Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 29 mei 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het doden van een vrucht op zodanig tijdstip, dat zij naar
ervaringsregels, gezien de stand van de medische wetenschap, een redelijke
kans maakte – ter wereld gekomen – in leven te blijven, wordt gelijkgesteld
aan opzettelijke levensberoving. Twintig weken is de uiterste grens, waarbij
een extra veiligheidsmarge van vier weken moet worden aangehouden.
Arts-gynaecoloog krijgt 1.000,- boete opgelegd wegens moord.

Volledige tekst


8. Een door de op 7 april 1986 door voornoemde rechter- commissaris
benoemde en beedigde deskundige P.J.J. Sauer opgemaakt rapport d.d. 14 april
1986, voorzover inhoudende:

Op 11 april 1986 heb ik in het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk het
stoffelijk overschot van baby R. uitwendig onderzocht, in aanwezigheid van
collega M. Voortman, patholoog-anatoom.

Het geboortegewicht bedroeg volgens opgave 710 gram. Dit kan
overeenkomen met een zwangerschapsduur van 22-26 weken.

De grenzen van levensvatbaarheid zijn de afgelopen jaren verschoven. De
sterftepercentages hebben de afgelopen twintig jaren een voortdurende daling
te zien gegeven.

Deze veranderingen in sterftecijfers zijn veroorzaakt door verbeterde
behandelingsmethoden voor de te vroeg geborene. Tot een tiental jaren geleden
lag de grens van levensvatbaarheid bij een zwangerschapsduur van 28 weken,
overeenkomend met een geboortegewicht van 1000 gram. De afgelopen jaren is
deze grens verschoven naar 26 weken en een geboortegewicht van 800 gram. In
sommige centra voor intensieve zorg voor pasgeborenen wordt deze grens thans
getrokken bij + 25 weken en + 700 gram.

Op grond van een landelijk onderzoek in Nederland in 1983 is het
overlevingspercentage van kinderen geboren na een zwangerschapsduur an 24-26
weken en een geboortegewicht van 700-800 gram 10-15%.

Het weeenopwekkende middel “Nalador” veroorzaakt samentrekkingen van de
baarmoeder welke zo heftig kunnen zijn dat de zuurstofoverdracht via de
placenta (moederkoek) naar het kind ernstig verstoord raakt. Dit
zuurstoftekort kan leiden tot beschadiging van de vrucht, met name van de
hersenen.

9. Een door de sub 8 genoemde deskundige op 25 april 1986 opgemaakt
nader rapport, voorzover inhoudende:

Op grond van een combinatie van de groeicurves en de lengte-
respectievelijk gewichtsgegevens in het rapport van collega Voortman, meen ik
dat de zwangerschapsduur waarschijnlijk 24- 26 weken bedragen heeft.

10. Een door de op 24 april 1986 door voornoemde rechter- commissaris
benoemde en op 1 mei 1986 door deze beedigde deskundige J. Huber opgemaakt
rapport d.d. 6 juni 1986 betreffende: Stoffelijk overschot van een vrouwelijke
foetus, hem door Dr. Voortman te Rijswijk op 28 april 1986 om 8.30 uur
aangewezen onder nummer 86.102, voorzover inhoudende:

Lever en hart tonen een geringe mate van vervetting hetgeen kan wijzen
op zuurstofgebrek bij uitputting van glycogeen (suiker) reserves. Dit is een
verschijnsel dat in uren tot stand kan komen. De bijnier toont een
vervettingspatroon hetgeen wijst op een proces van meer dan een dag. Gezien de
voorgeschiedenis van 3 dagen infusen met Nalador kan deze bijniervervetting
goed passen bij stress door intermitterende sterke baarmoeder contracties
resulterende in onderbreking van de bloedtoevoer naar de foetus, die door
Nalador veroorzaakt kan worden.

4.3 De Rechtbank heeft ten aanzien van het bewijs het volgende
overwogen:

Verdachte heeft bij het eerste onderzoek van zijn patiente de
zwangerschapsduur conventioneel bepaald op 19 a 20 weken.

Vervolgens heeft hij 6 dagen later opdracht gegeven tot opname van
patiente en vervolgens tot onderbreking van de zwangerschap. Op dat moment was
patiente volgens verdachtes eigen diagnose 20 a 21 weken zwanger. Verdachte
deelde aan de artsen Klumper en Gerretsen mee dat de duur van de zwangerschap
16 weken bedroeg.

In de Memorie van Toelichting bij artikel 82a van het Wetboek van
Strafrecht wordt ten aanzien van de grenzen van zwangerschapsonderbreking
overwogen als volgt:

Waar het dus om gaat is dat het doden van een vrucht op zodanig
tijdstip, dat zij naar ervaringsregels, gezien de stand van de medische
wetenschap, een redelijke kans maakte – ter wereld gekomen – in leven te
blijven, wordt gelijkgesteld aan opzettelijke levensberoving en aan een
misdrijf tegen het leven gericht, als bedoeld in Titel XIX van het Tweede boek
van het Wetboek van Strafrecht.

Wat betreft de nadere precisering van de zwangerschapsduur waarbij
aangenomen moet worden dat de vrucht levensvatbaar is, dient overwogen te
worden dat bij de huidige stand van de medische wetenschap vruchten van minder
dan 24 weken als niet levensvatbaar beschouwd worden. Bij een
zwangerschapsduur van 24 weken of langer is er echter een steeds grotere kans
op een levensvatbare vrucht.

Dit betekent dat een zwangerschapsduur van 24 weken als absolute grens
moet gelden ten aanzien van zwangerschapsafbreking. De conventionele methoden
tot bepaling van de zwangerschapsduur vertonen echter een grote mate van
onnauwkeurigheid;

het gaat hierbij meer om een schatting van de duur dan om een exacte
vaststelling. De marge van onnauwkeurigheid van deze schatting kan, indien
gebruik is gemaakt van conventionele middelen, tot 4 weken bedragen. Alleen
met zeer geavanceerde diagnostische hulpmiddelen is het mogelijk de genoemde
marge van onnauwkeurigheid bij de vaststelling van de zwangerschapsduur te
reduceren tot 2 weken.

Bij de besluitvorming aangaande zwangerschapsonderbreking betekent dit,
dat een met conventionele middelen geschatte zwangerschapsduur van 20 weken de
uiterste grens is waarbij nog abortus kan worden overwogen, aangezien
daarboven levensvatbaarheid niet is uit te sluiten. Omdat het om een vitale
grens gaat, zal in zulks gevallen immers de maximale extraveiligheidsmarge van
4 weken moeten worden aangehouden.

Verdachte kende de 20-weken grens, die in casu zo wezenlijk is gebleken.
Desondanks heeft hij, wetende dat deze grens was overschreden, welbewust
afgezien van het meer exact vaststellen van de zwangerschapsduur met behulp
van echografie/echoscopie, hetgeen blijkens de hiervoor gebezigde
bewijsmiddelen toch duidelijk geindiceerd was. Daarenboven heeft hij de artsen
Klumper en Gerretsen een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, waardoor
voor hen de noodzak zelfstandig onderzoek te doen kwam te vervallen. Dusdoende
heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat
toen hij de opdracht gaf tot afbreken van de zwangerschap en dus tot het doden
van de vrucht, de zwangerschapsduur meer dan 24 weken, en wel 25 weken, zou
bedragen, bij welke zwangerschapsduur, die overigens blijkens de hiervoor
gebezigde bewijsmiddelen ook daadwerkelijk tenminste 25 weken was, een vrucht
als de onderhavige naar ervaringsregelen gezien de stand van de medische
wetenschap een redelijke kans had gemaakt – indien ter wereld gekomen – in
leven te blijven.

De rechtbank baseert dit laatste op de hiervoor aangehaalde tekst van de
Memorie van Toelichting in combinatie met de hiervoor als bewijsmiddel
gebezigde deskundigenverklaringen van Drogendijk en Sauer, waaruit blijkt dat
de voor levensvatbaarheid kritische grens ligt bij een zwangerschapduur van 24
weken.

Ook deze grens kende verdachte.

4.4. Het Hof heeft voorts met betrekking tot het bewijs het volgende
overwogen:

Overwegende, dat het hof naar aanleiding van de behandeling van hoger
beroep hieraan nog het navolgende toevoegt:

dat de deskundigen, ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, hebben
verklaard dat naar de opvattingen van de medische wetenschap ten tijde van het
feit een vrucht van 24 weken een geboorte in de regel niet overleeft, maar dat
er vanaf 25 tot 26 weken een niet te verwaarlozen kans op overleving bestaat;

dat in de praktijk echter toch nog 85 tot 95% van deze baby’s enkele
uren na de geboorte overlijdt;

dat prof. Voortman en prof. Sauer de zwangerschapsduur op 24 tot 28
weken hebben gesteld;

dat de Memorie van Toelichting op de Wet afbreking zwangerschap (T.K.
1978-1979 15475, nr. 3) op art. 82a Wetboek van Strafvordering, stelt dat
onder een kind van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht
die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het
moederlichaam in leven te blijven;

dat en tijde van de indiening van het wetsvoorstel vruchten van 24 weken
niet levensvatbaar werden geacht;

dat het echter moeilijk is om met conventionele middelen de exacte duur
van een zwangerschap te bepalen en er dan ook volgens de Memorie van
Toelichting een marge van vier weken moet worden aangehouden;

dat verdachte op 18 februari 1986 die duur op grond van zijn kennis en
ervaring had vastgesteld op 19 a 20 weken en dat de kritische grens dan ook te
dicht genaderd was om tot abortus te besluiten zonder te trachten de duur van
de zwangerschap nader te bepalen door middel van echoscopie;

dat alle deskundigen zich op dit standpunt hebben gesteld;

dat verdachte door dit na te laten en door de abortus te laten
plaatshebben de niet denkbeeldige kans heeft doen ontstaan dat het kind
waarvan de vrouw op 26 februari 1986 beviel nog enige tijd zou leven;

dat de wetgever niet heeft aangegeven of onder een vrucht, die naar
redelijkerwijs verwacht mag worden, in staat is te blijven leven, ook verstaan
moet worden een vrucht die slechts in staat is enkele uren te leven en het
hof ook niet in staat is dit exact aan te geven, maar het ervan utgaat dat het
niet de bedoeling van de wetgever geweest is abortus in een geval als dit niet
strafbaar te achten;

dat dit kan worden afgeleid uit de in de Memorie van Toelichting
genoemde veiligheidsmarge;

dat de vraag of een foetus van 24 – 28 weken oud door middel van een
intensieve medische behandeling (waaronder kunstmatige beademing) in leven
gehouden moet worden of dat dit nagelaten moet worden daar de kansen dat het
een gezond mens wordt zeer gering zijn, hier niet aan de orde is;

dat aan de strafbaarheid niet afdoet de vaststelling achteraf dat de
vrucht niet levensvatbaar was.

5. Beoordeling van het middel

5.1. Bij de Wet van 1 mei 1981, Stb. 257 (Wet afbreking zwangerschap) is
art. 82a gevoegd in het Wetboek van Strafrecht. De Memorie van Toelichting op
het ontwerp dat tot deze wet heeft geleid, behelst met betrekking tot het in
te voegen art. 82a Sr het volgende (pag. 32/33):

A. Voorgesteld wordt in de zogenaamde betekenistitel (Titel IX) van het
Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht een nieuw artikel 82a op te nemen,
waarin wordt bepaald, dat onder een ander van het leven beroven (zie de
artikelen 287 tot en met 289 Sr.), dan wel een kind bij of kort na de geboorte
van het leven beroven (vergelijk de artikelen 290 en 291 Sr.) wordt begrepen:
het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat
is buiten het moederlichaam in leven te blijven. Deze laatste formulering is
aldus gekozen, omdat het levensvatbaar zijn van een vrucht pas onomstotelijk
kan worden vastgesteld, nadat deze levend ter wereld is gebracht en – mogelijk
dankzij de geboden medische verzorging – in leven is gebleven. Waar het dus om
gaat is dat het doden van een vrucht op zodanig tijdstip, dat zij naar
ervaringsregels – ter wereld gekomen – in leven te blijven, wordt
gelijkgesteld aan opzettelijke levensberoving en aan een misdrijf tegen het
leven gericht, als bedoeld in Titel XIX van het Tweede Boek van het Wetboek
van Strafrecht.

Wat betreft de nadere precisering van de zwangerschapsduur waarbij
aangenomen moet worden dat de vrucht levensvatbaar is, dient overwogen te
worden dat bij de huidige stand van de medische wetenschap vruchten van minder
dan 24 weken als niet levensvatbaar beschouwd worden. Bij een
zwangerschapsduur van 24 weken of langer is er echter een steeds grotere kans
op een levensvatbare vrucht.

Dit betekent dat een zwangerschapsduur van 24 weken als absolute grens
moet gelden ten aanzien van zwangerschapsafbreking. De conventionele methoden
tot bepaling van de zwangerschapsduur vertonen echter een grote mate van
onnauwkeurigheid: het gaat hierbij meer om een schatting van de duur dan om
een exacter vaststelling. De marge van onnauwkeurigheid van deze schatting
kan, indien gebruik is gemaakt van conventionele middelen, tot vier weken
bedragen. Alleen met zeer geavanceerde diagnostische hulpmiddelen is het
mogelijk de genoemde marge van onnauwkeurigheid bij de vaststelling van de
zwangerschapsduur te reduceren tot twee weken.

Bij de besluitvorming aangaande zwangerschapsonderbreking betekent dit,
dat een met conventionele middelen geschatte zwangerschapsduur van 20 weken de
uiterste grens is waarbij nog abortus kan worden overwogen, aangezien
daarboven levensvatbaarheid niet is uit te sluiten. Omdat het om een vitale
grens gaat, zal in zulke gevallen immers de maximale extra-veiligheidsmarge
van vier weken moeten worden aangehouden.

