Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 4 januari 1990

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het Hof bekrachtigt vonnis van de President – hieronder gepubliceerd.
Het Hof acht het restitutierisico gering, gelet op het resultaat van de
DNA-test.

Verdachte van verkrachting wordt in kort geding tot een straat- en
contactverbod en tot een voorschot op schadevergoeding veroordeeld.

Op grond van de uitslag van de DNA-test van het sperma en het
bloedmonster van de gedaagde, door het Openbaar Ministerie verricht, is
aannemelijk geworden dat de gedaagde de dader is. In de strafzaak is nog geen
uitspraak gedaan.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep.

1.1 Bij exploit van 25 juli 1989 is appellant – J. – in hoger beroep
gekomen van het door de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam
onder rolnummer KG 89/1354V tussen partijen gewezen en op 13 juli 1989
uitgesproken vonnis, met dagvaarding van geintimeerde – S. – voor dit hof
teneinde te horen concluderen dat het hof dat vonnis zal vernietigen en,
opnieuw rechtdoende, S. alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar
vordering althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van S. in de
kosten van beide instanties.

1.2 Bij memorie voerde hij twee grieven tegen het vonnis aan en
concludeerde hij dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw
rechtdoende, S. in de door haar ingestelde vordering met betrekking tot de
voorschotbepaling niet-ontvankelijk zal verklaren althans haar deze zal
ontzeggen, met veroordeling van S. in de kosten van beide instanties.

1.3 S. bestreed bij memorie van antwoord de aangevoerde grieven en
concludeerde dat het hof het appel zal afwijzen althans niet-ontvankelijk zal
verklaren, met veroordeling van J. in de kosten van beide instanties.

1.4 Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties, waarvan de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest.

2. De Grieven

De grieven komen neer op het volgende:

Grief I

Ten onrechte heeft de President overwogen dat het gevorderde voorschot
in het financiele bereik van J. ligt en derhalve niet onredelijk voorkomt.

Grief II

Ten onrechte heeft de President er geen notie van genomen dat J. ontkent
op enigerlei wijze betrokken geweest te zijn bij de zaak die aan het
onderhavige geding ten grondslag ligt.

3. Uitgangspunt

De eerste overweging van het vonnis is in hoger beroep niet bestreden,
zodat ook het Hof uitgaat van de daarin onder a. tot en met e. opgenomen
feiten en omstandigheden.

4. Beoordeling

4.1 Blijkens zijn Memorie van Grieven beperkt J. zijn hoger beroep tot
de in het dictum van het vonnis onder 2. tegen hem uitgesproken veroordeling
tot betaling aan S. van ƒ 5.000,-, vermeerderd met wettelijke rente.

4.2 Met zijn eerste grief voert J. aan dat een voorschot van ƒ 5.000,-
zijn financiele mogelijkheden te boven gaat, aangezien hij geen inkomsten uit
arbeid of ingevolge een uitkering heeft; hij zou van giften en/of gunsten van
anderen leven.

4.3 Ook indien dit laatste thans het geval zou zijn, moet toch
aangenomen worden dat J. een zodanig inkomen kan krijgen dat betaling van het
voorschot mogelijk is. Van algemene bekendheid is immers dat, zoals S.
opmerkt, Nederlanders en legaal hier verblijvende vreemdelingen, indien zij
zonder inkomsten zijn, aanspraak kunnen maken op enigerlei uitkering ingevolge
de sociale verzekeringswetgeving.

Niet aannemelijk is geworden, en zelfs niet gesteld is, dat J., die
slechts aanvoert dat hij thans geen uitkering ontvangt, niet desgevraagd voor
zodanige uitkering in aanmerking zou komen.

De grief faalt dan ook.

4.4. Voor de goede orde zij overwogen dat J. niet bestrijdt dt M.
immateriele schade heeft geleden en dat hij evenmin de hoogte van het
gevraagde voorschot op zichzelf betwist.

4.5 In de toelichting op zijn tweede grief wijst J. op het zijns inziens
bestaande risico dat S. niet in staat zal blijken een aan haar voldaan
voorschot terug te betalen, indien J. in de tegen hem aanhangige strafzaak
vrijgesproken zou worden.

4.6 Het Hof acht het zogenaamde restitutierisico echter zo gering dat
dit, in de afweging van der partijen belangen, niet tot weigering van de
gevraagde voorziening kan leiden. Gelet immers op de resultaten van het
opsporingsonderzoek en met name op de uitslag van het DNA-onderzoek (zie
rechtsoverweging 1 sub d van het vonnis a quo), is het naar ’s Hofs oordeel
nagenoeg uit te sluiten dat J. niet de dader zou zijn van het tegen M.
gepleegde delict.

