Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 28 juni 1990

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


S. vordert dat Karin Bloemen geen mededelingen in de pers mag doen over
de door haar toekomstige man gepleegde incest met Bloemen. Zo’n algemeen
verbod is nooit toewijsbaar en omdat Bloemen volgens de President ook niet de
grenzen van de vrijheid om over haar ervaringen als incestslachtoffer te
spreken heeft overtreden, wordt de vordering van S. afgewezen. De
stiefvader zelf had zijn relaas aan het weekblad prive verteld en hij was door
de strafrechter wegens incest met zijn stiefdochters veroordeeld

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 18 juni 1990 heeft eiseres, verder S., gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding,
zij het dat zij het bedrag, waarop de dwangsom zou moeten worden gesteld,
heeft verminderd

Gedaagde, hierna Bloemen, heeft verweer gevoerd

Na verder debat hebben partijen hun stukken, waaronder van weerszijden
produkties en een pleitnota, voor het verkrijgen van vonnis overgelegd

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. Tot uitgangspunt dient:

a. Begin 1988 heeft het Hof te Amsterdam een vonnis van de Rechtbank te
Alkmaar bekrachtigd, waarbij K., die tot eind 1976 gehuwd is geweest met de
moeder van Bloemen, is veroordeeld wegens het plegen van incest gedurende een
groot aantal jaren met Bloemen en haar twee zusters

b. Bloemen is een bekende artieste die regelmatig op de televisie te
zien is en over wie dan ook vaak in de pers (vooral in bladen als Story en
Prive) wordt bericht. Aan de omstandigheid dat zij slachtoffer was van
incest, wordt in de pers in ruime mate aandacht besteed

c. Kort na het arrest van het Hof is in Prive een interview met K.
gepubliceerd. In reaktie daarop heeft Bloemen -eveneens begin 1988- aan
Nieuwe Revu een interview gegeven dat is gepubliceerd onder de kop “Het leven
van Karin Bloemen”. De laatste pagina daarvan is in kopie aan dit vonnis
gehecht

d. In Januari 1990 is een televisieprogramma van Sonja Barend
uitgezonden, waarin Barend Bloemen heeft geinterviewd. Daarin is ook over
incest gesproken. In april van dit jaar is vervolgens in Nieuwe Revu een
tweede interview met Karin Bloemen gepubliceerd onder de kop “Het leven van
Karin Bloemen”. Ook daarvan is de laatste pagina in kopie aan dit vonnis
gehecht

e. In februari 1990 is K. met S., die in verwachting is, in het huwelijk
getreden

2. Jegens haar en haar nog ongeboren kind acht S. mededelingen van
Bloemen aan de pers over de door K. gepleegde incest onrechtmatig. Op die
grond vordert zij -zo moet haar vordering ingevolge de door haar procureur ter
zitting gegeven toelichting worden verstaan- dat Bloemen wordt verboden in het
openbaar enige mededelingen te doen over haar ervaring als slachtoffer van
incest

3. Een zodanig ruim verbod is in geen geval toewijsbaar omdat het een
slachtoffer van een misdrijf vrij staat over zijn of haar ervaring te spreken

4. Die vrijheid kent weliswaar grenzen maar niet is gebleken dat Bloemen
die grenzen heeft overschreden of dreigt te overschrijden

Het interview van begin 1988 moet worden gezien als een felle maar
begrijpelijke reaktie op de kort voordien gepubliceerde uitspraken van K.
Daarom mag het noemen van de naam van K. in dat interview niet als
onrechtmatig worden gekenschetst. In de latere interviews, waarin -anders
dan S. meent- niets is gezegd dat onoirbaar is, heeft Bloemen zijn naam niet
meer genoemd. Bloemen is ook niet van plan de naam van K. nog te noemen
De omstandigheid dat in de woonplaats van S. algemeen bekend is dat K.
incest heeft gepleegd, waarvan Bloemen het slachtoffer is geworden,
rechtvaardigt niet dat Bloemen voortaan haar mond zou moeten houden

5. Voor enig verbod is dan ook geen plaats. S. moet de kosten dragen

BESLISSING:

1. Weigert de gevraagde voorziening

2. Veroordeelt S. in de kosten van het geding, tot deze uitspraak aan d
e zijde van Bloemen begroot op ƒ 250,= aan vastrecht en op ƒ 700,= aan
procureurssalaris

Rechters

mr. J.M. Vrakking, als fungerend president

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 28 juni 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Raad acht, mede in het licht van zijn uitspraak van 14 mei 1987, in
de WUV geen grond aanwezig waarop, overigens in tegenstelling tot wat gehuwde
mannen te beurt valt, de periodieke uitkering aan klaagsters slechts voorlopig
toegekend zou kunnen worden.
1989/356; WUV 1989/357; WUV 1989/360; WUV 1989/434; WUV 1989/474; WUV1989/485; WUV 1989/503; WUV 1989/507; WUV 1989/515; WUV 1989/516; WUV 1989/518en WUV 1990/49

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Verweerder heeft op diverse data in 1989 ten aanzien van klaagsters na
gemaakt bezwaar een beslissing genomen, waarvan een voorbeeld in fotokopie aan
deze uitspraak is gehecht.

Tegen die beslissing is door of namens klaagsters bij de Raad beroep
ingesteld.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van 7 juni 1990,
waar klaagsters niet in persoon zijn verschenen. Voor klaagster sub 1 is
aldaar verschenen mr M.J.M. ten Voorde, advocaat te Amsterdam en voor
klaagsters sub 3 t/m 6 mr R.E. Cohen, juridisch adviseur te Amsterdam, terwijl
voor klaagsters sub 2, 7, 8 en 11 is opgetreden mr J.F. van Baarsen, advocaat
en procureur te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door
C.J. van der Zaan, werkzaam bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.

2. Motivering

In zijn uitspraak van 14 mei 1987, geregistreerd onder nr. WUV 1984/82,
heeft de Raad verstaan dat het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940- 1945, hierna te noemen: de Wet,
inhoudende dat aan een gehuwde vrouw geen (periodieke) uitkering ingevolge de
Wet toekomt tenzij zij aan bepaalde voorwaarden voldoet, strijd oplevert met
het bepaalde in artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten
en Politieke Rechten; dat zulks grond biedt aan de consequentie dat genoemd
artikel 7, vierde lid, van de Wet op grond van artikel 94 van de Grondwet in
rechte geen toepassing vindt en dat deze consequentie te rekenen van 23
december 1984 in rechte is te aanvaarden.

Deze uitspraak heeft er toe geleid dat verweerder klaagsters, allen
gehuwde vrouwen, ook al voldeden zij niet aan het bepaalde in artikel 7,
vierde lid, van de Wet, voor een uitkering ingevolge de Wet in aanmerking
heeft gebracht.

Blijkens de desbetreffende toekenningsbeslissingen is die uitkering
echter voorlopig verleend, in afwachting van een nadere wettelijke regeling.

Bezwaren die klaagsters tegen deze beslissingen hebben ingebracht zijn
afgewezen bij de thans bestreden beslissingen.

De grieven van klaagsters richten zich tegen de voorlopige toekenning.
Op verschillen gronden hebben zij gevorderd dat de uitkering, waarop zij
aanspraak maken, definitief wordt verleend.

De Raad onderschrijft de grieven van klaagsters.

Hoewel uit het betoog van de gemachtigde van verweerder ter
terechtzitting valt af te leiden dat verweerder met de kwalificatie
‘voorlopig’ niet meer bedoeld heeft dan de betrokkenen er attent op te maken
dat een ontworpen wetswijziging mogelijk tot verkorting van de aanspraken van
klaagsters zal leiden, acht de Raad, mede in het licht van zijn hiervoor
genoemde uitspraak, in de Wet geen grond aanwezig waarop, overigens in
tegenstelling tot wat gehuwde mannen te beurt valt, de periodieke uitkering
aan klaagsters slechts voorlopig toegekend zou kunnen worden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede het bepaalde in artikel
80a, vijfde lid, van de Beroepswet is de Raad tenslotte van oordeel dat het
door ieder van klaagsters gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

3. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende in naam der koningin!

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden beslissingen,
alsmede de daaraan ten grondslag liggende beslissingen, voor zover daarbij de
toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 voorlopig heeft plaatsgevonden.

Bepaalt dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 80 a, vijfde
lid, van de Beroepswet het door klaagsters gestorte griffierecht van ƒ 50,-
dient te vergoeden.-

Noot

1. Ruim drie jaar na de befaamde Walvisch-uitspraak van 14 mei 1987
stond een aantal van de sindsdien in het bezit van een WUV- uitkering gestelde
gehuwde vrouwelijke vervolgingsslachtoffers weer op de stoep bij de Centrale
Raad van Beroep. Al die tijd had de Uitkeringsraad de kennelijke tegenzin,
waarmee de Minister van WVC gevolg gaf aan de beslissing van de hoogste
rechter, vertaald in het merkwaardige predikaat van ‘voorlopigheid’ voor de
uitkeringen aan de betreffende groep vrouwen. Merkwaardig, omdat hun aanspraak
op een uitkering sinds de Walvisch-uitspraak stond als een huis, even solide
als het recht van mannelijke WUV-gerechtigden in gelijke omstandigheden, zij
het dat het laatste al vanaf de aanvang in de wet verankerd was geweest. In
zijn artikel Het taaie onbegrip in Nemesis 1989, nr. 1 (pag. 16-19) besprak
Gerard Polak naast ander taai onbegrip ook de ‘abnormaliteit’ van deze
‘voorlopige toekenningen’. ‘De toepassing van de WUV op deze wijze geschiedt
met instemming van de Minister’, aldus de Uitkeringsraad in de afwijzende
beslissingen op de bezwaarschrif- ten. ‘Ter verduidelijking zij opgemerkt dat
het bedoelde voorbe- houd er louter toe strekt u te wijzen op de mogelijkheid
dat over enige tijd een wetgeving van kracht wordt die misschien tot een
wijziging van uw aanspraak verplicht.’ Met andere woorden: de boodschap
behelst slechts dat de Minister voornemens is in de nieuwe wet aan uw
(eindelijk) verkregen rechten te tornen. Dat bleek. Het bewuste wetsvoorstel,
dat op 19 mei 1989 bij de Tweede Kamer werd ingediend, gaf aan dat voornemen
op nogal onverschrok- ken wijze vorm. (Zie: Bolten en Polak, Wieder nicht gut
gemacht, in Nemesis 1990 nr. 2, pag. 54-60.) De Minister beriep zich daarbij
in de Memorie van Toelichting onder meer op het feit dat de betrokken vrouwen
in de toekenningsbeslissingen waren gewaar- schuwd. De Centrale Raad van
Beroep heeft met bovenstaande uitspraak die waarschuwingen onrechtmatig
verklaard. Gelet op de ratio van de WUV-uitkering kan het geen kwaad daarbij
vast te stellen dat het dan ook ging om onnodige leedtoevoeging.

2. De Raad van State had al op 20 mei 1988 in zijn advies met betrekking
tot het genoemde wetsvoorstel te verstaan gegeven dat de uitkeringen van de
betreffende vrouwen als verkregen rechten dienden te worden geeerbiedigd. (Zie
uitvoeriger hierover: Bolten en Polak, l.c., pag. 57 en 59.) De
wetsgeschiedenis van de WUV lijkt in droevigheid te excelleren. Wat te denken
van de volgende zinsneden van de Raad van State?

‘De aanleiding tot indiening van dit wetsontwerp is gelegen in een
verschil van inzicht tussen de Centrale Raad van Beroep en de Uitkeringsraad,
belast met de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
1940-1945 (…).’

‘Het onderhavige wetsontwerp nu strekt ertoe aan de interpretatie van de
Uitkeringsraad (…) kracht van wet te verlenen.’

‘De Raad heeft zich overigens nog afgevraagd waarom, indien bedoelde
jurisprudentie zo bezwaarlijk is, het dan meer dan drie jaren heeft geduurd
voordat dit wetsontwerp aanhangig wordt gemaakt.’

‘Samenvattend is de Raad van oordeel dat (…) de (…) voorziening
tekort doet aan het beginsel dat in een rechtsstaat rechterlijke uitspraken
behoren te worden geeerbiedigd.’

Het zijn citaten uit een advies van de Raad van State van 1981, naar
aanleiding van een voorstel van de toenmalige Staatssecretaris van CRM tot
wijziging van de WUV (op een punt dat hier niet ter zake doet). (TK 1980-1981,
16 833, nrs. A-C.)

3. Onder verantwoordelijkheid van de nieuwe Minister van WVC heeft de
behandeling van het bovengenoemde gelijkberechtigings- wetsvoorstel inmiddels
geleid tot een Memorie van Antwoord, vergezeld van een ingrijpende Nota van
Wijziging (TK 1989-1990, 21 154, nrs. 6 en 7).

Aangezien Minister d’Ancona het vervallen van art. 8, vijfde lid, van de
WUV ongedaan maakt, is ten aanzien van de uitkeringen op de voet van die
bepaling het door de Raad van State gewraakte overgangsrecht thans uit het
wetsvoorstel verdwenen.

Rechters

Mr J.G. Treffers, voorzitter.

Instantie: Hof van Justitie EG, 27 juni 1990

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Opnieuw is de vraag aan de orde of een uitkering die de overheid aan
ambtenaren en werknemers verstrekt, loon is in de zin van art. 119
EEG-Verdrag

Volledige tekst

Urteil

1. Das Arbeitsgericht Hamburg hat mit Beschluss vom 12. Dezember 1988,
beim Gerichtshof eingegangen am 9. Februar 1989, gemss Artikel 177 EWG-Vertrag
zwei Fragen nach der Auslegung von Artikel 119 EWG-Vertrag und der Richtlinie
75/117 EWG des Rates vom 10. Februar 1975 zur Angleichung der
Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten ber die Anwendung des Grundsatzet des
gleichen Entgelts fr Mnner und Frauen (ABl. L45, S. 19) zur Vorabentscheidung
vorgelegt

2. Diese Fragen stellen sich in einem Rechtsstreit zwischen der Klgerin
Kowalski und ihrem ehemaligen Arbeitgeber, der Freien und Hansestadt Hamburg,
ber den Anspruch der Klgerin auf bergangsgeld anlsslich ihres Ausschiedens aus
dem Berufsleben

3. Aus den Akten ergibt sich, dass fr das fraglich Arbeitsverhltnis der
BundesAngestelltentarifvertrag (BAT) galt. Gemss 62 BAT haben
vollbeschftigte Arbeitnehmer, die die Voraussetzungen hierfr erfllen, am Tage
der Beendigung des Arbeitsverhltnisses Anspruch auf ein bergangsgeld

4. Unter Berufung auf diese Vorschrift versagte die Beklagte der Klgerin
die Zahlung des bergangsgelds mit der Begrndung, sie sei teilzeitbeschftigt
gewesen

5. Die Klgerin sah darin eine gesetzwidrige mittelbare Diskriminierung
und erhob beim Arbeitsgericht Hambrug Klage. Nach Auffassung des
vorlegenden Gerichts wirft diese Klage Fragen nach der Auslegung der artikel
117 und 119 EWG-Vertrag sowie der Richtlinie 75/117 auf. Es hat daher das
Verfahren ausgesetzt und dem Gerichtshof folgende Fragen zur Vorabentscheidung
vorgelegt:

1. Liegt ein Verstoss gegen artikel 119 des EWG-Vertrages von 1957 in
der Form der “mittelbaren Diskriminierung von Frauen” vor, wenn ein
Tarifvertrag fr den ffentlichen Dienst der Bundesrepublik Deutschland ein
bergangsgeld in Hhe von bis zu vier Monatsgehltern, dessen historische
Grundlage im Beamtenrecht liegt, bei unverschuldetem Ausscheiden aus dem
Angestelltenverhltnis (insbesondere bei Erreichen der Altersgrenze,
entsprechender Pensionierung, Arbeitsfhigkeit oder wesentlicher Herabsetzung
der Arbeitsfhigkeit) vorsieht, jedoch Angestellte, mit denen nicht die volle
regelmssige Arbeitszeit (38 Stunden pro Woche) vereinbart worden ist, von der
Zahlung dieses bergangsgeldes ausnimmt, und der anteil der
teilzeitbeschftigten Frauen an der Gesamtzahl der teilzeitbeschftigten
Angestellten, die unter den Tarifvertrag fallen, erheblich grsser ist als der
Frauenanteil an der Gesamtzahl der unter den Tarifvertrag fallenden
vollzeitbeschftigten Angestellten?