5.2. In de verwijzing in de Memorie van Toelichting naar de ‘huidige
stand van de medische wetenschap’ ligt besloten dat hierin het antwoord moet
worden gevonden op de vraag of bij de – naar medische maatstaven zorgvuldig –
vastgestelde duur van de zwangerschap in een bepaald geval redelijkerwijs mag
worden verwacht dat de vrucht, indien deze bij die duur van zwangerschap zou
worden geboren – en wel op natuurlijke wijze, dus zonder kunstmatige opwekking
dier geboorte – in leven zal blijven, eventueel met medische hulp.

5.3.1. De onderdelen I, II en III van het middel stoelen kennelijk op de
opvatting dat te dezen niet sprake is geweest van ‘een vrucht die naar
redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in
leven te blijven’, aangezien – gelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt –
de vrucht weliswaar levend is geboren doch kort na de geboorte is gestorven,
welk overlijden – naar in onderdeel IV van het middel wordt betoogd – het
gevolg was van onvoldoende ontwikkeling van de longen.

5.3.2. Deze opvatting is onjuist. Het hiervoren onder 5.3.1. genoemde
bestanddeel van het strafbare feit van art. 289 Sr in verbinding met art. 82a
Sr is vervuld indien op het moment van de telastgelegde gedragingen
redelijkerwijs mocht worden verwacht dat de vrucht in staat zou zijn bij een
‘normale’ geboorte op dat moment – zijnde mitsdien een fictieve situatie –
buiten het moederlichaam in leven te blijven. Voor de vervulling van dit
bestanddeel van de delictsomschrijving is niet van belang of de aan de
medische wetenschap ontleende redelijke verwachting achteraf blijkt voor het
onderhavige geval niet op te gaan.

5.3.3. De Rechtbank heeft in het door het Hof bevestigde vonnis bewezen
geoordeeld – en kunnen oordelen – dat op het moment van de aan de verdachte
verweten ingreep sprake was van een vrucht die bij een ‘normale’ geboorte op
dat moment naar redelijke verwachtingen in staat was buiten het moederlichaam
in leven te blijven. Met juistheid heeft het Hof daaraan toegevoegd dat aan de
strafbaarheid van de bewezenverklaarde gedragingen niet kan afdoen dat de
vrucht niet levensvatbaar bleek, wat er verder ook zij van ’s Hofs in de
onderdelen I, Ii en II van het middel aangehaalde overwegingen.

5.3.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de onderdelen I, II en II van
het middel falen.

5.4.1. In onderdeel V van het middel wordt miskend dat blijkens het
gestelde in het hiervoren onder 5.1. aangehaalde gedeelte van de Memorie van
Toelichting het bepaalde bij art. 82a Sr aldus moet worden begrepen dat een
zwangerschapsduur van 24 weken als absolute grens zal gelden ten aanzien van
de toelaatbaarheid van zwangerschapsonderbreking. In het licht hiervan moet
worden aangenomen dat – afgezien van zich eventueel voordoende bijzondere
omstandigheden, waaromtrent Rechtbank en Hof echter niet hebben vastgesteld –
de in art. 82a bedoelde redelijke verwachting aanwezig is bij een
zwangerschapsduur van 24 weken en langer.

5.4.2. Onderdeel V van het middel kan mitsdien niet tot cassatie
leiden.

5.5. Onderdeel IV van het middel, klagende over onverenigbaarheid van
een gedeelte van de bewezenverklaring met een gedeelte van de ter
terechtzitting van het Hof door de deskundige Prof.Dr. P.E. Treffers afgelegde
verklaring, faalt omdat het Hof het in het middel bedoelde gedeelte van die
verklaring niet voor het bewijs heeft gebezigd. De Rechtbank heeft het in dit
middelonderdeel bedoelde gedeelte van de bewezenverklaring kunnen afleiden uit
de laatste alinea van bewijsmiddel 5, hiervoren onder 4.2. weergegeven.

6. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou
behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Van den Blink, Beekhuis, Mout, Keijzer en Govaerts

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 22 mei 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De zogenaamde BOPA-regeling heeft tot gevolg gehad dat het bruto-
salaris van vrouwen, gehuwd met een ambtenaar, werd verlaagd met het bedrag
aan premie AOW/AWW, dat de man bij de aanslag premies volksverzekeringen zou
terugkrijgen. Naar aanleiding van prejudicile vragen heeft het Hof van
Justitie deze regeling in strijd geoordeeld met art. 119 EEG-Verdrag, voor
zover het de verlaging van het bruto-salaris, dat bepalend is voor de
berekening van uitkeringen e.d., betrof. De Centrale Raad van Beroep
verklaart het beroep ongegrond, aangezien voor klaagsters niet zozeer de
hoogte van het bruto-salaris van belang is als wel de teruggave van de
premies

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden is
hoger beroep ingesteld

– namens eiseres sub 1 tegen de uitspraak van het Ambtenarengerecht te
‘s-Hertogenbosch van 21 juni 1988, nr. AW 1987/192 (TAR 1988, 177);

– namens eisers sub 2 tegen de uitspraak van het Ambtenarengerecht te
Arnhem van 15 juni 1988, nr. AW 1987/82;

– namens eiseres sub 3 tegen de uitspraak van het Ambtenarengerecht te
Amsterdam van 14 november 1988, nr. AW 1987/384;

– namens eiseres sub 4 tegen de uitspraak van het Ambtenarengerecht te
‘s-Gravenhage van 15 november 1989, nr. ABP 1988/10500 (TAR 1990, 21), en

– door eiseres sub 5 tegen de uitspraak van het Ambtenarengerecht te
‘s-Gravenhage van 18 mei 1987, nr. AW 1986/1354 (TAR 1987, 136)

Namens gedaagden is van contra-memorie gediend, waarna door of namens
partijen nog nadere schrifturen (met bijlagen) aan de Raad zijn toegezonden

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van 1 mei 1990,
waar eiseressen sub 2, 3, en 5 in persoon zijn verschenen. Eiseressen sub 2
en 3 werden aldaar bijgestaan door Mr. J.G. de Vries Robb, advocaat te
‘s-Gravenhage, die zich liet vergezellen door mevr. Mr. M.H. van der Woude,
eveneens advocaat te ‘s- Gravenhage en mevr. Mr. H. Snijders-Borst.
Evengenoemde raadsman trad tevens op voor eiseressen sub 1 en 4. Voor
gedaagden is opgetreden Mr. G.R.J. de Groot, advocaat te ‘s-Gravenhage

II. MOTIVERING

Bij zijn arrest van 18 september 1984, nr. 23/83 (TAR 1984, 217) heeft
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak gedaan op enige
door deze Raad bij bevel van 20 januari 1983 geformuleerde en aan het Hof bij
brief van 14 februari 1983 voorgelegde vragen over de uitleg van artikel 119
van het EEG- Verdrag. Deze uitleg is door de Raad gevraagd in het kader van
een aantal bij hem toen aanhangige gedingen met betrekking tot de Wet
gemeenschappelijke bepalingen overheidspensioenwetten en de daarmee verband
houdende uitvoeringsregelingen (de zgn. Bopa- regeling). Deze gedingen
betroffen afwijzende besluiten van de toenmalige gedaagden op verzoeken van
met een ambtenaar gehuwde vrouwelijke ambtenaren om over enige door hen
genoemde periode alsnog premie-AOW/AWW aan de belastingdienst te voldoen

Bij onder meer zijn uitspraak van 24 juni 1986, nr. AW 1981/B 3 (TAR
1986, 186) heeft de Raad vervolgens met vernietiging van de aangevallen
uitspraak het in dat geding bestreden afwijzende besluit nietig verklaard en
bepaald dat de gedaagde in dat geding een nieuw besluit diende te nemen met
inachtneming van die uitspraak van de Raad

Eiseressen hebben na kennisneming van deze uitspraak op onderscheiden
tijdstippen in 1986 aan de respectievelijke gedaagden verzocht om over de door
ieder van hen genoemde, onderling afwijkende doch alle in de periode 1973 tot
en met 1984 gelegen, tijdvakken het in verband met toepassing van de Bopa-
regeling (waarvan de werking voor wat betreft de hier aan de orde zijnde
materie inmiddels per 1 januari 1985 was geindigd) niet afgedragen bedrag aan
premie-AOW/AWW aan hen uit te keren danwel om alsnog tot afdracht van die
premie aan de belastingdienst over te gaan. Op deze vezoeken is door
gedaagden afwijzend beslist

Aan het evengestelde moet worden toegevoegd dat eiseres sub 1 op 12
februari 1980 een eerder verzoek had ingediend met betrekking tot het jaar
1979. Het tegen het op dit verzoek gevolgde afwijzende besluit ingestelde
beroep is van 17 juli 1981 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is
geen hoger beroep ingesteld. Eiseres sub 3 heeft op 14 oktober 1983 een
eerder verzoek ingediend met betrekking tot het jaar 1982. Tegen het
afwijzende besluit op dit verzoek is destijds geen beroep ingesteld

Op de in 1986 ingediende verzoeken is door gedaagden bij de thans in
geding zijnde besluiten eveneens afwijzend beslist. De tegen die besluiten
ingestelde beroepen zijn bij de in rubriek I van deze uitspraak genoemde
uitspraken allen ongegrond verklaard

De eerste rechters zijn tot dit oordeel gekomen na – kort samengevat –
te hebben overwogen dat de aangevochten besluiten het karakter dragen van
weigeringen om terug te komen van eerdere in rechte onaantastbaar geworden
besluiten, alsmede dat deze besluiten de ten aanzien van dergelijke
weigeringen geldende beperkte rechterlijke toetsing kunnen doorstaan

Ook de Raad dient thans in de eerste plaats te oordelen over het
karakter van de bestreden besluiten. Te dien aanzien komt hij tot een
gelijk oordeel als door de eerste rechters is verwoord. Het van de zijde
van eiseressen in dit verband aangevoerde kan daaraan niet afdoen. Hij
overweegt met name nog dat uit de aan eiseressen destijds verstrekte
(jaar)opgaven van onder meer het aan hen betaalde loon (voor wat betreft
eiseres sub 4:

invaliditeitspensioen) en voor hen voldane premie zeker voldoende
herkenbaar naar voren kwam dat voor hen geen premiebedragen dan wel niet de
volledige premie werden voldaan. Voorts ziet hij geen reden om in gevallen,
waarin het gemeenschapsrecht dan wel verdragsbepalingen aan de orde zijn,
omtrent de aard van dergelijke gevallen anders te oordelen dan in gevallen,
waarin uitsluitend nationaal-rechtelijke bepalingen een rol spelen. Voor
wat hetreft het gemeenschapsrecht verenigt de Raad zich met de conclusie, die
door de raadsman van gedaagden uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie
is getrokken met betrekking tot de vraag of aan gedaagden de bevoegdheid
toekomt (ook) in gevallen, waarin dat recht speelt, te weigeren op
onaantastbaar geworden besluiten terug te vallen

Terecht hebben de eerste rechters dus geconstateerd dat voor hen slechts
een beperkte toetsingsmogelijkheid open stond. Dat geldt evenzeer voor de
Raad

Ook hij zal – en dit stelt hij met nadruk vast – in de onderhavige zaken
dienen te oordelen over de vraag of gedaagden bij afweging van alle in
aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot hun standpunt hebben
kunnen komen dan wel anderszins in strijd hebben gehandeld met enig algemeen
rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Deze
toetsingsmaatstaf hanteert de Raad ook in het geding van eiseres sub 4,
waarbij moet worden opgemerkt dat – zoals hieronder nader zal worden vermeld –
in dat geding geen beroep meer wordt gedaan op art. 119 van het EEG-Verdrag

Overgaande tot beantwoording van evenvermelde vraag citeert de Raad in
eerste plaats wederom de beantwoording door het Hof van Justitie van de hem
door de Raad gestelde vragen, zoals vervat in het arrest van het Hof van 18
september 1984 en luidende:

“Een stelsel van sociale zekerheid waarin

1. de premie wordt berekend over het salaris van de werknemer, maar een
bepaald maximum niet kan overschrijden;

2. echtgenoten als een eenheid worden beschouwd en de premie – ook hier
tot het vastgestelde maximum – over hun gezamenlijke salaris wordt berekend;

3. de overheidsorganen gehouden zijn voor rekening van hun werknemers de
door deze verschuldigde premies af te dragen;

4. indien beide echtgenoten ambtenaar zijn, de ambtelijke werkgever van
de man als eerste premie moet afdragen en de ambtelijke werkgever van de vrouw
daartoe slechts gehouden is, voor zover het maximum door de voor rekening van
de man afgedragen premie niet wordt bereikt,

in strijd met het in art. 119 EEG-Verdrag vervatte beginsel van gelijke
beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid, voor
zover de eruit voortvloeiende verschillen tussen het bruto-salaris van een met
een ambtenaar gehuwde vrouwelijke ambtenaar en dat van een mannelijke
ambtenaar rechtstreeks bepalend zijn voor de berekening van andere aan het
salaris gekoppelde voordelen, zoals afvloeiingsregelingen,
werkloosheidsuitkering, gezinstoelagen en credietfaciliteiten”

De Raad constateert dat het Hof geen andere grond voor strijd met het in
art. 2119 van het EEG-Verdrag vervatte beginsel heeft aangegeven dan die welke
is vermeld in de laatste alinea van dit citaat. Ook aan de Raad is een
dergelijke andere grond niet gebleken

In het in de laatste alinea van het antwoord van het Hof gestelde ziet
de Raad beslissende betekenis toegekend aan het discriminatoire effect van het
niet of slechts ten dele voldoen van premie voor een met een ambtenaar gehude
vrouwelijke ambtenaar op de berekening van door het Hof genoemde andere aan
het salaris gekoppelde voordelen. Vertaald in voor de in de onderhavige
gedingen aan de orde zijnde toetsing relevante termijn van “belang” strekt
art. 119 voornoemd in de onderhavige gevallen volgens het arrest uitsluitend
tot bescherming van het in de berekening/hoogte van de bedoelde voordelen
gelegen belang

