Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 29 januari 1990

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de
rechtbank te Amsterdam, waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand te
Amsterdam is gelast een akte van erkenning op te maken, waarbij de vader zijn
twee minderjarige kinderen erkent

Partijen hebben met enkele onderbrekingen van 1979 tot eind 1984
samengewoond. Na beeindiging van de relatie is de vader naar Joegoslavie
gegaan, waarna hij de kinderen enkel malen per jaar heeft bezocht. De vader
heeft zich in 1986 weer in Nederland gevestigd. In 1989 heeft hij een
verzoek tot het treffen van een omgangsregeling ingediend. Dit is
afgewezen. Thans vindt geen omgang plaats tussen de vader en de kinderen
De vader wil de kinderen erkennen maar de moeder weigert haar
toestemming

Voor een man en voor het kind tot hetwelk hij in een als “vie
familiale/family life” in de zin van artikel 8, lid 1 EVRM aan te merken
relatie staat, ligt in deze verdragsbepaling besloten dat zij er in beginsel
over en weer aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als
familierechtelijke rechtsbetrekking. Dit brengt mee dat aan een zodanige
man in beginsel de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan worden
onthouden

Een redelijke met artikel 8 EVRM rekening houdende uitleg van het
huidige recht brengt mee dat, ook al weigert de moeder de daartoe vereiste
toestemming, toch een rechtsgeldige erkenning tot stand kan komen door
vervanging van die toestemming door een rechterlijke uitspraak wanneer de
weigering van de moeder om toestemming te verlenen slechts kan worden opgevat
als misbruik van de bevoegdheid die in artikel 1:244, eerste lid, aanhef en
onder d, van het Burgerlijk Wetboek (BW) besloten ligt

Niet is gebleken dat de man terstond na de geboorte van ieder van de
kinderen, gepoogd heeft hen te erkennen

De moeder heeft aangevoerd dat een naamswijziging van de huidige
familienaam van de kinderen in de naam van de vader, met wie de band, zo die
er al is, slecht is, voor hen – na zoveel jaren – verwarrend zal zijn en dat
confrontatie van de buitenwereld met een nieuwe familienaam niet in het belang
van de kinderen is te achten

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is niet
gebleken dat de weigering van de moeder haar toestemming te verlenen slechts
kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in artikel 1:244,
eerste lid, aanhef en onder d, BW besloten ligt

Het verzoek wordt afgewezen

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

De verzoekende partij in hoger beroep, de moeder, is in hoger beroep
gekomen van een op verzoek van de verwerende partij in hoger beroep, de
vader, gegeven beschikking van 13 december 1988 van de rechtbank te
Amsterdam, waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand te Amsterdam is
gelast een akte van erkenning op te maken, waarbij de vader van de
minderjarige kinderen S. en I. erkent

Bij appelrekest heeft de moeder verzocht de beschikking waarvan beroep
te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek van de vader af te wijzen,
althans niet ontvankelijk te verklaren

De vader heeft daarop een verweerschrift ingediend

De ambtenaar van burgerlijke stand te Amsterdam heeft op 24 november
1989 ter griffie van het hof een notitie ingediend

De zaak is, na aanhouding ter terechtzitting van 13 september 1989 tot
die van 29 november 1989, op laatstgenoemde datum behandeld, op welk
terechtzitting partijen, de procureur-generaal bij dit hof, de Raad voor de
Kinderbescherming te Amsterdam en de ambtenaar van de burgerlijke stand te
Amsterdam, zijn gehoord. Daarbij heeft de procureur-generaal geconcludeerd
primair tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep en het alsnog
afwijzen van het inleidend verzoek, subsidiair – indien de beschikking
waarvan beroep zou worden bevestigd – tot bepaling van 13 mei 1988 als datum
van erkenning. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd de
beschikking waarvan beroep te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek af
te wijzen. Voorts heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand als haar
mening te kennen gegeven dat indien het hof tot bekrachtiging van de
beschikking waarvan beroep zou komen, de beslissing aangevuld zou moeten
worden met de datum van de erkenning, welke datum in deze 13 mei 1988 zou
zijn

2. De feiten en omstandigheden

bij de mondelinge behandeling en uit de stukken is onder meer het
volgende gebleken

Partijen hebben met enkele onderbrekingen van 1979 tot eind 1984
samengewoond. Uit deze samenleving zijn geboren op 21 mei 1982 S. en op 16
december 1983 I., over wie de moeder voogdes is en de vader sinds 14 januari
1983 respectievelijk 9 maart 1984 toeziend voogd. Na beeindiging van de
relatie van partijen in 1984 is de vader metterwoon naar Joegoslavie gegaan,
waarna hij bij overkomst naar Nederland de kinderen enkele malen per jaar
heeft bezocht

In september 1986 heeft de vader zich wederom in Nederland gevestigd.
Sindsdien verloopt de omgang tussen hem en de kinderen moeizaam

De Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam heeft blijkens zijn
rapport van 24 februari 1989 in 1987 en 1988 bemiddeld in een omgang tussen
de vader en de kinderen, hetgeen heeft geresulteerd in een aantal contacten
van de vader en de kinderen op het bureau van de raad, die zich echter niet
positief hebben ontwikkeld

Bij beschikking van 8 maart 1989 van de rechtbank te Amsterdam is het
verzoek van de vader tot het treffen van een omgangsregeling afgewezen. Bij
beschikking van 23 oktober 1989 van dit hof is deze beschikking bekrachtigd

Thans vindt geen omgang plaats tussen de vader en de kinderen

De vader wil de kinderen erkennen. De moeder heeft hem de daartoe
ingevolge artikel 1:244, eerste lid, aanhef en onder d, Burgerlijk Wetboek
(BW) vereiste toestemming geweigerd te verlenen

Vervolgens is op verzoek van de vader de beschikking waarvan beroep
gegeven

De vader is de biologische vader van S. en I. De vader en de moeder
zijn nimmer getrouwd geweest. Wel hebben zij ongeveer vijf jaren – zij het
met enkele onderbrekingen – samengewoond, gedurende welke samenwoning de
kinderen zijn geboren. De vader heeft met S. ongeveer twee jaren en met I.
een aantal maanden gezinsverband met de moeder geleefd. Sindsdien is er tussen
de vader en de kinderen – sporadisch – contact geweest

Uit deze omstandigheden vloeit voort dat tussen de vader en de kinderen
een band bestaat die kan worden aangemerkt als “vie familiale/family life” in
de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten
van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zodat de rechtbank de vader
terecht in zijn inleidend verzoek heeft ontvangen

Voor een man en voor het kind tot hetwelk hij in een als “vie
familiale/family life” in de zin van artikel 8, lid 1 EVRM aan te merken
relatie staat, ligt in deze verdragsbepaling besloten dat zij er in beginsel
over en weer aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als
familierechtelijke rechtsbetrekking. Dit brengt mee dat aan een zodanige man
in beginsel de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan worden
onthouden

Een redelijke met artikel 8 EVRM rekening houdende uitleg van het
huidige recht brengt mee dat, ook al weigert de moeder de daartoe vereiste
toestemming, toch een rechtsgeldige erkenning tot stand kan komen door
vervanging van die toestemming door een rechterlijke uitspraak wanneer de
weigering van de moeder om toestemming te verlenen slechts kan worden opgevat
als misbruik van de bevoegdheid die in artikel 1:244, eerste lid, aanhef en
onder d, van het Burgerlijk Wetboek (BW) besloten ligt

Niet is gebleken dat de man terstond na de geboorte van ieder van de
kinderen, althans eerder dan omstreeks mei 1988, gepoogd heeft hen te
erkennen

De moeder heeft aangevoerd dat een naamswijziging van de huidige
familienaam van de kinderen in de naam van de vader, met wie de band, zo die
er al is, slecht is, voor hen – na zoveel jaren – verwarrend zal zijn en dat
confrontatie van de buitenwereld met een nieuwe familienaam niet in het
belang van de kinderen is te achten

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is niet
gebleken dat de weigering van de moeder haar toestemming te verlenen slechts
kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in artikel 1:244,
eerste lid, aanhef en onder d. BW besloten ligt

Derhalve zal het inleidend verzoek van de vader alsnog dienen te worden
afgewezen

Dit leidt tot de volgende beslissing

4. De beslissing

Het hof: vernietigt de beschikking waarvan beroep; wijst alsnog af het
inleidend verzoek van de vader

Rechters

Mrs. van Gijn, Willems-Morsink en Stille

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 januari 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De Hoge Raad heeft (…) een beslissing genomen in de Utrechtse zaak van
de donor, die een omgangsregeling vroeg met het kind dat met zijn zaad was
verwekt. De Hoge Raad heeft de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam
d.d. 17 – 4 – 1989 bevestigd, die de donor niet-ontvankelijk heeft verklaard
in zijn verzoek. Naar het oordeel van de Hoge Raad is het enkele feit van
biologisch vaderschap onvoldoende om van ‘gezinsleven’ te kunnen spreken
tussen een kind en de man die niet met de moeder is gehuwd. Het bestaan van
gezinsleven is voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een verzoek aan de
rechter om een omgangsregeling te treffen. Om van gezinsleven te kunnen
spreken zijn naast dat biologisch vaderschap bijkomende omstandigheden
vereist, aldus de Hoge Raad. Het is aannemelijk dat de Hoge Raad met name
denkt aan voldoende feitelijke contact en/of verzorging. Nu de donor naast
zijn biologische vaderschap slechts een summier contact heeft gehad met het
kind, heeft hij daarmee geen gezinsleven

Bovenstaande redenering gaat niet op voor kinderen die geboren zijn uit
een huwelijk of een relatie van een man en een vrouw die op een lijn staat met
een huwelijk. Zo’n kind heeft door het enkele feit van de geboorte
gezinsleven met de vader (en uiteraard met de moeder). De ‘bijkomende
omstandigheden’gaan in dat geval op in het feit van het wettige huwelijk of de
daarmee vergelijkbare relatie. De Hoge Raad verwijst in zijn uitspraak naar
een eerdere beslissing van 10 november 1989. Daarin komt de Hoge Raad terug
op zijn eerdere standpunt dat biologisch vaderschap op zich al voldoende was
voor gezinsleven. Die eerdere jurisprudentie leidde tot een omstreden
uitbreiding van de personen die de rechter kunnen vragen een omgangsregeling
vast te stellen. Het standpunt van de Hoge Raad is dat zolang er tussen de
man die het zaad leverde en het kind geen regelmatige, intensieve contacten
worden onderhouden, zij geen interventie in hun priveleven hoeven te vrezen

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 30 juni 1988 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot
cassatie – verder te noemen X. – zich gewend tot de Kinderrechter in de
arrondissementsrechtbank te Utrecht met verzoek een zodanige omgangsregeling
te treffen tussen hem en R. geboren te Utrecht op 30 juli 1987 als natuurlijk
kind van verweerster sub 1, verder: Y., voornoemd, dat hij het kind een
weekend per maand van zaterdagochtend tot zondagavond bij zich zal mogen
houden

Nadat Y. en verweerster sub 2, verder: Z., tegen het verzoek verweer
hadden gevoerd, heeft de Kinderrechter bij tussenbeschikking van 8 november
1988 X. ontvankelijk in zijn verzoek verklaard en een verdere behandeling
bepaald. Bij beschikking van 14 december heeft de Kinderrechter het verzoek
van X. afgewezen

Tegen de beschikking van 8 november 1988 en de eindbeschikking van 14
december 1988 hebben Y. en Z. en tegen de eindbeschikking heeft X. hoger
beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam

