Instantie: Gerechtshof Arnhem, 3 mei 1990

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Klaagster heeft op 6 juni 1989 aangifte gedaan van ontuchtige
handelingen door haar stiefvader gepleegd tussen 1976 en 1978 en tussen 1981
en 1985. De man ontkende. De grootmoeder van klaagster heeft verklaard dat zij
rechtstreeks van haar zoon had gehoord dat hij wel eens wat met het meisje had
‘uitgehaald’. De moeder van klaagster bevestigde dat het meisje wel eens bij
haar had geklaagd over de gedragingen van de stiefvader. In
kinderbeschermingsrapporten over klaagster is sprake van incest; haar gedrag
zou symptomatisch zijn voor een incestslachtoffer. Op voorstel van de
Procureur-Generaal is de klaagster eerst gehoord; zo ook de stiefvader.

Het Hof acht gronden aanwezig voor verdenking dat beklaagde zich
schuldig heeft gemaakt aan gedragingen ex artt. 246, 247 en/of 249 Sr. Het Hof
acht een gerechtelijk vooronderzoek noodzakelijk en beveelt de Officier van
Justitie te Arnhem de strafvervolging tegen beklaagde voort te zetten en
vordering ex art. 181 Sv te doen.

Volledige tekst

OVERWEEGT:

1. Klaagster heeft op 6 juni 1989 bij de rijkspolitie aangifte gedaan,
dat beklaagde met haar in de tijdvakken 1976-1978 en 1981-1985 ontuchtige
handelingen heeft gepleegd en haar heeft gedwongen die te dulden. Beklaagde,
die ter zake van 3 juli 1989 tot 5 juli 1989 in verzekering gesteld is
geweest, heeft de aangegeven feiten nadrukkelijk ontkend.

2. Na kennisneming van de stukken en het verhoor van de bij het beklag
betrokkenen, acht het hof gronden aanwezig voor de verdenking dat beklaagde
zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als omschreven in de artikelen
246, 247 en/of 249 van het wetboek van strafrecht. Het hof acht een
gerechtelijk vooronderzoek noodzakelijk. Het gevraagde bevel zal derhalve
worden verleend.

BESCHIKKENDE:

Beveelt dat door de officier van justitie te Arnhem de strafvervolging
tegen beklaagde ter zake van de in de artikelen 246, 247 en/of 249 van het
wetboek van strafrecht omschreven misdrijven zal worden voortgezet en gelast
tevens dat door de officier van justitie de vordering zal worden gedaan
bedoeld in artikel 181 van het wetboek van strafvordering.

Rechters

Raadkamer mrs Gerbrandy, Dijkstra en Lion.

Instantie: Kantonrechter Eindhoven, 3 mei 1990

Instantie

Kantonrechter Eindhoven

Samenvatting


Een vrouw werkt als alphahulp is een particuliere huishouding. Ze valt
in een open trapgat en is lange tijd arbeidsongeschikt. De werkgeefster was op
uitdrukkelijk advies van de Regionale Raad voor de Gezinsverzorging verzekerd
tegen wettelijke aansprakelijkheid. De verzekeringsmaatschappij weigert echter
uit te betalen nu zij de werkgeefster niet aansprakelijk voor het ongeval
acht, omdat er geen sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst. De vrouw
bestrijdt dit en wil procederen.

Beslissing RV: duizenden vrouwen zouden gebaat kunnen zijn met de
vaststelling dat zij onder de bescherming van art. 1638x Burgerlijk Wetboek
(plicht van de werkgever om werknemers tegen gevaren op de werkplek te
beschermen, met mogelijkheid tot schadevergoeding bij niet nakoming) vallen;
deze bepaling biedt immers betere mogelijkheden dan art. 1401 BW
(onrechtmatige daad, waarna vordering tot schadevergoeding mogelijk is).

Afloop: In een tussenvonnis besliste de kantonrechter dat er tussen de
alphahulp en haar werkgeefster wel degelijk sprake is van een
arbeidsovereenkomst.

Partijen zijn een schikking overeengekomen, waarbij de
verzekeringsmaatschappij de vrouw een bedrag van ƒ 10.000,- zal uitkeren.

Volledige tekst

OVERWEGENDE:

Eiseres heeft gevorderd gedaagde aansprakelijk te achten op grond van
het bepaalde in artikel 1638x van het burgerlijk Wetboek en gedaagde te
veroordelen om aan eiseres te voldoen een bedrag van ƒ 13.314,10 wegens
geleden materiele schade en voorts de schade welke nog niet vaststaat en nog
nader dient te worden opgemaakt bij staat van schaden, kosten en interessen en
te vereffen volgens de wet, alsmede een bedrag van ƒ 20.000,– wegens geleden
immateriele schade zulks vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek over vorenbedoelde bedragen te rekenen
vanaf de datum van het inleidend verzoekschrift tot aan die der voldoening.

Tussen partijen staat het volgende vast als enerzijds gesteld en
anderzijds erkend althans ongenoegzaam betwist.:

Op 4 februari 1987 vond ten huize van gedaagde nagenoemd ongeval
plaats.

Tijdens uitvoering van schoonwerkzaamheden op dezelfde verdieping
waartoe eiseres opdracht had gekregen van gedaagde is eiseres in het trapgat
van de zogenaamde vlizotrap gevallen, welke trap bevestigd was aan een luik en
door het losmaken van twee beugels naar beneden gelaten kon worden, in welke
laatstgenoemde toestand de trap tijdens het ongeval verkeerde.

Om het trapgat was geen leuning geplaatst.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening met betrekking tot
de vraag of in casu artikel 1638x van het Burgerlijk Wetboek van toepassing
is.

Volgens gedaagde is dit niet het geval omdat er geen sprake is van een
arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek
tussen haar en eiseres en -ten overvloede- omdat doctrine en rechtspraak met
betrekking tot artikel 1638x van het Burgerlijk Wetboek alleen de veiligheid
in fabrieken en bedrijven betreffen en niet in private huishoudingen.

Gedaagde heeft haar standpunt, dat er geen sprake is van een
arbeidsovereenkomst tussen partijen als volgt toegelicht.

Eiseres was ten tijde van het ongeval als zogenaamde
Alphahulpverleenster bij gedaagde in de huishouding werkzaam.

Volgens gedaagde leert toetsing van de tussen eiseres en gedaagde ten
tijde van het ongeval bestaande Alpha-hulpovereenkomst, artikel 1637a van het
Burgerlijk Wetboek, dat de instelling die de Alpha-hulp in opdracht van het
Ministerie van W.V.C. regelt, in casu de Regionale Stichting voor
Maatschappelijke Dienstverlening te Valkenswaard, een zeer grote rol speelt
bij de vaststelling en uitbetaling van het loon;

-dat de instelling toetst of de werkzaamheden die verricht moeten worden
in het kader van de Alpha-hulpverlening zijn in te passen:

-dat de instellingen die de hulpverleners werft en selecteert en dat de
instelling bepaalt of een Alpha hulpverlener nog voorziet in de door de
instelling noodzakelijk geachte hulp op basis van de indicatie-criteria.

De Kantonrechter deelt het standpunt van gedaagde niet en is van
oordeel, dat er wel sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen als
bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek.

Immers het staat niet aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de
weg, dat een derde i.c. de Regionale Stichting voor Maatschappelijke
Dienstverlening te Valkenswaard een zeer grote rol speelt bij de vaststelling
en uitbetaling van het loon, althans indien partijen het daarover eens zijn
geworden. Dat dit het geval is blijkt uit het feit, dat partijen de
overeenkomst waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar de Algemene Richtlijnen
en Arbeidsvoorwaarden voor uitvoering van Alpha-hulpverlening door een
instelling van gezinsverzorgins, goedgekeurd door het Minister van W.V.C. d.d.
1 september 1977 (zie proceducties II en III overgelegd bij conclusie van
antwoord) hebben ondertekend.

Ditzelfde geldt voor de andere door gedaagde gestelde bemoeienissen van
genoemde instellingen.

De stelling van gedaagde, dat doctrine en rechtspraak met betrekking tot
artikel 1638x van het Burgerlijk Wetboek alleen de veiligheid in fabrieken en
bedrijven betreffen en niet in private huishoudingen wordt door gedaagde niet
onderbouwd en behoort derhalve te worden gepasseerd.

De Kantonrechter is in ieder geval van mening, dat voor dat standpunt
geen argument te vinden is in de tekst van artikel 1638x van het Burgerlijk
Wetboek, nu daarin niet wordt gesproken van fabrieken en bedrijven waarin de
werkgever de arbeid doet verrichten, maar in het algemeen van lokalen, waarin
de werkgever de arbeid doet verrichten.

Niet valt in te zien waarom als een zodanig lokaal niet zou mogen worden
aangemerkt de zolderruimte van het huis van gedaagde, waar eiseres in opdracht
van gedaagde schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten.

In de tweede plaats verschillen partijen van mening met betrekking tot
de vraag of gedaagde te kort geschoten is in het nakomen van
veiligheidsverplichtingen zoals omschreven in artikel 1638x lid 1 van het
Burgerlijk Wetboek.

Eiseres heeft dienaangaande betoogd dat van gedaagde redelijkerwijze had
kunnen worden verwacht, dat zij eiseres alleen werkzaamheden op zolder zou
hebben laten uitvoeren wanneer voordien de veiligheidsmaatregelen zouden zijn
getroffen.

Als zodanige veiligheidsmaatregelen worden door eiseres kennelijk
bedoeld: het plaatsen van een leuning om het trapgat of het plaatsen van een
extra luik op het trapgat.

Gedaagde heeft weliswaar betoogd, dat het in woonhuizen bepaald niet
gebruikelijk is, dat rond een vlizotrap een leuning staat of een extra luik
wordt geplaatst, doch de Kantonrechter acht zulks voor de beoordeling van de
thans aan de orde zijnde zaak niet van beslissende betekenis.

In de onderhavige zaak gaat het er immers om of gedaagde, als
werkgeefster, eiseres werkzaamheden op de zolder van haar huis mocht laten
uitvoeren in die situatie derhalve zonder het treffen van zodanige regelingen,
dat eiseres tegen het gevaar, zoals zich dat in casu heeft gerealiseerd, zover
was beschermd als redelijkerwijze in verband met de aard van de arbeid
gevorderd kan worden.

Concreet gesteld gaat het er om of van gedaagde gevorderd kon worden dat
zij een leuning om het trapgat zou plaatsen of een extra luik op het trapgat
alvorens eiseres de zolderruimte te laten schoonmaken.

Omtrent genoemde maatregelen heeft eiseres betoogd, dat deze technisch
gezien mogelijk moet worden geacht en zeker niet ongebruikelijk wanneer
veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de betreden woonruimte.

In casu echter had eiseres -alhoewel zij reeds gedurende enkele jaren
werkzaam was in de huishouding van gedaagde -volgens haar eigen stellingen-
nog nimmer via de vlizotrap de zolderruimte betreden.

Aangenomen behoort derhalve te worden dat gedaagde slechts eenmaal
eiseres, en wel op de dag van het ongeval, werkzaamheden heeft laten
verrichten in de zolderruimte.

In een zodanig geval kan naar het oordeel van de kantonrechter het
plaatsen van een leuning om het trapgat of het plaatsen van een extra luik op
het trapgat, redelijkerwijze niet in verband met de aard van de arbeid worden
gevorderd.

De vordering op grond van artikel 1638x van het Burgerlijk Wetboek wordt
derhalve afgewezen.

Eiseres heeft tenslotte nog betoogd, dat voorzover geen aansprakelijkheid
van gedaagde wordt aangenoemen op grond van artikel 1638x van het Burgerlijk
Wetboek gedaagde subsidiar aansprakelijk wordt geacht op grond van het
bepaalde in artikel 1638z van het Burgerlijk Wetboek.

Immers -aldus eiseres- kan er evenzeer van aansprakelijkheid sprake
zijn, indien de werknemer tengevolge van het ongeval in relatie tot de mate
van zijn schuld daaraan, zo onevenredig veel nadeel ondervindt dat, ook al is
het ongeval niet door toedoen van de werkgever ontstaan, het niet toekennen
van een redelijke tegemoetkoming in strijd met een goed werkgeverschap en/of
redelijkheid en billijkheid zou zijn.

Volgens gedaagde iser chter in casu geen sprake van omstandihgehden,
waaronder het billijk moet worden geacht, dat de werkgever een gedeelte van de
schade van de werknemer voor zijn rekening neemt.

De Kantonrechter acht het geraden op dit punt een comparitie van
partijen te gelasten voor het verstrekken van nadere inlichtingen en het
beproeven van een vereniging.

RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN!

Alvorens nader te beslissen:

Gelast partijen in persoon, desgewenst vergezeld van haar gemachtigden,
te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter op dinsdag 26 juni 1990
te 11.00 uur voor het verstrekken van nadere inlichtingen en het beproeven van
een vereniging.

Rechters

Mr. K.M. van der Zanden, kantonrechter

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 19 april 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De vraag is aan de orde of, gelet op het arrest van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen van 11 juni 1987 (zaak 30/85), welk arrest is
gewezen naar aanleiding van vragen van de Raad van Beroep te Amsterdam, gezegd
moet worden dat het toeslagensysteem als neergelegd in artikel 10, derde en
vierde lid, van de AAW, verenigbaar was met EG-richtlijn nr. 79/7. Daarbij
gaat het er met name om of deze bepalingen berustten op objectieve
rechtvaardigingsgronden, als in het arrest omschreven, die discriminatie op
grond van geslacht uitsluiten

De Raad van Beroep was van mening dat het toeslagensysteem niet geheel
noodzakelijk was om aan uitkeringsgerechtigden met gezinslasten een
bestaansminimum te garanderen en dat het systeem derhalve, gelet op het arrest
van het Hof van Justitie, met EG-richtlijn nr. 79/7 in strijd was

De Raad meent dat bij de bestaande regels de hoofddoelstelling van het
toeslagensysteem, de garantie van een minimumuitkering bij gezinslasten en
ontbrekend ander inkomen uit of in verband met arbeid, in de gevallen waarin
dit inkomen inderdaad ontbreekt, ook wordt bereikt

De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 18 juni 1984 is vanwege eiser aan gedaagde kennis gegeven
van een beslissing ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(hierna: WAO), houdende verlagingen van het dagloon waarnaar gedaagdes
uitkering ingevolge die wet was berekend, per 1 januari 1985

Nadat gedaagde tegen die beslissing beroep had ingesteld heeft de Raad
van Beroep te Amsterdam vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, welke hebben geleid tot het arrest van dit Hof van
11 juni 1987 (zaak 30/85)

De Raad van Beroep heeft vervolgens bij uitspraak van 29 december 1987
het beroep gegrond verklaard in zoverre daarbij was gevorderd de Wet van 29
december 1982, Stb. 737 en de daarbij behorende uitvoeringsmaatregelen ten
aanzien van gedaagde met ingang van 23 december 1984 buiten toepassing te
laten en de beslissing vernietigd voor zover deze gedaagde aanspraken ingaande
23 december 1984 verlaagde ten opzichte van de tot 1 januari 1984 voor haar
geldende regeling

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen met het verzoek aan
de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en zijn beslissing van 18
juni 1984 alsnog te bevestigen. In een aanvullend beroepschrift d.d. 22
april 1988, met een bijlage, zijn de gronden waarop het hoger beroep berust,
uiteengezet

Gedaagde heeft op 7 november 1988 van contra-memorie gediend

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 9
maart 1990, gevoegd met het geding bij de Raad bekend on der nummer WAO
1985/S 18

Eiser heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mr. F.W.M. K.,
werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, terwijl eisers
standpunt mede is verdedigd door Mr. G.A.M. L., werkzaam bij de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. Gedaagde is
in persoon verschenen, bijgestaan door Mr. W.G.M.J. W., advocaat te A., als
haar raadsvrouw, terwijl gedaagdes standpunt mede is verdedigd door Mr. A.
Lenting, advocaat te Utrecht

II. MOTIVERING

Gedaagde is met ingang van 13 september 1972 in het genot gesteld van
een uitkering ingevolge de WAO, vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en berekend naar het zogeheten
minimumdagloon (ƒ 48,27)

Als uitvloeisel van de Wet van 29 december 1982, Stb. 737, betreffende
onder meer de afschaffing van het minimunmdagloon in de WAO, is dit dagloon
bij de bestreden beslissing ingaande 1 januari 1984, 1 juli 1984 en 1 januari
1985 verlaagd tot respectievelijk ƒ 113,41, ƒ 106,02 en ƒ 84,73. Tegen
deze verlagingen richt zich gedaagdes bezwaar

Voor de beoordeling van dit bezwaar is van belang dat gedaagde op 1
januari 1984 in beginsel viel onder de werkingssfeer van artikel 10, derde en
vierde lid (oud), van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW),
welke bepalingen in geval van aanwezigheid van inkomensafhankelijke
gezinsleven voorzagen in toeslagen op de uitkering tot, ten hoogste, het
minimumloon. Gedaagde voldeed niet aan de voorwaarden voor het toeslagen en
kon mitsdien aan artikel V van evengenoemde wet van 29 december 1982, als
nader gewijzigd, geen rechten ontlenen tot voortzetting van uitkering naar
vorenbedoeld minimumdagloon

Zoals onder I is vermeld zijn ter zake van het geschil door de eerste
rechter vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen. Die vragen luiden als volgt:

“1. Is een stelsel van uitkeringsrechten bij arbeidsongeschiktheid
waarbij de hoogte van de uitkering mede wordt bepaald door de burgerlijke
staat en de inkomsten uit of in verband met arbeid van de echtgenoot, dan wel
door de aanwezigheid van een ten laste komend kind, in overeenstemming met
artikel 4, eerste lid, van de richtlijn nr. 79/7/EEG d.d 19 december 1978 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen?