Dit belang is evenwel niet het belang dat in casu aan de zijde van
eiseressen voor afweging in aanmerking komt. Hun belang ligt elders,
namelijk in het alsnog verkrijgen van in het verleden, in hun ogen ten
onrechte niet afgedragen premiebedragen, en dit geheel los van de vraag of zij
zich kunnen beroepen op eerstvermeld belang (hetgeen overigens niet het geval
is). Dat belang van eiseressen ziet de Raad, ook gelet op de overige tekst
van het arrest, geesnzins beschermd

Gelet hierop kan aan het hier voorliggend belang van eiseressen naar het
oordeel van de Raad niet een zodanig gewicht worden toegekend dat zou moeten
worden gezegd dat gedaagden niet in redelijkheid tot hun standpunt hebben
kunnen komen en met name niet dat het belang van eiseressen zou dienen te
prevaleren boven de van de zijde van gedaagden geschetste belangen

Al het van de zijde van eiseressen aangevoerde heeft de Raad niet tot
een ander oordeel kunnen leiden. Dit geldt ook voor de ten aanzien van
eiseressen sub 1 en sub 3 aangevoerde omstandigheid dat zij reeds eerder – dat
wil zeggen vr het expireren van de BOPA-regeling – een soortgelijk verzoek
hadden ingediend. In die omstandigheid ziet de Raad geen reden om – gegeven
het feit dat de op die verzoeken gevolgde besluiten nu eenmaal ook in rechte
onaantastbaar zijn geworden – ten aanzien van de door deze eiseressen thans
aangevochten besluiten, een andere toetsingsmaatstaf te hanteren
respectievelijk tot een ander oordeel te komen. De aangevoerde gronden
waarom de betrokken eiseressen destijds geen (verdere) actie hebben
ondernomen, kunnen daaraan niet afdoen

In de loop van de gedingen zijn van de zijde van eiseressen nog enige
andere, niet in eerdere gedingen rond de BOPA-regeling opgeworpen gronden
aangevoerd welke naar hun oordeel tot nietigverklaring van de bestreden
besluiten zouden moeten leiden. Voor wat betreft de gestelde
onverbindendheid van de BOPA- regeling wegens strijd met onder meer het
toenmalige art. N 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet overweegt de Raad,
overigens onder opmerking dat het hem bevreemdt dat deze met zoveel klem naar
voren gebrachte grief eerst thans is opgeworpen, dat hem geenszins is kunnen
blijken van een dergelijke strijd

Ten aanzien van de gestelde strijd van de regeling met art. 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (het
BuPo-Verdrag) alsmede met art. 7 van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten is de Raad niet tot het oordeel
kunnen komen dat van strijd, althans van een zodanige strijd dat de
onderhavige besluiten uit dien hoofde de hier aan de orde zijnde toetsing niet
zouden kunnen doorstaan, sprake is; thans daargelaten in hoeverre aan deze
verdragsbepalingen met betrekking tot de onderhavige zaken rechtstreekse
werking toekomt

In verband met dit laatste verdient nog vermelding dat blijkens het ter
zitting aangevoerde voor wat betreft eiseres sub 4, wier verzoek ziet op een
periode waarin zij een invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke
pensioenwet genoot, niet is volhard bij de aanvankelijk gestelde schending van
art. 119 van het EEG-Verdrag, doch uitsluitend een beroep is gedaan op art. 26
van het BuPo-Verdrag. Dit beroep moet reeds in verband met het zojuist ten
aanzien van art. 26 van het BuPo-Verdrag overwogene falen

Aangezien al het overigens namens eiseressen nog aangevoerde de Raad
evenmin tot een ander oordeel heeft kunnen leiden en hem niet is gebleken van
enige andere grond, waarop zou moeten worden geoordeeld, dat de bestreden
besluiten niet in stand kunnen blijven, beslist de Raad als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep, Rechtdoende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraken

Rechters

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 18 mei 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Vader en moeder hebben van 1980 tot 1986 samengewoond. Uit deze
relatie is een kind geboren. Vader is toeziend voogd, moeder is voogdes
Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan is er een omgangsregeling
getroffen tussen de vader en het kind. Het kind woont bij de moeder

Het Hof is van oordeel dat tussen de vader en de kinderen gezinsleven
bestaat in de zin van art. 8 lid 1 EVRM. De Hoge Raad bestrijdt dit niet
Volgens de Hoge Raad (8 april 1988) brengt art. 8 lid 1 EVRM met zich mee
dat in beginsel aan de biologische vader van het kind die met dat kind
gezinsleven heeft in de zin van dat artikel, in een stelsel als dat van de
artt. 1:221 en 1:222 BW. de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan
worden onthouden. Deze mogelijkheid kan wel worden beperkt. Tot welke
beperkingen afweging van de betrokken rechten leidt staat in de eerste plaats
ter beoordeling van de wetgever

In casu zal niet licht kunnen worden aangenomen dat een weigering van de
moeder om toestemming te geven tot erkenning “slechts kan worden opgevat als
misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1 onder d BW besloten ligt”
Het gaat er immers bij dat criterium niet om of de door de moeder naar
voren gebrachte bezwaren zwaarder wegen aan de belangen van de vader, maar of
de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft

De moeder heeft gemotiveerd aangevoerd dat in haar gezinssituatie de uit
de erkenning voortvloeiende rechtsgevolgen een ongewenste inbreuk op haar
gezins- en priveleven vormen. De moeder heeft bij haar weigering om
toestemming te verlenen tot erkenning geen misbruik gemaakt van haar uit art
1:224 lid 1 onder d voortvloeiende bevoegdheid

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 19 juni 1987 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in
cassatie – verder te noemen de vader – zich gewend tot de Rechtbank te Arnhem
met het verzoek aan de Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
Nijmegen te gelasten het register van geboorten aan te vullen, dan wel te
verbeteren met een akte houdende erkenning door de vader van de minderjarige
N., geboren te Nijmegen op 20 november 1982

Tegen het verzoek is verweer gevoerd door verzoekster tot cassatie –
verder te noemen de moeder – en door de Ambtenaar van de burgerlijke stand.
Nadat de Officier van Justitie had geconcludeerd tot toewijzing van het
verzoek, heeft de Rechtbank bij beschikking van 4 februari 1988 de vader niet
ontvankelijk verklaard in zijn verzoek voor zover gericht tegen de Ambtenaar
van de burgerlijke stand en voorts die Ambtenaar aanvulling gelast van het
register van geboorten van de gemeente Nijmegen van 1982 met de daarin
ontbrekende nog door deze Ambtenaar op te maken akte:

a. van erkenning door de vader ingevolge deze beschikking zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder van het op 30 november
1982 in de gemeente Nijmegen uit haar geboren kind N. en

b. van inschrijving van deze beschikking

Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Arnhem. Nadat partijen waren gehoord en de Procureur-Generaal
had geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking van 2 augustus 1988
een nadere behandeling gelast teneinde de Raad voor de Kinderbescherming te
Arnhem te horen en nadat de Raad bij brief te kennen had gegeven zich aan het
oordeel van het hof te refereren, bij eindbeschikking van 15 november 1988 de
beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. De beschikking en van het Hof zijn
aan deze beschikking gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen beide beschikkingen van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit. De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen. De
conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot vernietiging van de
eindbeschikking van het Hof en het afwijzing van het inleidend verzoek van de
vader

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan

a. Partijen hebben van 1980 tot augustus 1986 samengewoond; zij hebben
bewust ervoor gekozen niet te trouwen

b. In die periode – op 30 november 1982 – is in de gemeente Nijmegen uit
de moeder geboren het kind N., waarvan de vader de verwekker is. De vader
heeft het kind niet erkend. Het kind draagt vanaf de geboorte de
geslachtsnaam van de moeder (art. 1:5 lid 2 BW). De vader is bij beschikking
van de Kantonrechter te Nijmegen van 7 februari 1983 benoemd tot toeziend
voogd

c. Tijdens de samenwoning waren de vader en de moeder in gelijke mate
bij de verzorging en opvoeding van het kind betrokken. Nadat de samenwoning
werd beeindigd, hebben partijen vrijwillig een omgangsregeling getroffen,
inhoudende dat het kind elk weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend en
een gedeelte van de vakanties bij de vader verblijft. Voor het overige leeft
het kind in gezinsverband met de moeder, die het ook verzorgt en opvoedt

d. De vader wenst het kind te erkennen; de moeder weigert daartoe
toestemming te geven

3.2 Het Hof heeft, op de grond dat de vader de biologische vader van het
kind is en tot dat kind staat in een als vie familiale/family life in de zin
van art. 8 lid 1 EVRM aan te merken relatie, geoordeeld dat de vader in
beginsel aanspraak heeft op erkenning rechtens van deze relatie als
familierechtelijke rechtsbetrekking. Dit oordeel wordt door onderdeel 1 van
het middel tevergeefs bestreden. ’s Hofs oordeel dat tussen de vader en het
kind gezinsleven bestaat in de zin van art. 8 lid 1, geeft niet blijk van een
onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de vastgestelde feiten niet
onbegrijpelijk; de klacht dat het Hof bij dat oordeel geen acht zou hebben
geslagen op een aantal in het oordeel opgesomde omstandigheden, mist
feitelijke grondslag. ’s Hofs op het bestaan van dat gezinsleven gebaseerde
oordeel dat de vader in beginsel aanspraak heeft op erkenning van zijn relatie
als familierechtelijke rechtsbetrekking is juist (HR 8 april 1988, NJ 1989,
170)

3.3 Het Hof heeft voorts, op de voet van evengenoemde beschikking van de
Hoge Raad, overwogen dat het vervolgens had te beoordelen of de weigering van
de moeder om toestemming tot erkenning te verlenen “slechts kan worden
opgevat als misbruik” van de bevoegdheid die in art 1:224 lid 1, aanhef en
onder d besloten ligt. Uitgaande van dit – juiste – criterium, heeft het Hof
de belangen van de vader afgewogen tegen de door de moeder “in redelijkheid
niet tot weigering van haar toestemming heeft kunnen komen”. Op grond van
dat oordeel heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank – tot het alsnog
doen inschrijven van een akte van erkenning door de vader – bekrachtigd

Hiertegen richt zich onderdeel 2 van het middel

3.4 Bij de beoordeling van dat onderdeel moet het volgende worden
vooropgesteld

Zoals de Hoge Raad in zijn eerdergenoemde beschikking van 8 april 1988
heeft overwogen, brengt het bepaalde in art. 8 lid EVRM mee, dat in beginsel
aan de biologische vader van een kind die met dat kind gezinsleven heeft in
de zin van dat artikel, in een stelsel als dat van de art. 1:221 en 1:222 BW,
de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan worden onthouden. Wel kan
die mogelijkheid worden beperkt wanneer dat in een democratische samenleving
nodig is, onder meer ter bescherming van de rechten van anderen. Zodanige
beperking is vervat in art. 224 lid 1 onder d dat als nietig aanmerkt de
erkenning die door de vader bij het leven van de moeder zonder haar
voorafgaande toestemming is gedaan. Aan deze wetsbepaling ligt eveneens de
bescherming van het gezinsleven (en van het prive leven) als bedoeld in art.
8 lid 1 ten grondslag – ditmaal van de moeder en het kind – ook al heeft men
bij de totstandkoming van dit artikel mogelijk andere inbreuken op dat gezins-
en prive leven voor ogen gehad, dan in de huidige maatschappij te verwachten
zijn. Aangenomen moet worden dat ook dit recht van de moeder om te weigeren
toestemming tot erkenning te verlenen op de voet van het bepaalde in art. 8
lid 2 kan worden beperkt wanneer dat in een democratische samenleving nodig is
onder meer ter bescherming van de rechten van anderen

Tot welke beperkingen afweging van de betrokken rechten leidt, staat
echter in de eerste plaats ter beoordeling van de wetgever. Er is daarom
reden voor de rechter om bij een conflict van deze, beide op art. 8 lid 1
terug te voeren, rechten zich terughoudend op te stellen

3.5 De eerdergenoemde beschikking van de Hoge Raad van 8 april 1988,
waaraan het Hof in zijn rechtsoverwegingen refereert, moet in het licht van
het vorenoverwogene worden gelezen. In die beschikking wordt niet verder
gegaan dan dat wordt geoordeeld dat in elk geval “een niet voor rechterlijke
toetsing vatbaar vetorecht van de moeder van het kind” niet met art. 8 is te
verenigen en dat daarom een rechtsgeldige erkenning ook zonder toestemming
van de moeder tot stand kan komen wanneer haar weigering slechts als misbruik
van haar bevoegdheid kan worden opgevat. Deze beschikking moet voorts in
verband worden gezien met de bijzondere aard van het geval dat daar aan de
orde was, hierdoor gekenmerkt dat de moeder al geruime tijd geen contact met
het kind meer had en van de voogdij over hem was ontheven

3.6 In het onderhavige geval gaat het echter om de gebruikelijke
situatie, waarin (naar uit de stukken mag worden afgeleid) de moeder voogdes
is over het kind, daarmee in gezinsverband samenleeft en het verzorgt en
opvoedt (al zal in het onderhavige geval de vader bij dat laatste ook een
aandeel hebben). In die situatie betekent de wijziging van de rechtspositie
van het kind die het gevolg is van erkenning door de vader steeds in zekere
mate een inbreuk op het gezins- en prive leven van de moeder en mogelijk ook
op dat van het kind. Dat betreft niet alleen de in de onderhavige zaak door
de moeder als bezwaar naar voeren gebrachte naamswijziging, maar ook andere
rechtsgevolgen, waarvan de Rechtbank in haar beschikking een aantal vermeldt.
Daarom zal in die situatie niet licht kunnen worden aangenomen dat een
weigering van de moeder om toestemming te geven tot erkenning “slechts kan
worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1 onder d
BW besloten ligt”. Het gaat er immers bij dat criterium niet om of – gelijk
het Hof zich in feite heeft afgevraagd – de door de moeder naar voren
gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan de belangen van de vader, maar of de
moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft

