CEDAW: staat moet zwangere zelfstandigen zonder uitkering compenseren

CEDAW heeft tijdens de 57ste sessie in februari 2014 haar oordeel gegeven over de klacht van zwangere zelfstandigen die na de intrekking van de eerste publieke verzekering voor zwangere zelfstandigen in 2004 zonder uitkering hun verlof moesten uitzitten. Na de intrekking van die eerste publieke verzekering hebben FNV, Proefprocessenfonds Clara Wichmann en zeven individuele vrouwen tot aan de Hoge Raad geprocedeerd tegen de Staat der Nederlanden. Zij waren van mening dat de intrekking van de regeling onrechtmatig was.[1] Door rechtbank, hof en Hoge Raad zijn hun vorderingen terzake afgewezen. [2] Namens zes van de vrouwen is eind 2011 een klacht bij het CEDAW-Comité ingediend.

Op 17 februari 2014 heeft CEDAW klaagsters volledig in het gelijk gesteld. CEDAW overweegt in de eerste plaats dat artikel 11 Vrouwenverdrag niet alleen ziet op werkneemsters, zoals door de Nederlandse Staat was betoogd, maar ook op zelfstandigen. Vervolgens merkt CEDAW op dat artikel 11 niet alleen een inspanningsverplichting bevat, maar ook een resultaatsverplichting: de aangesloten staten dienen het Vrouwenverdrag volledig uit te voeren en zich niet te verschuilen achter de redenering dat het artikel alleen instructies bevat en geen dwingende normen. CEDAW toont zich op dit punt geïrriteerd over de houding van de Nederlandse Staat, aangezien zij deze materie al meerdere keren met afgevaardigden van de regering heeft besproken. Inhoudelijk oordeelt CEDAW dat de Nederlandse Staat, door de WAZ in te trekken zonder daarbij overgangsmaatregelen te treffen en door klaagsters te verwijzen naar een private regeling die hen geen soelaas bood (vanwege de wachttijd en de hoge premies), zwangere vrouwen nadeel heeft toegebracht. Dit vormt een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht en is daarmee in strijd met artikel 11 Vrouwenverdrag. De staat heeft bovendien gehandeld in strijd met artikel 11 lid 2 onder b van het Vrouwenverdrag  – de verplichting om een betaald zwangerschapsverlof in te voeren – door een bestaande regeling voor zwangerschapsverlof voor zelfstandigen in te trekken zonder een nieuwe regeling te treffen.

CEDAW beveelt de staat aan om een regeling te treffen waarbij klaagsters en alle andere vrouwen in eenzelfde positie schadeloos worden gesteld voor het feit dat zij geen aanspraak hebben kunnen maken op een zwangerschapsuitkering. Het gaat dan om die vrouwen die tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008, de periode waarin er geen uitkeringsregeling bestond voor zwangere vrouwen, met zwangerschapsverlof zijn geweest. De staat wordt gevraagd om binnen zes maanden aan CEDAW te rapporteren op welke wijze zij deze aanbevelingen heeft uitgevoerd.

CEDAW 36-2012 Blok c.s

MELDPUNT zwangerschapsuitkering zelfstandigen

Het Meldpunt zwangerschapsuitkering zelfstandigen van FNV Vrouw is medio maart 2018 over gegaan naar FNV Zelfstandigen. De VVR, het Proeprocessenfonds en FNV vrouw zijn nauw betrokken.


[1] Na de uitspraak van Rechtbank Den Haag heeft de FNV zich teruggetrokken.
[2] Rb ’s-Gravenhage 25 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0334, Hof ’s-Gravenhage 21 juli 2009, kenbaar uit ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (het arrest van de Hoge Raad in deze zaak), HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044


 

CRvB: alfahulp in dienst bij thuiszorginstelling

Samenvatting:
Weigering WW-uitkering. Niet voldaan aan referte-eis. Privaatrechtelijke dienstbetrekking alpha-hulp. Appellante heeft de uren niet op basis van verschillende arbeidsovereenkomsten met de cliënten, maar op basis van een arbeidsovereenkomst met het thuiszorgteam.

