Instantie: Rechtbank Amsterdam, 14 november 1990

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Gedaagde heeft in 1981, 1982 en 1983 als oppas gefungeerd voor D en M.
Gedaagde was toen 14 jaar, de meisjes waren 7 en 9 jaar. Gedaagde heeft
in deze periode ontuchtige handelingen gepleegd, door met ontbloot
geslachtsdeel rijdende bewegingen te maken op de billen van een van de
meisjes. Eiseres vordert ƒ 40.000,=immateriele schadevergoeding. De
rechtbank stelt de vergoeding gelet op de omstandigheden van het geval,
waaronder de leeftijd van gedaagde ten tijde van de onrechtmatige
gedragingen, de ernst van de psychische schade en het feit dat gedaagde
een vergoeding heeft ontvangen voor ten onrechte ondergane hechtenis,
louter op de grond dat de feiten waarvan hij werd verdacht waren verjaard,
op een bedrag van ƒ 5.000,= per kind.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.

Bij conclusie van eis, met bewijsstukken, heeft L gesteld en gevorderd
overeenkomstig de inleidende dagvaarding. Bij conclusie van antwoord heeft
P de vordering weersproken. Bij conclusies van repliek, met bewijsstukken,
en dupliek hebben partijen hun standpunten gehandhaafd. Bij akte heeft L
daarna opnieuw enkele stukken in het geding gebracht. Tenslotte hebben
partijen stukken, waaronder die met betrekking tot het in deze zaak
gelegde derdenbeslag, overgelegd ter verkrijging van vonnis.

Gronden van de beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van
de overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast: a. L is
moeder-voogdes van D en M, respectievelijk geboren op 28 juli 1974 en op
25 april 1976 en verder D en M te noemen;

b. P, geboren op 3 mei 1967, is een half-broer van L;

c. in de jaren 1981, 1982 en 1983 heeft P meermalen op verzoek van L en
tegen een geringe vergoeding als oppas gefungeerd van D en M;

d. gedurende genoemde periode heeft P in ieder geval drie maal met zowel
D als met M seksuele handelingen verricht, in ieder geval hierin bestaande
dat hij met ontbloot geslachtsdeel op de rug van een van de meisjes ging
liggen, van wie hij het broekje eerst half naar beneden had getrokken, en
met een stijve penis rijdende bewegingen op de billen maakte;

e. P is op 8 december 1987 als verdacht van onder meer verkrachting
aangehouden door personeel van de gemeentepolitie te Amsterdam;

f. wegens verjaring van de feiten waarvan hij werd verdacht is P ter zake
niet strafrechtelijk veroordeeld;

g. door deze rechtbank is aan P een vergoeding toegekend wegens ten
onrechte ondergane hechtenis.

2. L. vordert veroordeling van P tot betaling van een bedrag van ƒ
40.000,=, vermeerdert met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding
tot aan de betaling, alsmede vanwaardeverklaring van het gelegde beslag
en veroordeling van P in de gedingkosten. Zij stelt daartoe dat P in de
jaren 1981, 1982 en 1983 zowel D als M seksueel heeft misbruikt in die zin,
dat hij D heeft verkracht, althans met haar vleselijke gemeenschap heeft
gehad en ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd en dat hij met M
ontuchtige handelingen heeft gepleegd, tengevolge waarvan D en M
psychische en lichamelijk leed hebben ondervonden, daarin bestaande dat
D, in de tijd dat P haar seksueel misbruikte gedurende ruim een jaar in
behandeling is geweest bij een kinderpsycholoog wegens psychische
moeilijkheden en sedert januari 1988 begeleiding en opvang behoeft van de
zijde van het Boddaertcentrum en thans ook van het sociaal-agogisch
centrum “Crisiscentrum Het Plein” en dat M verminderde schoolprestaties
heeft, lange tijd in bed heeft geplast, thans een geforceerde houding
tegenover mannen heeft en aan een spraakgebrek lijdt. Volgens L is P
gehouden de hierdoor ontstane (immateriele) schade tot een bedrag van voor
ieder der meisjes ƒ 20.000,= te vergoeden.

3. P ontkent de gestelde verkrachting en vleselijke gemeenschap. Voorts
meent hij dat de door hem erkende gedragingen hem niet kunnen worden
verweten, nu hij ten tijde van het begaan ervan 14 of 15 jaar oud was,
doch door een psychische achterstand in zijn groei gelijkgesteld moet
worden met een 12 tot 13-jarige, zodat het de vraag is in hoeverre deze
gedragingen niet moeten worden aangemerkt als “een spel” of “een
ontdekkingstocht” op het pad van de nog te ontdekken seksualteit. Tenslotte
betwist hij dat de door hem erkende handelingen de gestelde schade hebben
veroorzaakt en betwist hij de hoogte van de schade.

4. Nu zowel verkrachting van en het hebben van vleselijke gemeenschap met
als de door P erkende gedragingen met meisjes in de leeftijd van
respectievelijk 7-9 jaar en 5-7 jaar ontuchtige handelingen zijn die door
L gestelde gevolgen kunnen doen ontstaan, is het niet van belang of mede
van verkrachting dan wel vleselijke gemeenschap sprake is geweest. Ook de
hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding is hiervan niet afhankelijk,
omdat deze wordt gerelateerd aan de ernst van de schadelijke gevolgen
zoals deze zijn ingetreden.

5. Het betoog van P dat de door hem erkende gedragingen niet verwijtbaar
zijn, faalt. Ook al zou juist zijn dat hij ten tijde van het begaan van
deze handelingen in psychisch opzicht gelijkgesteld diende te worden met
een 12 a 13 jarige, dan nog had hij kunnen en moeten inzien, gelet op het
relatief grote verschil in leeftijd tussen hem en de meisjes en hun in
absolute zin nog zeer jeugdige leeftijd, dat deze gedragingen een inbreuk
maakten op hun lichamelijke integriteit en dat hij tekortschoot in de op
hem rustende zorgplicht ten aanzien van hen. Hieruit volgt dat die
gedragingen onrechtmatig zijn ten opzichte van D en M en dat hem terzake
een verwijt kan worden gemaakt.

6. Bij repliek heeft P de gestelde psychische problemen van D en M als
zodanig niet langer ontkend. Hij betwist echter dat deze het gevolg zijn
van zijn gedragingen en voert aan dat daarvoor ook andere oorzaken in het
gezin van L kunnen worden aangewezen. Nu het plegen van ontucht met
dermate jonge meisjes als D en M naar algemeen bekend is psychisch leed
voor de betrokkene kan meebrengen, moet worden aangenomen dat, als dit
leed zich voordoet, de ondergane ontucht daarvan in ieder geval mede-
oorzaak is en is het niet relevant dat ook nog andere oorzaken daarover
zijn aan te wijzen. Ook dit verweer faalt derhalve.

7. Met betrekking tot de hoogte van de toe te wijzen vergoeding voor
immateriele schade wordt overwogen, gelet op alle omstandigheden van het
geval, waaronder de leeftijd van P ten tijde van het begaan van de
onrechtmatige gedragingen, de ernst van de gestelde psychische gevolgen
en de omstandigheid dat P een vergoeding heeft ontvangen voor ten onrechte
ondergane hechtenis, louter op de grond dat de feiten waarvan hij werd
verdacht waren verjaard, dat een bedrag van ƒ 5.000,= per kind redelijk
en billijk voorkomt.

8. Met betrekking tot het gelegde beslag zijn de wettelijke termijnen en
formaliteiten in acht genomen, zodat dit van waarde zal worden verklaard.
P zal als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de
kosten van de procedure.

Beslissing.

De rechtbank:

-veroordeelt P tot betaling aan l van een bedrag van ƒ 10.000,=, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan
de voldoening;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-ontzegt het meer of anders gevorderde;

-verklaart van waarde het in deze zaak gelegde beslag;

-veroordeelt P in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde
van L begroot op ƒ 3.313,60 en als volgt te voldoen: aan L ƒ 160,= als
vergoeding voor bij haar gevallen kosten aan vastrecht; en aan de griffier
van deze rechtbank ƒ 19,40 aan roepgelden, ƒ 480,= aan overig vastrecht,
ƒ 254,20 aan exploitkosten en ƒ 2.400,= aan salaris procureur.

Rechters

Mr. Monster

Instantie: Hof van Justitie EG, 8 november 1990

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Werkgever aansprakelijk ex art. 1401 BW bij afwijzen van een zwangere
sollicitante op grond van de zwangerschap. Rechtvaardigings- en
schulduitsluitingsgronden zijn in deze procedure irrelevant

Volledige tekst

1. Bij arrest van 24 juni 1988, ingekomen ten Hove op 30 juni
daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens art. 177
EEG-Verdrag vier prejudicile vragen gesteld over de uitlegging van de artt. 2
en 3 van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding
en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39,
pag. 40; hierna: de Richtlijn)

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen D. en de Stichting
Vormingscentrum voor Jong Volwassenen (VJV- Centrum) Plus (hierna: VJV). In
juni 1981 solliciteerde D. naar de post van vormingswerker bij het door VJV
gedreven jongerencentrum. Op 15 juni 1981 liet zij de sollicitatiecommissie
weten, dat zij drie maanden zwanger was. Nadat deze commissie haar
desondanks bij het bestuur van VJV als meest geschikte kandidaat voor de
betrokken functie had voorgedragen, werd D. vervolgens bij brief van 10 juli
1981 evenwel meegedeeld dat zij niet zou worden aangenomen

3. In deze brief verklaarde VJV, dat dit besluit was genomen, omdat D.
reeds bij haar sollicitatie zwanger was en dit volgens de door VJV ingewonnen
inlichtingen betekende, dat, indien zij D. aanstelde, VJV’s verzekeraar, het
Risicofonds Sociale Voorzieningen Bijzonder Onderwijs (hierna: het
Risicofonds), het ziekengeld niet zou vergoeden dat VJV D. tijdens haar
zwangerschapsverlof zou moeten betalen. Financieel was het voor VJV
derhalve onmogelijk een vervanger aan te stellen gedurende D.s afwezigheid,
zodat zij een deel van haar formatieplaatsen zou verliezen

4. Inderdaad blijkt uit het dossier, dat volgens art. 6 van het
Ziekengeldreglement het bestuur van het Risicofonds de bevoegdheid heeft,
uitkering van ziekengeld aan een deelnemer (de werkgever) geheel of ten dele
te weigeren, indien een verzekerde (de werknemer) ongeschikt tot het
verrichten van zijn dienst is geworden binnen een half jaar na het tijdstip
waarop de verzekering een aanvang nam, terwijl de gezondheidstoestand van de
betrokkene ten tijde van die aanvang het intreden van deze ongeschiktheid
binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten. Anders dan is bepaald
in art. 44, lid 1, sub b, van de Ziektewet, welke wet de in de regel voor
werknemers in de particuliere sector geldende verzekeringsregeling inhoudt,
wordt in het Ziekengeldreglement, dat bij uitsluiting van toepassing is op D.,
ingeval van zwangerschap niet afgeweken van de regel, dat de uitkering van
ziekengeld bij “voorzienbare ziekte” kan worden geweigerd

5. Nadat achtereenvolgens de Arrondissementsrechtbank te Haarlem en het
Gerechtshof te Amsterdam haar vordering tegen VJV tot schadevergoeding wegens
gederfde inkomsten hadden afgewezen, stelde D. beroep tot cassatie in bij de
Hoge Raad der Nederlanden

6. Van oordeel dat in deze zaak problemen rezen met betrekking tot de
uitlegging van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad, heeft de Hoge Raad der
Nederlanden besloten, het Hof de navolgende prejudicile vragen te stellen:

“1. Handelt een werkgever, hetzij direct, hetzij indirect, in strijd met
het in art. 2, lid 1, en 3, lid 1, van de Richtlijn bedoelde beginsel van
gelijke behandeling, wanneer hij weigert met een door hem geschikt bevonden
sollicitante een arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond van de nadelige
gevolgen die voor hem van haar bij die sollicitatie bestaande zwangerschap
zijn te verwachten in verband met een regeling van de overheid betreffende
arbeidsongeschiktheid, waarin met verhindering om dienst te verrichten wegens
ziekte wordt gelijkgesteld verhindering in verband met zwangerschap en
bevalling?

2. Maakt het daarbij verschil of mannelijke sollicitanten ontbraken?

3. Is het verenigbaar met de artt. 2 en 3:

a. dat, wanneer vaststaat dat het beginsel van gelijke behandeling
jegens de afgewezen sollicitante is geschonden, daarnaast voor toewijzing van
een op die schending gegronde vordering als de onderhavige nog schuld van de
werkgever vereist is; of

b. dat bij vaststaan van een zodanige schending de werkgever zijnerzijds
nog een beroep op een rechtvaardigingsgrond kan doen, zonder dat zich een van
de gevallen van art. 2, leden 2-4, voordoet?

4. Indien schuld als bedoeld onder 3 mag worden geist dan wel
rechtvaardigingsgronden kunnen worden ingeroepen, is dan voor het ontbreken
van schuld, onderscheidenlijk de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond
voldoende dat de werkgever risico’s loopt als onder de feiten weergegeven, of
moeten de artt. 2 en 3 aldus worden uitgelegd dat hij deze risico’s heeft te
dragen, behoudens de situatie dat hij zich volledige zekerheid heeft verschaft
dat de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid wordt geweigerd,
onderscheidenlijk dat het verlies aan formatieplaatsen wordt geleden, en hij
al het mogelijke heeft gedaan om zulks te voorkomen?”

7. Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het
procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, wordt
verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het
dossier worden hierna slechts weergegeven, voorzover dit noodzakelijk is voor
de redenering van het Hof

De eerste vraag

8. Vooraf zij opgemerkt, dat volgens art. 1, lid 1, de Richtlijn de
tenuitvoerlegging in de Lid-staten van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
beoogt

9. Art. 2, lid 1, van de Richtlijn bepaalt, dat “het beginsel van
gelijke behandeling (..) inhoudt dat iedere vorm van discriminatie is
uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie. “
Ingevolge art. 3, lid 1, houdt de toepassing van het beginsel van gelijke
behandeling in, “dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van
geslacht voor wat betreft de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de
selectiecriteria, tot beroepen of functies (..). “

10. Onderzocht dient te worden, of in het door de nationale rechter bedo
elde geval een aanstellingsweigering een directe discriminatie op grond van
geslacht, in de zin van de Richtlijn, kan opleveren. Het antwoord op deze
vraag hangt weer af van de vraag of de voornaamste reden voor de
aanstellingsweigering een reden is, die zonder onderscheid voor werknemers van
beide geslachten geldt, dan wel een die juist uitsluitend voor een van beide
geslachten geldt

11. Voor de weigering om D. aan te stellen, gaf de werkgever als
voornaamste reden, dat het ziekengeld dat hij haar gedurende haar afwezigheid
in verband met de zwangerschap zou moeten uitbetalen, niet door het
Risicofonds aan hem zou worden terugbetaald, terwijl hij desondanks een
vervanger zou moeten aanstellen. Deze situatie is enerzijds een gevolg van
het feit dat de betrokken nationale regeling zwangerschap gelijk stelt met
ziekte, en anderzijds van het feit dat het Ziekengeldreglement geen bepaling
bevat, waarbij zwangerschap wordt uitgesloten van de gevallen waarin het
Risicofonds mag weigeren het ziekengeld uit te keren

12. Daar enkel vrouwen een aanstelling kan worden geweigerd wegens
zwangerschap, is een dergelijke weigering een directe discriminatie op grond
van geslacht. Een aanstellingsweigering wegens de financile consequenties
van afwezigheid in verband met zwangerschap moet worden geacht voornamelijk op
het feit van de zwangerschap te zijn gebaseerd. Voor een dergelijke
discriminatie kan geen rechtvaardiging worden ontleend aan het financile
nadeel dat bij aanstelling van een zwangere vrouw door de werkgever wordt
geleden gedurende haar zwangerschapsverlof

13. De omstandigheid dat zwangerschap gelijk wordt gesteld met ziekte en
dat de bepalingen van de Ziektewet en van het Ziekengeldreglement, betreffende
de uitkering van ziektegeld in verband met zwangerschap, niet identiek zijn,
kan overigens niet worden geacht een discriminatie op grond van geslacht in de
zin van de Richtlijn op te leveren. Waar ten slotte de
aanstellingsweigering door een werkgever wegens de financile consequenties van
afwezigheid in verband met zwangerschap een directe discriminatie oplevert,
behoeft niet te worden onderzocht, of nationale bepalingen als de hiervoor
vermelde van dien aard zijn, dat de werkgever zich min of meer gedwongen ziet
geen zwangere vrouwen in dienst te nemen, waardoor zij een discriminatie in de
zin van de Richtlijn zouden opleveren

14. Uit het voorgaande volgt, dat op de eerste prejudicile vraag dient
te worden geantwoord, dat een werkgever direct in strijd handelt met het
beginsel van gelijke behandeling, bedoeld in de artt. 2, lid 1, en 3, lid 1,
van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding
en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, wanneer hij
weigert met een door hem geschikt bevonden sollicitante een
arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond van de mogelijke nadelige gevolgen
die voor hem van de aanstelling van een zwangere vrouw zijn te verwachten ten
gevolge van een regeling van de overheid betreffende arbeidsongeschiktheid,
waarin met verhindering om dienst te verrichten wegens ziekte wordt gelijk
gesteld verhindering in verband met zwangerschap en bevalling