3.7 Uit het voorgaande volgt dat het Hof bij zijn bestreden beschikking
niet de juiste maatstaf heeft aangelegd en dat onderdeel 2 van het middel in
zoverre gegrond is. De eindbeschikking van het Hof kan derhalve niet in
stand blijven

De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De stukken van het geding laten
geen andere conclusie toe dan dat de moeder, die gemotiveerd heeft aangevoerd
dat in haar gezinssituatie de uit de erkenning voortvloeiende rechtsgevolgen
een ongewenste inbreuk op haar gezins- en prive leven vormen, bij haar
weigering om tot die erkenning toestemming te verlenen een zodanig belang
heeft dat die weigering niet kan worden aangemerkt als misbruik van haar uit
art. 1:224 lid 1 onder d voortvloeiende bevoegdheid. Dat brengt mee dat het
verzoek van de vader alsnog moet worden afgewezen

4. Beslissing

De Hoge Raad, vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem
van 15 november 1988; vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Arnhem
van 15 november 1988; wijst het verzoek van de vader af

Rechters

Mr. Ras als voorzitter en als raadsheren mrs. Hermans, Haak, Boekman enHeemskerk

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 18 mei 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De vader wil de twee kinderen (die uit zijn relatie met de moeder zijn
geboren) erkennen. Vader en moeder hebben 4 1/2 jaar samengewoond. De
vader is toeziend voogd, de moeder is voogdes en de kinderen wonen bij haar
Tussen de vader en de kinderen bestaat een omgangsregeling die naar
tevredenheid wordt uitgevoerd

Het Hof is van oordeel dat tussen de vader en de kinderen gezinsleven
bestaat in de zin art. 8 lid 1 EVRM. De Hoge Raad bestrijdt dit niet.
Volgens de Hoge Raad (8 april 1988) brengt art. 8 lid 1 EVRM met zich mee dat
in beginsel aan de biologische vader van het kind die met dat kind gezinsleven
heeft in de zin van dat artikel, in een stelsel als dat van de artt. 1:221 en
1:222 BW. de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan worden
onthouden. Deze mogelijkheid kan wel worden beperkt. Tot welke
beperkingen afweging van de betrokken rechten leidt staat in de eerste plaats
ter beoordeling van de wetgever

In casu zal niet licht kunnen worden aangenomen dat een weigering van de
moeder om toestemming te geven tot erkenning “slechts kan worden opgevat als
misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1 onder d BW besloten ligt”
Het gaat er immers bij dat criterium niet om of de door de moeder naar
voren gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan de belangen van de vader, maar of
de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft

De moeder heeft gemotiveerd aangevoerd dat in haar gezinssituatie de uit
de erkenning voortvloeiende rechtsgevolgen een ongewenste inbreuk op haar
gezins- en priveleven vormen. De moeder heeft bij haar weigering om
toestemming te verlenen tot erkenning geen misbruik gemaakt van haar uit art
1:224 lid 1 onder d voortvloeiende bevoegdheid

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 16 juni 1987 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in
cassatie – verder te noemen de vader – zich gewend tot de Rechtbank te Arnhem
met het verzoek aan de Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
Ubbergen wordt aangevuld met akten, houdende erkenning door de vader van
(…) en (…) geboren te Ubbergen op respectievelijk 3 juni 1981 en 23 juni
1983 en dat deze erkenning wordt aangetekend op de geboorteakten van deze
minderjarigen

Tegen het verzoek is verweer gevoerd door verzoekster tot cassatie –
verder te noemen de moeder – en door de Ambtenaar van de burgerlijk stand.
Nadat de Officier van Justitie had geconcludeerd tot toewijzing van het
verzoek, heeft de Rechtbank bij beschikking van 4 februari 1988 de Ambtenaar
van de burgerlijke stand aanvulling gelast van het register van geboorten van
de gemeente Ubbergen van 1981, respectievelijk 1983 met de daarin ontbrekende
nog door deze Ambtenaar op te maken akten:

a. van erkenning door de vader ingevolge deze beschikking zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder van het op 3 juni 1981
in de gemeente Ubbergen uit haar geboren kind (…)E

b. van erkenning door de vader ingevolge deze beschikking zonder
voorafgaande toestemming van de moeder van het op 23 juni 1983 in de gemeente
Ubbergen uit haar geboren kind E. en c. van inschrijving van deze
beschikking. Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te Arnhem. Nadat partijen waren gehoord, de Raad voor de
Kinderbescherming te Arnhem schriftelijk zijn visie kenbaar had gemaakt en de
Procureur-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking
waarvan beroep en afwijzing van het verzoek van de vader, heeft het Hof bij
beschikking van 6 december 1988 de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit

De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot vernietiging van de beschikking van het
Hof en tot afwijzing van het inleidend verzoek van de vader

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan

a. Partijen hebben van eind 1980 tot ongeveer medio 1985 als man en
vrouw samengewoond. In die tijd zijn uit hun relatie (erkend wordt dat de
vader de biologische vader is) de beide kinderen geboren waar het in deze om
gaat. Over deze kinderen is de vader toeziend voogd

b. In de tijd dat partijen samenwoonden was de vader naast de moeder bij
de verzorging verzorging en opvoeding van de kinderen betrokken

c. Nadat partijen uiteen waren gegaan en de kinderen bij de moeder zijn
gebleven, is tussen de kinderen en de vader in de vorm van een in onderling
overleg getroffen omgangsregeling regelmatig contact blijven bestaan. Dat
contact is na de verhuizing van de moeder enigszins verminderd, maar toch
doorgezet. Alle betrokkenen, ook de moeder staan positief tegenover dat
contact

d. De vader wenst de kinderen te erkennen; de moeder weigert daartoe
toestemming te geven

3.2 Het Hof heeft, op de grond dat de vader de biologische vader van de
kinderen is en tot die kinderen staat in een als family life aan te merken
relatie, geoordeeld dat de vader en de kinderen er in beginsel aanspraak op
hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke
rechtsbetrekking

Dit oordeel wordt door onderdeel 1 van het middel tevergeefs bestreden.
’s Hofs oordeel dat tussen de vader en de kinderen gezinsleven bestaat in de

van art. 8 lid 1, EVRM geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting
en is in het licht van de vastgestelde feiten niet onbegrijpelijk; de klacht
dat het Hof bij dat oordeel geen acht zou hebben geslagen op een aantal in het
onderdeel opgesomde omstandigheden, mist feitelijke grondslag. ’s Hofs op het
bestaan van dat gezinsleven gebaseerde oordeel dat de vader in beginsel
aanspraak heeft op erkenning van zijn relatie als familierechtelijke
rechtsbetrekking is juist (HR 8 april 1988, NJ 1989, 170)

3.3 Het Hof heeft voorts overwogen dat het vervolgens had te onderzoeken
of de moeder in het onderhavige geval door te weigeren toestemming tot
erkenning te verlenen, “van die bevoegdheid misbruik maakt in die zin, dat
alle omstandigheden van het geval en alle daarbij betrokken belangen in
aanmerking genomen, in redelijkheid van haar kon worden gevraagd dat zij haar
toestemming wel zou hebben verleend”. Hiervan uitgaande, heeft het Hof de
belangen van de vader afgewogen tegen de door de moeder naar voren gebrachte
bezwaren, om aldus te komen tot de slotsom dat het Hof in hetgeen de moeder
had aangevoerd “geen zodanig klemmende argumenten” vermag te onderkennen, dat
aan het eerder genoemde beginsel geen toepassing zou moeten worden gegeven.
Op die grond heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank – tot het alsnog
doen inschrijven van akten van erkenning door de vader – bekrachtigd

Hiertegen richt zich onderdeel 2 van het middel

3.4 Bij de beoordeling van dat onderdeel moet het volgende worden
vooropgesteld

Zoals de Hoge Raad in zijn eerdergenoemde beschikking van 8 april 1988
heeft overwogen, brengt het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM mee, dat in
beginsel aan de biologische vader van een kind die met dat kind gezinsleven
heeft in de zin van dat artikel, in een stelsel als dat van de art. 1:221 en
1:222 BW, de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan worden onthouden.
Wel kan die mogelijkheid worden beperkt wanneer dat in een democratische
samenleving nodig is, onder meer ter bescherming van de rechten van anderen

Zodanig beperking is vervat in art. 224 lid 1 onder d dat als nietig
aanmerkt de erkenning die door de vader bij het leven van de moeder zonder
haar voorafgaande toestemming is gedaan. Aan deze wetsbepaling ligt eveneens
de bescherming van het gezinsleven (en van het prive leven) als bedoeld in
art. 8 lid 1 ten grondslag – ditmaal van de moeder en het kind – ook al heeft
men bij de totstandkoming van dit artikel mogelijk andere inbreuken op dat
gezins- en prive leven voor ogen gehad, dan in de huidige maatschappij te
verwachten zijn. Aangenomen moet worden dat ook dit recht van de moeder om
te weigeren toestemming tot erkenning te verlenen op de voet van het bepaalde
in art. 8 lid 2 kan worden beperkt wanneer dat in een democratische
samenleving nodig is onder meer ter bescherming van de rechten van anderen.
Tot welke beperkingen afweging van de betrokken rechten leidt, staat echter
in de eerste plaats ter beoordeling van de wetgever. Er is daarom reden voor
de rechter om bij een conflict van deze, beide op art. 8 lid 1 terug te
voeren, rechten zich terughoudend op te stellen

3.5 De eerdergenoemde beschikking van de Hoge Raad van 8 april 1988,
waaraan het Hof in zijn rechtsoverwegingen refereert, moet in het licht van
het vorenoverwogene worden gelezen. In die beschikking wordt niet verder
gegaan dan dat wordt geoordeeld dat in elk geval “een niet voor rechterlijke
toetsing vatbaar vetorecht van de moeder van het kind” niet met art. 8 is te
verenigen en dat daarom een rechtsgeldige erkenning ook zonder toestemming
van de moeder tot stand kan komen wanneer haar weigering slechts als misbruik
van haar bevoegdheid kan worden opgevat. Deze beschikking moet voorts in
verband worden gezien met de bijzondere aard van het geval dat daar aan de
orde was, hierdoor gekenmerkt dat de moeder al geruime tijd geen contact met
het kind meer had en van de voogdij over hem was ontheven

3.6 In het onderhavige geval gaat het echter om de gebruikelijke
situatie, waarin (naar uit de stukken mag worden afgeleid) de moeder voogdes
is over de kinderen, daarmee in gezinsverband samenleeft en hen verzorgt en
opvoedt. In die situatie betekent de wijziging van de rechtspositie van de
kinderen die het gevolg is van erkenning door de vader steeds in zekere mate
een inbreuk op het gezins- en prive leven van de moeder en mogelijk ook op
dat van de kinderen. Dat betreft niet alleen de in de onderhavige zaak door
de moeder als bezwaar naar voren gebrachte naamswijziging, maar ook andere
rechtsgevolgen, waarvan de Rechtbank in haar beschikking een aantal vermeldt.
Daarom zal in die situatie niet licht kunnen worden aangenomen dat een
weigering van de moeder om toestemming te geven tot erkenning “slechts kan
worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1 onder
d BW besloten ligt”. Het gaat er immers bij dat criterium niet om of – gelijk
het Hof zich in feite heeft afgevraagd – de door de moeder naar voren
gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan de belangen van de vader, maar of de
moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft

3.7 Uit het voorgaande volgt dat het Hof bij zijn bestreden beschikking
niet de juiste maatstaf heeft aangelegd en dat onderdeel 2 van het middel in
zoverre gegrond is. De beschikking van het Hof kan derhalve niet in stand
blijven

De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De stukken van het geding laten
geen andere conclusie toe dan dat de moeder, die gemotiveerd heeft aangevoerd
dat in haar gezinssituatie de uit de erkenning voortvloeiende rechtsgevolgen
een ongewenste inbreuk op haar gezins- en prive leven vormen, bij haar
weigering om tot die erkenning toestemming te verlenen een zodanig belang
heeft dat die weigering niet kan worden aangemerkt als misbruik van haar uit
art. 1:224 lid 1 onder d voortvloeiende bevoegdheid. Dat brengt mee dat het
verzoek van de vader alsnog moet worden afgewezen

4 Beslissing

De Hoge Raad, vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem
van 6 december 1988; vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van
4 februari 1988; wijst het verzoek van de vader af

Rechters

Mr. Ras als voorzitter en als raadsheren mrs. Hermans, Haak, Boekman enHeemskerk

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 18 mei 1990

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Appellante is gedurende ruim 5 jaar ononderbroken in dienst bij AMP
geweest via de zogenaamde draaideurconstructie: afwisselend via een
uitzendbureau en op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
Frustratie van ontslagbescherming als, zoals in casu, deze constructie
gebruikt wordt om niet-tijdelijke arbeid te laten verrichten. Het feit dat
appellante akkoord ging doet daar niet aan af: het moet ervoor gehouden worden
dat zij zich hierbij noodgedwongen heeft neergelegd. In werkelijkheid is
sprake van een arbeidsovereenkomst ofwel van het begin af aan voor onbepaalde
tijd ofwel aanvankelijk voor bepaalde tijd, doch daarna ononderbroken en voor
bepaalde tijd voortgezet. Opzegging had dus moeten geschieden na verkregen
toestemming van de directeur van het GAB.

Volledige tekst

De procedure.

De procedure in eerste aanleg.

Bij inleidend verzoekschrift van 15 maart 1988 aan de Kantonrechter te
‘s-Hertogenbosch heeft thans appellante D. naast haar verzoek tot bepaling van
dag en uur voor de behandeling ter terechtzitting van de zaak, gevorderd dat
thans geintimeerde AMP Holland B.V. aan haar zou voldoen de somma van ƒ
5.852,50 verschuldigd als loon, en de somma van ƒ 2.926,25 verschuldigd als
wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 1988,
met veroordeling van AMP in de kosten van de procedure.