Uitspraak CRvB in PDF

 

Rechtbank Zutphen 18 januari 2012: thuiszorgorganisatie moet alfahulp bij ziekte 6 weken doorbetalen

Met steun van de VVR en Proefprocessenfonds Clara Wichmann procedeerde een alfahulp, die geen enkele loondoorbetaling kreeg toen ze haar pols brak, tegen ‘haar’ thuiszorgorganisatie. Primaire vordering was loondoorbetaling als werkneemster. Subsidiaire vordering doorbetaling van zes weken loon op grond van art.7:629 lid 2 BW.
Kantonrechter Harderwijk wijst de primaire vordering af en de secundaire toe: ECLI:NL:RBZUT:2012:BV2123.
Zie ook het nieuwsbericht van de VVR d.d. 25 januari 2012.

In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem/Leeuwarden dat de alfahulp wel in dienst was van de thuiszorginstelling, die bij ziekte het loon moest doorbetalen.

 

Rechter akkoord met lagere schadevergoeding aan jonge Turkse vrouw.

In deze uitspraak van de Rb Den Haag gaat het om een verzekeraar die een jonge Turkse vrouw, na een ongeval waarbij ze arbeidsongeschikt is geraakt, een veel lagere schadevergoeding toekent dan gebruikelijk is voor Nederlandse vrouwen. Als argument werd daarvoor aangevoerd dat Turkse vrouwen zodra ze eenmaal kinderen hebben toch nauwelijks meer deelnemen aan het  arbeidsproces, en dat er derhalve geen inkomensderving zou zijn. De zaak is een schoolvoorbeeld hoe sommige rechters nog steeds argeloos akkoord gaan met stereotypen over ras/etniciteit en gender.

Verslag bijeenkomst ‘Partnergeweld en echtscheiding: en het kind dan?’, 7 november 2013

De bijeenkomst is georganiseerd door de Werkgroep Seksueel en Huiselijk Geweld in overleg met de Werkgroep Personen- en Familierecht en vond plaats bij Movisie in  Utrecht.
Sprekers:
mr. K. Lünnemann (Verwey-Jonker Instituut)
drs. M. Kuipers (Raad voor de kinderbescherming)
mr. N. Quik-Schuijt (voormalig rechter)

Mevrouw. Mr. Noor Geraads, voorzitter van de Werkgroep Seksueel en Huiselijk Geweld, opent de bijeenkomst en heet de meer dan 25 aanwezigen van harte welkom. Het doel van de avond is: juridische professionals handvatten bieden voor het omgaan met de problematiek van partnergeweld en de gevolgen hiervan voor kinderen tijdens en na echtscheiding.

De eerste spreker die het thema van de avond belicht, is verenigingslid mr. K. Lünnemann van het Verwey-Jonker Instituut. Zij start haar presentatie met het noemen van een aantal belangrijke cijfers. Zo geeft één op de vijf vrouwen in Nederland geweld als reden op voor hun scheiding (De Graaf 2005). Geweld is voor vrouwen vaker reden voor scheiding dan voor mannen (8% versus 1%). Een derde van de gescheiden ouders vindt contact met ex-partner slecht (Wobma & De Graaf, 2009) en 17% van de kinderen van gescheiden ouders heeft geen contact met de niet-verzorgende ouder (Spruijt et al. 2007).
Als we spreken van partnergeweld, is er sprake van een heterogeniteit van geweldspatronen. We kunnen onderscheiden: het ‘intiem terrorisme of sterk controlerend geweld’ enerzijds en ‘situationeel geweld’ anderzijds.
Intiem terrorisme kenmerkt zich door:

  • Bedreigingen en intimidatie
  • Ondermijning door psychologische intimidatie
  • Isolement
  • Escalatie van geweld
  • Seksuele dwang
  • Traditionele rolpatronen

Bij situationeel geweld staat het geweld zelf niet op de voorgrond. De angst is hier veel minder aanwezig dan bij het intiem terrorisme. Zo kunnen vrouwen die door hun partner mishandeld worden, vooralsnog liefdevol over hun partner praten.