Derhalve is de door J. veroorzaakte immateriele schade – en de daarop
gebaseerde vordering – zozeer aannemelijk te achten, dat de kans dat het
voorschot zal moeten worden terugbetaald, te verwaarlozen is.

4.7 Het vonnis moet worden bekrachtigd met verwijzing van J. in de
kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het Hof:

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

– veroordeelt appellant in de op het hoger beroep gevallen kosten, deze
tot op heden aan de zijde van geintimeerde begroot op ƒ 1.500,-, op de voet
van art. 57b Rv te voldoen aan de griffier van dit Hof.

Rechters

Mrs Cornelissen, Fleers en De Wild.

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 3 januari 1990

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 30.000 (dertigduizend gulden) van haar vader
omdat hij ontucht met haar heeft gepleegd. De vader is hiervoor door de
rechtbank veroordeeld

Gedaagde stelt dat eiseres geen beroep kan doen, althans voorbarig een
beroep heeft gedaan, op artikel 1407 lid 3 BW, omdat nog niet onherroepelijk
vaststaat dat gedaagde bedoeld misdrijf heeft gepleegd

De rechtbank volgt de redenering van gedaagde en houdt daarom de zaak
voor onbepaalde tijd aan

Volledige tekst

Het procesverloop

Eiseres vordert bij met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van
eis gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 30.000,– met
rente en kosten

Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord de vordering bestreden en
geconcludeerd tot afwijzing

Vervolgens heeft eiseres gerepliceerd

Gedaagde heeft hierop een akte ter rolle genomen, als bedoeld in artikel
134, tweede lid, van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering, waarop
eiseres bij akte heeft gereageerd

De rolrechter heeft het verzet ongegrond verklaard

Gedaagde heeft gedupliceerd

Tevens heeft gedaagde bij akte van depot een drietal fotoboeken ter
griffie gedeponeerd

Tenslotte hebben partijen de stukken, waaronder diverse produkties,
overgelegd en de rechtbank gevraagd vonnis te wijzen. De enkelvoudige kamer
van deze rechtbank heeft de zaak daartoe verwezen naar de meervoudige kamer

Omschrijving van het geschil

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan
wel of niet onvoldoende weersproken het navolgende vast: Eiseres is de thans
meerderjarige dochter van gedaagde. Gedaagde heeft zijn dochter, toen nog
minderjarig was, in de periode van 1973 tot en met 1977 meermalen aan borsten
en vagina betast

Bij strafvonnis van deze rechtbank d.d. 7 juli 1988 is gedaagde
veroordeeld wegens het plegen van ontucht met zijn minderjarige kind, zijnde
eiseres, meermalen gepleegd

Tegen dit strafvonnis is hoger beroep ingesteld

2. Eiseres stelt dat haar psychische en lichamelijke integriteit ernstig
is geschonden, doordat gedaagde regelmatig in de periode van 1973 tot en met
1977, van haar elfde tot en met vijftiende jaar, ontuchtige handelingen met
haar heeft gepleegd. Zij stelt dat gedaagde jegens haar een onrechtmatige
daad heeft gepleegd, en dat de grote geestelijke schade, die zij heeft geleden
en nog lijdt, een rechtstreeks gevolg is van deze onrechtmatige daad

Eiseres baseert haar vordering op artikel 1407 lid 3 van het Burgerlijk
Wetboek en stelt de door haar geleden en nog te lijden immateriele schade op
een bedrag van ƒ 30.000,– gezien de ernst van het psychische leed, het
gederfde levensgenot alsmede het te verwachten leed

3. Gedaagde betwist dat de door eiseres gestelde schade een rechtstreeks
gevolg is van de onrechtmatige daad

Voorts stelt hij dat eiseres geen beroep kan doen, althans voorbarig een
beroep heeft gedaan, op artikel 1407 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, omdat
nog niet onherroepelijk vaststaat dat hij bedoeld misdrijf heeft gepleegd

Tenslotte betwist hij dat eiseres schade heeft geleden, althans in
omvang als door eiseres gesteld

Beoordeling van het geschil

4. Voor het vorderen van smartegeld op grond van artikel 1407 lid 3 van
het Burgerlijk Wetboek is vereist dat deze schade is ontstaan uit een
misdrijf tegen de persoon