Bij beschikking van 17 april 1989 heeft het Hof de beschikking van de
Kinderrechter van 8 november 1988, voor zover aan zijn oordeel onderworpen,
vernietigd, X. alsnog niet ontvankelijk verklaard in zijn inleidend verzoek
en voorts de beschikking van 14 december 1988 vernietigd. De beschikkingen
van de Kinderrechter en van het Hof zijn aan deze beschikking gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft X. beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
X. heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep

3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet van het volgende
worden uitgegaan:

Y. en Z. hebben een lesbische relatie met elkaar. Nadat zij te kennen
hadden gegeven graag een kind te willen, is in overleg met X. besloten dat
laatstgenoemde sperma ter beschikking zou stellen. In november 1986 vond
kunstmatige inseminatie plaats van Y. met zaad van X.. Vervolgens is op
30juli 1987 R. geboren. Bij beschikking van de Kantonrechter te Utrecht van
27 augustus 1987 is Z. benoemd tot toeziend voogdes over R.; Y. is van
rechtswege voogdes. X. is vanaf de geboorte diverse keren als oppas van R.
opgetreden en legde ook overigens regelmatige bezoeken af aan Y. en Z. en aan
R. Y. en Z. hebben hun contacten met X. medio april 1988 verbroken. Zij
hebben sedertdien geweigerd feitelijk contact tussen X. en R. toe te staan

3.2. Het Hof heeft X. niet-ontvankelijk verklaard in zijn inleidend
verzoek, daartoe overwegende dat de door hem gestelde en door Y. en Z. ten
dele betwiste, feitelijke contacten tussen hem en R. een dermate summier
karakter hebben gehad, dat op grond van die contacten – ook in combinatie
bezien met zijn donorschap – niet gezegd kan worden dat hij in een zo nauwe
persoonlijke betrekking met R. staat of heeft gestaan dat hij gezinsleven in
de zin van art. 8 EVRM met haar heeft gehad, hoewel hij zulks wellicht
gevoelsmatig anders beleeft

3.3 Aan onderdeel 1, in al zijn subonderdelen, en subonderdeel 2a van
het middel ligt de stelling ten grondslag dat tussen de biologische vader en
het kind steeds – en derhalve ongeacht de feitelijke contacten – een als “vie
familiale/family life” aan te merken betrekking bestaat. Die stelling is
onjuist. Om een betrekking tussen de biologische vader en het kind als “vie
familiale/family life” aan te merken, zijn nog bijkomende omstandigheden
vereist en derhalve is het enkele biologische vaderschap daartoe niet
voldoende (HR 10 november 1989, RvdW 1989, 248). Dit geldt ook voor het
biologische vaderschap dat op donorschap berust

Onderdeel 1 en subonderdeel 2a falen derhalve

3.4 Ook subonderdeel 2b is vergeefs voorgesteld. Het Hof heeft bij de
beoordeling van de vraag of tussen X. en R. een betrekking is ontstaan die
als “vie familiale/family life” is aan te merken, de gestelde feitelijke
contacten tussen hen als bijkomende omstandigheden betrokken. Het Hof heeft
daarbij die contacten evenwel van een te summier karakter geoordeeld om in
combinatie met het donorschap tot “vie familiale/family life” te besluiten.
Dit oordeel berust op een waardering van feitelijke omstandigheden, die aan
de feitenrechter is overgelaten en die niet blijk geeft van een onjuiste
rechtsopvatting

3.5 Subonderdeel 2c kan evenmin tot cassatie-leiden. Het Hof heeft tot
uitgangspunt genomen het in de tussenbeschikking van 8 november 1980 gegeven
oordeel van de Kinderrechter “dat door donorschap geen gezinsleven als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM onstaat”. Uit het voorgaande blijkt
dat dat oordeel juist is. X. heeft derhalve geen belang bij zijn klacht dat
het Hof dat uitgangspunt zelfstandig had dienen te onderzoeken, ook al heeft
hij niet tegen die tussenbeschikking geappelleerd

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep

Rechters

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 19 januari 1990

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Moeder weigert terecht haar toestemming. De vader en de moeder hebben
ruim twee jaar samengewoond. Het kind, dat uit deze relatie is geboren, is
6 jaar oud. De man heeft niet eerder geprobeerd het kind te erkennen. De
moeder weigert haar toestemming

De Rechtbank wijst het verzoek van de vader toe. Het Hof vernietigt
deze beschikking. Zie noot bij Rechtspraak Nemesis 1990 nr.95

Volledige tekst

1. De eerste aanleg

Bij die beschikking heeft de Rechtbank op een daartoe strekkend verzoek
van de man de ambtenaar van de Burgerlijke stand te (…) gelast het register
van geboorten van die gemeente, te weten onder (..) van het jaar 1983, aan te
vullen met een akte van erkenning door verzoeker van het op 26 september 1983
te (…) geboren kind (…) op te maken door de ambtenaar van de Burgerlijke
Stand

Die beslissing nam de Rechtbank na te hebben overwogen overeenkomstig de
inhoud van de bestreden beschikking, die zich bij de stukken bevindt en
waarnaar kortheidshalve wordt verwezen

2. De procedure in hoger beroep

Van die beschikking bij voormeld verzoekschrift in hoger beroep gekomen,
heeft de vrouw drie grieven aangedragen en het Hof — kort gezegd — verzocht
de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog af te wijzen het dit geding
inleidende verzoek van de man

Bij zijn op 18 december 1989 ter griffie van dit Hof ingediende
verweerschrift heeft de man de grieven van de vrouw bestreden en het Hof —
kort gezegd — verzocht de bestreden beslissing te bevestigen

Ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 december 1989 heeft het
Hof partijen en haar raadslieden gehoord

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van de vrouw hebben de strekking te betogen, dat de Rechtbank
ten onrechte op het dit geding inleidende verzoek van de man heeft beslist in
voege als hiervoor vermeld

Zij is van mening dat evengemeld verzoek van de man alsnog behoort te
worden afgewezen

4. De beoordeling

4.1. Het Hof is in het onderwerpelijke geval van oordeel, dat de man er
onder meer in beginsel recht op heeft, dan wel erop aanspraak heeft, dat zijn
relatie tot het ten processe bedoelde kind en van het kind tot hem, rechtens
wordt erkend als familierechtelijke rechtsbetrekking

4.1.1. Dit brengt met zich, dat aan de man, van wie ten processe
vaststaat, dat hij de verwekker van het hier bedoelde kind is, de mogelijkheid
van erkenning van het kind niet steeds kan worden onthouden, tenzij ter
bescherming vna de belangen van de onmiddellijk betrokkenen, zoals die van het
kind en/of zijn moeder, beperking van evengemelde mogelijkheid noodzakelijk
wordt geacht

4.2. In het onderhavige geval is als onbetwist ten processe komen vast
te staan, dat het uit de relatie van partijen geboren kind vanaf zijn
geboorte, derhalve gedurende reeds circa zes jaren, de geslachtsnaam draagt
van zijn moeder, in casu appellante, dat de minderjarige enkele jaren op de
basisschool zit, dat hij aldaar ‘onbedreigd’ staat ingeschreven onder de
achternaam van zijn moeder en dat hij ook onder die achternaam wordt
aangesproken

4.3. Ter zitting van het Hof heeft de man geen, althans onvoldoende,
zwaarwegende argumenten naar voren kunnen brengen op grond waarvan hij niet
reeds aanstonds na de geboorte tot erkenning is overgegaan, althans niet reeds
kort na de geboorte van het kind, maar eerst eind februari 1989 het dit geding
inleidende verzoek bij voornoemde Rechtbank heeft kunnen indienen

4.3.1. Voorts is ter zitting gebleken, dat de man tot aan de dag der
indiening van evengemeld verzoekschrift niets heeft ondernomen, waaruit het
kind en/of de vrouw zou(den) hebben kunnen opmaken, dat de man voornemens was
zijn relatie tot het kind op enigerlei wijze rechtens te willen erkennen

4.3.2. De man heeft het Hof nog medegedeeld, dat hij de litigieuze
erkenning van het kind in het belang acht van dit kind, omdat daardoor de
(financiele) belangen van de minderjarige kunnen worden gewaarborgd, doch
desgevraagd heeft de man ter zitting verklaard tot op heden geen enkele
financiele verantwoordelijkheid voor het kind aanvaard te hebben

4.4. Het vorenstaande in onderling verband en samenhang beziend komt het
Hof tot de conclusie, dat de ten processe bedoelde minderjarige, althans zijn
moeder, een rechtens te respecteren belang heeft bij de weigering van het
onderhavige verzoek van de vader, zodat reeds op voormelde gronden de
bestreden beschikking niet in stand kan blijven en behoort te worden
vernietigd in voege als hierna in het dictum vermeld

4.5. Het Hof is voorts van oordeel, dat hoewel juist is de grief van de
vrouw, dat in deze zaak de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de
desbetreffende Raad voor de Kinderbescherming te horen, die grief gezien het
vorenoverwogene haar belang heeft verloren

4.5.1 Daar komt bij dat — indien de belangen van de betrokkenen met
zich hadden gebracht dat de Raad voor de Kinderbescherming diende te worden
gehoord — in zaken als de onderhavige eveneens het Openbaar Ministerie in de
gelegenheid had dienen te worden gesteld te worden gehoord

4.6. In het onderwerpelijke geval acht het Hof termen aanwezig de op het
hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen te compenseren op nader aan
te geven wijze

5. Beslissing

Het Gerechtshof: vernietigt de beschikking, waarvan beroep

Wijst alsnog af het dit geding inleidende verzoek van de man

Compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen
in die zin, dat ieder van hen de eigen kosten draagt

Rechters

Mr. Wachter, Raadsheer – Voorzitter, mrs Adelmeijer en Nijman, Raden,dhr. Hurkens, griffier

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 17 januari 1990

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en willen scheiden
Ze hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel na de
echtscheiding. De inboedel bevindt zich in de echtelijke woning, waar de
man verblijft. De huwelijksgoederengemeenschap is nog niet gescheiden en
gedeeld, de notaris is hiermee belast

De vrouw vordert afgifte van de aan haar toegescheiden inboedelgoederen.
De man weigert dit, aangezien hij zich op het standpunt stelt dat pas tot
afgifte kan worden overgegaan, nadat partijen over de gehele boedelscheiding
(waaronder een groot aantal schulden) overeenstemming hebben bereikt

De president van de Rechtbank oordeelt dat de goederen – in afwachting
van de definitieve scheiding en deling – aan de vrouw ter beschikking moeten
worden gesteld

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE Ter terechtzitting van 12 januari 1990 is
namens eiseres gesteld en gevorderd de in fotokopie aan dit vonnis gehechte
dagvaarding, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt

Ter terechtzitting heeft eiseres haar vordering in dier voege gewijzigd,
dat van de goederen nog slechts afgifte wordt verzocht van: stofzuiger,
wasmachine, rijstkoker, platenspeler, driezitsbank, een grote plant, de helft
van de kleine plantjes, de helft van het servies, de helft van het bestek, de
helft van de pannen en de helft van de lampen

De raadsman van gedaagde heeft de vordering zoals gewijzigd bestreden

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder pleitnotities van
de beide raadslieden, voor vonniswijzing overgelegd

UITGANGSPUNT

1. Partijen zijn met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd
geweest. De echtscheiding is uitgesproken bij vonnis van deze rechtbank van
(…) 1989. Het echtscheidingsvonnis is op (…) 1989 ingeschreven in de
registers van de Burgerlijke Stand te Amsterdam

2. Scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin
partijen waren gehuwd heeft nog niet plaatsgevonden, bij gebreke van
overeenstemming hieromtrent

GRONDEN VAN DE BESLISSING

3. Eiseres vordert afgifte van de hierboven nader omschreven, tot de
huwelijksgoederengemeenschap behorende inboedelgoederen