Nadat partijen hadden geconcludeerd voor antwoord, repliek waarbij D.
haar vordering vermeerderde met ƒ 9.364,– nader loon en ƒ 4.682,– nadere
verhoging- en dupliek, heeft de Kantonrechter bij vonnis d.d. 29 november 1988
aan D. haar vorderingen ontzegd en haar veroordeeld in de proceskosten begroot
op ƒ 900,– voor salaris gemachtigde.

Van het vonnis van de Kantonrechter, dat als hier overgenomen geldt, is
een fotocopie aan dit vonnis gehecht.

Verloop van het geding in hoger beroep.

Bij exploit d.d. 27 februari 1989 is D. van het vonnis van de
Kantonrechter d.d. 29 november 1988 in hoger beroep gekomen.

Zij concludeerde:

“het vonnis van de kantonrechter te ‘s-Hertogenbosch, dat tussen
partijen gewezen is op 29 november 1988 onder rolnr.: 1235/88, te vernietigen
en opnieuw rechtdoende de besloten vennootschap AMP-Holland B.V. te
veroordelen tot betaling van:

a. het loon vanaf 1 januari 1988 ad ƒ 2.341,– bruto per maand tot
zolang de arbeidsverhouding voortduurt;

b. de verhoging ex art. 1638 q BW ad 50% over het onder a genoemde
bedrag;

c. de vakantiebijslag ad 8% over het jaar 1988 ad ƒ 2.250,– bruto;

d. de vakantiebijslag over het jaar 1989 ad ƒ 2.250,– bruto op de
vervaldatum zijnde uiterlijk 31 mei 1989;

e. de wettelijke rente over de hierboven onder a t/m d gevorderde
bedragen vanaf 30 maart 1988 resp. vanaf de vervaldag na 30 maart 1988 van de
periodieke betalingen tot aan de dag van algehele voldoening der vordering
door geintimeerde;

f. de kosten van dit geding in beide instanties.”

Bij memorie van grieven heeft D. zeven grieven ontwikkeld en bij haar
eis gepersisteerd.

Bij memorie van antwoord heeft AMP Holland geconcludeerd tot
bekrachtiging van het vonnis d.d. 29 november 1988 met veroordeling van D. in
de kosten van de procedure in beide instanties.

Vervolgens hebben beide partijen ter zitting van de Rechtbank d.d. 20
oktober 1989 hun stellingen mondeling doen toelichten door hun raadslieden
onder overlegging van pleitnotities.

Tenslotte fourneerden partijen hun procesdossiers voor vonnis.

De gronden van het hoger beroep

D. heeft de volgende grieven aangevoerd:

1. Ten onrechte gaat de Kantonrechter er van uit dat van vrijwillig
contracteren van de zijde van D. sprake was.

2. De Kantonrechter heeft onvoldoende rekening gehouden met de strekking
van het arbeidsrecht, en met name de bescherming, die de Wet biedt in het
ontslagrecht en de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Er is sprake van wetsontduiking, nu AMP Holland gehandeld heeft in
strijd met de bedoeling van de Wet.

3. Ten onrechte overweegt de Kantonrechter dat de feiten, zoals deze
zich hebben voorgedaan, niet kunnen afdoen aan wettelijke bepalingen en de
inhoud daarvan.

4. Ten onrechte stelt de Kantonrechter vast dat de bepalingen van de Wet
op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten niet zijn geschonden.

5. Ten onrechte overweegt de Kantonrechter dat de activiteiten van D. om
tot een vast dienstverband te komen van relatief recente datum zijn en dat
sprake zou zijn van niet altijd te tolereren gedrag zijdens D.

6. Ten onrechte overweegt de Kantonrechter dat door de acceptatie van D.
van de situatie vanaf 1982 tot 1 januari 1988 nog slechts behoeft te worden
bezien of het recht buiten de wil van partijen om toepassing van art. 1639f BW
noodzakelijk maakt. Ten onrechte komt de Kantonrechter tot de conclusie dat de
beeindiging van de dienstbetrekking tussen D. en AMP Holland niet werd
beheerst door de verplichting krachtens art. 1639f BW om de overeenkomst op te
zeggen, alsmede dat een beroep op art. 1638z BW daaraan niet kan afdoen.
Behoudens in strijd met genoemde artikelen, handelde AMP Holland tevens in
strijd met art. IX.9 van de toepasselijke CAO voor de Metaalindustrie.

De beoordeling (…)

Als tussen partijen vaststaand kan het volgende worden aangenomen:

– Nadat D. in 1981 en 1982 een tweetal periodes via een uitzendbureau
bij AMP Holland had gewerkt, is zij van 2 november 1982 tot 1 januari 1988
onafgebroken bij AMP Holland werkzaam geweest, afwisselend voor 6 – gewoonlijk
2 – maanden via een uitzendbureau en maximaal 6 – en gewoonlijk ook 6 –
maanden op basis van een arbeidsovereenkomst met AMP Holland voor bepaalde
tijd. Vanaf 1 oktober 1987 werkte D. via het uitzendbureau.

– Bij schrijven van AMP Holland van 2 december 1987 werd aan D.
meegedeeld dat AMP Holland vanaf 31 december 1987 geen gebruik meer zou maken
van haar diensten. Hiervoor was geen toestemming van de direkteur van het GAB
verkregen.

– Vanaf 1 januari 1988 is D. niet meer voor AMP Holland werkzaam
geweest.

– AMP Holland is onderdeel van een multi-nationaal concern. Het vaste
personeelsbestand wordt in concern-verband vastgesteld en is voor de
Nederlandse directie bindend. In de behoefte aan arbeidskrachten boven het
bindend vastgestelde personeelsbestand wordt voorzien door het aanstellen van
tijdelijke arbeidskrachten en het inlenen van arbeidskrachten via
uitzendbureaus. Aan laatstgenoemde krachten is structureel behoefte.

– Globaal 15 a 20 procent van het totaal aantal arbeidskrachten,
werkzaam in de productiesector, bestaat uit tijdelijke krachten of
uitzendkrachten. De behoefte daaraan is begin 1988 tijdelijk relatief minder
geweest dan normaal, maar heeft zich na enkele maanden weer hersteld tot het
oude niveau.

– De op de dienstbetrekking bij AMP Holland van toepassing zijnde CAO
bepaalt in art. IX.9 dat, wanneer zich binnen de onderneming een vacature
voordoet, de werknemers in de betreffende onderneming in de gelegenheid worden
gesteld daarnaar te solliciteren. Alle vacatures dienen bij het GAB te worden
gemeld en slechts wanneer het GAB niet in staat blijkt de vacature binnen
redelijke termijn te doen vervullen, kan de werkgever gebruik maken van een
erkend uitzendbureau.

Aan de orde is de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een
voortgezet dienstverband van D. bij AMP Holland casu quo een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen of dat sprake is van
telkens terugkerende tijdelijke arbeidsovereenkomsten, waarbij D. dan weer
gedurende een bepaalde periode bij AMP Holland werkzaam was via het
uitzendbureau en dan weer in loondienst bij AMP Holland. In het eerste geval
zou krachtens de dwingend rechtelijke regels betreffende de ontslagbescherming
van de werknemer voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst toestemming
nodig zijn geweest van de direkteur van het GAB. In het tweede geval was die
toestemming echter niet nodig, noch voor de periodes, dat D. via het
uitzendbureau werkte, noch voor de periodes, dat zij een dienstverband voor
bepaalde tijd bij AMP Holland had, dit laatste met name niet, omdat art. 1639f
BW herhaalde dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd bij dezelfde werkgever
alleen dan als voortzetting van een en dezelfde dienstbetrekking beschouwt (in
welk geval opzegging met toestemming van de direkteur van het GAB nodig is)
als die dienstbetrekkingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan 31 dagen
opvolgen, terwijl D. steeds langer bij het uitzendbureau werkte.

Voorop gesteld kan worden dat er kennelijk grote behoefte is aan
uitzendkrachten of tijdelijke arbeidskrachten. Probleem daarbij is de vraag
hoever de werkgever kan gaan en in hoeverre de dwingend rechtelijke regels
betreffende de ontslagbescherming van de werknemer in een dergelijk geval van
kracht zijn. Ten aanzien van de uitzendkrachten geldt ingevolge de
vergunningsvoorwaarden behorende bij de Wet op het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten een beperking. Een werknemer mag tot maximaal 6 maanden bij
een en dezelfde werkgever tewerk gesteld worden. Vervolgens dient een termijn
van minimaal een maand te worden aangehouden alvorens dezelfde werknemer bij
dezelfde onderneming werkzaamheden kan verrichten als waar hij/zij eerder via
het uitzendbureau tewerk was gesteld. Onder omstandigheden is goed
voorstelbaar dat een onderneming de formeel door de Wet opengelaten
mogelijkheid benut om een arbeidskracht eerst gedurende een half jaar via het
uitzendbureau en vervolgens op basis van een tijdelijk arbeidskontrakt bij
zichzelf van langer dan een maand en daarna weer via het uitzendbureau voor
zich te laten werken. Dit kan onder omstandigheden, doch hoeft zeker niet
altijd, materieel gerechtvaardigd (te) zijn. Hier is aan de orde in hoeverre
dit handelen van AMP Holland met D. in casu materieel gerechtvaardigd was en
of het onderhavige geval past in het systeem van de Wet.

5. Vast staat dat D., ruim 5 jaar in totaal aan een stuk bij AMP Holland
heeft gewerkt, afwisselend 6 maanden via het uitzendbureau en 2 maanden via
een tijdelijk arbeidskontrakt met uitzondering van het laatste kontrakt dat
voor 6 maanden was aangegaan.

Voorop staat dat het wettelijk systeem aan de werknemer een grote mate
van ontslagbescherming biedt. Deze ontslagbescherming vindt een uitzondering
ingeval van toepassing van de Wet op het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten. De opzet van de Wet is om het mogelijk te maken
arbeidskrachten te laten werken gedurende een bepaalde periode zonder gebonden
te zijn aan vorenbedoelde dwingend rechtelijke bepalingen. Het gaat dan om
werkzaamheden van tijdelijke aard. In ieder geval is het niet de opzet van
genoemde Wet om het mogelijk te maken de ontslagbescherming, die verankerd
ligt in ons arbeidsrecht, te frustreren. Niet-tijdelijke arbeid laten
verrichten via het bovenomschreven wissel-systeem moet worden beschouwd als in
strijd met het belang van goede verhoudingen op de arbeidsmarkt, en is
ongeoorloofde wetsontduiking te achten.

6. In het onderhavige geval moet worden aangenomen dat het van meet af
aan niet de bedoeling van AMP Holland is geweest om, met het tewerk stellen
van D., te voorzien in een tijdelijke behoefte. Gedurende ruim 5 jaar heeft D.
ononderbroken bij AMP Holland haar werkzaamheden uitgevoerd.

Eerder moet het tegendeel worden aangenomen. Zoals tijdens de pleidooien
is gebleken, wordt het aantal werknemers dat in vaste dienst mag worden
aangenomen, van te voren door de moeder- maatschappij vastgesteld. De behoefte
aan meer arbeidsplaatsen wordt opgevangen door het inhuren van uitzendkrachten
of tijdelijke arbeidskrachten. Uit het sociaal jaarverslag over 1988, waarin
een overzicht is gegeven vanaf het jaar 1984 en uit de mondelinge toelichting
daarop, is duidelijk geworden dat het bij AMP Holland gaat om een structurele
behoefte. Al meerdere jaren gaat het, ten aanzien van het productiepersoneel
waartoe D. behoorde, om een percentage van 15 a 20 procent van het totale
aantal arbeidskrachten. Dit is te lang en te veel om nog te mogen spreken van
een geoorloofde arbeidsreserve om tijdelijke schommelingen in de hoeveelheid
werk op te kunnen vangen.

Naar zeggen van AMP Holland is de relatie met appellante in december
1987 beeindigd, omdat er voor haar geen werk meer was. Ter pleidooizitting is
echter gebleken dat de vraag naar uitzendkrachten of arbeidskrachten zich in
maart 1988 weer heeft hersteld, vrijwel op het oude niveau, zodat moet worden
aangenomen dat er slechts zeer tijdelijk sprake is geweest van een kleine
inzinking.

Aldus moet er van worden uitgegaan, dat AMP Holland in strijd heeft
gehandeld met de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en de
daarbij behorende uitvoeringsvoorschriften.

7. Voorts moet er van worden uitgegaan dat AMP Holland zich ten opzichte
van appellante niet heeft gehouden aan haar verplichtingen ex art. IX.9 van de
toepasselijke CAO. Op basis van dit artikel had AMP Holland ingeval van het
bestaan van een vacature, haar werknemers de mogelijkheid moeten bieden om te
solliciteren. Tevens hadden vacatures bij het GAB aangemeld dienen te worden.

Desgevraagd gaf AMP Holland te kennen dat onder een vacature in de zin
van dat artikel diende te worden verstaan een vrijgekomen arbeidsplaats,
waarvoor naar het bij haar gehanteerde systeem een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd kon worden aangegaan. Hiermee gaf AMP Holland een
interpretatie aan het artikel, die de werking daarvan voor een groot deel
frustreert. Deze interpretatie strookt dan ook niet met de inhoud en de opzet
van het artikel: de werkelijke behoefte aan vaste arbeidsplaatsen is
beslissend, en deze kan niet willekeurig door de werkgever gedefinieerd
worden.

Telkens als het tijdelijk arbeidskontrakt van D. bij AMP Holland afliep,
ontstond er een in feite vaste arbeidsplaats, waarin diende te worden
voorzien. Dit deed AMP Holland door D. via het uitzendbureau te laten werken.
AMP Holland had die arbeidsplaats echter moeten opvullen op basis van art.
IX.9 van de CAO.