De tweede vraag

15. In de tweede plaats vraagt de Hoge Raad of de omstandigheid dat geen
enkele man naar de vacante post heeft gesolliciteerd, verschil maakt voor het
antwoord op de eerste vraag

16. Volgens VJV dient de tweede vraag bevestigend te worden beantwoord,
omdat het niet gaat om het discriminerend effect van een maatregel in
abstracto, maar om de concrete beslissing van een werkgever om een bepaalde
sollicitant niet in dienst te nemen. Wanneer een werkgever een keuze maakt
tussen uitsluitend vrouwelijke sollicitanten, zou bij het nemen van die
beslissing geen sprake kunnen zijn van onderscheid naar geslacht, omdat een
werkgever zich in dat geval laat leiden door andere, financile of
beleidsmatige overwegingen

17. Wat dit aangaat, zij eraan herinnerd, dat het antwoord op de vraag
of de weigering om een vrouw aan te stellen, een directe of indirecte
discriminatie oplevert, afhangt van het motief van deze weigering. Is dit
motief de omstandigheid dat betrokkene zwanger is, dan houdt het besluit
rechtstreeks verband met het geslacht van de sollicitant. Zo gezien is het
voor het antwoord op de eerste prejudicile vraag niet van belang, dat er geen
mannelijke sollicitanten waren

18. Mitsdien moet op de tweede prejudicile vraag worden geantwoord, dat
de omstandigheid, dat geen enkele man naar de vacante post heeft
gesolliciteerd, voor het antwoord op de eerste vraag geen verschil maakt

De derde vraag

19. In de derde vraag gaat het erom, of de artt. 2 en 3 van de Richtlijn
zich ertegen verzetten, dat een op schending van het beginsel van gelijke
behandeling gegronde vordering tot schadevergoeding slechts kan worden
toegewezen, indien daarnaast nog schuld van de werkgever wordt aangetoond en
vaststaat dat hij geen beroep op een rechtvaardigingsgrond kan doen

20. Zowel D. als de Nederlandse en de Britse regering zijn van mening,
dat, zodra schending van het beginsel van gelijke behandeling vaststaat, dit
voldoende grond is om de werkgever aansprakelijk te stellen

21. VJV merkt evenwel op, dat het onderscheid, dat in de twee onderdelen
van de derde prejudicile vraag wordt gemaakt tussen schuld van de werkgever en
eventuele afwezigheid van een rechtvaardigingsgrond, gedeeltelijk samenhangt
met het in het hoofdgeding toepasselijke nationale recht, dat aan beide
gevallen verschillende rechtsgevolgen verbindt. Haars inziens kan op basis
van de Richtlijn enkel worden geantwoord op de vraag, of schending van het
beginsel van gelijke behandeling in een bepaald geval gerechtvaardigd kan
zijn

22. In de Richtlijn worden in art. 2, leden 2-4, uitzonderingen voorzien
op het in het eerste lid van dit artikel vervatte beginsel van gelijke
behandeling, doch de Richtlijn stelt de aansprakelijkheid van degeen die
discrimineert, in geen enkel opzicht afhankelijk van het bewijs van schuld of
van de afwezigheid van enige rechtvaardigingsgrond

23. Art. 6 van de Richtlijn erkent dat het slachtoffer van discriminatie
rechten heeft die hij voor het gerecht geldend kan maken. Ook al is voor
een volledige tenuitvoerlegging van de Richtlijn niet een bepaalde sanctie op
schending van het discriminatieverbod noodzakelijk, voorwaarde is wel dat de
sanctie een daadwerkelijk en doeltreffende rechtsbescherming kan verzekeren
(arrest van 10 april 1984, zaak 14/83, Von Colson en Kamann, Jurispr. 1984,
pag. 1891, punt 23). Verder dient zij ten aanzien van de werkgever een echt
afschrikwekkende werking te hebben

24. Zou voor de aansprakelijkheid van een werkgever wegens schending van
het beginsel van gelijke behandeling als voorwaarde gelden, dat schuld van de
werkgever wordt aangetoond en dat er geen enkele door het toepasselijke
nationale recht erkende rechtvaardigingsgrond bestaat, dan zou het nuttig
effect van deze beginselen sterk worden verzwakt

25. Wanneer dus door een Lid-staat een sanctie wordt gekozen in het
kader van een regeling betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van de
werkgever, moet de schending van het discriminatieverbod als zodanig reeds
volstaan voor de volledige aansprakelijkheid van degeen die heeft
gediscrimineerd, en kunnen geen in het nationale recht voorziene
rechtvaardigingsgronden worden erkend

26. Bijgevolg dient te worden geantwoord, dat ofschoon Richtlijn nr.
76/207/EEG de Lid-staten vrijlaat om voor de op schending van het
discriminatieverbod te stellen sanctie een keuze te maken uit de verschillende
oplossingen die geschikt zijn om het doel van de Richtlijn te bereiken, zij
niettemin impliceert, dat wanneer een Lid-staat een sanctie kiest in het kader
van een burgerlijke aansprakelijkheidsregeling, elke schending van het
discriminatieverbod als zodanig reeds volstaat voor de volledige
aansprakelijkheid van degeen die heeft gediscrimineerd, en dat de in het
nationale recht voorziene rechtvaardigingsgronden niet kunnen worden erkend

De vierde vraag

27. Gelet op het antwoord op de derde prejudicile vraag, behoeft de
vierde vraag niet te worden beantwoord

Kosten

28. De kosten, door de Commissie en door de Nederlandse en de Britse
regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet
voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van
24 juni 1988 gestelde vragen,

verklaart voor recht:

1. Een werkgever handelt direct in strijd met het beginsel van gelijke
behandeling, bedoeld in de artt. 2, lid 1, en 3, lid 1, van Richtlijn
76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van
de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en
ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, wanneer hij weigert met een door hem
geschikt bevonden sollicitante een arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond
van de mogelijke nadelige gevolgen, die voor hem van de aanstelling van een
zwangere vrouw zijn te verwachten ten gevolge van een regeling van de overheid
betreffende arbeidsongeschiktheid, waarin met verhindering om dienst te
verrichten wegens ziekte wordt gelijk gesteld verhindering in verband met
zwangerschap en bevalling

2. De omstandigheid dat geen enkele man naar de vacante post heeft
gesolliciteerd, maakt voor het antwoord op de eerste vraag geen verschil

3. Ofschoon Richtlijn 76/207/EEG de Lid-staten vrijlaat om voor de op
schending van het discriminatieverbod te stellen sanctie een keuze te maken
uit de verschillende oplossingen die geschikt zijn om het doel van de
Richtlijn te bereiken, impliceert zij niettemin, dat wanneer een Lid-staat een
sanctie kiest in het kader van een burgerlijke aansprakelijkheidsregeling,
elke schending van het discriminatieverbod als zodanig reeds volstaat voor de
volledige aansprakelijkheid van degeen die heeft gediscrimineerd, en dat de in
het nationale recht voorziene rechtvaardigingsgronden niet kunnen worden
erkend

Rechters

Due, Moitinho de Almeida, Rodrguez Iglesias, Dez de Velasco, Slynn,Üouris, Grvisse

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 6 november 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De rechtbank heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter
zake van het haar telastegelegde overtreden van art. 3.5 APV Heerlen
(tippelverbod).

De officier van Justitie is in hoger beroep gegaan.

Art. 3.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente
Heerlen luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“Het is aan personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat
zij zich op dat moment ter prostitutie aanbieden, verboden stil te staan of
heen en weer te lopen op (…) door burgemeester en wethouders aangewezen en
bij openbare kennisgeving bekend gemaakte wegen of gedeelten van wegen,
gedurende de uren, in die kennisgeving genoemd.”

Het doel van art. 3.5 APV Heerlen is volgens de Rechtbank het geven van
regels in het belang van de openbare orde om overlast tegen te gaan.

De Rechtbank verklaart art. 3.5 APV Heerlen in strijd met de Grondwet
omdat prostituanten niet worden vervolgd en de prostitue(e)s wel.

De Hoge Raad stelt:

Vooropgesteld moet worden dat de vorenaangehaalde bepaling van de APV
Heerlen kennelijk ten doel heeft het weren van overlast aan de bewoners van
door Burgemeester en Wethouders aangewezen gedeelten van de gemeente, ontstaan
doordat personen zich aldaar aanbieden ter prostitutie en andere personen
daardoor worden aangetrokken.

Een met strafbedreiging versterkt verbod in een APV gericht tot een
bepaalde, door hun activiteit aangewezen, groep van personen en ertoe
strekkende dat die personen zich onthouden van bepaalde gedragingen, welk
verbod is gegeven in het belang van de openbare orde, immers ter voorkoming
van overlast voor omwonenden, en dat op zichzelf een geschikt en redelijk
middel kan zijn ter bevordering van het nagestreefde doel, komt niet in strijd
met het in art. 1 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel op de enkele
grond dat niet een overeenkomstig verbod is gericht tot een andere groep van
personen die eveneens tot de te bestrijden overlast kan bijdragen.

Door art. 3.5 van de APV op de hiervoren weergegeven gronden
onverbindend te verklaren heeft de Rechtbank mitsdien blijk gegeven van een
onjuiste opvatting omtrent art. 1 van de Grondwet.

Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de Hoge Raad wijst de zaak
terug naar de Rechtbank.

Volledige tekst

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard
in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het in na te noemen
vonnissen onder parketnummers 03/405260/88, 03/405264/88 en 03/410286/86 onder
3 telastegelegde en voorts in hoger beroep – met vernietiging van de vonnissen
van de Kantonrechter te Heerlen van 3 oktober 1988 – de verdachte ontslagen
van alle rechtsvervolging ter zake van het haar bij inleidende dagvaarding
telastegelegde.

2. Het cassatieberoep

2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie in het
arrondissement Maastricht. Deze heeft het volgende middel van cassatie
voorgesteld:

Middel van cassatie.

Schending van het Nederlands Recht, met name van de artikelen 348, 350,
352 en 359 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 1 Grondwet, doordat de
Rechtbank de verdachte heeft ontslagen van rechtsvervolging, zulks nadat zij
ten onrechte artikel 3.5 A.P.V. Heerlen, als in strijd met artikel 1 Grondwet,
onverbindend heeft verklaard.

Toelichting.

De rechtbank heeft vastgesteld dat van algemene bekendheid is dat de
overlast die straatprostitutie met zich meebrengt veroorzaakt wordt door de
gedragingen van (een deel van) de prostituanten en dat het bij
straatprostitutie gaat om twee per definitie bij die prostitutie betrokken
partijen, die beide deelnemen aan een gezamenlijke activiteit met een
gezamenlijk doel, waarbij de Rechtbank aantekent, dat zij elkaar treffen op de
plekken die daarvoor op dat moment gebruikelijk zijn, zonder dat gezegd kan
worden dat nu juist de ene categorie de andere aantrekt.

Hierna is de Rechtbank tot de conclusie gekomen dat het opsporings- en
vervolgingsbeleid, dat noodzakelijkerwijs en voorzienbaar uit de in voornoemd
artikel 3.5 vervatte eenzijdige strafbaarstelling voortvloeit, een ongegronde
discriminatie van de prostituee tegenover de prostituant inhoudt en zodoende,
eventuele rechtvaardigingsgronden voor die ongelijke behandeling daargelaten,
in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, dan wel met het
antidiscriminatieverbod, als genoemd in artikel 1 Grondwet.

Ten eerste kunnen naar het oordeel van opsteller artikel 3.5 A.P.V.
Heerlen en het daaruit voortvloeiende opsporings- en vervolgingsbeleid niet in
strijd zijn met het anti-discriminatieverbod ex artikel 1 Grondwet, daar de in
de Grondwet genoemde discriminatie gedefinieerd kan worden als het onderscheid
maken tussen verschillende mensen of groepen van mensen op basis van een
bepaald hen toebehorend kenmerk, als onvolwaardig, moreel veroordeelbaar of
anderszins negatief gewaardeerd wordt, terwijl niet is gebleken dat de inhoud
en strekking van artikel 3.5 door andere eisen en motieven, dan die van
doelmatigheid zijn ingegeven.

Ten tweede is voor opsteller dezes onbegrijpelijk en volstrekt niet
inzichtelijk door de Rechtbank gemotiveerd om welke redenen prostituees en
prostuanten gelijke gevallen zijn die strafrechtelijk en strafvorderlijk
gelijk behandeld zouden moeten worden.

Opsteller wenst te betogen, dat de prostituee, gelet op het feit dat zij
als “gewone” beroepsuitoefenaar moet en wenst te worden aangemerkt, en gezien
de omstandigheid dat zij gelijk de meeste andere beroepsuitoefenaren, haar
diensten, die met bepaalde activiteiten gepaard gaan, op een door haar te
kiezen plaats en tijdstip aanbiedt niet vergeleken kan worden met de
prostituant, die als min of meer toevallige klant die bepaalde dienst wenst af
te nemen.

Genoemd verschil tussen beroepsuitoefenaar en klant brengt met zich mee,
dat de beroepsuitoefenaar, die, zoals gezegd, tijd en plaats van zijn
activiteiten kiest, als eerste en in de meeste gevallen als enige
aansprakelijk en verantwoordelijk, en dat geldt tevens in strafrechtelijke
zin, gehouden wordt voor de overlast die oorzakelijkerwijs uit zijn beroeps-
of bedrijfsuitoefening voortvloeit.

Als voorbeeld kan gegeven worden de bepalingen in de A.P.V. die de
sluitingstijden van cafe’s regelen. Deze bepalingen beogen vooral de door de
klanten veroorzaakte overlast, onder meer bestaande uit het wegrijden van
auto’s op een zeer laat tijdstip, tegen te gaan, terwijl de daarbij behorende
strafbaarstelling zich alleen richt tot de uitbater van het cafe.

In het licht van bovenstaande is de vaststelling van de Rechtbank, dat
de, en dat moet begrepen worden als alle, overlast die straatprostitutie met
zich meebrengt bestaat uit gedragingen van prostituanten, niet relevant en
bovendien onjuist, daar van algemene bekendheid is dat de door
straatprostitutie veroorzaakte overlast eveneens bestaat uit gedragingen van
prostituees zelf.

Ten aanzien van de door de Rechtbank naar voren gebracht gronden die een
ongelijke behandeling zouden kunnen rechtvaardigen, kan hier geheel subsidiair
opgemerkt worden, dat de overweging van de Rechtbank, inhoudende dat een
dergelijke rechtvaardiging gelegen kan zijn in het feit dat het zich aanbieden
voor prostitutie op zichzelf niet strafwaardig is, onbegrijpelijk is, nu
immers de al dan niet strafbaarheid van een bepaalde gedraging niet van
invloed is op de beantwoording van de vraag of die gedraging een inbreuk
vormt op de openbare orde.

De overweging met betrekking tot de tweede rechtvaardingsgrond is van
zodanig feitelijke aard dat zij in cassatie geen bespreking behoeft. Toch
wenst opsteller op te merken dat deze overweging zijn inziens innerlijk
tegenstrijdig is, aangezien de Rechtbank enerzijds van oordeel is dat de
prostituee op dit moment eigenlijk geen kant op kan en in de toekomst ook
niet zal kunnen, omdat B&W “de gehele binnenstad en de nabije omgeving” als
verboden gebied hebben aangewezen en reeds nu verklaard hebben dat zij met
uitbreiding van het verboden gebied kunnen reageren indien de plekken waar
straatprostitutie wordt bedreven zich verplaatst en anderzijds de Rechtbank
heeft vastgesteld dat de straatprostituee plaatsbepalende macht mist.

Dat de Rechtbank bij haar beoordeling uitgaat van een eventueel
toekomstig handelen van de gemeente is tenslotte zeker geen
rechtmatigheidstoetsing, maar hooguit een doelmatigheidstoetsing, tot welke
laatste toetsing Zij, hetgeen wellicht ten overloede nog eens gesteld moet
worden, niet bevoegd moet worden geacht.

2.2 Het beroep is tegengesproken door Mr. S.A.M. Bakker, advocaat te
Maastricht.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De procureur-Generaal heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden
uitspraak zal vernietigen, doch alleen voor zoveel het bewezenverklaarde en
verdachte niet strafbaar zijn geoordeeld, en, doende wat de Rechtbank had
behoren te doen, het bewezenverklaarde en de verdachte wel strafbaar zal
verklaren en de verdachte zal veroordelen tot negen geldboetes van elk tien
gulden, subsidiair telkens een dag hechtenis.

4. Beoordeling van het middel

4.1. Art. 3.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente
Heerlen luidt, voor zover de beoordeling van het middel van belang:

“Het is aan personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat
zij zich op dat moment ter prostitutie aanbieden,

verboden stil te staan of heen en weer te lopen op (…) door
burgemeester en wethouders aangewezen en bij openbare kennisgeving bekend
gmaakte wegen of gedeelten van wegen, gedurende de uren, in die kennisgeving
genoemd.”.

4.2 De Rechtbank heeft het ontslag van alle rechtsvervolging als volgt
gemotiveerd:

Overwegende, dat de rechtbank met betrekking tot de strafbaarheid van de
hierboven bewezen verklaarde feiten het navolgende overweegt:

Ter zitting is door de verdediging verwezen naar eerdere Heerlense
plannen, die overeen kwamen met de algemene lijn van ontwikkeling in
Nederland, en die zijn aangeduid in de toelichting van B&W op hun voorstel aan
de Gemeenteraad tot “wijziging A.P.V. in verband met de straatprostitutie “
d.d. 23-12-1985 (Gemeenteblad Gemeente Heerlen Afdeling A no 11, overgelegd
door de verdediging), en naar daadwerkelijk beleid in diverse andere
Nederlandse gemeenten – ter onderbouwing van het betoog dat een andere aanpak
dan in Heerlen gekozen de verschillende betrokken belangen beter tot hun recht
doet komen, met name het gerechtvaardigde belang van de straatprostitue(e)s
bij bescherming en veiligheid.

