat gedaagde op de aanvraag van eiseres een nieuwe beslissing
zal nemen met inachtneming van hetgeen de Raad onder II heeft overwogen.

Rechters

Mrs J.H. van der Veen, voorzitter, en B.J. van der Net en H.J. Grendel,leden.

Instantie: Bestuur DETAM, 20 december 1990

Instantie

Bestuur DETAM

Samenvatting


Mw. X. was sedert december 1975 geheel arbeidsongeschikt. Bij beslissing
van 12 december 1980 is aan haar een AAW-uitkering toegekend. Deze uitkering
is echter niet tot uitbetaling gekomen, omdat haar echtgenoot eveneens een
uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid ontving. Deze belissing was
gebaseerd op artikel 12a AAW, welk artikel inmiddels verdwenen is uit de AAW.

Bij brief van 5 maart 1990 heeft mw. X. gemotiveerd gevraagd om op deze
eerdere beslissing uit januari 1980 terug te komen, gelet op de ontwikkelingen
in de jurisprudentie met betrekking tot artikel 26 van het Bupo-Verdrag. De
Detam is inderdaad op de eerdere beslissing teruggekomen en mw. X. heeft
alsnog een nabetaling van ruim ƒ 50.000,– gekregen.

Volledige tekst

Geachte mevrouw

Bij beslissing d.d. 12 december 1980 werd aan u een uitkering krachtens
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, onder toepassing van
artikel 12a van de AAW.

Inmiddels heeft het bestuur van onze bedrijfsvereniging besloten de
korting op grond van artikel 12a van de AAW met ingang van 1 januari 1980 te
laten vervallen.

De voor u geldende grondslag bedraagt per 1 januari 1980 ƒ 95,65.

Bij uw mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% behoort een
uitkeringspercentage van 80.

Uw uitkering krachtens de AAW bedraagt derhalve met ingang van 1 januari
1980 80% van ƒ 95,65 = ƒ 76,52 bruto per uitkeringsdag.

Op grond van de wettelijke bepalingen dient de AAW-uitkering van de
gehuwde verzekerde waarvan de AAW-uitkering wordt berekend naar de hoge
grondslag en die voor de loonbelasting is ingedeeld in tariefgroep I of II per
1 augustus 1984 gebaseerd te worden op de middengrondslag.

Aangezien u aan bovenstaande voorwaarden voldoet, gaat uw AAW-uitkering
met ingang van 1 augustus 1984 80% van de middengrondslag ad ƒ 93,26 = ƒ 74,61
bruto per uitkeringsdag bedragen.

Uw uitkering bedraagt derhalve met ingang van 1 augustus 1984 in totaal
ƒ 74,61 bruto per uitkeringsdag.

Per 1 januari 1985 wordt de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
gewijzigd. Voor degenen voor wie het recht op AAW-uitkering is vastgesteld op
grond van de voor 1 januari 1980 geldende bepalingen, dient de grondslag
waarop de AAW-uitkering is gebaseerd opnieuw te worden vastgesteld.

Per 1 januari 1985 wordt de grondslag waarop de AAW-uitkering is
gebaseerd voor deze verzekerden op dezelfde wijze vastgesteld als voor de
verzekerden die op grond van de sedert 1 januari 1980 geldende bepalingen een
AAW-uitkering is toegekend. Dit betekent dat de hoogte van de grondslag mede
afhankelijk wordt van de inkomsten die zij naast de AAW- en /of WAO-uitkering
genieten en voorzover zij gehuwd zijn, tevens van de inkomsten van de
echtgenoot.

Op grond hiervan dient de grondslag waarop uw AAW-uitkering is gebaseerd
per 1 januari 1985 een wijziging te ondergaan.

De AAW kent voor de berekening van de uitkering vier grondslagen: de
algemene grondslag, de middengrondslag, de maximale grondslag en de
individuele grondslag.

U bent gehuwd. Het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven van u en uw echtgenoot tezamen bedraagt op 1 januari 1980 meer
dan 30% van ƒ 114,02 (de maximale grondslag).

Uw uitkering dient daarom berekend te worden naar de algemene grondslag
ad ƒ 81,50.

Uw uitkering krachtens de AAW bedraagt daarom met ingang van 1 januari
1985 80% van ƒ 81,85 = ƒ 65,48 bruto per uitkeringsdag.

Hierbij komen wij terug op onze beslissing d.d. 12 december 1980.

Deze beslissing is genomen met inachtneming van het bepaalde in de
artikelen 5, 6, 10, 10a, 12, 13, 25, 64, 79, en 80 van de AAW; artikel 4 van
de richtlijn 79/7/EEG d.d. 19 december 1978 en artikel 26 van het
Internationale Verdrag inzake burgerlijke rechten en politieke rechten d.d. 19
december 1966;

artikel IV en X van de wet tot nadere wijziging van de AAW en WAO
(invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen), artikel II, III,
IV van de Wet van 5 juli 1984, Stb. 309, houdende wijziging van de Ziektewet
en de Wet van 20 december 1979, Stb. 708; het Besluit van de Minister van
Sozawe a.i. d.d. 30 juli 1984, nr. SB/84/2761, Stc. 31 juli 1984 nr. 147.

Indien u het met deze beslissing niet eens bent, dan kunt u daartegen
binnen een maand na dagtekening beroep instellen bij de Raad van Beroep,
Postbus 30160, 6803 AD Arnhem.

(Voor aanwijzigingen zie bijlage).

Rechters

Drs. B. Vos, direkteur.