8. De stelling dat D. telkens met de gevolgde constructie accoord is
gegaan, zodat er telkens met wederzijds goedvinden overeenkomsten tot stand
zijn gekomen, gaat niet op. Hiervan zou pas sprake kunnen zijn als duidelijk
was geworden dat D. begreep welke rechten zij had, welke bescherming Wet en
CAO haar boden en dat zij daarvan niettemin willens en wetens ten gunste van
AMP Holland is afgeweken. Hieromtrent heeft AMP Holland niets gesteld en
hiervan is ook niets gebleken, zodat het er voort moet worden gehouden dat D.
zich noodgedwongen en voordat zij protesteerde niet beter wetend bij de haar
voorgehouden constructie heeft neergelegd. Hierop kan AMP Holland zich niet
beroepen.

9. Concluderend moet worden aangenomen dat AMP Holland door te handelen,
zoals zij heeft gedaan, heeft gehandeld in strijd met het systeem en de
doelstellingen van de wetgeving op het gebied van het ontslagrecht en met de
haar bindende CAO; dat de door haar toegepaste wetsontduikende constructie
slechts een schijn heeft kunnen veroorzaken, waarvoor de werkelijkheid in de
plaats moet worden gesteld; en dat die werkelijkheid is: een dienstbetrekking
tussen AMP Holland en D. gebaseerd op – naar believen want dat maakt geen
verschil – hetzij een arbeidsovereenkomst van het begin af aan voor onbepaalde
tijd, hetzij een arbeidsovereenkomst aanvankelijk voor bepaalde tijd, doch
daarna ononderbroken en voor onbepaalde tijd voortgezet. Deze dienstbetrekking
had AMP Holland alzo moeten opzeggen na verkregen toestemming van de direkteur
van het GAB, doch dit is niet geschied, weshalve D. terecht de nietigheid van
de beeindiging der relatie heeft ingeroepen. Uit het voorgaande volgt, dat de
grieven slagen en het vonnis van de Kantonrechter moet worden vernietigd.

10. D. heeft doorbetaling gevorderd van haar loon vanaf 1 januari 1988
ad bruto ƒ 2.341,- per maand, te vermeerderen met de verhoging ex art. 1638q
BW hierover en vermeerderd met de vakantiebijslag ad 8 procent over 1988 en
1989, dit alles vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

Nu aan de dienstbetrekking nog niet op rechtsgeldige wijze een eind is
gekomen, komen de vorderingen van D. in principe voor toewijzing in
aanmerking, afgezien van eventuele matiging.

11. De vraag of en in hoeverre de loonvordering van D. gematigd dient te
worden, hangt onder meer af van de vraag in hoeverre D. na 1 januari 1988
inkomsten uit arbeid heeft of heeft gehad. Hieromtrent is in de procedure
niets komen vast te staan.

De rechtbank acht het dienstig hiertoe een comparitie van partijen te
beleggen, waarbij alle relevante informatie kan worden verstrekt aan de hand
van bewijsstukken. D. dient alle schriftelijke bescheiden, waaronder in ieder
geval jaaropgaven, inkomstenbescheiden en aangiftes Inkomstenbelasting, ten
minste twee weken voor de te houden comparitie toe te sturen aan de
rechter-commissaris en AMP Holland.

De comparitie van partijen zal tevens kunnen worden benut voor het
beproeven van een minnelijke regeling.

12. Voor het overige zal de eindbeslissing worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank: Vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Rechters

Mr Pinckaers, voorzitter, mrs Bluijssen en Lijten, leden

Instantie: Hof van Justitie EG, 17 mei 1990

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De Richtlijn betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectorile
regelingen in de sociale zekerheid bevat de mogelijkheid tot uitstel wat
betreft de verplichte invoering van de gelijke pensioengerechtigde leeftijd
Deze uitzonderingsbepaling is volgens het Hof van Justitie in strijd met
art. 119 EEG-Verdrag

Volledige tekst

Judgment

1 By an order of 12 may 1988, which was received at the Court on 23
September 1988, the Court of Appeal in London reffered to the Court of Justice
for a preliminary ruling under Article 177 of the ECC Treaty a number of
questions concerning the interpretation of Article 119 of the EEC Treaty,
Council Directive 75/117/EEC of 10 February 1975 on the approximation of the
laws of the Member States relating to the application of the principle of
equal pay for men an women (hereinafter referred to as “the directive on equal
pay”) and Council Directive 76/207/EEC of 9 February 1976 on the
implementation of the principle of equal treatment for men and women as
regards access to employment, vocational training and promotion, and working
conditions (herinafter referred to as “the directive on equal treatment”)

2 Those questions arose in dispute between the late Douglas Harvey
Barber and his former employer, the Guardian Royal Exchange Assurance Group
(hereinafter referred to as “the Guardian”), concerning Mr Barber’s right to
an early retirement pension on being made compulsorily redundant

3 It appears from the documents before the Court that Mr Barber was a
member of the pension fund established by the Guardian which applied a
non-contributory scheme, that is to say a scheme wholly financed by the
employer. That scheme, which was a “contracted out” scheme, that is to say
it was approved under the Social Security Pensions Act 1975, involved the
contractual waiver by members of the earnings-related part of the State
pension scheme, for which the scheme in question was a substitute. Members
of a scheme of that kind paid to the State scheme only reduced contributions
corresponding to the basic flat-rate pension payable under the latter scheme
to all workers regardless of their earnings

4 Under the Guardian’s pension scheme, the normal pensionable age was
fexed for the category of employees to which Mr Barber belonged at 62 for men
and at 57 for women. That difference was equivalent to that which exists
under the State social security scheme, where the normal pensionable age is 65
for men and 60 for women. Members of the Guardian’s pension fund were
entitled to an immediate pension on attaining the normal pensionable age
provided for by that scheme

Entitlement to a deferred pension payable at the normal pensionable age
was also conferred on members of the fund who were at least 40 years old and
had completed 10 years’ service with the Guardian when the employment
relationship was terminated

5 The Guardian Royal Exchange Assurance Guide to Severance Terms, which
formed part of Mr Barber’s contract of employment, provided that, in the event
of redundancy, members of the pension fund were entitled to an immediate
pension subject to having attained the age of 55 for men or 50 for women.
Staff who did not fulfil those conditions received certain benefits calculated
on the basis of their years of service and a deferred pension payable at the
normal pensionable age

6 Mr Barber was made redundant with effect from 31 December 1980 when he
was aged 52. The Guardians paid him the cash benefits provided for in the
Severance Terms, the statutory redundancy payment and an ex gratia payment
He would have been entitled to a retirement pension as from the dat of
his 62nd birthday. It is undisputed that a woman in the same position as Mr
Barber woud have received an immediate retirement pension as well as the
statutory redundancy payment and that the total value of those benefits woud
have been greater than the amount paid to Mr Barber

7 Taking the view he was a victim of unlawful discrimination based on
sex, Mr Barber instituted proceedings in the industrial relations tribunals
When his claim was dismissed at first and second instance, he appealed to
the Appeal. That court decided to stay the proceedings and to ask the Court
of Justice to give a preliminary ruling on the following questions:

“(1) When a group of employees are made compulsorily redundant by their
employer in circumstances similar to those of this case and receive benefits
in connexion with that redundancy, are all those benefits “pay” within the
meaning of Article 119 of the EEC Treaty and the pay directive (75/117/EEC),
or do they fall within the equal treatment directive (76/207/EEC), or
neither?

(2) Is it material to the answer to Question (1) that one of the
benefits in question is a pension paid in connexion with a private
occupational pension scheme operated by the employer (“a private pension”)?

(3) Is the principle of equal pay referred to in Article 119 and the
equal pay directive infringed in the cimcumstances of the present case if

(a) a man and a woman of the same age are made compulsorily redundant in
the same circumstances, and in connexion with that redundancy, the woman
receives an immediate private pension but the man receives only a deferred
private pension;

or

(b) the total value of the benefits received by the woman is greater
than the total value of the benefit received by the man?

(4) Are Article 119 and the equal pay directive of direct effect in the
circumstances of this case?

(5) Is it material to the answer to Question (3) that the woman’s right
to access to an immediate pension provided for by the Severance Terms could
only be satisfied if she qualified for an immediate pension under the
provisions of the private occupational scheme in that she was being treated as
retired by the Guardian because she was made redundant within seven years of
her normal pension date under the pension scheme?”

8 Mr Barber died while these proceedings were in progress. Since the
Court of Appeal permitted his widow and executrix, Mrs Pamela Barder, to
continue the proceedings in her name, for and on behalf of Mr Barber’s estate,
these proceedings for a preliminary ruling followed the usual course

9 Reference is made to the Report for the Hearing for a fuller account
of the facts of the case, the relevant provisions of Community law, the course
of the procedure and the written observations submitted to the Court, which
are mentioned or discussed herinafter only in so far as is necessary for the
reasoning of the Court

The first question

10 In its first question the Court of Appeal seeks to ascertain, in
substance, whether the benefits paid by an employer to a worker in connexion
with the latter’s compulsory redundancy fall within the scope of Article 119
of the Treaty and the directive on equal pay or within the scope of the
directive on equal treatment

11 The Court has consistently held (see, in particular, its jugdment of
31 March 1981 in Case 96/80, Jenkins v. Kingsgate, [1981] ECR 911 at paragraph
22) that the first of those two directives, which is designed principally to
facilitate the application of the principle of equal pay outlined in Article
119 of the Treaty, in no way alters the content or scope of that principle as
defined in the latter provision. It is therefore appropriate to consider,
in the first place, whether Article 119 applies in circumstances such as those
of this case

12. As the Court has held, the concept of pay, within the meaning of the
second paragraph of Article 119, comprises any other consideration, whether in
cash or in kind, whether immediate or future, provided that the worker
receives it, albeit indirectly, in respect of his employment from his employer
(see, in particular, the judgment of 9 February 1982 in Case 12/81, Garland v.
British Rail Engineering, [1982] ECR 359 at paragraph 5). Accordingly, the
fact that certain benefits are paid after the termination of the employment
relationship does not prevent them from being in the nature of pay, within the
meaning of Article 119 of the Treaty

13 As regards, in particular, the compensation granted to a worker in
connexion with his redundancy, it must be stated that such compensation
constitutes a form of pay to which the worker is entitled in respect of his
employment, which is paid to him upon termination of the employment
relationship, which makes it possible to facilitate his adjustment to the new
circumstances resulting from the loss of his employment and which provides him
with a source of income during the period in which he is seeking new
employment

14 It follows that compensation granted to a worker in connexion with
his redundancy falls in principle within the concept of pay for the purposes
of Article 119 of the Treaty

15 At the hearing, the United Kingdom argued that the statutory
redundancy payment fell outside the scope of Article 119 of the Treaty,
because it constituted a social security benefit and not a form of pay

16 In that regard it must be pointed out that a redundancy payment made
by the employer, such as that which is at issue, cannot cease to constitute a
form of pay on the sole ground that, rather than deriving from the contract of
employment, it is a statutory or ex gratia payment

17 In the case of statutory redundancy payments it must be borne in mind
that, as the Court held its judgment of 8 April 1976 in Case 43/75 (Defrenne
v. Sabena, [1976] ECR 455 at paragraph 40), Article 119 of the Treaty also
applies to discrimination arising directly from legislative provisions

This means that benefits provided for by law may come within the concept
of pay for the purposes of that provision

18 Although it is true that many advantages granted by an employer also
reflect considerations of social policy, the fact that a benefit is in the
nature of pay cannot be called in question where the worker is entitled to
receive the benefit in question from his employer by reason of the existence
of the employment relationship

19 In the case of ex gratia payments by the employer, it is clear from
the judgment of 9 February 1982 in Case 12/81 (Garland, cited above, at
paragraph 10) that Article 119 also applies to advantages which an employer
grants to workers although he is not required to do so by contract

20 Accordingly, without there being any need to discuss whether or not
the directive on equal treatment is applicable, the answer to the first
question must be that the benefits paid by an employer to a worker in
connexion with the latter’s compulsory redundancy fall within the scope of the
second paragraph of Article 119, whether they are paid under a contract of
employment, by virtue of legislative provisions or on a voluntary basis

The second question

21 In view of the answer given to the first question, the second
question must be understood as seeking in substance to ascertain whether a
retirement pension paid under a contracted-out private occupational scheme
falls within the scope of Article 119 of the Treaty, in particular where that
pension is awarded in connexion with compulsory redundancy

22 It must be pointed out in that regard that, in its judgment of 25 May
1971 in Case 80/70 (Defrenne v. Belgium, [1971] ECR 445 at paragraphs 7 and
8), the Court stated that consideration in the nature of social security
benefits is not in principle alien to the concept of pay. However, the
Court pointed out that this concept, as defined in Article 119, cannot
encompass social security schemes or benefits, in particular retirement
pensions, directly governed by legislation without any element of agreement
within the undertaking or the occupational branch concerned, which are
compulsorily applicable to general categories of workers

23 The Court noted that those schemes afford the workers the benefit of
a statutory scheme, to the financing of which workers, employers and possibly
the public authorities contribute in a measure determined less by the
employment relationship than by considerations of social policy

24 In order to answer the second question, therefore, it is necessary to
ascertain whether those considerations also apply to contracted-out private
occupational schemes such as that referred to in this case

25 In that regard it must be pointed out first of all that the schemes
in question are the result either of an agreement between workers and
employers or a unilateral decision taken by the employer. They are wholly
financed fy the employer or by both the employer and the workers without any
contribution being made by the public authorities in any circumstances.
Accordingly, such schemes form part of the considerations offered to workers
by the employer

26 Secondly, such schemes are not compulsorily applicable to general
categories of workers. On the contrary, they apply only to workers employed
by certain undertakings, with the result that affiliation to those schemes
derives of necessity from the employment relationship with a given employer
Furthermore, even if the schemes in question are established in
conformity with national legislation and consequently satisfy the conditions
laid down by it for recognition as contracted-out schemes, they are governed
by their own rules