Hoewel gedaagde door deze rechtbank is veroordeeld wegens het plegen van
ontucht met eiseres is er nog geen onherroepelijke uitspraak voorhanden,
zodat er nog geen dwingend bewijs is dat gedaagde een misdrijf heeft gepleegd
jegens eiseres

De zaak zal voor onbepaalde tijd worden aangehouden totdat er in de
strafzaak tegen gedaagde onherroepelijk is beslist. Het is de rechtbank
ambtshalve bekend dat het Hof te ‘s-Gravenhage inmiddels arrest heeft gewezen
en dat er cassatieberoep is ingesteld

De rechtbank gaat er van uit dat de meest gerede partij te gelegener
tijd zal verzoeken dat de zaak weer op de rol wordt geplaatst teneinde bij
akte de nodige gegevens aan de rechtbank te verstrekken

Beslissing De rechtbank, alvorens verder te beslissen, houdt de
behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aan

Rechters

Mrs. J.H. Geertsema, vice-president, R.S. Croll en M.M.Moolenburg-Pelser, rechters

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 28 december 1989

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde is een straat-/contactverbod opgelegd. Gedaagde heeft dit
verbod tenminste vier maal overtreden

De President is van mening dat gedaagde het straatverbod niet serieus
neemt en daarom staat hem geen andere weg open dan het zwaarste dwangmiddel
gijzeling. Bij overtreding van het straatverbod is eiseres gemachtigd om
gedaagde in gijzeling te nemen, gedurende een maximale periode van telkens
drie dagen

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 22 december 1989 heeft eiseres gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
Gedaagde heeft de vordering bestreden en een vordering in reconventie
ingesteld. De president heeft deze reconventionele vordering terstond van de
hand gewezen aangezien deze eerst in een dergelijk laat stadium is ingesteld
dat eiseres geen behoorlijke gelegenheid heeft gehad haar verdediging voor te
bereiden, zodat het instellen van de vordering in strijd met een goede
procesorde moet worden geacht

UITGANGSPUNT:

1. Partijen zullen ook worden aangeduid bij hun familienamen

2. Bij kort geding vonnis van 19 oktober 1989 is aan W. verboden zich op
te houden een bepaald in dat vonnis beschreven gebied binnen de gemeente
Bergen, alsmede H. bij een ontmoeting buiten dat gebied aan te spreken dan
wel te volgen, alles op verbeurte van een dwangsom van ƒ 750,– voor iedere
overtreding en met de mogelijkheid de sterke arm te hulp te roepen

3. Genoemd vonnis is op 27 oktober 1989 aan W. betekend

4. In de maand november 1989 heeft W. tenminste vier maal het sub 2
bedoelde verbod overtreden, zodat hij tenminste aan H. schuldig is een bedrag
van ƒ 3.000,– aan dwangsommen

5. W. biedt generlei verhaal. Hij stelt wel het tegendeel, doch ter
zitting heeft hij aan de president verklaard het eerste jaar de sub 4
bedoelde ƒ 3.000,– niet te kunnen betalen

6. In de nacht van 18 en 19 december 1989 heeft W. vernielingen
aangericht aan het woonhuis van H. gelegen binnen het gebied waarvoor het
straatverbod geldt. Als bewijs hiervoor heeft H. diverse schriftelijke
verklaringen overgelegd, welke verklaringen ter zitting ondersteund zijn door
de in het bijzijn van W. gedane uitingen van A., mevrouw G. en mevrouw L.

7. W. heeft desgevraagd slechts verklaard, dat genoemde drie personen
logen; een reden voor deze opvatting heeft hij niet gegeven, evenmin als een
alibi voor de bewuste nacht

DE GRONDEN VAN DE BESLISSING:

8. De president is van oordeel, dat W. het sub 2 bedoelde vonnis aan
zijn laars lapt en zich jegens H. gedraagt als hem goeddunkt. De
verklaringen van de buurtbewoners, die de president geloofwaardig voorkomen
zijn hiervoor voldoende bewijs

9. De president is voorts van oordeel, dat W. geen verhaal biedt voor
incasso van verbeurde dwangsommen. Zijn eigen uitlating ter zitting is
hiervoor voldoende bewijs

10. Hier komt bij, dat aan de president uit de verklaringen schriftelijk
en mondeling afgelegd door de buurtbewoners van H. is gebleken, dat niet
alleen H. doch ook haar buren het ongecoerdineerde gedrag van W. meer dan moe
zijn

