Instantie: Raad van Beroep Amsterdam, 30 november 1990

Instantie

Raad van Beroep Amsterdam

Samenvatting


Klaagster heeft sedert 30 maart 1983 een WAO-uitkering. Na een
heronderzoek op 11 september 1987 is klaagster nog steeds volledig
arbeidsongeschikt verklaard. Hiertegen is klaagster in beroep gegaan

De Raad van Beroep verklaart haar beroep gegrond en bepaalt dat verweerd
er een nieuwe beslissing moet nemen

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder van 11 augustus 1988, nr.
ZAW/03R.384.17.12.58

2. Feiten en procesverloop

Klaagster is op 1 januari 1982 als bureaumedewerkster in dienst getreden
van de Nederlandse vereniging voor vrijwillige euthanasie gedurende 20 uur per
week

Op 29 maart 1982 heeft zij zich ziek gemeld wegens psychische klachten

Nadat zij gedurende de maximale termijn een uitkering ingevolge de
Ziektewet had ontvangen heeft verweerder haar met ingang van 30 maart 1983 een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80-100 %. In het kader van een heronderzoek is
klaagster op 11 september 1987 onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige
van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD). Deze heeft bij die
gelegenheid aan klaagster medegedeeld dat zij naar zijn oordeel nog steeds
volledig arbeidsongeschikt was en dat de GMD in die zin aan verweerder zou
adviseren

Klaagsters gemachtigde heeft daarop aan verweerder medegedeeld dat
klaagster zich met dat oordeel niet kon verenigen, met het verzoek klaagster
alsnog in de gelegenheid te stellen haar zienswijze en motieven uiteen te
zetten

Verweerder heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven en conform het
betreffende advies van de GMD bij beslissing van 11 augustus 1988 aan
klaagster medegedeeld dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid onveranderd
op 80-100 % dient te worden gesteld, zodat er geen aanleiding bestaat
klaagsters AAW/WAO-uitkering te herzien of in te trekken

Namens klaagster is tegen deze beslissing beroep ingesteld. Daarbij
is onder meer het volgende gesteld:

“Klaagster kan zich met de bestreden beslissing niet verenigen. Zij
is van mening dat zij op en na 11 augustus 1988 geheel arbeidsgeschikt is
Een voortduring van de AAW/WAO-uitkering acht zij derhalve onterecht en
stigmatiserend

Daarnaast werkt de voortgezette uitkering in haar nadeel bij de
orintatie op en verwerving van een positie op de arbeidsmarkt. Klaagster is
in augustus 1988 afgestudeerd als filosoof

Tevens is zij een gewaardeerd publiciste. “

Ter adstructie van deze stellingname heeft klaagsters gemachtigde bij b
rief van 27 april 1989 een drietal verklaringen overgelegd van
achtereenvolgens prof. dr. H.J. Achterhuis, docent sociale filosofie aan de
Universiteit van Amsterdam, H.M. Verrijn Stuart, eindredactrice van het
juridisch tijdschrift Nemesis en drs. E.J. van Hoorn, oudvoorzitter van de
Clintenbond in de GGZ

De fungerend voorzitter van de Raad acht een voorbereidend onderzoek
noodzakelijk en heeft in dat kader op 28 augustus 1989 een opdracht verstrekt
aan ’s Raads deskundige C. van Goor, psychiater te Amsterdam

Bij brief van 19 september 1989 heeft klaagsters gemachtigde de Raad
doen weten dat klaagster principile bezwaren heeft tegen het voorgenomen
psychiatrisch onderzoek

Naar aanleiding van deze stellingname heeft ’s Raads fungerend
voorzitter aan de voorzitter van de Raad op grond van art. 103 en met analoge
toepassing van het bepaalde in art. 104 van de Beroepswet een voorbereidend
onderzoek opgedragen nopens de achtergrond en aard van klaagsters bezwaren
tegen een psychiatrisch onderzoek door een van ’s Raads deskundigen

Ter uitvoering van deze opdracht heeft genoemde voorzitter op 9 januari
1990 een gesprek gehad met klaagster en haar gemachtigde. In dit gesprek,
waarvan door de griffier proces-verbaal is opgemaakt, heeft klaagster haar
principile bezwaren uitvoerig gemotiveerd

Niettemin heeft klaagster zich toen bereid verklaard zich nog nader te
beraden over de vraag of zij zich toch door een geneeskundige zal laten
onderzoeken

Bij brief van 17 januari 1990 heeft klaagsters gemachtigde de Raad doen
weten dat klaagster een onderzoek namens de Raad door een psychiater dan wel
huisarts om principile redenen onaanvaardbaar acht, doch dat zij overweegt de
door haar reeds overgelegde verklaringen aan te vullen met een medische
verklaring. Bij brief van 2 mei 1990 heeft klaagsters gemachtigde aan de
Raad doen toekomen een geneeskundige rapport van 2 april 1990 inzake een
onderzoek van klaagster verricht door dr. H.J. van Aalderen,
huisartsgeneeskundige te Amsterdam

Een kopie van dat rapport is aan verweerder gezonden

Bij brief van 14 september 1990 heeft verweerder aan de Raad een
commentaar van de GMD op dat rapport doen toekomen. Dit commentaar is in
kopie aan klaagsters gemachtigde gezonden. Vervolgens is het geding
behandeld ter terechtzitting van de Raad op 9 november 1990

Klaagster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw mr
J.M. Legeland, advocaat te Amsterdam

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr A.M. Romijn,
juridisch medewerkster bij verweerder

Voorts zijn op verzoek van klaagster als getuige respectievelijk als
getuige-deskundige gehoord H.M. Verrijn Stuart, eindredactrice van Nemesis, en
dr. H.J. van Aalderen, huisartsgeneeskundige te Amsterdam

3. Motivering

De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder
terecht heeft aangenomen dat klaagster op 11 september 1987 volledig
arbeidsongeschikt was

De Raad heeft met betrekking tot die vraag het volgende overwogen

De fungerend voorzitter heeft op 28 augustus 1989 een voorbereidend
onderzoek opgedragen aan ’s Raads deskundige C. van Goor, zenuwarts te
Amsterdam

Klaagster heeft op principile gronden geweigerd zich aan dit
geneeskundig onderzoek te onderwerpen

In art. 50 van de Beroepswet is bepaald dat degene op wiens aanspraken
de bestreden beslissing betrekking heeft, verplicht is zich te onderwerpen aan
een geneeskundig onderzoek waartoe hij is opgeroepen ingevolge art. 105 tweede
lid onder b of c van die wet, terwijl op grond van het bepaalde in art. 52
eerste lid van de Beroepswet een partij niet-ontvankelijk kan worden
verklaard, indien deze zonder deugdelijke grond niet voldoet aan het bepaalde
in art. 50

Klaagster heeft in het gesprek, dat zij in het kader van het door ‘s
Raads voorzitter ingestelde voorbereidend onderzoek, met die voorzitter
gevoerd heeft uiteengezet wat haar motieven zijn om te weigeren mee te werken
aan een geneeskundig onderzoek

Ter terechtzitting heeft klaagsters gemachtigde voorts nog een aantal
bezwaren geformuleerd tegen de procedure die gevolgd wordt, indien een
voorbereidend medisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht

Klaagsters gemachtigde heeft daarbij gesteld dat, gelet op de
maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van de privacy, zodanig medisch
onderzoek niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de betrokkene zich heeft
kunnen uitlaten over de beslissing tot het onderzoek, de discipline en de
aangewezen deskundige en vervolgens toestemming heeft gegeven

In het onderhavige geval heeft de Raad aanleiding gezien geen gebruik te
maken van de in art. 52 van de Beroepswet gegeven bevoegdheid om klaagster in
haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat zij geweigerd heeft
mee te werken aan het medisch onderzoek waartoe zij was opgeroepen. Termen
voor dat oordeel zijn gelegen in de redenen die zij daarvoor heeft aangevoerd,
met name de beleving van haar ervaringen met de psychiatrie

Met betrekking tot de door klaagsters gemachtigde algemeen geformuleerde
bezwaren en voorwaarden merkt de Raad het volgende op

Ingevolge art. 103 van de Beroepswet is de voorzitter, indien hij dat
nodig oordeelt, bevoegd een nader voorbereidend onderzoek op te dragen aan die
deskundige, aan wie hem zulks op grond van de gedingstukken en gelet op de
bezwaren van de betrokkene raadzaam voorkomt

Ingevolge art. 105 tweede lid onder b van de Beroepswet kan degene aan
wie voorbereidend onderzoek is opgedragen, daartoe gemachtigd door de
voorzitter, degene op wiens aanspraken de bestreden beslissing betrekking
heeft, oproepen om zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn
gezondheidstoestand. Art. 50 van de Beroepswet bepaalt dat degene op wiens
aanspraken de bestreden beslissing betrekking heeft verplicht is zich te
onderwerpen aan het geneeskundig onderzoek waartoe hij is opgeroepen ingevolge
art. 105 tweede lid onder b

Genoemde artikelen behoren tot de algemene bepalingen over de wijze van
behandeling der twistgedingen, voorkomend in hoofdstuk I en II van titel II
van de Beroepswet, welke bepalingen van dwingend recht zijn

Voor de door klaagsters gemachtigde bepleite aan een medisch onderzoek
te verbinden algemene voorwaarden kan naar ’s Raads oordeel geen steun worden
gevonden in de tekst van de betreffende artikelen, noch in de parlementaire
behandeling van de Beroepswet

De Memorie van Toelichting op de artikelen 49 tot en met 51 (Tweede
Kamer 1953-1954, 3349, nr. 3) spreekt ongeclausuleerd van de verplichting mede
te werken aan het onderzoek. Er zijn geen termen om aan te nemen dat de in
de wet aan de voorzitter gegeven bevoegdheid afhankelijk zou zijn van de
toestemming van de betrokkene

Een en ander laat overigens naar het oordeel van de Raad onverlet dat de
voorzitter in een voorkomend geval, kennisgenomen hebbend van concrete
bezwaren van een betrokkene tegen een voorbereidend medisch onderzoek, die
ï
waren wegend, kan besluiten het voorbereidend medisch onderzoek op te
dragen aan een andere deskundige dan wel aan een deskundige van een andere
discipline. Hiermede is (ook) geen antwoord gegeven op de vraag of het niet
wenselijk zou zijn dat degene die beroep heeft ingesteld, in geval van een
opdracht tot een (medisch) onderzoek van te voren daarvan mededeling wordt
gedaan

Met betrekking tot het partijen verdeeld houdende geschilpunt, namelijk
of klaagster op 11 september 1987 volledig arbeidsongeschikt was, overweegt de
Raad het volgende

Onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO en de AAW moet worden
verstaan het ten gevolge van ziekte of gebrek buiten staat zijn om met arbeid
in het vrije bedrijfs- of beroepsleven een inkomen, respectievelijk ten minste
15 dan wel 25 % van het voor het intreden van de ziekte of gebrek verdiende
inkomen, te verwerven

De bestreden beslissing gaat er, het advies van de GMD volgend, vanuit
dat klaagster op 11 september 1987 volledig arbeidsongeschikt in de zin van de
WAO en de AAW was

Dit oordeel is gebaseerd op het door de verzekeringsgeneeskundige van de
GMD verrichte onderzoek van klaagster op 11 september 1987

De Raad stelt vast dat de rapportage van de verzekeringsgeneeskundige
van de GMD met name berust op een (kennelijk kortstondig) onderzoek op 11
september 1987 alsmede op medische gegevens uit 1982 en 1983. Dat rapport
bevat voorts geen duidelijk psychiatrische diagnose op grond waarvan de
conclusie kan worden getrokken dat klaagster niet in staat zou worden geacht
tot het verrichten van loonvormende arbeid