Binnen de psychologie is veel gezocht naar stoornissen die verband kunnen houden met bepaalde vormen van partnergeweld en of -daaraan gerelateerd- verschillende dadertyperingen te vinden zijn.
Er zijn in ieder geval twee typen daders te onderscheiden. De sterk afhankelijke dader, behorende tot het geweldspatroon: intiem terrorisme (deze is alleen thuis gewelddadig) en het anti-sociale type, behorende tot het geweldspatroon: situationeel geweld (deze is ook in de publieke sfeer gewelddadig). Geweld in de jeugdjaren is voorts een belangrijke risicofactor voor het plegen van partnergeweld.
De typologieën van daders is onder meer van belang voor het vormen van ondersteuning (daderhulp) en bij uitspraken omtrent omgang en gezamenlijk ouderschap.
Uit onderzoek, dat in het boek ‘Opvoeden na partnergeweld’ is gepubliceerd, blijkt dat de helft van de kinderen na scheiding geen contact heeft met de vader. Ruim een kwart kampt met ernstige omgangsproblemen, spanning en verwaarlozing. In deze gevallen vindt voortzetting van de controle op de partner vaak plaats via de kinderen. Men maakt in deze gevallen misbruik van het gezamenlijke gezag. Hier wordt in de rechtspraktijk veel over geprocedeerd.
De powerpointpresentatie van mr. K. Lünnemann is hieronder down te loaden:
Vechtscheidingen en partnergeweld_KL

2e spreker(s): drs. M. Kuipers en J. Hermans van de Raad voor de Kinderbescherming De centrale vraag in hun bijdrage is: Wat is het belang van het kind in geval van ‘vechtscheidingen’?
Ieder jaar krijgen ongeveer 70.000 thuiswonende kinderen te maken met de scheiding van hun ouders. Een ouderlijke scheiding levert een zelfstandige bijdrage (dus los van persoonlijkheid en ontwikkeling van de kinderen) aan negatieve effecten voor kinderen. Die effecten worden sterker als er sprake is van langdurig oplaaiende conflicten tussen de ouders. De ernst van de gevolgen van een scheiding hangt nauw samen met risicofactoren en beschermingsfactoren (Spruijt 2010)
Een aantal risicofactoren voor partnergeweld is:

  • Chronische ouderlijke conflicten (veiligheid in het geding?)
  • Problemen inwonende ouder (stabiel, autoritatief)
  • Aantal veranderingen (o.a. nieuwe partners, verhuizing, contact netwerk…)
  • Financiële achteruitgang
  • Slechte band uitwonende ouder (o.a. band vóór de scheiding)

Anderzijds zijn er ook een aantal beschermende factoren te benoemen, zoals:

  • één goed functionerende thuiswonende ouder
  • zo min mogelijk confrontatie met ouderlijke conflicten
  • autoritatief ouderschap: d.w.z warmte bieden en matige controle uitoefenen
  • kinderalimentatie: dit is materieel prettig maar ook blijken kinderen de alimentatie te beleven als een signaal dat de andere ouder hen belangrijk vindt.
  • vaardigheden van het kind zelf: probleemoplossend vermogen en sociale competentie
  • steun van de sociale omgeving (familie, buren, leerkrachten, steun eventuele stiefouder)
  • de rol en de band met de uitwonende ouder zoals die in het verleden is opgebouwd.
  • toegang tot therapeutische interventies, ondersteunende programma’s voor scheidingskinderen, trainingen.