2. Fr den Fall der Bejahung der Frage 1: Gebieten Artikel 119 in
Verbindung met Artikel 117 des EWG-Vertrges und/oder die Regelung der
Richtlinie 75/117/EWG des Rates, dass den Teilzeitbeschftigten entgegen der
Regelung im Tarifvertrag ein (dem Verhltnis des Umfangs ihrer Beschftigung
entsprechender) Anspruch auf das bergangsgeld zusteht, oder scheitert ein
derartiger Anspruch an der Regelungsautonomie der Tarifvertragsparteien?

6. Wegen weiterer Einzelheiten des Sachverhalts des Ausgangsverfahrens,
der fraglichen gemeinschaftsrechtlichen Vorschriften, des Verfahrensablaufs
und der beim Gerichtshof eingereichten schriftlichen Erklrungen wird auf den
Sitzungsbericht verwiesen. Der Akteninhalt wird im folgenden nur insoweit
wiedergegeben, als die Begrndung des Urteils dies erfordert

Zur ersten Frage

7. Die erste Frage des vorlegenden Gerichts geht dahin, ob Artikel 119
EWG-Vertrag der Regelung eines Tarifvertrags fr den ffentlichen Dienst
entgegensteht, nach der die Arbeitgeber nur vollzeitbeschftigten Arbeitnehmern
ein bergangsgeld beim Ausscheiden aus dem Arbeidsverhltnis zahlen, wenn zur
Gruppe der Teilzeitbeschftigten weit mehr Frauen als Mnner gehren

8. Zur Beantwortung dieser Frage ist zunachst zu prfen, ob das den
Arbeitnehmern beim Ausscheiden aus dem Arbeitsverhltnis gewhrte bergangsgeld
in den Anwendungsbereich von Artikel 119 EWG-Vertrag fllt

9. Wie der Gerichtshof entschieden hat, umfasst der Begriff des Entgelts
im Sinne von Artikel 119 Absatz 2 alle gegenwrtigen oder knftigen in bar onder
in Sachleistungen gewhrte Vergtungen, vorausgesetzt, dass sie der Arbeitgeber
dem Arbeitnehmer wenigstens mittelbar aufgrund des DienstVerhltnisses zahlt
(vgl. zuletzt das Urteil vom 17. Mai 1990 in der Rechtssache 262/88,
Barber/Guardian Royal Exchange Assurance Group [Rechtspraak Nemesis 1990 nr
116], noch nicht in der amtlichen Sammlung verffentlicht, Randnr. 12).
Demnach schliesst der Umstand, dass bestimmte Leistungen nach Beendigung des
Arbeitsverhltnisses erbracht werden, ihren Entgeltcharakter in Simme des
artikels 119 EWG-Vertrag nicht aus

10. Das dem Arbeitnehmer beim Ausscheiden aus dem Arbeitsverhltnis
gewhrte bergangsgeld stellt eine Art aufgeschobenes Entgelt dar, auf das der
Arbeitnehmer aufgrund seines Arbeitsverhltnisses Anspruch hat, das ihm aber
erst bei der Beendigung des Arbeitsverhltnisses gezahlt wird, um ihm die
Anpassung an die dadurch entstandenen neuen Umstnde zu erleichtern (vgl.
ebenso das Urteil vom 17. Mai 1990 in der Rechtssache 262/88)

11. Hieraus folgt, dass ein dem Arbeitnehmer beim Ausscheiden aus dem
Arbeitsverhltnis gewhrtes bergangsgeld grundstzlich unter den Begriff des
Entgelts im Sinne des artikels 119 EWG-Vertrags fllt

12. Da artikel 119 zwingenden Charakter hat, ist das Verbot der
diskriminierenden Ungleichbehandlung von mnnlichen und weiblichen
Arbeitnehmern nicht nur fr die Behrden verbindlich, sondern es erstreckt sich
auch auf alle Tarifvertrge, die die abhngige Erwerbsttigkeit kollektiv regeln,
und auf alle Vertrge zwischen Privatpersonen (vgl. Urteil vom 8. April 1976 in
der Rechtssache 43/75, Defrenne, Slg. 1976, 455, Randnr. 39)

13. Aus den Akten ergibt sich, dass das bergangsgeld beim Ausscheiden
aus dem Arbeitsverhltnis nach der einschlgigen Bestimmung des Tarifvertrags
nur vollzeitbeschftigten Arbeitnehmern zusteht. Ein Tarifvertrag wie der
hier in Rede stehende, der es den Arbeitgebern gestattet, zwischen zwei
Gruppen von Arbeitnehmern – denjenigen, die eine bestimmte Mindestzahl von
arbeitsstunden pro Woche oder pro Monat leisten, und denen, die bei gleicher
Arbeit diese Mindeststundenzahl nicht erreichen – einen Unterschied beim
Gesamtentgelt aufrechtzuerhalten, fhrt jedoch faktisch zu einer
Diskriminierung der weiblichen Arbeitnehmer im Verhltnis zu den mnnlichen,
wenn sich herausstellt, dass prozentual erheblich weniger Mnner als Frauen
teilzeitbeschftigt sind. Ein derartiger Tarifvertrag muss grundstzlich als
Artikel 119 EWG- Vertrag zuwiderlaufend angesehen werden. Anders wre dies
nur, wenn die unterschiedliche Behandlung der beiden Arbeitnehmergruppen durch
objektive Faktoren gerechtfertigt ist, die nichts mit einer Diskriminierung
aufgrund des Geschlechts zu tun haben (vgl. Urteil vom 13. Mai 1986 in der
Rechtssache 170/84, Bilka-Kaufhaus, Slg. 1986, 1607)

14. Im Verfahren hat die Stadt Hamburg im wesentlichen geltend gemacht,
die Teilzeitbeschftigten kmen fr ihren Unterhalt und den Unterhalt ihrer
Familien nicht ausschliesslich mit ihrem Arbeitsentgelt auf und demgemss
bestehe fr den Arbeitgeber keine Verpflichtung zu einer vorbergehenden
Untersttzung Teilzeitbeschftigter

15. Es ist Sache des vorlegenden Gerichts – das allein fr die
Beurteilung des Sachverhalts zustndig ist – festzustellen, ob und inwieweit
eine tarifvertragliche Bestimmung, die unterschiedslos fr alle Arbeitnehmer
gilt, im Ergebnis die Frauen jedoch strker trifft als die Mnner, durch
objektive Grnde gerechtfertigt ist, die nichts mit einer Diskriminierung
aufgrund des Geschlechts zu tun haben

16. Auf die erste Frage des vorlegenden Gerichts ist somit zu antworten,
dass Artikel 119 EWG-Vertrag dahin auszulegen ist, dass er der Anwendung einer
Bestimmung eines Tarifvertrags fr den nationalen ffentlichen Dienst
entgegensteht, die es den Arbeitgebern gestattet, Teilzeitbeschftigte von der
Zahlung eines bergangsgeldes beim Ausscheiden aus dem Arbeitsverhltnis
auszunehmen, wenn sich herausstellt, dass prozentual erheblich weniger Mnner
als Frauen teilzeitbeschftigt sind, es sei denn, der Arbeitgeber legt dar,
dass diese Bestimmung durch objektive Faktoren gerechtfertigt ist, die nichts
mit einer Diskriminierung aufgrund des Geschlechts zu tun haben

Zur zweiten Frage

17. Gegenstand der zweiten Frage sind die Folgen, die sich –
insbesondere im Hinblick auf die Regelungsautonomie der Tarifvertragsparteien
– ergben, wenn das vorlegende Gericht die Unvereinbarkeit einer Bestimmung wie
der vorliegenden Tarifvertragsklausel mit Artikel 119 EWG-Vertrag feststellte

18. Wie der Gerichtshof im Urteil vom 8. april 1976 in der Rechtssache
43/75 entschieden hat, ist Artikel 119 EWG-Vertrag hinreichend bestimmt, so
dass ein Betroffener vor einem innerstaatlichen Gericht unter Berufung auf
diese Bestimmung verlangen kann, dass das Gericht nationale
Rechtsvorschriften, einschliesslich tarifvertraglicher Regelungen, die mit
Artikel 119 unvereinbar sind, ausser Anwendung lsst

19. Aus dem Urteil vom 13. Dezember 1989 in der Rechtssache C- 102/88
(Ruzius-Wilbrink, noch nicht in der amtlichen Sammlung verffentlicht) ergibt
sich, dass in einem Fall mittelbarer Diskriminierung die Angehrigen der
benachteiligten Gruppe, sei es die der Mnner oder der Frauen, entsprechend dem
Unfang ihrer Beschftigung Anspruch auf Anwendung der gleichen Regelung wie die
brigen Arbeitnehmer haben. Dies gilt auch fr diskriminierende Regelungen in
Tarifvertrgen

20. Somit ist auf die zweite Frage zu antworten, dass im Falle einer
mittelbaren Diskriminierung durch eine Bestimmung eines Tarifvertrags die
Angehrigen der dadurch benachteiligten Gruppen entsprechend dem Umfang ihrer
Beschftigung Anspruch auf die gleiche Behandlung und auf Anwendung der
gleichen Regelung wie die brigen Arbeitnehmer haben, wobei diese Regelung,
solange Artikel 119 EWG-Vertrag nicht ordnungsgemss in das innerstaatliche
Recht umgesetzt ist, das einzig gltige Bezugssystem bleibt

Kosten

21. Die Auslagen der Kommission der Europaschen Gemeinschaften, die
Erklrungen beim Gerichtshof eingereicht hat, sind nicht erstattungsfhig. Fr
die Parteien des Ausgangsverfahrens ist das Verfahren ein Zwischenstreit in
dem bei dem vorlegenden Gericht anhngigen Rechtsstreit; die Kostenentscheidung
ist daher Sache dieses Gerichts

Auf diesen Grnden hat der Gerichsthof auf die ihm vom Arbeitsgericht
Hamburg met Beschluss vom 7. Februar 1989 vorgelegten Fragen fr Recht
erkannt:

1. Artikel 119 EWG-Vertrag ist dahin auszulegen, dass es der Anwendung
einer Bestimmung eines Tarifvertrags fr den nationalen ffentlichen Dienst
entgegensteht, die er den Arbeitgebern gestattet, Teilzeitbeschftigten von der
Zahlung eines bergangsgeldes beim Ausscheiden aus dem Arbeitsverhltnis
auszunehmen, wenn sich herausstellt, dass prozentual erheblich weniger Mnner
als Frauen teilzeitbeschftigt sind, es sei denn, der Arbeitgeber legt dar,
dass diese Bestimmung durch objektive Faktoren gerechtfertigt ist, die nichts
mit einer Diskriminierung aufgrund des Geschlechts zu tun haben

2. Im Falle einer mittelbaren Diskriminierung durch eine Bestimmung
eines Tarifvertrags haben die Angehorigen der dadurch benachteiligten Gruppe
entsprechend dem Umfang ihrer Beschaftigung Anspruch auf die gleiche
Behandlung und auf Anwendung der gleichen Regelung wie die brigen
Arbeitnehmer, wobei diese Regelung, solange artikel 119 EWG-Vertrag nicht
ornungsgemss in das innerstaatliche Recht umgesetzt ist, das einzig gltige
Bezugssystem bleibt

Rechters

Mrs Kakouris, Schockweiler, Mancini, O’Higgins en Diez de Velasco

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 25 juni 1990

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


De moeder en de vader hebben een relatie gehad van 1982 tot begin 1986
Eind 1986 is er een kind geboren. De vader is de verwekker. Tussen
de vader en het kind is nooit contact geweest. De vader weigert het kind te
erkennen. De moeder verzoekt de Rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke
stand te gelasten een akte van erkenning op te maken waarin wordt vastgesteld
dat de vader het kind erkent als zijn natuurlijk kind. Bovendien vordert de
moeder kinderalimentatie voor het kind

De Rechtbank oordeelt dat het feit dat de huidige wettelijke regeling
het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen een buiten huwelijk
geboren kind en zijn verwekker geheel van de medewerking van de verwekker
afhankelijk moet zijn, in strijd is met artikel 8 en/of artikel 14 EVRM.
Evenzeer als het toekennen van een absoluut veto-recht aan de moeder in strijd
is met artikel 8 EVRM, geldt dat ook voor het toekennen van een met een
absoluut veto-recht gelijk te stellen rechtspositie aan de biologische vader
Een dergelijke rechtspositie van de verwekker doet, volgens de Rechtbank,
onvoldoende recht aan de aanspraken die het kind aan artikel 8 EVRM kan
ontlenen op de vestiging van een familierechtelijke rechtsbetrekking met zijn
biologische vader

De Rechtbank poogt aansluiting te vinden bij het wetsvoorstel nr. 20.626
met betrekking tot afstammingswetgeving

Het kind heeft volgens de Rechtbank op grond van artikel 8 EVRM een
aanspraak op het vestigen van een familierechtelijke relatie. De Rechtbank
neemt daarbij in aanmerking dat de vader niet slechts de biologische vader van
het kind is (zoals ook bij donorinseminatie), doch haar verwekker, uit wiens
seksuele relatie met haar moeder zij is geboren

De Rechtbank gelast de ambtenaar van de Burgerlijke Stand een akte van
erkenning op te maken

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Op 14 juli 1989 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een
verzoekschrift met bijlagen d.d. 14 juli 1989 van:

(…), verder te noemen X., wonende te Rotterdam, procureur eerst Jhr.
mr. T.H. de Villeneuve, thans mr. W.L. Stolk, ertoe strekkende, voor zover
mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair:

1. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Rotterdam te gelasten een
akte van erkenning op te maken krachtens welke nader te noemen Y. de
minderjarige (…), geboren te Rotterdam op 28 november 1986, verder te noemen
M., als zijn wettig en natuurlijk kind erkent en deze akte in de daartoe
bestemde registers op te nemen

2. Het bedrag, dat Y. ten titel van levensonderhoud van M. aan X. moet
verstrekken met ingang van december 1986, althans met ingang van zodanige
datum als de rechtbank zal vermenen te behoren, te bepalen op ƒ 400,– per
maand, vermeerderd met iedere uitkering, die hem op grond van de geldende
wetten en/of regelingen ten behoeve van voornoemde minderjarige kan en zal
worden verleend, bij vooruitbetaling te voldoen

subsidiair:

Het bedrag, dat Y. ten titel van levensonderhoud van M. aan X. moet
verstrekken met ingang van december 1986, althans met ingang van zodanige
datum als de rechtbank zal vermenen te behoren, te bepalen op ƒ 400,– per
maand, vermeerderd met iedere utkering, die hem op grond van de geldende
wetten en/of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan en zal worden
verleend, bij vooruitbetaling te voldoen

primair en subsidiair:

De kosten van deze procedure te compenseren zodanig, dat iedere partij
de hare draagt

Op 24 augustus 1989 is ter griffie ingekomen een verweerschrift d.d. 24
augustus 1989 van:

(…), verder te noemen Y., wonende te Rotterdam, procureur mr. J.W.D.
van Oldenborgh, ertoe strekkende

1. X. niet ontvankelijk te verklaren in haar primaire verzoeken, althans
haar deze te ontzeggen

2. Het subsidiaire verzoek van X. slechts toe te wijzen tot een bedrag
van ƒ 250,– per maand vanaf de datum van de beschikking

Ter terechtzitting van 21 mei 1990 heeft X. een wijziging (d.d. 21 mei
1990) van haar verzoekschrift (met bijlagen) ingediend, ertoe strekkende –
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad -1. primair:

De ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Rotterdam te gelasten een akte
van erkenning op te maken krachtens welke Y. M. als zijn natuurlijk kind
erkent en deze akte in de daartoe bestemde registers op te nemen

2. subsidiair:

De ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Rotterdam te gelasten een akte
van erkenning op te maken, krachtens welke wordt vastgesteld, dat M. het
natuurlijk kind is van Y. en deze akte in de daartoe bestemde registers op te
nemen

3. primair en subsidiair:

Het bedrag dat Y. ten titel van levensonderhoud van M. aan X. moet
verstrekken met ingang van december 1986, althans met ingang van zodanige
datum als de rechtbank zal vermenen te behoren, te bepalen op ƒ 400,– per
maand

4. meer subsidiair:

Het bedrag, dat Y. ten titel van levensonderhoud van M. aan X. moet
verstrekken met ingang van december 1986, althans met ingang van zodanige
datum als de rechtbank zal vermenen te behoren, te bepalen op ƒ 400,– per
maand

5. Uiterst subsidiair:

De kosten van deze procedure te compenseren zodanig dat iedere partij de
hare draagt

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met
gesloten deuren van 30 oktober 1989, 4 december 1989, 29 januari 1990, 26
maart 1990 en 21 mei 1990