De gegevens die van de zijde van klaagster zijn overgelegd geven
daarentegen een voldoende basis voor een andersluidend oordeel. De Raad
kent daarbij bijzondere betekenis toe aan het op verzoek van klaagster
uitgebrachte rapport van 2 april 1990 van de huisartsgeneeskundige dr. H.J.
van Aalderen, alsmede aan diens ter terechtzitting afgelegde verklaringen als
getuige-deskundige. Voorts heeft de Raad kennis genomen van de overige,
hiervoor genoemde verklaringen omtrent klaagsters feitelijk functioneren in de
afgelopen jaren

Met name uit de verklaring van H.M. Verrijn Stuart blijkt dat klaagster
daadwerkelijk er blijk van heeft gegeven te kunnen functioneren als
medewerkster en redacteur van Nemesis

Gelet op de aard en inhoud van het rapport van dr. H.J. van Aalderen
acht de Raad het alsnog inschakelen van een psychiater als deskundige
overbodig en zal de Raad niet voldoen aan het verzoek van de zijde van
verweerder daartoe alsnog te besluiten

Het voorgaande, bezien in onderlinge samenhang, heeft de Raad gebracht
tot de slotsom dat klaagster op 11 september 1987 niet als arbeidsongeschikt
in de zin van de WAO en de AAW moet worden aangemerkt. Daaruit volgt dat de
bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat moet worden beslist als
volgt

4. Beslissing

De Raad van Beroep te Amsterdam,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden beslissing;
bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming
van het in deze uitspraak overwogene;

bepaalt voorts dat verweerder het griffierecht ad ƒ 25,– aan
klaagster verweerder vergoedt

Rechters

Mrs B.J.L.M. van Wijk, J. ten Wolde en C. Krol

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 29 november 1990

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De vrouw is door zijn toe doen, psychisch afhankelijk geworden van haar
haptonoom. Hij hield haar aan het lijntje en misbruikte zijn positie als
hulpverlener om haar zijn macht over haar te laten voelen. Door het leed dat
zij hiervan heeft ondervonden is zij in de WAO beland. Zij wil in een kort
geding procedure schadevergoeding vorderen.

Beslissing Rechtenvrouw: Seksueel en psychisch misbruik liggen vaak heel
dicht bij elkaar. Het is in het belang van vrouwen dat er een uitspraak komt
over de grenzen waarbinnen een therapeut zich tegenover zijn clienten behoort
te gedragen.

Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat de haptonoom haar
psychisch geweld heeft aangedaan.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 20 november 1990 heeft B. gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. D. heeft
verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden
produkties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. B. vordert in dit geding dat D. haar een bedrag van ƒ 5.000,–
voldoet als vergoeding voor de door haar geleden immateriele schade.

Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat D., bij wie zij wegens
haar depressies onder haptonomische behandeling is geweest, haar psychisch
heeft misbruikt en dat hij derhalve jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld:

– door haar psychisch van hem afhankelijk te maken: tijdens de
behandeling vleide en knuffelde hij haar, waardoor zij verliefd op hem werd,

– door haar persoonlijke integriteit niet te eerbiedigen: D. stond erop
dat zij zich geheel uitkleedde. Op haar b.h. en slip na deed B. dit, waarna D.
haar b.h. losmaakte. Ook wilde hij dat zij met haar benen wijd ging liggen en
dat zij naakt voor de spiegel ging staan. Omdat zij dat weigerde werd zij
“trut” en “gestoord” genoemd,

– door haar hulpvragen te negeren, in het bijzonder toen haar
schoonmoeder overleed en hem – haar enige vertrouwenpersoon – had opgebeld,
waarna hij niets meer van zich liet horen. Bovendien heeft hij meermalen
afspraken afgezegd en kwam hij nooit op eerder besproken problemen van haar
terug. Sinds de behandeling bij D. zijn haar psychische problemen nog groter
geworden, aldus B.

2. D. betwist al hetgeen B. ter ondersteuning van haar vordering stelt.
Ten aanzien van haar stelling dat hij druk op haar uitoefende om zich tijdens
de behandeling te ontkleden betoogt hij dat B. tweemaal heeft plaatsgenomen op
de behandeltafel, waarbij zij op haar buik diende te gaan liggen – hetgeen in
het kader van een haptonomische behandeling normaal is – en hij in verband met
de aanraking van het ruggedeelte (als onderdeel van de therapie) haar b.h.
heeft losgeknoopt na daartoe van haar verkregen toestemming.

3. B. heeft in dit geding de door haar gestelde handelwijze van D.
onvoldoende aannemelijk gemaakt. Anders dan zij meent, zijn de door haar
overgelegde verklaringen van de voormalige clienten van D., die hem in juni
1990 in een kort geding hebben betrokken, niet van doorslaggevend belang. Uit
de ervaringen van deze clienten met D. kan immers niet zonder meer worden
afgeleid dat D. B. op dezelfde wijze heeft benaderd.

Hoogstens kunnen deze verklaringen een aanwijzing zijn in de door B.
bepleite zin. Deze aanwijzing is – bij gebreke van nadien gevolgde
omstandigheden die tot een andere conclusie zouden moeten nopen, zoals in het
geval van de genoemde voormalige clienten van D. – echter niet sterk genoeg om
het standpunt van B. als genoegzaam vaststaand gegeven aan te nemen.

Daar komt bij dat enkele van de gestelde gedragingen eventueel voor
tweeerlei uitleg vatbaar zouden kunnen zijn. Zo is het bijvoorbeeld niet
uitgesloten dat een derde de gedragingen, die B. als vleien en knuffelen
bestempelt, op andere wijze zou hebben geinterpreteerd, waarbij vervolgens de
vraag rijst in hoeverre B. haar eigen interpretatie aan D. kan tegenwerpen.
Dit geldt eveneens voor het door haar gestelde negeren van haar hulpvragen.

4. Nu voorts van de door D. erkende handeling – zie hiervoor onder
rechtsoverweging 2 – niet zonder meer kan worden gezegd dat D. bij de
verrichtingen hiervan geen therapeutische bedoeling heeft gehad, moet de
slotsom zijn dat thans tezeer onduidelijkheid bestaat omtrent de feiten en
omstandigheden. Bij deze onzekerheid is derhalve voor toewijzing van de
vordering geen plaats.

5. Bij deze uitslag wordt B. met de proceskosten belast.

BESLISSING:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt B. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde
van D. begroot op en te voldoen als volgt:

– aan D.:

f.62,50 aan de bij hem gevallen kosten van vastrecht, en

– aan de griffier van deze Rechtbank:

f.187,50 aan overig vastrecht,

f.700,= aan salaris procureur.

Rechters

mr. J.M. Vrakking, vice-president.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 29 november 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde heeft van ongeveer maart 1977 tot de zomer van 1978 een seksuele
relatie gehad met een toen 14-15 jarige ex-leerling van de muziekschool.

Deze zaak is, volgens eiser, met de ouders uitgepraat.

In 1988 speelde zich weer een ontucht-affaire af. Onder invloed hiervan
heeft de bovengenoemde ex-leerling alsnog een klacht ingediend. Eiser heeft
vermeld dat hij na het voorval in 1978 nooit meer seksueel contact met
minderjarigen heeft gehad.

De Raad bepaalt dt onder de gegeven omstandigheden deze gebeurtenis
ontoereikend is om het ongeschiktheidsoordeel te kunnen dragen en het levert
evenmin een voldoende dienstbelang voor schorsing op.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van de gedingen

Bij besluit van 25 februari 1989 heeft eiser gedaagde geschorst en hem
de toegang tot de muziekschool ontzegd.

Bij besluit van 9 maart 1989 heeft eiser gedaagde m.i.v. 1 mei 1989
eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn betrekking van
pianoleraar anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Het Ambtenarengerecht te Zwolle heeft bij uitspraak van 5 oktober 1989,
nr. AW 89/90 en 127, beide besluiten nietig verklaard.

Eiser is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van 8 november 1990. Eiser
heeft zich daar doen vertegenwoordigen door P., directeur van de
muziekschool.

Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door Mr. C.J.M. de
Vlieger, advocaat en procureur.

II. Motivering

Gedaagde geboren in 1941, heeft van ongeveer maart 1977 tot de zomer van
1978 een seksuele relatie gehad met een toen 14-15 jarige ex-leerling van de
muziekschool. Het gebeuren is destijds aan de ouders van de ex-leerling bekend
geworden. Eiser heeft toen, naar hij onweersproken heeft gesteld, de zaak met
die ouders uitgepraat en deze hebben er toen geen verdere gevolgen aan
verbonden.

In 1988 speelde aan de muziekschool een geheel andere affaire van
ontucht met minderjarigen waardor de nodige commotie ontstond. Onder invloed
daarvan heeft de betrokken ex-leerling alsnog een klacht tegen gedaagde
ingediend – die overigens geseponeerd is – en heeft zijn moeder de zaak
(indirect) aan eiser bekend gemaakt, waarop de bestreden besluiten zijn
gevolgd.

De eerste rechter heeft te dien aanzien het volgende overwogen:

“Het gerecht ziet zich in de onderhavige gedingen geplaatst voor de
vraag of verweerder tot het oordeel kon komen dat het dienstbelang schorsing
van klager vorderde en kon concluderen tot de ongeschiktheid van klager voor
zijn functie als leraar aan de Muziekschool.

De beantwoording van deze beide vragen hangt af van het antwoord op de
vraag of klager middels zijn hiervoor onder de feiten weergegeven gedragingen
blijkt heeft gegeven te beschikken over eigenschappen van karakter, geest of
gemoed van dien aard, dat redelijkerwijs kan worden gesteld dat het in hem als
leraar aan de onderhavige muziekschool te stellen vertrouwen zodanig is
ondermijnd dat hij niet in zijn functie kan worden gehandhaafd.

Het gerecht heeft gemeend deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden.

Daarbij stelt het gerecht voorop zich te realiseren dat in het algemeen
hoge eisen mogen en moeten worden gesteld aan onderwijsgevenden, onder meer in
de benadering van de leerlingen in en buiten de lessituatie, en dat dit zeker
ook geldt voor een leraar als klager, die les geeft aan een school waar het
onderwijs een sterk individueel karakter draagt.

Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting
heeft het gerecht evenwel moeten vaststellen dat niet is gebleken dat klager
sinds het gebeuren ruim 10 jaar geleden in de omgang met zijn leerlingen aan
verweerders muziekschool (of aan de muziekschool te H., waar hij eveneens als
leraar werkzaam is) niet aan vorenbedoelde eisen heeft voldaan dan wel
anderszins inbreuk heeft gemaakt op het in hem gestelde vertrouwen.

Voorts moet worden geconcludeerd dat de vraag of de jongen op enig
moment in de periode waarin klager ontucht met hem pleegde leerling aan
verweerders muziekschool was niet zonder meer bevestigend kan worden
beantwoord. Klager zelf heeft ter terechtzitting nogmaals met klem verklaard
dat dit niet het geval was (…)

Tevens heeft klager ter terechtzitting desgevraagd nogmaals met nadruk
bevestigd dat hij sinds de ontucht (in 1977/1978) geen seksuele contacten meer
heeft gehad met minderjarigen.

Uit de zich onder de gedingstukken gevindende gegevens is het gerecht
ook niet gebleken van feiten of omstandigheden welke aanleiding geven tot
gerede twijfel aan deze verklaring.