2a. Is met de onder vraag 1 vermelde richtlijnbepaling verenigbaar de
wet van 29 december 1982, Stb. 737, waarbij de voor alle WAO-verzekerden
geldende garantie dat de (netto-)uitkering tenminste gelijk is aan het
(netto-)wettelijke minimumloon is vervallen, als gevolg waarvan deze garantie
nog slechts geldt voor degene die voldoet aan de voorwaarden van artikel 10,
vierde lid, van de AAW?

2b. Dient bij de beantwoording van voorgaande vraag, gelet op de in
artikel 8 van de richtlijn genoemde termijn, alsmede op het bepaalde in
artikel 5 van die richtlijn en artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van
de Europese Economische Gemeenschap, nog betekenis te worden gehecht aan de
omstandigheid, dat bedoelde wet dateert van 29 december 1982 en op 1 januari
1983 ten dele in werking is getreden, terwijl voorzien is in een gefaseerde
inwerkingtreding van de feitelijke gevolgen van de regeling, met ingang van
tijdstippen gelegen zowel voor als na de afloop van de termijn van artikel 8
van de richtlijn?

3. Is voor de beantwoording van voorgaande vragen mede van belang het
bepaalde in de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen d.d. 9
februari 1976 (nr. 76/207/EEG)?

4. Indien vraag 1 en/of 2a ontkennend worden beantwoord, houdt dat in
dat de – alsdan geschonden – communautaire norm rechtstreeks door
belanghebbenden tegenover nationale instanties kan worden ingeroepen?”

Het Hof van Justitie heeft in zijn onder I vermelde arrest ter zake van
deze vragen als volgt overwogen en antwoord gegeven:

“10 Met zijn eerste vraag wenst de Raad van Beroep te vernemen, of een
stelsel van uitkeringsrechten bij arbeidsongeschiktheid, waarbij de hoogte
van de uitkering mede wordt bepaald door de burgerlijke staat en de inkomsten
uit of in verband met arbeid van de echtgenoot, dan wel door de aanwezigheid
van een ten laste komend kind, discriminerend is in de zin van artikel 4, lid
1, van de richtlijn

11 Gelijk het Hof verklaarde in zijn arrest van 24 juni 1986 (zaak
150/85, Drake, nog niet gepubliceerd), wordt de in artikel 1 van richtlijn
nr. 79/7 omschreven doelstelling uitgewerkt in artikel 4, lid 1

Dit laatste artikel verbiedt op het gebied van de sociale zekerheid
iedere discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect
door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, in het
bijzonder met betrekking tot de berekening van de prestaties, waaronder
begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten
laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het
recht op de prestaties

12 Uit de tekst van artikel 4, lid 1, blijkt dus dat toekenning van
dergelijke verhogingen verboden is wanneer deze direct of indirect verband
houden met het geslacht van de uitkeringsgerechtigde

13 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat een stelsel van uitkeringen
waarin, zoals in casu, verhogingen zijn voorzien die niet direct verband
houden met het geslacht van de uitkeringsgerechtigde, doch die rekening
houden met zijn echtelijke staat of gezinssituatie en waarbij blijkt dat een
aanzienlijk lager percentage vrouwen dan mannen voor toekenning van deze
verhogingen in aanmerking komt, in strijd zou zijn met artikel 4, lid 1, van
de richtlijn, indien het geen rechtvaardiging vindt in redenen die
discriminatie op grond van geslacht uitsluiten

14 Uit het dossier en met name uit het door de Nederlandse regering aan
de Commissie verstrekte cijfermateriaal blijkt, dat een aanzienlijk groter
aantal getrouwde mannen dan getrouwde vrouwen een verhoging wegens
gezinslasten ontvangt. Volgens verzoekster en de Commissie is dit een gevolg
van het feit, dat er in Nederland thans veel meer getrouwde mannen dan
getrouwde vrouwen beroepswerkzaamheden verrichten en dat er derhalve veel
minder vrouwen zijn die een echtgenoot ten laste hebben

15 Onder deze omstandigheden zou een verhoging wegens gezinslasten in
strijd zijn met artikel 4, lid 1, van de richtlijn, indien de toekenning
daarvan geen rechtvaardiging vindt in redenen die iedere discriminatie op
grond van geslacht uitsluiten

16 Daartoe moet worden onderzocht, wat het doel van die verhogingen is

Volgens de Nederlandse regering is in de AAW de uitkering niet gekoppeld
aan het voordien door de uitkeringsgerechtigde ontvangen loon, maar wordt een
bestaansminimum gegarandeerd in gevallen waarin ieder inkomen uit arbeid
ontbreekt. Opmerking verdient, dat een dergelijke garantie van de Lid-Staten
aan uitkeringsgerechtigden die anders tot behoeftigheid zouden vervallen, een
integrerend onderdeel uitmaakt van het sociale beleid van de Lid-Staten

17 Waar verhogingen van een minimumuitkering van sociale zekerheid
moeten voorkomen dat in gevallen waarin ieder inkomen uit arbeid ontbreekt,
die uitkering daalt tot beneden het bestaansminimum voor
uitkeringsgerechtigden die, doordat zij een echtgenoot of kinderen ten laste
hebben, zwaardere lasten hebben te dragen dan alleenstaanden, kunnen
dergelijke verhogingen derhalve in het licht van de richtlijn gerechtvaardigd
zijn

18 Indien de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om de
feiten te beoordelen en de nationale wetgeving uit te leggen, vaststelt dat
verhogingen als de hierbedoelde overeenkomen met de zwaardere lasten die
uitkeringsgerechtigden met een echtgenoot of kinderen ten laste in
vergelijking met alleenstaanden hebben te dragen, en dat zij geschikt en ook
noodzakelijk zijn om de uitkeringsgerechtigden een voor hen toereikend
bestaansminimum te garanderen, dan is de omstandigheid dat die verhogingen aan
een veel groter aantal gehuwde mannen dan gehuwde vrouwen toekomen, niet
voldoende om te concluderen dat de toekenning ervan in strijd is met de
richtlijn

19 Mitsdien moet op de eerste vraag van de Raad van Beroep worden
geantwoord, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn nr. 79/7/EEG van de Raad van
19 december 1978 aldus moet worden uitgelegd, dat een stelsel van
uitkeringsrechten bij arbeidsongeschiktheid, waarbij de hoogte van de
uitkering mede wordt bepaald door de burgerlijke staat en de inkomsten uit of
in verband met arbeid van de echtgenoot, met deze bepaling in overeenstemming
is, wanneer dit stelsel ten doel heeft door middel van een verhoging van de
sociale-zekerheidsuitkering een toereikend bestaansminimum te garanderen aan
uitkeringsgerechtigden met een echtgenoot of hun kinderen ten laste, door
compensatie te bieden voor zwaardere lasten in vergelijking met die van
alleenstaanden

vraag 2a

20 Met vraag 2a wenst de nationale rechter te vernemen, of met artikel
4, lid 1, van de richtlijn verenigbaar is een wet, zoals de Nederlandse wet
van 29 december 1982, die de voordien voor alle arbeidsongeschikte werknemers
met een inkomen van om en nabij het wettelijke minimumloon geldende garantie,
dat de (netto-)uitkering ten minste gelijk is aan het (netto-)wettelijk
minimumloon, beperkt tot degenen die een echtgenoot of een kind ten laste
hebben of wier echtgenoot slechts een zeer laag inkomen heeft

21 Uit het verwijzingsbevel blijkt, dat de situatie van gehuwden die
recht hebben op de minimumuitkering ingevolge de WAO en niet kunnen aantonen
daadwerkelijk een echtgenoot ten laste te hebben, na de inwerkingtreding van
de wet van 29 december 1982 is verslechterd doordat hun uitkering na 1
januari 1984 wordt verlaagd tot 70% van het wettelijk minimumloon. Voorts
blijkt daaruit, dat van de WAO-uitkeringsgerechtigden een veel groter aantal
(gehuwde) mannen dan (gehuwde)vrouwen in aanmerking komt voor toepassing van
artikel 10, lid 4, AAW

22 De Nederlandse regering heeft erop gewezen, dat de wet van 29
december 1982 de uitdrukking is van een beleid om, in het raam van de
beschikbare middelen, aan alle arbeidsongeschikte werknemers een
bestaansminimum te verzekeren. In dit verband moet worden erkend, dat het
gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat, om zijn
sociale uitgaven te beheersen, rekening houdt met de relatief grotere
behoeften van uitkeringsgerechtigden met een echtgenoot of kind ten laste of
wier echtgenoot een zeer laag inkomen heeft, in vergelijking met die van
alleenstaanden

23 Mitsdien moet op vraag 2a worden geantwoord, dat artikel 4, lid 1,
van richtlijn nr. 79/7/EEG aldus moet worden uitgelegd, dat met deze bepaling
verenigbaar is een wet die de voordien voor alle arbeidsongeschikte
werknemers met een inkomen van om of nabij het wettelijke minimumloon geldende
garantie, dat de (netto-) uitkering ten minste gelijk is aan het (netto-)
wettelijk minimumloon, beperkt tot degenen die een echtgenoot of kind ten
laste hebben of wier echtgenoot een zeer laag inkomen heeft

De vragen 2b, 3 en 4

24 Gezien het antwoord op de vragen 1 en 2a, behoeven de vragen 2b, 3 en
4 niet te worden beantwoord

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de Raad van Beroep te Amsterdam bij bevel
van 4 februari 1985 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1. Artikel 4. lid 1, van richtlijn nr. 79/7/EEG van de Raad van 19
december 1978 moet aldus worden uitgelegd, dat een stelsel van
uitkeringsrechten bij arbeidsongeschiktheid, waarbij de hoogte van de
uitkering mede wordt bepaald door de burgerlijke staat en de inkomsten uit of
in verband met arbeid van de echtgenoot, met deze bepaling in overeenstemming
is, wanneer dit stelsel ten doel heeft door middel van een verhoging van de
sociale-zekerheidsuitkering een toereikend bestaansminimum te garanderen aan
uitkeringsgerechtigden met een echtgenoot of kinderen ten laste, door
compensatie te bieden voor hun zwaardere lasten in vergelijking met die van
alleenstaanden

2. Artikel 4, lid 1, van richtlijn nr. 79/7/EEG moet aldus worden
uitgelegd, dat met deze bepaling verenigbaar is een wet die de voordien voor
alle arbeidsongeschikte werknemers met een inkomen van om en nabij het
wettelijk minimumloon geldende garantie, dat de (netto-)uitkering ten minste
gelijk is aan het (netto-)wettelijk minimumloon, beperkt tot degenen die een
echtgenoot of kind ten laste hebben of wier echtgenoot een zeer laag inkomen
heeft”

De Raad ziet zich thans gesteld voor de beantwoording van de vraag of,
gelet op deze prejudiciele beslissing van het Hof van Justitie, gezegd moet
worden dat het toeslagensysteem als neergelegd in artikel 10, derde en vierde
lid, van de AAW, als destijds van kracht, verenigbaar was met EEG-richtlijn
nr. 79/7. Daarbij gaat het er met name om of deze bepalingen berustten op
objectieve rechtvaardigingsgronden, als in het arrest omschreven, die
discriminatie op grond van geslacht uitsluiten

Niet aan twijfel onderhevig is dat het toeslagensysteem tot doel had om,
binnen het werkingsgebied van de AAW als volksverzekering tegen
arbeidsongeschiktheid voor deelnemers aan het bedrijfs- en beroepsleven, aan
uitkeringsgerechtigden zonder andere inkomsten uit of in verband met arbeid
de garantie te bieden van een uitkering op het niveau van het bestaansminimum
indien zij als gevolg van de aanwezigheid van gezinsleden die van hen
afhankelijk waren, voor zwaardere lasten zouden komen te staan dan
alleenstaanden. Aan de betekenis van deze doelstelling voor de beantwoording
van de in geding zijnde vraag doet niet af de omstandigheid dat binnen het
Nederlandse stelsel een andere wet, te weten de Algemene Bijstandswet, aan
een meer omvattende groep belanghebbenden en na een meer nauwkeurige toetsing
van de behoeftigheid eveneens een uitkering op minimumniveau waarborgde en
waarborgt

Ten aanzien van de wijze waarop, mede via het Inkomensbesluit AAW, aan
deze doelstelling in de AAW nader was vormgegeven, valt het op dat weliswaar
in het algemeen, conform de doelstelling, inkomsten uit of in verband met
arbeid van een meer dan verwaarloosbare omvang van de uitkeringsgerechtigde
zelf of van de van hem afhankelijke gezinsleden aan de toekenning van de
toeslagen in de weg stonden, maar dat aan die toekenning niet in de weg
stonden een WAO-uitkering of een pensioenuitkering ter zake van invaliditeit
van de uitkeringsgerechtigde zelf en evenmin bovenwettelijke uitkeringen
ingevolge de Ziektewet na de maximale uitkeringsduur en uitkeringen ingevolge
particuliere ziekte- en ongevallenverzekeringen van de uitkeringsgerechtigde
zelf of zijn gezinsleden. Deze zogeheten vrijstellingen hebben de eerste
rechter gebracht tot het oordeel dat het toeslagensysteem niet geheel
noodzakelijk was om aan uitkeringsgerechtigden met gezinslasten een
bestaansminimum te garanderen en dat het systeem derhalve, gelet op het
arrest van het Hof van Justitie, met EEG-richtlijn nr. 79/7 in strijd was

De Raad overweegt dienaangaande dat de AAW niet alleen tot doel heeft
het, in geval van arbeidsongeschiktheid, verschaffen van een verzekerde
basisuitkering op minimumniveau, maar tevens fungeert als bodemverzekering
binnen het geheel van verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid. De zojuist
vermelde vrijstellingen, die alle betrekking hebben op uitkeringen ingevolge
dergelijke verzekeringen, zijn in verband te brengen met het bij de wetgever
kennelijk bestaan hebbende oogmerk het niveau van de bodemuitkering niet ten
nadele van die overige verzekeringen of van dit geheel van verzekeringen aan
te tasten door aan de uitkeringen uit hoofde van die verzekeringen een
grondslagverlagende werking te geven. De Raad oordeelt dat dit op zichzelf
geoorloofde nevenoogmerk en de daaruit voortspruitende gevolgen aan de
hoofddoelstelling van het toeslagensysteem, ook al zou daaraan zeker op een
zuiverder wijze kunnen zijn vormgegeven, niet zodanig afdoen dat de in geding
zijnde vraag niet bevestigend zou kunnen worden beantwoord

De Raad wijst er daarbij op dat de vermelde vrijstellingen, die alleen
aan de orde komen waar een verzekering bestaat als in die vrijstellingen
bedoeld, geen specifiek voor de categorie van de toeslaggerechtigden geldend
voordeel opleveren en daarom ook niet systematisch voor die categorie tot
overcompensatie van de lasten leiden. Met name acht de Raad echter van belang
dat geconstateerd kan worden dat bij de bestaande regels, die betreffende de
vrijstellingen inbegrepen, de hoofddoelstelling van het toeslagensysteem te
weten de garantie van een minimumuitkering bij gezinslasten en ontbrekend
ander inkomen uit of in verband met arbeid, in de gevallen waarin dit inkomen
inderdaad ontbreekt, ook wordt bereikt

Het vorenstaande brengt met zich mee dat de bestreden beslissing, voor
zover betreffende de verlaging van het dagloon na 23 december 1984, zijnde de
datum waarop de Lid-Staten van de EEG de nationale wetgeving aan de richtlijn
hadden moeten aanpassen, in stand kan blijven, behoudens de hierna nog te
bespreken correctie van het bedrag. De Raad merkt in dit verband nog op dat
hij, anders dan de eerste rechter, voor de beoordeling van de bestreden
beslissing alleen het toeslagensysteem van de AAW en niet tevens de in
artikel 10, vijfde lid (oud), van de AAW vervatte zogeheten individuele
grondslag van betekenis acht, zodat de vraag naar de verenigbaarheid van die
grondslag met het EEG-recht in dit geding buiten bespreking blijft

Ten aanzien van de verlagingen van het dagloon daterend van voor 23
december 1984 is van de zijde van gedaagde het verweer gevoerd dat hier
wegens indirecte discriminatie sprake zou zijn van een ontoelaatbare
verslechtering van aanspraken gedurende de aanpassingstermijn van
EEG-richtlijn nr. 79/7, alsmede van strijd met artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Nu echter
het eerder overwogene met zich meebrengt dat bij de dagloonverlagingen van
indirecte discriminatie op grond van geslacht niet kan worden gesproken,
ontbreekt aan dit verweer reeds om die reden de grond

Het vorenstaande voert de Raad tot de slotsom dat de bestreden
beslissing voor bevestiging in aanmerking zou komen, ware het niet dat, zoals
van de zijde van eiser in het zich onder de gedingstukken bevindende
schrijven van 24 april 1985 is uiteengezet, ingevolge latere wetgeving het
dagloon van gedaagde op 1 juli 1984 en 1 januari 1985 dient te worden gesteld
op respectievelijk 111,5% en 115% van het minimumloon als omschreven in
artikel III, vierde lid, van genoemde wet van 29 december 1982

Beslist wordt daarom als volgt

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep, recht doende in naam der Koningin,
Vernietigt de aangevallen uitspraak; Vernietigt de bestreden slechts voor
zover daarbij het dagloon van gedaagde op 1 juli 1984 en op 1 januari 1985 op
een lager bedrag is vastgesteld dan op respectievelijk 111,5% en 115% van het
minimumloon als omschreven in artikel III, vierde lid, van de Wet van 29
december 1982, Stb. 737, als nader gewijzigd; Verklaart het inleidende beroep
slechts in zoverre gegrond en voor het overige alsnog ongegrond; Verstaat,
dat eiser ter zake van het dagloon per 1 juli 1984 en 1 januari 1985 een
nieuwe beslissing zal dienen te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad
onder II heeft overwogen

Rechters

Mr. J.H. van der Veen als voorzitter en mr. N.J. Grendel en mr. N.J.Haverkamp als leden en mr. H.P. Kallenbach als griffier

Instantie: Raad van Beroep Roermond, 18 april 1990

Instantie

Raad van Beroep Roermond

Samenvatting


Klaagster, werkzaam als uitzendkracht, vroeg op 22 september 1988 een
zwangerschaps/bevallingsuitkering aan. Aangezien zij per 22 september 1988 als
uitzendkracht niet meer werkzaam was, wordt deze datum als eerste
werkloosheidsdag aangemerkt. Ingevolge art.19 lid 1 aanhef en sub a WW worden
de eerste drie maanden gedurende welke een ZW-uitkering is toegekend, in
mindering gebracht op de duur van de WW-uitkering. De Raad is van mening dat
het nationale recht correct is toegepast en dat er qua internationaal recht,
met name art. 4 lid 2 van de Derde EG- Richtlijn, geen strijd is met het gebod
van gelijke behandeling.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Klaagster heeft op 17 januari 1989 verweerder verzocht haar in
aanmerking te brengen voor uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Terzake van deze aanvraag heeft verweerder bij brief d.d. 23 mei 1989
klaagster in kennis gesteld van een door hem genomen beslissing, waarvan een
fotokopie aan deze uitspraak is gehecht en waarvan de inhoud geacht moet
worden hier te zijn weergegeven.