Het is een uitdaging voor raadsonderzoekers om ten alle tijden het belang van het kind voorop te stellen en het belang van kinderen in deze gevallen te concretiseren, te bespreken en de risico’s en krachten te wegen. Het is van belang om uit te zoeken waar scheidende ouders het in ieder geval wel met elkaar over eens zijn en het perspectief van het kind te blijven concretiseren. De band met ouders is belangrijker dan de frequentie van het contact met ouders na scheiding.
Een oplossingsgerichte manier is volgens drs. M. Kuipers en J. Hermans voorts het krachtige in dit soort zaken. In 50% van de omgangszaken wordt door de Raad ook onderzoek gedaan en van de onderzoeken zijn 26% gezag – en omgangszaken. In veel andere zaken waar de Raad voor de Kinderbescherming bij betrokken wordt, speelt scheiding een rol. Scheidingskinderen hebben immers ongeveer dubbel zoveel problemen als kinderen uit intacte gezinnen (Spruijt 2010).
De powerpoint van de sprekers is hieronder down te loaden:
Complexe scheidingen en het kind 7 novemberRvK

3e spreker: mw. N. Quik-Schuijt (voormalig kinderrechter en Eerst Kamerlid voor de SP)
Mevrouw Quik- Schuijt begint haar voordracht met aan te geven dat er een taboe heerst op het aankaarten van huiselijk geweld en er actief campagne gevoerd moet worden om dit taboe te doorbreken. Huiselijk geweld komt namelijk veel voor en in alle lagen van de bevolking. De schaamte bij slachtoffers is enigszins begrijpelijk. Huiselijk geweld is immers het resultaat van een interactie tussen partners.
Als rechter is mevrouw Quik-Schuijt er niet van uitgegaan dat wat ouders elkaar aandoen, mogelijkerwijs dat ook hun kinderen aan zullen doen.

Geweld heeft altijd met onmacht te maken. En onmacht komt voort uit ongelijkheid. Waarom die diepe wrok? Waarom dat getrek aan kinderen? En waarom kan iemand niet genieten van de momenten dat hij/zij de kinderen heeft en de andere ouder dit ook gunt. Heeft dat ook met ongelijkheid te maken? Mevrouw Quik- Schuit denkt van wel. Na een korte terugblik op de geschiedenis, komt mevrouw Quik-Schuijt tot de conclusie dat er wel degelijk gelijkwaardigheid is en ook altijd al geweest, maar dat er tot op heden nog steeds geen gelijkheid is m.b.t. de verdeling van zorg en arbeid. Slechts 18% van de vaders neemt bijvoorbeeld een doordeweekse zorgdag voor zijn rekening. Op zich is dit geen probleem, maar hierdoor is het wel logisch dat voor veel kinderen het hoofdverblijf na scheiding bij de moeder is en moeders soms moeite hebben met een uitgebreide omgangsregeling, omdat de vader vroeger ook nooit naar de kinderen omkeek.
De boodschap aan advocaten: Informeer uw cliënten vanaf het eerste moment over onrealistische verwachtingen, wijs hen op het feit dat het in het belang van de kinderen om zo min mogelijk te veranderen in hun dagelijks leven en de andere ouder niet zonder meer co-ouderschap kan afdwingen als hij altijd al fulltime gewerkt heeft. Ouders dienen tevens gestimuleerd te worden om niet alleen na te denken over de financiële regelingen na scheiding, maar ook over hetgeen rondom de verzorging en opvoeding van de kinderen geregeld moet worden als zij uit elkaar gaan.