4. Deze goederen behoren tot de nog niet gescheiden
huwelijksgoederengemeenschap. Het bestuur, beheer en genot over en van deze
goederen komt toe aan partijen gezamenlijk totdat scheiding en deling
(eventueel na een zwarighedenprocedure) heeft plaatsgevonden. Dit betekent
dat de president in kort geding vooralsnog geen definitieve beslissing kan
geven omtrent de afgifte van goederen

5. Gelet op hetgeen namens eiseres ter terechtzitting naar voren is
gebracht, is de president wel van oordeel, dat eiseres voldoende aannemelijk
heeft gemaakt dat zij er belang bij heeft op korte termijn over de door haar
gewenste goederen te beschikken. Daarbij overweegt de president onder meer,
dat gedaagde op zich geen bezwaar heeft tegen afgifte van deze specifieke
goederen; hij verzet zich echter tegen afgifte, omdat daarbij – naar zijn
oordeel – ook alle andere onderdelen van de huwelijksgoederengemeenschap
moeten worden betrokken

Gelet op het bovenstaande is de president voorshands van oordeel, dat
bij wijze van ordemaatregel, gegrond op de afweging van de wederzijdse
belangen bij de omstreden goederen, deze voorlopig – in afwachting van de
definitieve scheiding en deling – aan eiseres ter beschikking moeten worden
gesteld. Een termijn van 7 dagen, waarbinnen de goederen aan eiseres ter
beschikking moeten worden gesteld, komt de president redelijk voor

6. Voorts merkt de president nog op, dat de stelling van gedaagde,
inhoudende dat tot de huwelijksgoederengemeenschap ook moeten worden gerekend
de door gedaagde voor 7 september 1989 (inschrijving van het
echtscheidingsvonnis in de registers van de Burgerlijke Stand) betaalde
schulden zoals nader in de pleitnotities vermeld, verder – wat er ook
overigens van zij – onbesproken en onbeslist kan blijven

7. Nu het geding voortvloeit uit het tussen partijen ontbonden huwelijk,
dienen de proceskosten te worden gecompenseerd als hierna te vermelden

BESLISSING

Veroordeelt gedaagde binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis aan
eiseres voorlopig, in afwachting van de definitieve scheiding en deling van
de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, ter beschikking te
stellen de volgende inboedelgoederen:

stofzuiger, wasmachine, rijstkoker, platenspeler, driezitsbank, een
grote plant, de helft van de kleine plantjes, de helft van het servies, de
helft van het bestek, de helft van de pannen en de helft van de lampen;

zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,= voor iedere dag, dat
gedaagde in gebreke blijft met nakoming van dit bevel, tot een maximum van
ƒ 10.000,=

Bepaalt, dat eiseres gemachtigd zal zijn voormelde afgifte zonodig te
doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten
draagt

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd

Rechters

Mr. R.C. Gisolf, president

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 16 januari 1990

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Ingevolge artikel 160 boek 1 BW eindigt een verplichting van een gewezen
echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding alimentatie te betalen aan de
ex-echtgenoot, wanneer deze is gaan samenleven met een ander als ware zij
gehuwd

De uitlating van de vrouw dat zij haar ex-man wil uitmelken als een
melkkoe, is op zich genomen onvoldoende grond om haar relatie met haar vriend
een voor de man bijzonder grievend karakter toe te kennen. Aan deze
uitlating kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de vrouw niet wil
samenwonen omdat zij de alimentatie wil ontvangen. Er kunnen ook andere
redenen zijn dat de vrouw niet wil samenwonen

De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De man moet ƒ
1.000,– (duizend gulden) alimentatie blijven betalen

Zie verder de uitspraken in deze zaak van de Rechtbank Zutphen d.d. 1
mei 1986, rolnummer 176e/86 en d.d 15 augustus 1989 rekestnummers 1655v/86 en
152v/89

Volledige tekst

(…)OVERWEGENDE:

Het geding in eerste aanleg:

Het hof verwijst naar de inhoud van de beschikking waarvan beroep, die
in fotocopie aan deze beschikking is gehecht

Het geding in hoger beroep:

De vrouw heeft bij voormeld beroepschrift aan het hof verzocht de
beschikking van de rechtbank te Zutphen van 15 augustus 1989 te vernietigen
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de te geven beschikking

De man heeft in zijn verweerschrift aan het hof verzocht de beschikking
van de rechtbank te Zutphen van 15 augustus 1989, zonodig onder aanvulling en
verbetering der gronden, te bekrachtigen, alsmede de te geven beschikking
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 december 1989.
Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. O.Z.K.
Banki, advocaat te Deventer en de man bijgestaan door mr. E.J.P.J.M.
Kneepkens, advocaat te ‘s-Hertogenbosch

De vaststaande feiten:

De door de rechtbank in haar beschikking van 7 maart 1989 en in haar
beschikking van 15 augustus 1989 onder 1 en 3, eerste alinea, vastgestelde
feiten staan – voor zover hierna niet aangevuld en verbeterd – ook in hoger
beroep vast, nu zij door geen van beide partijen zijn bestreden

Eveneens onbestreden is gebleven het oordeel van de rechtbank dat de
verklaringen van de gehoorde getuigen, in onderling verband en afzonderlijk
gezien, niet tot de conclusie kunnen leiden dat de vrouw samenleeft met een
ander als ware zij met deze gehuwd en dat met name niet is gebleken van een
in principe constante samenwoning en van een wederzijds verzorgen

Beoordeling:

1. Ingevolge artikel 160 boek 1 Burgerlijk Wetboek -voorzover ten deze
van belang- eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde
van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer
deze is gaan samenleven met een andere als waren zij gehuwd

2. Tussen partijen staat in hoger beroep onbestreden vast dat van een
zodanig samenleven van de vrouw met een ander niet is gebleken

3. Nu anderzijds tussen partijen vaststaat dat de vrouw een
liefdesrelatie onderhoudt met een andere man, zou zulks voor de aanspraak van
de vrouw op alimentatie weliswaar van belang kunnen zijn, doch – gelet op de
beperkte strekking van artikel 160 – alleen dan, indien die relatie invloed
heeft op haar behoeftigheid, dan wel een voor de man zo grievend karakter
heeft dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij voortgaat
met alimentatiebetaling aan de vrouw

4. Van invloed van de relatie op de behoeftigheid van de vrouw is ten
processe niet gebleken

5. Voor het oordeel of die relatie een voor de man bijzonder grievend
karakter heeft, moet er van worden uitgegaan dat het aangaan en hebben van
een liefdesrelatie door een van echt gescheiden vrouw in het algemeen geen
wangedrag jegens haar ex-echtgenoot oplevert. Feiten en omstandigheden die
juist met betrekking tot deze relatie tot een ander oordeel zouden moeten
leiden zijn noch gesteld noch gebleken

6. Zulks geldt met name ook voor de door de rechtbank in
rechtsoverweging 3 weergegeven uitlating van de vrouw jegens een der
getuigen, “de man te zullen uitmelken als een melkkoe”. Die uitlating moet
worden gezien in de context waarin zij is gedaan, te weten bij een gesprek met
de getuige R., die de vrouw bij een – volgens haar verklaring blijkbaar
onaangekondigd – bezoek aan haar heeft gezegd dat zij zich “niet kon
begrijpen hoe iemand die gescheiden was en een nieuwe relatie was aangegaan
evengoed nog alimentatie kon trekken van haar gewezen man”

Dat de vrouw op die kritische opmerking mogelijk aldus heeft gereageerd,
is op zich genomen onvoldoende grond om haar relatie met haar vriend een voor
de man bijzonder grievend karakter toe te kennen. In het midden kan dan ook
blijven of -zoals de vrouw aanbiedt te bewijzen – dat bewuste gesprek heeft
plaatsgevonden op een moment dat de getuige R. reeds de vriendin van de man
was

7. Ook kan aan deze uitlating van de vrouw niet de gevolgtrekking worden
verbonden dat – zoals de rechtbank overweegt – bij de vrouw met betrekking
tot de inrichting van haar liefdesrelatie voorop heeft gestaan, de
alimentatieplicht van haar gewezen echtgenoot onverlet te laten

8. Tenslotte acht het hof – anders dan blijkbaar de rechtbank – zeer wel
mogelijk, dat partners in een liefdesrelatie om andere dan alimentaire
overwegingen niet verkiezen hun levens totaal te integreren, zodat de
rechtbank aan haar andersluidende oordeel ten onrechte gevolgtrekkingen heeft
verbonden met betrekking tot de geloofwaardigheid van de verklaring van de
vrouw, een zodanige integratie om anderen redenen niet te wensen

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de beslissing van de
rechtbank – wat er zij van de afzonderlijke grieven van de vrouw – niet in
stand blijven en moet het verzoek van de man alsnog worden afgewezen

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn zal het hof de kosten compenseren
zoals hierna geschiedt

Beschikkende in hoger beroep, vernietigt de beschikking van de rechtbank
te Zutphen van 15 augustus 1989; wijst het verzoek van de man tot wijziging
van het vonnis van die rechtbank van 1 mei 1986; compenseert de kosten van
het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt

Rechters

Mrs. Trijbits. van der Grinten, den Hartog en Mooy als griffier

Instantie: President rechtbank te Haarlem, 12 januari 1990

Instantie

President rechtbank te Haarlem

Samenvatting


X. is werkzaam bij de Provincie. Y. is werkzaam geweest bij de
Provincie. Na zijn vertrek bij de Provincie blijft hij X. en haar familie
lastig vallen. Hiervan heeft X. last maar ook haar werkgever de Provincie
Y. betwist dat hij X. regelmatig lastig valt

De President is van mening dat het voldoende aannemelijk is gemaakt
dat Y. degene is die X. regelmatig lastigvalt

Dit gedrag is onrechtmatig ten opzichte van X. maar ook ten opzichte van
haar werkgever. Drie werknemers worden door het gedrag van Y. ernstig in
hun werkzaamheden belemmerd

Y. wordt verboden contact op te nemen met X. en hij mag geen contact
opnemen met de provincie anders dan via zijn raadsman. Dit alles onder
verbeurte van een dwangsom van ƒ 250,– voor iedere overtreding

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. Ter terechtzitting van 5 januari 1990 hebben eiseres, hierna
respectievelijk ook X. en de Provincie te noemen, overeenkomstig de
dagvaarding gevorderd dat de President bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagde zal verbieden – telefonisch, schriftelijk en in persoon –
contact op te nemen met eiseres sub 1, eiseres sub 2 en ook de familieleden
van eiseres sub 1, zulks op verbeurte van een aan eiseressen te betalen
dwangsom van ƒ 500,– bij iedere overtreding van het gevorderde verbod, met
veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding

1.2. Eisers hebben hun vordering toegelicht bij monde van hun procureur,
die zich daarbij heeft bediend van een pleitnota en produkties in het geding
heeft gebracht

1.3. Namens gedaagde, hierna ook aan te duiden als Y., heeft zijn
procureur tegen de vordering verweer gevoerd. Deze heeft zich daarbij
eveneens van een pleitnota bediend en produkties overgelegd. Dit verweer is
uitgemond in de conclusie tot afwijzing van de vordering van eisers met
veroordeling van eisers in de kosten van dit geding

1.4. In tweede termijn zijn partijen op hun standpunten blijven staan

1.5. Ter terechtzitting waren aanwezig X, Y. (beiden in persoon), M.J.
Olie, secretaresse van X. en A.J. Voogt, personeelsconsulent bij de Provincie
en J.F. Brink, telefooncentralist bij de Provincie; op vragen van de
President hebben zij nadere informatie verschaft

1.6. Tenslotte hebben partijen hun geding- en bewijsstukken, waaronder
de pleitnota’s, overgelegd voor vonnis. De uitspraak daarvan is bepaald op
heden