Hiervan is proces-verbaal opgemaakt

De inhoud van gemelde bescheiden dient als hier ingevoegd te worden
beschouwd

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet dan wel voldoende
gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de
overgelegde produkties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. X. heeft (in elk geval) vanaf 1982 tot begin 1986 een relatie gehad
met Y., in welke relatie sprake was van seksuele gemeenschap

b. Op 28 november 1986 is uit X. M. geboren. M. is niet door een
andere man erkend

c. Y. is de verwekker van M. Tussen Y. en M. heeft nimmer enig
contact plaatsgehad. Y. weigert M. als zijn dochter te erkennen

3. De stellingen van partijen

3.1 X. baseert haar primaire en subsidiaire verzoeken op voormelde va
ststaande feiten, alsmede op de volgende stellingen:

a. Door de weigering van Y. M. als zijn dochter te erkennen, wordt M. in
haar rechten geschaad, in materiele sfeer door verlies van erfrechtelijke
aanspraken en door het feit dat zij minder onderhoudsaanspraken heeft, in de
immateriele sfeer door het gemis van een vader. M. heeft er recht op en
belang bij dat zij alsnog door Y. wordt erkend, althans dat deze
familierechtelijke band, ook zonder dat Y. hieraan zijn medewerking verleent,
door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in een daartoe bestemde akte wordt
neergelegd

b. De huidige Nederlandse wetgeving, die niet de mogelijkheid biedt een
familierechtelijke betrekking te doen ontstaan tussen een kind en zijn
biologische vader, indien die vader niet tot erkenning bereid is, is in strijd
met artikel 8 EVRM

c. De huidige Nederlandse wetgeving is bovendien in strijd met artikel
14 jo. artikel 8 EVRM. Immers een binnen het huwelijk geboren kind heeft
automatisch een juridische familieband met de man met wie de moeder gehuwd is,
terwijl het buiten huwelijk geboren kind voor het ontstaan van een familieband
afhankelijk is van de erkenning door de man/verwekker. De huidige
Nederlandse wetgeving verzekert bovendien niet gelijkelijk het recht van de
verwekker en het recht van het kind om het vaderschap juridisch te laten
vaststellen

d. Het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van onwettige kinderen
van 15 oktober 175 schept onder meer de mogelijkheid dat het vaderschap
gerechtelijk wordt vastgesteld bij gebreke van een vrijwillige erkenning door
de verwekker. Hoewel Nederland dit verdrag niet heeft ondertekend, is het
toch van groot belang voor de Nederlandse rechtsorde

e. De nieuwe Nederlandse wetgeving ter zake, die in voorbereiding is
(wetsvoorstel nr. 20.626), geeft de moeder van het kind de mogelijkheid het
vaderschap gerechtelijk te laten vaststellen

f. Indien in deze procedure wordt vastgesteld dat M. een natuurlijk kind
is van Y., heeft zij op grond van artikel 392 boek 1 BW een aanspraak op een
uitkering tot levensonderhoud op Y

3.2 Y. betwist de primaire en subsidiaire verzoeken, stellende:

a. De huidige wetgeving kent niet de mogelijkheid van gedwongen
erkenning

b. Artikel 8 EVRM schrijft niet voor dat erkenning van een onwettig kind
door de verwekker afgedwongen moet kunnen worden

c. Er is in casu geen sprake van “familie-life” tussen Y. en M. Het
enkele biologische vaderschap is daartoe niet voldoende. Reeds om die reden
kan een beroep op artikel 8 EVRM niet slagen

d. Het is nog allerminst zeker of het wetsvoorstel nr. 20.626, dat de
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap mogelijk moet maken, door de
Tweede Kamer zal worden aangenomen

e. Een gedwongen erkenning ontneemt M. de mogelijkheid dat zij in de
toekomst door een andere man wordt erkend. Zij zal daardoor bovendien de
achternaam “Y.” gaan dragen

f. Het belang van M., dat zij erfrechtelijke aanspraken jegens Y.
verwerft, is niet een belang dat artikel 8 EVRM beoogt te beschermen

g. X. heeft bewust gekozen voor het krijgen van een kind, zulks tegen de
wil van Y. in en tegen de afspraken die X. en Y. hierover hadden gemaakt.
Afgesproken was dat X. een abortus zou ondergaan indien zij zwanger zou
worden. Y. heeft het ernstige vermoeden dat X. bewust slordig is geweest
met het gebruik van de pil en het risico van zwangerschap bewust heeft
genomen

4. De beoordeling

De ontvankelijkheid

4.1 Artikel 349 lid 1 boek 1 BW bepaalt, dat een voogd die zonder
machtiging van de kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte
optreedt, niet-ontvankelijk wordt verklaard. Weliswaar is in casu niet
gebleken dat X. over een machtiging van de kantonrechter als vorenbedoeld,
beschikt. Toch is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot
niet-ontvankelijkverklaring van X. in haar verzoeken dient te leiden,
aangezien artikel 406 lid 4 Rv in casu analoog van toepassing moet worden
geacht

De wijziging van het verzoek

4.2 X. heeft bij een ter terechtzitting overgelegde akte haar
verzoekschrift gewijzigd zoals hiervoor vermeld. Y. heeft hiertegen ter
terechtzitting bezwaar gemaakt. De rechtbank staat de wijziging van het
verzoek, gelet op artikel 429i Rv, toe, nu deze niet van dien aard is dat Y.
daardoor in zijn mogelijkheid verweer te voeren onredelijk is bemoeilijkt

De beoordeling van de primaire en subsidiaire verzoeken ten gronde

4.3 De huidige wetgeving ten aanzien van de erkenning van buiten
huwelijk geboren kinderen (artikel 224 boek 1 BW) biedt enerzijds de moeder
een veto-recht, doordat de mogelijkheid van erkenning van haar toestemming
afhankelijk is gesteld, anderzijds biedt deze de vader de mogelijkheid het
onstaan van familiebetrekkingen tussen hem en het door hem verwekte kind te
voorkomen, doordat voor erkenning zijn medewerking is vereist

Ten aanzien van het absolute veto-recht van de moeder heeft de Hoge Raad
beslist, dat dit in strijd is met artikel 8 EVRM, omdat een biologische vader
en het door hem verwekte kind, tot wie hij in een als “family life” aan te
merken relatie staat, op grond van artikel 8 EVRM in beginsel over en weer
aanspraak erop hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als
familierechtelijke rechtsbetrekking (HR 8-4-1988, NJ 1989, 170). De Hoge
Raad heeft in die uitspraak geoordeeld, dat, in afwachting van nieuwe
wetgeving er in elke geval van uitgegaan moet worden, dat in zodanige situatie
het veto-recht van de moeder aan een rechterlijke toetsing onderworpen moet
kunnen worden, en dat, indien het weigeren van toestemming door de moeder is
aan te merken als misbruik van recht deze toestemming van de moeder vervangen
kan worden door een rechterlijke uitspraak

In zijn arrest van 18 mei 1990, RvdW 1990, 105, heeft de Hoge Raad
overwogen dat van misbruik van recht door de moeder sprake is, indien de
moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft

4.4 In casu ligt ter beslissing voor de vraag, of het feit dat de
huidige wettelijke regeling het ontstaan van een familierechtelijke betrekking
tussen een buiten huwelijk geboren kind en zijn verwekker geheel van de
medewerking van de laatste afhankelijk doet zijn, strijd oplevert met artikel
8 en/of artikel 14 EVRM

Naar het oordeel van de rechtbank is dit onmiskenbaar het geval.
Evenzeer als het toekennen van een absoluut veto-recht aan de moeder in strijd
is met artikel 8 EVRM, geldt dat ook voor het toekennen van een met een
absoluut veto-recht gelijk te stellen rechtspositie aan de biologische vader
Een dergelijke rechtspositie van de verwekker doet immers onvoldoende
recht aan de aanspraken die het kind aan artikel 8 EVRM kan ontlenen op de
vestiging van een familierechtelijke rechtsbetrekking met zijn biologische
vader

4.5 Dat ook de regering van oordeel is dat de huidige wettelijke
regeling op dit punt in strijd is met artikel 8 EVRM, blijkt wel uit het feit
dat zij in het wetsvoorstel nr. 20.626, bij de Staten-Generaal ingediend op 4
juli 1988, voorstelt naast de (vrijwillige) aanvaarding van het vaderschap een
mogelijkheid te creren tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap tegen
de wil van de verwekker. In de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel
motiveert de regering de invoering van deze mogelijkheid door te verwijzen
naar de wetgeving in de meeste andere Europese landen en naar het (niet door
Nederland ondertekende) Europees Verdrag inzake de rechtspositie van onwettige
kinderen van 15 oktober 1975, doch tevens door te verwijzen naar de
interpretaties van het Europese Hof met betrekking tot het EVRM in de zaak
Marckx (13-6-1979, NJ 1980, 462)

De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, zoals voorgesteld in
genoemd wetsvoorstel, kan slechts worden verzocht door de moeder binnen vijf
jaren na de geboorte van het kind (met een uitzondering voor het geval de
verwekker onvindbaar is). Zij heeft tot gevolg dat het kind jegens de vader
dezelfde onderhoudsaanspraken en erfrechtelijke aanspraken krijgt als thans
erkende natuurlijke kinderen hebben. Voor de naam van het kind en voor het
gezag over het kind heeft zij geen gevolgen. Het wetsvoorstel bevat geen
mogelijkheden tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van kinderen,
geboren voor de inwerkingtreding van de beoogde wetswijziging

4.6 Door Y. is aangevoerd, dat in casu een beroep op artikel 8 EVRM
reeds niet kan slagen, omdat er tussen hem en M. geen sprake is van “family
life” in de zin van dat artikel, mu hij nimmer contact heeft gehad met M. en
er ook in de toekomst wat hem betreft geen sprake zal zijn van een affectieve
band

De rechtbank is van oordeel dat, zelfs indien Y. in de toekomst op geen
enkele wijze enige affectieve relatie met M. wil aangaan, dit nog niet
betekent dat M. aan artikel 8 EVRM niet een aanspraak zou kunnen ontlenen op
het vestigen van een familierechtelijke relatie. Zij neemt hierbij in
aanmerking dat Y. niet slechts de biologische vader van M. is (hetgeen ook bij
donorinseminatie het geval zou zijn), doch haar verwekker, uit wiens seksuele
relatie met haar moeder zij is geboren

Het zou een te vergaande inperking van de aanspraken die het kind
ontleent aan artikel 8 EVRM zijn, in casu als eis te stellen dat er sprake is
geweest of zal zijn van contacten tussen Y. en M. Ook in het wetsvoorstel
nr. 20.626 wordt deze voorwaarde niet gesteld

Ook de (ter terechtzitting door X. uitdrukkelijk betwiste) stelling van
Y., dat X. in strijd met de afspraken zwanger is geworden c.q. geen abortus
heeft ondergaan, kan, indien zij al juist zou zijn, niet tot een ander oordeel
leiden. Evenzeer als X. heeft Y. immers welbewust het risico genomen dat X.
zwanger zou worden. Hij mag geacht worden zich van dit risico zeer wel
bewust te zijn geweest, temeer nu gesteld noch gebleken is dat hij zelf
voorzorgsmaatregelen had getroffen om zulks te voorkomen

Een beroep van Y. op een met X. gemaakte afspraak dat zij abortus zou
plegen indien zij zwanger zou worden, kan niet slagen omdat een zodanige
overeenkomst op grond van artikel 1371 jo. artikel 1373 BW nietig is wegens
strijd met de goeden zeden

4.7 Ook het verweer van Y., dat M. bij toewijzing van het verzoek de
mogelijkheid zou worden onthouden dat zij in de toekomst door een andere man
wordt erkend, en dat zij bij toewijzing van het verzoek de achternaam van Y.
zou dragen, dient te worden verworpen. X. heeft bij de indiening van het
verzoek deze consequenties voor M. in haar afweging betrokken en zij is
daartoe als wettelijk vertegenwoordigster van M. bij uitstek bevoegd. X.
heeft er namens M kennelijk de voorkeur aan gegeven een familierechtelijke
betrekking te doen ontstaan tot de man met wie M. in een afstammingsrelatie
staat

4.8 Y. heeft nog aangevoerd, dat het belang van M., dat zij
erfrechtelijke aanspraken jegens Y. verwerft, niet een belang is dat artikel 8
EVRM beoogt te beschermen. Op zichzelf is deze stelling juist. Echter,
daargelaten dat het creren van een familierechtelijke rechtsbetrekking met Y.
ook andere dan erfrechtelijke consequenties heeft, miskent Y. hiermee dat het
Europese Hof in de zaak Marckx heeft overwogen, dat het onderscheid dat de
Belgische wetgeving maakte op het punt van erfrechtelijke aanspraken tussen
wettige en natuurlijke kinderen, een objectieve en redelijke rechtvaardiging
miste, en dat er om die reden sprake was van schending van artikel 14 jo.
artikel 8 EVRM. Hetzelfde geldt voor het onderscheid dat de Nederlandse
wetgeving maakt tussen de erfrechtelijke aanspraken van erkende natuurlijke
kinderen en kinderen die door de weigering van de verwekker het kind te
erkennen niet tot die verwekker in een familierechtelijke rechtsbetrekking
kunnen komen te staan

4.9 De vraag rijst vervolgens of, nu naar het oordeel van de rechtbank
het ontbreken van een mogelijkheid in de Nederlandse wetgeving om tegen de wil
van de verwekker een familierechtelijke rechtsbetrekking te doen ontstaan, in
strijd is met artikel 8 EVRM, het bestaande wettelijke systeem de rechter de
mogelijkheid biedt een beslissing te nemen die in overstemming is met genoemde
verdragsbepaling. In zijn uitspraak van 8 april 1988, NJ 1989, 170, heeft
de Hoge Raad geoordeeld, dat onder omstandigheden de door artikel 224 boek 1
voorgeschreven toestemming van de moeder kan worden vervangen door een
rechterlijke uitspraak. Niet valt in te zien waarom niet hetzelfde zou
kunnen gelden voor de situatie waarin de verwekker weigert over te gaan tot
erkenning van het door hem verwekte kind, en deze weigering slechts kan worden
opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in artikel 224 boek 1 BW besloten
ligt. Binnen het systeem van de huidige wetgeving kan aan de eisen die
artikel 8 EVRM stelt, worden voldaan door in plaats van de erkenning door de
man een uitspraak van de rechter te stellen, waarbij de ambtenaar van de
Burgerlijke Stand met toepassing van artikel 29 boek 1 BW wordt gelast een
akte van erkenning op te maken als bedoeld in artikel 223 aanhef en onder b
boek 1 BW. Nu in casu geen sprake is van een daadwerkelijke erkenning, komt
het primaire verzoek van X. niet voor inwilliging in aanmerking. Binnen het
wettelijk systeem kan evenwel aan het voorgaande worden tegemoetgekomen door
toewijzing van het subsidiaire verzoek

4.10 Het feit dat nieuwe wetgeving in voorbereiding is, kan de rechter
er niet van weerhouden een beslissing, als onder 4.9 bedoeld, te nemen
teneinde tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde aanspraken van het kind
ontleend aan artikel 8 EVRM, nu het systeem van de huidige wetgeving zulks
mogelijk maakt. Weliswaar heeft een beslissing als onder 4.9 bedoeld,
anders dan wetsvoorstel nr. 20.626 beoogt, mede tot gevolg dat het kind de
naam van de verwekker zal voeren, doch nu de wettelijke vertegenwoordigster
van M. deze consequentie heeft aanvaard en Y. niet heeft gesteld dat hij
hierdoor in zijn gerechtvaardigde belangen is geschaad, behoeft dit niet tot
afwijzing van het verzoek te leiden

De rechtbank oveweegt te dien aanzien nog, dat het wetsvoorstel, zoals
dat thans luidt, M. noch haar wettelijke vertegenwoordigster de mogelijkheid
biedt na de inwerkingtreding van de beoogde wetswijziging alsnog een procedure
tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap aanhangig te maken. Dit
vormt een reden temeer om het verzoek toe te wijzen

4.11 Ten slotte zal de rechtbank nog moeten beoordelen of een
beslissing, zoals onder 4.9 bedoeld, een schending van te respecteren belangen
van Y. oplevert. Immers ook de bescherming van het privleven van de
verwekker wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM, hetgeen tot een conflict van
belangen zou kunnen leiden

Y. heeft geen (door artikel 8 EVRM beschermde) belangen zijnerzijds
aangevoerd, op grond waarvan het verzoek zou moeten worden afgewezen. Het
voorkmen van erfrechtelijke aanspraken van M. jegens Y. kan in elk geval niet
als zodanig gelden

In deze omstandigheden moet de weigering van Y. tot erkenning van M.
over te gaan worden aangemerkt als misbruik van zijn in artikel 224 boek 1 BW
besloten liggende bevoegdheid de medewerking aan een erkenning te weigeren

De rechtbank zal mitsdien het subsidiaire verzoek van X. toewijzen

BESCHIKKENDE:

Wijst af het primair verzochte

Gelast de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Rotterdam een akte van
erkenning op te maken, krachtens welke wordt vastgesteld, dat M., geboren te
Rotterdam op 28 november 1986, en wonende te Rotterdam, het natuurlijk kind is
van Y., geboren op 28 februari 1946, eveneens wonende te Rotterdam, en deze
akte op te nemen in de daartoe bestemde registers

En alvorens verder te beslissen

Heropent het onderzoek:

Houdt iedere verdere beslissing aan tot 30 september 1990 PRO FORMA,
teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over
hetgeen omtrent de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van M. is
gesteld in de pleitnotities

Rechters

Mr. van Heuven Goedhart, voorzitter, mrs. Nouwt en van Dooren, rechters,Geerling-Polman, griffier

Instantie: Ambtenarengerecht ‘s-Gravenhage, 19 juni 1990

Instantie

Ambtenarengerecht ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Klager is door verweerder ontslagen omdat hij is veroordeeld wegens het
misdrijf incest. De ernst van het vergrijp, dat geen enkele relatie heeft met
de werksfeer, staat vast. Morele afkeer is begrijpelijk. Gelet op de belangen
van klager ziet het gerecht onvoldoende rechtvaardiging om ontslag te
verlenen.