Na de inleidingen volgt een korte discussie aan de hand van stellingen die door de spreeksters zijn opgesteld.
De bijeenkomst wordt afgesloten met de vertoning van een film, waarin kinderen van gescheiden ouders aan het woord komen alsmede met een dankwoord aan de sprekers en aanwezigen

Presentatie Jasper Krommendijk

Is ‘de politiek’ lui met rapporteren?
De impact en effectiviteit van verdragsrapportages in Nederland

Presentatie Jasper Krommendijk

Toelichting congres 2013

MENSENRECHTEN-VROUWENRECHTEN IN NEDERLAND          

“Kamerleden zijn lui met grondrechten en verdragen” luidde de kop boven een opinie artikel van Barbara Oomen, hoogleraar sociologie van de mensenrechten aan de Universiteit van Utrecht.
Dat inspireerde het bestuur om het komende Jaarcongres te wijden aan grondrechten en mensenrechten(verdragen) in Nederland en met name hoe deze hun doorwerking hebben in het overheidsbeleid en in de rechtspraak. Er liggen te veel verdragen rustig op een plank zonder dat deze worden ingekeken, laat staan dat deze worden betrokken bij het ontwikkelen of beoordelen van beleid en wetgeving. Dat geldt evenzeer vrouwenrechten.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog lag dat anders. Er was grote (politieke) betrokkenheid bijvoorbeeld bij de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Marga Klompé heeft zich hier flink voor ingezet.
In de Hoofdlijnenbrief  Emancipatie is expliciet verwoord dat vrouwenrechten onvervreemdbare mensenrechten zijn, die continu moeten worden bewaakt en beschermd. Dat klink goed, maar hoe zit het met de praktijk?
Vragen die op het congres aan de orde komen zijn:
Hoe is het in Nederland gesteld met de mensen/vrouwenrechten?  Hoe is de (politieke) aandacht hiervoor te krijgen en te intensiveren? Hoe staat het in andere landen met de invoering van mensenrechtenverdragen? Hoe staat het met de impact en effectiviteit van (het proces van) Statenrapportage over VN mensenrechtenverdragen in Nederland?

Naast prof. Barbara Oomen zullen mr. Laurien Koster (voorzitter College voor de Rechten van de Mens), mr. Jasper Krommendijk (promovendus Universiteit Maastricht) en anderen onder leiding van Prof. Titia Loenen deze onderwerpen aansnijden.
Niet voor niets wordt het congres gehouden in Utrecht waar dit jaar veel aandacht is voor mensenrechten vanwege de viering van 300 jaar Unie van Utrecht, stad van de Vrede.

Verslag VVR jaarcongres 2013

Verslag VVR jaarcongres Academiegebouw, Utrecht, 9 oktober 2013, 14 – 17 uur

De voorzitter van de VVR, mr. Mieke van der Burg, opent het congres en heet iedereen van harte welkom. Zij licht toe wat de VVR is en tevens wat de aanleiding is voor het congres en wenst iedereen een inspirerende middag.

Vervolgens introduceert de congresvoorzitter Titia Loenen het thema en de sprekers.

Prof. dr. Barbara Oomen, hoogleraar sociologie van de mensenrechten aan de Universiteit van Utrecht, is de eerste spreker. Zij is tevens de Dean van het University College Roosevelt Academy te Middelburg (RA). Zij leidt het thema in aan de hand van de vraag: In hoeverre is ‘de politiek’ inderdaad lui met grondrechten en verdragen? Dit naar aanleiding op haar opinieartikel in de NRC van 1 maart 2012, “Kamerleden zijn lui met grondrechten en verdragen”, De aanleiding voor het thema voor dit jaarcongres van de VVR.

VVR houdt zich als NGO al jaren bezig met de ontwikkelingen rondom het VN vrouwenverdrag. In de Tweede Kamer wordt aan verdragen soms nauwelijks aandacht besteed.

Barbara Oomen behandelt eerst de oorsprong van de mensenrechten. Waar moet de mensenrechtengedachte vandaan komen? Art. 90-94 GW worden aangehaald en belangrijke verdragen. Daarnaast verwijst prof. Oomen naar een quote van Eleanor Roosevelt:

“Where, after all, do universal human rights begin? In small places, close to home – so close and so small that they cannot be seen on any maps of the world. Yet they are the world of the individual person; the neighborhood he lives in; the school or college he attends; the factory, farm, or office where he works. Such are the places where every man, woman, and child seeks equal justice, equal opportunity, equal dignity without discrimination. Unless these rights have meaning there, they have little meaning anywhere. Without concerted citizen action to uphold them close to home, we shall look in vain for progress in the larger world.”