Tegen deze beslissing is beroep ingesteld en op daartoe aangevoerde
gronden is gevorderd de bestreden beslissing te vernietigen. Verweerder heeft
op 21 december 1989 een contra-memorie ingediend. De door verweerder terzake
van dit beroep ingezonden stukken zijn op 5 februari 1990 in afschrift aan
klaagsters gemachtigde toegezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de raad op 28
maart 1990. Ter terechtzitting is klaagster in persoon verschenen bijgestaan
door Mr. N.A.M. Friedrichs als haar raadsman. Verweerder is verschenen bij
gemachtigde J. Huys.

II. Motivering

Partijen verschillen in dit geding van mening over de vraag of bij het
vaststellen van de voor klaagster geldende uitkeringsduur ingevolge de WW
terecht de periode van 22 september 1988 tot 22 december 1988 (mede) in
aanmerking is genomen.

Namens klaagster is betoogd dat het zojuist genoemde tijdvak voor de
berekening van de uitkeringsduur buiten beschouwing had moeten blijven in
verband met schending van art. 4 lid 2, althans art. 4 lid 1 van de Richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen nr. 79/7 (de Derde Richtlijn)
alsmede art. 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke
Rechten (IVBPR).

De Raad acht het aangewezen niet op de grieven van klaagster in te gaan
alvorens te hebben bezien hoe de toepasselijke regels naar louter nationaal
recht moeten worden toegepast.

In de eerste plaats heeft de Raad zich beraden over de vraag welke de
door verweerder als uitgangspunt te nemen eerste werkloosheidsdag was, nu van
die dag het ontstaan van een recht op uitkering ingevolge de WW afhankelijk
is.

Art. 16 lid 5 van de wet bepaalt dat de eerste dag van werkloosheid is
de eerst dag, waarop een verlies van een of meer uren, alsmede een verlies van
het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren intreedt in
de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in het eerste
lid van dat wetsartikel, terzake waarvan de werknemer een aanvraag om
uitkering indient.

Hoewel niets erop wijst dat klaagster gepoogd heeft om eerder dan per 17
januari 1989 in het genot van uitkering ingevolge de WW te komen, moet de Raad
toch vaststellen dat niet die dag, doch 22 september 1988 als eerste
werkloosheidsdag ten aanzien van klaagsters aanvraag moet worden beschouwd. Op
17 januari 1989 deed zich immers wel het feit voor dat er een
uitkeringsbelemmerende omstandigheid – namelijk het niet beschikbaar zijn voor
arbeid – verviel doch niet een nieuw arbeidsurenverlies. Slechts 22 september
1988 kan derhalve als eerste werkloosheidsdag worden aangemerkt.

De Raad heeft zich verder over de vraag gebogen of het recht op
uitkering van klaagster over de periode 22 september 1988 tot 22 december 1988
onafgebroken is blijven bestaan. De feiten, zoals die in casu moeten worden
vastgesteld, geven alle aanleiding die vraag op te werpen. Uit de voorhanden
gegevens blijkt immers zonneklaar dat klaagster in dat tijdvak in verband met
haar zwangerschap en bevalling niet bereid en deels ook niet in staat was om
arbeid te aanvaarden, zodat er geen sprake was van beschikbaarheid voor het
aanvaarden van arbeid.

Normaal gesproken brengt zulks beeindiging van het recht op uitkering
met zich mee. Ingevolge art. 20 lid 1 aanhef en sub b in verbinding met art.
20 lid 2 aanhef en sub b eindigt het recht op uitkering namelijk zodra de
werknemer niet meer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat niettemin over meergenoemde
periode het recht op uitkering is blijven bestaan.

Zulks zou voortvloeien uit de artikelen 19 lid 1 aanhef en sub a alsmede
34 van de WW bezien in onderlinge samenhang. Daaruit blijkt namelijk dat
gedurende de eerste drie maanden, waarover zowel recht op
werkloosheidsuitkering als aaneengesloten uitkering op grond van de Ziektewet
wordt ontvangen, de uitkering ingevolge de WW slechts wordt behaald voor zover
deze hoger is dan de uitkering krachtens de Ziektewet, terwijl op de eerste
dag na die periode van drie maanden het recht op uitkering ingevolge de WW
eindigt. Ofschoon de tekst van deze bepalingen de interpretatie toelaat dat
gedurende die drie maanden feitelijke niet beschikbaarheid het recht op
uitkering ingevolge de WW zou doen eindigen, verenigt de Raad zich met
verweerders visie. Met name is daarbij doorslaggevend dat uit de
wetsgeschiedenis duidelijk naar voren komt dat de wetgever beoogd heeft
gedurende de eerste drie maanden, waarin een werknemer vanaf of na het
intreden van werkloosheid ononderbroken uitkering krachtens de Ziektewet
ontvangt, het vereiste van feitelijke beschikbaarheid voor het aanvaarden van
arbeid te doen vervallen. De wetgever heeft in dat verband kennelijk geen
onderscheid willen maken tussen de gronden waarop de uitkering krachtens de
Ziektewet berust en met name geen uitzondering wensen te maken voor
zwangerschaps- en bevallingsuitkering.

De Raad is op basis van het vorenoverwogene tot de zienswijze geraakt
dat verweerder ten aanzien van dit punt van geschil de relevante wettelijke
bepalingen bezien naar louter nationaal recht correct heeft toegepast.

De Raad moet nu derhalve aandacht schenken aan de stellingen van
klaagsters gemachtigde ten aanzien van schending van de door hem genoemde
bepalingen van supra- en internationaal recht.

Allereerst heeft die gemachtigde betoogd dat art. 4 lid 2 van de Derde
Richtlijn in de weg zou staan aan het in aanmerking nemen van de periode van
zwangerschaps- en bevallingsverlof voor het recht op uitkering ingevolge de
WW. Die bepaling luidt:

`Het beginsel van gelijke behandeling doet geen afbreuk aan de
bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw wegens moederschap.’ De
Raad is van opvatting dat dit onderdeel van de Derde Richtlijn waarborgt dat
wettelijke regels, die de genoemde bescherming bieden en die volgens de letter
van art. 4 lid 1 van de Richtlijn, waarin het verbod van discriminatie naar
geslacht is vervat, niet toegelaten zijn, desondanks geoorloofd zijn. De Raad
vermag in deze uitzonderingsregel, anders dan klaagsters gemachtigde, geen
gebod zien van positieve discriminatie. Zeker brengt vorengeciteerde
richtlijnbepaling niet met zich mee dat in een uitkeringsregeling als de WW
geen bepaling mag voorkomen waarin samenloop van uitkering ingevolge die
regeling enerzijds en uitkering in verband met moederschap anderzijds wordt
voorkomen of beperkt.

Klaagsters gemachtigde heeft verder bepleit dat toepassing van de
gewraakte regels van de WW in strijd zijn met art. 4 lid 1 van de Derde
Richtlijn en art. 26 van het IVBPR. Deze – als rechtstreeks werkend te
beschouwen – bepalingen verbieden (onder meer) ongelijke behandeling naar
geslacht ten aanzien van de hier aan de orde zijnde wetgeving. De Raad moet
hieromtrent in de eerste plaats vaststellen dat er geen rechtstreeks uit de
wettekst blijkend onderscheid naar geslacht is gelegen in de toepasselijke
bepalingen van de WW. Evenmin heeft de Raad voldoende houvast om te
concluderen dat er zich een indirecte ongelijke behandeling tussen mannen en
vrouwen voordoet nu vooralsnog in het geheel niet duidelijk is of vrouwen dan
wel mannen in grotere aantallen of in ernstiger mate door die bepalingen
benadeeld worden.

De Raad tekent daarbij aan dat, indien geoordeeld zou worden dat in
geval van het ontvangen van zwangerschaps- en bevallingsuitkering bij het
ontbreken van feitelijke beschikbaarheid voor arbeid gedurende de in art. 19
lid 1 aanhef en sub a genoemde periode het recht op uitkering ingevolge de WW
wel zou doen eindigen, een ongelijke behandeling zou ontstaan ten opzichte van
de ontvangers van ziekengeld die uit anderen hoofde in die periode eveneens
feitelijk niet beschikbaar zijn.

Dit duidt erop dat – als er al op statistische gronden een vermoeden van
discriminatie naar geslacht zou moeten worden aangenomen – daarvoor een
objectieve reden bestaat, die met discriminatie tussen mannen en vrouwen
niet van doen heeft.

Verder merkt de Raad nog op dat hij omtrent de hierboven verwoorde visie
ten aanzien van art. 4 lid 1 en lid 2 van de Derde Richtlijn geen zodanige
twijfel koestert dat hij de door klaagsters gemachtigde voorgestane
prejudiciele vragen aan het Hof van Justitie van De Europese Gemeenschappen
meent te moeten stellen.

Tenslotte ziet de Raad geen aanleiding om aan art. 26 van het IVBPR
verdergaande gevolgen te verbinden dan aan de Derde Richtlijn.

Een en ander heeft tot de slotsom geleid dat klaagsters beroep voor
ongegrond moet worden gehouden.

Mitsdien is beslist als volgt.

III. Beslissing.

De raad van beroep te Roermond,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Noot

Klaagster stelt zich vanaf 22 september 1988 tijdelijk niet meer beschikbaar als
uitzendkracht in verband met haar zwangerschapsverlof. Uiteraard stelt zij zich
ook niet beschikbaar voor ander werk en vraagt geen WW-uitkering aan. Pas op 17
januari 1989 stelt zij zich weer beschikbaar voor werk door zich als
werkzoekende in te schrijven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau en vraagt zij per
17 januari 1989 een WW-uitkering aan.

Aan haar wordt per 22 september 1988 een WW-uitkering toegekend, maar gedurende
de eerste drie maanden wordt op de WW-uitkering het ziekengeld in mindering
gebracht. Pas per 22 december 1988 wordt het recht op WW-uitkering opgeschort in
verband met het recht op ziekengeld. Per 17 januari 1989, het moment dat de
ziektewet-uitkering wordt beëindigd, herleeft het recht op WW-uitkering. Maar
dan zijn al drie maanden WW-uitkering verloren gegaan.

Voor de stelselherziening van 1 januari 1987 werd de WW-periode opgeschort met
de periode gedurende welke men recht had op ziekengeld. Sinds de
stelselherziening is in de nieuwe Werkloosheidswet een bepaling opgenomen, die
volgens de toenmalige Staatssecretaris misbruik van de Ziektewet gedurende de
WW-periode dient te voorkomen. Het vermeende misbruik van de Ziektewet is,
ondanks vragen hierover vanuit de Tweede Kamer, nooit met cijfers aangetoond,
zodat mag worden aangenomen dat het hier om een pure bezuinigingsmaatregel gaat.

Ingevolge art. 19 lid 1 aanhef en sub a alsmede art. 34 van de nieuwe
Werkloosheidswet wordt gedurende de eerste drie maanden van de ziekte de
uitkering ingevolge de nWW slechts betaald voor zover deze hoger is dan de
uitkering ingevolge de Ziektewet. Concreet betekent dit dat gedurende drie
maanden het recht op een WW-uitkering doorloopt doch niet (of niet geheel) wordt
uit- betaald en de WW-periode gedurende deze drie maanden ziekte verstrijkt.

In deze casus gaat het om een zwangere vrouw die recht heeft op drie maanden
zwangerschap- en bevallingsverlof. Van misbruik is uiteraard geen sprake.
Conform art. 16 lid 5 nWW wordt door de Raad 22 september 1988, zijnde de eerste
dag van het zwangerschapsverlof, als de eerste werkloosheidsdag aangemerkt.

Evenals de bedrijfsvereniging gaat de Raad er kennelijk vanuit, dat
uitzendkrachten werkloos zijn of worden op het moment waarop de werkzaamheden
wegens ziekte worden beeindigd. Aangezien een uitzendovereenkomst geen
arbeidsovereenkomst is, aldus het standpunt van de bedrijfsvereniging in de
bestreden beslissing, gaan op de eerste ziektedag niet alleen arbeidsuren
verloren, doch ook het recht op onverminderde doorbetaling van loon. Het is
echter de vraag of op de eerste ziektedag de arbeidsuren verloren gaan. In zijn
uitspraak van 28 december 1989, RSV 1990, 228, stelt de Raad van Beroep Arnhem
zich op het standpunt, dat niet de verplichting van de werkgever tot het
beschikbaar blijven stellen van werk, maar het enkele feit dat de werkgever
bereid is de werknemer werk beschikbaar te blijven stellen, met zich brengt dat
die werknemer zijn arbeidsuren niet heeft verloren. Naar de mening van de Raad
te Arnhem gaat het te ver om aan te nemen dat de bereidheid om werk beschikbaar
te stellen in alle gevallen vanaf de eerste dag waarop de uitzendkracht zich
ziek meldt niet meer aanwezig kan worden geacht.

Vervolgens buigt de Raad van Beroep te Roermond zich over de vraag of het recht
op uitkering over de periode van 22 september 1988 tot 22 december 1988
onafgebroken is blijven bestaan, aangezien het volgens de Raad zonneklaar is dat
deze vrouw in verband met haar zwangerschap en bevalling niet bereid en deels
ook niet in staat is arbeid te aanvaarden, zodat er geen sprake is van
beschikbaarheid voor het aanvaarden van arbeid. Normaal gesproken brengt dit
naar de mening van de Raad beëindiging van het recht op uitkering met zich,
omdat ingevolge art. 20 lid 1 aanhef en sub b in verbinding met art. 20 lid 2
aanhef en sub b het recht op uitkering eindigt zodra de werknemer niet meer
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Toch acht de Raad met een beroep op de wetsgeschiedenis van de NWW terecht dat
over de genoemde periode het recht op uitkering is blijven bestaan. Naar de
mening van de Raad heeft de wetgever beoogd, gedurende de eerste drie maanden
waarin een werknemer een uitkering krachtens de ziektewet ontvangt, het vereiste
van feitelijke beschikbaarheid voor het aanvaarden van arbeid te doen vervallen.

Naar mijn mening heeft de wetgever het vereiste van feitelijke beschikbaarheid
echter alleen laten vervallen als het gaat om werknemers die al werkloos zijn en
aan wie een werkloosheidsuitkering is toegekend, maar niet als het gaat om
werknemers bij wie de eerste werkloosheidsdag en de eerste ziektedag
samenvallen.

Door het vereiste van feitelijke beschikbaarheid ook in die situatie te laten
vervallen wordt de werking van de nWW wel erg ver opgerekt. Volgens art. 16 lid
1 is de werknemer, die een bepaald aantal arbeidsuren per week heeft verloren en
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, werkloos. Degene, die (objectief) niet
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, is niet werkloos volgens bovengenoemd
art. 16 lid 1 en heeft volgens art. 20 geen recht op een WW-uitkering. Van
objectieve beschikbaarheid is onder meer sprake wanneer men zich inschrijft als
werkzoekende bij het Gewestelijk Arbeidsbureau, dit in tegenstelling tot de
subjectieve beschikbaarheid die ter sprake komt als men niet voldoende
solliciteert of weigert passend werk te aanvaarden.

Aangezien deze vrouw niet stond ingeschreven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau
en op geen enkele andere wijze beschikbaar was, betekent het laten vervallen van
het vereiste van feitelijke beschikbaarheid (kennelijk bedoelt de Raad de
objectieve beschikbaarheid) dat van fictieve objectieve beschikbaarheid wordt
uitgegaan, anders wordt niet voldaan aan art. 16 lid 1 en is men niet werkloos.

In een geval, waarin de vrouw wegens een operatie aan de baarmoeder en eileiders
zich pas na drie maanden kon inschrijven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau en
beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, oordeelde de Raad van Beroep Amsterdam in
een niet gepubliceerde uitspraak van 26 juli 1989, dat art. 19 lid 1 sub a op
gespannen voet staat met het bepaalde in de artt. 16 lid 1 sub a juncto 20 lid 1
sub b, maar dient toch de bedoeling van de wetgever te worden gevolgd.

Gaat het al erg ver om fictief beschikbaarheid aan te nemen, nog erger wordt het
als men bedenkt dat verondersteld wordt dat een aanvraag voor een uitkering is
ingediend. Het materiele recht op een uitkering ontstaat van rechtswege,
namelijk als men aan de voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet, maar
formeel ontstaat er pas een vorderingsrecht als een aanvraag is ingediend. De
nWW schept de mogelijkheid om een aanvraag pas later in te dienen, maar in casu
stelt de bedrijfsvereniging het moment vast waarop fictief een aanvraag is
ingediend.