Het gerecht merkt in dit verband nog op dat het zich mede gehoord het
verhandelde ter terechtzitting, niet aan de indruk kan onttrekken dat de door
klager in het eerste gesprek op 7 november 1988 gedane mededeling in de
verschillende stukken welke nadien zijn geproduceerd een eigen leven zijn gaan
leiden c.q. op een eigen wijze zijn geinterpreteerd.

De gemachtigde van verweerder heeft dit ter terechtzitting beaamd voor
wat betreft het gestelde onder punt 13 van de contra-memorie d.d. 7 juli 1989,
waar wordt vermeld dat klager tijdens het gesprek op 7 november 1988 zou
hebben kenbaar gemaakt prive nog steeds contacten op seksueel gebied met
minderjarigen te hebben; desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder
medegedeeld dat dit een onjuiste weergave is van hetgeen door klager tijdens
evenbedoeld gesprek is verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gerecht – zonder overigens
de ernst van het gebeuren destijds ook maar enigszins te willen onderschatten
– tot het oordeel gekomen dat dit eenmalige concrete feit, het ruim tien jaar
geleden plegen van ontucht met een minderjarige, onder de gegeven
omstandigheden van het onderhavige geval ontoereikend is om daarop thans het
in de bestreden besluiten vervatte ongeschiktheidsoordeel alsmede het daarmee
nauw samenhangende oordeel dat klagers schorsing wordt gevorderd door het
belang van de dienst te baseren.

De conclusie moet dan ook luiden dat het schorsings- en het
ontslagbesluit niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag
liggende motivering en derhalve niet in stand kunnen blijven.

De Raad kan deze overwegingen van de eerste rechter alsmede diens
conclusie volledig onderschrijven en ziet geen aanleiding daar zijnerzijds nog
overwegingen aan toe te voegen.

Mitsdien moet worden beslist als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs.Boesjes, Janssen, De Vrey

Instantie: Kantonrechter Venlo, 28 november 1990

Instantie

Kantonrechter Venlo

Samenvatting


Inschaling, functieomschrijving en vergelijking met maatman. Gelijke
beloning is van toepassing op arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde,
maar ook bij arbeid van grotere waarde dan maatman. CAO Kruiswerk en
Tuberculosebestrijding.

Volledige tekst

Ten aanzien van de feiten:

Ter uitvoering van een op 21 maart 1990 gewezen tussenvonnis heeft op 25
april 1990 een comparitie van partijen plaatsgevonden, welke comparitie op 3
september 1990 is voortgezet nadat ieder der partijen een akte had genomen,
waarbij over en weer nog produkties zijn overgelegd.

Van laatstbedoelde comparitie is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De raadslieden van partijen hebben vervolgens schriftelijk aan de
kantonrechter bericht, respectievelijk bij schrijven d.d. 2 november 1990 en
d.d. 6 november 1990.

De zaak is daarna wederom op vonnis gesteld, waarvan de uitspraak is
bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:

Blijkens de inhoud vn de brieven van de raadslieden d.d. 2 en d.d. 6
november 1990 refereert gedaagde zich aan de vorderingen sub 1 en 2 en hebben
partijen voor het overige overeenstemming bereikt in die zin dat gedaagde aan
eiseres tegen finale kwijting zal voldoen een bedrag van ƒ 8000,- wegens
achterstallig salaris en proceskosten.

Gelet op het vorenstaande staan de vorderingen sub 1 en sub 2 thans als
verder niet weersproken tussen partijen vast, zodat die vorderingen behoren te
worden toegewezen.

Gelet op der partijen overeenstemming zal de kantonrechter aan eiseres
een bedrag af ƒ 8000,- terzake achterstallig salaris en proceskosten
toewijzen.

RECHTDOENDE:

Stelt vast dat gedaagde de wet gelijk loon voor mannen en vrouwen heeft
overtreden.

Stelt voorts vast dat gedaagde tevens de wet gelijke behandeling voor
mannen en vrouwen bij de arbeid en art. 1637ij van het Burgerlijk wetboek
heeft overtreden.

Veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen kwijting te voldoen de somma
van ƒ 8.000,-.

Ontzegt – voor zoveel nodig – het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. E.J. Smits

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 23 november 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Werkneemster, in dienst van een parochie, wordt ontslagen zonder dat er
een ontslagvergunning is aangevraagd bij de directeur GAB. De Hoge Raad
verwerpt het cassatieberoep, stellend dat op eiseres de uitzonderingsbepaling
van art. 2 lid 1 sub d BBA van toepassing is, zodat een ontslagvergunning niet
nodig was. Strijd met art. 2 van de Tweede Richtlijn levert geen cassatie op
omdat een richtlijn niet kan worden ingeroepen tegen een particulier. De
Universele Verklaring is geen besluit zoals bedoeld in art. 93 en 94 G.W. De
Advocaat-Generaal toetst ten overvloede aan (het niet ingeroepen) art. 26
Bupo-verdrag en komt tot een opmerkelijke conclusie.

Verder wordt verwezen naar AB 1991, 298, m.nt. FHvdB en naar de
parlementaire geschiedenis van het huidige art. 2 BBA (WO 19810).

Volledige tekst


Een richtlijn-conforme uitleg zou in deze zaak zeer wel mogelijk zijn
geweest. Het meest voor de hand liggend was de mogelijkheid om de
discriminatie op te heffen door dezelfde regeling te hanteren die ook voor
andere werknemers geldt. In dit geval zou dat betekenen dat de
uitzonderingsbepaling buiten toepassing zou worden gelaten. Een tweede
mogelijkheid voor een richtlijn-conforme uitleg had de Hoge Raad door te
anticiperen op het nieuwe art. 2 BBA. Hoewel dit nieuwe artikel de toets der
indirecte discriminatie in mijn ogen niet zal doorstaan had het eiseres wel
soulaas geboden; zij werkte immers op meer dan drie dagen per week.

B. betoogt dat er ten onrechte geen ontslagvergunning is aangevraagd,
omdat de uitzonderingsbepaling niet op haar van toepassing zou zijn. Zij was
immers in dienst bij de rechtspersoonlijkheid bezittende R.K. Parochie Zoete
Naam Jesus, niet bij pastoor als privaat persoon.

Het is de bedoeling van het arbeidsrecht om de zwakkere partij, de
werknemer, te beschermen tegen de sterke partij, de werkgever. Uitzonderingen
op beschermingsbepalingen dienen dan ook restrictief te worden uitgelegd. Het
gaat niet aan om in de voorwaarde ‘in de huishouding van private personen’ het
laatste deel buiten toepassing te laten, omdat slechts de aard van de
werkzaamheden bepalend is en niet of de werkgever een privaat persoon is. In
het wetsartikel worden ze toch als twee afzonderlijke voorwaarden
geformuleerd? Het doortrekken van deze lijn zou overigens leiden tot zeer
willekeurige resultaten. Geen ontslagbescherming derhalve voor iemand die op
de loonlijst staat van een bv, maar die in feite werkt in de huishouding van
de directeur? Of voor een medewerkster in een pension die ook regelmatig de
bedden van haar baas opschudt? Mij lijkt dat dat niet de bedoeling is geweest
van de wetgever destijds en ook de MvT van het huidige artikel geeft geen
steun aan een dergelijke zienszwijze, dit in tegenstelling tot wat Koopmans in
zijn conclusie beweert. De MvT spreekt over administratieve lasten, waarmee
bedoeld wordt dat het aanvragen van een ontslagvergunning bij -destijds nog-
de directeur van het GAB een belemmering zou vormen voor private personen
omdat dat veel administratieve rompslomp met zich mee zou brengen. Wat er ook
zij van deze redenering, een rechtspersoon moet geacht worden deze vergunning
te kunnen aanvragen. Dat geldt ook voor de R.K. Parochie Zoete Naam Jesus.

Het betreffende artikel is intussen veranderd. Onder het motto ‘even
slecht is ook gelijk’ is het woord ‘vrouwelijke’ uit de tekst verdwenen. Dit
betekent dat ook butlers, huisknechten en particulier secretarissen de
ontslagbescherming van het BBA moeten ontberen, zoals van den Burg stelt in
zijn noot onder ditzelfde arrest (AB 1991, 298). Voor mevrouw B. biedt dit
weinig soulaas. Het nieuwe artikel beperkt de uitzondering echter ook tot
personen die doorgaans op minder dan drie dagen per week huishoudelijke
werkzaamheden verrichten, waarbij het aantal gewerkte uren niet van belang is.
Mevrouw B. werkte voor halve dagen. Aangenomen mag worden dat zij derhalve
vijf dagen per week werkte. Dit betekent dat de uitzonderingsbepaling niet
meer op haar van toepassing zou zijn. Zoals reeds gezegd had de Hoge Raad de
anticiperende interpretatie kunnen toepassen bij een richtlijn-conforme
uitleg. Daarbij wil ik wel aantekenen dat ook het huidige artikel 2 lid 1
vrouwen indirect discrimineert. Huishoudelijk personeel bestaat immers voor
het overgrote deel uit vrouwen. De rechtvaardigingsgrond die de MvT geeft is
dermate inconsistent dat ik vermoed dat ook het huidige artikel een toetsing
aan de Tweede Richtlijn niet zal doorstaan. (Zie hierover ook Asscher-Vonk,
NJB 1987, pag. 235-236)

Wellicht is er een alfa-hulp die dit balletje eens aan het rollen wil
brengen?

Het beroep van eiseres op de Universele Verklaring van de Rechten van de
Mens wijst de Hoge Raad terecht af. De Universele Verklaring is immers een
resolutie en geen verdrag. Resoluties hebben doorgaans geen bindend karakter.

Hoewel niet aan de orde gesteld door eiseres vraagt A-G Koopmans zich af
wat er zou zijn gebeurd als eiseres een beroep had gedaan op het
gelijkheidsbeginsel van een verdragsbepaling die wel een ieder verbindend is,
bijvoorbeeld op art. 26 Bupo-verdrag. Hij bepleit om in dat geval de
onverbindendheid van art. 2 lid 1 BBA, die voortvloeit uit art. 94 G.W.,
uitsluitend te beperken tot het woord ‘vrouwelijke’. Een dergelijke zienswijze
is naar mijn mening onjuist. Art. 94 gebiedt dat wettelijke voorschriften geen
toepassing vinden als deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder
verbindende bepalingen van verdragen. Dat art. 26 Bupo zo’n bepaling is geeft
ook Koopmans toe. De onverbindendheid beperken tot het woord ‘vrouwelijke’
verruimt de uitzonderingsbepaling van het beschermende BBA: ook mannelijke
werknemers kunnen dan onder omstandigheden geen beroep meer doen op het BBA.
(Zie in die zin ook de reeds genoemde noot van Van den Burg) Dit betekent dat
er juist wel sprake is van het treffen van een ‘niet bij de wet voorziene en
in het wettelijke systeem niet passende’ regeling, waarvan de Hoge Raad op 4
mei 1984, NJ 1985, 510 opmerkte dat die bevoegdheid niet kan worden ontleend
aan art. 94. Het karakter van het arbeidsrecht wordt daardoor immers
aangetast. De rechter kan slechts een wettelijk voorschrift buiten toepassing
laten. Dat is in casu maar op een manier te interpreteren: de
uitzonderingsbepaling dient niet te worden toegepast.

Nog meer ten overvloede vraagt Koopmans zich af of het huidige artikel,
waarin het woord ‘vrouwelijke’ is geschrapt, een indirecte discriminatie zou
opleveren. Hij stelt het probleem waarschijnlijk aan de orde voor het geval de
Hoge Raad zijn redenering over de onverbindendverklaring zou volgen, hetgeen
hij overigens afraadt. Waarom hij vervolgens opmerkt dat ‘een van de andere
uitgezonderde categorieen (die onder c: ‘personen die een geestelijk ambt
bekleden’) hoofdzakelijk uit mannen bestaat’, is volslagen onduidelijk. Het
rechtvaardigen van discriminatie door te wijzen op andere groepen die ook
gediscrimineerd worden levert op zijn minst een drogredenering op. Wellicht
wil Koopmans met deze zinsnede ophelderen waarom de parochie heeft nagelaten
om een ontslagvergunning aan te vragen: dat hoeven ze immers bij het ontslag
van meneer pastoor ook niet te doen!