Dit roept de vraag op in hoeverre het tot de taak van de strafrechter
behoort het beleid van de gemeenteraad te beoordelen, en tot welke
consequenties een dergelijke beoordeling zou moeten leiden.

Art. 3.5 van de in 1987 ingevoerde Algemene Plaatselijke Verordening
voor de gemeente Heerlen, hierna te noemen

A.P.V. Heerlen, is overgenomen van het in 1986 naar aanleiding van
bovengenoemd voorstel ingevoerde art. 92 en luidt: ‘Het is aan personen van
wie redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat zij zich op dat moment ter
prostitutie aanbieden, verboden stil te staan of heen en weer te lopen op de
weg in de nabijheid van inrichtingen als bedoeld in art. 2.3.1.1 alsmede op
andere door burgemeester en wethouders aangewezen en bij openbare kennisgeving
bekend gemaakte wegen of gedeelten van wegen, gedurende de uren, in die
kennisgeving genoemd.”

In deze zaak is slechts aan de orde het tweede hierin uitgedrukte
verbod, nl. op de door B & W aangewezen plaatsen en uren.

Ingevolge dit artikel hebben B & W besluit van 7 juli 1987 de uren
bepaald op “de tijd tussen 14.00 uur en 06.00 uur” en de verboden wegen
aangewezen zoals in de hiervoor genoemde toelichting reeds was aangekondigd,
omvattende “de gehele binnenstad en de nabije omgeving” (p. 3), waarbij B & W
bovendien in het vooruitzicht hebben gesteld dat zij deze aanwijzing kunnen
aanpassen “in het geval het politie-optreden in dat gebied tot effect heeft
dat de straatprostitutie ergens anders opdoemt” (pag. 4).

Bij (straat)prostitutie handelt het om op zichzelf rechtmatige
activiteiten, waarvoor de Gemeenteraad regels kan geven in het belang van de
openbare orde om overlast tegen te gaan.

Dit is ook het kennelijk doel van het in art. 3.5 APV Heerlen
neergelegde verbod, zoals blijkt uit voornoemde toelichting van B & W en
eveneens uit de samenhang van “Hoofdstuk 3: BORDELEN, SEKSWINKELS E.D.,
DRUGSHANDEL” van de APV Heerlen (waartoe het aan de orde zijnde art. 3.5
behoort), waarin overlast, de openbare orde en het woon- en leefklimaat
regelmatig in opschriften en als criterium voor ingrijpen expliciet worden
genoemd.

Het is van algemene bekendheid dat de overlast die straatprostitutie in
het algemeen meebrengt voor woon- en leefklimaat, pleegt te bestaan uit
gedragingen van (een deel van) de klanten en niet uit het door art. 3.5 aan de
prostitue(e)s verboden gedrag “stil te staan of heen en weer te lopen”. Dat
dit ook in de Heerlense situatie het geval is, blijkt uit de verklaring van de
getuigen-deskundige Benschop, die ter zitting de inhoud heeft geschetst van de
klachten die volgens genoemde toelichting van B & W aanleiding hebben gegeven
to de huidige regeling. Deze klachten betroffen met name: enerzijds de
verkeersoverlast (voortdurend tot diep in de nacht rondrijdend autoverkeer,
stilstaan met draaiende motor, toeteren, slaan met portieren e.d. in een
overigens relatief rustige woonbuurt), en anderzijds de hinder en dreiging
voor vrouwen en meisjes uit de buurt (door aangesproken en benaderend te
worden als prostituee).

Vooropgesteld moet worden dat de Gemeenteraad op grond van art. 168
Gemeentewet de mogelijkheid heeft in het belang van de openbare orde regels te
stellen om de overlast die met straatprostitutie gepaard pleegt te gaan, tegen
te gaan. Daartoe zijn verschillende mogelijkheden denkbaar.

Het behoort niet tot de taak van de strafrechter om de waarde of het
maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend,
naar eigen inzicht vast te stellen en evenmin om uit de verschillende
mogelijkheden tot overlastbestrijding een keuze te maken. De rechtbank kan dan
ook niet treden in de door de Gemeenteraad gemaakte keuze voor een uitsluitend
strafrechtelijke aanpak met verbod en sanctie. En ook de keuze van de
Gemeenteraad om het storende gedrag van prostituanten in bepaalde delen van de
stad tegen te gaan door een verbod op het leggen van de prostitutiecontacten
zelf, zal de Rechtbank moeten respecteren.

Gegeven dit uitgangspunt, en met de terughoudendheid die hierbij past,
behoort het wel tot de taak van de Rechtbank de verordening die het resultaat
is van de gemaakte belangenafweging door de Gemeenteraad, te toetsen aan hoger
recht, waarbij de Rechtbank de verordening tevens onverbindend zal moeten
verklaren, indien deze wegens strijd met algemene rechtbeginselen kennelijk
onredelijk is.

Daarbij kan van het kennelijke doel van het in art. 3.5 neergelegde
verbod – de bestrijding van de genoemde overlast – niet geheel worden
afgezien, nu dit de vraag oproept of de Gemeenteraad bij dit doel nog de vrije
keuze heeft om juist – en uitsluitend – het gedrag van de andere bij
straatprostitutie betrokken partij – degene “van wie redelijkerwijs kan worden
aangenomen, dat zij zich op dat moment ter prostitutie aanbieden” – te
verbieden en met straf (zelf vrijheidsstraf) te bedreigen.

Dit eenzijdig verbod roept – noodzakelijkerwijze – een opsporingsbeleid
op waarin de twee betrokken partijen volstrekt ongelijk worden behandeld,
zoals ook naar voren komt uit de processen-verbaal van de verbalisanten in de
hier aan de orde zijnde zaken, en zoals is geschetst door de
getuige-deskundige ter zitting: de prostituant wordt als getuige tegen de
prostitue(e) gehoord en met alle egards behandeld; de prostitue(e) daarentegen
wordt opgepakt, vervolgd en loopt het risico van een vrijheidsstraf.

Een zo vergaand ongelijke behandeling van de twee per definitie bij
straatprostitutie betrokken partijen die beiden deelnemen aan een gezamenlijke
activiteit met een gezamenlijk doel, is in strijd met het gelijkheidsbeginsel
zoals uitgedrukt in art. 1 Grondwet, tenzij er een redelijke grond voor deze
ongelijke behandeling is.
ì
Een mogelijke rechtvaardiging zou bestaan, indien juist het zich
aanbieden voor prostitutie op zichzelf iets strafwaardigs zou zijn. De
officier van Justitie heeft zich in zijn requisitoir voor de verbindendheid
van art. 3.5 beroepen op HR 21-5-1985, AB 85.528, waarin een bepaling ter
bestrijding van overlast van straathandel in drugs (APV Rotterdam,
vergelijkbaar met art. 3.8 APV Heerlen) in stand werd gelaten. In dat geval
echter, kan de strafwaardigheid van het aanbieden van drugs zelf
rechtvaardigen dat ook de bijkomende overlast via de aanbodzijde wordt
aangepakt. Deze rechtvaardigheid ontbreekt bij de straatprostitutie. Anders
dan het aanbieden van drugs, is in ons recht het zich aanbieden voor
prostitutie niet al op zichzelf iets strafwaardigs; bij straatprostitutie
maakt juist de overlast het strafwaardige uit.

Een rechtvaardiging zou ook daarin gelegen kunnen zijn dat de
prostitue(e) het in de macht heeft te bepalen of en waar de overlast
plaatsvindt.

Uiteraard kan de prostitue(e) zelf specifieke verboden plaatsen
vermijden, zoals de nabijheid van de art. 2.3.1.1. onder meer bedoelde cafe’s.
Hier is echter niet dit specifieke verbod aan de orde, maar het verbod op de
door B & W aangewezen plaatsen.

Ook zou, indien positief een gebied zou zijn bekend gemaakt waar het
verbod niet geldt, nog gezegd kunnen worden dat een prostitue(e) de komst van
klanten naar elders bevordert door buiten het toegestane gebied zijn/haar
beroep uit te oefenen. Dit is niet meer vol te houden, nu daarentegen B & W
“de gehele binnenstad en de nabije omgeving” als verboden gebied hebben
aangewezen, en bovendien hebben aangekondigd dat zij met uitbreiding hiervan
kunnen reageren als het gebruikelijke trefpunt zich hierbuiten zou
verplaatsen.

Dat de straatprostitue(e) plaatsbepalende macht mist, is voor de
Heerlense situatie feitelijk door de getuige deskundige beschreven. Dit is ook
inzichtelijk. Zoals een klant gaat naar de plaats waar hij prostitue(e) kan
verwachten, zo begeeft de prostitue(e) zich daarheen waar hij/zij klanten kan
aantreffen.

Anders dan bij bordelen, sexclubs en sauna’s – die in hetzelfde
hoofdstuk van de APV Heerlen worden geregeld met stelsels van sluiting (en
weer opheffing daarvan), ontheffing van vergunning – is er bij de
straatprostitutie niet een organisatie die – of een gebouw dat – de
activiteiten organiseert. Er zijn slechts twee categorieen betrokken die
elkaar treffen op de plekken die daarvoor op dat moment gebruikelijk zijn,
zonder dat gezegd kan worden dat nu juist de ene categorie de andere
aantrekt.

Hierin is dan ook voor een eenzijdig strafbaarstelling geen
rechtvaardiging te vinden.

Nu het bij straatprostitutie gaat om – op zichzelf legale –
activiteiten, waarbij per definitie twee partijen (prostitue(e) en klant)
betrokken zijn, terwijl de prostitue(e) in een situatie zoals thans te Heerlen
niet de organisatorische macht heeft te bepalen of en waar de (van de klanten
uitgaande) overlast plaats vindt, is de Gemeenteraad niet in redelijkheid tot
de keuze kunnen komen deze overlast te bestrijden door juist – en uitsluitend
– de zich aanbiedende prostitue(e) strafbaar te stellen, daar een dergelijke
eenzijdige strafbaarstelling noodzakelijkerwijze en voorzienbaar leidt tot een
met art. 1 Grondwet strijdig opsporings- en vervolgingsbeleid door vergaande –
en ongegronde – discriminatie van de prostitue(e) tegenover de klant.

Derhalve is onverbindend het hier aan de orde zijnde verbod van art. 3.5
APV Heerlen: “Het is aan personen van wie redelijkerwijs kan worden
aangenomen, dat zij zich op dat moment ter prostitutie aanbieden, verboden
stil te staan of heen en weer te lopen op door burgemeester en wethouders
aangewezen en bij openbare kennisgeving bekend gemaakte wegen of gedeelten van
wegen, gedurende de uren, in die kennisgeving genoemd”.

Overwegende, dat op grond van het vorenoverwogene de voormelde bewezen
verklaarde feiten niet strafbaar zijn en de verdachte derhalve ontslagen dient
te worden van alle rechtsvervolging.

4.3 Vooropgesteld moet worden dat de vorenaangehaalde bepaling van de
APV Heerlen kennelijk ten doel heeft het weren van overlast aan de bewoners
van door Burgemeester en Wethouders aangewezen gedeelten van de gemeente,
ontstaan doordat personen zich aldaar aanbieden ter prostitutie en andere
personen daardoor worden aangetrokken.

4.4 Een met strafbedreiging versterkt verbod in een APV gericht tot een
bepaalde, door hun activiteit aangewezen, groep van personen en ertoe
strekkende dat die personen zich onthouden van bepaalde gedragingen, welk
verbod is gegeven in het belang van de openbare orde, immers ter voorkoming
van overlast voor omwonenden, en dat op zichzelf een geschikt en redelijk
middel kan zijn ter bevordering van het nagestreefde doel, komt niet in strijd
met het in art. 1 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel op de enkele
grond dat niet een overeenkomstig verbod is gericht tot een andere groep van
personen die eveneens tot de te bestrijden overlast kan bijdragen.

4.5 Door art. 3.5 van de APV op de hiervoren onder 4.2 weergegeven
gronden onverbindend te verklaren heeft de Rechtbank mitsdien blijk gegeven
van een onjuiste opvatting omtrent art. 1 van de Grondwet. Het middel is
derhalve terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden vonnis niet in stand
kan blijven, en terugwijzing moet volgen.

6. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en wijst de zaak terug naar
de Arrondissementsrechtbank te Maastricht ten einde met inachtneming van ‘s
Hogen Raads arrest op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en
afgedaan.

Rechters

Vice-president Van den Blink als voorzitter, de raadsheren Beekhuis,Mout, Keijzer en Bleichrodt en Sillevis, Smitt-Mulder als griffier.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 november 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Aan eiseres, die ziek is na afloop van haar arbeidscontract voor
bepaalde tijd, wordt gedurende de eerste drie maanden de WW-uitkering
geweigerd. Het beroep hiertegen wordt gegrondverklaard. De Raad is van
mening dat zij op het moment dat haar contract afliep niet beschikbaar was om
arbeid te aanvaarden. Zij voldoet pas aan de voorwaarden van art. 16 WW op
het moment dat zij beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, terwijl er dan nog
steeds sprake is van arbeidsurenverlies

Volledige tekst

I ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 22 september 1988 is vanwege gedaagde aan eiseres kennis
gegeven van een beslissing, de uitvoering van de Werkloosheidswet betreffende
Een fotocopie van die brief is aan deze uitspraak gehecht. De inhoud
daarvan wordt geacht hier te zijn weergegeven

De Raad van Beroep te Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 juli 1989 het
tegen deze beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard

Eiseres is bij gemachtigde Mr L. Andringa, advocaat te Amsterdam, op de
daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 25 september
1990, waar voor eiseres is verschenen Mr. Andringa voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door Mr. f. Hartevelt, werkzaam bij het
Gemeenschappelijk Administratiekantoor

II Motivering

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden

Aan eiseresses dienstverband bij het Muziektheater te Amsterdam is op 18
augustus 1987 een einde gekomen door het verstrijken van de termijn waarvoor
dat dienstverband was aangegaan

Kort daarvoor, te weten op 8 augustus 1987, is eiseres in verband met
ziekte in een ziekenhuis opgenomen en ook na het ontslag uit dat ziekenhuis is
eiseres nog enige tijd arbeidsongeschikt gebleven

Gedaagde heeft over het tijdvak van 8 augustus 1987 tot 7 december 1987
ziekengeld ingevolge de Ziektewet verstrekt

Per 7 december 1987 is eiseres hersteld verklaard, waarna zij zich op
diezelfde datum als werkzoekende bij het Gewestelijk Arbeidsbureau heeft laten
inschrijven en bij gedaagde een aanvraag heeft ingediend voor een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet

Op deze aanvraag heeft gedaagde bij de bestreden beslissing besloten
eiseres ingaande 18 augustus 1987 een uitkering toe te kennen, zij het dat
deze uitkering gedurende de periode 18 augustus tot en met 17 november 1987 in
verband met het bepaalde in art. 34, lid 1, van de Werkloosheidswet op nihil
is gesteld. Voorts is eiseres over de periode 18 november tot en met 6
december 1987 uitgesloten van het recht op uitkering gelet op het bepaalde in
art. 19, lid 1, aanhef en sub a, van de Werkloosheidswet

Namens eiseres is tegen deze beslissing beroep ingesteld. Tijdens de
gedingvoering in eerste aanleg, en ook nog in het beroepschrift, heeft
eiseresses gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat gedaagde eiseres ten
onrechte over de periode 18 augustus tot en met 17 november 1987 niet van het
recht op uitkering heeft uitgesloten op de grond dat eiseres gedurende die
periode niet werkloos was omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid op de
arbeidsmarkt

Ter terechtzitting van de Raad heeft de gemachigde van eiseres, onder
verwijzing naar recente uitspraken van de Raad, het standpunt ingenomen dat er
voor eiseres op 18 augustus 1987 in het geheel geen recht op uitkering is
ontstaan omdat zij op die datum niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden,
als bedoeld in artikel 16, lid 1, aanhef en onder b, van de Werkloosheidswet
Volgens die gemachtigde moet de eerste werkloosheidsdag worden gesteld op
7 december 1987

De Raad overweegt het volgende

Art. 19, lid 1, aanhef en sub a van de Werkloosheidswet bepaalt: Geen
recht op uitkering heeft de werknemer die ononderbroken een uitkering ontvangt
op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee
overeenkomt, met ingang van de dag waarop hij deze uitkering vanaf of na het
intreden van zijn werkloosheid 3 maanden heeft ontvangen

Met een beroep op de wetsgeschiedenis legt gedaagde deze bepaling aldus
uit dat, waar de uitsluiting na 3 maanden is gebaseerd op de vooronderstelling
dat de betrokkene niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, hieruit valt af
te leiden dat gedurende de eerste 3 maanden van ziekengeld ingevolge de
Ziektewet het genot daarvan het aannemen van beschikbaarheid niet in de weg
staat, ongeacht de feitelijke situatie waarin de betrokkene zich bevindt

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever bij de
redactie van artikel 19, lid 1, aanhef en onder a, van de Werkloosheidswet
blijkbaar van de veronderstelling is uitgegaan dat de werknemer, die ziek is
en in verband daarmee uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt, gedurende de
eerste drie maanden van arbeidsongeschiktheid beschikbaar is (en blijft) om
arbeid te aanvaarden