27 Thirdly, it must be pointed out that, even if the contributions paid
to those schemes and the benefits which they provide are in part a substitute
for those of the general statutory scheme, that fact cannot preclude the
application of Article 119. It is apparent from the documents before the
Court that occupational schemes such as that referred to in this case may
grant to their members benefits greater than those which would be paid by the
statutory scheme, with the result that their economic function is similar to
that of the supplementary schemes which exist in certain Member States, where
affiliation and contribution to the statutory scheme is compulsory and no
derogation is allowed. In its judgment of 13 May 1986 in Case 170/84
(Bilka-Kaufhaus v. Weber von Hartz, [1986] ECR 1607) the Court held that the
benefits awarded under a supplementary pension scheme fell within the concept
of pay, within the meaning of Article 119

28 It must therefore be concluded that, unlike the benefits awarded by
national statutory social security schemes, a pension paid under a
contracted-out scheme constitutes consideration paid by the employer to the
worker in respect of his employment and consequently falls within the scope of
Article 119 of the Treaty

29 The interpretation of Article 119 is not affected by the fact that
the private occupational scheme in question has been set up in the form of a
trust and is administered by trustees who are technically independent of the
employer, since Article 119 also applies to consideration received indirectly
from the employer

30 The answer to the second question submitted by the Court of Appeal
must therefore be that a pension paid under a contracted- out private
occupational scheme falls within the scope of Article 119 of the Treaty

The third and fifth question

31 In these questions the Court of Appeal seeks in substance to
ascertain, in the first place, whether it is contrary to Article 119 of the
Treaty for a man made compulsorily redundant to be entitled only to a deferred
pension payable at the normal pensionable age when a woman in the same
position receives an immediate retirement pension as a result of the
application of an age condition that varies acccording to sex in the same way
as is provided for by the national statutory pension scheme. Secondly, the
Court of Appeal wishes to ascertain, in substance, whether equal pay must be
ensured at the level of each element of remuneration or only on the basis of a
comprehensive assessment of the consideration paid to workers

32 In the case of the first of those two questions thus formulated, it
is sufficient to point out that Article 119 prohibits any discrimination with
regard to pay as between men and women, whatever the system which gives rise
to such inequality. Accordingly, it is contrary to Article 119 to impose an
age condition which differs acocording to sex in respect of pensions paid
under a contracted-out scheme, even if the difference between the pensionable
age for men and that for women is based on the one provided for by the
national statutory scheme

33 As regards the second of those questions, it is appropriate to refer
to the judgments of 30 June 1988 in Case 318/88 (Commission v. France),
[1988], ECR 3559 at paragraph 27) and of 17 October 1989 in Case 109/88
(Handels- og Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark v. Dansk
Arbejdsgiverforening, acting on behalf of Danfoss, [1989] ECR .. at paragraph
12), in which the Court emphasized the fundamental importance of transparency
and, in particular, of the possibility of a review by the national courts, in
order to prevent and, if necessary, eliminate any discrimination based on sex

34 With regard to the means of verifying compliance with the principle
of equal pay, it must be stated that if the national courts were under an
obligation to make an assessment and a comparison of all the various types of
consideration granted, according to the circumstances, to men and women,
judicial review would be difficult and the effectiveness of Article 119 would
be diminished as a result It follows that genuine transparency, permitting a
effective review, is assured only if the principle of equal pay applies to
each of the elements of remuneration granted to men or women

35 The answer to the third and fifth questions submitted by the Court of
Appeal must therefore be that it is contrary to Article 119 of the Treaty for
a man made compulsorily redundant to be entitled to claim only a deferred
pension payable at the normal pensionable age when a woman in the same
position is entitled to an immediate retirement pension as a result of the
application of an age condition that varies according to sex in the same way
as is provided by the national statutory pension scheme. The application of
the principle of equal pay must be ensured in respect of each element of
remuneration and not only on the basis of a comprehensive assessment of the
consideration paid to workers

The fourth question

36 The national court also asks, in its fourth question, whether Article
119 of the Treaty and the directive on equal pay have direct effect in the
circumstances of this case

37 In view of the answer given to the first question, it is unnecessary
to discuss the effects of the directive on equal pay. As for Article 119,
it is appropriate to refer to the established case-law, which was reviewed by
the Court in particular in its judgment of 31 March 1981 in Case 96/80
(Jenkins, cited above, at paragraph 17) and according to which that provision
applies directly to all forms of discrimination which may be identified solely
with the aid of the criteria of equal work and equal pay referred to by the
article in question, without national or Community measures being required to
define them with greater precision in order to permit their application

38 If a woman is entitled to an immediate retirement pension when she is
made compulsorily redundant, but a man of the same age is entitled in similar
circumstances only to a deferred pension, then the result is unequal pay as
between those two categories of workers which the national court can itself
establish by considering the components of the remuneration in question and
the criteria laid down in Article 119

39 The answer to the fourth question must therefore be that Article 119
of the Treaty may be relied upon before the national courts and it is for
those courts to safeguard the rights which that provision confers on
individuals, in particular where a contracted-out pension scheme does not pay
to a man on redundancy an immediate pension such as would be granted in a
similar case to a woman

Effects of this judgment ratione temporis

40 In its written and oral observations, the Commission has referred to
the possibility for the Court of restricting the effect of this judgment
ratione temporis in the event of the concept of pay, for the purposes of the
second paragraph of Article 119 of the Treaty, being interpreted in such a way
as to cover pensions paid by contracted-out private occupational schemes, so
as to make it possible to rely on this judgment only in proceedings already
pending before the national courts and in disputes concerning events occurring
after the date of the judgment. For its part the United Kingdom emphasized
at the hearing the serious financial consequences of such an interpretation of
Article 119. The number of workers affiliated to contracted-out schemes is
very large in the United Kingdom and the schemes in question frequently
derogate from the principle of equality between men and women, in particular
by providing for different pensionable ages

41 As the Court acknowledged in its judgment of 8 April 1976 in Case
43/75 (Defrenne, cited above), it may, by way of exception, taking account of
the serious difficulties which its judgment may create as regards events in
the past, be moved to restrict the possibility for all persons concerned of
relying on the interpretation which the Court, in proceedings on a reference
to it for a preliminary ruling, gives to a provision. A restriction of that
kind may be permitted only by the Court in the actual judgment which gives the
ruling on the interpretation requested

42 With regard to this case, it must be pointed out that Article 7 (1)
of Council Directive 79/7/EEC of 19 December 1978 on the progressive
implementation of the principle of equal treatment for men and women in
matters of social security (Official Journal 1979 no. L 6, p. 24) authorized
the Member States to defer the compulsory implementation of the principle of
equal treatment with regard to the determination of pensionable age for the
purposes of granting old-age pensions and the possible consequences thereof
for other benefits. That exception has been incorporated in Article 9 (a)
of Directive 86/378/EEC of 24 Juli 1986 on the implementation of the principle
of equal treatment for men and women in occupational social security schemes
(Official Journal 1986 no. L 225, p. 40: corrigendum published in Official
Journal 1986 no. L 283, p. 27), which may apply to contracted-out schemes such
as the one at issue in this case

43 In the light of those provisions, the Member States and the parties
concerned were reasonably entitled to consider that Article 119 did not apply
to pensions paid under contracted-out schemes and that derogations from the
principle of equalitity between men and women were still permitted in that
sphere

44 In those circumstances, overriding considerations of legal certainty
preclude legal situations which have exhausted all their effects in the past
from being called in question where that might upset retroactively the
financial balance of many contracted-out pension schemes. It is
appropriate, however, to provide for an exception in favour of individuals who
have taken action in good time in order to safeguard their rights. Finally,
it must be pointed out that no restriction on the effects of the aforesaid
interpretation can be permitted as regards the acquisition of entitlement to a
pension as from the date of this judgment

45 It must therefore be held that the direct effect of Article 119 of
the Treaty may not be relied upon in order to claim entitlement to a pension
with effect from a date prior to that of this judgment, except in the case of
workers or those claiming under them who have before that date initiated legal
proceedings or raised an equivalent claim under the applicable national law

46 The costs incurred by the United Kingdom and by the Commission of the
European Communities, which submitted observations to the Court, are not
recoverable. As these proceedings are in so far as the parties toe the main
proceedings are concerned, in the nature of a step in the action pending
before the national court, the decision as to costs is a matter for that
court

On those grounds,

THE COURT

in answer to the questions referred to it by the Court of Appeal in
London by an order of 12 May 1988, hereby rules as follows:

1. The benefits paid by an employer to a worker in connexion with the
latter’s compulsory redundancy fall within the scope of the second paragraph
of Article 119 of the Treaty, whether they are paid under a contract of
employment, by virtue of legislative provisions or on a voluntary basis

2. A pension paid under a contracted-out private occupational scheme
falls within the scope of Article 119 of the Treaty

3. It is contrary to Article 119 of the Treaty for a man made compulsory
redundant to be entitled to claim only a deferred pension payable at the
normal retirement age when a woman in the same position is entitled to an
immediate retirement pension as a result of the application of an age
condition that varies according to sex in the same way as is provided for by
the national statutory pension scheme. The application of the principle of
equal pay must be ensured in respect of each element of remuneration and not
only on the basis of a comprehensive assessment of the consideration paid to
workers

4. Article 119 of the Treaty may be relied upon before the national
courts. It is for those courts to safeguard the rights which that provision
confers on individuals, in particular where a contracted-out pension scheme
does not pay to a man on redundancy an immediate pension such as would be
granted in a similar case to a woman

5. The direct effect of Article 119 of the Treaty may not be relied upon
in order to claim entitlement to a pension, with effect from a date prior to
that of this judgment, except in the case of workers or those claiming under
them who have before that date initiated legal proceedings or raised an
equivalent claim under the applicable national law

Rechters

onbekend

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 16 mei 1990

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Er is geen aanleiding deskundigen in te schakelen om na te gaan of er
voor het seksuele misbruik reeds sprake was van soortgelijke psychische
problemen bij eiseres.

Volledige tekst

De in het vonnis van 31 mei 1989 (RN 1989, nr. 54) bepaalde comparitie
van partijen heeft op 12 september 1989 plaatsgevonden. Van het aldaar
verhandelde is procesverbaal opgemaakt.

Vervolgens heeft eiseres een akte na comparitie genomen en daarbij 2
bewijsstukken overgelegd.

Gedaagde heeft bij akte een aantal produkties met betrekking tot zijn
financiele situatie in het geding gebracht en daarna een conclusie na
comparitie genomen.

Tenslotte hebben partijen stukken overgelegd ter verkrijging van
vonnis.

Gronden van de beslissing

1. Eiseres heeft tijdens de comparitie weergegeven welke psychische
problemen zij nog steeds ondervindt tengevolge van het onrechtmatig handelen
van gedaagde. Voorts heeft zij verklaard bezwaar te hebben tegen een door de
rechtbank te gelasten deskundigenonderzoek en daarvoor een op zichzelf
aanvaardbare motivering gegeven.

2. Zoals in het tussenvonnis is overwogen mag worden aangenomen dat
eiseres door het gebeuren op 19 augustus 1987 in ernstige mate in haar persoon
is aangetast. Uit haar verklaring blijkt dat de gevolgen voor haar mede daarom
zo traumatisch zijn, omdat haar dit is aangedaan door een arts tot wie zij
zich om hulp gewend had en omdat zij toen zwanger was. Dit is op zichzelf
begrijpelijk.

Duidelijk is voorts dat er twee jaar nadien (ten tijde van de
comparitie) nog geen sprake was van (op korte termijn te verwachten) herstel.

3. Op grond van de thans beschikbare gegevens is de rechtbank van
oordeel dat de immateriele schade in ieder geval gesteld kan worden op het
bedrag dat, gelet op gedaagdes draagkracht, naar redelijkheid en billijkheid
maximaal ten laste van gedaagde gebracht kan worden.

Onder deze omstandigheden is voorlichting door deskundigen niet nodig.

Evenmin bestaat er aanleiding deskundigen in te schakelen om na te gaan
of er voor augustus 1987 mogelijk sprake was van soortgelijke (psychische)
problemen bij eiseres, zoals door gedaagde verondersteld wordt.

4. Uit de door gedaagde verstrekte inlichtingen en overgelegde
bewijsstukken kan worden afgeleid dat het gezinsinkomen in de jaren na
augustus 1987 zeer bescheiden is geweest en dat hij er nog steeds niet in
geslaagd is een vaste werkkring te vinden.

Gedaagde heeft verklaard dat het voor hem erg moeilijk is om in
Nederland werk te vinden zolang nog geen einde is gekomen aan de strafzaak en
de tuchtzaak en dat ook het vinden van werk in het buitenland niet gemakkelijk
is. Dit alles komt niet onaannemelijk voor en daarmee dient dan ook rekening
te worden gehouden.

Anderzijds is voor de toe te passen matiging tevens van belang de reeel
te achten verwachting, dat de inkomsten van gedaagde in de toekomst dichter
bij het bij zijn beroep (chirurg) passende niveau zullen komen te liggen.

5. Alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen wordt de door
gedaagde aan eiseres te betalen vergoeding voor immateriele schade naar
redelijkheid en billijkheid bepaald op ƒ 15.000,-.

Tot dit bedrag kan de vordering van eiseres worden toegewezen.

Er bestaat aanleiding om de gedingkosten als volgt te compenseren.

Beslissing

De rechtbank:

– veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van ƒ
15.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 december 1987
tot de voldoening;

– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst het meergevorderde af;

– verrekent de gedingkosten in dier voege dat iedere partij haar eigen
kosten draagt.

Rechters

Mrs G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, A.C. Monster, P. Rodenburg,leden.