De Hoge Raad had mijns inziens moeten beslissen dat er ten onrechte geen
vergunning is aangevraagd. Het ontslag is derhalve nietig, zodat de
loonvordering had moeten worden toegewezen. Twee wegen hadden, zoals gezegd,
naar deze beslissing kunnen leiden.

Wat mevrouw B. nu, na verwerping van het beroep, nog rest is het
vorderen van schadevergoeding van de Staat op grond van een onrechtmatige
overheidsdaad. In een zeer recent arrest van het Europese Hof van Justitie
(HvJ-EG 19-11-1991, Francovich/ Bonnifaci RN 1992, 221 m.nt. Sacha Prechal)
bepaalde het Hof dat een staat gehouden kan zijn tot het betalen van
schadevergoeding aan onderdanen die schade hebben geleden omdat de staat heeft
nagelaten richtlijnen niet (en wellicht ook niet tijdig) om te zetten in
wetgeving. Aan de in dit arrest geformuleerde voorwaarden, waar ik nu niet op
in ga, is mijns inziens voldaan.

Het is voor mevrouw B. de laatste mogelijkheid tot genoegdoening na deze
teleurstellende beslissing van ons hoogste rechtscollege.

Malva Driessen

Rechters

Mrs Ras, De Groot, Boekman, Davids en Heemskerk; A-G Koopmans

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 22 november 1990

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Hoger beroep van het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 25 mei 1988.
Volgens het Hof moeten appellanten exact aantonen wie tot de kring der
aansprakelijk te stellen personen behoort, nu de in concreto geleden schade
aantoonbaar het gevolg moet zijn van tenminste een van twee of meer specifiek
te stellen en zonodig te bewijzen gebeurtenissen in de zin van artikel
6.1.9.4a NBW.

Indien daarvoor niet reeds uit processueel oogpunt bezien noodzakelijk
is om alle plegers van die onrechtmatige daad zonder uitzondering in rechte te
betrekken, dan geldt in elk geval dat appellanten niet aan een stelplicht als
hierboven bedoeld hebben voldaan en ook niet kunnen voldoen, nu zij erkennen
dat de kring van degenen, die DES in de te dezen relevante periode in het
verkeer (kunnen) hebben gebracht, groter is dan die van de gezamenlijke
geintimeerden zonder dat zij (kunnen) weten wie allemaal in de relevante
periode tot genoemde kring behoorden.

Zulks betekent dat, nu appellanten toegeven dat zij niet kunnen
aangeven, laat staan bewijzen, dat de gestelde schade (in elk geval)(telkens)
is teweeggebracht vanuit een uitputtend aan te geven kring van personen, die
DES in het verkeer heeft gebracht, zich daarmee niet naar de eis van
meergenoemde rechtsregel laat vaststellen door welk complex van
“gebeurtenissen” de gestelde schade tenminste is ontstaan.

In dit verband overweegt het hof nog dat appellanten, voorzover zij
betogen dat geintimeerden aan hen op dit punt de nodige informatie hadden
behoren te verstrekken, van geintimeerden niet meer verlangd kan worden dan
dat zij terzake een voldoende gemotiveerd verweer voeren, hetgeen naar ’s hofs
oordeel te dezen het geval is.

De conclusie moet dan ook luiden dat voor toepassing van bedoeld
aansprakelijkheidsbeginsel te dezen geen plaats is.

Ook het beroep op groepsaansprakelijkheid gaat niet op, aangezien de
rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet is gesteld of gebleken dat
geintimeerden destijds als groep zijn opgetreden. Door appellanten wordt in
hoger beroep in dat verband nog wel gesproken van “wederzijdse beinvloeding”
of een gezamenlijk geschapen sfeer, die het gevaar voor toebrenging van schade
heeft doen ontstaan”, doch deze stellingen, omtrent welker juistheid overigens
evenmin iets vaststaat, kunnen in elk geval in het onderhavige geval niet
gelden als rechtens relevant voor deze aansprakelijkheidsvorm.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep.

Appellanten zijn bij dagvaardingen van 24 augustus 1988 in hoger beroep
gekomen van het vonnis dat de arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder
rolnummer H 86.1409 tussen appellanten als eiseressen en geintimeerden als
gedaagden op 15 juni 1988 in deze zaak heeft gewezen.

Bij memorie van grieven hebben zij vier grieven tegen dat vonnis
aangevoerd en hebben zij geconcludeerd dat het hof het vonnis, waarvan beroep,
zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog bij arrest uitvoerbaar bij
voorraad de geintimeerden, des dat de een betalende de ander in zoverre zal
zijn bevrijd, zal veroordelen tegen kwijting aan appellanten te vergoeden de
schade, die zij hebben geleden en zullen lijden als gevolg van het DES-gebruik
door hun moeders, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet
met de wettelijke rente over het verschuldigde vanaf de dag der inleidende
dagvaardingen tot die der voldoening en met veroordeling van de geintimeerden
in de kosten van – naar het hof begrijpt – beide instanties.

Bij een gezamenlijke memorie van antwoord, tevens inhoudende
incidenteel appel, hebben geintimeerden de voorgestelde grieven bestreden en
hunnerzijds twee (algemene) grieven in incidenteel appel geformuleerd, bewijs
aangeboden en geconcludeerd tot – zakelijk – afwijzing van het principaal
appel met veroordeling van appellanten in de kosten van het principaal appel
en in het incidenteel appel – zakelijk weergegeven – dat het hof het vonnis,
waarvan beroep zal vernietigen inzoverre dat vonnis zo is te begrijpen dat
daarbij is beslist dat het beginsel van artikel 6.1.9. 4a NBW reeds geldend
recht is en dat de moeders van de incidenteel geintimeerden ook daadwerkelijk
DES-tabletten hebben ingenomen, zulks met veroordeling van incidenteel
geintimeerden in de kosten van het incidentele hoger beroep.

Daarnaast heeft elk der geintimeerden nog bij afzonderlijke memorie van
antwoord de door haar in eerste aanleg gevoerde bijzondere verweren
gehandhaafd en heeft harerzijds – met uitzondering van de geintimeerde Dagra
N.V., die daarbij incidenteel appel heeft ingesteld overeenkomstig de algemene
incidentele grieven, – telkens een (bijzondere) voorwaardelijke grief in
incidenteel appel geformuleerd en heeft geconcludeerd tot – zakelijke –
afwijzing van het principaal appel en in het incidenteel appel – wat
geintimeerde Dagra betreft – tot vernietiging van het bestreden vonnis
inzoverre dat vonnis zo is te begrijpen dat daarbij is beslist dat het
beginsel van artikel 6.1.9. 4a NBW reeds geldend recht is en dat de moeders
van de incidenteel geintimeerden ook daadwerkelijk DES-tabletten hebben
ingenomen, met veroordeling van de incidenteel geintimeerden in de kosten van
het incidenteel hoger beroep, en – wat de overige geintimeerden betreft – tot
vernietiging van het bestreden vonnis, voor het geval dat zo moet worden
verstaan dat de rechtbank daarbij de door die geintimeerden gevoerde
bijzondere verweren (impliciet) heeft verworpen, zulks met veroordeling van
incidenteel geintimeerden in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel hebben appellanten,
tevens incidenteel geintimeerden, zowel het algemene incidenteel appel als de
bijzondere incidentele appellen bestreden en hebben geconcludeerd tot
afwijzing daarvan.

Nadat geintimeerden bij gelegenheid van het pleidooi nog een akte hadden
genomen waarbij zij een aantal bescheiden in het geding hebben gebracht,
hebben partijen vervolgens de zaak aan de hand van schriftelijke pleitnotities
doen bepleiten, appellanten bij monde van hun procureur en Mr. L.G. Eykman,
advocaat te Amsterdam, en geintimeerden bij monde van Mr. J.C.P. Ekering,
advocaat te Rotterdam, waarna zij de stukken van het geding in beide
instanties aan het hof hebben overgelegd voor het wijzen van arrest.

2. De grieven..

in het principaal appel:

Grief I.

Ten onrechte – immers op onjuiste feitelijke grondslagen, blijk gevend
van een onjuiste rechtsopvatting omtrent oorzakelijk verband en met
voorbijgaan van relevante rechtsgronden – heeft de rechtbank de vorderingen
van appellanten afgewezen op de gronden vervat in rechtsoverweging 5 in
verbinding met de rechtsoverwegingen 7 en 8.

Grief II.

Ten onrechte overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 5 g dat de
DES-dochters de gedaagde bedrijven als “exponenten van de farmaceutische
bedrijfstak” zouden hebben aangesproken en voor hun keuze slechts zouden
hebben aangevoerd dat zij de meerderheid uitmaken van de bedrijven die in de
relevante periode DES in Nederland in het verkeer hebben gebracht.

Grief III.

Ten onrechte legt de rechtbank aan haar oordeel feitelijk ten grondslag
dat:

a) de gedaagde bedrijven onweersproken zouden hebben gesteld dat in 1963
in ons land 200 farmaceutische groothandelsbedrijven, 37 erkende grossiers en
880 apothekers gevestigd waren en dat ieder daarvan DES, waarvan de grondstof
vrijelijk verkrijgbaar was, in het verkeer kan hebben gebracht
(rechtsoverweging 3);

b) als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of onvoldoende weersproken
zou vaststaan dat in de relevante periode DES in Nederland (ook) in het
verkeer is gebracht door een aanzienlijk aantal niet-gedaagden
(rechtsoverweging 5a, aanhef en 2e gedachtestreepje).

Grief IV.

Ten onrechte gaat de rechtbank er geheel aan voorbij dat ieder van de
gedaagde bedrijven jegens de DES-dochters onrechtmatig heeft gehandeld en hun
schade rechtens heeft veroorzaakt door DES voor gebruik tijdens zwangerschap
in het verkeer te brengen en tegen de gevaren daarvan niet te waarschuwen.

in het incidenteel appel(algemeen):

Deze grieven houden het volgende in:

Grief I.

Voorzover het vonnis, waarvan beroep, zo moet worden begrepen dat de
rechtbank heeft beslist dat het beginsel van artikel 6.1.9.4a NBW reeds
geldend recht is, zijn de incidenteel appellanten van mening dat de rechtbank
daarmee blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting.

Grief II.

Voorzover de rechtbank met de zinsnede “leveranciers van door de moeders
van eiseressen ingenomen DES-tabletten” als vervat in rechtsoverweging 8 van
het bestreden vonnis als vaststaand zou hebben aangenomen dat de moeders van
de incidenteel geintimeerden ook daadwerkelijk DES-tabletten hebben ingenomen,
is zulks onjuist.

in de bijzondere appellen:

De grieven als vervat in de afzonderlijke memories houden het volgende
in:

ten aanzien van de geintimeerden 1 tot en met 3 en 5 tot en met 10:

Grief.

Voor het geval de rechtbank de door de desbetreffende geintimeerde
gevoerde bijzondere verweren (impliciet) mocht hebben verworpen, heeft de
rechtbank die verweren ten onrechte verworpen.

ten aanzien van de geintimeerde sub 4:

Grief I.