In de tekst van art. 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de
Werkloosheidswet -en trouwens ook in de tekst van art. 20, tweede lid onder b,
voor het geval een werknemer tijdens genot van uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet ziek wordt- is dit evenwel niet tot uitdrukking gebracht en
ook met betrekking tot artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a van die wet
kan het bestaan van zo’n vooronderstelling niet uit die tekst zelf maar
slechts via een redenering a contrario daaruit worden afgeleid

In het bestaan van een dergelijke vooronderstelling, zonder dat die
vooronderstelling op de daarvoor geeigende plaatsen in de Werkloosheidswet op
enigerlei wijze in de tekst van die wet tot uitdrukking is gebracht, acht de
Raad onvoldoende grond gelegen om van zijn inmiddels gevormde jurisprudentie
op het begrip “beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden” af te wijken

De uitgangspunten van de Raad bij de uitleg van dat begrip zijn- kort
gezegd-:

– dat de werknemer beschikbaar moet zijn om arbeid op de arbeidsmarkt te
aanvaarden;

– dat voornoemd begrip een feitelijke toestand weergeeft waarin de
werknemer verkeert;

– dat de vraag, of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te
aanvaarden aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval,
waaronder ook de houding en gedrag van de betrokken werknemer, moet worden
beantwoord

Die uitgangspunten toepassend op het geval van een werknemer die
uitkering ingevolge de Ziektewet geniet, is de Raad van oordeel dat dit
gegeven de vooronderstelling rechtvaardigt dat die werknemer tijdens de duur
van dat ziekengeld niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, tenzij aan de
overige feiten en omstandigheden van het concrete geval aanwijzingen kunnen
worden ontleend welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten

In het geval van eiseres is de Raad, nog mede gelet op de bijzonderheden
die de gemachtigde van eiseres omtrent de aard en het verloop van de ziekte
van eiseres ter terechtzitting van de Raad naar voren heeft gebracht, van
oordeel dat de juistheid van de hiervoor genoemde vooronderstelling niet is
aangetast

Eiseres was derhalve op 18 augustus 1987 niet werkloos, want: niet
beschikbaar om arbeid te aanvaarden, en voldeed daarmee niet aan een cruciale
ontstaansvoorwaarde voor het recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet

Hetgeen in art. 16, vijfde lid, omtrent de eerst dag van werkloosheid is
bepaald, kan daaraan -zoals de Raad in zijn uitspraak d.d. 24 juli 1990, nr.
WW 1989/195 reeds heeft overwogen- niet afdoen

Met betrekking tot eiseresses recht op uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet op 7 december 1987 overweegt de Raad het volgende

Uit artikel 16 van de Werkloosheidswet blijkt dat een werknemer werkloos
is in de zin van de Werkloosheidswet, indien hij aan twee voorwaarden,
opgenomen in artikel 16, lid 1 onder a en b, voldoet

Niet in geschil is dat eiseres op 7 december 1987 aan de tweede
voorwaarde, het beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden, voldoet

Ook aan de eerste voorwaarde, te weten: relevant verlies van arbeidsuren
(en loonverlies) heeft eiseres naar het oordeel van de Raad op die datum
voldaan

Eiseres had namelijk reeds op een eerder tijdstip, te weten: 18 augustus
1987, door het eindigen van haar dienstbetrekking arbeidsurenverlies (en
loonverlies) geleden

De Raad, die in zoverre terugkomt van het in zijn uitspraak van 24 juli
1990, WW 1989/195, ingenomen standpunt met betrekking tot het tijdstip van
intreden van arbeidsurenverlies -het tijdstip van intreden van het
arbeidsurenverlies was overigens geen kernpunt van het geschil dat partijen in
die zaak verdeeld hield-, overweegt dat het einde van de dienstbetrekking van
eiseres op 18 augustus 1987 tot gevolg heeft gehad dat zij, ook al was zij op
dat tijdstip arbeidsongeschikt, toen arbeidsurenverlies heeft geleden en dat
dit arbeidsurenverlies (en loonverlies) ook nog bestond op 7 december 1987

Dit alles leidt tot de slotsom dat eiseres op 7 december 1987 werkloos
in de zin van de Werkloosheidswet was. De eerste dag van werkloosheid is,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 16, vijfde lid van de Werkloosheidswet,
maandag 7 december 1987

Voorts overweegt de Raad dat eiseres aan de in artikel 17, eerste lid,
van de Werkloosheidswet gestelde eis van 26 als werknemer gewerkte weken
voldoet, terwijl in haar geval op 7 december 1987 ook niet van een
uitsluitingsgrond is gebleken. Mitsdien is voor eiseres op die datum recht
op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontstaan

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, alsmede de
bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat gedaagde met betrekking
tot eiseresses aanspraken met inachtneming van deze, ’s Raads uitspraak, een
nadere beslissing zal hebben te nemen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 80a, lid 5, van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat het door eiseres
zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door de
gedaagde dient te worden vergoed

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede de bestreden beslissing;

Verstaat dat gedaagde een nadere beslissing zal nemen met inachtneming
van deze uitspraak;

Verstaat dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 80a, lid 5,
van de Beroepswet aan eiseres het gestorte recht van f.75,- vergoedt

Rechters

mr P.A.J.M. Cras, als voorzitter, mr P.H. Hugenholtz, mr. K.J.S. Spaasals leden en A.M.T. Janmaat als griffier

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 5 november 1990

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het belastbaar inkomen van de betrokken vrouw voor 1985 wordt door de
inspecteur vastgesteld op ƒ 27.033,- in plaats van ƒ 14.253,-. De inspecteur
accepteert niet dat de vrouw het saldo van de aanslagen premieheffing
volksverzekeringen uit voorgaande jaren ten bedrage van ƒ 12.780,-, die op
naam zijn gesteld van haar man maar uitsluitend zijn gebaseerd op haar inkomen
en door haar in 1985 zijn betaald, als persoonlijke verplichting op haar
inkomen in mindering brengt. Met de verzelfstandiging van gehuwde vrouwen in
het belastingrecht was de regeling, die hierop betrekking had, volgens de
staatssecretaris overbodig geworden.

Het Hof is van oordeel dat hier geen sprake is van discriminatie. Naar
de mening van het Hof had de staatssecretaris in individuele gevallen tegemoet
kunnen komen aan onbillijkheden van overwegende aard. Dat dit echter niet
gebeurt, is desondanks voor het Hof geen reden om de uitsprak van de
inspecteur te vernietigen. Een gotspe.

Volledige tekst

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 29 mei
1989, ingediend door mr. H. Snijders-Borst te ‘s-Gravenhage als haar
gemachtigde, en gericht tegen de uitspraak gedagtekend 31 maart 1989 van de
inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de
inkomstenbelasting voor het jaar 1985.

De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 27.033,–. Na
bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van deze uitspraak en tot
vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ
14.253,–.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot
bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 24 augustus 1990 van de Eerste Enkelvoudige
Belastingkamer zijn verschenen de vorengenoemde gemachtigde vergezeld van
belanghebbende in persoon, alsmede de inspecteur.

De gemachtigde heeft een pleitnota met drie bijlagen overgelegd en
voorgedragen waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

Na verwijzing van de zaak naar de Eerste Meervoudige Belastingkamer van
dit Hof zijn ter zitting van 1 oktober 1990 verschenen de vorengenoemde
gemachtigde vergezeld van belanghebbende in persoon en haar echtgenoot. De
inspecteur die is opgeroepen bij aangetekend verzonden schrijven van 19
september 1990 is niet verschenen. De gemachtigde heeft opnieuw een pleitnota
met een bijlage overgelegd en voorgedragen. Ook de inhoud van deze pleitnota
geldt als hier ingelast.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1 Belanghebbend, geboren in 1941, is gehuwd met G. Belanghebbende
oefent sedert 1981 een fysiotherapie praktijk uit in Amsterdam. Haar
echtgenoot heeft sedert 1979 geen eigen inkomen.

2.2 Met dagtekening 29 april 1985 is aan de echtgenoot van
belanghebbende een aanslag premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1982
opgelegd ten bedrage van ƒ 11.324,–. Op 31 juli 1985 is aan hem een aanslag
premieheffing volksverzekering voor het jaar 1983 opgelegd ten bedrage van ƒ
3.215,–. Beide aanslagen zijn in 1985 betaald uit de inkomsten van
belanghebbende. Voorts is in het jaar 1985 een bedrag van ƒ 1.759,– aan
premiefheffing volksverzekeringen gerestitueerd.

Het saldo van deze drie bedragen beloopt ƒ 12.780,–, welk bedrag door
belanghebbende in mindering is gebracht van haar onzuivere inkomen voor het
jaar 1985.

Beide aanslagen en de restitutie hebben betrekking op premies
volksverzekeringen welke zijn geheven van inkomsten welke aan belanghebbende
zijn opgekomen.

2.3 De inspecteur heeft de aftrekpost van ƒ 12.780,– niet geaccepteerd
en het belastbare inkomen van belanghebbende ƒ 12.780,– hoger vastgesteld dan
door haar was aangegeven.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende, zoals zij stelt en de
inspecteur betwist, de betaalde premies volksverzekeringen over de jaren 1982
en 1983 op haar onzuivere inkomen in mindering mag brengen onder aftrek van de
gerestitueerde premies.

4. Standpunten van partijen

Het Hof verwijst daarvoor naar de gedingstukken en de pleitnotities.
Overigens hebben partijen geen nieuwe stellingen of argumenten aangevoerd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Op aanslag te betalen premies volksverzekeringen behoren – evenals
de premievervangende belasting – sedert 1 januari 1985 op grond van het
bepaalde in art. 5, derde lid, letter d van de Wet op de inkomstenbelasting
1964 tot de persoonlijke verminderingen en vermeerderingen van het onzuivere
inkomen van de gehuwde en niet duurzaam gescheiden levende belastingplichtige
te wiens name die aanslag is gesteld.

Dit uitgangspunt is tussen partijen niet in geschil. Door deze
wettelijke regeling worden fiscaal gezien op dit punt de gehuwde mannen, de
gehuwde vrouwen en de ongehuwden op dezelfde wijze behandeld.

5.2 Het onder 5.1 overwogene houdt in dat aanslagen premies
volksverzekeringen of premievervangende belasting welke zijn gesteld ten name
van een ander dan de belastingplichtige zelf slechts in aanmerking kunnen
worden genomen bij die ander en niet bij de belastingplichtige. Ook in zoverre
maakt de wettelijke regeling geen onderscheid tussen gehuwde mannen, gehuwde
vrouwen en ongehuwden.

5.3 Het betoog van belanghebbende dat sprake is van discriminatie van
een gehuwde vrouw heeft dan ook betrekking op de omstandigheid dat de
aanslagen premieheffing volksverzekeringen over de jaren 1982 en 1983 zijn
gesteld te name van haar echtgenoot, hoewel die premies verschuldigd zijn over
door haar genoten inkomsten.

De tenaamstelling van deze aanslagen is echter in overeenstemming met de
voor 1 januari 1985 geldende wetgeving. Dit wordt op zich zelf door
belanghebbende niet betwist.

De vraag of de toen geldende wetgeving in strijd is met het bepaalde in
art. 26 IVBPR had rechtens getoetst moeten worden in een procedure betreffende
die aan de echtgenoot van belanghebbende opgelegde aanslagen. In het kader van
de onderhavige aanslag, welke zoals hiervoor is overwogen is opgelegd op basis
van de sinds 1 januari 1985 geldende niet discriminatoire wetgeving, is
daarvoor geen plaats. Overigens moet die vraag naar het Hof uit het arrest van
de Hoge Raad van 27 september 1989, nr. 24 297 (B.N.B. 1990/61) afleidt
ontkennend worden beantwoord.

5.4 Belanghebbende heeft nog betoogd dat de discriminatie daarin is
gelegen dat de wetgever ten onrechte bewust geenovergangsregeling in het leven
heeft willen roepen.

De omstandigheid echter dat het gaat om een achterwege gebleven
overgangsregeling kan geen grond zijn voor de rechter om te oordelen dat
sprake is van schending van art. 26 IVBPR.

Naar ’s Hofs oordeel zijn de in casu aanwezige omstandigheden – welke
door de inspecteur niet zijn betwist – en welke met name betrekking hebben op
het feit dat het inkomen in de jaren 1982 en 1983 van de zijde van
belanghebbende is opgekomen en dat de echtgenoot van belanghebbende reeds
sedert jaren geen zelfstandig inkomen geniet en naar verwachting in de komende
jaren ook niet zal genieten, oorzaak van een wijze van belastingheffing welke
door belanghebbende terecht als onbillijk wordt ervaren. Dezelfde ongewenste
gevolgen voor de belastingheffing welke de staatssecretaris van Financien
indertijd noopten tot het met toepassing van art. 63 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen uitvaardigen van de inmiddels vervallen resolutie van
19 juni 1974, nr. B74/13084, zoals deze voor latere jaren is gewijzigd, doen
zich in de onderhavige situatie voor.

Het bewust achterwege laten van een algemene overgangsregeling door de
wetgever kan voor de staatssecretaris geen grond zijn om niet in individuele
gevallen met toepassing van genoemd art. 63 tegemoet te komen aan
onbillijkheden van overwegende aard.

5.5 Belanghebbende heeft tenslotte nog gesteld dat sprake is van
schending van art. 4 van de op 23 december 1984 in werking getreden Richtlijn
gelijke behandeling mannen en vrouwen in de sociale zekerheid (79/7/EEG).

Het betoog van belanghebbende ziet er aan voorbij dat de aftrekbaarheid
van premies volksverzekeringen voor de heffing van inkomstenbelasting niet
bedoeld is als een vermindering van de geheven premies tot op een nettobedrag,
maar moet worden gezien als een inkomensbepalende omstandigheid bij de heffing
van inkomstenbelasting.

De omstandigheid dat de op naam van de echtgenoot van belanghebbende
geheven premies over de jaren 1982 en 1983 niet in mindering kunnen worden
gebracht van haar onzuivere inkomen en – omdat dit onzuivere inkomen bij haar
echtgenoot geheel ontbreekt – ook niet met enig effect op dat van haar
echtgenoot, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat sprake is van
schending van art. 4 voornoemd.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Rechters

Mrs Holdert, Van Ballegooijen en Van Willigenburg.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 november 1990

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is de directie van een vervoerbedrijf en bestaat uit een man
en een vrouw. Verzoekster heeft bij de wederpartij een vergunning voor
goederenvervoer ingediend. Om voor een vergunning in aanmerking te komen,
moeten de bestuurders van een bedrijf aan bepaalde voorwaarden voldoen.

De wederpartij hanteert een speciale (gunstige) gedragslijn ten aanzien
van gehuwden en samenwonenden. Verzoekster had bij haar vergunningaanvraag
vermeld dat de directieleden niet getrouwd waren, maar dat er wel sprake was
van een samenlevingsvorm. De wederpartij heeft vervolgens hierover vragen
gesteld tijdens een onderzoek ter plaatse. Een tijd later heeft de wederpartij
wederom een onderzoek ter plaatse ingesteld. Verzoekster heeft gesteld dat de
wederpartij onderscheid naar geslacht maakt omdat twee mannelijke
directieleden die een vergunning aanvragen, anders behandeld zouden worden dan
zij. Deze stelling van verzoekster is niet komen vast te staan. Geen strijd
met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 19 oktober 1990 verzocht de directie van … te Linschoten
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van
Verkeer en Waterstaat (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster is de directie van een besloten vennootschap. De
directie heeft bij de wederpartij een vergunning aangevraagd om goederen te
mogen vervoeren. De wederpartij heeft naar aanleiding van deze aanvraag
tweemaal een onderzoek ingesteld, waarbij zij ook vragen gesteld heeft over de
relatie tussen de directieleden. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee onderscheid op grond van geslacht maakt in strijd met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten weer te geven en
op elkaars standpunten te reageren.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen te verschijnen op
een zitting op 20 september 1991 om aldaar hun standpunten nader toe te
lichten.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw drs (directielid)

– dhr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij

– dhr (hoofd afdeling goederenvervoer van de
Rijksverkeersinspectie district Noord-West)

– dhr (Rijksverkeersinspectie)

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is de directie van een vervoerbedrijf. Het bedrijf is
sinds 13 oktober 1989 een besloten vennootschap (tevoren vennootschap onder
firma).

Verzoekster heeft op 27 september 1989 twee aanvragen om vergunningen
voor goederenvervoer ingediend bij de wederpartij; een voor binnenlands
vervoer en een voor grensoverschrijdend vervoer. Zij heeft op 2 april 1990
tevens om wijziging van genoemde vergunningen verzocht.

In een toelichting bij de aanvraag heeft verzoekster het volgende
vermeld: “Naast het kapitaal brengt mevrouw …. de leidinggevende
werkzaamheden in en haar vriend, de heer …., de chauffeurswerkzaamheden. Er
is geen sprake van een huwelijk, doch van een samenlevingsvorm”.

3.2. In de Wet Autovervoer Goederen (WAG, Stb. 1951, 342) zijn de
algemene regelen te vinden inzake het vervoer van goederen met vrachtauto’s.
De wederpartij is belast met de uitvoering van de WAG (artikel 1 WAG). Nadere
voorschriften zijn uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen
(UAG) (Besluit van 2 mei 1988, Stb. 209, houdende regels ter uitvoering van de
Wet Autovervoer Goederen (Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen 1988.).