De consequentie hiervan is dat in de situatie waarin de eerste ziekte- dan wel
zwangerschapsverlofdag samenvalt met de al dan niet terecht vastgestelde eerste
werkloosheidsdag een WW- uitkering wordt toegekend, terwijl men niet staat
ingeschreven als werkzoekende en geen WW-uitkering aanvraagt, terwijl in alle
andere gevallen de WW-uitkering pas ingaat op het moment dat men zich
beschikbaar wil stellen en een uitkering aanvraagt. Naar mijn mening wordt hier
de wet geweld aangedaan en wordt in tegenstelling tot de mening van de Raad van
Beroep Roermond het nationale recht niet juist toegepast.

De Raad is er in zijn uitspraak vanuit gegaan dat de wetgever geen uitzondering
heeft willen maken voor zwangerschaps- en bevalingsuitkering. Het
gelijkschakelen van een zwangerschaps- c.q. bevallingsuitkering met een ‘gewone’
ziektewetuitkering bij de toepassing van art. 19 lid 1 a WW is naar de stellige
overtuiging van klaagster en haar raadsvrouwe in strijd met het internationale
recht, te weten art. 4 lid 1 en 2 van de Derde EG- Richtlijn en art. 26 van het
Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten.

In art. 4 lid 1 is geregeld dat mannen en vrouwen in de sociale zekerheid gelijk
behandeld moeten worden, terwijl lid 2 bepaalt dat het beginsel van gelijke
behandeling geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van
de vrouw wegens moederschap.

Naar de mening van klaagster had de stelselherziening onder meer tot doel een
eind te maken aan de ongelijke behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen
in de sociale zekerheid. Hoewel de zwangerschaps-c.q. bevallingsuitkering
formeel gehandhaafd is, heeft volgens klaagster de realisering van de gelijke
behandeling materieel tot gevolg dat haar WW-rechten gedurende drie maanden
worden opgesoupeerd, waardoor een einde is gemaakt aan haar bijzondere
bescherming. Hierdoor wordt volgens klaagster in strijd gehandeld met art. 4 lid
2, dat naar haar mening een gebod tot positieve discriminatie inhoudt.

De stelselherziening heeft echter niet alleen de realisering van de gelijke
behandeling in de sociale zekerheid tot doel gehad.

Met name art. 19 lid 1 a is niet met dit doel in de NWW opgenomen. Hoewel het
parlement de zwangerschaps- c.q. bevallingsuitkering buiten bereik van art. 19
lid 1 a wilde laten vallen, stelde de Staatssecretaris dat het zwangerschaps-
c.q. bevallingsverlof in de Ziektewet gelijkgesteld is aan ziekte en derhalve op
dezelfde manier behandeld moet worden. Deze stelling is echter ondeugdelijk. Het
zwangerschaps- en bevallingsverlof is bij de totstandkoming van de Ziektewet
alleen in wetstechnische zin gelijkgesteld aan ziekte. Het feit dat dit
toendertijd alleen bij verplichte verzekering gebeurde en niet bij de
vrijwillige verzekering geeft al aan, dat altijd onderkend is dat het
zwangerschaps- en bevallingsverlof niet gelijk is aan ziekte.

Het is echter de vraag of art. 19 lid 1 a in strijd is met art. 4 lid 2 van de
Derde EG-Richtlijn en of art. 4 lid 2 een gebod tot positieve discriminatie
inhoudt. De Raad interpreteert lid 2 van art. 4 van de Derde EG-Richtlijn
anders, namelijk: het verbod van discriminatie is niet van toepassing op
bepalingen ter bescherming van het moederschap. In deze uitzonderingsbepaling
ziet de Raad geen gebod tot positieve discriminatie. Deze mening is ook terug te
vinden in de literatuur. Verwezen wordt naar ‘Arbeid en Zorg’ van K. Wentholt en
‘Positierecht’ van M. Monster en M.P.Timmers-de Vin, p. 28, waarin onder meer
wordt gesteld dat lid 2 niet de verplichting met zich brengt
(beschermings)bepalingen op te nemen.

Er zijn echter wel andere verdragen die deze verplichting wel met zich
brengen.
In het boek ‘Positierecht’ van Monster c.s., pag. 24, worden onder meer
ILO-Verdrag nr. 103 en art. 8 van het Europees Sociaal Handvest genoemd, waarin
onder andere het recht op 12 weken betaald verlof is opgenomen. Naar de mening
van Monster c.s. kan, gezien de formulering, aard en inhoud van de artikelen,
tot rechtstreekse werking worden geconcludeerd, zodat particulieren een beroep
op deze bepalingen zouden kunnen doen.

De vraag is echter wat ‘bescherming van het moederschap’ moet inhouden. Monster
c.s. stellen op pag. 40 dat de bescherming die het ESH beoogt te bieden
meervoudig is: het gaat zowel om de bescherming van het inkomen als om de
bescherming van de gezondheid van moeder en kind. Art. 19 lid 1 a biedt geen
bescherming van het inkomen van de moeder, aangezien weliswaar betaald
zwangerschaps- c.q. bevallingsverlof kan worden genoten, maar ondertussen drie
maanden WW-uitkering vervallen.

Het staat buiten kijf dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de bijzondere
bescherming wegens moederschap. Een dergelijke bescherming hebben mannen niet
nodig, zij zullen nooit in die situatie verkeren. Op dat gebied zijn mannen en
vrouwen ongelijke gevallen die ongelijk behandeld moeten worden. Door de gelijke
behandeling van deze ongelijke gevallen is er dus wel degelijk een vermoeden van
discriminatie, en wel indirecte discriminatie.

Daardoor zou art. 19 lid 1 a wat betreft de zwangerschaps- en
bevallingsuitkering in strijd zijn met art. 4 lid 1 van de Derde EG-Richtlijn
alsmede in strijd met art. 26 van het BuPo-verdrag.

De Raad merkt hierover op dat vooralsnog in het geheel niet duidelijk is of
vrouwen dan wel mannen in grotere aantallen of in ernstiger mate door die
bepalingen benadeeld worden. Dat lijkt mij echter niet zo moeilijk vast te
stellen, nu alle werkloze zwangere werkneemsters hierdoor benadeeld worden, een
situatie die zich per definitie bij werkloze werknemers niet kan voordoen.

Van objectieve rechtvaardiging kan niet worden gesproken, aangezien de
Staatssecretaris als enig motief voorkomen van misbruik heeft genoemd en
misbruik zich in deze situatie moeilijk kan voordoen, zodat er inderdaad sprake
is van indirecte discriminatie. Nu hierover door de wetgever kennelijk anders
wordt gedacht, lijkt het zinvol dat hierover alsnog prejudiciele vragen worden
gesteld aan het Hof van de EG.

L. Andringa
(Met dank aan mr N. Friedrichs voor het toezenden van de uitspraak)

Rechters

Mrs Th.M. Schelfhout, G.H.F. Faessen en J.J. Koldewijn.

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 16 april 1990

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Klaagster mag haar eigen huidzalf niet invoeren omdat cosmetica niet mag
worden ingevoerd wegens het gevaar van contrabande (drugs). De
beroepscommissie verklaart het beroep gegrond omdat zij de huidzalf niet ziet
als een cosmetisch produkt, zoals de directie en de beklagcommissie, maar als
een middel dat klaagster nodig heeft in het kader van haar gezondheid.

Volledige tekst

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie:

Het beklag, neergelegd in het klaagschrift d.d. 11 december 1989, betreft het
niet mogen invoeren van een deodorantcreme en een huidzalf uit klaagsters
visitatie.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in
de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur:

In beroep is door of namens klaagster volhard in haar tegenover de
beklagcommissie ingenomen standpunt.

Tevens is nog aangevoerd dat zij inmiddels wel, na een aanvankelijke
weigering, de beschikking heeft gekregen over de tube deodorantcreme die zich
in haar visitatie bevond. Dit gold niet voor het potje met gezichtscreme,
waar zij steeds grote behoefte aan heeft. Deze creme, die voorzover klaagster
wist alleen op Curacao verkrijgbaar is, is volgens haar het enige middel dat
afdoende helpt tegen de huidaandoening op haar gezicht. Doordat zij deze
creme gedurende haar detentie niet mocht gebruiken is de aandoening
verergerd. Volgens klaagster wordt de kans steeds groter dat deze
onherstelbaar zal blijken te zijn. Op de door de inrichtingsarts, die
klaagster eenmaal heeft gezien, voorgeschreven middelen heeft zij sterk
allergisch gereageerd; dit geschiedt ook met vele andere middelen die zij in
de loop der jaren heeft geprobeerd.

Op haar aan de arts gerichte verzoek haar beter te helpen, bijvoorbeeld door
verwijzing naar een huidspecialist, is in het geheel niet gereageerd. Gesteld
werd tenslotte dat de directeur ten onrechte heeft aangenomen dat het bezit
van klaagsters creme de goede gang van zaken in gevaar zou brengen en dat hij
aldus onzorgvuldig heeft gehandeld.

De directeur heeft in beroep verwezen naar zijn tegenover de beklagcommissie
ingenomen standpunt.

3. Beoordeling:

De beroepscommissie heeft waargenomen dat klaagster lijdt aan een
huidaandoening aan haar gezicht. De haar vanwege de inrichting geboden
middelen om die aandoening tegen te gaan – dit betreft zowel de door de
inrichtingsarts voorgeschreven middelen als die welke rechtstreeks bij een
bepaalde drogist kunnen worden besteld – blijken niet alleen niet het beoogde
resultaat te hebben maar ook averechts uit te werken. Een daarop volgend
herhaald beroep op de medische dienst heeft evenmin tot de juiste zorg
geleid.

Onder deze omstandigheden kon de directeur, die ingevolge de artikelen 6 en
30, hoofdstuk II van het desbetreffende Huishoudelijk reglement, een eigen
verantwoordelijkheid heeft voor het welzijn van de gedetineerden, het
herhaalde verzoek van klaagster om alsnog te mogen beschikken over de – voor
haar wel geschikte – huidcreme die haar bij haar binnenkomst in deze
inrichting was ontnomen en in haar visitatie was gestopt, niet zonder meer
afwijzen op grond van artikel 29 Gevangenismaatregel. Hij had, gelet op de
bijzondere omstandigheden, de creme in de inrichting kunnen doen testen op
de aanwezigheid van verboden middelen; zulks blijkt in andere penitentiaire
inrichtingen, met eenvoudige middelen, niet ongebruikelijk te zijn. Zonodig
had, in afwachting van het resultaat daarvan, kunnen worden bepaald dat de
creme dagelijks door een verpleegkundige, in wiens bezit het potje zolang zou
kunnen blijven, zou worden aangebracht.

Door het aan klaagster aldus onthouden van wezenlijke zorg is door (of
namens) de directeur jegens haar onzorgvuldig gehandeld.

Het beklag zal derhalve alsnog gegrond worden verklaard.

4. Beslissing:

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beschikking
van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond.

Zij bepaalt dat klaagster gebruik zal kunnen maken van de zich in haar
visitatie bevindende huidcreme op de wijze als hierboven overwogen.

Zij bepaalt dat haar voorzitter in overleg met de directeur zal nagaan of
enige compensatie, als bedoeld in artikel 57 lid 3 van de Beginselenwet
gevangeniswezen, mogelijk is.

Noot

In de hier aangehaalde uitspraak komt de verantwoordelijkheid voor de
medische zorg in penitentiaire inrichtingen aan de orde. (artt. 44 t/m 48a
Gevangenismaatregel)

Met name de afbakening tussen de verantwoordelijkheid voor die zorg van de
directeur op grond van diens beheerstaak (art. 23 Beginselenwet) en die van
de inrichtingsarts speelt een belangrijke rol. In art. 30 (ll) Huishoudelijk
Reglement staat: ‘Zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de eigen
verantwoordelijkheid van de directeur (…) is de geneeskundige verzorging
in handen van de aan de inrichting verbonden arts.’

Uit bovenstaande en andere uitspraken blijkt dat de verantwoordelijkheid van
de directeur ver reikt. (vgl. C. Kelk, De medische zorg voor gedetineerden,
Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, jan. ’89, blz. 2-21.)

De directeur is verantwoordelijk voor:

– het feit dat er medische zorg geboden wordt;

– een goede commnunicatie binnen de medische dienst;

– een heldere taakafbakening binnen de medische dienst;

– een goede aansluiting met externe medische instanties of deskundigen, bij
voorbeeld bij verwijzing;

Hij kan zelfs de arts onverwijld naar de inrichting ontbieden. (art. 32 lid
3 (ll) Huishoudelijk Reglement h.v.b.)

De directeur is dus verantwoordelijk voor de interne organisatie en hij heeft
als intermediair een sterk faciliterende taak naar alle kanten: patient,
arts, externe medische instanties. Zijn zorgvuldig handelen wordt onder
andere afgemeten aan de activiteiten die hij heeft ondernomen om de beoogde
medische zorg van de patient en de beoordeling daarvan door ter zake kundige
medici op elkaar af stemmen. Hij moet daarbij de inhoudelijke interpretatie
van de klacht en de beoordeling of er noodzaak tot medische zorg is overlaten
aan patient en arts. Dat bij de uitvoering van die faciliterende taak
algemene praktische regelingen soms behandeling van bijzondere individuele
problemen moeilijk maken, lijkt voor de hand te liggen, zeker in een
‘onnatuurlijke’ situatie als detentie.

De zaak rond de invoer van cosmetica, c.q. noodzakelijke huidzalf is hiervan
een duidelijk voorbeeld. Het beoogde doel van de klaagster was de invoer van
haar eigen huidzalf omdat dit het enige middel was dat hielp tegen haar
huidaandoening. Op andere middelen reageerde zij sterk allergisch. De
directeur stelde dat cosmetica niet mag worden ingevoerd, wegens het gevaar
van contrabande (drugs). Klaagster betoogde dat het niet om een cosmetisch
produkt ging maar om een zalf die zij nodig had voor haar gezondheid. Dan
moest zij volgens de directeur maar om een recept van de arts vragen. Deze
schreef echter op zijn beurt niet de door haar gewenste zalf voor en hij ging
ook niet in op haar verzoek om verwijzing naar een huidspecialist. De
beroepscommissie kiest nu (in tegenstelling tot de directeur en de
beklagcommissie) duidelijk voor de uitzondering op en relativering van de
invoer-van-cosmetica-regel. Zo gaat de commissie de discussie of er sprake
is van een zuiver cosmetisch of medisch produkt uit de weg. De commissie
stelt dat er sprake is van een “voor haar geschikte creme” en geeft zelfs
praktische tips om de controle op de invoer en het gebruik van de creme
mogelijk te maken, daarmee de directeur op zijn autonome verantwoordelijkheid
voor de (medische) zorg wijzend.

Ook wanneer algemene regels niet vanuit orde en veiligheid zijn gemaakt, maar
juist met als doel optimale hygiene en medische zorg te bieden, kan ik me
voorstellen dat daar in individuele gevallen vanaf geweken moet kunnen
worden. Naar aanleiding van de uitspraak over de medische zorg bij bevalling
en kraamhulp (zie ook RVR 1992, nr. 208, met noot R.W.) heeft de directeur
afspraken met het ziekenhuis gemaakt ten behoeve van toekomstige gevallen.
Hij heeft daarmee dus aan zijn taak voldaan om tot een goede aansluiting met
externe voorzieningen te komen. Toch kunnen volgens mij de patient en de
inrichtingsarts daarvan afwijken indien zij samen een ander medisch beleid
wenselijk achten. (vgl. het w.o. Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst,
met name het ‘informed consent’)

Over de individuele relatie tussen arts en patient en de verantwoordelijkheid
voor het professioneel handelen van de arts laat de beklag- c.q. de
beroepscommissie zich in bovengenoemde zaken niet uit. Dat behoort niet tot
de competentie.

Voor de patient die een klacht omtrent het medisch handelen wil indienen zal
het echter niet altijd duidelijk zijn bij welke instantie dat moet. De
inrichtingsarts heeft verschillende rollen die een eigen hierarchische lijn
en/of vorm van toezicht kennen:

– de inrichtingsarts die zorg draagt voor de hygiene in de inrichting en die
uitvoerder is van centraal beleid bij problemen die de medische zorg raken,
bijvoorbeeld methadonverstrekking aan verslaafden. In deze positie valt de
arts onder de eigen Geneeskundige Inspektie van het Ministerie, hoewel dit
geen bevelsstructuur is;

– de keuringsarts die moet beoordelen of gedetineerden al of niet aan het
werk kunnen;

– de huisarts die een eerste vertrouwenspersoon is met betrekking tot een
zeer breed scala van klachten. Juist in deze rol kan de arts in
loyaliteitsconflicten komen in verband met zijn andere rollen. Bij klachten
van de patient over de rol van de arts (ex lege artis) zal deze zich moeten
wenden tot het Medisch Tuchtcollege, of de Inspectie voor de (geestelijke)
volksgezondheid;

– de arts die toezicht moet houden op het werk van de verpleegkundige(n) bij
de medische dienst, hoewel hierin aan de directeur een sterk controlerende
taak is toebedeeld. (zie Kelk, a.w., blz.10)

De beroepscommissie geeft in de uitspraken geen richting waar het toezicht
op het medisch handelen gezocht moet worden. Wellicht zou het praktischer
voor de patient zijn als voor dit soort situaties een
gedetineerdenvertrouwenspersoon (van buiten de inrichting) zou worden
aangesteld, die vanuit ondersteuning van de patient zou kunnen zoeken naar
oplossingen in de communicatieve sfeer en/of begeleiding bij het formuleren
en indienen van een klacht. Zo’n vertrouwenspersoon (vgl. de intramurale
psychiatrie) werd al eerder bepleit door Soetenhorst, maar dan met betrekking
tot alle klachten van vrouwen, omdat met name vrouwen niet snel gebruik
zouden maken van bestaande juridische procedures. (J. Soetenhorst-de Savornin
Lohman, Vrouwen in onvrijheid (gevangenschap en dwangopname), in: H. van
Maarseveen, D. Pessers en M. Gunning, Internationaal recht en vrouwen, deel
2, Zwolle, 1987, blz. 461).