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Het besluit van verweerder d.d 21 november 1989, nr. PR 5192 BJZ.

2. Terechtzitting

Datum: 29 mei 1990.

Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.I.M. van Mierloo,
advocaat en procureur te Amsterdam.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.B.M. Bruens,
Â’
fd juridische zaken bij verweerder.

Beide partijen waren opgeroepen om in persoon respectievelijk bij
gemachtigde ter terechtzitting te verschijnen.

3. Feiten welke het gerecht als vaststaande aanneemt

Klager was werkzaam als … van de Rijksuniversiteit te Leiden. Bij
vonnis van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage d.d. 20 juli 1989 is hij wegens
het plegen van misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig
maanden met aftrek van voorarrest. Doordat het namens klager ingestelde
cassatie-beroep op 13 november 1989 is ingetrokken, is genoemd vonnis van het
Gerechtshof onherroepelijk geworden.

Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij het in dit geding bestreden
besluit, met toepassing van art. 24, lid 1 sub d van het
Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs (verder: het RprWO), aan
klager ontslag verleend met ingang van 1 december 1989.

Hieraan voorafgaande is klager gedurende de periode dat hij zich in
preventieve hechtenis bevond bij besluit van verweerder d.d. 27 augustus 1988
op grond van art. 90 van het Algemeen Rijksambtenaren-reglement (verder: ARAR)
geschorst met ingang van 22 augustu 1988, tegen welk besluit klager geen
beroep heeft ingesteld. Wel is beroep ingesteld tegen het besluit van
verweerder d.d. 25 oktober 1988, inhoudende het door verweerder op grond van
art. 92, lid 3 van het ARAR overmaken van klagers salaris over de maand
oktober 1988 naar een door klagers echtgenote aangegeven rekening. Dit beroep
is door dit gerecht bij uitspraak van 27 juli 1989 ongegrond verklaard en voor
zover het beroep gericht was tegen de salarisbetalingen van november en
december 1988 niet-ontvankelijk verklaard.

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

5. Motivering

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het onderhavige
ontslagbesluit kan worden aangetast op een van de gronden genoemd in art. 58
van de Ambtenarenwet 1929.

Het gerecht beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als
volgt.

Zoals ook door de Centrale Raad van Beroep reeds meermalen is overwogen,
brengt de redactie van art. 98, lid 1 sub e van het ARAR, dat overeenkomt met
het in casu van toepassing zijnde art. 24, lid 1 sub d van het RprWO, en de
daarin vervatte discretionaire bevoegdheid mee, dat een veroordeling als daar
bedoeld niet zonder meer tot een ontslag met toepassing van deze bepaling kan
leiden, maar dat het administratief orgaan zich per geval en op basis van de
daarin relevante feiten en omstandigheden zal dienen te beraden en te
beslissen over een dergelijk ontslag.

Daarbij dient een afweging plaats te vinden waarin onder andere de aard
en de ernst van het delict en de maat van de opgelegde straf moeten worden
betrokken, alsmede de repercussies van het vergrijp en van de veroordeling
voor de functievervulling van de ambtenaar en voor de ambtelijke dienst, de
schade die eventueel is toegebracht aan het aanzien van die dienst en de
nadelige gevolgen voor betrokkene zelf, waaronder diens belang bij een in
enigerlei vorm voortgezet dienstverband bij het desbetreffende
overheidsorgaan.

In de eerste plaats stelt het gerecht vast, dat de door klager gepleegde
misdrijven, te weten het hebben van vleselijke gemeenschap en het plegen van
ontucht met zijn minderjarige kinderen, naar de heersende rechtsovertuiging
van zeer ernstige aard is.

Wat de repercussies voor de werkkring casu quo klagers functievervulling
betreft is van de zijde van verweerder onder meer aangevoerd, dat in de
werkkring een dusdanige commotie is ontstaan toen bekend werd waaraan klager
zich schuldig had gemaakt, dat klager niet meer als chef en collega wordt
aanvaard. Tevens zou klager niet meer het vertrouwen genieten van de andere
diensthoofden, de secretaris van de universiteit en het College van Bestuur.

Door verweerder is in dit kader naar voren gebracht dat klager een nogal
‘gevoelige’ functie bekleedde, die zowel intern als extern veel contacten met
zich meebracht, waarvoor een vertrouwensrelatie essentieel is.

Met betrekking tot de samenwerking met medewerkers en collega’s
overweegt het gerecht, dat in afweging met betrekking tot het al dan niet
handhaven van een ambtenaar na een onherroepelijk geworden veroordeling tot
vrijheidsstraf wegens misdrijven die zich geheel buiten de werksfeer hebben
afgespeeld, de mening en de opstelling van het overige personeel niet zonder
meer doorslaggevend mag zijn. Volgens verweerder ontstond commotie, toen door
het hoofd juridische zaken bij klagers medewerkers bekend werd gemaakt waaraan
klager zich schuldig had gemaakt.

Naar het oordeel van het gerecht had het echter vervolgens op de weg van
verweerder gelegen te trachten de ontstane, op zich begrijpelijke, morele
verontwaardiging tot de juiste proporties terug te brengen, juist vanwege de
afwezigheid van enig verband van de misdragingen met de werksfeer.

Blijkens mededelingen van de zijde van verweerder ter terechtzitting is
echter na het eerste gesprek met de medewerkers geen tweede gesprek gevolgd in
een wat minder emotionele sfeer, hetgeen naar het oordeel van het gerecht in
casu voor de hand had gelegen om voor klager de reele mogelijkheden tot
terugkeer af te tasten.

Klager is door verweerder verweten, dat hij herhaalde malen, tegen de
met hem gemaakte afspraken in, contact zou hebben gezocht met medewerkers van
de universiteit. Klager heeft ter terechtzitting verklaard weliswaar zijn
collega’s schriftelijk te hebben benaderd, maar dat hij slechts heeft
geschreven dat hij problemen had in verband met de echtscheiding en zijn
daarmee verband houdende adreswijziging heeft doorgegeven. Nadat echter eind
1988 aan klager bij brief van de secretaris van de universiteit werd verzocht
zich van verdere contacten met de medewerkers te onhouden, zou klager
overeenkomstig dit verzoek geen contact meer met medewerkers van de
universiteit hebben gezocht.

Voor wat betreft de naar de mening van verweerder geschonden
vertrouwensrelatie met de collega-diensthoofden, de secretaris van de
universiteit en het College van Bestuur heeft de gemachtigde van verweerder
ter terechtzitting, ook na herhaalde vragen omtrent die schending van
vertrouwen niet verder kunnen komen dat te verwijzen naar de ernst van het
misdrijf, de vertrouwelijkheid van klagers functie en de integriteit van de
universiteit. Het zou voor het College van Bestuur niet langer acceptabel zijn
dat klager vergaderingen van dat College zou bijwonen, hetgeen uit hoofde van
klagers toenmalige functie noodzakelijk is.

Ten aanzien van klagers externe contacten, zou naar de mening van
verweerder met name samenwerking met de Leidse pers niet goed meer mogelijke
zijn, nu destijds over klagers misdrijven in de Leidse kranten is geschreven
(partijen verschillen erover van mening of dit met of zonder vermelding van
initialen is gebeurd).

Klager heeft in dit verband ter terechtzitting aangevoerd dat zijn
contacten met de Leidse pers bestonden uit contacten met journalisten die het
stadsnieuws behandelen en journalisten die zich met universiteitszaken
bezighouden en dat geen contacten bestonden met de journalisten die
rechtbankverslagen maken. Klager bracht dan ook naar voren dat hij bij
eventuele hervatting in zijn oorspronkelijke functie in dit kader verwacht
weinig problemen te zullen ondervinden en in deze visie gesteund te zijn door
een recent door hem bezochte Leidse persbijeenkomst, bij welke gelegenheid aan
hem niets van een negatieve houding ten opzichte van hem is gebleken.
Verweerder heeft in dit kader verder geen concrete aanwijzingen kunnen geven,
die wijzen op mogelijke samenwerkingsproblemen met de Leidse pers. Het gerecht
is er dan ook niet geheel van overtuigd dat samenwerking met de Leidse pers
voor klager verder onmogelijk zou zijn.

Gezien het vorenstaande, is voor het gerecht duidelijk geworden dat men
bij de universiteit dermate geschokt was naar aanleiding van het bekend worden
van klagers misdrijven, dat niet meer serieus hetzij terugkeer van klager in
zijn oude functie, hetzij plaatsing in een andere functie is overwogen.
Tijdens een gesprek van klagers advocaat, mr. R.W. Polak, met de secretaris
van de universiteit en het hoofd juridische zaken op 11 mei 1989 is volstaan
met de constatering dat klager journalistiek werk zou moeten doen en dat er
bij het universiteitsblad “Mare” geen vacature was. Er zijn door verweerder
geen concrete pogingen tot plaatsing van klager in een andere functie binnen
de universiteit ondernomen. Dit terwijl klager via zijn advocaat de bereidheid
had uitgesproken een stapje terug te doen en klager toch, gezien zijn
gevarieerde arbeidsverleden, vrij breed inzetbaar is. Door klager zijn ter
terechtzitting diverse, tijdens zijn detentie vacant gekomen functies genoemd,
waarin hij eventueel geinteresseerd zou zijn.

Alhoewel niet alle door klager genoemde functies aan het gerecht, gezien
klagers arbeidsverleden, als voor de hand liggend voorkomen, had verweerder
zich met betrekking tot eventuele verplaatsing van klager naar het oordeel van
het gerecht meer inspanning dienen te getroosten dan in casu is gebeurd.

Concluderend heeft het gerecht, ondanks het feit dat verweerder in het
bestreden besluit, in de gedingstukken en tijdens de behandeling ter
terechtzitting het belang van klager wel steeds noemt, niet de overtuiging
gekregen dat klagers belang om het dienstverband bij de universiteit in
enigerlei vorm voort te zetten, in voldoende mate in de gemaakte afweging is
betrokken. Dit belang dient toch zwaar te wegen, gezien klagers kansen op de
arbeidsmarkt op zijn leeftijd met een strafrechtelijk verleden. Naar het
oordeel van het gerecht heeft verweerder gebruik gemaakt van de
ontslagbevoegdheid, met name op grond van de ernst van de misdrijven en de
morele afkeer bij het personeel en de leiding tegen delict en dader.

Hoewel naar de mening van het gerecht de ernst van het vergrijp
vaststaat en de morele afkeer daartegen begrijpelijk is, is het gerecht niet
tot de conclusie gekomen dat hierin voor het onderhavige geval een voldoende
rechtvaardiging voor het gebruik maken van de ontslagbevoegdheid is gelegen,
met name omdat in casu elk verband van het vergrijp met de werkkring
ontbreekt.

Rechters

Mrs. Beuker-Tilstra, Kok, Den Besten

Instantie: , 18 juni 1990

Instantie

Samenvatting


Vrouw werkt als directie-secretaresse op uitzendbasis. Vervolgens werd
haar een vast dienstverband aangeboden. Toen zij medeelde zwanger te zijn, on
volgens de werkgever geen sprake meer zijn van een vaste betrekking. Tot aan
haar zwangerschapverlof mocht zij als uitzendkracht werkzaam blijven. De vrouw
wil in een procedure het vaste dienstverband afdwingen. Beslissing RV: deze
zaak is vergelijkbaar met eerder gegarandeerde zaak, welke uiteindelijk niet
werd doorgezet.

Opnieuw garantstelling.

Afloop: Ter vermijding van een procedure keerde de werkgever de vrouw
een bedrag van ƒ 10.000,- uit, als schadevergoeding c.q. gederfd loon.

Volledige tekst

AKTE VAN DADING:

De ondergetekenden

a. Borg Chemicals b.v. ten deze vertegenwoordigd door ……..

hierna te noemen partij a.

en

b. Mw. E.

hierna te noemen partij b.

komen het volgende overeen:

Partij a. zal aan partij b. een bedrag van ƒ 10.000,- betalen terzake
van schadevergoeding.

Deze schadevergoeding wordt aan partij b. betaald teneinde een geschil
betreffende ongelijke behandeling dat tussen partijen gerezen is, in der minne
te schikken

Na uitbetaling van een bedrag van ƒ 5500,- op rekening van de raadsvrouw
Mr. G. van Driem van partij b. dat als voorschot op het totale bedrag ad ƒ
10.00,- zal gelden, in afwachting van de beslissing der inspecteur I.B. of
partij a. het totale bedrag ad ƒ 10.000,- netto aan partij b. ter beschikking
kan stellen,

zal partij b. de rechtbank te Amsterdam berichten dat het eerder door
haar ingediende verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt
ingetrokken.

Partij a. zal het resterende bedrag ad ƒ 4500,-

-indien noodzakelijk onder inhouding van werkgeverslasten- uiterlijk
voor 15-8’90 aan partij b. betalen, of zoveel eerder als de inspecteur i.b.
haar uitsluitsel heeft gegeven.

Beide partijen zullen alsdan van verdere gerechtelike stappen jegens
elkaar op grond van ongelijke behandeling van partij b. door partij a.
afzien.