Er is een Commissie Vergunningen Wegvervoer (CVW) die beschikkingen
neemt over aanvragen om vergunningen voor het binnenlands vervoer (artikel 10
WAG). De Commissie Grensoverschrijdend Beroepsgoederenvervoer beslist over
aanvragen voor het grensoverschrijdend vervoer (Regeling van de Minister van
Verkeer en Waterstaat van 17 mei 1988/No. V821 816 Directoraat-Generaal van
het verkeer, Hoofdafdeling Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Zaken, Stcrt.
102 (Regeling overdracht bevoegdheden grensoverschrijdend
beroepsgoederenvervoer).

De CVW moet haar beschikkingen nemen in overeenstemming met het beleid
dat door de Raad voor het vergunningenbeleid is vastgesteld (artikel 8b WAG)
(Bekendmaking Raad vor het vergunningen beleid in het wegvervoer, Stcrt. 12
februari 1990). De Raad voor het vergunningenbeleid in het wegvervoer is
belast met de nadere uitwerking van het te voeren beleid met betrekking tot
het verlenen van vergunningen (artikel 8 WAG).

In de gevallen dat de aanvraag om een vergunning tevens betrekking heeft
op grensoverschrijdend vervoer, vindt er coordinatie met de desbetreffende
commissie plaats. (Zie hoofdstuk IV van het vergunningenbeleid van de Raad.)

3.3. Het vergunningenbeleid van de Raad is als volgt.

De CVW dient vast te stellen of de bestuurders van een onderneming die
een aanvraag om een vergunning indienen, onder andere voldoen aan de eis
genoemd in artikel 56 van de WAG, te weten de vakbekwaamheid.

Aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan indien een natuurlijk
persoon in het bezit is van een door de wederpartij erkend vakdiploma, dan wel
van een door deze afgegeven ontheffing, en de vervoerwerkzaamheden binnen het
bedrijf permanent en daadwerkelijk leidt (zie ook artikel 118 UAG). Deze
laatste eis wordt voorgeschreven in artikel 3 van EG-richtlijn 74/561/EEG
(richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 november 1974
inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en
internationaal goederenvervoer over de weg, Publicatieblad EG no. L 372/324).

Om te beoordelen of een bestuurder de vervoerwerkzaamheden permanent en
daadwerkelijk leidt, voert de Raad het volgende beleid:

De vakbekwame persoon moet een natuurlijk persoon zijn, die in beginsel

– voor een redelijk bedrag op de loonlijst staat;

– een onbeperkte volmacht voor de vervoerwerkzaamheden heeft, of een
zodanige volmacht gelijk aan die van de meest gerechtigde bestuurder.

Of sprake is van een redelijke beloning zal van geval tot geval bekeken
worden aan de hand van de verrichte taken en de daarbij horende
verantwoordelijkheden, alsmede aan de aard en grootte van de onderneming.

Indien wordt voldaan aan bovengenoemde criteria, wordt in het algemeen
aangenomen dat betrokkene ‘de vervoerwerkzaamheden permanent en daadwerkelijk
leidt’. Indien er, ondanks het feit dat betrokkene voldoet aan de eisen, bij
de CVW twijfel bestaat over het feit of betrokkene de vervoerwerkzaamheden
permanent en daadwerkelijk leidt, zal de CVW de Inspecteur- Generaal van het
Verkeer verzoeken een onderzoek hiernaar in te stellen. Indien de twijfel
gegrond is, zal de Inspecteur- Generaal dit met redenen omkleed vermelden in
zijn advies aan de CVW.

De Raad schrijft een speciale gedragslijn voor ten aanzien van
ondernemingen die geleid worden door een echtpaar of samenwonenden. Die
gedragslijn houdt -voor zover hier van belang- het volgende in:

Indien een echtpaar een vennootschap onder firma of een besloten
vennootschap leidt en beide echtelieden staan ingeschreven als bestuurder in
het handelsregister, wordt er vanuit gegaan dat de man de vrachtauto bestuurt
en de vrouw (naast de huishoudelijke taken) de clienten van het bedrijf te
woord staat, de administratie voert en/of andere werkzaamheden voor het
bedrijf verricht. In dat geval wordt de vrouw -indien in het bezit van het
vereiste vakdiploma- aangemerkt als degene die permanent en daadwerkelijk de
vervoersactiviteit leidt, zonder verder onderzoek.

Bovenstaande geldt ook voor samenwonenden die langer dan een jaar op
hetzelfde adres verblijven.

3.4. In de onderhavige onderneming brengt het vrouwelijk directielid de
vakbekwaamheid in. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet zij
derhalve een door de wederpartij erkend vakdiploma bezitten, en daarnaast
daadwerkelijk en permanent de vervoerwerkzaamheden binnen de onderneming
leiden. Zij heeft een erkend vakdiploma aan de wederpartij overgelegd.

Om te beoordelen of het vrouwelijk directielid aan de laatstgenoemde eis
voldeed, heeft de wederpartij verzoekster een formulier toegestuurd, waarop
zij nadere vragen omtrent de vakbekwaamheid diende in te vullen.

Hetgeen zij had ingevuld op dit formulier omtrent de vakbekwaamheid van
het vrouwelijk directielid, gaf de wederpartij aanleiding om een onderzoek ter
plaatse in te stellen. Deze aanleiding was ontstaan door de volgende punten:

Uit de bij de aanvraag gevoegde stukken bleek dat de onderneming in
kwestie grensoverschrijdend vervoer wilde verrichten in opdracht van een
andere B.V.;

Uit de ingevulde vragenlijst bleek dat de planning van de
vervoerwerkzaamheden en de tariefvaststelling ook door deze andere B.V.
verricht werden;

Onduidelijk was wat de hoogte van de beloning van het vrouwelijk
directielid was in relatie tot de hoeveelheid tijd die zij aan de onderneming
besteedde.

Zij voldeed wel aan andere eisen die de wederpartij stelt aan
bestuurders van een onderneming.

3.5. Op 23 november 1989 werd het onderzoek verricht. Het onderzoek vond
niet plaats ten kantore van verzoekster, omdat deze hiertegen geprotesteerd
had, maar ten kantore van de wederpartij.

De wederpartij heeft, naar aanleiding van de toelichting bij de
aanvraag, aan het vrouwelijk directielid gevraagd of beide directeuren op een
adres woonden. Zij wilde op deze vraag niet ingaan, omdat zij vond dat hiermee
gediscrimineerd werd op grond van geslacht en burgerlijke staat.

De wederpartij heeft haar toen meegedeeld dat de beoordeling van haar
vakbekwaamheid zou worden bezien los van haar relatie.

Uit het onderzoek van de wederpartij bleek dat de onderneming van
verzoekster tot op die datum nog niet operationeel was en dat beide
directieleden nog elders werkzaam waren.

3.6. De wederpartij heeft op 1 december 1989 beide commissies
geadviseerd de gevraagde vergunningen te verlenen. Zij heeft verder
geadviseerd na circa 1 jaar een onderzoek in te stellen naar de vakbewaamheid
van het vrouwelijk directielid aangezien de betrokken onderneming op dat
moment nog niet operationeel was en de directieleden nog elders werkten.

Op 7 februari 1990 zijn beide aangevraagde vergunningen verleend voor de
duur van twee jaren.

De Commissie Grensoverschrijdend Beroepsgoederenvervoer heeft in een
begeleidende brief d.d. 8 februari 1990 bij haar beschikking van 7 februari
1990 reeds aan verzoekster meegedeeld dat zij na enige tijd een controlerend
onderzoek in het desbetreffende bedrijf zou doen plaatsvinden om vast te
stellen of daadwerkelijk aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan.

Op 31 augustus 1990 verzocht deze commissie de wederpartij een onderzoek
naar de vakbekwaamheid binnen de betrokken onderneming in te stellen, conform
het advies van de wederpartij.

Dit onderzoek heeft op 1 november 1990 plaatsgevonden, wederom ten
kantore van de wederpartij. Van dit onderzoek is een verslag opgemaakt.

De conclusie daarin luidt dat het vrouwelijk directielid niet aangemerkt
kan worden als vakbekwaam bestuurder omdat

zij niet de daarvoor nodige werkzaamheden verricht;

zij niet voor een (redelijk) bedrag op de loonlijst van de betrokken
onderneming vermeld staat;

zij geen arbeidsovereenkomst heeft.

De wederpartij verwijst in haar verslag naar een uitspraak van het
College van Beroep voor het Bedrijfsleven van

30 augustus 1989, no. 88/2621/92/116 in een zaak waarin een B.V. in
beroep is gegaan tegen het niet-verlenen van een vergunning door de CVW. Het
beroep werd door het College verworpen op grond van feiten die volgens de
wederpartij overeenkomst vertonen met de onderhavige casus.

Bij de conclusie van de wederpartij speelt tevens een rol dat het
vrouwelijk directielid aan de wederpartij had meegedeeld er niet zeker van te
zijn of ze wel in het bedrijf zou blijven werken. Het was namelijk mogelijk
dat de mededirecteur ook het vakdiploma -waarvoor hij inmiddels studeerde- zou
behalen.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt het volgende.

Het feit dat zij bij de aanvraag had gemeld dat er sprake was van een
samenlevingsvorm tussen de directieleden, was geschied op advies van een
werkgeversorganisatie in het beroepsgoederenvervoer. Deze organisatie had de
directieleden ervoor gewaarschuwd dat er waarschijnlijk problemen bij hun
vergunningaanvragen zouden ontstaan omdat de directie gevormd werd door een
man en een vrouw die niet met elkaar gehuwd waren of met elkaar samenwoonden.
Verzoekster was er op grond van haar principes tegen, om te vermelden dat er
sprake was van een samenlevingsvorm. Zij was van mening dat dit niet ter zake
diende te zijn. Bovendien wonen de directieleden in werkelijkheid niet op een
adres. Verzoekster heeft echter toch vermeld dat er sprake is van een
samenlevingsvorm tussen de directieleden, omdat de onderneming reeds een
vrachtauto besteld had en derhalve snel een vergunning nodig had.

De waarschuwing van de werkgeversorganisatie in het
beroepsgoederenvervoer was volgens verzoekster terecht, aangezien de
wederpartij tijdens het eerste onderzoek haar heeft meegedeeld dat zij nog
nooit had meegemaakt dat een mannelijk en een vrouwelijk directielid een
vergunning aanvroegen, terwijl ze niet getrouwd waren of samenwoonden. De
wederpartij heeft haar verder meegedeeld dat zij niet wist hoe met deze
situatie om te gaan.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij, op het moment dat zij aan
haar had meegedeeld dat de prive-relatie tussen beide directieleden niet ter
zake deed, terstond het onderwerp had moeten laten rusten. Dit heeft de
wederpartij volgens verzoekster echter niet gedaan.

Verzoekster stelt dat de wederpartij vanwege het feit dat er een
vrouwelijk directielid was, de onderzoeken naar haar vakbekwaamheid heeft
ingesteld. Zij stelt voorts dat, ingeval er twee mannelijke directieleden een
vergunningaanvraag ingediend zouden hebben, de wederpartij geen (nader)
onderzoek uitgevoerd zou hebben.

Verzoekster is op grond van bovenstaande van mening dat de wederpartij
jegens haar onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de WGB.

3.8. De wederpartij stelt het volgende.

De reden dat zij vragen stelde omtrent de relatie tussen de
directieleden, is gelegen in het feit dat verzoekster daarvan zelf melding had
gedaan bij de aanvraag om een vergunning. Het belang van een mogelijke
relatievorm vloeit voort uit de – gunstiger- gedragslijn ten aanzien van
gehuwden/samenwonenden ingevolge het vergunningenbeleid van de Raad. Ook
indien twee mannen samenwonen, is de gedragslijn van toepassing. De relatie
tussen beide directieleden is een aantal malen ter sprake gekomen omdat
verzoekster zelf voortdurend daarop terugkwam.

De wederpartij stelt voorts dat de gevolgde procedure in onderhavige
kwestie de normale procedure is. In gevallen als de onderhavige wordt altijd
een nader onderzoek ingesteld, ook als er sprake is van twee mannelijke
directieleden. Er wordt derhalve ten aanzien van de geldende
vakbekwaamheidseis geen onderscheid tussen mannen en vrouwen gemaakt. De
wederpartij betwist bovendien dat het zelden voorkomt dat een mannelijk en een
vrouwelijk directielid die geen relatie met elkaar onderhouden, een vergunning
aanvragen.

Verder wijst de wederpartij er op dat in het onderhavige geval de
vergunning is toegewezen op grond van de (te verwachten) bestuurlijke inbreng
van het vrouwelijk directielid.

De wederpartij is op grond van bovenstaande van mening dat zij niet in
strijd heeft gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid maakt/heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de WGB.

In artikel 2 WGB is bepaald dat het niet is toegelaten onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de
toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het
vrije beroep.

Nu in artikel 2 WGB niet is bepaald tot wie het verbod om onderscheid
naar geslacht te maken zich richt, wordt aangenomen dat het verbod zich richt
tot een ieder die de toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het beroep ‘vervoerder van beroepsgoederen’ kan belemmeren
en derhalve ook tot de wederpartij.

4.2. Bij de beantwoording van de in geding zijnde vraag merkt de
Commissie allereerst op dat het uiteraard niet haar taak is om te beoordelen
of het vrouwelijk directielid aan de eis van vakbekwaamheid voldoet. De
Commissie is slechts bevoegd om te beoordelen of de wederpartij gedurende de
procedure van de vergunningaanvraag onderscheid tussen mannen en vrouwen heeft
gemaakt in strijd met de WGB.

In dat verband overweegt de Commissie dan als volgt.

Verzoekster stelt in feite dat, indien er twee mannen de aanvraag om een
vergunning hadden ingediend, de wederpartij anders gehandeld zou hebben dan
zij nu gedaan heeft.

In de eerste plaats zou de wederpartij dan geen vragen gesteld hebben
omtrent de relatie tussen de directieleden. Verzoekster heeft met betrekking
tot dit punt aangevoerd dat zij de wederpartij te kennen had gegeven geen
prijs te stellen op dergelijke vragen. Verzoekster is van mening dat deze
kennisgeving afdoende had moeten zijn. Volgens verzoekster is de wederpartij
echter doorgegaan met vragen stellen omtrent de relatie.

In de tweede plaats zou er, ingeval er twee mannelijke directieleden
waren, geen (nader) onderzoek hebben plaatsgevonden naar de vakbekwaamheid.

Met betrekking tot de eerste stelling van verzoekster:

Aangezien verzoekster zelf had aangegeven dat er sprake was van een
samenlevingsvorm tussen de directieleden, is de Commissie van oordeel dat
-gegeven de bestaande gunstiger behandeling van verzoeken van
gehuwden/samenwonenden- een logisch gevolg hiervan was, dat de wederpartij ook
vragen heeft gesteld over de samenlevingsvorm. De wederpartij zou gelet op
haar beleid in deze zelfs in gebreke zijn gebleven indien dat niet was
gedaan.

De wederpartij heeft voorts betwist dat zij vragen bleef stellen over de
relatie nadat verzoekster te kennen had gegeven daarop geen prijs te stellen.
Zij stelt dat verzoekster zelf dit onderwerp meerdere malen ter sprake heeft
gebracht.

De Commissie kan, gelet op de verschillende lezingen van partijen, niet
achterhalen hoe de gesprekken tussen partijen in feite verlopen zijn. Zij
sluit echter niet uit dat de wederpartij onvoldoende tekst en uitleg gegeven
heeft, zodat er aan de zijde van verzoekster onduidelijkheid bleef bestaan
over de precieze redenen van het onderzoek ter plaatse. De Commissie kan
echter niet concluderen dat de wederpartij aldus onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 2 WGB.

Met betrekking tot de tweede stelling van verzoekster:

De Commissie vat, in tegenstelling tot verzoekster, het
vergunningenbeleid van de Raad aldus op, dat altijd aan de hand van
vragenlijsten een schriftelijk onderzoek wordt ingesteld naar de
vakbekwaamheid en in geval van twijfel bovendien een onderzoek ter plaatse. De
Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat de wederpartij ingeval er twee
mannelijke directieleden -in verder overeenkomstige omstandigheden- een
vergunning aanvragen, geen onderzoek instelt naar de vakbekwaamheid.
Verzoekster heeft verder geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot de
conclusie zouden kunnen leiden dat de wederpartij is afgeweken van de normale
procedure. De gedragslijn van de Raad voor het vergunningenbeleid ten aanzien
van gehuwden en samenwonenden is niet (expliciet) beperkt tot relatievormen
tussen personen van verschillend geslacht. Het is derhalve aannemelijk dat
indien twee samenwonende mannen de vragenlijst hadden ingevuld op de wijze van
verzoekster, de wederpartij aan hen dezelfde nadere vragen gesteld zou hebben
als aan verzoekster.

Derhalve kan de Commissie ten aanzien van dit punt evenmin vaststellen
dat de wederpartij jegens haar onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
in strijd met artikel 2 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat de Minister van Verkeer en Waterstaat jegens … te Linschoten
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 2 van de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter; drs. C.M. Sjerps, secretaris… te Linschoten; wederpartij: Minister van Verkeer enWaterstaat

Instantie: Rechtbank Almelo, 26 oktober 1990

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Partijen zijn 28 jaar gehuwd geweest en hebben twee zonen. De man stelt
dat de vrouw slechts behoefte heeft totdat zij cursus pedicure heeft
afgerond. De rechtbank wijst limitering af op grond van de volgende
omstandigheden: de duur van het huwelijk, het feit dat de vrouw de zorg
heeft gehad voor de kinderen, haar leeftijd, de situatie op de
arbeidsmarkt, alsmede het feit dat zij, als gevolg van buitenlandse
plaatsingen vaak niet mocht werken. Op grond van deze omstandigheden
ligt het niet in de verwachting dat de vrouw binnen afzienbare tijd
werk heeft waarmee zij geheel in haar eigen levensonderhoud kan
voorzien. De vrouw vraagt alimentatie ter hoogte van de helft van het
netto salaris van de man. De rechtbank wijst deze verdeelsleutel af
omdat zo in onvoldoende mate rekening wordt gehouden met de aan de
zijde van de man voorkomende lasten. Alimentatie wordt ƒ 2190,=.