Kelk (a.w., blz. 11) merkt terecht op dat een groot deel van de medische
klachten en de klachten over de behandeling daarvan rechtstreeks voortvloeien
uit de detentiesituatie zelf. Het verblijf in een totale – gesloten –
institutie leidt nu eenmaal als natuurlijke reactie tot zuiver lichamelijke
en psychosomatische klachten. Denk alleen maar aan het gebrek aan frisse
lucht, het actief en passief roken, het gemis aan privacy en aan gewenste
intimiteit. (zie ook: M. Brouwers en M. Sampiemon, Vrouwen in detentie, WODC,
-’s Gravenhage, 1988, blz. 35-38) Gedetineerde vrouwen hebben bovendien vaak
specifieke klachten die ook kunnen samenhangen met het leven dat zij leidden
voordat ze in de inrichting terecht kwamen. Problemen als incest, (seksueel)
geweld, echtscheiding etc. zijn vaak terug te vinden. (Werkgroep ‘Vrouwen in
detentie’, Min. van Justitie, -’s Gravenhage, 1991, blz. 43-45)

Om teveel medicalisering en symptoombestrijding te voorkomen is het raadzaam
om naar de oorzaak van de klachten te zoeken. De vrouwen zouden tot reele
probleemverheldering moeten kunnen komen, en dus niet uitsluitend bevestigd
dienen te worden in hun positie van slachtoffer van een onderdrukkend
systeem. (of dat nu de gevangenis, de maatschappelijke context of allebei
is). De werkgroep ‘Vrouwen in detentie’ stelt voor om tot een vorm van
vrouwenhulpverlening te komen. (a.w., blz. 44-45, zie ook L. Thooft, Beter
af zonder man, Opzij dec. 1991, blz. 34)

Deze vorm van hulpverlening is volgens de werkgroep niet bevoogdend van aard
en ondersteunt de vrouw in het verkrijgen van haar onafhankelijkheid. Als
hulpverleners die vanuit dit perspectief werken, worden door de werkgroep
‘deskundigen’ genoemd die vervolgens met functies aangeduid worden
(maatschappelijk werkers, psychiaters, psychologen, artsen, gynaecolgen). Als
voorwaarde is niet opgenomen dat vrouwelijke gevangenen het recht hebben
desgewenst door vrouwen onderzocht en behandeld te worden. (vgl. ontwerp
resolutie Europees Parlement, waarin een dergelijke voorwaarde wel is
opgenomen Publicatieblad, 26-6-1989, nr. C 158/512)

De werkgroep volgt met haar advies het regeringsbeleid dat gericht is op
integratie van vrouwenhulpverlening in bestaande instellingen. (zie het
eindrapport Adviesgroep vrouwenhulpverlening, Zorgvernieuwing op het lijf
geschreven, kwaliteitsverbetering door ontwikkeling en integratie van
vrouwenhulpverlening, Rijswijk, 1991)

De integratie van vrouwenhulpverlening in reguliere instellingen wordt door
patientenorganisaties met argusogen gevolgd. (L. Tabak, De integratie van de
vrouwenhulpverlening is de doodsklap voor het autonome circuit, Vrouw en
gezondheidszorg, maart-april 1992, blz. 1-2, N. Nicolai, De hordenloop door
de instituties, Vrouw en Gezondheidszorg, maart-april 1992, blz. 3-6)) Zij
vrezen dat de uitgangspunten van de vrouwenhulpverlening, zoals
ervaringsdeskundigheid en gelijkwaardigheid, ondersneeuwen; bovendien wordt
door de integratie de angel uit de kritiek op het medisch-diagnostisch denken
gehaald. Dit laatste lijkt enigszins bevestigd te worden in het verslag van
de inventarisatie die in alle 43 algemene psychiatrische ziekenhuizen
gehouden werd naar de vorderingen die de integratie van vrouwenhulpverlening
maakt. (J. Egberts c.s., De lange mars door de instituties, Gezondheid en
politiek, jan. 1992, blz. 20-22) In het verslag wordt een verband gelegd met
de hierarchische structuur en de machtsverhoudingen binnen de instelling.
“Het draagvlak van de vrouwenhulpverlening binnen de medische cultuur in het
psychiatrisch ziekenhuis blijkt beperkt. Daarnaast wordt vrouwenhulpverlening
vaak beschouwd als een bedreiging van de (dominante) positie van mannelijke
behandelaars. De hulpverleensters ervaren de ondervertegenwoordiging van
vrouwen in beleids- en managementfuncties als een belemmering voor de
integratie van de vrouwenhulpverlening.” (a.w., blz. 21)

Wellicht kan een systematische beschrijving van het huidige werk van de
medische en psychosociale hulpverleners (aantallen hulpverleners naar rang,
sekse, werktijdfactor, evt. leeftijd, vraag naar hulp, aard van de klachten,
aanbod van hulp, voorschrijfgedrag, verwijzing etc.) een optimale integratie
van vrouwenhulpverlening in penitentiaire inrichtingen vergemakkelijken. Of
is het een paradox om te veronderstellen dat vrouwenhulpverlening in een
bajes echt te realiseren is en moeten de initiatieven tot ‘hulp’ vooral van
buiten komen?

Ria Wolleswinkel.

Rechters

Mr. J.H. Koeleman, dr. J.P.S. Fiselier, mr. M.J.F.A. Mutsaers, mr.F.H.L. Cusell-te Gussinklo.

Instantie: Voorzitter Raad van Beroep Groningen, 12 april 1990

Instantie

Voorzitter Raad van Beroep Groningen

Samenvatting


Klaagster verzet zich tegen de beslissing waarbij verweerster klaagster
onder toepassing van het bepaalde in Art. 25 lid 2 AAW met ingang van 7 mei
1987 een AAW-uitkering toekent.

Klaagster is sinds 1975 arbeidsongeschikt.

Klaagster heeft in 1980 ook een AAW-aanvraag ingediend en daarom beslist
de Voorzitter dat klaagster vanaf 1 januari 1980 recht heeft op een
AAW-uitkering.

Volledige tekst

I. Feiten.

In een brief d.d. 7 mei 1988 heeft klaagster verweerder in aansluiting
op een telefonisch gesprek verzocht om een uitkering krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).

Zij heeft verweerder er toen opgewezen dat zij sinds 1977 bij
verweerders bedrijfsvereniging bekend is onder registratienummer
342.250727.290.27-25320 maar dat zij toen en in de latere jaren naar
mededeling van een medewerker van verweerders bedrijfsvereniging geen
uitkering kon krijgen vanwege haar gehuwde staat.

Het beroep richt zich tegen de beslissing, waarbij verweerder klaagster
onder toepassing van het bepaalde in artikel 25 lid 2 van de AAW met ingang
van 7 mei 1987 een uitkering krachtens de AAW toekent, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en naar een grondslag gelijk aan het
voor haar per die datum geldende minimumloon ad ƒ 91,74 bruto per dag.

Verweerder heeft bij deze beslissing onder meer overwogen:

“Overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 lid 2 van de AAW heeft ons
bestuur besloten u met ingang van 7 mei 1987 een uitkering krachtens de AAW
toe te kennen. Op grond van het geheel der gegevens heeft het bestuur namelijk
overwogen, dat hier niet van bijzondere omstandigheden is gebleken, welke
aanleiding vormen om in afwijkende zin ten aanzien van de vastgestelde
ingangsdatum te beslissing, te weten een jaar voor de dag waarop de aanvraag
werd ingediend.”

In een namens haar ingediend klaagschrift doet klaagster onder meer het
volgende tegen deze beslissing aanvoeren:

“2. In art. 25 lid 2 eerste volzin AAW is bepaald dat de aanspraak op
uitkering niet eerder ingaat dan 1 jaar voor datum aanvraag. De bedoeling van
de wetgever hierbij is geweest te voorkomen dat de bedrijfsverenigingen te
zeer belast worden door late aanvragen (nabetalingsproblemen), alsmede het
beperken van claims achteraf op het Algemeen Arbeidsongeschiktheidfonds.

“3. In bijzondere gevallen mag de bedrijfsvereniging afwijken van
bovengenoemde termijn van 1 jaar. Een bijzonder geval wordt o.a. aangenomen,
indien het niet aannemen van een bijzonder geval tot een voor het rechtsgevoel
onbevredigende situatie zou leiden (o.a. CRvB 4-1-1982, RSV 83/127).

“4. In zaken als deze hebben gehuwde vrouwen die arbeidsongeschikt zijn
geworden voor 1 januari 1979 en niet voldeden aan de inkomenseis van art. 6
lid 10 AAW, welke gold sinds de wetswijziging van 20 december 1979 Stb. 708,
nooit met sukses een aanvraag om AAW-uitkering kunnen indienen, totdat de
Centrale Raad van Beroep op 5 januari 1988 besliste dat aan gehuwde vrouwen
netzomin als aan gehuwde mannen de inkomenseis gesteld mocht worden. Nadat aan
bedoelde uitspraken van de Centrale Raad bekendheid is gegeven in kranten en
tijdschriften heeft klaagster een AAW-uitkering aangevraagd, te weten op 1
juni 1988.

“5. Klaagster meent dat jarenlange onjuiste wetstoepassing en
dienovereenkomstige voorlichting door de bedrijfsvereniging niet ten nadele
van haar mag werken, daar dit tot voor het rechtsgevoel zeer onbevredigende
situaties zou leiden. Zij zou namelijk een AAW-uitkering over ongeveer 7,5
jaar moeten missen. Gezien dit belang van klaagster is het belang van de
bedrijfsvereniging (voorkomen van nabetalingsproblemen) dermate gering, dat
gekonkludeerd moet worden dat de bedrijfsvereniging niet in redelijkheid heeft
kunnen besluiten, dat hier geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld
in art. 25 lid 2 AAW.

“6. Klaagster voert naast bovenstaande grond aan dat zij ook reeds
vanwege haar aanvraag op 16 maart 1980 een AAW-uitkering behoort te ontvangen.
Zie hiervoor bijgaande kopie van de brief van 16 maart 1980 van klaagster aan
de Detam te Utrecht.”

Verweerder heeft desverzocht bij brieven d.dis 25 en 29 augustus 1989 de
op deze beroepszaak betrekking hebbende stukken ter griffie van de Raad
ingezonden. Vervolgens heeft verweerder bij contra-memorie d.d. 5 september
1989 zijn overweging, dat in het onderhavige geval “niet van bijzondere
omstandigheden is gebleken” als bedoeld in lid 2 van artikel 25 van de AAW,
onder meer als volgt nader toegelicht:

“Het feit dat een aantal verzekerden destijds geen aanvraag heeft
ingediend in de wetenschap geen recht op uitkering te hebben behoort in
verweerders visie niet tot gevolg te hebben dat verweerder thans ondanks het
ontbreken van een tijdige aanvraag verdere terugwerkende kracht zou moeten
verlenen, nog afgezien van de vraag of sprake is van bijzondere hardheid of
voor het rechtsgevoel onbevredigende resultaten. Dit klemt temeer nu
verweerder terzake geen enkel verwijt valt te maken nu hij de destijds
geldende bepalingen juist heeft uitgevoerd en daarover op juiste wijze
informatie heeft verstrekt, en ook thans – in gevallen als de onderhavige –
nog overgaat tot toetsing van destijds ingediende aanvragen.

en met betrekking tot de vast te stellen datum van aanvraag onder meer
het volgende opgemerkt:

“Indien de verzekerde reeds eerder een schriftelijke aanvraag om
AAW-uitkering heeft ingediend doch gelet op de destijds geldende wettelijke
bepalingen niet in aanmerking kon komen voor een AAW-uitkering, stelt
verweerder zich op het navolgende standpunt.

Indien de afwijzing door verweerder naar aanleiding van de eerdere
melding heeft plaatsgevonden na 1 januari 1980 wordt de datum van deze eerdere
melding als aanvraagdatum beschouwd. Heeft afwijzing plaatsgevonden voor 1
januari 1980, dan ziet verweerder geen aanleiding om de eerdere datum van
melding als datum van aanvraag te beschouwen, en wordt uitgegaan van de datum
van de recente melding.

Verweer hanteert dit onderscheid op grond van de overweging dat
afwijzing na 1 januari 1980 gelet op genoemde uitspraken achteraf bezien niet
had mogen plaatsvinden.”

“Indien de verzekerde in het verleden door middel van een zg.
“Meldingsformulier AAW” een voorziening krachtens artikel 57 AAW heeft
aangevraagd en daarop tevens heeft aangegeven geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt te zijn, dan wordt dit aspekt meegenomen bij de vaststelling
van de datum van aanvraag. Indien genoemd formulier na 1 januari 1980 door
verweerder is ontvangen beschouwt verweerder de datum van genoemde melding als
datum van aanvraag. Indien het formulier voor 1 januari 1980 is ontvangen
houdt verweerder, op grond van dezelfde overwegingen als onder I, laatste
alinea, met deze melding geen rekening bij het vaststellen van de datum van
aanvraag.

Verweerder houdt derhalve bij het vaststellen van de aanvraagdatum
rekening met de oudst bekende melding na 1 januari 1980 als hiervoor bedoeld,
derhalve hetzij een expliciete aanvraag om AAW-uitkering, hetzij een aanvraag
om een voorziening d.m.v. het zg. Meldingsformulier met de hiervoor bedoelde
aantekening.

Een en ander doet overigens niet af aan het feit dat verweerder in al
deze gevallen niet eerder dan met ingang van 1 januari 1980 een AAW-uitkering
verstrekt, zijnde de datum met ingang waarvan rechtstreekse werking aan het
Bupo-verdrag kan worden ontleend.”

In aansluiting op vorenbedoelde contra-memorie heeft verweerder onder
meezenden van het desbetreffende “meldingsformulier AAW” bij brief d.d. 29
september 1989 het volgende meegedeeld:

“Inmiddels is door ons nagegaan of klaagster door middel van het
zogenaamde “meldingsformulier AAW” in het verleden een voorziening krachtens
artikel 57 AAW heeft aangevraagd en of zij daarop heeft aangegeven geheel of
gedeeltelijk arbeidsongeschikt te zijn. Klaagster heeft een dergelijk
formulier echter al op 15 februari 1977 ingevuld. Op 24 februari 1977 is dit
formulier vervolgens door ons ontvangen. Een afschrift gaat hierbij. Gezien de
datum van ontvangst, welke gelegen is voor 1 januari 1980, houden wij met deze
melding geen rekening bij het vaststellen van de datum van aanvraag.

De brief d.d. 16 maart 1980, waarop klaagster zich voor wat betreft de
ingangsdatum van de AAW-uitkering beroept, hebben wij niet in onze
administratie aangetroffen. Evenmin is een reaktie onzerzijds daarop in onze
administratie aanwezig. Voorts merken wij op dat door klaagster in haar brief
d.d. 21 maart 1989 (vide gedingstuk 22 ) expliciet is medegedeeld dat zij in
1976 en 1978 reeds een uitkering krachtens de AAW heeft aangevraagd.

Van een aanvraag in 1980 werd door klaagster geen melding gemaakt. Ook
tegenover onze buitendienst heeft klaagster geen melding gemaakt van een
aanvraag in 1980 (vide gedingstuk 7).”

De gemachtigde van klaagster heeft nog een aanvullende klaagschrift,
gedateerd 30 januari 1990, ingezonden en heeft bij brief d.d. 9 februari 1990
nog een zestal brieven aan en van verweerder uit 1979 tot en met 1981
ingezonden alsmede een tweetal verklaringen betreffende de bij klaagschrift
reeds ingezonden brief d.d. 16 maart 1980 van klaagster aan verweerder met een
herhaald verzoek “om een beslissing inzake mijn aanvraag voor een
AAW-uitkering”.

Aan het dossier zijn ambtshalve nog toegevoegd een aan verweerder
gericht advies van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) d.d. 25 januari
1978 en een beslissing d.d. (1)3 maart 1978 tot toekenning van een
vervoersvoorziening aan klaagster met ingang van 15 februari 1977.

II. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken.

III. Rechtsoverwegingen.

De in de tweede volzin van lid 2 van artikel 25 van de AAW vervatte
bevoegdheid van een bedrijfsvereniging om voor bijzondere gevallen af te
wijken van de regel, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger kan
ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag werd ingediend of waarop
ambtshalve toekenning plaats vond, is een discretionaire bevoegdheid: de
administratieve rechter dient een krachtens zodanige bevoegdheid genomen
beslissing te respecteren tenzij blijkt van feiten en/of omstandigheden op
grond waarvan gezegd zou moeten worden dat een bedrijfsvereniging na afweging
van alle daarbij in aanmerking te nemen belangen niet in redelijkheid tot de
in geding zijnde beslissing heeft kunnen komen dan wel anderszins met het
nemen van die beslissing in strijd is gekomen met een algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur. De bestreden beslissing nu kan vorenbedoelde, de
administratieve rechter toekomende marginale toetsing niet doorstaan. Daartoe
is en wordt het volgende overwogen.

Op het in rubriek I reeds vermelde, door verweerder bij brief d.d. 29
september 1989 ingezonden “meldingsformulier AAW” heeft klaagster onder meer
vermeld dat zij sedert 1975 (MRT) geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
is.