Aldus ondertekend te Amsterdam op 18 juni ’90

Rechters

onbekend

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 15 juni 1990

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Vordering tegen stiefoom wegens jarenlang incestueus misbruik dat begon
toen eiseres zes jaar oud was. Gedaagde heeft inmiddels zijn
gevangenisstraf voor dit feit – twaalf maanden, waarvan zes maanden
voorwaardelijk – uitgezeten

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. Ter terechtzitting van 8 juni 1990 heeft eiseres overeenkomstig de
dagvaarding gesteld en – onder geringe vermindering van haar oorspronkelijke
eis – gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) gedaagde te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de door
eiseres geleden en te lijden immateriele schade ten bedrage van ƒ 10.000,–,
te betalen binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis;

(2) gedaagde te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de door
eiseres geleden en te lijden materiele schade ten bedragen van ƒ 6.261,12,–
te betalen binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis;

een en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding

1.2. eiseres heeft haar vordering toegelicht bij monde van haar
procureur, die zich daarbij heeft bediend van een pleitnota en produkties in
het geding heeft gebracht

1.3. Gedaagdes procureur heeft eveneens aan de hand van
pleitaantekeningen en onder overlegging van produkties verweer gevoerd tegen
de vordering en daarbij geconcludeerd tot weigering van de gevraagde
voorzieningen

1.4. In tweede termijn zijn partijen op hun onderscheiden standpunten
blijven staan

1.5. Nadat een regeling in der minne onmogelijk was gebleken hebben
partijen onder overlegging van stukken vonnis gevraagd. De uitspraak
daarvan is bepaald op heden

2. HET GESCHIL VAN PARTIJEN

2.1. De vaststaande feiten

Als gesteld en erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd
weersproken, alsmede op basis van overgelegde, in zoverre niet betwiste
bescheiden, staat tussen partijen in dit geding het volgende vast:

a. Eiseres, geboren op 19 mei 1967, heeft op 22 juli 1989 tegen
gedaagde, haar stiefoom, aangifte gedaan van door gedaagde met haar in de
periode 1973 tot 1984 gepleegde incestueuze handelingen. Zij heeft haar bij
die gelegenheid afgelegde verklaring bij aangifte van 29 september 1989
aangevuld en daarbij onder meer verklaard dat de door gedaagde met haar
gepleegde incest reeds in haar vierde levensjaar is begonnen en heeft
voortgeduurd tot het moment waarop zij evengenoemde aangifte heeft gedaan

b. Naar aanleiding van deze aangifte is gedaangde op 25 juli 1989
terzake van verdenking van overtreding van de artikelen 244, 245 en 249
Strafrecht aangehouden en aansluitend eerst in verzekering en vervolgens in
voorlopige hechtenis gesteld. In de loop van het strafrechtlijk onderzoek
heeft gedaagde de aard en de frequentie van de door eiseres beschreven
incesthandelingen alsmede de periode gedurende welke deze hebben
plaatsgevonden (in hoofdzaak) erkend, met dien verstande dat het misbruik
volgens gedaagde niet in eiseresses vierde maar in haar zesde levensjaar is
begonnen

c. Bij vonnis van de meervoudige kamer van strafzaken van deze rechtbank
van 9 november 1989 is gedaagde terzake van overtreding van de artikelen 244
en 247 Strafrecht, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van
twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De
bewezenverklaring terzake van evengenoemde misdrijven heeft betrekking op de
perioden 19 mei 1977 tot 19 mei 1979 (artikel 244 Strafrecht) en 19 mei 1979
tot 19 mei 1983 (art. 247 Srafrecht). Het Openbaar Ministerie heeft tegen
het vonnis hoger beroep ingesteld

d. Gedaagde heeft zijn straf inmiddels uitgezeten en heeft (weer) een
baan gevonden als pompbediende. Zijn (netto) inkomen uit arbeid bedraagt
ƒ 1.800,– per maand. Afgezien van ƒ 2.500,– spaargeld heeft gedaagde
geen vermogen

e. Eiseres heeft zich gewend tot het RIAM te Hoofddorp en het JAC te
Amsterdam, alwaar zij hulp krijgt bij het verwerken van haar incestervaringen

2.2. De grondslag van de vordering

Eiseres stelt met een beroep op de door R.J. Steenmijer, medewerker
crisisteam RIAM Hoofddorp, P.L. Bon, huisarts te Aalsmeer, H. von Ende,
maatschappelijk werkster JAC Amsterdam en I. Roetman, sociaal psychiatrisch
verpleegkundige RIAM Hoofddorp, deels tegenover de politie afgelegde
verklaringen, die zij in het geding heeft gebracht, dat zij als gevolg van het
door gedaagde gepleegde en door hem erkende seksueel misbruik ernstige
psychische en pscyhosociale klachten heeft

Zij stelt hierdoor zowel materiele als immateriele schade te hebben
geleden, te lijden en nog te zullen lijden, welke schade aan gedaagde kan
worden toegerekend

De materiele schade bestaat volgens eiseres in derving van inkomsten als
gevolg van aan evenbedoelde klachten toe te schrijven arbeidsongeschiktheid

De immateriele schade bestaat in het haar aangedane psychische leed en de
jarenlang – ook nu, gedurende het verwerkingsproces – gederfde levensvreugde

Eiseres acht de vordering in beide onderdelen spoedeisend. Voor zover
de vordering strekt tot betaling van een voorschot op de nog te vorderen
vergoeding van materiele schade wijst eiseres erop dat zij in verband met haar
klachten extra kosten heeft, bestaande in reiskosten die zij moet maken om de
hulpverlenende instanties in Amsterdam en Hoofddorp te bezoeken, alsmede in
extra telefoonkosten die voortvloeien uit het veelvuldig telefonisch contact
dat zij met deze instanties onderhoudt. Zij stelt deze kosten niet uit haar
inkomen – op dit moment circa ƒ 100,- netto per week – te kunnen betalen
Ook het inkomen van haar echtgenoot, die niet meer dan het wettelijk
minimumloon verdient, is daarvoor niet toereikend

Voor zover de vordering strekt tot betaling van een voorschot op de nog
te vorderen vergoeding van immateriele schade stelt eiseres dat zij op korte
termijn een vorm van genoegdoening wenst voor het haar aangedane leed.
Eiseres acht een in kort geding uitgesproken veroordeling tot betaling van een
geldsom – onder meer vanwege de afkeuring die daaruit spreekt – daartoe een
geschikt middel, dat bovendien zou kunnen bijdragen tot verwerking van
traumatische gevolgen van gedaagdes handelen. Eiseres heeft er in dit
verband ook op gewezen dat zij de straf die gedaagde is opgelegd
teleurstellend mild acht

2.3. Het verweer

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de vordering voorshands
onvoldoende vast staat om vatbaar te zijn voor (gedeeltelijke) incasso via de
weg van het kort geding. Met name acht gedaagde het causaal verband tussen
de gepleegde incest en de door eiseres gestelde klachten niet voldoende
geadstrueerd

Ook de door eiseres gestelde arbeidsongeschiktheid staat volgens
gedaagde vooralsnog onvoldoende vast

Een en ander betekent in gedaagdes visie dat in ieder geval onderdeel 2
van eiseresses vordering moet worden afgewezen

Het wegens immateriele schade gevorderde voorschot is volgens gedaagde
exorbitant hoog wanneer men dat afzet tegen de bedragen die in zaken als deze
doorgaans in kort geding worden toegewezen

Gedaagde voert tenslotte nog aan dat hij gelet op zijn inkomen niet in
staat is om een hoog bedrag te betalen en dat rekening moet worden gehouden
met het restitutierisico

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Gedaagdes handelen

3.1. Voorop staat dat bij de hierna successievelijk te bespreken vragen
van causaal verband tussen het aan gedaagde verweten handelen en de gestelde
gevolgen, de daaruit voortvloeiende (hoogte van de) materiele en immateriele
schade en de spoedeisendheid van de gevraagde voorzieningen niet slechts moet
worden uitgegaan van het seksueel misbruik waarvoor gedaagde door de
strafrechter is veroordeeld, maar van de door gedaagde zowel in het
strafrechtelijk onderzoek dat tot die veroordeling heeft geleid als in het
onderhavige geding – zij het min of meer impliciet – erkende seksueel misbruik
van eiseres over een veel langere periode, te weten vanaf eiseresses zesde tot
haar tweentwintigste levensjaar. De omstandigheid dat gedaagde niet voor al
die gedragingen is veroordeeld verzet zich daartegen niet, nu uit de
overgelegde stukken met betrekking tot de strafzaak blijkt dat het Openbaar
Ministerie slechts een deel van de door gedaagde erkende feiten heeft
telastegelegd. Bovendien gelden in de terzake door eiseres te entameren
bodemprocedure maatstaven voor bewijswaardering die lichter zijn dan de
maatstaven die door de strafrechter worden gehanteerd

3.2. Feitelijk uitgangspunt is dan ook dat eiseres gedurende een reeks
van jaren – vanaf haar zesde tot haar tweentwintigste levensjaar – het
slachtoffer is geweest van frequent seksueel misbruik door gedaagde, een
misbruik dat gezien de aard van de door gedaagde gepleegde incestueuze
handelingen en de omstandigheden waaronder het misbruik heeft plaatsgevonden
als buitengewoon ernstig moet worden gekarakteriseerd. Voorts is bij
gebreke van stellingen die dat bestrijden uitgangspunt dat de betreffende
gedragingen aan gedaagde kunnen worden verweten

Gevolgen

3.3. Uit de door eiseres overgelegde, op dit punt door gedaagde niet
betwiste verklaringen van R. (RIAM) en V.E. (JAC) blijkt dat eiseresses
klachten als volgt kunnen worden omschreven:

– regelmatig terugkerende angstaanvallen;

– last van hyperventilatie;

– regelmatig flauwvallen in situaties die als bedreigend worden
ervaren;

– onrustgevoelens en concentratieproblemen die het eiseres onmogelijk
maken te werken;

– onvermogen om met haar echtgenoot een seksuele relatie aan te gaan;

– onvermogen om op een ontspannen manier sociaal te functioneren

Op grond van het ernstige karakter van deze klachten acht de Fungerend
President voldoende aannemelijk dat eiseres ten gevolge daarvan momenteel
inderdaad arbeidsongeschikt is, hetgeen ook wordt ondersteund door de inhoud
van het overgelegde, niet gemotiveerd betwiste schrijven van (..)
Uitzendbureau B.V. te Aalsmeer van 6 juni 1990

Causaal verband

3.4. Aan gedaagde kan worden toegegeven dat de door eiseres overgelegde
verklaringen, voorzover deze strekken tot onderbouwing van causaal verband
tussen de evenbedoelde klachten en het seksueel misbruik door gedaagde, in de
bodemprocedure als onderbouwing van dat verband – in ieder geval voor wat
betreft het verband tussen dat misbruik en de gestelde (c.q. nog nader te
stellen) omvang van de schade – mogelijk ontoereikend zullen worden geacht
In het kader van dit kort geding behoeft echter qua causaliteit slechts
te worden vastgesteld dat het

a. waarschijnlijk is dat de omstandigheid dat eiseres kampt met de
evenbedoelde klachten een gevolg is van langdurig seksueel misbruik door
gedaagde en

b. waarschijnlijk is dat de omvang van de schade tot vergoeding waarvan
gedaagde in dat geval zal zijn gehouden zodanig is dat, daaraan gerelateerd,
de nu bij wege van voorschot gevorderde bedragen niet bovenmatig zijn

3.5. Ad a:

Naar uit wetenschappelijk onderzoek gebleken is komen in ieder geval een
aantal klachten die eiseres heeft, veelvuldig voor bij vrouwen die als meisje
het slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik door verwanten. (Gewezen
zij in dit verband op de door het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid uitgegeven publicatie “Een lege plek in mijn geheugen”,
seksueel misbruik door verwanten (Den Haag 1988), waarin een samenvatting
wordt gegeven van een in opdracht van evengenoemd ministerie verricht
landelijk onderzoek naar seksueel misbruik van meisjes door verwanten,
hoofdstuk 7.) Reeds dit zou er op kunnen wijzen dat eiseresses klachten aan
het seksueel misbruik door gedaagde zijn toe te schrijven

3.6. In evenbedoeld onderzoek is op basis van een vergelijking van twee
referentiegroepen van vrouwen met dezelfde klachten
(incest-/niet-incestslachtoffers) aandacht geschonken aan de vraag of
vorenbedoeld verband mag worden gelegd. Voorzover in dit geding van belang
vermeldt de samenvatting de volgende bevindingen (pag. 55):

“Emotionele verwaarlozing en het ontberen van goede verzorging als
gevolg van depressiviteit, ziekte of alcoholisme van de ouders blijken in het
algemeen inderdaad nauw samen te hangen met de klachten die vrouwen vertonen
Maar seksueel misbruik door verwanten speelt een onafhankelijke rol

(..)

De ernst van de klachten blijkt nauw samen te hangen met de ernst van
het misbruik. Deze samenhang maakt aannemelijk dat ongewenste seksuele
contacten inderdaad een oorzaak vormen van de problemen

(…)

Ook de leeftijd waarop het misbruik begon, draagt bij aan de ernst van
de latere klachten: hoe jonger het kind was toen het misbruik begon, hoe
ernstiger deze zijn”

Mede in het licht van hetgeen in 3.2. is overwogen is de Fungerend
President op grond van deze bevindingen van oordeel dat voorshands voldoende
aannemelijk is dat eiseresses klachten een gevolg zijn van het jarenlange
seksueel misbruik door gedaagde

3.7. Toeschrijving van meerbedoelde klachten aan het misbruik door
gedaagde betekent, bij gebreke van omstandigheden die tot een ander oordeel
(kunnen) leiden, dat de daardoor veroorzaakte schade aan gedaagde kan worden
toegerekend. Voorzover gedaagde met overlegging van het schrijven aan
eiseresses raadsvrouwe van 26 maart 1990 heeft beoogd te stellen dat die
schade mede een gevolg is van onvoldoende, althans onvoldoende effectief
toezicht van eiseresses ouders wordt opgemerkt dat, ook indien dit juist is,
bij gebreke van een duidelijke norm terzake bepaald niet kan worden aangenomen
dat dat gebrek aan toezicht in rechte ook als onrechtmatig is te qualificeren,
terwijl er – indien het die qualificatie verdient – van moet worden uitgegaan
dat gedaagde in de bodemprocedure niet zal slagen in het (voor wat betreft dit
verweer) op hem rustende bewijs dat de schade niet een gevolg is van het door
het gepleegde seksueel misbruik. Onder die omstandigheden moet vooralsnog
worden geoordeeld dat gedaagde hoofdelijk voor het geheel van de schade
aansprakelijk is

3.8. Ad b:

Nu gedaagde de hoogte van de materiele schade niet heeft betwist en ook
niet heeft gesteld dat een vergoeding voor immateriele schade in de orde van
grootte als door eiseres in dit geding bij wege van voorschot gevorderd door
de bodemrechter excessief zal worden geacht, is bij beoordeling van de overige
weren uitgangspunt dat eiseresses vorderingen in ieder geval ten belope van de
in de dagvaarding genoemde bedragen voor incasso op dit moment voldoende
“hard” zijn

Spoedeisendheid

3.9. Gedaagde heeft niet betwist dat eiseres in verband met haar
klachten ook in de toekomst met regelmaat terugkerende extra kosten heeft, die
uit het gezinsinkomen niet kunnen worden gedekt. Eiseres heeft dan ook
spoedeisend belang bij een voorziening die strekt tot betaling van een bedrag
door gedaagde ter bestrijding van die kosten

3.10. Voorzover het de immateriele component van eiseresses vordering
betreft heeft eiseres spoedeisend belang bij een voorziening die tot
uitdrukking brengt dat gedaagde niet alleen verantwoordelijk is voor de
materiele schade die hij door het seksueel misbruik heeft veroorzaakt, maar
ook voor het psychisch leed dat eiseres is aangedaan. Daarbij is mede van
belang dat gedaagde zich voor dat misbruik slechts ten dele strafrechtelijk
heeft hoeven te verantwoorden. Nu echter de voor eiseres in dit verband te
verwachten positieve effecten van een veroordeling niet recht-evenredig zijn
aan de hoogte van het toe te wijzen bedrag is er ruimte om bij het bepalen van
de hoogte van het voorschot rekening te houden met de financile omstandigheden
van gedaagde

3.11. Voor wat betreft het door gedaagde aangevoerde restitutierisico
moet worden opgemerkt dat de stukken er op wijzen dat gedaagde in het verleden
geen regelmatig arbeidspatroon heeft gehad. Extrapolerend is dan ook de
mogelijkheid niet uit te sluiten dat hij ten tijde van de uitslag van het
bodemgeschil geen arbeid en daardoor minder inkomen zal hebben. Nu andere
verhaalsobjecten ontbreken staat het door gedaagde gestelde restitutierisico
tegenover het verhaalsrisico dat bij weigering van de voorzieningen bij
eiseres blijft berusten. Onder die omstandigheden is doorslaggevend dat
eiseres een “harde” vordering heeft en moet evengenoemd restitutierisico het
afleggen tegen haar spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde
voorzieningen

De hoogte van het voorschot

3.12. Omtrent gedaagdes financile omstandigheden is het volgende
gebleken. Gedaagde woont bij zijn moeder in en betaalt een bedrag van ƒ
300,– per maand voor kost en inwoning. De enige andere voor gedaagde
regelmatige terugkerende lasten houden verband met de auto die gedaagde bezit
Gedaagde heeft die auto nodig om naar zijn werk te gaan en om zijn
moeder, een hoogbejaarde vrouw, van tijd tot tijd te vervoeren. Die lasten
kunnen – ruim genomen – op ƒ 200,– per maand worden gesteld

3.13. Op grond van deze gegevens is de Fungerend-President van oordeel
dat van gedaagde – naast onmiddellijke betaling van het door hem gespaarde
bedrag – kan worden verlangd dat hij van de na aftrek van evengenoemde
bedragen resterende ƒ 1.300,– per maand ƒ 500,– opzij legt om aan zijn
verplichtingen jegens eiseres te voldoen

3.14. Als voorschot op de te vorderen vergoeding voor immateriele schade
zal ƒ 5.000,– worden toegewezen. Als voorschot op de te vorderen
vergoeding voor materiele schade, bestaande in inkomstenderving, zal worden
toegewezen het gehele door eiseres gevorderde bedrag. Het totale toe te
wijzen bedrag zal op na te melden wijzen in termijnen betaalbaar worden
gesteld

3.15. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat uit het voorgaande niet
zonder meer volgt dat de in een eventuele bodemprocedure te vorderen
vergoeding voor verdere inkomstenderving (ook) voor toewijzing vatbaar zal
zijn, nu immers niet uitgesloten is dat naarmate het optreden van die schade
meer in de toekomst ligt, het rechtens vereiste causaal verband door de
bodemrechter niet aanwezig zal worden geacht

Wijze van betaling

3.16. Nu bij de behandeling van dit geding gebleken is dat eiseres ieder
contact met gedaagde wil vermijden dient betaling van voormelde bedragen te
geschieden op een wijze die risico van zodanig contact uitsluit. De
Fungerend-President gaat ervan uit dat de raadslieden van partijen met het oog
daarop in onderling overleg een adequate wijze van betaling zullen
vaststellen

Proceskosten

3.17. Voor de door gedaagde gevraagde compensatie van de proceskosten
zijn geen termen. Gedaagde zal als de overwegend in het ongelijk gestelde
partij de kosten van het geding moeten dragen

4. BESLISSINGEN

De Fungerend-President, rechtdoende in kort geding:

4.1. Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een voorschot op de door
eiseres geleden en te lijden immateriele schade ten bedrage van ƒ 5.000,– en
op de door eiseres geleden en te lijden materiele schade ten bedrage van ƒ
6261,12, een en ander als volgt te voldoen:

– ƒ 2.500,– binnen twee weken na betekening van dit vonnis;

– ƒ 500,– per maand met ingang van juli 1990 gedurende 17 maanden
telkens op de eerste van de maand;

– ƒ 261,12 uiterlijk op 1 december 1991

4.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

4.3. Weigert de meer of anders gevraagde voorzieningen

4.4. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot aan de
uitspraak van dit vonnis aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 316,80 aan
verschotten en ƒ 700,– aan salaris voor de procureur van eiseres, een en
ander op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier van deze
rechtbank

Rechters

Mr. Ten Brink-van Imhoff

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 14 juni 1990

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Immateriele schadevergoeding ƒ 5.000,=. Haptonoom heeft misbruik gemaakt
van verhouding hulpverlener-client en kan zich niet beroepen op het
ontbreken van haptonomische richtlijnen

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 31 mei 1990 hebben eiseressen, hierna ook P., R en
S, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis
gehechte dagvaarding. D. heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering
van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen stukken,
waaronder van weerszijden produkties en pleitnotities, overgelegd voor
vonniswijzing.