Voor zover het vonnis waarvan beroep, zo moet worden begrepen dat de
rechtbank heeft beslist dat het beginsel van artikel 6.1.9.4a NBW reeds
geldend recht is, is incidenteel appellante van mening dat de rechtbank
daarmee blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting..

Grief II.

Voorzover de rechtbank met de zinsnede “leveranciers van de door de
moeders van eiseressen ingenomen DES-tabletten” als vervat in rechtsoverweging
8 van het bestreden vonnis als vaststaand zou hebben aangenomen dat de moeders
van de incidenteel geintimeerden ook daadwerkelijk DES-tabletten hebben
ingenomen, is zulks onjuist .

Beoordeling van de zaak.

in de (bijzondere) incidentele appellen van geintimeerden 1 tot en met 3
en 5 tot en met 10:

Het hof overweegt vooreerst dat de rechtbank kennelijk uitsluitend om
redenen van proceseconomische aard eerst de door alle geintimeerden gevoerde
algemene verweren heeft onderzocht en derhalve bij gegrondbevinding daarvan
niet is toegekomen aan de behandeling van de verschillende door geintimeerden
opgeworpen bijzondere verweren..

Het is derhalve zonder meer duidelijk dat laatstgenoemde verweren niet
impliciet door de rechtbank zijn verworpen, hetgeen betekent dat de bijzondere
incidentele appellen voorzover voorwaardelijk ingesteld niet aan de orde
behoeven te komen.

Nu geintimeerden blijkens de memorie van antwoord in het principaal
appel tegen de door de rechtbank op dit punt gevolgde opzet geen bezwaar
maken, zal het hof om doelmatigheidsredenen de zaak op dezelfde voet
behandelen als de rechtbank heeft gedaan..

in het principaal appel:

Geen grief is gericht tegen hetgeen de rechtbank in rechts- overweging 2
van het bestreden vonnis als tussen partijen vaststaand heeft weergegeven,
zodat er ook in hoger beroep van kan worden uitgegaan dat alle appellanten
lijden of hebben geleden aan de door hen gestelde lichamelijke aandoening,
(voornamelijk) bestaande in carcinomen van het urogenitale stelsel.

Geintimeerden hebben het gestelde gebruik van DES-tabletten door de
moeders van appellanten gemotiveerd betwist, evenals het door appellanten
gestelde verband tussen de aandoening, waaraan zij lijden of hebben geleden,
en het gebruik van het DES-preparaat, hetgeen betekent dat deze omstandigheden
ten processe niet vaststaan.

Indien nochtans al vooronderstellenderwijs de juistheid van genoemde
stellingen wordt aangenomen, dan stelt de eerste grief de (rechts)vraag aan de
orde of onder het huidige recht het rechtsbeginsel van aansprakelijkheid bij
de zogenaamde alternatieve veroorzaking, zoals neergelegd in artikel 6.1.9.4a
NBW, reeds toepassing vindt en zo ja of te dezen op basis van de stellingen
van appellanten aan de voorwaarden voor zodanige aansprakelijkheid is voldaan,
respectievelijk of althans in casu gesproken kan worden van
groepsaansprakelijkheid dan wel van een onrechtmatige daad van geintimeerden,
hierin bestaande dat zij hebben nagelaten het DES-preparaat naar behoren op
zijn deugdelijkheid te onderzoeken en/of het kopend publiek tegen de gevaren
van dat preparaat te waarschuwen, welke laatste stelling(en) door appellanten
als nadere grondslag van de eis voor het eerst in appel te berde is (zijn)
gebracht.

Dienaangaande is het hof allereerst van oordeel dat de rechtsregel van
artikel 6.1.9.4a NBW ook voor het huidige recht reeds als geldend moet worden
aanvaard, nu die regel volgens de jongste opvattingen in de rechtsgeleerde
literatuur (verg.Asser/Hartkamp 4-I-1988) ook zonder wettelijke grondslag
reeds voor positief recht wordt gehouden. Daarbij overweegt het hof dat een
andersluidende opvatting tot het uit het oogpunt van billijkheid onwenselijke
resultaat zou leiden dat een benadeelde ingeval zijn schade voortspruit uit
een van twee of meer gebeurtenissen, voor elk waarvan op zich zelf steeds een
ander aansprakelijk is, deze schade niet zou kunnen verhalen omdat hij veelal
in de feitelijke onmogelijkheid zal verkeren aan te tonen aan welke
gebeurtenis zijn schade valt toe te schrijven.

Voorts valt niet in te zien dat toepassing van dit rechtsbeginsel in
strijd zou komen met de EEG-richtlijn Produktenaansprakelijkheid, nu bij
artikel 13 van die richtlijn is bepaald dat deze de rechten, die de
gelaedeerde ontleent aan (onder meer) het recht inzake buitencontractuele
aansprakelijkheid of een op het ogenblik van de kennisgeving van deze
richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling, onverlet laat.

Rijst vervolgens de vraag of in de stellingen van appellanten voor
toepassing van bedoelde rechtsregel plaats is.

Te dien aanzien heeft alvast te gelden dat wil, die regel in aanmerking
kunnen worden genomen, (in elk geval) sprake moet zijn van een door
geintimeerden jegens appellanten gepleegde onrechtmatige daad. Het hof is van
oordeel dat daarvan op basis van de aan de eis ten grondslag gelegde
stellingen niet kan worden gesproken, nu het enkele in het verkeer brengen van
het DES-preparaat, al weer aangenomen dat het innemen daarvan de gestelde
schade heeft veroorzaakt, weliswaar in beginsel als onrechtmatig kan worden
beschouwd, maar op zich nog geen (voltooide) onrechtmatige daad jegens (een of
meer van de) appellanten oplevert.

Om die aan te kunnen nemen is noodzakelijk dat tevens feiten zijn
gesteld, waaruit van een concrete gedraging ten opzichte van (die) appellanten
kan blijken, waarbij met name valt te denken aan verkoop van bedoeld preparaat
door of via meer dan een geintimeerde aan telkens een van de moeders van
appellanten.

Zodanige feiten, welke overigens veeleer zullen leiden tot toepassing
van het leerstuk der zogenaamde dubbele veroorzaking en derhalve tot
aansprakelijkheid voor het geheel zonder meer, zijn evenwel door geen der
appellanten gesteld.

Doch ook, indien dit al anders zou zijn en als uitgangspunt zou moeten
worden aanvaard dat alle geintimeerden onrechtmatig jegens appellanten hebben
gehandeld door DES in het verkeer te brengen en aldus de kring van
(potentiele) “daders” zich in beginsel uitstrekt tot al degenen, die in de te
dezen relevant periode DES

hebben verhandeld in Nederland, dan is voor de toepassing van het
beginsel der alternatieve veroorzaking in elk geval vereist dat exact wordt
vastgesteld en vervolgens ook komt vast te staan wie tot de kring der
aansprakelijk te houden personen behoort, nu de in concreto geleden schade
aantoonbaar het gevolg moet zijn van tenminste een van twee of meer specifiek
te stellen en zonodig te bewijzen gebeurtenissen in de zin van artikel
6.1.9.4a NBW.

Indien daarvoor niet reeds uit processueel oogpunt bezien noodzakelijk
is om alle plegers van die onrechtmatige daad zonder uitzondering in rechte te
betrekken, dan geldt in elk geval dat appellanten niet aan een stelplicht als
hierboven bedoeld hebben voldaan en ook niet kunnen voldoen, nu zij erkennen
dat de kring van degenen, die DES in de te dezen relevante periode in het
verkeer (kunnen) hebben gebracht, groter is dan die van de gezamenlijke
geintimeerden zonder dat zij (kunnen) weten wie allemaal in de relevante
periode tot genoemde kring behoorden.

Zulks betekent dat, nu appellanten toegeven dat zij niet kunnen
aangeven, laat staan bewijzen, dat de gestelde schade (in elk geval)(telkens)
is teweeggebracht vanuit een uitputtend aan te geven kring van personen, die
DES in het verkeer heeft gebracht, zich daarmee niet naar de eis van
meergenoemde rechtsregel laat vaststellen door welk complex van
“gebeurtenissen” de gestelde schade tenminste is ontstaan.

In dit verband overweegt het hof nog dat appellanten, voorzover zij
betogen dat geintimeerden aan hen op dit punt de nodige informatie hadden
behoren te verstrekken, van geintimeerden niet meer verlangd kan worden dan
dat zij terzake een voldoende gemotiveerd verweer voeren, hetgeen naar ‘hofs
oordeel te dezen het geval is.

De conclusie van al het vorenoverwogene moet dan ook luiden dat voor
toepassing van bedoeld aansprakelijkheidsbeginsel te dezen geen plaats is.

Ook het beroep op groepsaansprakelijkheid gaat niet op, aangezien de
rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet is gesteld of gebleken dat
geintimeerden destijds als groep zijn opgetreden. Door appellanten wordt in
hoger beroep in dat verband nog wel gesproken van “wederzijdse beinvloeding”
of een gezamenlijk geschapen sfeer, die het gevaar voor toebrenging van schade
heeft doen ontstaan, doch deze stellingen, omtrent welker juistheid evenmin
iets vaststaat, kunnen in elk geval in het onderhavige geval niet gelden als
rechtens relevant voor deze aansprakelijkheidsvorm.

Dit alles leidt er toe dat grief I geen doel treft en dat ook de grieven
II en III niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Tenslotte kan ook de nader gestelde grondslag appellanten niet baten.

Het hof begrijpt de stellingen van appellanten in dit verband aldus dat
geintimeerden in de visie van appellanten naast een onrechtmatige daad,
bestaande uit het in het verkeer brengen van het DES-preparaat, gelijk hier
boven besproken, nog onrechtmatig jegens appellanten hebben gehandeld door in
strijd met hun rechtsplicht de DES-pil niet naar behoren op haar
deugdelijkheid te hebben onderzocht en door te verzuimen tegen de gevaren van
die pil te waarschuwen.

Daargelaten dat ook hier geldt dat het gestelde gebruik en het gestelde
verband tussen het gebruik en de aandoening, waaraan appellanten lijden of
hebben geleden, niet vaststaat, alsmede ook verder even buiten beschouwing
gelaten dat geintimeerden ontkennen dat het hunnerzijds in het verkeer
gebrachte DES-produkt door hen niet naar behoren op zijn deugdelijkheid zou
zijn beproefd, is voor zodanige aansprakelijkheid – het in het verkeer brengen
van het DES-produkt weggedacht – geen rechtsgrond aanwezig te achten, terwijl,
zelfs indien dit al anders zou zijn, in elk geval ook voor de hier gestelde
grondslag van de eis geen feiten zijn gesteld, die, indien bewezen, het
vereiste causaal verband tussen het gestelde nalaten en de pretense schade zou
kunnen aantonen.

Immers indien een nalaten als gesteld, dat vanuit het gezichtspunt van
appellanten bezien zou kunnen leiden tot aansprakelijkheid voor andermans
produkten, achterwege zou zijn gebleven en door geintimeerden zou zijn
gehandeld geheel conform de door appellanten aangenomen rechtsplicht, dan
staat daarmee nog niet zonder meer vast dat een gebruik van een ondeugdelijke
pil als te dezen volgens appellanten is geschied alsdan niet zou hebben plaats
gevonden.

Dit betekent dat ook grief IV vruchteloos is voorgesteld.

in het incidenteel(algemeen) appel en in het incidenteel (bijzonder)
appel van Dagra:

Blijkens het vorenoverwogen faalt grief I, evenals grief II, nu deze
laatste grief berust op verkeerde lezing van het bestreden vonnis.

zo in het principaal als in het incidenteel (algemeen) appel en het
incidenteel (bijzonder) appel van Dagra:

Al het bovenstaande leidt er toe, dat het vonnis, waarvan beroep, wat er
van de voorgestelde grieven verder zij, behoort te worden bekrachtigd.

in het principaal appel:

Appellanten dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten
van het principaal appel te worden verwezen.

in het incidenteel (algemeen) appel en in het incidenteel (bijzonder)
appel van Dagra:

Appellanten moeten als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten
van het incidenteel (algemeen) appel worden verwezen.