Volledige tekst

Overweegt ten aanzien van het procesverloop:

Bij op 4 juli 1994 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen is
verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en
nevenvoorzieningen te treffen.

Op 28 juli 1994 is een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank
ingekomen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 26 september 1994, alwaar
zijn gehoord de vrouw, bijgestaan door mr. Van de Loo, en de man,
bijgestaan door mr. Kesler.

de standpunten van partijen:

De man voert verweer tegen de door de vrouw ten behoeve van zichzelf
verzochte alimentatie.

de beoordeling van het verzoek:

De in artikel 815 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)
gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoek gevoegd.

Partijen bezitten de Nederlandse nationaliteit.

Gebleken is dat de situatie als bedoeld in artikel 814 Rv zich hier
voordoet, zodat de Nederlandse rechter met betrekking tot de verzochte
echtscheiding rechtsmacht toekomt.

Nu de man niet betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam is
ontwricht, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast en is de
verzochte echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De nevenvoorziening tot verdeling van de gemeenschap is voor toewijzing
vatbaar, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

Naast een bijdrage van DM 500,= voor verzoekt de vrouw ten behoeve
van zichzelf een bijdrage van DM 2.600,= per maand en DM 4.000,= per
maand indien de man niet afdrachtplichtig is jegens de Duitse fiscus
tengevolge van verblijf in het buitenland dan wel anderszins. Tijdens
de behandeling wijzigt de vrouw haar verzoek in die zin, dat zij,
zolang de woning te niet is verkocht, primair een bedrag van ƒ
2.600,= en subsidiair ƒ 2.416,= per maand verzoekt, en nadat deze
woning is verkocht ƒ 2.906,= per maand.

De man kan zich niet verenigen met de door de vrouw ten behoeve van
zichzelf verzochte bijdrage. Hij stelt dat hij DM 651,87 per maand kan
betalen gedurende de periode dat zij woonachtig is in de woning en
een bedrag van DM 1.585,90 vanaf het moment dat zij die woning heeft
verlaten. Bovendien is hij van oordeel dat de vrouw binnen afzienbare
tijd een cursus pedicure zal hebben afgerond, waarna zij in staat moet
worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Deze laatste
visie deelt de rechtbank niet. Mede gelet op de duur van het huwelijk,
het feit dat de vrouw de zorg heeft gehad voor de kinderen, haar
leeftijd, de situatie op de arbeidsmarkt, alsmede gelet op het feit dat
zij, als gevolg van de buitenlandse plaatsingen, vaak niet mocht wer-
ken, ligt niet in de verwachting dat zij binnen afzienbare tijd zodanig
werk heeft waarmee zij geheel in haar eigen levensonderhoud kan
voorzien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat limitering in casu
niet op zijn plaats is.

In beginsel geldt het draagkrachtprincipe voor door de man te betalen
alimentatie, hoewel er situaties voorstelbaar zijn, zoals b.v. het
toeschatten van de helft van de pensioenvoorzieningen, waarin van dat
principe wordt afgeweken. De rechtbank acht echter geen termen aanwezig
tegemoet te komen aan het verzoek van de vrouw om uit te gaan van de
helft van het nettosalaris, te meer daar bij toepassing van een
zodanige verdeelsleutel in onvoldoende mate rekening wordt gehouden met
de aan de zijde van de man voorkomende lasten.

Bij de berekening van de draagkracht dient te worden uitgegaan van het
huidige salaris van de man alsmede de Duitse belastingdruk, aangezien
immers niet bekend is wanneer en hoelang de man in verband met zijn
werk zal worden uitgezonden naar het buitenland. Nu deze factor te
onzeker is, dient het verzoek van de vrouw op dit punt te worden
afgewezen.

De man ontvangt -gedurende 14 periodes per jaar- een netto-inkomen van
DM 5.476,= per periode zijnde DM 6.389,= per maand oftewel ƒ 7.028,=
uitgaande van een verkoopkoers van ƒ 1,10. Op dit bedrag is reeds de
premie terzake de ziektekostenverzekering door de werkgever ingehouden,
waarmee rekening moet worden gehouden. Daarnaast ontvangt hij inkomsten
uit rente over zijn vermogen, welke inkomsten, zo de man stelt, door de
Duitse fiscus worden belast. Alsdan resteert een bedrag van DM 133,=
aan rente-inkomsten. Deze belastingplicht betwist de vrouw niet. Of de
man de rente-inkomsten ook daadwerkelijk verantwoordt, is niet van
betekenis, aangezien voor de rechtbank alleen geldt hetgeen de man
krachtens wettelijke maatstaven aan de fiscus dient te voldoen.

De man voert op aan maandelijkse hypotheeklasten DM 1.518,75, te
vermeerderen met het forfait van ƒ 150,= eigenaarslasten terzake zijn
woning in Duitsland alsmede ƒ 150,= voor zijn woning in . De
vrouw is van oordeel dat de woonlasten buitensporig zijn, terwijl
bovendien de vriendin van de man in staat moet worden geacht de helft
van deze lasten te voldoen. Met de man is de rechtbank van oordeel, dat
de hoogte van de afgesloten hypotheek, gelet op zijn functie, niet te
buitensporig worden geacht, waarbij tevens in aanmerking dient te
worden genomen dat de woonlasten in Duitsland in het algemeen hoger
liggen dan in Nederland. De stelling van de man dat zijn vriendin op
dit moment geen inkomsten uit arbeid heeft, aangezien zij zijn
verhuisd, waardoor zij haar baan niet kon behouden, is door de vrouw
niet weersproken. Niets is gesteld omtrent de eventuele arbeidsmo-
gelijkheden van dit vriendin, zodat het in het algemeen bezien in de
verwachting ligt dat de vriendin spoedig een andere baan zal hebben,
mede in aanmerking nemend het feit dat de man bij zijn
draagkrachtberekening ook, uitgaat van die situatie. De rechtbank gaat
er dan ook van uit dat de vriendin in ieder geval tot het bedrag van de
woonnorm kan bijdragen in de woonlasten.

Bij de bepaling van de draagkracht bij de man is geen rekening gehouden
met een door de vrouw te betalen vergoeding terzake de door haar
bewoonde en aan de man in eigendom toebehorende woning. De rechtbank
gaat er ook van uit dat de man terzake geen vergoeding van de vrouw zal
vragen, mede gelet op het tijdelijke karakter daarvan in verband met de
voorgenomen verkoop van de woning.

Bij de verkoop die de man kennelijk voorstaat, kan naar het oordeel van
de rechtbank, de opbrengst worden aangewend om de hoge woonlasten die
de man op dit moment heeft, te verminderen. Naar het zich laat aanzien,
zal bij een verwachte verkoop van ongeveer ƒ 200.000,= de
woonkostennorm inclusief het forfait terzake eigenaarslasten slechts in
geringe mate overschrijden.

De man heeft ƒ 100,= per maand opgevoerd terzake kosten omgangsregeling
met welke kosten de vrouw betwist. Zij stelt dat de treinkosten van
voor haar rekening komen, zodat de man terzake geen kosten heeft. Onder
voornoemde kosten vallen, naast eventuele reiskosten, echter ook
verblijfkosten. Nu tegenover de kinderrechter te kennen heeft gegeven
dat hij de laatste tijd niet zoveel contact heeft met zijn vader, vindt
de rechtbank het redelijk om met ƒ 50,= per maand rekening te houden.

Gelet op bovenstaande, alsmede gelet op de voor een een-oudergezin
geldende normbedragen, resteert alsdan een zodanige ruimte dat de man
in staat moet worden geacht maandelijks ƒ 1.650,= bij te dragen in het
levensonderhoud van de vrouw, en zodra de woning te H. is verkocht ƒ
2.199,= per maand. Hierbij is, gelet op de geringe fiscale
aftrekbaarheid, uitgegaan van de 50% norm.

Hoewel de minderjarige woonachtig is in Duitsland, acht de rechtbank
zich -in het belang van die minderjarige- bevoegd op grond van artikel
4 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag een voorziening in het gezag
over die minderjarige te treffen.

De minderjarigen -12 jaar of ouder- zijn in de gelegenheid gesteld hun
mening kenbaar te maken en hebben hiervan gebruik gemaakt.

De rechtbank acht na te melden -mede door de ouders voorgestane-
voorziening in het gezag het meest in het belang van de onderhavige
minderjarigen en na te melden bijdrage in overeenstemming met de
wettelijke maatstaven.

In de omstandigheid dat partijen echtelieden zijn wordt aanleiding
gevonden de proceskosten als na te melden te compenseren.

de beslissing:

1. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op gehuwd.

2. Beveelt partijen om, zodra deze beschikking zal zijn ingeschreven in
de registers van de burgelijke stand, met elkaar over te gaan tot
verdeling van de gemeenschap, waarin zij zijn gehuwd, voor zover
daarvan sprake is.

Benoemt notaris mr. H.J.M. Derkman te Haaksbergen tot notaris, voor
wie, zo partijen niet binnen veertien dagen na die inschrijving een
ander kiezen, de werkzaamheden van die verdeling zullen plaats hebben
op door die notaris te bepalen tijd en plaats.

Verstaat, dat de kosten die de benoemde of gekozen notaris in het kader
van voormelde werkzaamheden maakt, ten laste van de te verdelen
gemeenschap komen.

Benoemt mr. D. Morssink-Eshuis en mr. F.R. Speijdel, beiden advocaat en
procureur te Enschede, tot onzijdige personen om de man respectievelijk
de vrouw te vertegenwoordigen, zo deze of dezen in gebreke mocht of
mochten blijven op de door de benoemde of gekozen notaris voor de
verdeling bepaalde tijd en plaats te verschijnen, of verschenen zijnde,
mocht of mochten weigeren aan de verdeling mede te werken.

3. Veroordeelt de man om, vanaf de dag dat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw tot
haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ƒ 1.650,=
(eenduizendzeshonderdvijftig gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

4. Veroordeelt de man om, mits deze beschikking is ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand, met ingang van de dag dat de woning
aan de zal zijn verkocht, aan de vrouw tot haar levensonderhoud te
betalen een bedrag van ƒ 2.190,= (tweeduizendhonderdnegentig gulden)
per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

5. Benoemt tot voogdes over: geboren te de vrouw en tot toeziend
voogd de man en beveelt de afgifte aan de aldus met het gezag beklede
ouder, voor zover een eerdere rechterlijke beslissing zich daar niet
tegen verzet.

6. Benoemt tot voogd over: geboren te op de man en tot
toeziend voogdes de vrouw en beveelt de afgifte aan de aldus met het
gezag beklede ouder, voorzover een eerdere rechterlijke beslissing zich
daar niet tegen verzet.

7. Bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde
minderjarige op ƒ 550,= (vijfhonderdvijftig gulden) per maand,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

8. Verklaart deze beschikking ten aanzien van de onderdelen 2 tot en
met 7 uitvoerbaar bij voorraad.

9. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

10. Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr. Derks

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 23 oktober 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Raad van Beroep Arnhem heeft bij uitspraak van 28 september 1988 het
beroep tegen de beslissing van de BVG van 22 februari 1988 om aan gedaagde
primair geen WW-uitkering toe te kennen, op grond van art. 16 WW en subsidiair
een sanctie toe te passen van 20 procent gedurende 13 weken, gegrond
verklaard. De Centrale Raad bevestigt de bestreden beslissing. Aangezien niet
ondubbelzinnig is komen vast te staan dat gedaagde duidelijk en eenduidig
heeft doen blijken zich niet voor de arbeidsmarkt beschikbaar te stellen, kan
naar het oordeel van de Raad de primaire grond van de bestreden beslissing
geen stand houden. De sanctie is gebaseerd op art. 24 eerste lid onder a WW,
aangezien gedaagde verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. Onder ontslag
verstaat de Raad in dit geval ook gedeeltelijk ontslag. De Raad is van oordeel
dat het advies van de verzekeringsgeneeskundige van de Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD) aan gedaagde om of part-time te gaan werken of zich
volledig aan het huishouden te wijden, aangezien de combinatie van huishouden
en volledige dagtaak te zwaar zou zijn voor haar, niet alleen onvolledig maar
ook onjuist is, nu het gedaagde geen keus liet om weer volledig te gaan werken
en gaan rekening hield met het feit dat zij in het geheel niet in haar
huishouding behoefde te werken. De Raad acht het acceptabel dat gedaagde, die
in psychisch opzicht niet al te weerbaar is, de voor haar minst ongunstige
mogelijkheid heeft gekozen, zodat niet kan worden gezegd dat gedaagde
verwijtbaar werkloos is geworden.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 22 februari 1988 is vanwege eiser aan gedaagde kennis
gegeven van een beslissing, de uitvoering van de Werkloosheidwet betreffende.

Een fotocopie van die brief is aan deze uitspraak gehecht. De inhoud
daarvan wordt geacht hier te zijn weergegeven.

De Raad van Beroep te Arnhem heeft bij uitspraak van 28 september 1988
het beroep tegen deze beslissing gegrond verklaard en deze beslissing
vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat gedaagde geen uitkering toekomst
op grond van art. 16 van de Werkloosheidswet en voor zover daarbij is bepaald
dat een sanctie wordt getroffen van 20% gedurende 13 weken.

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft in het
beroepschrift de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 18 september
1990, waar voor eiser is verschenen mr. M.G.M. B., werkzaam bij eisers
bedrijfsvereniging, terwijl voor gedaagde zijn verschenen haar echtgenoot
J.B.M. P. en mr. R.R., advocaat en procureur te D.

II. Motivering

Aan de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde als ‘klaagster’ wordt
aangeduid, worden de volgende feiten en omstandigheden ontleend:

‘Klaagster, die sedert 1 februari 1976 werkzaam was gedurende 40 uur per
week als voedingsassistente in de centrale keuken bij de Stichting D.
Ziekenhuizen, staakte haar werkzaamheden op 6 februari 1984 wegens ziekte. Met
ingang van 6 februari 1985 ontving klaagster een uitkering ingevolge de
bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80-100 procent. Ingaande 12 augustus 1985 heeft
klaagster haar werkzaamheden voor halve dagen hervat en is haar
arbeidsongeschiktheidsuitkering onder toepassing van respectievelijk art. 33
van de AAW en art. 44 van de WAO gedeeltelijk uitbetaald. Met ingang van 13
oktober 1986 is de arbeidsongeschiktheid van klaagster vastgesteld op 45-55
procent en met ingang van 1 oktober 1987 op minder dan 15 procent omdat zij
volledig arbeidsgeschikt werd geacht voor haar eigen werk.

De verzekeringsgeneeskundige heeft klaagster echter geadviseerd om of
part-time te gaan werken of zich volledig aan de huishouding te wijden omdat
zijn inziens een taak als moeder en huisvrouw in combinatie met een volledige
baan te zwaar was.

Klaagster is akkoord gegaan met een dienstverband van 20 uur per week
ingaande 1 oktober 1987 bij voormelde werkgever. Aan laatstgenoemde was in
februari 1987 een verzoek tot een ontslagvergunning voor 50 procent van het
dienstverband door de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau geweigerd
waarbij onder meer is overwogen dat aan de hand van ingewonnen advies bij de
GMD onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat werkneemster binnen een periode van
omstreeks drie maanden niet geschikt zou worden verklaard voor haar bedongen
arbeid.

Klaagster stelt zich met ingang van 1 oktober 1987 beschikbaar voor
arbeid gedurende 40 uur per week. Op 12 oktober 1987 heeft zij zich als
werkzoekende bij het Gewestelijk Arbeidsbureau (GAB) laten inschrijven.’

Bij de bestreden beslissing is gedaagdes verzoek om uitkering ingevolge
de Werkloosheidswet primair afgewezen op de grond dat gedaagde naar het
oordeel van eiser niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en derhalve niet
werkloos is.

Voor het geval dat gedaagde wel recht op uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet zou hebben, heeft eiser bij de bestreden beslissing
subsidiair een sanctie, bestaande uit een verlaging van het
uitkeringspercentage met 20 procent gedurende 13 weken vanaf 1 oktober 1987,
op de uitkering toegepast. Met betrekking tot de primaire grond overweegt de
Raad in de eerste plaats dat hij eerder, onder meer in zijn uitspraak van 24
juli 1990, WW 1989/34, RSV 1990/349, heeft overwogen dat van het intreden van
werkloosheid en het ontstaan van een recht op uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet geen sprake kan zijn indien en zolang niet is voldaan aan
beide onderdelen van de omschrijving van het begrip ‘werkloos’ in het eerste
lid van art. 16 van die wet.

Tussen partijen is met betrekking tot de primaire grond uitsluitend in
geschil – en tot dat geschilpunt zal de Raad zich beperken – of gedaagde op 1
oktober 1987 voldeed aan de voorwaarden genoemd onder b van laatstgenoemd
artikellid, te weten: dat zij beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

In zijn tot dusverre dienaangaande gevormde rechtspraak – verwezen wordt
naar de uitspraak gepubliceerd in RSV 1990/224 – heeft de Raad overwogen dat
de vraag of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden,
zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van
het concrete geval, waaronder de houding en het gedrag van die werknemer.