Gronden van de beslissing:

1. Op de bij dagvaarding gestelde en ter zitting nader toegelichte gronden
vorderen P, R en S dat D aan elk van hen een bedrag van ƒ 5.000,= betaalt
als vergoeding door de door hen geleden immateriele schade.

2. D betwist niet dat hij, toen P bij hem onder behandeling was, gedurende
enige maanden een (seksuele) relatie met haar onderhield. Hij betoogt
verliefd op haar te zijn geworden en te goeder trouw de relatie met haar
te zijn aangegaan. Van een machtsverhouding hulpverlener-patient was geen
sprake. De relatie zou identiek zijn geweest indien zij elkaar in een cafe
zouden hebben ontmoet, aldus D. Hij bestrijdt derhalve dat er sprake is
van onrechtmatig handelen zijnerzijds. Met betrekking tot R erkent hij
eenmaal seksueel contact met haar te hebben gehad, eveneens in de tijd dat
zij bij hem onder behandeling was. Wellicht was dit moreel onverantwoord
te noemen, maar het levert in ieder geval geen onrechtmatige handelen op,
zo betoogt hij voorts. In beide gevallen voert D aan dat het seksuele
contact nooit in zijn praktijkruimte heeft plaatsgevonden.

3. De door S gestelde gedragingen worden door D ontkend. Met name betwist
hij dat hij haar aan zijn geslachtsdeel heeft laten voelen of anderszins
suggestieve handelingen heeft verricht. Hij erkent dat hij half ontkleed
bovenop haar heeft gelegen, maar betoogt dat dit onderdeel uitmaakte van
de therapie. Dat hij half ontkleed was, vond zijn oorzaak in het feit dat
hij S “over de drempel wilde helpen” om zich in het kader van de therapie
te ontkleden. Ook in haar geval heeft hij derhalve niet onrechtmatig
gehandeld, aldus D.

4. Centraal staat de vraag of D als haptonoom misbruik heeft gemaakt van
zijn positie. Anders dan hij meent, is het feit dat in de haptonomie geen
sprake is van een medische verhouding arts/patient hierbij niet van
doorslaggevende betekenis. Van belang daarentegen is de voor het welslagen
van de therapie gewenste vertrouwensrelatie, bezien tegen de achtergrond
dat -naar D heeft betoogd- de achterliggende gedachte van de haptonomie
is dat psychische problemen kunnen worden overwonnen als de patient zich
fysiek goed voelt en gelukkig is in zijn eigen lichaam.

5. P en S hebben zich bij D onder behandeling gesteld wegens
incest-ervaringen, P voorts wegens psoriasisklachten. R had klachten van
zwaar depressieve aard. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij, gelet
op de aard van hun respectievelijke problemen, in de behandelingsfase in
een zeer kwetsbare positie verkeerden, waarin zij gemakkelijk te
beinvloeden waren en ontvankelijk voor de aandacht die zij van D -de
deskundige en hun houvast om uit de problemen te geraken- genoten. Met
andere woorden: hun gemoedstoestand heeft geleid tot een
afhankelijkheidspositie ten opzichte van D, die zich dit had moeten
realiseren en zich met het oog hierop terughoudend had behoren op te
stellen. In ieder geval had hij zich dienen te onthouden van seksueel
contact, ook buiten zijn praktijkruimte, met P en R.

6. Voor R heeft deze afhankelijkheidspositie er voorts toe geleid dat zij
-onweersproken- zich tijdens de therapiesessies meerdere malen heeft
overgegeven aan innige omarmingen met D. Onaannemelijk is dat een
dergelijke handelwijze redelijkerwijs als onderdeel van de therapie kan
worden aangemerkt, met name gelet op het hierop gevolgde seksuele contact.
Ten aanzien van S heeft D erkend dat hij tijdens een therapiesessie half
ontkleed bovenop haar, terwijl zij eveneens gedeeltelijk ontkleed was, is
gaan liggen. Dat hij ertoe is overgegaan zichzelf gedeeltelijk te
ontkleden en haar aldus over de drempel te helpen om dit ook te doen,
getuigt evenmin van enige therapeutische bedoeling, te minder nu dit niet
in de rede ligt bij een patient die wegens incest- ervaringen hulp heeft
gezocht, maar eerder van misbruik van zijn positie. Dat de handelingen van
D niet als een algemeen erkende haptonomische therapie kunnen worden
aangemerkt blijkt overigens tevens uit het feit dat de Vereniging voor
Haptonomie naar aanleiding van klachten van P en R heeft besloten geen
patienten meer naar hem te verwijzen.

7. Op grond van het voorgaande moet geoordeeld worden dat D jegens P, R
en S de hiervoor genoemde vertrouwensrelatie -die overigens extra beladen
wordt, zodra de therapie gepaard gaat met fysieke aanrakingen- heeft
misbruikt. Dat hij met S geen seksueel contact heeft gehad, is hierbij niet
van beslissende betekenis. Voorts is -gelet op de inhoud van de
overgelegde produkties – genoegzaam komen vast te staan dat P, R en S alle
drie zijn geconfronteerd met nog grotere psychische problemen althans met
een moeizamere verwerking daarvan. D heeft derhalve jegens hen
onrechtmatig gehandeld. Zijn betoog dat hij voor P amoureuze gevoelens was
gaan koesteren, ontneemt -gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen
-niet het onrechtmatig karakter aan zijn gedragingen. Evenmin kan hij een
argument ontlenen aan het ontbreken van haptonomische richtlijnen waaraan
een en ander getoetst kan worden, nu dit geen vrijbrief geeft voor zijn
vooromschreven handelwijze.

8. Vervolgens komt aan de orde de vraag of een bedrag van ƒ 5.000,= als
passend voorschot op de door P, R en S geleden psychische schade kan
worden aangemerkt. Uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen,
met name uit het feit dat elk van hen nog steeds emotionele hinder
ondervindt van de gedragingen van D moet deze vraag bevestigend worden
beantwoord. Immers, een dergelijk bedrag stelt hen in de gelegenheid
activiteiten te ontwikkelen die zouden kunnen bijdragen tot een snellere
verwerking van het gebeurde. Reeds hierin is het spoedeisend belang van
P, R en S bij hun vorderingen gelegen. Dat zij lange tijd gewacht hebben
met het instellen hiervan doet aan het spoedeisend karakter niet af, nu
aannemelijk is dat dit zijn oorzaak vindt in de onderliggende emotionele
aspecten. Dat D enige tijd geleden een schikkingsvoorstel heeft aanvaard,
leidt niet tot afwijzing van de gevraagde voorzieningen, nu de aanvaarding
eerst heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de gestelde termijn en
P, R en S kennelijk van handhaving van hun voorstel hebben afgezien,
hetgeen hen vrijstond.

9. De vorderingen zijn derhalve toewijsbaar als na te melden, waarbij de
bedragen tot voldoening waarvan D wordt veroordeeld hebben te gelden als
voorschot op hetgeen hij ten gronde zal blijken verschuldigd te zijn. D
wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

Beslissing:

1. Veroordeelt D aan elk van eiseressen ƒ 5.000,= (vijfduizend gulden) te
voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei
1990 tot de dag van voldoening. 2. Verklaart dit vonnis tot zover
uitvoerbaar bij voorraad. 3. Veroordeelt D in de kosten van dit geding,
tot heden aan de zijde van eiseressen begroot op en te voldoen als volgt:
-aan eiseressen: ƒ 75,= aan de bij hen gevallen kosten van vastrecht, en
-aan de griffier van deze rechtbank: ƒ 225,= aan overig vastrecht, ƒ
81,80 aan exploitkosten, en ƒ 700,= aan salaris procureur 4. Wijst het
meer of anders gevorderde af.

Rechters

mr. J.M. Vrakking

Instantie: Kantonrechter Delft, 31 mei 1990

Instantie

Kantonrechter Delft

Samenvatting


Verstoring van de arbeidsverhouding tussen een directeur-eigenaar van een
onderneming en zijn administratrice nadat de tussen beiden bestaan hebbende
intieme relatie tot een einde was gekomen. Aan de directeur hoeft niet
duidelijk te zijn geworden dat A niet van verdere avances gediend was. In
situaties als de onderhavige is duidelijk dat een van beide betrokkenen dient
te wijken en zijn of haar baan aldus verliest. Nu vd C directeur-eigenaar is,
brengt de realiteit mede dat het dienstverband van A dient te eindigen. Het
is objectief onverstandig dat een directeur van een onderneming als die van
verweerder (Nederlandse vestiging circa 14 werknemers) een verhouding aangaat
met een van de werknemers. Immers, slechts zelden zullen in dergelijke
gevallen de zakelijke en persoonlijke verhoudingen goed, dat wil zeggen:
strikt, gescheiden kunnen worden. Verstoring van de persoonlijke verhouding
leidt vrijwel steeds tot problemen in de arbeidsverhouding. Vd C had zulks
moeten beseffen. Nu hij directeur-eigenaar is van het bedrijf van de
werkgever (verweerder) zal zijn gedrag aan laatstgenoemde worden toegerekend.
Vd C BV zal daarom een deel van de financiële gevolgen van de beëindiging van
het dienstverband van A moeten dragen. Bij de berekening van de materiële
schade neemt de kantonrechter de volgende factoren in aanmerking: een
dienstverband van ongeveer 7,5 jaar, het salaris en de auto van de zaak, de
leeftijd en de kansen op de arbeidsmarkt van A en de mogelijkheid van
pensioenschade. Voor vergoeding van immateriële schade bestaat in dit geval
geen aanleiding.
Ontbinding en toekenning van ƒ 15.000 materiële schadevergoeding (bij wijze
van gekapitaliseerde suppletie op een door verzoekster te ontvangen uitkering
ingevolge de sociale zekerheid dan wel door haar in een ander dienstverband
eventueel te ontvangen lager loon).

Volledige tekst

Rechtsoverwegingen

1. Tussen partijen staat in deze procedure het volgende vast
1.1. Blijkens een door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst d.d. 1
januari 1989 is verzoekster mw. A. geboren 1955, sedert 1 juni 1982 voor
onbepaalde tijd in dienstbetrekking werkzaam van verweerster, wier directeur
B. v.d. C. is genaamd (verder: B.v.d.C), in de functie van administratrice,
voor 32 uur per week, laatstelijk tegen een salaris van ƒ 3400 bruto per
maand met de beschikking over een ‘auto van de zaak’.
1.2. In de periode 1985 tot in oktober 1987 bestond tussen A. en B.v.d.C. een
verhouding, waarbij het ook enige malen tot seksueel contact is gekomen. In
oktober 1987 vormde de aldus ontstane situatie voor A. aanleiding een
dienstbetrekking elders te aanvaarden. Op verzoek van verweerster is mw. A.
in april 1988 naar het bedrijf van verweerster teruggekeerd in genoemde
functie. Tussen mw. A. en B.v.d.C. is bij die gelegenheid afgesproken dat hun
‘relatie zakelijk zou blijven’, hetgeen betekende dat mw. A. geen
continuering van de verhouding met B.v.d.C. wenste.
1.3. Sedert april 1988 tot na te melden datum van arbeidsongeschiktheid van
A. heeft in ieder geval eenmaal tussen haar en B.v.d.C. geslachtsgemeenschap
plaatsgevonden, en wel bij de gelegenheid van een dineetje ten huize van A.
in februari 1989.
1.4. Mw. A. is sedert 2 januari 1990 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Haar
huisarts heeft haar inmiddels geadviseerd om medische en sociale redenen de
arbeid bij verweerster niet meer te hervatten. Partijen zijn van oordeel dat
in de thans ontstane situatie geen vruchtbare samenwerking in de toekomst te
verwachten valt.

2. Mw. A. verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verweerster
wegens een gewichtige reden als bedoeld in artikel 1639w BW. Zij baseert haar
verzoek op vorenstaande feiten sub 1.1, 1.2 en 1.4 en voorts op de volgende
stellingen, zakelijk weergegeven en voorzover in deze procedure van belang.
In 1989 heeft B.v.d.C. ondanks de afspraak in april 1988 toch weer
toenadering gezocht tot mw. A. Zij was daarvan niet gediend en heeft dat ook
aan B.v.d.C. laten blijken. Weliswaar heeft zij in februari 1989 nog met
B.v.d.C. op zijn initiatief geslachtsgemeenschap gehad, maar dat ‘had niet
mogen gebeuren’. In woord en gebaar is B.v.d.C. zich in 1989 regelmatig te
buiten gegaan aan ‘ongewenste intimiteiten’ jegens A.
laatstelijk in een telefoongesprek vanuit zijn wintersportadres eind 1989. Ook
is B.v.d.C. mw. A. in de werksfeer gaan tegenwerken in die tijd, laatstelijk
door op de kerstborrel 1989 van het bedrijf op te merken dat de door A.
gebruikte ‘auto van de zaak’ te koop was. Mw. A. heeft naar haar zeggen de
moed ontbroken onder deze omstandigheden verder te gaan in het bedrijf van
verweerster. Mw. A. ziet zich genoodzaakt thans haar baan bij verweerster op
te geven, zulks terwijl zij daarin met plezier tot tevredenheid van
verweerster functioneerde. Mw. A. acht de kans groot dat zij – zo zij
uiteindelijk ander werk zal vinden, hetgeen tot heden niet is gelukt – in
salaris achteruit zal gaan, daar zij slechts in het bezit is van een
praktijkdiploma boekhouden en een MAVO-4-diploma. Mw. A. verzoekt toekenning
van een vergoeding ten laste van verweerster van ƒ 20 000 netto voor de
materiele gevolgen van de beëindiging van het dienstverband (lager loon;
pensioenschade) en van ƒ 20 000 netto als vergoeding van immateriële schade,
subsidiair toekenning van een volgens de rechter redelijke vergoeding.

3. Verweerster refereert zich ten aanzien van het verzoek tot ontbinding van
de arbeidsovereenkomst wegens de onder 1.4 bedoelde gewichtige reden aan het
onderdeel van de rechter. Verweerster is bereid in geval van ontbinding van
de arbeidsovereenkomst een vergoeding aan mw. A. te betalen van ƒ 10 000
bruto als gekapitaliseerde suppletie op een uitkering of lager loon.
Verweerster bestrijdt dat er sprake is geweest van ‘ongewenste intimiteiten’
tussen haar directeur en mw. A. Weliswaar acht verweerster het onjuist dat
haar directeur met een werkneemster een (seksuele) relatie is aangegaan.
Signalen dat deze relatie voor mw. A. psychische problemen gaf, zijn in 1989
evenwel niet opgemerkt. De ziekmelding van mw. A. kwam dan ook als een
verrassing.
In dit verband wijst verweerster op een kerstkaart met de beste wensen in
december 1989, de vakantie-opgave van mw. A. voor 1990 en de door mw. A.
ondertekende wijziging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 1990. Ook
legt verweerster een aantal verklaringen over waaruit een indruk over de
verhouding tussen B.v.d.C. en mw. A. kan worden verkregen. Mw. A. heeft
steeds goed gefunctioneerd, hetgeen aanleiding voor de aangeboden vergoeding
vormt. Van tegenwerking van mw. A. is geen sprake geweest.