Bij de door de gemachtigde van klaagster bij brief d.d. 9 februari 1990
ingezonden brieven aan en van verweerder bevinden zich onder meer

– een verzoek d.d. 4 januari 1980 van klaagster aan verweerder om “de
door U toegekende bijdrage dieetkosten voor het komende jaar te continueren”;

– een verzoek d.d. 12 maart 1980 van de GMD aan klaagster om toezending
van “een door uw behandelend specialist gewaarmerkt en gedagtekend lijstje van
het aan u voorgeschreven dieet”;

– een beslissing van verweerder d.d. 16 mei 1980 tot “continuering
vergoeding dieetkosten ingaande 1 februari 1980 ingaande 1 februari 1980 ad
ƒ 54,- per maand”

en

– een brief d.d. 20 (28) januari 1981 van verweerder aan klaagster met
de mededeling dat hij in het bezit kwam van “uw verzoek u in aanmerking te
brengen voor een voorziening krachtens de AAW”.

De verklaring d.d. 18 januari 1990 van M.J.G. Bender en A. Bender,
respectievelijk echtgenoot en dochter van klaagster, geven weliswaar voldoende
reden om aan te nemen dat klaagster d.d. 16 maart 1980 de brief heeft
geschreven, die met het klaagschrift werd ingezonden, maar die verklaringen
vermelden niet met zoveel woorden dat deze brief destijds ook werd verzonden.
De omstandigheid, dat verweerder bedoelde brief niet in zijn administratie
heeft aangetroffen, behoeft echter niet tot de conclusie te leiden dat die
brief destijds wel niet verzonden zal zijn, nu van de zijde van klaagster
diverse stukken uit begin 1980 werden ingezonden, die kennelijk ook niet meer
in de administratie van verweerder aanwezig waren. Bovendien behoeft niet
uitgesloten te worden geacht dat klaagster destijds van verzending van
meerbedoelde brief heeft afgezien enkel en alleen omdat haar was meegedeeld
dat zij vanwege haar gehuwde staat geen uitkering kon krijgen.

Op grond nu van de in de vorige alinea vermelde gedingstukken moet
worden aangenomen dat begin januari 1980 bij verweerder een verzoek van
klaagster aanhangig was om continuering van een haar eerder toegekende
voorziening en dat alstoen de eerdere melding van klaagster, dat zij sinds
1975 geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, bij verweerder bekend was
althans bekend kon zijn. Onder deze omstandigheden moet het, nu verweerder
noch klaagster alle stukken uit de jaren 1977 tot en met 1980 (hebben) kunnen
inzenden, er voor gehouden worden dat verweerder kort na 1 januari 1980 een
melding heeft ontvangen, die in zodanige mate aan de door verweerder ter zake
gestelde voorwaarden voldoet dat de datum van die melding gelet op het door
verweerder te dezen gevoerde beleid, anders dan verweerder blijkens zijn brief
d.d. 29 september 1989 doet, had moeten worden beschouwd als de datum van
onderhavige aanvraag van klaagster om toekenning van een uitkering krachtens
de AAW. Voorzover de in de gedingstukken beschikbare gegevens nog aanleiding
geven tot onzekerheid of twijfel, of per januari 1980 wel sprake is (geweest)
van een melding, die aan de door verweerder bij contra-memorie gestelde
voorwaarden voldoet, mag dat, nu deze onzekerheid en twijfel mede voortkomt
uit de omstandigheid dat verweerder niet meer alle desbetreffende stukken
heeft kunnen inzenden, niet ten nadele van klaagster komen.

Vorenvermelde omstandigheden en overwegingen moeten tot het oordeel
leiden dat als datum van aanvraag van klaagster om uitkering krachtens de AAW
had moeten worden genomen een datum gelegen binnen een jaar na 1 januari 1980
en dat dientengevolge het bepaalde in artikel 25 lid 2 van de AAW niet langer
in de weg kan staan aan toekenning van een AAW-uitkering aan klaagster met
ingang van 1 januari 1980.

Hetgeen hiervoor is overwogen biedt voldoende grondslag voor een
beslissing van het geschil met toepassing van het bepaalde in artikel 128,
eerste lid, van de Beroepswet.

IV. Beslissing.

De voorzitter van de Raad van Beroep te Groningen,

Rechtdoende!

vernietig de bestreden beslissing;

bepaalt de datum met ingang waarvan klaagster recht heeft op
AAW-uitkering op 1 januari 1980, verstaat dat verweerder terzake een nieuwe
beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze beslissing is
overwogen en gelast verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 25,- te
vergoeden.

Rechters

mr. Chr.F. Bramer, als voorzitter.

Instantie: Arbeitsgericht Bonn, 11 april 1990

Instantie

Arbeitsgericht Bonn

Samenvatting


Prejudiciele vragen over verenigbaarheid van ongelijke
pensioenleeftijden voor mannen (65) en vrouwen (60 jaar), die in de toekomst
tot ongelijke uitkeringen zullen leiden, met art. 119 EEG-Verdrag.

De betekenis van een uitstelmogelijkheid in richtlijn B6/378 (de Vierde
EG-richtlijn) en een verduidelijking van het Barberarrest.

Volledige tekst

I. De behandeling van het geding wordt geschorst.

II. Aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden
ingevolge art. 177, tweede alinea, van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Economische Gemeenschap(EEG-Verdrag) de volgende prejudiciele vragen
voorgelegd over de uitlegging van art. 119 EEG-Verdrag in samenhang met art. 8
lid 2 van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen in ondernemings- en sectoriele regelingen inzake sociale zekerheid:

1. Vormt een bedrijfspensioenregeling in de vorm van een zogeheten
directe toezegging, waarbij aan een mannelijke werknemer bij beeindiging van
zijn 65e levensjaar, maar aan een vrouwelijke werknemer reeds bij beeindiging
van haar 60e levensjaar een bedrijfspensioen wordt toegezegd, mede gezien
richtlijn 86/378/EEG reeds thans een schending van art. 119 EEG- Verdrag?

2. Zo ja, heeft een overtreding dan reeds thans de rechtsgevolgen die in
richtlijn 86/378/EEG eerst voor het jaar 1993 lijken te zijn voorzien? Kan een
onder een dergelijke pensioenregeling vallende werknemer reeds na zijn 60e
levensjaar aanspraak maken op pensioen en moet het pensioen, ondanks de ten
opzichte van de directe toezegging vervroegde aanspraak, onverkort worden
uitbetaald?

3. Blijft een eventuele schending van art. 119 EEG- Verdrag – ook met
inachtneming van richtlijn 86/378/EEG – thans nog zonder gevolg,

a. indien de werknemer voor de bekendmaking van richtlijn 86/378/EEG,
voor het arrest van het Hof van 17 mei 1990 (zaak C- 262/88, Barber/Guardian
Royal Exchange Assurance Group) of voor de in art. 8 lid 1 van richtlijn
86/378/EEG genoemde uiterste datum van 1 januari 1993, na het ontstaan van een
onherroepelijk uitzicht op pensioen voortijdig het bedrijf van de werkgever
heeft verlaten, dan wel zal verlaten, of slechts dan,

b. indien de voormalige werknemer op een van de genoemde peildata reeds
een bedrijfspensioen genoot, of slechts voorzover

c. er op een van de genoemde peildata reeds bedrijfspensioenaanspraken
waren vervuld, zodat met het oog op toekomstige pensioenaanspraken nog recht
op een verhoging bestaat,

of

d. blijft de in vorenstaande mogelijkheden vervatte vraag naar de
werking in de tijd van art. 119 EEG-Verdrag in dit verband voorbehouden aan
het oordeel van de nationale rechterlijke instanties?’

Motivering

Verzoeker is op 15 augustus 1948 geboren en was van 1 april 1968 tot en
met 31 augustus 1983 medewerker bij verweerster. Hij is daar na
arbeidsrechtelijke geschillen met wederzijds goedvinden vertrokken.

Bij zijn indiensttreding op 1 april 1968 had verzoeker een op de
pensioenregeling van verweerster berustende pensioentoezegging ontvangen, die
onder meer als volgt luidde:

‘De medewerker verkrijgt recht op pensioen, indien hij bij beeindiging
van het 65e levensjaar (voor vrouwelijke werknemers het 60e levensjaar), het
bedrijf en het beroepsleven verlaat, mits hij op dat tijdstip ten minste tien
jaren bij het bedrijf werkzaam is geweest.’

Op 6 november 1990 heeft verzoeker het onderhavige geding aanhangig
gemaakt. Daarin gaat het er tussen partijen nog slechts om of het toezegde
bedrijfspensioen reeds bij beeindiging van zijn 60e levensjaar aan verzoeker
zal toekomen en of de waarde van zijn pensioenuitzicht is te berekenen als
ware het bedrijfspensioen tegen dat tijdstip toegezegd.

Verzoeker beroept zich daarvoor op art. 119 EEG-Verdrag, als ook op de
artt. 5 en 6 van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende
de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen in ondernemings- en sectoriele regelingen inzake sociale zekerheid,
terwijl verweerster ter verdediging van haar tegenovergestelde standpunt dat
bij de formulering van de pensioenregeling aanknoopt, stelt dat er geen sprake
is van schending van art. 119 EEG-Verdrag en zich op art. 8 lid 2 van die
richtlijn beroept.

Verzoeker concludert tot vaststelling, dat er bij de berekening van het
krachtens punt 3a van verweersters pensioenregeling toe te kennen
bedrijfspensioen rekening mee moet worden gehouden, dat verzoeker jegens
verweerster reeds bij beeindiging van zijn 60e levensjaar aanspraak heeft op
betaling van het bedrijfspensioen krachtens de pensioenregeling en dat op het
door verweerster krachtens de pensioenregeling te betalen bedrijfspensioen
slechte een pro-ratakorting mag worden toegepast voor de jaren dat verzoeker
voor het einde van zijn 60e levensjaar niet meer bij verweerster in dienst
is.

Verzoeker heeft op grond van het Duitse arbeidsrecht jegens verweerster
ondanks zijn voortijdig vertrek aldaar, op grond van de duur van zijn
dienstverband en het tijdstip waarop hij voor zijn vertrek bij het bedrijf de
pensioentoezegging heeft ontvangen, een onherroepelijk pensioenuitzicht
verkregen, hetwelk, voor zover het het thans in geding zijnde
ouderdomspensioen betreft, bij beeindiging van het 65e levensjaar resulteer in
een pensioenaanspraak (1, lid 1, van het Gesetz zur Verbesserung der
betrieblichen Altersversorgung, hierna: betrAVG).

Deze aanspraak wordt aldus berekend, dat men op het bij beeindiging van
het 65e levensjaar in het bedrijf van verweerster te bereiken bedrijfspensioen
een korting toepast aan de hand van de daadwerkelijke duur van het
dienstverband in verhouding tot de tot het einde van het 65e levensjaar
mogelijke duur van het dienstverband (2, lid 1, BetrAVG).

Ingevolge verweersters pensioenregeling zou op de aanspraak op
bedrijfspensioen van een vrouwelijke werknemer die met een onherroepelijk
pensioenuitzicht voortijdig vertrekt en die, indien zij in dienst was
gebleven, reeds na beeindiging van het 60e levensjaar zou kunnen uittreden
zonder dat dit tot pensioenvermindering zou leiden, naar verhouding een lagere
korting worden toegepast, daar bij de mogelijke duur van het dienstverband
slechts de tijd tot het einde van het 60e levensjaar in aanmerking zou komen.

Het Duitse bedrijfspensioenrecht biedt verzoeker de mogelijkheid om voor
het einde van zijn 65e levensjaar, en wel ten vroegste bij het einde van het
60e levensjaar, op het bij verweerster verdiende bedrijfspensioen aanspraak te
maken (6 BetrAVG). Voorwaarde hiervoor is evenwel, dat verzoeker op het
wettelijk oudersomspensioen aanspraak kan maken, en zulks ook doet.

Hiervoor is, naast de vervulling van bepaalde verzekeringstijdvakken in
de wettelijke ouderdomsverzekering, naar Duits pensioenrecht over het algemeen
een vrij lange periode van werkloosheid voor het einde van het 60e levensjaar
vereist (1248, lid 2, Reichsversicherungsordnung; 25, lid 2,
Angestelltenversicherungsgesetz). Voor vrouwelijke werknemers geldt deze
voorwaarde voor de aanspraak op vervroegd wettelijk ouderdomspensioen niet
(1248, lid 3, Reichsversicherungsordnung; 25, lid 3,
Angestelltenversicherungsgesetz).

Een Duitse werknemer evenwel, aan wie bij beeindiging van zijn 65e
levensjaar een bedrijfspensioen in het vooruitzicht is gesteld en die, nadat
hij een onherroepelijk uitzicht op pensioen heeft verkregen, ook, gelijktijdig
met de vervroegde ingang van zijn wettelijk ouderdomspensioen, vervroegd
aanspraak maakt op zijn bedrijfspensioen, moet en verdere korting van zijn
aanspraak op bedrijfspensioen op de koop toe nemen: allereerst moet in een
dergelijk geval de aanspraak op bedrijfspensioen pro rata worden gekort aan de
hand van de -ficitief- bereikte periode dat men bij het bedrijf in dienst is
geweest tot zijn 65e levensjaar. Het aldus in overeenstemming met 2, lid 1,
van BetrAVG berekende bedrijfspensioen moet vervolgens nogmaals worden gekort
aangezien de pensioengerechtigde niet de in de pensioenregeling voorziene
volle tijd tot zijn pensioen bij het bedrijf werkzaam is gebleven, en wel in
de eerder beschreven mate, namelijk aan de hand van de verhouding tussen de
daadwerkelijke bereikte en de in totaal bij het beeindigen van zijn 65e
levensjaar te bereiken diensttijd. Indien de pensioenregeling in een
dergelijke regeling voorziet, moet de Duitse werknemer bovendien nog een
zogeheten actuariele korting accepteren in verband met het feit dat hij
vervroegd aanspraak maakt op het bedrijfspensioen.

(Aldus laatstelijk: uitspraak van 13 maart 1990 van het
Bundesarbeitsgericht – 3 AZR 338/89 – EzA 6 BetrAVG nr. 13).

Een vrouwelijke werknemer die bij vervulling van de vereiste
verzekeringstijdvakken van de wettelijke pensioenverzekering zonder meer
aanspraak kan maken op de betaling van het vervroegde ouderdomspensioen,
behoeft wanneer zij met een onherroepelijk pensioenuitzicht vervroegd is
uitgetreden, enkele de daaruit voortvloeiende korting te accepteren, maar niet
een pro-ratakorting wegens de vervroegde aanspraak, noch een actuariele
korting uit dien hoofde.

Derhalve vloeit uit verweersters pensioenregeling, die naar de huidige
Duitse rechtsopvatting op dit punt niet zonder meer aanvechtbaar is, onder
toepassing van Duits bedrijfspensioenrecht rechtens een benadeling van
mannelijke ten opzichte van vrouwelijke werknemers voort. Dit geldt ook voor
het onderhavige geval, al is dat wat de hoogte van de toegezegde aanspraak op
bedrijfspensioen betreft, a-typisch: de bijzonderheid is, dat niet zonder meer
een vergelijking met het bedrijfspensioen waarop men in beide gevallen recht
heeft, kan worden becijferd. De in geding zijnde pensioenregeling geeft
namelijk recht op een bepaald gedeelte van het door een vrouwelijke
respectievelijk mannelijke werknemer bereikte wettelijke ouderdomspensioen.
Bij gelijk salaris en optimaal pensioensverloop in de wettelijke
pensioenverzekering is het bedrijfspensioen van de na 60 levensjaren met
pensioen gaande vrouwelijke werknemer in ieder geval hoger dan hetzelfde
pensioen van een mannelijke werknemer die aanspraak maakt op vervroegd
wettelijk ouderdomspensioen en gelijktijdig daarmee op vervroegd
bedrijfspensioen.

De geschetste ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in het
bedrijfspensioenrecht stemt overeen met de regeling in de wettelijke regeling
van het ouderdomspensioen, die duidelijk ook als voorbeeld heeft gediend voor
overeenkomstige bedrijfspensioenregelingen. Betreffende de hiervoor reeds
beschreven bepalingen van de wettelijke regeling van het ouderdomspensioen
heeft evenwel zowel het Bundessozialgericht als het Bundesverfassungsgericht
vastgesteld, dat de aldaar geldende regelingen tenminste toentertijd en tot
het jaar 1992, op grond van de verschillen in rolgedrag, uit het oogpunt van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen geen juridische bezwaren ontmoeten
(beschikking van 28 januari 1987 van het Bundesverfassungsgericht; 1 BvR
455/82, AP nr. 3 over 25 AVG = BVerfGE 74, 163; uitspraak van 9 september
1982 van het Bundessozialgericht, 11 RA 72/81, Betriebsberater 1983, 64).