4. Beslissing.

Het hof:

zo in het principaal als in het incidenteel (algemeen) appel en in het
incidenteel (bijzonder) appel van Dagra:

Bekrachtig het vonnis waarvan beroep.

in het principaal appel:

Veroordeelt appellanten in de kosten van het principaal appel, tot op
deze uitspraak aan de zijde van geintimeerden begroot op ƒ 20.700,–.

in het incidenteel (algemeen) appel en het incidenteel (bijzonder) appel
van Dagra:

Veroordeelt appellanten in de kosten van het incidenteel (algemeen)
appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van geintimeerden begroot op ƒ
9.450,–.

Veroordeelt Dagra in de kosten van het incidenteel (bijzonder) appel,
tot op deze uitspraak aan de zijde van geintimeerden begroot op nihil .

Rechters

Mrs. Walkate, vice-president, Bockwinkel en Goes, raadsheren.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 21 november 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Aan eiseres, die van 1980 tot 1987 een gezamenlijke huishouding heeft
gevoerd met haar overleden partner, wordt geen AWW-uitkering toegekend. Naar
de mening van de Centrale Raad geeft de AWW slechts aanspraken aan de
nabestaanden van gehuwden, daarmee de nabestaanden van ongehuwden
uitsluitend.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Onder dagtekening van 17 april 1989 heeft gedaagde aan eiseres kennis
gegeven van de beslissing dat zij -ter zake van het overlijden van S. op 23
december 1987- geen recht heeft op pensioen krachtens de Algemene Weduwen- en
Wezenwet (hierna: AWW) of een tijdelijke AWW-uitkering, aangezien zij niet
voldoet aan de in de AWW gestelde voorwaarden voor het recht op dit pensioen
of deze uitkering, omdat zij “namelijk niet met de overledene gehuwd geweest
is”.

De Raad van Beroep te ‘s-Gravenhage heeft bij deze uitspraak van 9
januari 1990 het door eiseres tegen deze beslissing ingestelde beroep
ongegrond verklaard.

Namens eiseres is Mr. M.M. Klink, advocaat te Dordrecht, van deze
uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Op de gronden aangevoerd bij
een aanvullend beroepschrift d.d. 28 februari 1990, is de Raad verzocht de
aangevallen uitspraak, alsmede de daaraan ten grondslag liggende beslissing
van gedaagde d.d. 17 april 1989 te vernietigen.

In reactie op de brief van de zijde van de Raad d.d. 18 juli 1990, onder
meer houdende toezending van een exemplaar van de uitspraak van de Raad van 28
februari 1990, in het geding AAW 1989/10, heeft de gemachtigde van eiseres bij
nadere brief d.d. 30 augustus 1990 gewezen op de bijzondere omstandigheden in
het geval van eiseres.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 7
november 1990, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door Mr. M.M.
Klink voornoemd. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid niet doen
vertegenwoordigen.

II. Motivering

Eiseres, geboren op 1 augustus 1948, heeft blijkens de gedingstukken van
eind 1980 tot 23 december 1987 ongehuwd samengewoond met S., geboren op 21 mei
1943. S. is op 23 december 1987 overleden. In verband met dit overlijden heeft
eiseres gedaagde verzocht haar een AWW-uitkering toe te kennen.

Naar inmiddels ontwikkelde jurisprudentie -waartoe de Raad wijst op de
onder I genoemde uitspraak van de Raad van 28 februari 1990, gepubliceerd in
AB 1990, 233 en inmiddels ook in RSV 1990, nr. 295, en de uitspraak van
gelijke datum, AWW 1989/25, AB 1989, 234- is er geen plaats om voor de
toepassing van de AWW de aanspraken van de tevoren ongehuwd samenwonende te
honoreren, waarbij gegeven de huidige stand van de maatschappelijke
ontwikkelingen en de rechtsontwikkeling is geoordeeld dat de in de AWW
vervatte beperking van aanspraken tot de weduwe (nog) geen in artikel 26 van
het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten verboden
onderscheid ten opzichte van de ongehuwd samenwonende inhoudt. De Raad
verwijst voor de nadere motivering van dit standpunt naar evengenoemde
uitspraken.

De Raad acht mutatis mutandis -op gelijke gronden- geen strijd aanwezig
met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden en artikelen 2 en 9 van het Internationaal
Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, terwijl hem evenmin
van zodanig strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is
gebleken dat hiervoor de desbetreffende eis van de AWW ter zijde zou kunnen
worden geschoven.

Met betrekking tot het ook eerder aan de orde gekomen punt van de niet
in de AWW, doch wel in de andere wetten totstandgebrachte gelijkstelling van
gehuwd en ongehuwd samenwonenden wijst de Raad er nog op dat anders dan ten
aanzien van de andere wetten waarin die gelijkstelling wel is gerealiseerd
-bijvoorbeeld de medeverekering bij de Ziekenfondswet, alsook in de Algemene

Bijstandswet- het karakter van de AWW-uitkering voor de overblijvende
van echtelieden nu juist met zich meebrengt dat de duur van de aanspraak (c.q.
verminderde aanspraak) krachtens een gelijkstelling niet is gebonden aan de
actuele samenwoning en het voortduren daarvan. Anders gezegd, het gaat bij
deze AWW-uitkering om een pensioen c.q. tijdelijke uitkering ten gunste van de
overblijvende van twee partners en niet om aanspraak c.q. verminderde
aanspraak ten tijde van een samenwoning. Wat daarvan verder ook zij, naar het
oordeel van de Raad is, gelet reeds op deze ongelijkheid, hier geen steun te
vinden voor de gedachte dat het formeelwettelijk voorschrift van de AWW te
dezen, zolang de wetgever daarin geen verandering heeft gebracht, langs
verdragsrechtelijke lijn uit hoofde van gelijkheid jurisprudentieel zou dienen
te wijken ten gunste van de bepleite gelijkstelling.

Eiser heeft zich op grond van haar persoonlijke levensgeschiedenis en
die van haar voormalige partner en de duur van de samenwoning (circa zeven
jaren) nog beroepen op “bijzondere omstandigheden” die er toe behoren te
leiden dat de AWW ruimer wordt gehanteerd en ook op haar geval van toepassing
wordt gebracht. De Raad kan voor zodanige toepassing, die
-nationaalrechtelijk- zou neerkomen op een zgn. toepassing-contralegem,
evenwel geen rechtvaardigingsgrond vinden, gelet ook op het door de wetgever
in de artikelen 8 en 13 neergelegde limitatieve, nauw omschreven stelsel voor
aansprak op AWW-uitkering van de overblijvende van echtelieden.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mr. J.H. van der Veen, als voorzitter; mr.B.J. van der Net; mr. G.P.A.M.Garvelink-Jonkers, leden

Instantie: Hof van Justitie EG, 21 november 1990

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Een nationale wettelijke regeling die de mogelijkheid van gelijkstelling
van betaling van sociale- zekerheidsbijdragen, voorbehoudt aan gehuwde
vrouwen, weduwen en studenten, zonder in dezelfde vrijstellingsmogelijkheid
te voorzien voor gehuwde mannen of weduwnaars die voor het overige aan
dezelfde voorwaarden voldoen is in strijd met de Derde EG-richtlijn.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij tussen vonnis van 4 december 1989, ingekomen bij het Hof van 15
december daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Nijvel (Belgie),
afdeling Waver, krachtens artikel 177 EEG- Verdrag een prejudiciele vraag
gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december
1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).

2. Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Sociale Verzekeringskas voor
Zelfstandigen “Integrity” VZW (hierna: Integrity) en N. Rouvroy, weduwe van
de architect J. Leloup, en haar kinderen, Olivier, Eric en Mathieu, ter zake
van de betaling van voor de jaren 1985 en 1986 gevorderde sociale-
zekerheidsbijdragen voor zelfstandigen.

3. In artikel 1 van het Belgische Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juli 1967
houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (Belgisch
Staatsblad van 29 juli 1967, blz. 1001, hierna: KB nr. 38) is bepaald, dat
dit statuut zich uitstrekt tot familiale uitkeringen inzake rust- en
overlevingspensioen en uitkeringen ingeval van ziekte of invaliditeit.
Zelfstandigen en helpers zijn aan deze regeling onderworpen.

4. Artikel 37, par. 1, eerste alinea, van het Koninklijk Besluit van 19
december 1967 (Belgisch Staatsblad van 28 december 1967, blz. 1496) houdende
algemeen reglement in uitvoering van voornoemd KB nr. 38, zoals gewijzigd bij
Koninklijk Besluit van 20 juli 1981 (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1981,
blz. 1218), luidt als volgt:

‘Wanneer hun bedrijfsinkomsten, in de zin van artikel 11, par. 2 en 3, van
het Koninklijk Besluit nr. 38 die moeten als basis dienen voor de berekening
van de bijdragen voor een bepaald jaar, geen 77 472 BFR bereiken, kunnen de
aan het Koninklijk Besluit nr. 38 onderworpen gehuwde vrouwen, weduwen en
studenten, voor bedoeld jaar, vragen gelijkgesteld te worden met de personen
bedoeld in artikel 12, par. 2 van genoemd besluit.’

5. Ingevolge artikel 12, par. 2, van KB nr. 38 is de onderworpene die, naast
de bezigheid die aanleiding geeft tot onderwerping aan het sociaal statuut
van zelfstandigen, gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsbezigheid
uitoefent, geen bijdrage krachtens KB nr. 38 verschuldigd indien zijn
bedrijfsinkomsten als zelfstandige beneden een bepaald plafond blijven. Deze
vrijstelling heeft voor de betrokkene geen verlies van de in het sociaal
statuut der zelfstandigen voorziene uitkering tot gevolg.

6. In de loop van de procedure voor de Arbeidsrechtbank te Nijvel verzocht
Leloup, wiens bedrijfsinkomsten zeer bescheiden waren, om toepassing van
artikel 37 van het KB van 19 december 1967. Integrity verzette zich tegen dit
verzoek op grond dat genoemde bepaling enkel gold voor gehuwde vrouwen en
weduwnaars. Volgens de erfgenamen van Leloup, die het geding hebben
voortgezet, is artikel 37 in strijd met het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.

7. Een en ander vormde voor de Arbeidsrechtbank te Nijvel, afdeling Waver,
aanleiding om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende
prejudiciele vraag te stellen:

‘Is artikel 37 van het Koninklijk Besluit van 19 december 1967 houdende
algemeen reglement in uitvoering van KB nr. 38 van 27 juli 1967 houdende
inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, in overeenstemming met
richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid?’

8. Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het
procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt
verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier
worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de
redenering van het Hof.

9. Vooraf moet worden opgemerkt, dat het Hof zich in een krachtens artikel
177 EEG-Verdrag aanhangig gemaakte procedure niet kan uitspreken over de
verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het
gemeenschapsrecht. Het is echter wel bevoegd, de nationale rechter alle
gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, die
deze in staat kunnen stellen die verenigbaarheid te beoordelen met het ook
op het in de bij hem aanhangige zaak te wijzen vonnis (zie laatstelijk het
arrest van 11 oktober 1990, zaak C- 196/89, Naspel, Jurispr. 1990, blz.
I-3647).