De centrale stelling van Oomen is dat verdragen vaak worden gesteund om andere landen op te voeden en niet zozeer voor onszelf. Mensenrechtenverdragen worden in Nederland gezien als een exportproduct niet als iets dat voor Nederland een leidraad voor eigen beleid kan of moet zijn.

De tweede spreker, mr. Jasper Krommendijk, is onderzoeker aan de universiteit van Maastricht. Hij heeft promotie-onderzoek gedaan naar de effectiviteit van toezichthoudende comités inzake de uitvoering van VN verdragen en de rol van andere factoren in mensenrechtenverdragen. Vragen die hij aan de orde stelt zijn: Hoe staat het met de aanbevelingen van de toezichthoudende comités? Is de politiek lui met het rapporteren? Wat is de impact en effectiviteit van verdragsrapportages in Nederland?

De regering verwijst uit zichzelf nauwelijks naar de aanbevelingen van de comités. Parlement geeft ook weinig aandacht aan mensenrechten, de verwijzingen zijn incidenteel. Vrouwenrechten komen relatief vaak aan bod. Er zijn actieve groepen die voor vrouwenrechten opkomen. Eigenlijk krijgen het vrouwenverdrag en het kinderrechtenverdrag voldoende aandacht, ongeveer driekwart van de energie wordt besteed aan deze twee verdragen. De Europese wetgeving EVRM/ EHRM wordt veel beter nageleefd dan VN verdragen. Wat doen de aanbevelingen? Ze helpen in ieder geval wel. Indien je weinig van de aanbevelingen verwacht kan je positief zijn over hun impact, indien je meer verwacht kan je teleurgesteld raken.
De vraag is: Hoe vergroot je de politieke aandacht?

Dit kan op verschillende manieren:

–        Aanhoudend gelobby van NGO’s

–        Aandacht en druk vanuit parlement

–        Interesse ambtenaren

–        Rechterlijke aandacht

–        Specifiekere aanbevelingen

Na de inleiding van Jasper Krommendijk volgt een discussie over beide inleidingen met het publiek. In het debat komen de volgende aspecten naar voren. Rechters weten vaak te weinig van mensenrechten, ze zijn niet vergroeid geraakt met deze verdragen (“Zit niet in hun DNA”), met uitzondering van het kinderrechtenverdrag. Hangt ook af van rechtstreekse werking van verdragsbepalingen. Juist IVESCR heeft wel/niet rechtstreekse werking. De vraag is: Is de politiek dan nog wel belangrijkste medium? Moet je niet eerder internationale rechten “privatiseren”? Bijvoorbeeld gelijke betaling van mannen en vrouwen. Moet dit niet eerder door private organisaties/ bedrijven worden opgepakt? Wie betaalt de rekening? Interessante ontwikkeling is de opkomst van Mensenrechtensteden. Daarmee passeer je de luie natiestaten. Utrecht en New York zijn voorbeelden van Mensenrechtensteden.

Na de pauze komt de derde spreker, mr. Laurien Koster aan het woord. Zij is de voorzitter van het College voor de Rechten van de Mens, het nationale mensenrechteninstituut dat toeziet op de bescherming van de mensenrechten in Nederland. Zij schetst de visie van het College op mensenrechten in Nederland. Het College bestaat nu een jaar. Het is een zelfstandig bestuursorgaan en de collegeleden zijn beschermd zoals rechters. Ze hebben ook vergelijkbare rechten zoals het kunnen opvragen van inlichtingen. Het College belicht, bewaart en beschermt de mensenrechten. Ook in Nederland is nog veel werk te verrichten om mensenrechten levend te maken. De Nederlandse bevolking is nog onvoldoende bewust van mensenrechten. Onderzoek naar kennisniveau van jongeren inzake mensenrechten heeft uitgewezen, dat dit in Nederland het slechtste is van heel Europa. Educatie niet alleen nodig voor jongeren. Ook alle professionals dienen geschoold te worden inzake mensenrechten op hun werkterrein.