2. HET GESCHIL VAN PARTIJEN

2.1 De vaststaande feiten

Als gesteld en erkend danwel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken
alsmede op basis van overgelegde bescheiden, voorzover niet betwist, staat
tussen partijen in dit geding het volgende vast:

a. Y. is van 15 juni 1987 tot 15 juni 1989 werkzaam geweest bij de
Economisch Technologische Dienst van de Provincie (hierna: ETC) in het kader
van een werkervaringsproject

b. X. was eveneens werkzaam bij de ETC. X. is sinds 1 juni 1989 chef
interne zaken van de Dienst Welzijn, Economie en Bestuur (hierna: WEB)

c. Y. heeft gevoelens van affectieve aard voor X. opgevat

d. Bij brieven d.d. 2 oktober 1988 en 29 juli 1989 heeft Y. zich tot X.
gewend. In deze brieven belooft Y. onder andere geen contact meer te zoeken
met X. en zijn gedrag ten opzichte van haar te zullen wijzigen

e. Y. heeft zich in januari 1989 tot het RIAGG gewend dat hem heeft
doorverwezen naar het consultatiebureau voor alcohol en drugs

f. In april 1989 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen X. en Y. in
het bijzijn van een personeelsfunctionaris en een bedrijfsmaatschappelijk
werker. Naar aanleiding van dit gesprek heeft Y. wederom toegezegd zijn
gedrag ten opzichte van X. te zullen wijzigen

g. Bij brief d.d. 9 augustus 1989 heeft Z., waarnemend directeur van de
dienst WEB, Y., voorzover hier van belang, laten weten:

“Van mevrouw X. en anderen heb ik vernomen dat u haar en haar
familieleden nog steeds telefonisch lastig valt. Dit gedrag is voor onze
organisatie niet tolerabel. Daarom zal ik, als mij opnieuw blijkt dat u
mevrouw X. of haar familie lastig valt, uw uitkering onder de voorwaarden
genoemd in de Uitkeringsregeling 1966 op grond van artikel 24 lid 4 sub a
vervallen verklaren .”

h. Bij brief d.d. 28 augustus 1989 heeft de directeur van de dienst WEB,
A., Y., voorzover hier van belang, meegedeeld:

“Van mevrouw X. heb ik vernomen dat u haar ouders wederom telefonisch
heeft lastig gevallen

Op grond van mijn brief d.d. 9 augustus j.l., kenmerk P/89-2805, deel ik
u derhalve mede dat ik uw uitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966
met ingang van 1 september 1989 geheel vervallen verklaard .”

i. Terzake van het vervallen verklaren van de uitkering heeft Y. een
bezwaarschrift bij de Provincie ingediend, dat nog in behandeling is. Hij
wordt in deze bijgestaan door een raadsman, zijn procureur in dit geding

2.2. De grondslag van de vordering

Eisers, stellende daarbij een spoedeisend belang te hebben, leggen aan
hun vordering naar de kern weergegeven, ten grondslag dat Y. onrechtmatig
jegens X. en de Provincie handelt. Eisers voeren daartoe aan:

Met betrekking tot X.

– Y. belt X. zeer frequent, soms enige tientallen malen per dag op zowel
op haar prive-adres als tijdens het verrichten van haar werkzaamheden in een
van de gebouwen van de Provinciale diensten. X. ondervindt ernstige overlast
van de telefonades die een inbreuk vormen op haar persoonlijke levenssfeer

– Y. valt de ouders en zuster van X. telefonisch lastig. X. ervaart dit
als bedreigend, pijnlijk en genant

met betrekking tot de Provincie

– Y. belemmert X., de secretaresse van X. en de centralist Brink in hun
werk ten dienste van de Provincie en houdt telefoonlijnen bezet als gevolg
waarvan derde de dienst WEB niet kunnen bereiken

2.3. Het verweer

Y. betwist onrechtmatig jegens eisers te hebben gehandeld. Y. voert
daartoe aan:

– Weliswaar heeft Y. X. in de perioden augustus/december 1988, maart
1989 en in juli/augustus 1989 enige malen gebeld maar er is geen sprake van
dat hij X. frequent, laat staan enige tientallen malen per dag telefonisch
benadert;

– Op 20 september 1989 heeft Y. X. voor het laatst gebeld om haar te
overtuigen van zijn onschuld;

– Y. heeft de ouders van X. eind juli 1989 voor het laatst gebeld.
Sinds die datum is Y. niet meer met hen in contact getreden;

– Y. heeft X. nooit schriftelijk of in persoon lastig gevallen zodat het
gevraagde verbod op deze punten onbegrijpelijk voorkomt;

– Y. heeft de Provincie na het ontvangen van de brief d.d. 28 augustus
1989 (zie 2.1. sub g) slechts enkele malen gebeld omdat hij inlichtingen
wenste over de stand van zaken met betrekking tot zijn geschorste
wachtgelduitkering

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het voldoende
aannemelijk is geworden dat Y. zodanig frequent heeft getracht telefonisch in
contact te treden met X. dat hij door die handelwijze (onder andere)
onrechtmatig jegens X. heeft gehandeld

3.2 Y. heeft ter terechtzitting gesteld dat hij slechts enkele malen in
een periode van iets meer dan een jaar telefonisch contact met X. heeft gehad
en niet hij maar een andere persoon anoniem naar de Provincie belt

3.3 Deze stelling komt op grond van het hieronder sub 3.4. tot en met
3.8. overwogene niet aannemelijk voor

3.4 Y. heeft een brief van zijn maatschappelijk werker Dick R. Vermeulen
d.d. 27 december 1989 overgelegd. In deze brief, gericht aan de raadsman van
Y., verklaart bovengenoemde Vermeulen:

“Y. werd destijds naar ons verwezen nadat zijn telefoonprobleem aan het
licht was gekomen en er tevens sprake bleek van problematisch alcoholgebruik

Zowel over zijn veelvuldige telefonades als over zijn drankgebruik was
Y. volstrekt open. Hij gaf aan beide problemen serieus te willen aanpakken

Op de vraag of Y. zich ook na 9 augustus 1989 aan telefoonterreur (zoals
hij dat zelf noemt), heeft schuldig gemaakt kan ook ik uiteraard geen al te
stellig antwoord geven”

3.5 In een eveneens door Y. overgelegde verklaring van een van zijn
vrienden G.K.M. de Vries d.d. 20 december 1989 verklaart deze, voorzover hier
van belang:

“Mij was bekend dat Y. vorig jaar ene X. enige tijd telefonisch lastig
gevallen had. Ik heb getracht hem daarvan te weerhouden omdat ik uit eigen
ervaring weet hoe indringend zoiets kan zijn

In eerste instantie raar om op te biechten dat hij dat geweest was. Ik
geloof dat hij enige keren daarna haar weer lastig gevallen heeft maar alleen
thuis .”

3.6 Ter terechtzitting hebben als informant verklaard

– zakelijk weergegeven -:

J.F. Brink, telefooncentralist bij de Provincie:

– dat in de periode juni 1989/december 1989 iemand frequent en met zeer
korte tussenpozen het toestel van X. heeft gebeld om na opneming steeds weer
het contact te verbreken;

– dat, als het toestel van X. niet wordt opgenomen, het gesprek bij de
centralist binnenkomt waarna het contact na het opnemen eveneens wordt
verbroken;

– dat het regelmatig voorkomen dat dezelfde persoon die zich niet bekend
maakte binnen een tijdsbestek van 30 a 45 minuten meer dan 10 keer probeerde
via de centrale X. te bereiken;

3.7 A.J. Voogt, personeelsconsulent bij de Provincie:

– dat hij op 29 november 1989, nadat X. wederom een aantal anonieme
telefoontjes had gekregen, op verzoek van X. bij haar telefoontoestel is
gekomen;

– dat hij, toen de telefoon van X. weer ging, die telefoon heeft
opgenomen en toen de stem van Y. herkende;

3.8 M.J. Olie, secretaresse van X.:

– dat zij in de loop van 1989 ernstig is gestoord in het verrichten van
haar werkzaamheden omdat een en dezelfde persoon vele malen achter elkaar via
het toestel van X. op haar toestel binnenkwam en zij die telefoontjes moest
beantwoorden;

– dat er bij herhaling niets werd gezegd of dat er door een man werd
gesproken die zich niet bekend maakte;

– dat tijdens een van die gesprekken de man zich met de naam Y. meldde
en zij er van overtuigd is dat het Y. is die anoniem of zwijgend belt

3.9 De President is van oordeel dat het op grond van het hierboven sub
3.4. tot en met 3.8. overwogene voldoende aannemelijk is geworden dat het Y.
was die gedurende een aanzienlijke periode en ook nog betrekkelijk recent
zijn drang om telefonisch in contact te treden met X. niet heeft kunnen
bedwingen en haar via de centrale, via haar secretaresse of op haar eigen
toestel frequent telefonisch heeft getracht te bereiken

3.10 Deze handelwijze acht de President als aantasting van de
persoonlijke levenssfeer van X. onrechtmatig ten opzichte van X., die naar
eveneens aannemelijk is geworden ook op haar prive-adres telefonisch is
lastiggevallen

3.11 Bedoelde handelwijze is ook ten opzichte van de Provincie
onrechtmatig. Immers hoewel het voorkomt dat een werknemer of een afdeling
van een overheidslichaam bij herhaling door dezelfde persoon wordt gebeld en
dit binnen bepaalde marges en mede afhankelijk van hetgeen daarbij aan de
orde is, getolereerd moet worden, gaan de telefonades van Y., ook gelet op de
bedoeling ervan: uitsluitend het leggen van persoonlijk contact met X., zowel
in tijdsduur als in frequentie de grenzen van het redelijke te buiten. Zij
hebben tot gevolg dat tenminste drie werknemers van de Provincie, X., J.F.
Brink en M.J. Olie, ernstig in hun werkzaamheden worden belemmerd. Daar komt
nog bij dat de telefoonlijn die bestemd is om derden de gelegenheid te bieden
in contact te treden met de Provincie aldus wordt geblokkeerd

3.12 Het onder 3.10 en 3.11 overwogene klemt temeer omdat de Provincie
door middel van een gesprek en waarschuwingen heeft geprobeerd een
verandering in het gedrag van Y. te bewerkstelligen

3.13 In lijn met zijn habitus tot voor kort valt er redelijkerwijze mee
te rekenen dat Y. bij een verbod uitsluitend om telefonisch contact met X. op
te nemen zich – zoals hij ook eerder tweemaal deed – schriftelijk of in
persoon met eerdergenoemd oogmerk tot X. zal blijven wenden waarvan zijn niet
gediend is en ook niet behoeft te zijn. Derhalve zal het onder 1.1
geformuleerd verbod ten opzichte van X. compleet worden toegewezen

3.14 Dit ligt anders ten opzichte van de Provincie

3.15 Er zijn, mede gelet op het ten behoeve van X. reeds te geven
verbod, onvoldoende aanknopingspunten om de redelijke kans aanwezig te achten
dat Y. zich, om contact te leggen met X., schriftelijk of in persoon nog tot
de Provincie zal wenden op een wijze die zodanig hinderlijk is dat van
onrechtmatig handelen jegens de Provincie kan worden gesproken. In zoverre is
het gevraagde contactverbod niet toewijsbaar

3.16 Gelet op hetgeen 3.11 en 3.12 is overwogen, is het verbod tot
telefonisch contact wel toewijsbaar met dien verstande dat Y. de mogelijkheid
moet behouden met de Provincie telefonisch contact te leggen terzake van zijn
thans geschorste wachtgelduitkering. Evenwel misverstand en/of verwarring
met betrekking tot de vraag om welke reden en terzake van welk onderwerp Y.
eventueel telefonisch contact met de Provincie opneemt, dient te worden
voorkomen. Derhalve zal het verbod van telefonisch contact met de Provincie
in het belang van duidelijkheid in de praktijk in die zin worden
geclausuleerd dat Y. wel vrij staat om via zijn raadsman terzake van de
geschorste wachtgeldregeling telefonisch contact met de Provincie op te nemen