Voorts heeft de Raad overwogen dat, indien er overigens geen feiten en
omstandigheden vallen aan te wijzen, waaruit zonder meer de conclusie kan
worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden
en het uitvoeringsorgaan van de Werkloosheidswet desondanks op grond van
houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet beschikbaar zijn om
arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, in zo’n geval ondubbelzinnig zal
moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk
en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken dat hij of
zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil
stellen.

Houding en gedrag van gedaagde buiten beschouwing latend, kunnen naar ‘s
Raads oordeel in dit geval geen feiten of omstandigheden worden aangewezen
waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat gedaagde niet
beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

Immers rechtens onaantastbaar is komen vast te staan dat gedaagde op 1
oktober 1987 niet langer op medische gronden buiten staat was om in een
volledige werkweek haar werk als voedingsassistente te verrichten.

Er is bovendien van de zijde van gedaagde onweersproken gesteld dat haar
echtgenoot in die tijd werkloos was en het huishouden deed.

Ook uit dat gegeven kan derhalve niet de conclusie getrokken worden dat
gedaagde niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Voorts is naar het
oordeel van de Raad niet ondubbelzinnig komen vast te staan dat gedaagde
duidelijk en eenduidig heeft doen blijken zich niet voor arbeid op de
arbeidsmarkt beschikbaar te stellen.

Dat gedaagde heeft ingestemd met een vermindering van het aantal
werkuren van 40 naar 20 berust naar het oordeel van de Raad uitsluitend op een
daartoe strekkend advies van de verzekeringsgeneeskundige bij de GMD.

Op dat advies zal de Raad hierna nog terugkomen, maar hij stelt reeds
thans vast dat uit dat instemmen met werkvermindering in casu niet zonder meer
de conclusie kan worden getrokken dat gedaagde gedurende de resterende 20 uur
niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

Voorts heeft gedaagde zich bij het GAB als werkzoekende doen inschrijven
en op het aanvraagformulier om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet
ingevuld zich voor een volledige werkweek ter beschikking te stellen.

Als oorzaak voor haar geringe sollicitatie-activiteiten gaf gedaagde op
het aanvraagformulier op dat er geen vacatures waren en dit antwoord is
volstrekt in overeenstemming met een ongedateerd en niet ondertekend ‘advies
met betrekking tot sollicitatie-activiteiten’ van eisers bedrijfsvereniging,
waarin is vermeld dat er geen vacatures in de vacaturekrant waren aan te
wijzen en dat er geen aanbod in de regio was.

Ook uit een telefoonrapport van 8 december 1987 van een beambte van
eisers bedrijfsvereniging inzake een gesprek met een bemiddelaar van het GAB
kan slechts worden afgeleid dat gedaagde voor genoemde 20 uur werd bemiddeld
maar dat het aanbod in de regio gering was.

Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde door houding en
gedrag veeleer duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven dat zij wel
beschikbaar was dan dat zij niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden en in
elk geval kan zeker niet worden gezegd dat ondubbelzinnig is komen vast te
staan dat gedaagde duidelijk en eenduidig heeft doen blijken zich niet voor
arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar te stellen.

De Raad komt derhalve, evenals de eerste rechter, tot de conclusie dat
de primaire grond van de bestreden beslissing in rechte geen stand kan
houden.

Met betrekking tot de subsidiaire grond van de bestreden beslissing, de
sanctietoepassing, overweegt de Raad het volgende.

Eiser baseert zijn bevoegdheid om een sanctie toe te passen op gedaagdes
uitkering op het bepaalde in art. 24, eerste lid, onder a, van de
Werkloosheidswet, omdat gedaagde naar het oordeel van eiser verwijtbaar
werkloos is geworden.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen – zie onder meer de uitspraak
van de Raad van 14 augustus 1990, WW 1988/243, RSV 1990/336 – is in het tweede
lid van art. 24 van de Werkloosheidswet kennelijk beoogd het begrip
‘verwijtbaar werkloos’ expliciet te omschrijven. Voorts is in de tekst van het
tweede lid in beide daarin beschreven situaties de term ‘ontslag’ gebruikt.

Hoewel in het onderhavige geval gedaagdes dienstbetrekking niet door een
handeling van de werkgever of de werknemer is beeindigd – er blijkt niet meer
dan van voortzetting van de dienstbetrekking met vermindering van het aantal
bedongen arbeidsuren – acht de Raad het voor de hand liggen om, althans in een
geval als het onderhavige, onder een ‘ontslag’ ook te verstaan een
‘gedeeltelijk ontslag’.

Nu de oorzaak van die vermindering was gelegen in een al dan niet juiste
inschatting van gedaagdes arbeidsmogelijkheden op grond van haar gezondheid en
voorts niet duidelijk is bij wie het initiatief tot vermindering van
arbeidsuren heeft gelegen, is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval
moet worden gesproken van een door gedaagde genomen (gedeeltelijk) ontslag.

Dat betekent dat de Raad, overeenkomstig het bepaalde in art. 24, tweede
lid, onder b, van de Werkloosheidswet, thans de vraag zal moeten beantwoorden
of gedaagde ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting van haar
dienstbetrekking in een volledige werkweek voor haar zodanige bezwaren waren
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar had kunnen worden
gevergd.

Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend en overweegt daartoe het
volgende.

Gedaagde is door de verzekeringsgeneeskundige geschikt verklaard voor
haar eigen werk in een volledige dagtaak.

Die verzekeringsgeneeskundige heeft gedaagde echter tevens geadviseerd
om of part-time te gaan werken of zich volledig aan de huishouding te gaan
wijden, omdat zijns inziens de combinatie van huishouden en volledige dagtaak
in loondienst te zwaar zou zijn.

Uit de gedingstukken blijkt niet of de verzekeringsgeneeskundige
gedaagde destijds heeft duidelijk gemaakt dat bij de beoordeling van de vraag,
of er arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten is,
de omstandigheid dat betrokkene een taak in de eigen huishouding heeft te
vervullen buiten beschouwing moet worden gelaten en dat zijn – ongevraagd
gegeven – advies, waarmee gedaagde het in eerste instantie ook niet eens was,
in dat licht moest worden bezien.

Bovendien was dat advies onjuist, omdat het gedaagde niet de keus liet
om – nota bene: overeenkomstig het standpunt dat die verzekeringsgeneeskundige
in het kader van de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetten zelf had
ingenomen – wederom volledig te gaan werken, en ook onjuist, omdat dit advies
daardoor ook geen rekening hield met de omstandigheid dat gedaagde in het
geheel niet in haar huishouding behoefde te werken omdat haar echtgenoot die
destijds werkloos was, die taak op zich genomen had.

De Raad acht volstrekt begrijpelijk en ook voor de toepassing van de
Werkloosheidswet acceptabel dat gedaagde, die uit de stukken overkomt als
iemand die in psychisch opzicht niet al te weerbaar is, na aanvankelijk
tegensputteren zich, menend dat haar door de verzekeringsgeneeskundige geen
ruimte werd gelaten om weer volledig te hervatten, van de twee mogelijkheden
die haar werden gelaten de voor haar minst ongunstige heeft gekozen. Die
verzekeringsgeneeskundige heeft vervolgens, menend overeenkomstig gedaagdes
wil te handelen, met de bedrijfsarts van werkgever gesproken. Het resultaat
daarvan is geweest dat gedaagde door de werkgever, die al eerder zonder succes
had getracht gedaagde gedeeltelijk te ontslaan, is medegedeeld dat zij voor 20
uur per week kon blijven werken.

Dit alles leidt de Raad tot het oordeel dat voortzetting van de
dienstbetrekking in volle omvang onder die omstandigheden redelijkerwijs niet
van gedaagde kon worden gevergd.

Mitsdien kan niet worden gezegd dat gedaagde verwijtbaar werkloos is
geworden zodat eiser niet bevoegd was op die grond een sanctie op gedaagdes
uitkering toe te passen.

Ambtshalve overweegt de Raad dat naar zijn oordeel, gelet op het
hiervoor overwogene, evenmin kan worden gezegd dat gedaagde door eigen toedoen
geen passende arbeid heeft behouden.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de eerste rechter
terecht bij de aangevallen uitspraak ook de toegepaste sanctie niet in stand
heeft gelaten.

Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in art. 80a, lid 2,
Beroepswet, stelt de Raad vast dat van eiser een recht van ƒ 200 dient te
worden geheven.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

verstaat dat van eiser een recht van ƒ 200 dient te worden geheven.

Rechters

Mrs Cras, voorzitter, Hugenholtz en Spaas, leden.

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 19 oktober 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand terecht geweigerd
medewerking te verlenen aan de aangifte en de voltrekking van het huwelijk dat
verzoekster wenst aan te gaan met iemand van hetzelfde geslacht. Volgens
Hof en Rechtbank wel

Tegen de beslissing van het Hof is verzoekster in cassatie gegaan en dit
beroep is door de Hoge Raad verworpen

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 16 augustus 1988 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster
tot cassatie – verder te noemen verzoekster – zich gewend tot de Rechtbank te
Rotterdam met verzoek de in het beroepschrift vermelde stukken genoegzaam te
verklaren in die zin dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
Ridderkerk opdracht zal worden verstrekt mede te werken aan de
huwelijksaangifte casu quo de voltrekking van het voorgenomen huwelijk van
verzoekster met K

De Rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 1988 het verzoek
afgewezen

Tegen deze beschikking heeft H. hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage

Bij beschikking van 2 juni 1989 heeft het Hof de bestreden beschikking
bekrachtigd

De beschikkingen van de Rechtbank en het Hof zijn aan deze beschikking
gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft verzoekster beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit

De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping
van het beroep

3. Beoordeling van het middel

3.1 Inzet van de onderhavige procedure is de vraag of de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de gemeente Ridderkerk terecht heeft geweigerd
medewerking te verlenen aan de aangifte en voltrekking van het huwelijk dat
verzoekster wenst aan te gaan met iemand die evenals zijzelf van het
vrouwelijk geslacht is

De Rechtbank en het Hof hebben geoordeeld dat naar Nederlands recht twee
personen van hetzelfde geslacht niet een huwelijk in de zin van art. 1:30 e.v.
BW kunnen aangaan

Het middel van casaatie bestrijdt dat oordeel

3.2 Het middel stelt primair (in de tweede en derde alinea na het
opschrift “Middel van cassatie”) dat de Nederlandse wet een huwelijk tussen
twee personen van hetzelfde geslacht niet verbiedt

Subsidair (in de vierde alinea na dat opschrift) voert het middel aan
dat, zo de Nederlandse wet een dergelijk huwelijk niet zou toestaan, die wet
in zoverre buiten toepassing dient te blijven wegens onverenigbaarheid met de
door verzoekster ingeroepen verdragsbepalingen

3.3 De stelling dat de Nederlandse wet een huwelijk tussen twee personen
van hetzelfde geslacht niet uitsluit, moet blijkens de toelichting op het
middel aldus worden begrepen dat de tekst van de wet een dergelijk huwelijk
niet verbiedt en dat die tekst weliswaar aanknopingspunten bevat voor de
gangbare opvatting dat zij een huwelijk tussen man en een vrouw op het oog
heeft, maar in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen zo moet worden
uitgelegd dat een huwelijk tussen twee personen van gelijk geslacht
toelaatbaar is

Die stelling kan niet als juist worden aanvaard

Zij gaat uit van een reeds op zichzelf aanvechtbare letterlijke lezing
van een aantal wetsartikelen en miskent de strekking van de wet zoals men deze
bij de totstandkoming van Boek 1 BW, mede in het licht van de daaraan
voorafgaande wetgeving, voor ogen heeft gehad. Ook indien latere
maatschappelijke ontwikkelingen steun zouden geven aan de opvatting dat het
niet openstaan van de mogelijkheid van een wettelijk huwelijk tussen twee
vrouwen of twee mannen niet langer gerechtvaardigd is, zou dit niet een van de
onmiskenbare strekking van de wet afwijkende wetsuitlegging wettigen, temeer
niet nu het hier gaat om een onderwerp dat de openbare orde raakt en waarbij
de rechtszekerheid een belangrijke rol speelt

Anders dan in de derde alinea van het middel wordt aangevoerd, kan de
daarin kennelijk voorgestane gedachte dat de wet zoveel mogelijk moet worden
uitgelegd in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel zoals dit sinds 1983
in art. 1 Grw is opgenomen, in het voorgaande geen verandering brengen

3.4 Verzoekster beroept zich op het bepaalde in de artt. 8, 12 en 14
EVRM en in de artt. 2, 23 en 26 IVBPR

De wettelijke regeling is niet in strijd met art. 12 EVRM noch met art.
23 IVBPR. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft in zijn
uitspraak van 17 oktober 1986, NJ 1987, 945, geoordeeld dat art. 12 EVRM
betrekking heeft op het traditionele huwelijk tussen personen van verschillend
geslacht. Anders dan het middel onder het hoofd “Aanvulling en toelichting”
onder (3) betoogt, is er onvoldoende grond om art. 12 EVRM in samenhang met de
artt. 8 en 14 “dynamischer” te interpreteren dan het Europees Hof heeft
gedaan. Nu dat Hof in een recente uitspraak de reikwijdte van art. 12
duidelijk heeft vastgesteld, vindt de Hoge Raad geen vrijheid een ruimere
betekenis aan die verdragsbepaling toe te kennen

Naar het oordeel van de Hoge Raad moet worden aangenomen dat ook art. 23
IVBPR het traditionele huwelijk tussen personen van verschillend geslacht op
het oog heeft

Voor zover het middel strekt ten betoge dat de wettelijke onmogelijheid
om met iemand van hetzelfde geslacht een burgerlijk huwelijk aan te gaan een
toelaatbare inmenging met betrekking tot het door art. 8 EVRM beschermde
privleven en/of gezinsleven vormt, miskent het dat het recht om een huwelijk
aan te gaan zijn regeling en afbakening vindt in art. 12 EVRM. Nu dit
artikel blijkens het voorgaande niet voorziet in een recht van personen van
gelijk geslacht om met elkaar een huwelijk aan te gaan, kan niet worden
aangenomen dat het niet toekennen van dat recht in een nationale wet een door
het verdrag verboden inmenging in het privleven of gezinsleven van de
betrokkenen oplevert

3.5 Art. 14 EVRM en art. 2 IVBPR verbieden, kort gezegd, het maken van
onderscheid bij het verzekeren van de in het EVRM resp. IVBPR erkende rechten
Nu het onderscheid dat de wettelijke regeling van het huwelijk maakt
tussen enerzijds personen van verschillende geslacht, anderzijds personen van
gelijk geslacht, blijkens het vorenoverwogene eigen is aan het in art. 12 EVRM
resp. art. 23 IVBPR verzekerde recht om te huwen, kan van een met art. 14 EVRM
en art. 2 IVBPR strijdig onderscheid niet worden gesproken

3.6 Tenslotte moet worden nagegaan of art. 26 IVBPR, dat een ruimere
strekking heeft dan art. 2 IVBPR, het maken van het bestreden onderscheid
verbiedt. Dit is naar het oordeel van de Hoge Raad niet het geval. Het
wettelijk huwelijk is vanouds opgevat als een duurzame levensverbintenis
tussen een man en een vrouw waaraan een reeks rechtsgevolgen wordt verbonden,
die deels verband houden met het verschil in geslacht en de daarmee
samenhangende gevolgen voor de afstamming van kinderen

Niet alleen in Nederland maar in tal van landen heeft het huwelijk die
kenmerken. Ook kan niet worden gezegd dat de algemene rechtsovertuiging
zich zo heeft ontwikkeld dat het voorgaande geen rechtvaardiging kan opleveren
voor het verschil in behandeling naar seksuele geaardheid dat kan zijn gelegen
in de onmogelijkheid om met iemand van hetzelfde geslacht een door de wet als
huwelijk erkende verbintenis aan te gaan

Het vorenstaande laat onverlet de mogelijkheid dat het onvoldoende
gerechtvaardigd is dat een bepaald rechtsgevolg wel aan het huwelijk wordt
verbonden maar niet aan het duurzaam samenleven van twee personen van
hetzelfde geslacht. Een vraagstuk van deze aard – dat doorgaans slechts
door de wetgever zal kunnen worden opgelost – is echter in deze procedure niet
aan de orde

3.7 Uit het voorgaande volgt dat het middel niet tot cassatie kan
leiden

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep

Rechters

Vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren De Groot,Hermans, Roelvink en Heemskerk

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 oktober 1990

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De VUT-CAO voor het levensmiddelenbedrijf bestaat sinds 1980. In
eerste instantie werden werknemers/sters die minder dan 32 uur per week
werkten uitgesloten van het recht op VUT. Sinds april 1990 is deze grens
bij wijze van tijdelijk experiment verlaagd tot 12 uur. Alle
werknemers/ster, ook de deeltijdwerk(st)ers, dragen bij aan de VUT-regeling

Beide urengrenzen zijn in het nadeel van vrouwen omdat met name vrouwen
in deeltijd werken en dus niet van deze VUT-regeling gebruik kunnen maken

Volgens de Commissie gelijke behandeling zijn beide urengrenzen dan ook
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen (artikel
1637ij BW)

In het levensmiddelenbedrijf werken zo’n 100.000 personeelsleden.
Tweederde van hen is vrouw

Volledige tekst

1. Verzoek

1.1 Op 25 september 1989 verzocht de (…) te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de CAO voor het
levensmiddelenbedrijf inzake vervroegd uittreden in strijd is met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1989, 168) op het punt van de
drempel voor deeltijdwerkers. Slechts werknemers die 32 uur per week of
meer werken kunnen vervroegd uittreden

Bij brief van 29 maart 1990 heeft verzoekster de Commissie tevens
verzocht, haar oordeel uit te spreken over de drempel die per 1 april 1990 zou
gaan gelden, namelijk een drempel van 12 uur in plaats van 32 uur

1.2 Verzoekster heeft de Commissie gevraagd, zich over de toepassing van
de CAO op het onderhavige punt uit te spreken. Hoewel bij de totstandkoming
van een CAO zowel werkgevers als werknemers-organisaties betrokken zijn, heeft
het onderzoek van de Commissie zich in eerste instantie alleen gericht op de
verantwoordelijkheid van de werkgevers voor de eventuele strijdigheid van de
CAO met de van toepassing zijnde wetgeving. Artikel 1637ij Burgerlijk
Wetboek, waaraan de in het geding zijnde bepaling zal worden getoetst, richt
zich namelijk tot de werkgever. De Commissie heeft daarom als wederpartij
aangewezen (…) beroepsorganisatie voor levensmiddelen detaillisten te
Amsterdam en de (…), te Utrecht (hierna: wederpartijen)

2. Ontvankelijkheid van het verzoek

Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling als bedoeld in artikel 14 lid 2e van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen. Hiermee voldoet verzoekster aan de eisen
die de wet haar stelt voor het bij de Commissie kunnen instellen van een
groepsactie

3. De loop van het onderzoek

3.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld

Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten en op elkaars standpunten te reageren

Vervolgens hebben de werknemerspartijen bij de CAO, te weten (…) op
verzoek van de Commissie hun visie op het verzoek naar voren gebracht

3.2 De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 12 september 1990

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:

– mevrouw X.