4. Beoordeling van de standpunten

4.1. Er is sprake van een verstoring van de arbeidsverhouding, die oplevert
een verandering in de omstandigheden van dien aard dat de dienstbetrekking
billijkheidshalve na korte tijd dient te worden beëindigd.
4.2. Er zijn termen aanwezig aan mw. A. ten laste van verweerster een
vergoeding toe te kennen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.
4.3. Het is objectief onverstandig dat een directeur van een onderneming als
die van verweerster (Nederlandse vestiging circa 14 werknemers) een
verhouding aangaat met een van de werknemers. Immers, slechts zelden zullen
in dergelijke gevallen de zakelijke en persoonlijke verhoudingen goed, dat
wil zeggen: strikt, gescheiden kunnen worden. Verstoring van de persoonlijke
verhouding leidt vrijwel steeds tot problemen in de arbeidsverhouding.
B.v.d.C. had zulks moeten beseffen. Nu B.v.d.C. directeur-eigenaar van
verweerster is, zal zijn gedrag aan laatstgenoemde worden toegerekend.
Verweerster zal dan ook een deel van de financiële gevolgen van de
beëindiging van het dienstverband van mw. A. moeten dragen.
4.4. Verzoekster – in april 1988 in de leeftijd van 32 jaar – heeft door
terug te keren bij verweerster na beëindiging van het dienstverband in
verband met de relatie met B.v.d.C. blijkbaar gekozen voor een leuke baan en
daarbij de kans op voortzetting van die relatie min of meer op de koop
toegenomen. De voorwaarde ‘verder de relatie zakelijk te houden’ is immers
nogal een broze conditie, gelet op hetgeen tussen partijen in het nabije
verleden was voorgevallen. Hoe ambivalent verzoekster zich jegens B.v.d.C.
bleef opstellen, blijkt uit het onder 1.3 beschreven voorval.
4.5 De kantonrechter komt op grond van hetgeen onder 4.4 omtrent de houding
van mw. A. is overwogen niet tot de slotsom dat in 1989 sprake is geweest van
zodanige intimiteiten dat B.v.d.C. duidelijk moet zijn geweest dat mw. A.
deze niet wenste te ervaren. Daarbij verdient aantekening, dat de door mw. A.
opgesomde (verzoekschrift sub 3) opmerkingen van B.v.d.C. aan haar adres
(door verweerster betwist) weliswaar tenminste als onelegant en grof zijn te
kwalificeren, maar dat niet is gebleken dat mw. A. expliciet heeft kenbaar
gemaakt daarvan niet gediend te zijn, hetgeen van haar in de omstandigheden
van dit geval mocht worden verwacht.
4.6 Omtrent de door mw. A. gestelde en door verweerster betwiste tegenwerking
in de werksfeer door B.v.d.C. is in deze procedure onvoldoende gebleken.
4.7 In situaties als onderhavige is duidelijk dat een van beide betrokkenen
dient te wijken en zijn of haar baan aldus verliest. Nu B.v.d.C.
directeur-eigenaar is van verweerster is, brengt de – ook als zodanig door
mw. A. ervaren – realiteit mede, dat het dienstverband van mw. A. dient te
eindigen.
Aannemelijk is dat mw. A. daardoor materiele schade lijdt. In de
omstandigheden van dit geval – een dienstverband van ongeveer 7,5 jaar, het
laatst genoten salaris + de auto van de zaak, de leeftijd van mw. A. haar
kansen op de arbeidsmarkt gelet op haar opleidingsniveau, de mogelijkheid van
enige pensioenschade en hetgeen onder 4.3 is overwogen – zal aan mw. A. ten
laste van verweerster na te melden vergoeding worden toegekend. Voor
vergoeding van immateriële schade bestaat in dit geval geen aanleiding.

5. Slotsom; proceskosten
5.1. Verzoekster dient nog gelegenheid te krijgen haar verzoek desgewenst in
te trekken, nu de toe te kennen vergoeding lager is dan verzocht.
De kantonrechter deelt partijen mede dat hij voornemens is ter terechtzitting
van 14 juni 1990 als volgt te beslissen:
Verklaart de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden met
ingang van 1 juli 1990.
Kent verzoekster ten laste van verweerster een vergoeding toe, inhoudende:
dat verweerster uiterlijk op 31 juli 1990 aan verzoekster zal betalen een
bedrag van ƒ 15 000, zulks bij wijze van gekapitaliseerde suppletie op een
door verzoekster te ontvangen uitkering ingevolge de sociale
zekerheidswetgeving, dan wel op een door verzoekster in een ander
dienstverband eventueel te ontvangen lager loon.
Wijst af het meer of anders verzochte.
Compenseert de kosten van deze procedure zo, dat beide partijen de eigen
kosten zullen dragen.
5.2. Voor compensatie van kosten is in dit geval aanleiding, nu partijen over
en weer gedeeltelijk in het ongelijk zullen worden gesteld.

Rechters

Mr. W. van Veen

Instantie: Rechtbank Arnhem, 30 mei 1990

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


F. zijn tien strafbare feiten ten laste gelegd. Hij zou gedurende de
tijd dat hij als psychiater verbonden was aan de Heldering stichtingen
meerdere malen een aantal van zijn pupillen seksueel hebben misbruikt. De
advocaat van F. voert aan dat het O.M. niet ontvankelijk moet worden verklaard
omdat geen eerlijke berechting meer mogelijk is. De beginselen van een
behoorlijke strafvordering zijn geschaad omdat de president van de rechtbank
Arnhem op 17 november 1989 in kort geding voorschotten op schadevergoedingen
heeft toegewezen aan oud-pupillen en ex-patienten van verdachte. Op dat moment
was het strafrechtelijk onderzoek nog in volle gang

De eenzijdige en onkritische publiciteit hebben de onpartijdigheid van
de rechter en de onschuldpraesumptie aangetast

De rechtbank verwerpt deze verweren uitdrukkelijk. Van de ten laste
gelegde strafbare feiten acht de rechtbank vier feiten niet wettig en
overtuigend bewezen. De bewezenverklaring van de overige zes strafbare feiten
berust op de verklaringen van de aangeefsters en op de verklaringen van een
aantal getuigen. De rechter acht de verklaringen van de aangeefsters
geloofwaardig en betrouwbaar, omdat de details met betrekking tot de
handelingen van verdachte met elkaar overeenstemmen. Bovendien hebben een
aantal aangeefsters reeds in een vroegtijdig stadium hun ervaringen verteld
aan derden

F. wordt veroordeeld voor het als geneeskundige in een instelling van
weldadigheid ontucht plegen met een persoon daarin opgenomen, meermalen
gepleegd en voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd
en voor verkrachting, meermalen gepleegd. Hij wordt hiervoor veroordeeld tot
zes jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en
bovendien wordt hij voor elf jaar ontzet uit het recht het beroep van
geneeskundige uit te voeren

Volledige tekst

De verdachte wordt telastegelegd dat

1) verdachte in of omstreeks het tijdvak 1977 – december 1978 te Zetten,
meermalen, althans eenmaal buiten echt vleselijke gemeenschap heeft gehad met
een meisje (.F.) welk meisje toen de leeftijd van twaalf, maar nog niet de
leeftijd van zestien jaren had bereikt; (bijlage 21)

2) dat verdachte in of omstreeks het tijdvak 1977 tot december 1978 te
Zetten, meermalen, althans eenmaal als geneeskundige (psychiater) in een
krankzinnigengesticht, opvoedingsgesticht of instelling van weldadigheid,
ontucht heeft gepleegd met een meisje (.F.) welk meisje toen daarin was
opgenomen bestaande die ontucht (telkens) uit het betasten van haar borsten
en/of schaamstreek; (bijlage 21)

3) dat verdachte in of omstreeks de periode juni 1975 – augustus 1977,
al thans juni 1977 te Zetten, meermalen, althans eenmaal als geneeskundige
(psychiater) in een krankzinnigengesticht, opvoedingsgesticht of instelling
van weldadigheid ontucht heeft gepleegd met een meisje, (.B.) dat toen daarin
was opgenomen, bestaande die ontucht (telkens) uit het betasten van haar
borsten en/of schaamstreek en/of uit het inbrengen van een voorwerp, te weten
het handvat van een spiegel, in haar vagina; (bijlage 22)

4) dat verdachte in of omstreeks de zomermaanden van 1977 in Zetten,
door geweld en/of bedreiging met geweld een meisje, (.B.) heeft gedwongen tot
het plegen van en/of dulden van ontuchtige handelingen, bestaande die
ontuchtige handelingen hierin dat verdachte op het naakte slachtoffer lag,
haar borsten en/of schaamstreek betastte;

bestaande het geweld en/of de bedreiging met geweld hierin dat verdachte
het meisje – in weerwil van haar verzet – de kleding van het lijf rukte en/of
het meisje met een mes of een scherp voorwerp in een arm en/of een been
prikte of stak; (bijlage 22)

5) dat verdachte in of omstreeks de periode december 1983 – medio 1985
te Zetten, meermalen, althans eenmaal, als geneeskundige (psychiater) in een
krankzinnigengesticht, opvoedingsgesticht of instelling van weldadigheid,
ontucht heeft gepleegd met een persoon (.T.) die toen daarin was opgenomen,
bestaande die ontucht (telkens) uit het betasten van de vagina en/of borsten
en/of het laten vasthouden en/of betasten van zijn, verdachtes, geslachtsdeel;
(bijlage 23)

6) dat verdachte in of omstreeks het tijdvak juni 1984 – juli 1985 te
Zetten, meermalen, althans eenmaal door geweld en/of bedreiging met geweld een
meisje (.H.) heeft gedwongen met hem, verdachte, buiten echt vleselijke
gemeenschap te hebben, bestaande het geweld en/of de bedreiging met geweld
hierin, het meisje werd geslagen en/of bestaande het geweld en/of de
bedreiging met geweld (telkens) hierin dat verdachte een dermate bedreigingen
situatie creeerde, dat de vrees van het meisje voor geweld en/of bedreiging
met geweld van de zijde van de verdachte gerechtvaardigd was;

die dreigende situatie bestond (telkens) hierin dat verdachte de
gordijnen van de ruimte waar hij met het meisje verbleef dicht deed en/of de
deur op slot en/of dat het meisje na de gemeenschap werd ingesloten in een
z.g. isolatiecel;

althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling
leidt;

dat verdachte in om omstreeks het tijdvak juni 1984 – juli 1985 te
Zetten, meermalen, althans eenmaal buiten echt vleselijke gemeenschap heeft
gehad met een meisje (.H.) dat toen de leeftijd van twaalf jaren, maar nog
niet die van zestien jaren had bereikt; (bijlage 24)

7) dat verdachte in of omstreeks de periode juni 1984 – juli 1985 te
Zetten, meermalen, althans eenmaal, als geneeskundige (psychiater) in een
krankzinnigengesticht, opvoedingsgesticht of instelling van weldadigheid,
ontucht heeft gepleegd met een meisje (.H.) dat toen hierin was opgenomen,
bestaande die ontucht (telkens) uit het betasten van de vagina van het meisje
en/of uit het inbrengen van een (houten) voorwerp in de vagina van het meisje,
en/of uit het door het meisje laten vasthouden en/of betasten van zijn,
verdachtes, geslachtsdeel; (bijlage 24)

8) dat verdachte in of omstreeks de periode 1978 – 1979 te Zetten,
meermalen, althans eenmaal, als geneeskundige (psychiater) in een
krankzinnigengesticht, opvoedingsgesticht of instelling van weldadigheid,
ontucht heeft gepleegd met een jongen, (.L.) die toen daarin was opgenomen,
bestaande die ontucht (telkens) (onder meer) uit het laten vasthouden door die
jongen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel uit het zich door die jongen laten
“pijpen” en/of uit het hebben van een anaal geslachtsverkeer met die jongen;
(bijlage 30)

De verdachte wordt telastegelegd dat

9) verdachte in of omstreeks de periode 1982 – 1984 te Zetten als
geneeskundige (psychiater) in een krankzinnigengesticht, opvoedingsgesticht of
instelling van weldadigheid, meermalen, althans eenmaal, ontucht heeft
gepleegd met een meisje G., dat toen daarin was opgenomen, bestaande die
ontucht (telkens) uit het hebben van geslachtsgemeenschap met haar, uit het
betasten van haar schaamstreek en/of borsten; (bijlage 26)

10) verdachte in of omstreeks de periode 1978 – 1983 te Zetten,
meermalen, althans eenmaal met een vrouw, A., met wie verdachte niet gehuwd
was en van welke vrouw hij, verdachte, wist dat zij in staat van onmacht
verkeerde, vleselijke gemeenschap heeft gehad, hierin bestaande dat hij,
verdachte – (telkens) nadat hij aan die vrouw (een) weerloosmakende stof(fen)
had toegediend – met haar geslachtsgemeenschap heeft gehad, en/of althans
hierin bestaande dat hij, verdachte die vrouw in het kader van de hulpverlener
-patient- relatie in een zodanige van hem afhankelijke relatie heeft gebracht
dat die vrouw (telkens) niet (meer) in staat was zich tegen hem, verdachte, te
verzetten en/of (telkens) niet (meer) in staat was hem af te wijzen, althans
niet (meer) in staat was haar wil te bepalen, te uiten en/of te effektueren;
(bijlage 37)

Gezien de stukken

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting d.d. 16 en 17 mei 1990

Gehoorde de vordering van de officier van justitie (t.a.v. de feiten 1,
2, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 8, 9 en 10: een gevangenisstraf voor de duur van 6
jaar met aftrek)

Gelet op de verdediging door de verdachte en hetgeen namens deze door
mr. E.Ph.R. Sutorius, advocaat te Arnhem, in het midden is gebracht

(…) I. Namens de verdachte is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie
niet ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien geen eerlijke berechting
in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
mogelijk is, c.q. dat er sprake is van schending van beginselen van een
behoorlijke strafvordering

De raadsman van verdachte heeft in dat verband onder meer het volgende
aangevoerd:

A. De President van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft op 17
november 1989 in kort geding voorschotten op schadevergoedingen toegewezen aan
oud-pupillen en ex-patienten van verdachte, terwijl deze strafzaak op dat
moment reeds bij de Arrondissements rechtbank te Arnhem aanhangig was gemaakt
en door de strafkamer in september 1989 een onderzoeksopdracht was gegeven aan
de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze
rechtbank. Het strafrechtelijke onderzoek was derhalve toentertijd nog in
volle gang; vele getuigen moesten nog worden gehoord en de
getuigen-deskundigen moesten nog aan hun arbeid beginnen. De President heeft
desondanks, na een inhoudelijk onderzoek over exact hetzelfde feitencomplex
dat onderwerp vormde van de strafrechtelijke verwijzingsopdracht, een vonnis
gewezen waarin hij de waarschijnlijkheid dat verdachte zich heeft gedragen
als door eiseressen gesteld zo groot oordeelt, dat er in redelijkheid geen
rekening mee behoeft te worden gehouden dat een bodemrechter tot een ander
oordeel zou komen. Door deze praejudicierende uitspraak wordt de
verdragsrechtelijk gegarandeerde onschuldpraesumptie tot een dode letter en
loopt de verdragsrechtelijk gegarandeerde onpartijdigheid van de rechter grote
averij op: een schijn van partijdigheid kan door deze uitspraak ontstaan

B. Door de eenzijdige en onkritische publiciteit, mede veroorzaakt door
het door de politie uitgegeven perscommunique, kan van een eerlijke berechting
van verdachte geen sprake meer zijn. Door de publicitaire hetze is een aanslag
gepleegd op de onpartijdigheid van deze rechter en is de onschuldpraesumptie
aangetast. Ten gevolge hiervan zijn de getuigen beinvloed en waren zij niet
langer meer onbevooroordeeld op het moment dat zij door de rechter-commissaris
moesten worden gehoord. Het beginsel van de “Equality of arms” is derhalve
geschonden

C. De aangeefsters zijn voor het grootste deel opgespoord door de
politie; de aangeefsters hebben niet zelf spontaan aangifte gedaan. De politie
heeft mede door het perscommunique, opgesteld na de aanhouding van verdachte,
aangiften verzameld

OVERWEGENDE HIEROMTRENT:

De rechtbank verwerpt het verweer onder I.A.