3.17 Het belang van de familie van X. om gevrijwaard te blijven van
ongewenst contact met Y. is te ver verwijderd van het eigen belang van X. bij
deze vrijwaring en laatstbedoeld belang is inhoudelijk te weinig
geconcretiseerd dan dat Y. in dit geding – waarin de familie van X. niet mede
als eisende partij optreedt – kan worden verboden in contact te treden met de
familie van X

Slotsom en kosten

3.18 Al het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de gevraagde
voorzieningen kunnen worden toegewezen als na te melden. De te geven
verboden worden worden niet aan een bepaalde geldigheidsduur gebonden,
aangezien thans niet valt te overzien hoe de in deze relevante omstandigheden
van Y. zich zullen ontwikkelen. Partijen kunnen te eniger tijd zelf de
werking van de verboden beeindigen danwel terzake de tussenkomst van de
President inroepen. De President acht termen aanwezig de gevorderde dwangsom
te matigen

Gedaagde zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de
kosten van de procedure worden veroordeeld

4. BESLISSINGEN

De President, rechtdoende in kort geding:

4.1 Verbiedt gedaagde – telefonisch, schriftelijk en in persoon –
contact op te nemen met eiseres sub 1;

4.2 Verbiedt gedaagde voorts telefonisch contact op te nemen met eiseres
sub 2 anders dan via zijn raadsman in het kader van de bij de Provincie
aanhangige bezwaarschriftprocedure inzake het vervallen verklaren van de
uitkering;

4.3 Bepaalt dat gedaagde een dwangsom van ƒ 250,– (TWEEHONDERDVIJFTIG
GULDEN) zal verbeuren voor iedere overtreding van een der onder 4.1. en 4.2.
gegeven verboden;

4.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5 Weigert de meer of anders gevraagde voorzieningen;

4.6 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot heden aan de
zijde van eiseressen begroot op ƒ 301,25 aan verschotten en ƒ 1.100,– aan
procureurssalaris

Rechters

Mr. H.F. van den Haak, president

Instantie: Raad van Beroep Haarlem, 5 januari 1990

Instantie

Raad van Beroep Haarlem

Samenvatting


De bedrijfsvereniging heeft het verzoek van klaagster om toekenning van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering afgewezen omdat klaagster in het jaar voor
het intreden van de arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit arbeid van
tenminste ƒ 4.403,53 heeft verdiend en zij ook niet valt onder de
uitzonderingen die de AAW maakt

De Raad stelt zich de vraag of de inkomenseis terecht is gehanteerd
Door klaagsters gemachtigde is niet aannemelijk gemaakt dat de
inkomenseis in het bijzonder ten nadele van (gehuwde)vrouwen zou werken

Doel van de AAW is het opvangen van inkomensderving. Dit heeft tot
gevolg dat onder andere (gehuwde)vrouwen die niet aan het arbeidsproces
deelnamen, verstoken blijven van een AAW-uitkering. Klaagster, die een
RWW-uitkering genoot, wordt geacht niet aan de inkomenseis te voldoen. De
Raad is van mening dat dit doel en deze opzet van de AAW alleszins als een
objectieve en redelijke grond voor (mogelijk) indirect onderscheid tussen
mannen en (gehuwde) vrouwen aan te merken valt

Het beroep wordt ongegrond verklaard

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder d.d. 14 september 1988

Kenmerk: aaw/wao/reg.nr. 02-762.17.10.47.0

2. Terechtzitting

datum: 13 december 1989

Klaagster in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Boot, voornoemd

Verweerder verschenen bij gemachtigde mr. J.P.M. Tijm, beambte
beroepszake in dienst van verweerders administratie

3. Feiten welke de Raad als vaststaande aanneemt

Klaagster heeft verweerder op 30 april 1988 verzocht om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Klaagster stelt sedert juli 1987 geheel
arbeidsongeschikt te zijn

Bij de bestreden beslissing heeft verweerder afwijzend beslist aangezien
klaagster in het jaar voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid geen
inkomen uit arbeid (of een daarmee gelijk te stellen inkomen, in de vorm van
een uitkering) van tenminste ƒ 4.403,52 heeft verdiend en zij ook niet valt
onder de uitzonderingen, die de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
maakt

Namens klaagster is tegen deze beslissing beroep ingesteld en aangevoerd
dat het wettelijk vereiste van de inkomenseis niet gebillijkt kan worden en
in strijd is met de derde Europese richtlijn en internationale verdragen
waaraan Nederland gebonden is

De zaak is naar de zitting verwezen

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken alsmede het verhandelde ter terechtzitting

5. Motivering

De bestreden beslissing stoelt uitsluitend op de zogenaamde inkomenseis,
waaraan klaagster niet voldeed. In geding is de vraag of de inkomenseis door
verweerder terecht is gehanteerd. Het volgende is van belang

Art. 6 AAW bevat de zogenaamde inkomenseis, die voor iedere verzekerde,
ongeacht geslacht of anderzins, geldt. De vraag of dit wetsvoorschrift te
billijken valt, kan de raad onbeantwoord laten, gelet op art. 11 van de Wet
Algemene Bepalingen dat voorschrijft dat de rechter niet de innerlijke waarde
der wet mag beoordelen. Nu de wetgever een duidelijke keuze heeft gemaakt en
de bedoeling van het voorschrift duidelijk is, kan de rechter dit voorschrift
niet om redenen van billijkheid buiten toepassing laten

Een andere grief tegen de beslissing betreft het Inkomensbesluit AAW,
met name het feit dat klaagster, die een uitkering krachtens de
Rijksgroepregeling Werkloze Werknemers (RWW) genoot, geacht wordt niet aan de
inkomenseis te voldoen. De Raad volstaat met te verwijzen naar de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 december 1985 (RSV 1985/111),
inhoudende dat Bijstandsuitkeringen niet als “inkomen” in de zin van het
Inkomensbesluit AAW aan te merken zijn.

Voorts is van de zijde van klager gewezen op met Europees en
verdragsrecht strijdige discriminatie, omdat de inkomenseis vrouwen in
meerdere mate zou treffen dan mannen. Naar aanleiding hiervan merkt de raad
het volgende op

Door klaagsters gemachtigde is niet aannemelijk gemaakt dat de
inkomenseis in het bijzonder ten nadele van (gehuwde) vrouwen zou werken;
voorzover de raad bekend, zijn hierover ook geen betrouwbare gegevens
voorhanden

Maar ook indien zou blijken dat zich inderdaad discriminatie voordoet,
kan de raad niet met klaagster meegaan. Ter beoordeling van de
toelaatbaarheid van discriminatie dient te worden gekeken naar het doel van
de regeling

Bij de AAW was dit doel van het begin af aan het opvangen van
inkomensderving waar inkomen uit of in verband met arbeid komt te ontbreken,
een veel voorkomende doelstelling

Deze doelstelling blijkt uit tal van wetsartikelen (artt. 5, 6, 24 ev.,
32 ev. AAW); binnen die doelstelling past ook de in 1979 ingevoerde
inkomenseis. Uiteraard heeft deze wettekst tot gevolg dat onder andere
(gehuwde) vrouwen die niet aan het arbeidsproces deelnamen, verstoken blijven
van een AAW-uitkering. Ook bij klaagster deed zich geen inkomensderving voor
zoals door de regelgever bedoeld

Het lijkt de raad niet voor discussie vatbaar dat, mede gelet op de
huidige maatschappelijke opvattingen en de doelstellingen die aan het moderne
sociale verzekeringsrecht ten grondslag liggen, dit doel en deze opzet van de
AAW alleszins als een objectieve en redelijke grond voor (mogelijk) indirect
onderscheid tussen mannen en (gehuwde) vrouwen aan te merken vallen. Van
ongeoorloofde discriminatie is daarom naar het oordeel van de raad geen sprake.
Het feit dat de regelgever voor enkele groepen een bijzonder regeling heeft
getroffen, kan hieraan niet afdoen. De conclusie moet zijn dat klaagster op
goede gronden, wegens het niet-voldoen aan de wettelijke inkomenseis,
AAW-uitkering is geweigerd

6. Uitspraak

De Raad van Beroep te Haarlem, recht doende in naam der Koningin,
verklaart het beroep ongegrond

Rechters

Mr. M. van Cappellen van Walsum – den Haan als voorzitter, K. Schenk enC. Nieuwkoop als leden en mr. A.H. Knigge – Kanbier als griffier

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 4 januari 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Echtgenoten van de gedaagden zijn directeur en tevens enig aandeelhouder
van de vennootschappen. De vennootschappen zijn werkgever van de gedaagden
Eisers hebben gedaagden medegedeeld, dat de verplichte verzekeringen van
gedaagden ingevolge de ZW, WW, WAO en ZFW met ingang van 1 januari 1989 zullen
worden beeindigd zulks onder de overweging dat gedaagde niet langer uit hoofde
van haar arbeidsverhoudingen als werkneemster in de zin van die wetten kunnen
worden aangemerkt

Eisers achten het al dan niet bestaan van de huwelijksband voor de
beoordeling van de verzekeringsplicht in arbeidsrelaties als in de onderhavige
gevallen van doorslaggevende betekenis. Artikel 1637i BW bepaalt dat een
tussen echtgenoten aangegane arbeidsovereenkomst nietig is, en de strekking
van dit artikel brengt met zich mee dat het enkele bestaan van een
huwelijksband tussen de directeur/grootaandeelhouder en de echtgenote (tevens
werkzaam in de vennootschap) leidt tot afwezigheid van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking (in het bijzonder de voorwaarde gezagsverhouding) tussen
genoemde partijen. De Raad van Beroep volgt deze redenering niet. De
Raad komt tot het oordeel dat eisers, door de thans aan de orde zijnde
beslissingen uitsluitend te baseren op het -in het geding in eerste aanleg en
in hoger beroep naar voren gebrachte- standpunt dat gedaagden in verband met
de uitspraak van de Raad van 4 oktober 1985 in samenhang met (slechts) artikel
1637i van het Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1989 niet langer verzekerd zijn
te achten en dat aldus geen aandacht aan de feitelijke omstandigheden van de
gevallen behoeft te worden geschonken, aan hun beslissingen een onjuiste
motivering ten grondslag hebben gelegd. Wegens strijd met het algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur dat een beslissing moet worden gedragen door
een toereikende, deugdelijke motivering, kunnen de bestreden beslissingen
daarom geen stand houden

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Onder dagtekening 29 juli 1987, 12 februari 1988 respectievelijk 26
januari 1988 hebben eisers 1, 2 respectievelijk 3 aan X., Y., respectievelijk
Z. mededeling gedaan van de beslissing om haar verplichte verzekering
ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet (hierna: ZW, WW, WAO en
Zfw) uit hoofde van haar dienstbetrekking ingaande 1 januari 1989 te
beeindigen. Aan die beslissingen zijn vrijwel gelijkluidende overwegingen
ten grondslag gelegd, die in de beslissing van 29 juli 1987 van eiser 1 als
volgt geformuleerd:

“U bent werkzaam voor BV Accountantskantoor A., van welke vennootschap
uw echtgenoot alle geplaatste aandelen bezit