Rechters

J.A. Pompe, adjunct-griffier

Instantie: Raad van Beroep Groningen, 10 april 1990

Instantie

Raad van Beroep Groningen

Samenvatting


Aan mevrouw Wilbrink wordt ingaande 1 januari 1985 een AAW-uitkering
toegekend naar 80-100% arbeidsongeschiktheid en een individuele grondslag van
ƒ 54,34. Mevrouw Wilbrink gaat van deze beslissing in beroep. Aangezien
naar de mening van klaagster meer vrouwen dan mannen slechts een AAW-uitkering
naar de individuele grondslag ontvangen bestaat er een vermoeden van indirecte
discriminatie. Na prejudicile vragen over deze kwestie te hebben gesteld
komt de Raad van Beroep tot de conclusie dat er geen sprake is van indirecte
discriminatie

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

De beslissing van verweerder d.d 15 oktober 1985,

nr. aaw/wao 24 16-950.24.01.42.0

2. Terechtzittingen

Het geding is behandeld ter terechtzitting, gehouden te Groningen op 28
januari 1988 en 30 maart 1990

Voor klaagster respektievelijk verweerder zijn ter terechtzitting van 28
januari 1988 verschenen mevr. mr. B.I. Klaassens, advocaat en procureur te
Groningen, respektievelijk A.F. Rombout, werkzaam bij het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor (GAK) te Groningen. Ter zitting van 30 maart 1990 zijn
verschenen klaagster, bijgestaan door mevr. mr. Klaassens, voornoemd, en –
voor verweerder – mr. W.J. van Brussel, werkzaam bij het GAK te Amsterdam

3. Feiten welke de Raad als vaststaand aanneemt

Klaagster, geboren in januari 1942, werkte laatstelijk vr haar uitval
door ziekte op 9 maart 1981 enkele jaren – kennelijk vanaf 1 oktober 1978 –
als administratief medewerkster bij het Openbaar Onderwijs te Groningen.
Haar werktijd omvatte gemiddeld 18 uur per week. Naar mededeling van haar
gemachtigde werkte zij in een eerdere periode fulltime, tot haar huwelijk in
1961

Klaagster is in oktober 1984 duurzaam gescheiden gaan leven van haar
echtgenoot, van wie zij op 29 oktober 1985 officieel is gescheiden. Naar
klaagsters mededeling hebben zij en haar toenmalige echtgenoot 3 kinderen
gekregen, geboren in de periode 1962-1968

Klaagster is van de zijde van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds bij
schrijven van 15 april 1985 aangemeld bij de Federatie van
Bedrijfsverenigingen met het oog op een eventuele AAW-aanspraak naast een
ABP-pensioen. Bedoeld ABP-pensioen is ingegaan op 1 februari 1984

Op 7 mei 1985 heeft klaagster ook zelf een aanvraag om AAW- uitkering
ingediend. Zij heeft desgevraagd meegedeeld dat zij gemiddeld 18 uur per
week in dienst van de gemeente Groningen werkzaam was en met die werkzaamheden
een salaris van ƒ 1.050,30 bruto per maand verdiende exclusief
vakantietoeslag (7,5%), hetgeen neerkwam op ƒ 13.548,87 per jaar; voorts, dat
zij duurzaam gescheiden leefde. Aan klaagster is (met toepassing van –
onder andere – art. 8 van de AAW) ingaande 1 januari 1985 een AAW-uitkering
toegekend naar 80-100% arbeidsongeschiktheid en een individuele grondslag van
ƒ 54,34. Op de uitkering is het ABP-pensioen in mindering gebracht, zodat per
dag slechts werd uitbetaald ƒ 1,04 bruto. Bij de bestreden beslissing is
aan klaagster van een en ander kennis gegeven

Bij aanvullend klaagschrift is aangevoerd (waarbij voor “artikel 10 lid
5″ thans dient te worden gelezen: artikel 10 lid 4):

– dat klaagster op grond van het feit dat zij laatstelijk minder dan 40
uur per week werkte, slechts een gedeeltelijke uitkering wegens
arbeidsongeschiktheid ontvangt;

– dat de reden van het gedeeltelijk werken lag in het feit dat zij als
gehuwde vrouw de zorg had voor de huishouding en kinderen; dat de toenterijd
en nog steeds geldende gangbare opvattingen terzake onder meer tot uiting
komen in het feit dat het merendeel der deeltijdwerkenden nog steeds bestaat
uit vrouwen;

– artikel 10 lid 5 AAW meebrengt dat degenen die in deeltijd hebben
gewerkt een lagere uitkering ontvangen dan diegenen die in voltijd werken en
dat, daar ruim 80% van de deeltijdwerkenden bestaat uit vrouwen, dit meebrengt
dat artikel 10 lid 5 – indirekt – een ongunstiger effekt voor vrouwen heeft
dan voor mannen en dat deswege sprake is van indirekte discriminatie welke
niet is toegestaan volgens de zogenaamde derde EG-richtlijn zodat artikel 10
lid 5 AAW op grond van het internationale recht buiten toepassing dient te
blijven

Verzocht is te bepalen dat klaagsters AAW-uitkering naar een hogere
grondslag dient te worden vastgesteld, dan wel de kwestie als prejudicile
vraag voor te leggen aan het Europese Hof

Overgelegd zijn enkele bronnen ter staving van de gebezigde
stellingname

Namens verweerder is van contra-memorie gediend op 5 mei 1986. Daarin
is gesteld en betoogd dat en waarom noch van direkte noch van indirekte
discriminatie sprake zou zijn, en waarom voor artikel 10 lid 5 een objektief
goede reden aanwezig werd geacht

Op de contra-memorie is zijdens klaagster schriftelijk gereageerd, met
overlegging van andere gegevens

Bij schrijven d.d. 17 oktober 1986 is meegedeeld dat volgens CBS-
cijfers 75% van de deeltijdwerkers vrouwen zijn, en is naar aanleiding van het
toen recente arrest van het Hof van Justitie van de EG inzake Bilka-Kaufhaus
(arrest d.d. 13 mei 1986, nr. 170/84) ingegaan op analoge aspekten, in de
onderhavige casus en op een mogelijke rechtvaardigingsgrond

Op de stellingen zijdens klaagster is namens verweerder nog weer
gereageerd bij schrijven d.d. 7 november 1986. Gekonkludeerd is dat
kennelijk werd gewenst dat voor vrouwen de AAW-verzekering meer zou inhouden
dan de maximale door de wetgever gecreerde dekking, en ontkend werd dat een
beroep werd gedaan op een objektieve rechtvaardigingsgrond, zodat, waar ook
geen sprake werd geacht van ongelijke behandeling, een vergelijking met de
zaak Bilka-Kaufhaus niet opging

Nadat ook klaagsters gemachtigde nog weer had gereageerd, is het geding
behandeld ter zitting van 28 januari 1988, waarna de Raad een bevel heeft
gegeven als bedoeld in art. 125 der Beroepswet. In dit bevel – van 10 maart
1988 – zijn door de Raad twee prejudicile vragen voorgelegd aan genoemd Hof
van Justitie, te weten:

“1. Is een stelsel van uitkeringsrechten voor de (niet werkloze)
beroepsbevolking bij arbeidsongeschiktheid, waarbij is voorzien in uitkeringen
op het niveau van het sociaal minimum behoudens in de gevallen, dat het
voordien door de uitkeringsgerechtigde ontvangen loon mede als gevolg van het
werken in deeltijd beneden dat sociaal minimum is gebleven, in overeenstemming
met art. 4 lid 1 van Richtlijn nr. 79/7?

2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: brengt de – alsdan
geschonden – communautaire norm dan met zich mede dat uitkeringsgerechtigden
(van beiderlei geslacht) ook in de in de vraag bedoelde
(uitzonderings-)gevallen aanspraak hebben op een voorziening tot het sociaal
minimum?”

Bij arrest van 13 december 1989 – ontvangen op 18 december 1989 – heeft
het Hof op daartoe gebezigde overwegingen en uitspraak doende op de bij bevel
van 10 maart 1988 vanwege de Raad gestelde vragen, voor recht verklaard:

“1. Art. 4 lid 1 van richtlijn nr. 79/7 van de Raad van 19 december
1978, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet, dat een
bepaling van een nationale wettelijke regeling die aan arbeidsongeschikt
geworden verzekerden een sociaal minimum garandeert, van dat beginsel afwijkt
ten aanzien van verzekerden die voordien in deeltijd hebben gewerkt, en het
bedrag van de uitkering beperkt tot het voorheen genoten loon, wanneer deze
maatregel een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, tenzij die
wettelijke regeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets
van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht

2. Wanneer passende maatregelen ter uitvoering van art. 4 lid 1 van
richtlijn nr. 79/7 ontbreken en er sprake is van indirecte discriminatie door
toedoen van de Staat, moet de door die discriminatie benadeelde groep op
dezelfde wijze worden behandeld als de andere uitkeringsgrechtigden, waarbij
die regeling, zolang aan de richtlijn geen correcte uitvoering is gegeven, het
enig bruikbare referentiekader blijft. “

Het arrest is in kopie aan deze uitspraak gehecht; er wordt korth
eidshalve naar verwezen

Verweerders administrateur heeft bij schrijven d.d. 16 februari 1990
opmerkingen kenbaar gemaakt waartoe het arrest van genoemd Hof hem aanleiding
gaf

Ter zitting van 30 maart 1990 hebben partijen hun standpunt nader
uiteengezet

Van klaagsters zijde is onder meer betoogd:

– dat het Hof in zijn uitspraak tot een duidelijke en niet voor meerdere

leg vatbare konklusie in voor klaagster gunstige zin komt;

– dat in een situatie waarin het Hof tot een zo duidelijke uitspraak
komt – als hoogste rechter inzake de uitleg van Europees recht – er voor de
nationale rechter geen ruimte meer is om van dat standpunt af te wijken;

– dat het Hof duidelijk heeft aangegeven binnen welke grenzen er nog wel
of niet sprake kan zijn van een rechtvaardigingsgrond;

– dat rechtsoverweging 16 aan duidelijkheid niets te wensen overlaat;

– dat het karakter van de AAW dit is, dat aan een arbeidsongeschikte een
minimum-inkomensgarantie wordt geboden en dat binnen het systeem van de AAW op
geen enkele wijze de hoogte van het voorheen genoten inkomen van belang is
voor de hoogte van de uitkering;

– dat de AAW niet moet worden gezien als een inkomstendervingswet;

– dat uitzonderingen bij de AAW uitzonderingen zijn op de inkomenseis ex
artikel 6 AAW, welke eis hier echter niet ter diskussie staat (zij het dat ook
de verbindendheid van die eis best eens ter diskussie gesteld zou kunnen
worden bij het Hof, waarbij ook nog kan worden opgemerkt dat n van de genoemde
uitzonderingen weer in hoge mate discriminerend is voor vrouwen namelijk de
uitzondering voor zelfstandigen met een te laag inkomen, nu de fictie alleen
geldt voor degene die fulltime werkte en het zo is dat parttime werkende
vrijwel altijd de meewerkende echtgenote is die geen recht op AAW krijgt, als
het inkomen beneden de entree-eis bleef);

– dat indirekte discriminatie ook bij artikel 26 BuPo aan de orde is en
dat daarop per 1 januari 1980 een beroep kan worden gedaan, waarbij een ruime
uitleg wordt bepleit van het begrip indirekte discriminatie

Namens verweerder is onder meer aangevoerd:

– dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat met het arrest van het
Hof het doek is gevallen voor de individuele grondslag;

– dat de nationale rechter nog moet oordelen over de vraag hoe het
nationale recht zich verhoudt tot het communautaire recht, en met name over de
aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond;

– dat alleen rechtsoverweging 16 van het Hof nieuw is ten opzichte van
eerdere uitspraken;

– dat de indruk bestaat dat het Hof van verkeerde uitgangspunten is
uitgegaan nu blijkens rechtsoverweging 5 volledig wordt voorbijgegaan aan het
feit dat voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten in het geheel geen garantie tot
het sociaal minimum geldt;

– dat hetzelfde geldt voor verzekerden die in het refertejaar niet
geheel voor 40 uur hebben gewerkt (lees kennelijk: geen arbeid van normaal te
achten duur hebben verricht) of voor de seizoenarbeiders;

– dat de konklusie moet zijn dat het arrest van het Hof partijen en de
Raad niet veel verder heeft gebracht

– dat bij artikel 10 lid 5 zowel sprake is van een objektieve
rechtvaardigingsgrond (dervingsprincipe met uitkering tot een maximum, zijnde
het minimumloon-niveau) als van evenredigheid tussen middel en doel, waarbij
het pro rata-beginsel mag worden doorbroken vanwege onjuist geachte gevolgen
indien de betrokkene meer verdiende dan het minimumloon per tijdseenheid;

– dat de vraag is of artikel 26 BuPo ook ziet op indirekte discriminatie
en zo ja, of dehetzelfde uitleg geldt als bij de derde richtlijn;

voorts, dat redenen aanwezig zijn om van 23 december 1984 uit te gaan
als datum per wanneer in een geval als dit een beroep kan worden gedaan op
artikel 26 van het BuPo-Verdrag

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzittingen

5. Rechtsoverwegingen

De Raad overweegt en oordeelt als volgt

a. Nationaal recht

Beoordeeld naar de bepalingen zoals die bij en krachtens de AAW zijn
gesteld, dient de bestreden beslissing als juist te worden aangemerkt. Met
name dient op grond van die bepalingen klaagsters AAW-uitkering berekend te
worden naar de individuele grondslag, nu zij in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid niet in een voor
haar beroep normaal te achten duur in het bedrijfs- en beroepsleven heeft
verricht (zij werkte gemiddeld 18 uur per week) en mede als gevolg daarvan
minder inkomen heeft verworven dan 260 maal de grondslag van het minimumloon
(vr 1 januari 1987: 260 maal de grondslag die voor haar zou hebben gegolden
zonder toepassing van lid 5)

b. EG-Richtlijn 79/7 van 19 december 1978

Klaagsters gemachtigde heeft aangevoerd dat art. 10 lid 5 (thans lid 4)
van de AAW onverbindend is te achten wegens strijd met regels van
internationaal recht die discriminatie naar sekse verbieden en waaraan de
nationale rechter direct mag toetsen. Daartoe is – kortweg – aangevoerd:

– dat binnen het stelsel van de AAW de hoogte van de uitkering in begins
el niet is gerelateerd aan de hoogte van het vroegere arbeidsinkomen, doch aan
de hoogte van het sociaal bestaansminimum;

– dat art. 10 lid 5 (thans: lid 4) dit doorbreekt;

– dat gezien de verhouding tussen vrouwen en mannen onder de parttimers
– en in aanmerking genomen dat vooral vrouwen de zorg voor de huishouding en
de kinderen dragende binnen de gangbare maatschappelijke opvattingen, deswege
parttime werk(t)en – vrouwen onevenredig worden getroffen door de maatregel
neergelegd in het betreffende artikel

Verweerder bestrijdt dat van discriminatie – direct of indirect – sprake
is

De Raad overweegt als volgt

In de vraagstelling aan het Hof van Justitie der EG is met name het
accent gelegd op het aspect van de indirectheid van de discriminatie in de
omvang van de uitkeringsrechten. Hetgeen het Hof daarover heeft geoordeeld
en overwogen, is duidelijk en biedt niets nieuws ten opzichte van eerdere
arresten, afgezien van de inhoud van de 16e rechtsoverweging en het antwoord
op de tweede vraag

De Raad dient thans te beoordelen of de regeling van de individuele
grondslag gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren die niets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht. De Raad kan zich namelijk
niet vinden in de opvatting van klaagsters gemachtigde dat het Hof deze
beoordeling reeds heeft gedaan. Niet alleen is deze beoordeling aan de
nationale rechter, zoals het Hof eerder heeft doen blijken en ook in het
onderhavige arrest vermeldt (rechtsoverweging 18), doch ook kan niet gezegd
worden dat het Hof zich over alle mogelijke rechtvaardigingsgronden heeft
uitgelaten, nu het Hof uitsluitend heeft geoordeeld over n bepaalde grond (“de
billijkheid”, zie rechtsoverweging 16)

Komende tot een beoordeling van de vraag of objectieve factoren geduid
kunnen worden als door het Hof in zijn uitspraak sub 1 aangeduid, vindt de
Raad (dan ook) aanleiding om, meer dan tot dusver althans in deze procedure is
geschied de aandacht te richten op het ontstaan van het recht op uitkering

De Raad acht het niet nodig stil te staan bij de zijdens verweerder –
niet geheel ten onrechte – opgeworpen vraag of het Hof de bij de AAW als
inkomensvoorziening in aanmerking te nemen aspecten wel alle correct heeft
verwoord en volledig onder ogen heeft gezien, bijvoorbeeld gelet op de
(financile) positie van degenen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn
geacht. De Raad oordeelt echter wel dat hij het juist acht dat van
verweerders zijde is aangevoerd dat de individuele grondslag niet alleen wordt
gehanteerd bij parttimers, maar ook bij seizoenarbeiders. Voorts moet
worden opgemerkt dat een onderscheid tussen parttime werkenden en fulltime
werkenden op zich niet verboden is; het is dan ook de stelling dat zich onder
de parttime werkenden veel meer vrouwen dan mannen bevinden die maakt dat een
onderscheid in beeld komt waarop de Derde Richtlijn betrekking heeft (evenals
art. 26 van het BuPo-Verdrag). De Raad laat overigens ook daar of al die
vrouwen die parttime werk(t)en volgens de van klaagsters zijde bijgebrachte
gegevens, vrouwen zijn met een huishouding en/of kinderen, die
verzorgingsbehoeftig zijn

De Raad acht het van wezenlijk belang dat de AAW ten tijde hier van
belang niet slechts een uitkeringsrecht doet ontstaan, indien men verzekerde
is en in een bepaalde mate arbeidsongeschikt wordt, doch eerst een
uitkeringsrecht doet ontstaan, indien de verzekerde heeft gewerkt in het
bedrijfs- of beroepsleven. Met deze verzekerden zijn gelijkgesteld:
personen die geacht worden niet in de gelegenheid te zijn geweest zich door
arbeid een inkomen te verwerven, dan wel hebben gewerkt, doch door toevallige
factoren geen loon naar werken hebben gekregen. Zo worden gelijkgesteld:

– verzekerden die reeds op hun zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt
zijn (jeugdgehandicapten)

– verzekerden die in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag
waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, student waren; – ongehuwd
verzekerden waarvan de voor arbeid beschikbare tijd uitsluitend of nagenoeg in
beslag werd genomen door de verzorging van hulpbehoevende familieleden;

– verzekerden die fulltime werkzaam waren in de zelfstandige uitoefening
van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep, doch desondanks
nauwelijks of geen winst hebben gemaakt in het refertejaar;