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 12 mei 1990

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Met de aan zijn zorg toevertrouwde dochter van eisers heeft gedaagde, haar
oom, meermalen ontucht gepleegd in de periode van januari 1981 tot en met
december 1984. Het meisje was bij de aanvang negen jaar oud.

Toegewezen ƒ 7.500,= immateriele schadevergoeding. Gevorderd: ƒ 25.000,=.
Het meisje is gedurende ongeveer een jaar onder behandeling geweest bij
het RIAGG. Zij heeft zich jarenlang onveilig gevoeld, leed aan
slapeloosheid en is na de openbaarmaking van de gebeurtenissen in een
crisis terecht gekomen, die zich manifesteerde in het ontbreken van
vertrouwen in haar ouders, angsten voor contacten met andere mensen,
hevige vrees haar oom op straat tegen te komen en angst voor
binnendringers.

Tengevolge daarvan is zij op school in de derde klas blijven zitten,
terwijl voorts niet moet worden uitgesloten dat zij door het gebeurde
blijvende schade heeft opgelopen. Matiging in verband met de financiele
draagkracht van gedaagde.

Gedaagde is strafrechtelijk veroordeeld. Het plegen van ontucht met een
dermate jong meisje brengt, naar algemeen bekend is, psychisch leed voor
betrokkene met zich mee, waarbij niet relevant is of bedoeld leed is
veroorzaakt door de daad zelf danwel (mede) door de reacties daarop van
de directe omgeving van de betrokkene.

Volledige tekst

Verder verloop van de procedure.

Ter voldoening aan het op 3 mei 1989 gewezen tussenvonnis heeft B een akte
genomen en daarbij een aantal bewijsstukken overgelegd. R heeft daarop bij
akte gereageerd. Daarna hebben partijen wederom de stukken overgelegd ter
verkrijging van vonnis.

Gronden van de beslissing.

1. Bij genoemd tussenvonnis is B toegelaten zijn financiele draagkracht
middels bewijsstukken aan te tonen. Hij heeft daartoe kopieen overgelegd
van:

a. een jaaropgaaf van zijn loon in 1987 bij de besloten vennootschap Int.
Graanoverslag Mij B.V. te Amsterdam;

b. een jaaropgaaf van zijn loon in 1988 bij dezelfde vennootschap; c. een
vonnis van deze rechtbank van 11 januari 1989 waarin hij onder meer wordt
veroordeeld tot voldoening bij vooruitbetaling tot levensonderhoud van
zijn gewezen echtgenote van ƒ 1.400,= per maand;

d. betalingsbewijzen en facturen met betrekking tot huur en energie;

e. een continu krediet=overeenkomst met de Amro-bank.

Mede op grond van deze gegevens heeft B berekend dat zijn vrij besteedbaar
inkomen in 1989 een bedrag van ƒ 459,07 bedroeg.

2. R betwist de door B gemaakte berekening, aanvoerende dat in geval van
de juistheid ervan de rechtbank de alimentatie voor de gewezen echtgenote
van B wel lager zou hebben vastgesteld, dan wel dat B dat vonnis met
succes in hoger beroep had kunnen aanvechten. R gaat er derhalve van uit
dat in de echtscheidingsprocedure andere financiele gegevens zijn
verstrekt.

3. B heeft, gelet op de overgelegde en als zodanig niet betwiste
bescheiden, voldoende aannemelijk gemaakt zeer beperkt te zijn in zijn
financiele draagkracht. Het verweer van R doet daar niet aan af. Alle
wederzijdse belangen in aanmerking genomen stelt de rechtbank de
vergoeding voor de geleden immateriele schade vast op een bedrag van ƒ
7.500,=. Nu niet is weersproken dat de wettelijke rente vanaf 1 juli 1987
is aangezegd kan deze aldus worden toegewezen.

4. B zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in
de kosten van de procedure.

Beslissing.

De rechtbank:

-veroordeelt B tot betaling aan R van een bedrag van ƒ 7.500,=
(zevenduizend vijfhonderd gulden), vermeerderd met de wettelijke rente
daarover vanaf 1 juli 1987 tot de dag der algehele voldoening;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders gevorderde;

-veroordeelt B in de kosten van de procedure, aan de zijde van R begroot
op ƒ 1.915,65 en als volgt te voldoen;

aan R: ƒ 75,= voor de bij hem gevallen kosten aan vastrecht;

en aan de griffier van deze rechtbank: ƒ 225,= aan overig vastrecht; ƒ
19,40 aan roepgelden; ƒ 46,25 aan exploitkosten; ƒ 1.550,= aan salaris
procureur.

Rechters

Mrs. Orobio de Castro, A.C. Monster en P. Rodenburg

Instantie: Kantonrechter Hilversum, 9 mei 1990

Instantie

Kantonrechter Hilversum

Samenvatting


Ontbindingsverzoek ex art. 1639w BW voor zwangere werkneemster
toegewezen. Rechter neemt aan dat er een plicht bestaat de werkgever bij
sollicitatie over aanwezige zwangerschap te informeren. Niet voldoen aan
die informatieplicht brengt verstoorde arbeidsrelatie mee en verandering in
omstandigheden

Volledige tekst

BECHIKKING

Op het verzoekschrift – met bijlagen – ingekomen ter griffie van dit
kantongerecht op 21 maart 1990 waarin door de besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid INTERSHOW B.V. gevestigd te Hilversum,

hierna te noemen “verzoekster”, ontbinding wordt verzocht van de tussen
haar als werkgeefster en P., wonende te (…), als werkneemster, hierna te
noemen “verweerster”, bestaande arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige
redenen als bedoeld in artikel 1639 w van het Burgerlijk Wetboek

De kantonrechter heeft ter openbare zitting van 26 april 1990 gehoord:

a. verzoekster, vertegenwoordigd door J.J. Wstenhoff, bijgestaan door
mr. P.C.J. Twaalfhoven, advocaat te Amsterdam, die verklaarde te persisteren
bij de inhoud van het ingediende verzoekschrift

b. verweerster, bijgestaan door mr. G. van Driem, advocaat te Amsterdam,
die verklaarde overeenkomstig het ingediende verweerschrift – met producties
-, waarvan de inhoud als hier ingelast en overgenomen dient te worden
beschouwd

Partijen hebben daarna nog over en weer een korte toelichting en
verduidelijking van hun standpunten gegeven, verweerster onder overlegging van
pleitnotities

Vervolgens heeft de kantonrechter de beschikking bepaald op 9 mei 1990

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Onder de door partijen geschetste omstandigheden is de kantonrechter –
ondanks het gemotiveerde verweer – tot het oordeel gekomen, dat de
arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden wegens
veranderingen in de omstandigheden

Gelet op het feit, dat er tussen partijen vaststaat, dat er wel een
proeftijd is overeengekomen – zij het niet rechtsgeldig (drie maanden) – en
het feit dat de arbeidsrelatie ernstig is verstoord, nadat gerequestreerde op
17 januari 1990 (17 dagen na de datum van haar indiensttreding bij
verzoekster) voor het eerst melding heeft gemaakt, dat zij in verwachting was
(de uitgerekende bevallingsdatum zou 28 mei 1990 zijn), is er zeer zeker
sprake van een dermate verandering in de omstandigheden, dat de
arbeidsoverenkomst tussen partijen op korte termijn dient te worden ontbonden

Geheel ten overvloede, deelt de kantonrechter mede, dat een
werkneemster, die tijdens dienstverband in verwachting geraakt, terecht een
ontslagbescherming geniet, doch dit laat onverlet, dat een werkneemster die
bij een sollicitatie niet vermeldt dat zij ongeveer 3 maanden in verwachting
is – zoals in casu verweerster – jegens de werkgeefster onrechtmatig handelde
(zij had zulks – bij wijze van spreken – in het (te verwachten) curriculum
vitae) dienen te vermelden)

De kantonrechter wijst er ten overvloede ook nog op, dat verweerster –
blijkens haar curriculum vitae – niet alleen vanaf 1972 juridische ervaring
opdeed, als secretaresse op een advocatenkantoor, maar nadien ook werkzaam is
geweest op een rechtswinkel, zodat zij zich moet hebben gerealiseerd, dat de
proeftijd wel was overeengekomen, zij het dat deze door verzoekster een maand
te lang was gesteld

De kantonrechter acht geen termen aanwezig enige vergoeding toe te
kennen, doch acht wel termen aanwezig de proceskosten te compenseren, als na
te melden

DE BESLISSING

De kantonrechter:

– ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang
van 15 mei 1990 wegens verandering in de omstandigheden; – bepaalt dat ieder
der partijen de eigen kosten draagt

Rechters

Mr. L.P. Galema, kantonrechter, griffier R. Willemse

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 8 mei 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


U. is veroordeeld wegens verkrachting van de twaalfjarige B. De
verdachte is met succes in cassatie gegaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen
heeft, volgens de Hoge Raad, het Hof niet kunnen afleiden dat de bewezen
verklaarde vleselijke gemeenschap buiten echt heeft plaatsgevonden

Volledige tekst

1. De bestreden einduitspraak

Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
kinderrechter in de Rechtbank te Arnhem van 16 september 1988 – de verdachte
ter zake van “het in voortgezette handeling medeplegen van verkrachtiging
meermalen gepleegd” veroordeeld tot plaatsing in een tuchtschool voor de tijd
van drie maanden

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft mr.
A.M.M. Orie, advocaat te ‘s-Gravenhage, het volgende middel van cassatie
voorgesteld:

1. Het hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan
niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de art. 242 Sr.
en 338, 350, 358, 359, 415 en 487 Sv geschonden, en wel op grond van het
navolgende

2. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet blijken dat
noch rekwirant, noch F.S., met B.B. waren gehuwd. De bewezenverklaring;
meer in het bijzonder de daarin voorkomende woorden buiten echt, is derhalve
niet naar de eis der wet met redenen omkeed

3. Toelichting:

Uit de beslissing van Uw Raad van 14 januari 1986, NJ 1986, 576 blijkt
dat het bewijs voor de omstandigheid, dat geslachtsgemeenschap buiten echt
heeft plaatsgevonden, soms ontleend kan worden aan terloopse details in de
bewijsmiddelen. Het arrest leert ook dat niet zo maar op de inhoud van het
dossier kan worden teruggegrepen (hoe evident de inhoud daarvan ook zou mogen
zijn) maar dat voldoende aanknopingspunten in de bewijsmiddelen besloten
moeten liggen. Dat betekent ook dat bijvoorbeeld een feitelijk
aanknopingspunt dat in het kader van de straftoemeting gehanteerd is, niet
toereikend kan zijn

3. De conclusie van het OM

(…)

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard, dat:

“verdachte op 22 juni 1988, in de gemeente E., nu tezamen en in
vereniging met een ander door geweld, een vrouw te weten B.B., heeft gedwongen
met hem, verdachte, en zijn mededader buiten echt vleselijke gemeenschap te
hebben, bestaande dat geweld hierin dat hij, verdachte, en zijn mededader toen
aldaar opzettelijk die B. hebben vastgegrepen en vastgehouden. “

4.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

A. de omslag met het opschrift gemeentepolitie E., nr. Ed 88/003069, wa
arin zich ondermeer de volgende processen-verbaal bevinden:

1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van C.S.
Groeneveld en H. Rutgers, beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te
E., gesloten op 27 juni 1988, voorzover inhoudende als op die datum afgelegde
verklaring van B.B. – zakelijk weergegeven -;

Ik verblijf nu ongeveer vijf weken in E. Op 22 juni 1988 ben ik samen
met F.S. naar het dorp gegaan. In het centrum van E., kwam ik E.U. tegen
E. pakte mij bij de arm en trok mij mee naar de spoorlijn in E. Hij
kwam bij een schuurtje. E. maakte mijn bovenbroek los en duwde die naar
beneden. Daarna deed hij ook mijn onderbroek naar beneden. Hierna gooide
hij mij op de grond. Hij trok beide broeken helemaal uit

2. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van Groeneveld
voornoemd van 28 juni 1988, voorzover inhoudende als op die datum afgelegde
verklaring van B.B. – zakelijk weergegeven -;

E. nam mij mee, zoals ik gisteren al verklaard heb. F. kwam er
achteraan. In het schuurtje heeft E. inderdaad mijn broek en onderbroek
uitgetrokken en heeft daarna tegen mijn zin met mij geneukt. Toen hij mij
neukte hield F. mij vast. Hierna neukte F. mij en hield E. mij vast.
Toen de jongens mij neukten heb ik gehuild en verteld dat ik niet wilde.
Zij konden toch met mij neuken omdat ze mij stevig vast hebben gehouden en ik
niet weg kon komen

B. de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof
op 20 februari 1989, voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven -;
ë
Op 22 juni 1988 zijn F.S. en B.B. en ik naar een schuurtje langs de
spoorlijn in de gemeente E. gegaan. F. en ik hadden afgesproken dat wij met
B. zouden gaan neuken. In het schuurtje heb ik boven- en onderbroek van B.
uitgedaan

Daarna hebben F. en ik met B. geneukt. Ik ben klaargekomen. F. en
ik hebben B. vastgegrepen en vastgehouden. Ik kan mij voorstellen dat B.
onze handelingen als gewelddadig heeft beschouwd, want het is wel hardhandig
gegaan

5. Beoordeling van het middel

Uit de hiervoren onder 4.2 weergegeven inhoud van de gebezigde
bewijsmiddelen heeft het hof niet kunnen afleiden dat de bewezen verklaarde
vleselijke gemeenschap buiten echt heeft plaatsgevonden. Voor zover het hof
ook dit laatste heeft bewezen verklaard, is de bewezenverklaring derhalve niet
naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is dus gegrond

6. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt, dat het bestreden arrest niet in sta
nd kan blijven en verwijzing moet volgen

7. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar
het Hof te ‘s-Hertogenbosch ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te
worden berecht en afgedaan

Rechters

Mrs. Van der Blink, Jeukens, Bleichrodt; advocaat-Generaal Meijers