Omdat uw echtgenoot de feitelijke macht heeft in de algemene vergadering
van aandeelhouders van de vennootschap en uw arbeidsverhouding tot haar in
overwegende mate beheerst wordt door uw relatie tot uw echtgenoot kan uw
arbeidsverhouding niet als een dienstbetrekking worden aangemerkt, bij
gebreke van de daarvoor vereiste gezagsverhouding. Evenmin kan uw
arbeidsverhouding tot de vennootschap bij wetsduiding met een
dienstbetrekking worden gelijkgesteld, omdat u uw arbeid verricht in een
arbeidsverhouding welke in overwegende mate door de familierelatie (tot de
directeur) wordt beheerst

Op grond van het voorgaande kunt u niet worden aangemerkt als werknemer
in de zin van de hierboven genoemde sociale werknemersverzekeringswetten,
zodat u in beginsel niet als verplicht verzekerde voor die wetten kunt gelden

Ondanks het bovenstaande bent u op het ogenblik wel verzekerd ingevolge
de sociale werknemersverzekeringswetten, als gevolg van de omstandigheid dat
personen die in omstandigheden verkeren als waarin u verkeert tot voor kort,
ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, wel als
werknemer in de zin van sociale verzekeringswetten werden beschouwd

Naar de mening van de bedrijfsvereniging vloeit echter uit de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van 4 oktober 1985, gepubliceerd in
Rechtspraak Sociale Verzekering 1986 nr. 21 voort dat niet alleen
directeuren-grootaandeelhouders van naamloze en besloten vennootschappen, maar
ook de echtgenoten c.q. echtgenotes van voormelde directeuren in de toekomst
niet meer als werknemers, en dus als verplicht verzekerd, kunnen gelden

De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 4 oktober 1985 de
bedrijfsverenigingen opgedragen, per concreet geval een beslissing te nemen
omtrent het al of niet beeindigen van lopende verzekeringen van personen die
ingevolge de nieuwe jurisprudentie van de Raad niet langer verzekerd behoren
te zijn, en daarbij aangegeven, op welke feiten en omstandigheden de
bedrijfsverenigingen acht moeten slaan om te komen tot een correcte
afwikkeling van de hier aan de orde zijnde overgangssituatie

Met inachtneming van de aanwijzingen van de Centrale Raad van Beroep
heeft het bestuur van de Bedrijfsvereniging besloten, dat uw verplichte
verzekering voor de sociale werknemersverzekeringswetten moet worden
beeindigd, en wel met ingang van 1 januari 1989. Het bestuur heeft hierbij
onder meer overwogen, dat de thans door de verplichte verzekering ingevolge de
Ziektewet, de WAO en de Ziekenfondswet gedekte risico’s op een acceptabele
wijze kunnen worden gedekt, hetzij op de particuliere verzekeringsmarkt,
hetzij door vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet en de WAO. Zo’n
mogelijkheid bestaat niet met betrekking tot het werkloosheidsrisico, maar
naar het oordeel van het bestuur is deze omstandigheid niet van zo groot
belang, dat daarom uw verplichte verzekering zou moeten worden gecontinueerd
.”

De Raad van Beroep te Rotterdam heeft bij uitspraken van 6 juli 1988 en
5 oktober 1988 de bestreden beslissing van 29 juli 1987 ten aanzien van X.
respectievelijk die van 12 februari 1988 ten aanzien van Y. vernietigd met
bepaling dat eiser 1 respectievelijk 2 een nieuwe beslissing neemt met in
achtneming van hetgeen in de respectieve aangevallen uitspraken is overwogen

De Raad van Beroep te Utrecht heeft bij uitspraak van 24 mei 1989 het
door Z. tegen de beslissing van 26 januari 1988 ingestelde beroep gegrond
verklaard en de bestreden beslissing vernietigd

Eisers zijn tegen evenvermelde uitspraken in hoger beroep gekomen bij de
Raad. In aanvullende beroepschriften, gedateerd respectievelijk 6 september
1988, 17 januari 1989 en 19 september 1989 zijn de -vrijwel eensluidende-
gronden vervat voor de verzoeken aan de Raad de aangevallen uitspraken te
vernietigen en de bestreden beslissingen alsnog te bevestigen

Z. heeft bij brief van 5 oktober 1989 (met bijlagen) van contra-memorie
gediend

Namens Y. heeft Mr. J.W. Mathies, werkzaam bij Deloitte, De Boer en Van
Keulen, belastingadviseurs te Amsterdam, bij brief van 5 december 1989 (op
dezelfde dag ingekomen bij de Raad) een reactie op het haar regarderende
aanvullend beroepschrift van 17 januari 1989 gegeven, van welke brief de
gemachtigde ter na te melden zitting de inhoud in essentie heeft weergegeven

De gedingen zijn -gevoegd (ook) met het bij het Raad onder nummer WW
1989/256 geregistreerde geding tussen het bestuur van de Bedrijfsvereniging
voor Hotel-, Restaurant-, Cafe-, Pension- en Aanverwante Bedrijven en
behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 6 december 1989, waar
voor eisers is verschenen Mr. H.P. Awater, werkzaam bij het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor. Gedaagde X. is in persoon verschenen, bijgestaan door
Mr. R. Veenendaal, advocaat te Rijswijk Zuid-Holland als haar raadsman.
gedaagde Y. verscheen bij gemachtigde Mr. J.W. Mathies voornoemd en gedaagde
Z. is in persoon verschenen

II. MOTIVERING

Gedaagde X., die geboren is op 22 november 1937, is blijkens de
gedingstukken als administratief medewerkster gedurende drie dagen per week
werkzaam bij Administratiekantoor A., tevens Centraal Administratiekantoor
voor het beroepsvervoer BV, gevestigd te Rijswijk Zuid-Holland

Gedaagde Y., die geboren is op 20 juni 1946, is als administratief
medewerkster sedert 3 januari 1983 werkzaam bij Cleve en Zn. BV, gevestigd te
Rotterdam

Gedaagde Z., die geboren is op 8 april 1942, is sedert 4 april 1978 als
procuratiehoudster

Van deze vennootschappen zijn de echtgenoten van gedaagden directeur en
tevens enig aandeelhouder (hierna: dga)

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 4 oktober 1985, Premie
1983/24, -onder meer- gepubliceerd in RSV 1986, nr 21 en AB 1986, 38, heeft
de Federatie van Bedrijfsverenigingen in de Circulaire C775 van 17 september
1986, -onder meer gepubliceerd in de delen 9, 11 en 12 van Kluwers Sociale
Verzekeringen bij artikel 3 van de ZW (punt 8.8), de WAO (punt 8.8) en de WW
(punt 8.8)-, richtlijnen vastgesteld voor de beoordeling van de
verzekeringsplicht, alsmede voor de afwikkeling van de verplichte verzekering
van personen die op grond van die nieuwe richtlijnen niet meer verzekerd zijn
met inbegrip van een uitzonderingsclausule voor situaties waarin beeindiging
van de verplichte verzekering in strijd zou komen met de vereiste
zorgvuldigheid. Eisers conformeren zich volledig aan deze richtlijnen.
Overeenkomstig richtlijn 1 van evenvermelde circulaire C775 hebben eisers de
echtgenoten van gedaagden, allen dga, niet langer aangemerkt als werknemers in
de zin van de onder 1 genoemde sociale-verzekeringswetten en hebben eisers
besloten hun verzekering ingevolge die wetten per 1 januari 1989
overeenkomstig de evenbedoelde circulaire C775 als beeindigd te beschouwen.
In richtlijn 6 van evenvermelde circulaire C775 is vermeld dat een
echtgeno(o)t(e) van een niet-verzekerde dga niet verzekerd is ingevolge de
meerbedoelde sociale-verzekeringswetten

In evengenoemde uitspraak van de Raad van 4 oktober 1985, heeft de Raad
onder meer als zijn oordeel te kennen gegeven dat -anders dan naar eerdere
jurisprudentie van Raad- de vraag of de arbeidsverhouding van een dga van een
NV c.q. een BV tot die vennootschap valt te beschouwen als een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, evenals de arbeidsverhouding van
ieder ander die op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst voor derden
tegen betaling werkzaamheden verricht, dient te worden beantwoord aan de hand
van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij overwoog de Raad dat
in het geval van een dga van een NV c.q. een BV de feitelijke omstandigheden
in het algemeen onaannemelijk maken dat er van zo’n arbeidsovereenkomst
sprake is, daar een dga -voor zover niet anders blijkt- de feitelijke macht
in de algemene vergadering van aandeelhouders (het hoogste orgaan van de
rechtspersoon) heeft, hetgeen niet te rijmen valt met de essentiele kenmerken
van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (onder meer
ondergeschiktheid en werkgeversgezag)

Met verwijzing naar vorenvermelde uitspraak van 4 oktober 1985, hebben
eisers bij de onder I vermelde bestreden beslissingen gedaagden medegedeeld,
dat de verplichte verzekeringen van gedaagden ingevolge de ZW, WW, WAO en Zfw
met ingang van 1 januari 1989 zullen worden beeindigd, zulks onder de
overweging dat gedaagden niet langer uit hoofde van haar vorenaangegeven
arbeidsverhoudingen als werkneemster in de zin van die wetten kunnen worden
aangemerkt

Aan deze beslissingen liggen blijkens de gedingstukken en het
verhandelde ter terechtzitting van de raad onder meer overwegingen van eisers
ten grondslag, die in de onder I vermelde aanvullende beroepschriften als
volgt zijn geformuleerd:

“Naar de mening van ondergetekende vloeit uit de uitspraak d.d. 4
oktober 1985 (RSV 1986/21) voort dat niet slechts de arbeidsverhouding van de
directeur/grootaandeelhouder, doch ook de arbeidsverhouding van hun
echtgenotes weer materieel dient te worden getoetst

Ondergetekende doet deze opvatting op de navolgende argumenten steunen

Uw Raad trok – zoals vermeld – zowel voor 1968 als in de periode van
1968 tot 1985 een lijn als het ging om de verzekeringsplicht van de
directeuren als om die van hun echtgenotes. Gezien deze uniformiteit in
benaderingswijze vermag ondergetekende niet in te zien, dat uw Raad met de
uitspraak d.d. 4 oktober 1985 (RSV 1986/21) heeft beoogd deze uniformiteit te
doorbreken, in die zin dat de arbeidsverhouding van de
directeur/grootaandeelhouder materieel zou moeten worden getoetst, terwijl
ten aanzien van de echtgenotes een formele toetsing aangewezen zou blijven

Voorts is naar de mening van ondergetekende uit de uitspraak (d.d. 4
oktober 1985) zelve af te leiden, dat uw Raad de uniformiteit in
benaderingswijze wenst te handhaven. Uw Raad overweegt namelijk, dat u
voldoende grond aanwezig acht om terug te komen op bovenvermelde rechtspraak
(die van RSV 1969/40 en RSV 1969/41)

De uitspraak d.d. 10 december 1968, zoals gepubliceerd in RSV 1969 onder
41 betreft de beoordeling van de verzekeringsplicht van de echtgenote van een
directeur/grootaandeelhouder

Ondergetekende meent – met inachtneming van het vorenstaande – dat de
beoordeling van de verzekeringsplicht van echtgenotes en andere familieleden
van directeuren/grootaandeelhouders als volgt dient te geschieden

Ondergetekende is van mening, dat in de situatie, waar de directeur van
een vennootschap op basis van zijn aandelenbezit de feitelijke macht in de
algemene vergadering van aandeelhouders en zodoende ook in de gehele
vennootschap heeft, het werkgeversgezag niet uitgaat van de vennootschap (de
rechtspersoon), maar van de directeur/grootaandeelhouder. Dit brengt naar het
oordeel van ondergetekende met zich mee, dat bij de beoordeling van het
werknemerschap (de verzekeringsplicht) van de overige – in de vennootschap
werkzame – personen de relatie tot de directeur/grootaandeelhouder en niet
tot de vennootschap moet worden beoordeeld, meer in het bijzonder dat moet
worden beoordeeld of bedoelde personen in een gezagsverhouding tot
vorenbedoelde directeur staan .”