10. Richtlijn 79/7/EEG is ingevolge artikel 2 onder meer van toepassing op
zelfstandigen. Artikel 3 geeft een opsomming van de regelingen en bepalingen
waarvoor het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale
zekerheid geldt. Artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaalt het volgende:

‘Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, het indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten
in het bijzonder met betrekking tot:

– de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating
tot de regelingen,

– de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,

– de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen
verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen,
alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op prestaties.’

De prejudiciele vraag moet dus worden opgevat als betrekking hebbende op de
vraag, of – inzonderheid – artikel 4 van richtlijn 79/7/EEG aldus moet worden
uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een Lid-Staat enkel voor gehuwde
vrouwen, weduwen en studenten voorziet in de mogelijkheid van gelijkstelling
met personen die zijn vrijgesteld van betaling van
sociale-zekerheidsbijdragen wanneer hun bedrijfsinkomsten als zelfstandige
gering zijn en zij gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsbezigheid
uitoefenen.

Volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk het arrest van 13 december 1989,
zaak C-102/88, Ruzius-Wilbrink, Jurispr. 1989, blz. 4311) is artikel 4, lid
1, zowel op zichzelf beschouwd als gezien in verband met het doel van
richtlijn 79/7/EEG, voldoende nauwkeurig om door een justitiabele voor de
rechter te worden ingeroepen, ten einde elke ermee strijdige nationale
bepaling buiten toepassing te doen verklaren. Daarbij zij eraan herinnerd,
dat die bepaling van de Lid-Staten verplicht, alle met het beginsel van
gelijke behandeling strijdige bepalingen in te trekken.

In voornoemd arrest van 13 december 1989 overwoog het Hof voorts, dat in een
geval van directe discriminatie de leden van de minder begunstigde groep
recht hebben op dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling
als de leden van de begunstigde groep die in een gelijke situatie verkeren,
waarbij die regeling, zolang aan die richtlijn niet op juiste wijze
uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.

Tot slot volgt uit de innerlijke logica van de richtlijn, dat artikel 4, dat
de draagwijdte van het beginsel van gelijke behandeling afbakent, alleen van
toepassing is binnen de personele en materiele werkingssfeer van de richtlijn
(arrest van 27 juni 1989, gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88,
Achterberg-te Riele, Jurispr. 1989, blz. 1963). In dit verband heeft de
advocaat-generaal in zijn conclusie terecht opgemerkt, dat wanneer ondeelbare
sociale bijdragen betrekking hebben op sociale uitkeringen die slechts voor
een deel onder de materiele werkingssfeer van richtlijn 79/7/EEG vallen, het
gelijkheidsbeginsel niettemin op al die bijdragen van toepassing is. Dit is
anders indien de bijdragen kunnen worden uitgesplitst naar de individuele
uitkeringen.

Gelet op een en ander moet op de vraag van de Arbeidsrechtbank te Nijvel,
afdeling Waver, worden geantwoord, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn
79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid aldus moet worden uitgelegd,
dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de
mogelijkheid van gelijkstelling met personen die zijn vrijgesteld van
betaling van sociale-zekerheidsbijdragen, voorbehoudt aan gehuwde vrouwen,
weduwen en studenten, zonder in dezelfde vrijstellingsmogelijkheid te
voorzien voor gehuwde mannen of weduwnaars die voor het overige aan dezelfde
voorwaarden voldoen.

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid moet
aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke
regeling die de mogelijkheid van gelijkstelling met personen die zijn
vrijgesteld van betaling van socialezekerheidsbijdragen, voorbehoudt aan
gehuwde vrouwen, weduwen en studenten, zonder in dezelfde
vrijstellingsmogelijkheid te voorzien voor gehuwde mannen of weduwnaars die
voor het overige aan dezelfde voorwaarden voldoen.

Rechters

Mrs. O’Higgins, Mancini, Schockweiler, A-G Jacobs.

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 16 november 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Moeder en biologische vader hebben de ambtenaar van de burgerlijke stand
gevraagd de moeder in de gelegenheid te stellen te verklaren dat de wettige
vader niet de vader van het kind is en de biologische vader in de gelegenheid
te stellen het kind te erkennen en hiervan akte op te maken. In alle
instanties zijn deze verzoeken afgewezen. Het Hof heeft geoordeeld dat het
aan de moeder onthouden van de mogelijkheid staande huwelijk het ouderschap te
ontkennen in strijd komt met art. 14 jo. art. 8 EVRM, nu art. 1:199 BW die
mogelijkheid voor de vader wel kent, maar dat beantwoording van de vraag wat
er dan wel had moeten gebeuren, de rechtsvormende taak van de rechter te
buiten gaat. De Hoge Raad onderschrijft dit oordeel. De mogelijkheid van
ontkenning van het vaderschap staande huwelijk door de moeder brengt het
belang van het kind betreffende de zekerheid van de afstamming in gevaar

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een verzoekschrift van 13 oktober 1988 hebben verzoekers tot
cassatie – verder te noemen de moeder respectievelijk Z. – zich gewend tot de
Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Amsterdam – verder te noemen de
Ambtenaar – met het verzoek de moeder in de gelegenheid te stellen te
verklaren, dat M. niet de vader van de op 28 oktober 1987 te Amsterdam geboren
zoon Samir is en Z. in de gelegenheid te stellen het kind te erkennen en
daarvan een akte op te maken

Bij brief van 21 oktober 1988 heeft de Ambtenaar dit verzoek geweigerd

Met een op 9 januari 1989 gedateerd verzoekschrift hebben de moeder en
Z. zich gewend tot de Rechtbank te Amsterdam met verzoek de Ambtenaar te
gelasten te handelen als voormeld

Nadat de Rechtbank de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de
Ambtenaar had gehoord en M., hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter
terechtzitting was, heeft zij bij beschikking van 13 juni 1989 het verzoek
afgewezen

Tegen deze beschikking hebben de moeder en Z. hoger beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te Amsterdam

Bij beschikking van 5 februari 1990 heeft het Hof de bestreden
beschikking van de Rechtbank bekrachtigd

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof hebben de moeder en Z. beroep in
cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en
maakt daarvan deel uit

De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping
van het beroep

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:

De moeder is op 2 maart 1979 gehuwd met M. Hun huwelijk is op 4 juli
1988 ontbonden. Op 28 oktober 1987 is S. uit de moeder geboren. Zijn
voormelde wettige vader was blijkens het persoonsregister van de gemeente
Amsterdam op 23 januari 1986 vertrokken met onbekende bestemming

De moeder heeft sedert ongeveer eind 1983 een vaste relatie met Z., de
biologische vader van S. Zij wonen niet samen, maar hebben het voornemen in
1990 in het huwelijk te treden. Uit hun relatie is inmiddels, op 13 juni
1988, een tweede kind geboren

Op 13 oktober 1988 hebben de moeder en Z. zich tot de ambtenaar van de
burgerlijke stand te Amsterdam gewend met het verzoek de moeder in de
gelegenheid te stellen te verklaren dat M. niet de vader van S. is, en Z. in
de gelegenheid te stellen het kind te erkennen en daarvan een akte op te
maken

De ambtenaar heeft geweigerd aan dit verzoek te voldoen. Hierop
hebben de moeder en Z. de Rechtbank op voet van art. 1:29 BW verzocht de
ambtenaar te gelasten om de registers van de burgerlijke stand aan te vullen
met een akte, houdende de hiervoor weergegeven verklaringen. Zij hebben dit
verzoek in het bijzonder gegrond op het betoog dat de art. 1:198 en 1:199 BW
voor de vader en de moeder verschillende regelingen geven voor de ontkenning
van het vaderschap en dat dit een verboden inmenging oplevert met betrekking
tot de eerbiediging van het gezinsleven van S. in de zin van art. 8 EVRM,
alsmede een verboden discriminatie in de zin van art. 14 EVRM

De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen, welke beschikking door het Hof
is bekrachtigd

3.2 Het Hof is ervan uitgegaan dat art. 8 EVRM te dezen toepasselijk is,
maar heeft geoordeeld dat de regeling van art. 1:198 BW aan de eisen van het
tweede lid van art. 8 voldoet. Voorts heeft het Hof geoordeeld – kort
samengevat – dat het in art. 1:198 aan de moeder onthouden van de mogelijkheid
staande huwelijk het vaderschap van haar echtgenoot te ontkennen weliswaar in
strijd komt met art. 14 in verbinding met art. 8 EVRM, nu art. 1:199 die
mogelijkheid voor de vader wel kent, maar dat bij de beantwoording van de
vraag wat dan te dezer zake wel zou moeten gelden zoveel belangen van
principiele en praktische aard aan de orde komen, dat die beantwoording, die
nodig is met het oog op de hier gevraagde voorziening, de rechtsvormende taak
van de rechter te buiten gaat. Tegen beide hiervoor weergegeven oordelen –
zowel dat betreffende art. 8 lid 2 als dat betreffende de grenzen van de
rechtsvormende taak van de rechter – richt het middel klachten

3.3 Deze klachten falen

In het midden kan blijven of reeds het enkele ontbreken in de wet van de
mogelijkheid dat de moeder staande huwelijk het vaderschap van haar echtgenoot
ontkent, een “inmenging” in de zin van art. 8 lid 2 EVRM oplevert, bij gebreke
waarvan hier slechts aan de orde is de vraag of op de Staat uit hoofde van
art. 8 lid 1 een positieve verplichting rustte een dergelijke mogelijkheid in
de wet te openen, in welk geval art. 8 lid 2 in beginsel toepassing mist en
voor de Staat een ruimere marge van appreciatie bestaat ter zake van de keuze
van een oplossing, waarmee met het oog op de situatie in Nederland het beste
aan de betrokken persoonlijke en publieke belangen kan worden recht gedaan
(EHRM 17 oktober 1986, NJ 1987, 945, par. 35-37). Dit punt is immers in
cassatie niet aan de orde gesteld

Eveneens kan in het midden blijven of, uitgaande van de aanwezigheid van
een “inmenging”, aan de eisen van art. 8 lid 2 is voldaan. In elk geval
moet immers ’s Hofs oordeel worden onderschreven dat het vinden van
oplossingen voor wat bij strijd van art. 1:198 met art. 14 in verbinding met
art. 8 EVRM in plaats van de regeling van art. 1:198 zou hebben te gelden, de
rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Hetzelfde moet worden
aangenomen voor het geval art. 1:198 geheel of ten dele in strijd zou komen
met art. 8 alleen en zulks een inmenging zou opleveren waarvoor geen
rechtvaardiging in de zin van lid 2 bestaat

Daarbij dient te worden bedacht dat, zo de mogelijkheid van ontkenning
van het vaderschap door de moeder staande huwelijk zou worden geopend,
terstond de vraag zou rijzen welke andere beperkingen hier dan zouden dienen
te gelden, wil het in het algemeen bestaande, aan de huidige regeling mede ten
grondslag liggende belang van het kind bij zekerheid omtrent de afstamming van
zijn wettige ouders niet in het gedrang komen. Dergelijke beperkingen zijn
dan ook eveneens opgenomen in het bij de Staten-Generaal aanhangige
wetsvoorstel Herziening afstammingsrecht (Bijl. Hand. II, 1987-1988, 20 626,
art. 201 e.v.), waarvan niet zeker is of zij bij de verdere parlementaire
behandeling zullen worden gehandhaafd, aangevuld of prijs gegeven, waarbij
zich tal van variaties laten denken, ook met het oog op een gelijke
behandeling van de vader en de moeder, voor zover ten minste een ongelijke
behandeling niet gerechtvaardigd is