De kort geding rechtspraak is een civiele procedure waarin aan de hand
van een summiere civielrechtelijke bewijsvoering slechts een voorlopig oordeel
van de civiele rechter wordt gegeven. Het strafrecht kent een geheel eigen
rechtsgang met eigen rechters en bewijs recht. Het Nederlandse
strafrechtstelsel kent geen juryrechtspraak en er wordt uitsluitend geoordeeld
door onafhankelijke beroepsrechters. De President in kort geding heeft nimmer
deel uitgemaakt van de strafsectie van deze rechtbank. Daarom valt niet aan te
nemen dat de aangevoerde partijdigheid of schijn van partijdigheid kon
ontstaan en evenmin dat de in de verdragen gestelde onschuldpraesumptie is
aangetast

De rechtbank verwerpt het verweer onder I.B

Hetgeen hierboven is overwogen over de aangevoerde partijdigheid of
schijn van partijdigheid en over de aangevoerde onschuldpraesumptie wordt hier
overgenomen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aangevoerde
“publiciteit hetze” niet heeft geleid tot een dusdanige aantasting van het
beginsel van de “Equality of arms” dat als gevolg daarvan het Openbaar
Ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Een belangrijk
aantal getuigen zijn voor de publiciteitsgolf door de politie gehoord. Deze
getuigen en andere getuigen zijn na de publiciteitsgolf (nogmaals) gehoord
door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze
rechtbank, in het bijzijn van de raadsman van verdachte. De raadsman van
verdachte is toentertijd ruimschoots gelegenheid geboden deze getuigen te
ondervragen. Bovendien is het niet aannemelijk geworden dat door de
publciteit de verklaringen van de getuigen van mindere waarde zijn geworden

De rechtbank verwerpt het verweer onder I.C

De rechtbank is van oordeel dat de opsporingsambtenaren door het
opsporen van de latere aangeefsters en door het verzenden van een bericht aan
de pers geen inbreuk hebben gemaakt op de fundamentele beginselen van een
goede procesorde. Deze wijze van opsporing is in dit soort zaken niet
ongebruikelijk en het persbericht, dat is uitgegeven na aanhouding van
verdachte, was sober gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft door deze
handelwijze niet onzorgvuldig of onrechtmatig gehandeld. Het Openbaar
Minsterie heeft met name bij het opsporen van deze ernstige telastegelegde
feiten de verhoudingen niet uit het oog verloren en niet in strijd gehandeld
met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit

De rechtbank is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat er
geen gronden zijn voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie,
omdat geen eerlijke berechting in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14
IVBPR mogelijk zou zijn, c.q. omdat er sprake zou zijn van schending van
beginselen van een behoorlijke strafvordering

II. Namens de verdachte is voorts aangevoerd dat het Openbaar Ministerie
niet ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de onder 1, 3,
en 3 en 4 (gezamenlijk) telastegelegde feiten

De raadsman van verdachte heeft in dat verband onder meer het volgende
aangevoerd:

A. Onder 1 is het delict van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht
telastegelegd

Dit delict is een slechts op klacht vervolgbaar delict, tenzij samenloop
plaatsvindt met de artikelen 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, danwel
een van beide cumulatief is telastegelegd. Wat betreft feit 2 (het delict van
artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht) is niet komen vast te staan dat
aangeefster destijds als pupil aan de zorg van verdachte was toevertrouwd,
danwel dat verdachte haar geneeskundige was toen zij in de Arendshorst was
opgenomen. Van de bedoelde samenloop met artikel 249 van het Wetboek van
Strafrecht kan derhalve geen sprake zijn, terwijl het geval van artikel 248
hier niet van toepassing is. Dat leidt tot de conclusie dat namens aangeefster
binnen de daartoe in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht gestelde
wettelijke termijn van 3 maanden een klacht strekkende tot het doen vervolgen
van verdachte ingediend had moeten worden en daarvan blijkt niet uit het
dossier. De aangifte d.d. 25 januari 1989 waarin aangeefster om een nader
onderzoek vraagt kan naar vaste rechtspraak niet worden opgevat als een naar
wettelijke vorm ingediende klacht strekkende tot vervolging

B. Het onder 3 telastegelegde delict is verjaard. De verjaringstermijn
voor het delict van artikel 249 bedraagt 12 jaar. Het Openbaar Ministerie
tracht de dwingende regels met betrekking tot de verjaring te omzeilen door
het in de telastelegging op te nemen tijdvak zo ruim te nemen dat een deel
daarvan buiten de verjaringstermijn valt

C. Hetgeen hierboven onder I.A. is aangevoerd wordt hier herhaald, in
het bijzonder met betrekking tot de feiten 3 en 4. Aangeefster is een van de
eiseressen in kort geding geweest. Gezien het vonnis van de President in kort
geding zoals hierboven onder I.A. is weergegeven, kan verdachte niet anders
dan menen dat -zeker ten aanzien van de feiten 3 en 4- het verdragsrechtelijk
vermoeden van onschuld voor hem niet langer is gegarandeerd

OVERWEGENDE HIEROMTRENT:

Het verweer onder II.A. behoeft geen behandeling. De rechtbank verwijst
in dit verband naar hetgeen zij met betrekking tot het bewijs van de onder 1
en 2 telastegelegde feiten hieronder overweegt

De rechtbank is van oordeel dat het verweer onder II.B. slaagt wat
betreft de primair telastegelegde termijn (de periode juni 1975 – augustus
1977). Deze termijn is zo ruim genomen dat slechts een klein gedeelte daarvan
valt buiten de verjaringstermijn

De rechtbank is echter wel van oordeel dat uit de door de aangeefster
afgelegde verklaringen in ieder geval kan worden opgemaakt dat de verweten
gedragingen zijn begaan in de periode die valt buiten de verjaringstermijn,
derhalve in de periode die subsidiair is telastegelegd. De rechtbank verwijst
verder naar hetgeen zij met betrekking tot het onder 3 subsidiair
telastegelegde hieronder overweegt

De rechtbank verwerpt het verweer onder IIC. Hetgeen hierboven door de
rechtbank onder I.A. is overwogen wordt hier integraal overgenomen

De rechtbank is op grond van het bovenstaande derhalve van oordeel dat
er geen gronden zijn voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie,
behalve voor wat betreft de primaire periode in het sub 3 telastegelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de
verdachte sub 1, 2 (…), 8 (…) en 10 (…) is telastegelegd, zodat hij
daarvan zal worden vrijgesproken

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen de feiten sub 1 en
2 telastegelegd. Volgens de getuigen J. Zoetebier en B. Kleine, die F. goed
gekend hebben respectievelijk als therapeut en als groepsleidster, is F. nooit
bij verdachte in behandeling geweest en zij vragen zich af of F. ooit contact
met verdachte heeft gehad. F. zelf geeft aan zich van het uiterlijk van
verdachte niets te kunnen herinneren, hetgeen moeilijk voorstelbaar is als zij
-zoals zij zelf verklaart- 2 a 3 maal per week bij hem moest komen

Verdachte zelf herinnert zich F. evenmin en ontkent de telastegelegde
fei ten. Op deze gronden acht de rechtbank de verklaring van aangeefster niet
geloofwaardig

Evenmin acht de rechtbank het sub 8 telastegelegde feit wettig en
overtui gend bewezen

De verklaring van de betreffende aangever wordt door meerdere getuigen
in ernstige twijfel getrokken; bovendien komen door deze aangever genoemde
details over de handelwijze van verdachte -die het telastegelegde
uitdrukkelijk ontkent- niet overeen met de beschrijving daarvan door de
overige aangeefsters

Voor de rechtbank is mede bepalend dat aangever zelf heel nadrukkelijk
aangeeft vanuit haat- en wraakgevoelens te handelen, waarbij niet valt uit te
sluiten dat de ze gevoelens zijn veroorzaakt door andere -niet in de
telastelegging omschreven-gebeurtenissen tijdens het verblijf van aangever in
Zetten

Met betrekking tot feit 10 in het primair telastegelegde deel overweegt
de rechtbank, dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in de
periode 1978 – 1983 aan de aangeefster een weerloosmakende stof heeft
toegediend, waardoor zij in staat van onmacht kwam te verkeren. Aangeefster
verklaart immers dat verdachte stopte met het toedienen van deze stof toen
zij zwanger raakte van haar oudste kind B., die voor de bovengenoemde periode
is geboren

Evenmin kan veroordeling volgen aangezien niet aannemelijk is geworden
dat verdachte wist dat aangeefster in staat van onmacht verkeerde in die zin
dat er bij aangeefster sprake was van het ontbreken van fysieke weerbaarheid.
Immers dat is de betekenis die de wetgev er in artikel 243 van het Wetboek van
Strafrecht aan dat begrip “onmacht” heeft gegeven

GEBEZIGDE BEWIJSMIDDELEN:

(…)

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte ter terechtzitting heeft
volgehouden dat hij nimmer naakt met zijn pupillen heeft gezwommen en/of in de
sauna heeft gezeten, deze verklaring van verdachte ter terechtzitting als
kennelijk leugenachtig bestempeld dient te worden

Gelet op de bij de bewijsmiddelen onder 4, 6, 8f, 8i, 10 en 15 van de
aan geefsters c.q. getuigen, wordt, naar het oordeel van de rechtbank,
verdachtes verklaring geheel weerlegd

De rechtbank bezigt deze verklaring, die kennelijk bedoeld is om de
waarheid te vervullen, mede tot het bewijs van het aan verdachte
telastegelegde

De rechtbank acht voorts de door de aangevers van de feiten sub 3, 4, 5,
6 primair, 7 en 9 afgelegde verklaringen, gezien de met elkaar
overeenstemmende details met betrekking tot de handelingen van verdachte,
geloofwaardig en betrouwbaar. Een aantal aangeefsters heeft bovendien in een
vroegtijdig stadium tegenover derden, zoals hiervoor in de bewijsmiddelen is
aangegeven, gesproken over de aan verdachte telastegelegde handelingen jegens
deze aangeefsters

Daargelaten het oordeel van de rechtbank over het optreden van de
deskundige Frenken aan de vooravond van de terechtzitting in Paradiso in
Amsterdam doet de door de getuige-deskundige Frenken opgemaakte rapportage
alsmede de door de getuige-deskundige Wagenaar afgelegde verklaring ter
zitting van 17 mei 1990 daaraan niet toe of af

Het is de rechtbank uit eigen wetenschap bekend dat de Heldringstichting
een particuliere instelling is en derhalve gezien kan worden als “instelling
van weldadigheid”, immers de inrichting gaat uit van de Vereniging “De
Heldringstichtingen” (blijkens de Gids Hulpverlening Jeugdigen). Zowel in de
wettekst van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht van voor 1975, tussen
1975 en 1986 en in de huidige wettekst wordt met straf bedreigd de geneesheer,
die in een instelling van weldadigheid ontucht pleegt met een persoon daarin
opgenomen. Het verweer van de raadsman met betrekking tot de feiten 2, 3, 5, 7
en 9 wordt daarom verworpen

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen de verdachte sub 3, 4, 5, 6
primair, 7 en 9 meer of anders is telastegelegd

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van de feiten 3, 5, 7 en 9 telkens:

als geneeskundige in een instelling van weldadigheid ontucht plegen met
een persoon daarin opgenomen,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van
Strafrecht meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 4:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van
Strafrecht meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 6 primair:

VERKRACHTING,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van
Strafrecht meermalen gepleegd

Door de raadsman is met betrekking tot het door verdachte plegen van
“ontucht” als geneeskundige uitdrukkelijk -voor zover verdachte aangeefsters
heeft aangeraakt- een beroep gedaan op verdachtes beroepsrecht, de medische
exceptie. Bedoelde handelingen droegen, aldus de raadsman, geen ontuchtig
karakter

De rechtbank verwerpt dit beroep

Vaststaat dat een huisarts verbonden was aan de Heldringstichtingen, die
de taak had de lichamelijke onderzoeken bij de pupillen te verrichten. Voor
het handelen van verdachte als bewezen was geen medische indicatie aanwezig,
evenmin was er sprake van een medische noodsituatie, terwijl de behandeling
ook tegen de wil van de betrokken pupillen moest worden ondergaan. Daarmee
heeft verdachte de grenzen van correct medisch handelen in grove mate
overschreden

De verdachte is deswege strafbaar

De hierna te noemen beslissingen zijn in overeenstemming met de aard en
de ernst van de gepleegde feiten en met de omstandigheden waaronder deze zijn
gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken

De beslissingen zijn voorts in overeenstemming met de persoon en de
persoonlijke omstandigheden van de dader, zoals van een en ander eveneens ter
terechtzitting is gebleken

De rechtbank heeft hierbij gelet op het ter terechtzitting besproken
uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de afdeling van de
justitiele documentatiedienst bij de arrondissementsrechtbank te Alkmaar,
gedateerd 12 maart 1990, betreffende verdachte

Tevens is rekening gehouden met de eveneens ter terechtzitting
doorgenomen rapportage met betrekking tot verdachte, opgemaakt door de
maatschappelijk werkster mevrouw M.A.L. van Mierlo, verbonden aan de
reclassering Arnhem, Sociaal Psychiatrisch Werk, gedateerd 2 juni 1989

Ten aanzien van de straftoemeting overweegt de rechtbank het navolgende:

Aan de ene kant neemt de rechtbank in aanmerking de lange periode
waarover de bewezen verklaarde, weerzinwekkende feiten zich stelselmatig
hebben uitgestrekt; de bijna absolute machtspositie -ten dele door hem zelf in
het leven geroepen- die verdachte in de organisatie van de Heldringstichtingen
tegenover de slachtoffers had; slachtoffers die ook practisch weerloos waren
omdat hun signalen naar medewerkers en/of naar buiten niet of onvoldoende
werden opgevangen; het misbruik dat verdachte als arts-psychiater maakte van
het vertrouwen dat de slachtoffers in zijn behandeling als
inrichtings-psychiater moesten -ze waren aan hem overgeleverd- maar ook
mochten stellen, waardoor hij in zeer ernstige mate het vertrouwen in de
medische stand heeft geschaad; de grote opschudding die de bewezen verklaarde
feiten in de maatschappij hebben teweeggebracht en nog steeds brengen; de
bijzondere ernstige gevolgen voor de slachtoffers, die tot op de dag van
vandaag nog voortduren en de daardoor aan hun toegebrachte, vermoedelijk deels
blijvende, psychische en sociale schade

Gegronde vrees bestaat dat de slachtoffers de gevolgen van de door
verdachte gepleegde feiten niet, dan wel zeer moeilijk, te boven zullen komen
en dat er bij hen in ieder geval sprake is van in zeer grote mate gederfde
levensvreugde

Aan de andere kant houdt de rechtbank rekening met het blanco strafblad
van verdachte; met de omvangrijke publiciteitsgolf, die verdachte tot op heden
heeft achtervolgd en omspoeld, waardoor mede zijn positie in de maatschappij
is ingestort en waardoor hij maatschappelijk in een isolement is geraakt; dat
hij mede door een van de bewezen verklaarde feiten zijn baan heeft verloren en
het gezien zijn leeftijd aan te nemen valt dat hij niet meer aan de slag zal
komen, ook gelet op de na te noemen door de rechtbank op te leggen bijkomende
straf; dat daardoor ook de kans op herhaling door verdachte van soortgelijke
delicten uiterst gering is te achten

Dit alles overwegende ontkomt de rechtbank niet aan het opleggen aan
verdachte van een langdurige gevangenisstraf en gelet op de ernst van de wel
bewezen feiten, ziet de rechtbank aanleiding om boven de eis van de officier
van justitie uit te gaan, waarbij de rechtbank in haar oordeel betrekt dat zij
aan verdachte eveneens na te noemen bijkomende straf zal opleggen

De beslissing zijn gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke
voorschriften, op de artikelen 10, 27, 28, 31,57 en 60 van het Wetboek van
Strafrecht

rechtdoende;

Verklaart het openbaar minsterie niet ontvankelijk ten aanzien van de in
sub 3 primair genoemd periode juni 1975 – augustus 1977

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte sub 1,
2, 8 en 10 is telastegelegd en spreekt hem daarvan vrij

Verklaart bewezen dat het sub 3, 4, 5, 6 primair, 7 en 9 telastegelegde
in voege als de bovenomschreven door de verdachte is begaan

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten
zo als hierboven vermeld

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte sub 3, 4, 5, 6 primair, 7 en 9
meer of anders is telastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt
hem daarvan vrij

Verklaart de verdachte deswege strafbaar

Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van:

zes (6) jaren

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de
uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden
gebracht

Ontzet verdachte voorts uit het recht het beroep van geneeskundige uit
te oefenen voor de duur van elf (11) jaar

Rechters

Mrs. P.R. Smits, vice-president, als voorzitter, A.T.M. Vrijhoeven enM.A.F. Cools-Weebers rechters, R. van Dijk griffier