– mevrouw Y.

van de kant van de wederpartijen:

– de heer A.

– de heer B.

van de kant van de werknemerspartijen:

– de heer C.

van de kant van de Commissie:

– mevrouw drs. A.J. Huber (lid)

– mevrouw mr. I.M.C.V.T. Kiebert (plaatsvervangend voorzitter)

– de heer R.A.C.M. Langemeijer (lid)

– mevrouw drs. C.M. Sjerps (secretaris)

3.3 Na de zitting hebben de wederpartijen nadere gegevens overgelegd ter
onderbouwing van hun verklaringen ter zitting. Deze gegevens zijn ter
kennis gebracht van verzoekster

3.4 Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 3.2

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1 De wederpartijen vertegenwoordigen de werkgevers in het midden- en
kleinbedrijf van een onderdeel van de detailhandel. Zo’n 100.000
personeelsleden, meest verkooppersoneel, vallen onder de in geding zijnde CAO
Een groot deel van dit personeel bestaat uit jonge hulpkrachten die
minder dan 12 uur per week werken (zie 4.5)

4.2 Vanaf 1980 bestaat in deze bedrijfstak een VUT-regeling. Deze
regeling wordt gefinancierd door een heffing op de loonsom waarvan een
gedeelte wordt doorberekend aan alle werknemers

De financiering geschiedt op basis van een rentedekkingstelsel

Ten tijde van het onderzoek bedroeg de premie per werknemer 0,6% van de
loonsom; 0,2% van de loonsom werd doorberekend aan de werknemer

4.3 De VUT-regeling is om twee redenen ingevoerd: verlichting voor
oudere werknemers en vergroting van de werkgelegenheid voor met name jongeren
in een tijd van grote werkloosheid (begin jaren tachtig)

4.4 Alle werknemers dragen (naar evenredigheid) bij aan het VUT-fonds
Niet alle werknemers zijn echter in de gelegenheid om van de regeling
gebruik te maken

Het reglement dat bij de VUT-CAO hoort stelt in 1989 als eis (artikel 4)
dat de werknemer op het tijdstip waarop de uitkering van kracht wordt

– 62 jaar of ouder moet zijn en

– gedurende de laatste tien jaren onafgebroken ten minste 32 uur per
week als werknemer werkzaam moet zijn geweest in het levensmiddelenbedrijf

Met ingang van 1 april 1990 is deze bepaling gewijzigd. De leeftijd
is verlaagd naar 61 of ouder. De urengrens is voor de periode van 1-4-90
tot en met 30-6-91 bij wijze van experiment verlaagd naar 12 uur of meer

4.5 Op verzoek van de Commissie hebben wederpartijen berekend, hoeveel
mannen respectievelijk vrouwen door deze urengrenzen werden uitgesloten van
het potentile recht op een VUT-uitkering

De wederpartijen bleken niet te beschikken over gegevens met betrekking
tot de door de werknemers gewerkte uren. Daarom is het verdiende loon
uitgangspunt geweest voor hun berekeningen van het effect van de urengrenzen
Voor 95% van de hulpkrachten geldt dat zij het minimumloon verdienen
Voor de personeelsleden die 12 uur of meer werken zijn de werkgevers ook
uitgegaan van de veronderstelling dat deze niet veel mr dan het minimumloon
verdienen

De volgende gegevens zijn overgelegd:

Het aantal werknemers dat op minder dan 12 uur per week werkzaam is,
(salarisklasse onder ƒ 7.600,–):

leeftijd mannen vrouwen totaal

16 – 20 18.359 27.296 45.655
21 – 25 9.615 14.095 23.710
26 – 30 734 1.554 2.288
31 – 35 207 846 1.053
36 – 40 125 653 778
41 – 45 84 657 741
46 – 50 76 394 470
51 – 55 57 286 343
56 – 60 60 145 205
61 11 16 27
62 7 12 19
63 7 11 18
64 6 12 18
++++++ ++++++ ++++++
29.348 45.977 75.325

Het aantal werknemers dat 12 uur of meer doch minder dan 32 uur per week
werkzaam is (salarisklasse ƒ 7.600,– tot ƒ 20.300,–):

leeftijd mannen vrouwen totaal
16 – 20 314 1.476 1.790
21 – 25 1.939 8.351 10.290
26 – 30 498 1.779 2.277
31 – 35 230 504 734
36 – 40 91 391 482
41 – 45 102 503 605
46 – 50 75 373 448
51 – 55 39 272 311
56 – 60 43 165 208
61 11 10 21
62 10 13 23
63 77 14
64 45 9
+++++ ++++++ ++++++
3.363 13.849 17.212

Het aantal werknemers dat op 32 uur of meer per week werkzaam is
(salarisklasse ƒ 20.300,– of meer):

leeftijd mannen vrouwen totaal
16 – 20 — — —
21 – 25 888 1.715 2.603
26 – 30 2.073 3.260 5.333
31 – 35 1.404 689 2.093
36 – 40 788 211 999
41 – 45 706 244 950
46 – 50 465 177 642
51 – 55 339 126 465
56 – 60 249 73 322
61 33 11 44
62 38 9 47
63 24 6 30
64 92 11
+++++ +++++ ++++++
7.016 6.523 13.539

Van de werknemers die bij die de VUT-regeling betrokken zijn, is niet
precies bekend hoeveel van hen aan de voorwaarden voor uitkering voldoen.
In het algemeen wordt uitgegaan van een uittredingsgraad van 70 80%

Het vervangingspercentage is niet bekend, omdat niet concreet onderzocht
is in hoeveel gevallen uitgetreden werknemers vervangen zijn

Vanaf de start van de VUT-regeling was het aantal uittreders als volgt:

1980 13 1985 40
1981 9 1986 25
1982 27 1987 21
1983 32 1988 13
1984 26 1989 29

Alle uittreders waren 32 uur of meer per week werkzaam

4.6 Op basis van deze gegevens heeft de Commissie het effect van de in
de VUT-regeling opgenomen drempels voor mannen respectievelijk vrouwen nader
berekend

Het aantal VUT-gerechtigden naar geslacht en uren onderverdeeld:

Personen in de leeftijd van 62 t/m 64 jaar:

Mannen 112 59%
Vrouwen 77 41%
— —
Totaal 189 100%

VUT-gerechtigden (werkweek van 32 uur of meer) in de leeftijd van 62 t/m
64 jaar:

Mannen 71 81%
Vrouwen 17 19%
— —
Totaal 88 100%

Personen in de leeftijd van 61 t/m 64 jaar:

Mannen 167 59%
Vrouwen 114 41%
— —
Totaal 281 100%

VUT-gerechtigden (werkweek van 12 uur of meer) in de leeftijd van 61 t/m
64 jaar:

Mannen 136 68
Vrouwen 63 32
— —
Totaal 199 100%

4.7 Hieruit blijkt dat volgens de tot 1 april 1990 geldende regeling
mannen oververtegenwoordigd waren in het aantal VUT-gerechtigden (81% versus
aandeel in de 62 t/m 64 jarigen ad 59%) en vrouwen ondervertegenwoordigd (19%
versus aandeel in de 62 t/m 64 jarige mannen in VUT-gerechtigd, versus 22% van
de vrouwen uit die leeftijdsgroep)

In de vanaf 1 april 1990 geldende regeling zijn mannen eveneens
oververtegenwoordigd in het aantal VUT-gerechtigden (68% versus aandeel in de
61 t/m 64 jarigen ad 59%) en vrouwen ondervertegenwoordigd (32% versus aandeel
in de 61 t/m 64 jarigen ad 41%)

Anders geformuleerd: 81% van de 61 t/m 64 jarige mannen is
VUT-gerechtigd versus 55% van de vrouwen uit die leeftijdsgroep

Ook in de leeftijdsgroep vanaf 51 jaar (10 jaar voor het recht op VUT
eventueel gelden gemaakt kan worden) bestaat een duidelijke
oververtegenwoordiging van mannen onder degenen die aan de 32 uren-
respectievelijk 12 urengrens kunnen voldoen:

Personen in de leeftijd van 51 t/m 60 jaar:

Mannen 787 42%
Vrouwen 1067 58%
—- —
Totaal 1854 100%

Personen in de leeftijd van 51 t/m 60 jaar met een werkweek van 32 uur
of meer:

Mannen 588 75%
Vrouwen 199 25%
— —
Totaal 787 100%

Personen in de leeftijd van 51 t/m 60 jaar met een werkweek van 12 uur
of minder

Mannen 670 51%
Vrouwen 636 49%
—- —
Totaal 1300 100%

4.8 Enkele gevolgtrekkingen uit het overgelegde materiaal:

a – zowel de 32-urengrens als de 12 urengrens hebben tot gevolg dat
vrouwen ten opzichte van mannen in overwegende mate worden uitgesloten van het
recht op een VUT-uitkering;

b – het aantal mensen dat gebruik maakt van de VUT-regeling is zeer
gering. Uit het jaarverslag van de stichting die de VUT-regeling beheert en
uitvoert blijkt dat het totale aantal lopende uitkeringen per 31 december 1989
52 bedroeg

Dat in het algemeen weinig mensen van de VUT-regeling gebruik maken
heeft volgens informatie van de wederpartijen de volgende oorzaken:

– er werken vooral jonge mensen in de bedrijfstak

– de 10-jareneis in combinatie met de urengrens zorgt ervoor dat weinig
mensen in aanmerking komen voor een VUT-uitkering

Dit laatste verklaart het relatief geringe aantal mensen dat met VUT
gaat. Volgens informatie van de wederpartij is in het Nederlandse
bedrijfsleven een uittredingspercentage van 70% 80% normaal. Dit
percentage wordt in de onderhavige bedrijfstak bij lange na niet gehaald

4.9 Verzoekster is van mening dat zowel de 32-urengrens als de
12-urengrens indirect onderscheid naar geslacht oplevert. Het zijn in
overwegende mate vrouwen, die veel vaker dan mannen in deeltijd werken, die
door deze grenzen worden uitgesloten van het recht op VUT-uitkering.
Hiervoor zou geen objectieve rechtvaardiging bestaan

4.10 De wederpartijen achten de urengrenzen niet onevenredig nadelig
voor vrouwen. Zij hebben allereerst als rechtvaardiging voor de maatregel
aangedragen de oorspronkelijke redenen voor het instellen van de regeling
Deze waren:

– het ontzien van oudere werknemers. Op dit punt hebben de
wederpartijen ter zitting verklaart dat dit natuurlijk voor deeltijdwerkers
net z zou moeten gelden als voor voltijdwerkers;

– het scheppen van werkgelegenheid voor met name jongere mensen. Op
dit punt hebben wederpartijen ter zitting verwoord dat het vervroegd uittreden
van deeltijders k werkgelegenheid oplevert, terwijl door de geringe omvang van
het aantal werknemers dat gebruik maakt van de regeling, het
werkgelegenheidsargument in feite een theoretisch argument is

Uit verklaringen van de wederpartijen en de vakbonden is gebleken dat de
oorsprong van de gestelde uren-eisen in feite nogal onduidelijk is. De 32-
en 12-urengrenzen worden al langer gehanteerd bij arbeidsvoorwaardenregelingen
in deze sector. Hierbij is aangesloten om de kosten van de VUT-regeling
enigszins te beperken

Wat exact de financile gevolgen zouden zijn van het laten vervallen van
de urengrens is niet bekend. Wl is een schatting gemaakt van het effect van
het verlagen van de urengrens van 32 uur naar 12 uur

Dit zou een premieverhoging van 0,6 naar 0,9% van de loonsom met zich
meebrengen. Tijdens het nu lopende experiment is deze verhoging nog niet
doorgevoerd. De extra kosten worden vooralsnog gefinancieerd uit de
reserves van het fonds

Deze reserves zijn, blijkens het jaarverslag 1989 van het fonds,
aanzienlijk, namelijk bijna 12 miljoen gulden. De premieopbrengst in 1989
was 5,2 miljoen, terwijl de uitkeringslasten over dat jaar 3,8 miljoen
bedroegen

Over 1989 had het fonds een totaal positief saldo van 2,3 miljoen

5. De overwegingen van de commissie

5.1 In geding is de vraag, of de VUT-regeling op het punt van de
urengrenzen in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling

Artikel 1637ij BW verbiedt de werkgever om onderscheid te maken naar
geslacht bij de arbeidsvoorwaarden. Dit verbod geldt zowel voor direct als
voor indirect onderscheid

Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig effect van een
regeling in overwegende mate personen van een geslacht treft, terwijl daarvoor
voor degene die het onderscheid teweegbrengt geen voldoende objectieve
rechtvaardiging wordt aangedragen

5.2 In de voorliggende regeling is het effect van de toelatingseisen tot
de VUT-regeling naar geslacht niet exact vast te stellen

Slechts weinig mensen blijken gebruik te (kunnen) maken van de
VUT-regeling. De wederpartijen wijten dit met name aan de combinatie van de
10-jareneis en de urengrenzen

Hoe het effect van de 10-jareneis precies is, is niet bekend.
Hierover bestaan geen gegevens. Deze grens was overigens geen onderwerp van
het verzoek

Van de urengrenzen is bij benadering wl te constateren hoe deze
uitwerken: hierdoor worden vrouwen in overwegende mate getroffen. Dit roept
een vermoeden op van indirect onderscheid naar geslacht. In zo’n geval is
het aan de wederpartijen om aan te tonen dat het onderscheid wordt gemaakt om
een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en dat daartoe middelen zijn
gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl dit
doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt

Volgens de wederparijen ligt de objectieve rechtvaardigingsgrond met
name in het beperken van de financile lasten voor de bedrijfstak. Door het
instellen van de urengrenzen (in combinatie met de 10-jaarseis) wordt de kring
van potentile VUT-gerechtigden beperkt

De Commissie merkt hierbij op, dat het financile argument op zich nooit
voldoende is om als zelfstandige en objectieve rechtvaardigingsgrond te
fungeren voor het maken van onderscheid als bedoeld in de wet

Op geen enkel moment is nagegaanb, welke financile gevolgen het laten
vervallen vann de urengrens zou hebben. Evenmin is gebleken dat er op enig
moment serieus is nagegaan, welke andere mogelijkheden er zouden zijn om,
indien dat nodig zou zijn, op een geslachtsneutrale wijze de kring van
potentile VUT-gerechtigden te beperkten

Uit de financile verslaglegging van het fonds over het jaar 1989 valt
niet op te maken dat een (iets) grotere omvang van de kring van
VUT-gerechtigden tot onoverkomelijke nadelige financile gevolgen zou leiden
dan wel tot een onvermijdbare premieverhoging van 50% zou moeten leiden

Evenmin voldoen de andere tijdens het onderzoek naar voren gebrachte
argumenten, te weten het argument van het ontzien van oudere werknemers en het
werkgelegenheidsargumnet. Van beide argumenten is door de wederpartijen ter
zitting de onhoudbaarheid aangegeven

6. Het oordeel van de Commissie

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het (…) respectievelijk
de (…), als vertegenwoordigers van de werkgevers in het
levensmiddelenbedrijf, indirect onderscheid hebben gemaakt naar geslacht in
strijd met artikel 1637ij lid 1 BW door toepassing van de 32-urengrens zoals
deze gold in de VUT-CAO tot 1-4-90

Tevens spreekt de Commissie als haar oordeel uit dat deze partijen
indirect onderscheid maken naar geslacht, in strijd met artikel 1637ij lid 1
BW door toepassing van de 12-urengrens zoals deze geldt in de VUT-CAO vanaf
1-4-90

Rechters

Mr. I.M.C.V.T. Kiebert, plaatsvervangend voorzitter; drs C.M. Sjerps,secretaris