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep

Rechters

Mrs Snijders, de Groot, Hermans, Haak en David

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 14 november 1990

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


F. is in hoger beroep gegaan van het vonnis van de Rechtbank Arnhem van
30 mei 1990 (Rechtspraak Nemesis 1990 nr 118). F. is veroordeeld tot zes
jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het als geneeskundige in een
instelling van weldadigheid ontucht plegen met een persoon daarin opgenomen,
meermalen gepleegd en voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen
gepleegd. Bovendien is hij voor elf jaar ontzet uit het recht het beroep
van geneeskundige uit te voeren. In hoger beroep heeft F. verzocht tot het
horen van de slachtoffers. Dit verzoek is afgewezen omdat het Hof van
oordeel is dat de verdachte door het achterwege blijven van dat verhoor
redelijkerwijze niet in zijn verdediging kan worden geschaad. Het Hof
veroordeelt F. tot zes jaar onvoorwaardelijk gevangenisstraf en tot elf jaar
ontzetting uit het recht tot uitoefenen van het beroep van geneeskundige. 9

Volledige tekst


De raadsman heeft voorts betoogd dat het bewijs met betrekking tot de
feiten 3 tot en met 9 onrechtmatig is verkregen. De politie heeft, zonder
contact op te nemen met de Heldringstichtingen, de adressen van de bewoners
bij de gemeente Valburg opgevraagd. Door gebruik te maken van de in het
persoonsregister van de gemeente Valburg op het adres van de Heldringstichting
vermelde gegevens heeft de politie op onrechtmatige wijze de beschikking over
de 300 namen van pupillen die in de periode 1976 tot 1986 waren opgenomen in
de Heldringstichtingen, aldus de raadsman

Het Hof verwerpt dit verweer. Daargelaten de vraag of verdachte een
beroep kan doen op schending van belang van een ander, te weten schending van
de privacy van de ex-pupillen, is naar het oordeel van het Hof niet
aannemelijk geworden dat die privacy geschonden is. Uit voormelde
verklaringen van de verbalisanten B. en V. -K. (bewijsmiddel 27) blijkt dat
diegenen waarvan de adressen op deze wijze bekend zijn geworden door de
politie volledig vrij zijn gelaten om een verklaring af te leggen.
Diegenen, die uit privacy-overwegingen liever geen verklaring wilden afleggen
hebben in volle vrijheid kunnen beslissen, zulks te weigeren. Niet
aannemelijk is tenslotte geworden dat de politie overigens indiscreet heeft
gehandeld met de verkregen adressen

Bewezenverklaring

Door vermelde bewijsmiddelen, waarbij — behoudens hetgeen is overwogen
op bladzijde 30 met betrekking tot het gebruik van de verklaringen van J. en
C. — de inhoud van elk bewijsmiddel — ook de onderdelen — slechts wordt
gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de
inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende
feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het Hof de
overtuiging verkregen en acht het Hof wettig bewezen, dat verdachte het onder
3, 4, 5, 6 primair, 7 en 9 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande:

3. dat verdachte in de periode 1 maart 1977 — augustus 1977 te Zetten,
meermalen als geneeskundige (psychiater) in een krankzinnigengesticht ontucht
heeft gepleegd met een meisje (B.), dat toen daarin was opgenomen, bestaande
die ontucht telkens uit het betasten van haar borsten en schaamstreek

4. dat verdachte in de zomermaanden van 1977 te Zetten, door geweld een
meisje (B.), heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen,
bestaande die ontuchtige handelingen hierin dat verdachte op het naakte
slachtoffer lag en haar borsten en schaamstreek betastte; bestaande het geweld
hierin dat verdachte het meisje — in weerwil van haar verzet — met een
scherp voorwerp in een arm en een been prikte

5. dat verdachte in de periode december 1983 — medio 1985 te Zetten,
meermalen als geneeskundige (psychiater) in een krankzinnigengesticht ontucht
heeft gepleegd met een persoon (T.), die toen daarin was opgenomen, bestaande
die ontucht telkens uit het betasten van de vagina en de borsten en het laten
vasthouden en betasten van zijn, verdachtes, geslachtsdeel

6. dat verdachte in het tijdvak juni 1984 — juli 1985 te Zetten, door
geweld een meisje (H.) heeft gedwongen met hem, verdachte, buiten echt
vleselijke gemeenschap te hebben, bestaande het geweld hierin, dat het meisje
werd geslagen

7. dat verdachte in de periode juni 1984 — juli 1985 te Zetten,
meermalen als geneeskundige (psychiater) in een krankzinnigengesticht ontucht
heeft gepleegd met een meisje (H.) dat toen daarin was opgenomen, bestaande
die ontucht telkens uit het betasten van de vagina van het meisje en uit het
inbrengen van een voorwerp in de vagina van het meisje, en uit het door het
meisje laten vasthouden en betasten van zijn, verdachtes, geslachtsdeel

9. dat verdachte in de periode 1982 — 1984 te Zetten als geneeskundige
(psychiater) in een krankzinnigengesticht, meermalen ontucht heeft gepleegd
met een meisje, G., dat toen daarin was opgenomen, bestaande die ontucht
telkens uit het hebben van geslachtsgemeenschap met haar en uit het betasten
van haar schaamstreek en borsten

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is
telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te
worden vrijgesproken

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar

Ten aanzien van het onder 3, 5, 7, en 9 telastegelegde overweegt het Hof
het volgende. Met ingang van 1 september 1988, zijnde een tijdstip gelegen
na het begaan van het telastegelegde, is art. 249, tweede lid onder 2 van het
Wetboek van Strafrecht gewijzigd in die zin, dat het woord
‘krankzinnigengesticht’ is vervallen. Vergelijking van de oude
wetsbepalingen met de nieuwe leidt tot het oordeel dat er geen sprake is van
een in voor verdachte gunstige zin veranderd inzicht van de wetgever omtrent
de strafwaardigheid van het onder 3, 5, 7 en 9 bewezenverklaarde, doch slechts
van het opschonen van niet meer actuele termen. Aangezien de onderhavige
wetswijziging niet kan worden aangemerkt ls een verandering van wetgeving in
de zin van art. 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is de oude
wetsbepaling te dezen van toepassing gebleven

Het bewezene levert op de misdrijven

w ten aanzien van het onder 3, 5, 7 en 9 bewezenverklaarde: telkens:

Als geneeskundige in een krankzinnigengesticht ontucht plegen met een
persoon daarin opgenomen, meermalen gepleegd; strafbaar gesteld bij art. 249,
tweede lid onder 2(oud) van het Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd; strafbaar
gesteld bij art. 246 van het Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van het onder 6 primair bewezenverklaarde:

w Verkrachting; strafbaar gesteld bij art. 242 van het Wetboek van
Strafrecht

Verweer ontslag van rechtsvervolging

De raadsman heeft een beroep gedaan op de medische exceptie, daartoe
stellende dat verdachte geen ontuchtige handelingen heeft verricht, doch de
aangeefsters slechts heeft aangeraakt als arts handelende in de uitoefening
van zijn beroep. De raadsman heeft op grond daarvan geconcludeerd tot
ontslag van rechtsvervolging van verdachte met betrekking tot de feiten 3, 5,
7 en 9 telkens voor wat betreft de aanraking van lichaamsdelen van de pupil en
met betrekking tot feit 4 voor wat betreft de catharsis

Het Hof verwerpt het verweer van de raadsman ten aanzien van de feiten
3, 5, 7 en 9 met betrekking tot de aanraking van lichaamsdelen van de
pupillen, omdat het Hof, gelet op de gang van zaken zoals door de aangeefsters
geschetst, niet aannemelijk acht dat er diagnostische en/of therapeutische
overwegingen aan het handelen van verdachte ten grondslag lagen. Hetzelfde
geldt ten aanzien van het verweer ten aanzien van het onder 4 telastegelegde
Daartoe wordt bovendien verwezen naar hetgeen hiervoor onder
bewijsmiddelen met betrekking tot het onder 4 telastegelegde is overwogen

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk
geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn

Oplegging van straf en/of maatregel

Het Hof acht na te melden straffen in overeenstemming met de aard en de
ernst van de gepleegde strafbare feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn
begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het
onderzoek ter terechtzitting is gebleken

Aan de verdachte wordt zwaar aangerekend, dat hij zijn positie als
directeur en behandelend psychiater in de Lingewal te Zetten heeft misbruikt
door zich aan daarin opgenomen jeugdige en zeer kwetsbare meisjes, die aan
zijn zorg waren toevertrouwd, seksueel te vergrijpen

Uit de stukken is af te leiden, dat dat handelen van de verdachte, dat
zich in het merendeel van de bewezenverklaarde gevallen zeer regelmatig,
frequent en over een lange periode heeft voorgedaan, op de slachtoffers een
traumatische effect heeft gehad. Sommigen hunner hebben dit pas na vele
jaren kunnen verwerken, terwijl anderen er wellicht nooit overheen zullen
komen. Daarnaast is duidelijk geworden, dat niet alleen beroepsbeoefenaren
in de geestelijke gezondsheidszorg — in het bijzonder op het terrein van de
jeugdpsychiatrie — maar ook in de maatschappelijke hulpverlening aan
jeugdigen in Nederland door het optreden van verdachte op ernstige wijze in
discrediet zijn gebracht en dat de samenleving als geheel door een en ander
zwaar is geschokt en — terecht — diep verontwaardigd is

Deze overwegingen leiden ertoe, dat een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf van aanmerkelijke duur op zijn plaats is en dat daarnaast de
bijkomende straf van ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van het
beroep van geneeskundige moet worden opgelegd

Bij de vaststelling van de duur van deze straffen heeft het Hof naast
het hiervoor overwogene er ten voordele van de verdachte rekening mee
gehouden, dat de verdachte door het openbaar worden van zijn handelen en in
het bijzonder door de aandacht van de media voor deze strafzaak zowel
maatschappelijk als in de persoonlijke sfeer in een isolement is geraakt.
Daarnaast heeft het Hof gelet op hetgeen ten gunste van de persoon van de
verdachte naar voren is gebracht in het reclasseringsrapport van 2 juni 1989

Samenvattend komt het Hof tot een strafoplegging gelijk aan die van de
Rechtbank, te weten zes jaren gevangenisstraf met aftrek van de tijd in
verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede ontzetting uit het
recht tot uitoefening van het beroep van geneeskundige voor de duur van elf
jaar

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het Hof heeft gelet op de artt. 10, 27, 28, 31, 57, 60, 242, 246 en 249,
tweede lid onder 2 (oud) van het Wetboek van Strafrecht

Beslissing

Het Hof:

verstaat, dat het door verdachte ingestelde hoger beroep niet is gericht
tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdacht terzake van
het onder 1, 2, 8, en 10 telastegelegde werd vrijgesproken

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart ten aanzien van het onder 3 telastegelegde het Openbaar
Ministerie niet ontvankelijk in zijn strafvervolging voor wat betreft de
periode van juni 1975 tot 1 maart 1977

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 8 en 10
telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij

Wijst af voormelde verzoeken tot getuigenverhoor, tot onderzoek door
deskundigen, tot overlegging van medische dossiers en tot het houden van een
schouw

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 3,
4, 5, 6 primair, 7 en 9 telastegelegde heeft begaan

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd
dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij

Verklaart verdachte deswege strafbaar

Motiveert de op te leggen straffen als hiervoor werd overwogen, met
toepassing van voormelde wettelijke voorschriften

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes)
jaren

Bepaalt, dat de tijd, door veroordeelde vr de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de
tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal
worden gebracht

Ontzet verdachte voorts uit het recht het beroep van geneeskundige uit
te oefenen voor de duur van 11 (elf) jaren

Rechters

Vice-president Gerbrandy als voorzitter, raadsheren De Vries en Hubben