De laatste spreker is mr. Coşkun Çörüz. Hij is ruim 12 jaar lid geweest van de Tweede Kamer en rapporteur Mensenrechten voor NL bij de Raad van Europa. Hij meldt vanuit zijn ervaring als Kamerlid dat Kamerleden zich inderdaad niet bezighouden met mensenrechten. Ze zijn eerder onwetend/ niet adequaat dan lui. Er heerst de veronderstelling dat het in Nederland toch wel goed geregeld is. Daardoor worden verdragen en aanvullende protocollen niet of laat geratificeerd. Mensenrechten hebben zeker in tijden van crisis geen prioriteit. NGO’s moeten het parlement daarom scherp houden op mensenrechten en vrouwenrechten.

Nadat alle sprekers aan het woord zijn gekomen volgt een paneldiscussie, waarbij Bouchra Dibi, gemeenteraadslid in Utrecht, aanschuift. Allereerst licht Bouchra Dibi toe wat de gemeente Utrecht doet aan mensenrechten (zie ook de nota: ‘Mensenrechten in Utrecht. Hoe geeft Utrecht invulling aan internationale mensenrechtenverdragen?’ van 29 september 2011). Zij meent dat politici niet heel bewust bezig zijn met mensenrechten, maar wel mensenrechten in de praktijk brengen, zoals opvang van illegalen. Zij is van mening dat geen sprake is van luiheid van politici maar wel gebrek aan kennis inzake mensenrechten. Bitter nodig dat NGO’s hen informeren.
De gemeente Utrecht wordt gezien als voorloper op het gebied van mensenrechten. Utrecht gaat, zoals vermeld, zelfs tegen het landelijk beleid in als  dat nodig is. Gemeentes zouden misschien ook meer op de hoogte moeten zijn van de “concluding observations” van mensenrechtencomités. Opnieuw volgt een pleidooi voor mensenrechteneducatie. Er bestaat al lang een platform mensenrechteneducatie, maar het zou ook in de kerndoelen voor het onderwijs moeten worden opgenomen. Mensenrechten vormen de fundamentele basis van de samenleving. Verdragen ratificeren is ‘gemakkelijk’, maar dan begint het pas!

Wat raden de panelleden de VVR aan om te doen? Wat hebben de sprekers nodig van de VVR ter vergroting van de bewustwording van en aandacht voor mensenrechten?
Het geduw en getrek van de VVR heeft wel degelijk effect. “Frapper toujours”. Daarvoor zijn vele wegen: soms rapportages, soms acties, soms rechterlijke procedures.  Ook is het van belang het debat aangaan met minder gelijkgezinden. Hetzelfde geldt op lokaal niveau, acteren op raadsniveau, het dicht bij huis bewust maken dat ook daar mensenrechten in het spel kunnen zijn. Hier komt de quote van Eleanor Roosevelt terug: verdragen hebben geen waarde als de bepalingen geen lokale betekenis aannemen. “In small places close to home, so small and so small that they cannot be seen on any maps of the world”.

De voorzitter bedankt alle spreker en de voorzitter op passende wijze. Zij bedankt tevens alle aanwezigen, meldt dat er een verslag komt met sheets en sluit het congres met de uitnodiging voor een drankje.

Alfahulpconstructie door Hof verworpen

Het  Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden heeft bepaald dat alfahulpen die werken via de bemiddeling van een thuiszorginstelling een arbeidsovereenkomst hebben met die thuiszorginstelling. De VVR heeft de alfahulp van meet af aan bijgestaan. De procedure voor de kantonrechter is gefinancierd door het Proefprocessenfonds en het Hoger Beroep door Abvakabo FNV.

Hier is een link naar de uitspraak.