Eisers zijn van oordeel dat deze benaderingswijze in de onderhavige
gevallen aan de orde is: alle geplaatste aandelen van de vennootschappen zijn
in het bezit van de echtgenoten/dga. Voorts achten eisers blijkens de
evenbedoelde aanvullende beroepschriften -anders dan de eerste rechters- voor
de beoordeling van de arbeidsverhouding tussen elk der gedaagden en haar
echtgenoot/dga het bepaalde in artikel 1637i van het Burgerlijk Wetboek (BW),
alsmede de jurisprudentie van uw Raad en de Hoge Raad der Nederlanden
dienaangaande van doorslaggevende betekenis, waarna wordt gesteld:

“Ondergetekende is – anders dan de Raad van Beroep – van mening, dat
artikel 1637i BW, bepalende dat een tussen echtgenoten aangegane
arbeidsovereenkomst nietig is, alsmede de strekking van genoemd artikel van
het Burgerlijk Wetboek, met zich meebrengen dat het enkele bestaan van een
huwelijksband tussen de directeur/grootaandeelhouder en de echtgenote (tevens
werkzaam in de vennootschap) leidt tot de afwezigheid van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking (in het bijzonder de voorwaarde
gezagsverhouding) tussen genoemde partijen .”

Eisers achten -naar verder in de aanvullende beroepschriften is
aangegeven- het al dan niet bestaan van de huwelijksband voor de beoordeling
van de verzekeringsplicht in arbeidsrelaties als in de onderhavige gevallen
van doorslaggevende betekenis

De eerste rechters hebben dit oordeel bij de onder I vermelde uitspraken
voor onjuist gehouden

De Raad dient in deze gedingen de vraag te beantwoorden of eisers
terecht bij de bestreden beslissingen hebben besloten dat gedaagden per 1
januari 1989 niet langer uit hoofde van haar dienstbetrekkingen bij de
vennootschappen verplicht verzekerd zouden zijn ingevolge de meerbedoelde
sociale-verzekeringswetten

De Raad overweegt dienaangaande het volgende

De Raad kan onderschrijven het standpunt van eisers dat te dezen de
arbeidsverhouding van de echtgeno(o)t(e) van de dga tot de vennootschap
materieel getoetst dient te worden

De Raad kan eisers echter niet volgen in hun hierboven aangehaalde
benaderingswijze dat in situaties als de onderhavige, waarbij de directeur
van een vennootschap op basis van zijn aandelenbezit de feitelijke macht in
de algemene vergadering van aandeelhouders en zodoende in de gehele
vennootschap heeft, het werkgeversgezag niet uitgaat van de vennootschap, maar
van de dga, en dat bij de beoordeling van het werknemerschap van (en de
verzekeringsplicht ten aanzien van) andere in de vennootschap werkzame
personen -in casu de echtgenoten- per definitie de relatie tot de dga en niet
tot de vennootschap moet worden beoordeeld

Met deze opvatting miskennen eisers immers dat zich laat denken dat aan
een BV c.q. NV als rechtspersoon ook in situaties als hier aan de orde de
hoedanigheid van wederpartij bij het aangaan van een overeenkomst niet kan
worden ontzegd, alsmede dat door een BV c.q. NV in situaties als hier aan de
orde zeker reeel werkgeversgezag kan worden uitgeoefend

De arbeidsverhouding van een echtgeno(o)t(e) van een dga zal naar het
oordeel van de Raad dienen te worden getoetst aan de gangbare materiele
maatstaven voor de beoordeling of een arbeidsverhouding valt te beschouwen
als en arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, dat wil zeggen dat aan de
in het algemeen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst geldende
vereisten zal moeten zijn voldaan, te weten de verplichting tot persoonlijke
dienstverrichting, de verplichting tot loonbetaling en een gezagsverhouding.
Daarbij zal -uiteraard aan de huwelijksrelatie- evenals aan (andere nauwe
relaties, familiebanden-) materiele betekenis toekomen in het geheel van de
feitelijke omstandigheden

De Raad overweegt voorts, eisers niet te kunnen volgen in hun standpunt
dat artikel 1637i van het Burgerlijk Wetboek te dezen van beslissende
betekenis is. In artikel 1637i van het Burgerlijk Wetboek is uitsluitend
geregeld dat een tussen echtgenoten aangegane overeenkomst nietig is.
Ingeval van een overeenkomst met een rechtspersoon, in deze gedingen een
vennootschap, is artikel 1637i van het Burgerlijk Wetboek niet aan de orde en
valt dus niet op goede grond te stellen dat arbeidsovereenkomst die tussen
een vennootschap en de echtgeno(o)t(e) van de dga van die vennootschap is
gesloten, nietig zou zijn op grond van dat wetsartikel

De Raad komt aldus tot het oordeel dat eisers, door de thans aan de orde
zijnde beslissingen uitsluitend te baseren op -in het geding in eerste aanleg
en in hoger beroep naar voren gebrachte- standpunt dat gedaagden in verband
met meervermelde uitspraak van de Raad van 4 oktober 1985 in samenhang met
(slechts) artikel 1637i van het Burgerlijk Wetsboek per 1 januari 1989 niet
langer verzekerd zijn te achten, en dat aldus geen aandacht aan de feitelijke
omstandigheden van de gevallen behoeft te worden geschonken, aan hun
beslissingen een onjuiste motivering ten grondslag hebben gelegd. Wegens
strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat een beslissing
moet worden gedragen door een toereikende, deugdelijke motivering, kunnen de
bestreden beslissingen daarom geen stand houden

Nu ook de eerste rechters zij het op gedeeltelijk andere gronden een
vernietiging van de bestreden beslissingen hebben uitgesproken, volgt uit al
hetgeen hiervoor is overwogen dat het hoger beroep van eisers geen doel treft
.De Raad concludeert aldus tot ongegrondverklaring

Die ongegrondverklaring van het hoger beroep van elk der eisers leidt
er, gelet op artikel 80a, tweede lid, der Beroepswet, toe dat van iedere
afzonderlijk een recht van ƒ 200,- dient worden geheven

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep, recht doende in naam der Koningin!
Verklaart het hoger beroep van elk der eisers ongegrond

Rechters

Mr. J.H. van der Veen, voorzitter; Mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, Jhr.mr. H.J. van Kinschot, leden

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 4 januari 1990

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Hoger beroep in de zaak met rolnummer KG 89/1354 V

J. komt in hoger beroep tegen de veroordeling tot betaling aan S. van
ƒ 5.000,– (vijfduizend gulden) als voorschot voor de immateriele
schadevergoeding. Het voorschot gaat zijn financiele mogelijkheden te
boven. J. betwist niet dat M. immateriele schade heeft geleden en evenmin
dat het gevraagde voorschot te hoog is

Deze grief faalt omdat J. indien hij geen uitkering heeft en moet leven
van giften en/of gunsten van anderen, hij daar wel aanspraak op heeft. Hij
kan dan een zodanig inkomen krijgen dat betaling van het voorschot mogelijk
is

De tweede grief faalt ook. Het restitutie risico is gering. Tevens
is het naar ’s hofs oordeel nagenoeg uit te sluiten dat J. niet de dader zou
zijn van het tegen M. gepleegde delict. Daarom is de door J. veroorzaakte
immateriele schade zozeer aannemelijk te achten, dat de kans dat het voorschot
zal moeten worden terugbetaald, te verwaarlozen is

Het Hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij exploit van 25 juli 1989 is appellant – J. – in hoger beroep
gekomen van het door de president van de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam onder rolnummer KG 89/1354V tussen partijen gewezen en op 13 juli
1989 uitgesproken vonnis, met dagvaarding van geintimeerde – S. – voor dit
hof teneinde te horen concluderen dat het hof dat vonnis zal vernietigen en,
opnieuw rechtdoende, S. alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar
vordering althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van S. in de
kosten van beiden instanties

1.2 Bij memorie voerde hij twee grieven tegen het vonnis aan en
concludeerde hij dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw
rechtdoende, S. in de door haar ingestelde vordering met betrekking tot de
voorschotbepaling niet-ontvankelijk zal verklaren althans haar deze zal
ontzeggen, met veroordeling van S. in de kosten van beide instanties

1.3 S. bestreed bij memorie van antwoord de aangevoerde grieven en
concludeerde dat het hof het appel zal afwijzen althans niet-ontvankelijk zal
verklaren, met veroordeling van J. in de kosten van beide instanties

1.4 Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties, waarvan de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest

2. De grieven

De grieven komen neer op het volgende:

Grief I Ten onrechte heeft de president overwogen dat het gevorderde
voorschot in het financiele bereik van J. ligt en derhalve niet onredelijk
voorkomt

Grief II

Ten onrechte heeft de president er geen notie van genomen dat J. ontkent
op enigerlei wijze betrokken geweest te zijn bij de zaak die aan het
onderhavige geding ten grondslag ligt

3. Uitgangspunt

De eerste overweging van het vonnis is in hoger beroep niet bestreden
zodat ook het hof uitgaat van de daarin onder a tot en met e opgesomde feiten
en omstandigheden

4. Beoordeling

4.1 Blijkens zijn memorie van grieven beperkt J. zijn hoger beroep tot
de in het dictum van het vonnis onder 2 tegen hem uitgesproken veroordeling
tot betaling aan S. van ƒ 5.000,–, vermeerderd met wettelijke rente

4.2 Met zijn eerste grief voert J. aan dat een voorschot van ƒ 5.000,–
zijn financiele mogelijkheden te boven gaat aangezien hij geen inkomsten uit
arbeid of ingevolge een uitkering heeft; hij zou van giften en/of gunsten van
anderen leven

4.3 Ook indien dit laatste thans het geval zou zijn, moet toch
aangenomen worden dat J. een zodanig inkomen kan krijgen dat betaling van het
voorschot mogelijk is. Van algemene bekendheid is immers dat, zoals S.
opmerkt, Nederlanders en legaal hier verblijvende vreemdelingen, indien zij
zonder inkomsten zijn, aanspraak kunnen maken op enigerlei uitkering ingevolge
de sociale verzekeringswetgeving

Niet aannemelijk geworden, en zelfs niet gesteld is, dat J., die slechts
aanvoert dat hij thans geen uitkering ontvangt, niet desgevraagd voor
zodanige uitkering in aanmerking zou komen

De grief faalt dan ook

4.4 Voor de goede orde zij overwogen dat J. niet bestrijdt dat M.
immateriele schade heeft geleden en dat hij evenmin de hoogte van het
gevraagde voorschot op zichzelf betwist

4.5 In de toelichting op zijn tweede grief wijst J. op het zijns inziens
bestaande risico dat S. niet in staat zal blijken een aan haar voldaan
voorschot terug te betalen indien J. in de tegen hem aanhangige strafzaak
vrijgesproken zou worden

4.6 Het hof acht het zogenaamde restitutierisico echter zo gering dat
dit, in de afweging van der partijen belangen, niet tot weigering van de
gevraagde voorziening kan leiden

Gelet immers op de resultaten van het opsporingsonderzoek en met name op
de uitslag van het DNA-onderzoek (zie rechtsoverweging 1, sub d van het
vonnis a quo), is het naar ’s hofs oordeel nagenoeg uit te sluiten dat J.
niet de dader zou zijn van het tegen M. gepleegde delict

Derhalve is de door J. veroorzaakte immateriele schade – en de daarop
gebaseerde vordering – zozeer aannemelijk te achten, dat de kans dat het
voorschot zal moeten worden terugbetaald, te verwaarlozen is