– verzekerden waarvan de uitkering krachtens de Ziektewet, de
Werkloosheidswet en de Wet werkloosheidsvoorziening in het refertejaar geheel
of gedeeltelijk is geweigerd

Wanneer namens klaagster wordt aangevoerd dat deze uitzonderingen
betrekking hebben op het inkomensvereiste, dan legt zij het accent niet geheel
juist, omdat het niet gaat om enig inkomen (van welke aard dan ook), maar om
inkomen uit arbeid en de mogelijkheid inkomen middels arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven te verwerven

Verweerder stelt dan ook terecht:

“Er worden derhalve slechts uitzonderingen gemaakt voor verzekerden die
niet in de gelegenheid zijn geweest voldoende inkomen te verwerven of die met
een toevallige inkomensdaling zijn geconfronteerd. De redenen die ten
grondslag liggen aan de regeling voor deze groepen verzekerden, sluiten aan
bij het inkomensdervingskarakter van de AAW. Ieder afzonderlijk hebben deze
redenen niets van doen met discriminatie naar geslacht

Wellicht dat enige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de
uitzonderingspositie die wordt gecreerd voor de ongehuwde verzekerden die
hulpbehoevende familieleden verzorgen. Echter deze groep verzekerden is
getalsmatig dusdanig gering, dat het wel erg ver zou gaan uitsluitend op basis
van deze uitzondering aan te nemen dat het element van inkomensderving in de
AAW onvoldoende tot zijn recht komt. “

Het gaat er bij het ontstaan van uitkeringsrecht op grond van de AAW n
aar ’s Raads oordeel vooral om dat de arbeid waarmee men een bepaald inkomen
kon verwerven, door arbeidsongeschiktheid niet meer kan worden aangewend als
bron van inkomen. De AAW is dan ook geen regeling om in een sociaal minimum
bij arbeidsongeschiktheid te voorzien, maar wel degelijk een verzekering met
een dervingsbeginsel

De gelijkstellingen van personen, als hiervoor opgesomd, ten opzichte
van wie klaagster zich gediscrimineerd voelt, passen geheel bij dit objectieve
beginsel en kunnen noodzakelijk worden geacht in verband met dit beginsel
Voor deze door de wetgever op grond van diens wetgevende macht gekozen
gelijkstellingen acht de Raad dan ook redenen aanwezig, die niets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht

De Raad moet dan ook constateren dat het gestelde in de 16e overweging
van het Hof ziet op een heel ander onderwerp. Het aspect dat de
AAW-uitkering in een aantal gevallen hoger is dan het vr intreden der
arbeidsongeschiktheid genoten inkomen, is van andere inhoud en orde dan een
benadering uitgaande van de omvang waarin men heeft gewerkt ter verkrijging
van inkomen

Degene die fulltime werkzaam was in loondienst en aanspraak had op het
wettelijk minimumloon, behoudt aanspraak op dat inkomensniveau bij volledige
arbeidsongeschiktheid. Een fulltime werkende zelfstandige had f voldoende
inkomen f moet dit bij wijze van fictie krijgen, nu de zelfstandige niet onder
de werking van de Wet op het Minimumloon en de Minimumvakantiebijslag valt

Bij parttimers geldt in wezen hetzelfde, nu echter gerelateerd aan het
aantal uren, zodat ook de uitkomst lager is dan het voltijdse minimumloon
De uitkering is niet lager dan het door arbeidsongeschiktheid gederfde
inkomen

Degene die heeft gekozen voor het parttime gaan werken, ook als dat
geschiedde om tijd te kunnen geven aan de eigen huishouding en de opvoeding
van de kinderen, kan zich dus geconfronteerd zien met het dervingsbeginsel in
die zin dat voor de AAW het dekkingsobject is de parttime verrichte arbeid
De door klaagster bepleite oplossing, uitgaande van
grondslagdiscriminatie, zou leiden tot een arbeidsloos inkomen waarbij het
dervingskarakter van arbeidsinkomen te zeer uit de AAW is gelicht

Nu zou nog bepleit kunnen worden dat degene die parttime heeft gewerkt,
bij arbeidsongeschiktheid naar rato van uren (pro rata- beginsel) aanspraak
moet hebben op een deel van het bestaansminimum/sociaal minimum

Van verweerders zijde is daarover ter zitting opgemerkt:

“De individuele grondslag is een geschikt middel om het beoogde doel
(dekking tegen inkomensderving) te bereiken. Er is geen sprake van
onevenredigheid tussen middel en doel. De Commissie heeft in dit verband
een aantal opmerkingen gemaakt over het “pro rata”-beginsel. Het Hof geeft
aan dat dit beginsel mag worden doorbroken als er rechtvaardigingsgronden
zijn. Een rechtvaardigingsgrond om het pro rata-beginsel bij de
deeltijdwerkers niet toe te passen is gelegen in de omstandigheid dat dit
beginsel ongunstig zou uitwerken bij al die deeltijdwerkers die meer dan het
minimumloon (per uur) verdiend hebben. Die zouden dan immers uiteindelijk
toch (pro-rata) een uitkering naar minimumloonniveau krijgen. Mijn
conclusie is dan ook dat er voor de individuele grondslag objectieve
rechtvaardigingsgronden bestaan. “

Dit is van klaagsters zijde niet weersproken. De Raad heeft
aanleiding om verweerder in zijn zienswijze te volgen

Al het vorenstaande houdt naar ’s Raads oordeel in een rechtvaardiging
van de grondslagregeling van de AAW door objectieve factoren die niets van
doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. De Raad wil echter nog
de volgende aspecten aanstippen

De juistheid van de aanname casu quo het uitgangspunt dat het hanteren
van een individuele grondslag bij verzekerden die niet in een voor hun beroep
normaal te achten duur hebben gewerkt (het Hof spreekt hier alleen van
deeltijdwerkers), een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, is – als
blijkt – door de Raad uitdrukkelijk niet nader beoordeeld. Het is niet op
voorhand uitgesloten dat, wanneer ook seizoenarbeiders mee in ogenschouw
worden genomen, alleen al getalsmatig een ander beeld van de verhouding mannen
– vrouwen wordt verkregen

Dat niet alle parttime werkende vrouwen gezins- of huishoudelijke
verplichtingen hebben, maar dat er ook vrouwen zullen zijn die (als het ware
sekse-neutraal) parttime willen werken om andere reden, laat de Raad ook daar

Voorts laat de Raad daar dat het in het geheel niet zeker is dat zich in
alle groepen gelijkgestelde personen ten opzichte van wie klaagster zich
gediscrimineerd voelt, in hoofdzaak mannen bevinden. Niet onaannemelijk
lijkt dat, voor zover dit het geval is, dit zou gelden bij de fulltime
werkende zelfstandigen. Juist daar is een fictie in verband met de
bescherming van arbeidsinkomen op grond van het dervingsbeginsel van de AAW
echter op zijn plaats

c. Het BuPo-Verdrag

Op grond van dezelfde argumenten als hiervoor onder a. gebezigd, moet
ook een beroep op art. 26 van het Verdrag inzake burgerlijke en politieke
rechten falen

De Raad wil aannemen dat ook indirecte discriminatie onder de
werkingssfeer van dat artikel valt, doch vindt zeker geen aanleiding om
klaagsters gemachtigde te volgen waar deze een (even) ruime hantering van dat
criterium voorstaat als in het kader van de zogenaamde Derde Richtlijn in
EG-verband wordt gehanteerd, waar volstaan wordt met getalsverhoudingen en een
daaraan ontleend vermoeden. Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van
vrij recente datum – bijvoorbeeld CRvB 30 augustus 1989, AB 1990, 63 – wijzen
in een heel andere richting dan een getalscriterium als maatgevend criterium
en duiden veeleer op een andersoortige en veel beperkter toetsing. Dit zal
gevolgen (kunnen) hebben voor de bewijslast wanneer strijd met art. 26
BuPo-Verdrag wordt gesteld in het licht van indirecte discriminatie

In dat kader wil de Raad niet onvermeld laten dat hij met belangstelling
heeft kennis genomen van de conclusie van de Advocaat-Generaal inzake het
verzoek van de Raad aan het Hof van Justitie om een prejudicile beslissing in
het onderhavige geding, met name waar deze aan het Hof in overweging geeft
voor recht te verklaren:

“1. Een wettelijke bepaling op grond waarvan deeltijdwerkers bij
arbeidsongeschiktheid geen aanspraak hebben op een uitkering, die is berekend
op basis van het minimumloon, is, wanneer deze bepaling meer vrouwen dan
mannen treft, verenigbaar met art. 4 lid 1 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad
van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de
sociale zekerheid, tenzij voor de nationale rechter wordt aangetoond dat voor
deze bepaling overwegingen hebben gegolden, die in enig opzicht iets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht. “

De Raad acht hantering van een getalscriterium in dat licht een veel
te grof instrument voor het trekken van een z verstrekkende conclusie inzake
het bestaan van indirecte discriminatie

d. In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad het beroep van
klaagster ongegrond verklaart. De bestreden beslissing is in
overeenstemming met de terzake verbindende bepalingen genomen en is ook
overigens juist te achten
è
Dit leidt tot het volgende dictum

6. Beslissing

De Raad van Beroep te Groningen,
..TE2:echt doende,

verklaart het beroep ongegrond

Rechters

Mr. T. Duursma, voorzitter, mrs G.R. Bakker en J.G. Wolters, leden

Instantie: Rechtbank Middelburg, 4 april 1990

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Appellante heeft volgens de Sociale Dienst van haar gemeente ten
onrechte bijstand ontvangen omdat zij een economische eenheid zou vormen met
haar vriend en zij een gezamenlijke huishouding zouden voeren. De vrouw
beweert dat zij een LAT-relatie had en financieel niet van haar vriend
afhankelijk was, noch wilde zijn. Zij gaat in beroep tegen de beslissing van
de gemeente haar bijstand in te trekken. Deze beslissing wordt vervolgens
door de Kroon bekrachtigd. De gemeente vordert bij de kantonrechter de teveel
betaalde bijstand terug.

De vrouw gaat in beroep bij de rechtbank. De rechtbank bepaalt dat de vrouw
er niet in is geslaagd te bewijzen dat zij in de betreffende periode geen
LAT-relatie met de ex-vriend had, en bevestigt het vonnis van de
kantonrechter.

Volledige tekst

2. De verdere beoordeling van het geschil.

2.1. De rechtbank verwijst naar de beschikking van 10 januari 1990.

Aan L. was opgedragen te bewijzen, dat niet juist is dat de in het geding
zijnde relatie met H. (zoals die op 30 september 1984 was) reeds op 1 juli
1983 bestond, althans voor 1 juli 1984 bestond.

2.2. In zijn tussenbeschikking van 27 september 1988 heeft de kantonrechter
vastgesteld dat de relatie tussen L. en H. op 30 september 1984 een
LAT-relatie betrof. Voor zover die relatie ook voor 30 september 1984 heeft
bestaan, is verhaal van gemaakte kosten van bijstand voor 30 september 1984
mogelijk.

2.3. In aansluiting aan hetgeen de rechtbank in haar tussenbeschikking van 10
januari 1990 heeft overwogen, moet er voorshands van worden uitgegaan dat de
LAT-relatie tussen L. en H. reeds op 1 juli 1983 bestond, tenzij L. het
tegendeel bewijst.

2.4. Door L. is H. als getuige voorgebracht.

Laatstgenoemde heeft onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard, dat hij L.
in de zomer van 1983 heeft leren kennen, dat hij toen samen met haar op
vakantie naar Duitsland is geweest en dat hij sindsdien regelmatig kontakt
met haar heeft gehouden. De getuige schat dat hij in de periode zomer 1983
tot en met zomer 1984 ongeveer twee keer per week bij L. kwam, bij welke
gelegenheden hij dan ook bleef overnachten.

Voor het overige verbleef hij elders, doch zelden in zijn eigen woning.
Voorts heeft de getuige verklaard, dat hij in september/oktober 1984 vaker
-dat wil zeggen drie tot vier keer per week- bij L. kwam, omdat hij toen aan
het verhuizen was. De situatie zoals de verbalisant W. die heeft geobserveerd
was derhalve niet representatief, aldus H. Over wat hij op de andere dagen
deed dan die waarop hij bij L. kwam kon hij geen antwoord geven.

2.5. Hetgeen de getuige H. heeft verklaard is niet onverenigbaar met het
bestaan van een LAT-relatie tussen hem en L. sinds 1 juli 1983. Dit leidt
ertoe dat L. niet geslaagd is in het bewijs van hetgeen haar te bewijzen was
opgedragen.

2.6. Het vorenstaande brengt met zich mee dat ook de subsidiaire grief niet
tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden.

3. De beslissing.

De rechtbank bevestigt de beschikking van de kantonrechter te Middelburg d.d.
5 september 1989.

Rechters

mrs. Witsiers, Doorewaard Boekhout en Dekkers

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 29 maart 1990

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Het ontbreken van toestemming van de vrouw voor een gynaecologisch
onderzoek levert een nietige overeenkomst op.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Bij verzoekschrift heeft OLVG uitvaardiging van een bevel tot betaling
tegen K verzocht voor een bedrag van ƒ 293,= met rente en kosten.

Naar aanleiding van het door K ingezonden antwoord is de zaak naar de
terechtzitting verwezen. OLVG heeft daar volhard bij haar standpunt. K
eveneens.

Nadat partijen bij conclusie van repliek (met een aantal bewijsstukken)
onderscheidenlijk schriftelijke dupliek hun wederzijdse standpunten hadden
gehandhaafd, is vonnis gevraagd.

Gronden van de beslissing

Vast staat dat K ingevolge een verwijzing van de verloskundige X zich op
30 juni 1986 heeft vervoegd bij OLVG voor een echoscopie en dat bij die
gelegenheid niet alleen een echoscopie is gemaakt maar K ook nog door een
gynaecoloog is onderzocht. Aan K is voor een en ander een rekening
gestuurd ten bedrage van in totaal ƒ 357,70 van welke rekening K het deel,
dat betrekking heeft op bedoeld gynaecologisch onderzoek, ten bedrage van
ƒ 173,- onbetaald heeft gelaten. OLVG verzoekt thans K tot betaling van
bedoelde kosten te veroordelen, waarbij overigens niet duidelijk is
geworden hoe OLVG daarbij tot een bedrag van ƒ 203,- in hoofdsom komt. K’s
verweer komt, naar de kern samengevat hierop neer, dat zij niet tot
betaling kan worden gehouden omdat zij bedoeld gynaecologisch onderzoek
niet wilde, hetgeen aan OLVG bekend was.

Zij voert daartoe het volgende aan. Zij was door haar vroedvrouw naar het
OLVG verwezen voor een echoscopie. In het OLVG werd haar medegedeeld dat
zij eerst een gynaecologisch onderzoek zou moeten ondergaan en wel omdat
de verzekeringsmaatschappijen zulks van OLVG zouden verlangen. Omdat zij
echter zulk een onderzoek niet wilde, is met haar vroedvrouw gebeld. Deze
deelde aan de dienstdoende hoofdzuster mede dat zij, vroedvrouw, het
geenszins noodzakelijk vond dat zij, K, eerst door een gynaecoloog zou
worden gezien. Omdat zij al een week op de echoscopie had moeten wachten
en zij na die vrijdag met vakantie zou gaan, heeft zij zich onder – jegens
OLVG kenbaar gemaakt – protest aan een gynaecologisch onderzoek
onderworpen. OLVG stelt dat K daarentegen op eigen verzoek door een
gynaecoloog is onderzocht.

Voor de beoordeling van het geschil is van belang dat K bij brief van 2
november 1986 onder mededeling van haar hiervoor weergegeven standpunt
heeft geprotesteerd tegen de rekening van OLVG van 27 augustus 1950 (de
kantonrechter leest 1986), voorzover deze betrekking heeft op het
gynaecologisch onderzoek. Daarop heeft OLVG bij brief van 26 november 1986
inhoudelijk slechts tegen ingebracht dat ‘het verzoek om een verwijzing’
iets is ‘waar door de verzekeringsmaatschappijen om gevraagd wordt’.
Daarop heeft K bij brief van 20 april 1987 haar standpunt herhaald en als
haar mening te kennen gegeven dat haar slechts aangaat de afspraak die zij
met OLVG maakt en dat zij niet gebonden is aan afspraken die OLVG met
verzekeringsmaatschappijen maakt, waarop OLVG bij brief van 15 juli 1987
mededeelt dat het hier niet gaat om afspraken, ‘doch ons door
verzekeringsmaatschappijen opgelegde maatregelen.’

Nu OLVG in deze correspondentie overigens met geen woord is ingegaan op
de door K al in haar eerste vermelde gang van zaken die tot het
gynaecologisch onderzoek heeft geleid, moet het in beginsel ervoor worden
gehouden dat deze is geweest zoals K heeft gesteld en is het aan OLVG om
te bewijzen dat K op eigen verzoek door een gynaecoloog is onderzocht.
OLVG heeft echter zulk bewijs niet aangeboden en de kantonrechter zal haar
ambtshalve geen bewijs opdragen nu geenszins valt uit te sluiten dat OLVG,
gezien de inmiddels versterken tijdsduur, welbewust van bewijslevering
wenst af te zien. Nu het voor wat betreft de overeenkomst betreffende een
gynaecologisch onderzoek bij K heeft ontbroken aan een op de
rechtsgevolgen gerichte wil en dit aan OLVG bekend was, is de overeenkomst
nietig. Dit brengt mee dat de vordering moet worden afgewezen.

OLVG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moeten worden
verwezen.

Beslissing

De vordering van eiseres wordt afgewezen.

Eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het geding, tot op heden aan
de zijde van gedaagde begroot op ƒ 50,= als noodzakelijk door gedaagde
gemaakte reis- en verblijfkosten.

Rechters

Mr. van der Linde