4.7 Het vonnis moet worden bekrachtigd met verwijzing van J. in de
kosten van het hoger beroep

5. Beslissing

Het hof: bekrachtigd het vonnis waarvan beroep; veroordeelt appellant in
de op het hoger beroep gevallen kosten, deze tot op heden aan de zijde van
geintimeerde begroot op ƒ 1.500,–, op de voet van artikel 57b Rv te voldoen
aan de griffier van dit hof

Rechters

Mrs. Cornelissen, Fleers en De Wild

Instantie: Rechtbank Arnhem, 4 januari 1990

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Verhouding strafrecht-civielrecht

De vader is wegens vleselijke gemeenschap met zijn dochter die de
leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt, veroordeeld tot 8 maanden waarvan 6
maanden voorwaardelijk. Moeder V. is niet vervolgd. De President in kort
geding legde de ouders een verbod op eiseres overlast te bezorgen en zich op
te houden in het centrum van Nijmegen. De dochter vordert een
schadevergoeding van ƒ 100.000,- smartegeld van haar beide ouders

Volledige tekst

De volgende proceshandelingen zijn verricht:

– Conclusie van eis overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding,

– Conclusie van antwoord,

– Conclusie van repliek, waarbij vier produkties zijn overgelegd,

– Conclusie van dupliek,

– Partijen leggen de stukken over voor het wijzen van vonnis

De feiten

1. Eiseres is een dochter van gedaagden sub 1 en 2 hierna te noemen W.
respectievelijk V

Zij is geboren op 15 oktober 1970

2. Op 30 april 1987 heeft eiseres bij de Gemeente politie te Nijmegen
aangifte gedaan dat haar vader haar vanaf haar 15e jaar seksueel had misbruikt
en dat met medeweten van haar moeder. In de daarop volgende dagen zijn
zowel W. als V. daarover herhaaldelijk door de politie verhoord. Het
terzake door de politie opgemaakte proces-verbaal is, voorzover betrekking
hebbende op bovengenoemde aangifte en verklaringen, in dit geding overgelegd

3. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 26 april 1988 is W.
veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Na hiertegen door hem ingesteld
hoger beroep heeft het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 4 oktober 1988 W.
veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

daarbij heeft het Hof bewezen geacht dat W. in de periode oktober 1985
tot 15 oktober 1986 meermalen opzettelijk vleselijke gemeenschap heeft gehad
met eiseres die toen de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt

4. Ten aanzien van V. heeft het Openbaar Ministerie afgezien van
strafvervolging

5. Blijkens een overgelegde en niet betwiste brief d.d. 21 februari 1989
van de Stichting voor Jeugd en Gezin heeft eiseres van 24 juni 1987 tot 15
oktober 1988 onder toezicht van deze Stichting gestaan. Kort samengevat
houdt deze brief in dat eiseres door de gebeurtenissen met haar vader en de
agressieve houding van beide ouders veel leed heeft ondervonden en nog
ondervindt:

voor de verwerking van de incest ervaringen wordt een therapie
noodzakelijk geacht

6. Bij vonnis van 13 juli 1988 is door de president van deze rechtbank
de ouders onder meer verboden om eiseres overlast te bezorgen en om zich
tussen 16 en 23 juli 1988 op te houden in het centrum van Nijmegen

7. Gedaagden leven van een RWW-uitkering en beschikken niet over enig
vermogen

Het geschil

8. Volgens eiseres is zij in de periode van oktober 1985 tot 25 april
1987 door W. seksueel misbruikt, waarbij zij gedurende een jaar drie vier keer
per week tot geslachtsverkeer met hem werd gedwongen. V. zou het W.
mogelijk hebben gemaakt aldus te handelen; bovendien heeft zij ook zelf
eiseres seksueel misbruikt

Als gevolg van deze handelingen heeft eiseres, naar zij stelt ernstig
leed ondervonden en ernstige psychische schade opgelopen, waarvoor gedaagden
aansprakelijk zijn

Zij vordert terzake van deze immateriele schade veroordeling van
gedaagden tot betaling van de som van ƒ 100.000,- vermeerderd met de
wettelijke rente

9. W. erkent dat hij met eiseres seksueel contact heeft gehad, doch hij
erkent dat daarbij van geweld, van seksueel misbruik en/of van een frequentie
van drie vier maal per week sprake is geweest

V. onkent alle haar verweten handelingen

De beoordeling

10. Hetgeen het Gerechtshof bij arrest van 4 oktober 1988 bewezen heeft
geacht – zie rechtsoverweging 3 – is door gedaagden niet weersproken; daarmee
staan deze feiten vast

11. Eiseres doet haar stellingen voorts steunen op het terzake door de
politie opgemaakte proces-verbaal – zie rechtsoverweging 2; gedaagden hebben
niet betwist, dat hun daarin vastgelegde verklaringen correct zijn
weergegeven

Weliswaar heeft V. er op gewezen dat haar verklaringen onder psychische
druk en onder bedreiging met strafvervolging tot stand zijn gekomen, doch zij
heeft geen enkel feit aangevoerd ter ondersteuning daarvan noch daartoe bewijs
aangeboden; derhalve wordt dit verweer gepasseerd

12. De in het proces-verbaal opgenomen verklaringen van gedaagden die
onderling n met die van eiseres overeenstemmen met betrekking tot de door
eiseres gestelde frequentie van het geslachtsverkeer met W. en terzake van de
betrokkenheid daarbij van V. rechtvaardigen het vermoeden dat eiseres en
gedaagden in ieder geval op deze onderdelen de ware toedracht hebben
weergegeven van wat er zich ook na oktober 1986 tussen hen en eiseres heeft
voorgedaan

Tegen dit vermoeden op deze onderdelen – dus afgezien van de door
eiseres gestelde dwang – heeft W. geen enkel verweer gevoerd; V. heeft
volstaan met een ontkenning van haar aandeel doch zonder daarvoor ook maar
enig feit aan te voeren, laat staan daarvoor bewijs aan te bieden

Derhalve moet er van worden uitgegaan, dat de door eiseres en gedaagden
afgelegde en onderling overeenstemmende verklaringen op de eerder aangegeven
onderdelen de ware toedracht weergeven. Op grond daarvan is in dit geding
komen vast te staan dat W. ook na oktober 1986 geslachtsverkeer – en dat
veelvuldig – met eiseres heeft gehad tot april 1987 en dat V. daar niet alleen
van op de hoogte was en dat mede mogelijk heeft gemaakt, maar dat zij ook zelf
seksueel contact met eiseres heeft gehad

13. Gedaagden beroepen zich er op dat van enige schuld hunnerzijds aan
deze onrechtmatige gedragingen geen sprake is op grond van hun
ontoerekeningsvatbaarheid

Naar geldend recht is het aan de pleger van een onrechtmatige daad om de
afwezigheid van schuld daaraan aan te tonen

V. heeft in dat opzicht in dit geding in het geheel niets aangevoerd; in
haar voor de politie afgelegde verklaringen maakt zij slechts melding van haar
angst voor haar man doch dat kan gezien de ernst van de feiten en de lange
tijdsduur gedurende welke deze zijn begaan haar niet, althans niet volledig
disculperen. W. beroept zich op eerdergenoemd arrest van het Gerechtshof
Arnhem, dat ten aanzien van hem onder meer spreekt van “meer dan gemiddeld
gebrekkige ontwikkeling van geestvermogens”; dit laatste is echter bij
ontbreken van enige straf- of schulduitsluitingsgrond onvoldoende om te
concluderen tot het ontbreken van schuld bij W. Wel kan op grond van het
bovenstaande aan gedaagden slechts in verminderde mate worden toegerekend
hetgeen zij eiseres hebben aangedaan; dat doet niet af aan hun
aansprakelijkheid doch het heeft wel invloed op de hieronder vast te stellen
schadevergoeding

Blijkens de repliek heeft het Hof in eerdergenoemd arrest eveneens
overwogen “dat aan verdachte een vrijheidsstraf van aanmerkelijke duur moet
worden opgelegd, doch de toedracht – in het bijzonder gelet op de houding die
de moeder van het slachtoffer daarbij heeft aangenomen – […] het Hof juist
doet voorkomen een groot deel van die straf voorwaardelijk op te leggen”

Deze overweging is voor de rechtbank mede reden om bij W. en V., gezien
ook hun beider verantwoordelijkheid als ouders, van dezelfde mate van schuld
uit te gaan

14. De aanvankelijke betwisting door gedaagden van de als gevolg van hun
handelen door eiseres geleden psychische schade hebben zij na de bij repliek
overgelegde eerdergenoemde brief van de Stichting van Jeugd en Gezin niet
langer gehandhaafd; van het bestaan van dat leed en die schade – overigens
naar thans wel algemeen bekend is een gevolg van incest – wordt derhalve
uitgegaan

15. Een volgend verweer van gedaagden houdt in dat zij door de
strafvervolging van W. en het hierboven onder rechtsoverweging 6 vermelde
tegen hen gewezen vonnis in Kort geding al zouden zijn gestraft en eiseres
zodoende genoegdoening zou hebben gekregen; wat daarvan zij, het kan geen
enkel beletsel zijn voor eiseres om op de grondslag van ten dele dezelfde
feiten thans een vordering uit onrechtmatige daad tegen gedaagden aan te
spannen

16. Tenslotte volgt dan het laatste verweer van gedaagden, namelijk dat
zij leven van een RWW-uitkering en niet over enig vermogen beschikken. Deze
omstandigheid is door eiseres erkend met de kanttekening dat een eventueel
levenslang afbetalen door de ouders in de juiste verhouding zou staan tot het
voorgevallene dat eiseres een leven lang met zich mee zal moeten dragen

Dit standpunt is alleszins begrijpelijk, doch het kan in de onderhavige
zaak bij de vaststelling van de schadevergoeding toch geen maatstaf zijn:
hierboven werd reeds overwogen dat – hoe weerzinwekkend de gepleegde feiten
ook zijn – deze aan beide gedaagden slechts in verminderde mate kunnen worden
toegerekend

Alles overziende komt het de rechtbank redelijk en billijk voor en kan
van gedaagden worden gevergd, dat zij aan eiseres een schadevergoeding betalen
van ƒ 15.000,-, te voldoen over een aaneengesloten periode van tien jaren
door middel van een jaarlijks te betalen bedrag van ƒ 1.500,-

17. Hoewel aan eiseres slechts een klein deel van haar vordering wordt
toegewezen, zal zij niet in de kosten van deze procedure worden veroordeeld;
evenmin zullen ondanks de tussen partijen bestaande familierelatie de kosten
worden gecompenseerd. Op alle wezenlijke geschilpunten – wezenlijker dan de
hoogte van de schadevergoeding – zijn gedaagden in het ongelijk gesteld;
derhalve zijn het gedaagden die in de kosten van deze procedure zullen worden
veroordeeld

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt gedaagden tot betaling aan eiseres van een bedrag van ƒ
15.000,-, (vijftienduizend gulden) te voldoen in tien achtereenvolgende
jaarlijkse termijnen van ƒ 1.500,- (eenduizend vijfhonderd gulden), voor het
eerst op 1 juli 1990 en vervolgens jaarlijks per die datum, vermeerderd met de
wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de
dag der voldoening, welke rente telkens per 1 juli tegelijk met de hoofdsom
dient te worden voldaan,

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, Veroordeelt
gedaagden in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres tot aan
deze uitspraak begroot op ƒ 1.707,60, waarvan te betalen aan de griffier van
deze rechtbank (op postgiro 935462 t.n.v. de Gerechten in het arrondissement
Arnhem) ƒ 1.607,60 te weten:

ƒ 300,– voor in debet gesteld griffierecht,

ƒ 67,60 voor uitbrengen exploit,

ƒ 1.240,– voor salaris procureur van eiseres,

wijst het meer of anders gevorderde af

Rechters

Mrs. E. van Rossem, J. Barendsen en G.M. Roerink