11. De president is daarom van oordeel, dat hem geen andere weg open
staat dan naar het zwaarste dwangmiddel te grijpen om W. duidelijk te maken,
dat hij H. met rust dient te laten

12. De primaire vordering kan worden toegewezen. De president acht
termen aanwezig de tijd daarvoor het straatverbod dient te gelden uit te
breiden op de wijze als door H. gevorderd

13. W. is de in het ongelijk gestelde partij. De kosten van het geding
worden gecompenseerd nu H. dit uitdrukkelijk vordert

DE BESLISSING:

Verbiedt gedaagde W. zich op te houden in het gebied binnen de gemeente
Bergen begrensd door de straten de Nesdijk, de Meerweg, de Maasdammerlaan, de
Hoflaan, de Raadhuisstraat, de Karel de Grotelaan, de Dreef en de Bergerweg,
al deze straten inbegrepen behoudens de Bergerweg en de Hoflaan, voor een
periode van twaalf maanden na betrekking van dit vonnis

Verbiedt gedaagde W. en om eiseres H. bij een ontmoeting buiten genoemd
gebied aan te spreken dan wel te volgen, eveneens voor een periode van twaalf
maanden na betekening van dit vonnis

Machtigt eiseres H. om zonodig de hulp van de sterke arm in te schakelen
voor iedere keer c.q. dag, dat gedaagde W. een der voormelde verboden
overtreedt

Machtigt eiseres H. om gedaagde W. in gijzeling te doen nemen voor
iedere keer, dat hij een der voormelde verboden overtreedt, gedurende een
maximale periode van telkens drie dagen gijzeling per overtreden verbod of
–naar keuze van eiseres H.– op verbeurte van een dwangsom van ƒ 750,– te
betalen door gedaagde W. aan eiseres H. voor iedere keer, dat hij een der
voormelde verboden overtreedt

Verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad

Compenseert de proceskosten in dier voege, dat iedere partij de hare
draagt

Rechters

Mr. G.A. Jansen op de Haar, vice president

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 21 december 1989

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Klager heeft op 20 december 1987 een ouderdomspensioen aangevraagd
krachtens de AOW. Dit pensioen is hem toegekend. De toeslag voor zijn
echtgenote is afgewezen omdat het niet-vrijgestelde inkomen van de echtgenote
hoger is dan het bedrag van de maximale toeslag. Deze toeslagregeling is
volgens klager in strijd met de derde EG-richtlijn (nr. 79/7). De wetgever
beoogt met de toeslagregeling in de AOW, het sociaal minimum te garanderen
Maar volgens klager werkt de toeslagregeling indirect discriminerend ten
aanzien van zijn gehuwde werkende echtgenote, welke zelf in de onderhavige
zaak geen mogelijkheid heeft om beroep in te stellen. Daarom heeft klager
een rechtstreeks belang bij het verzoek. De Raad acht, mede gelet op het
statistische materiaal, niet aan gerede twijfel onderhevig dat de hiervoor
uiteengezette toeslagregeling in elk geval in het huidige tijdsgewricht (nog)
tot effect heeft dat aanzienlijk meer (gepensioneerde) mannen dan
(gepensioneerde) vrouwen voor een toeslag in aanmerking komen, zelfs als
rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat binnen een huwelijk de man
gemiddeld wat ouder is dan de vrouw. Voorzover de toeslagregeling al
indirect discriminerend moet worden geacht zou het buiten toepassing laten van
de kortingsbepalingen en ten aanzien van vrouwen het probleem slechts
verschuiven, omdat daarmee directe discriminatie van mannen zou ontstaan

Klagers beroep wordt ongegrond verklaard

Volledige tekst

AANDUIDING BESTREDEN BESLISSING

Beslissing van verweerder van 7 juli 1988

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 7 juli 1988 heeft verweerder aan klager kennisgegeven van
een beslissing ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), waartegen zijdens
klager beroep is aangetekend op de bij voorlopig klaagschrift van 29 juli
1988 aangekondigde en bij aanvullend klaagschrift van 4 oktober 1988
uitgewerkte gronden. Op 6 maart 1989 heeft verweerder van contra-memorie
gediend. Na een repliek van de kant van klager is de zaak behandeld ter
terechtzitting van de Raad van 30 november 1989, waar klager is verschenen
Â’
gestaan door zijn raadsvrouwe Mr. I.M.F.G. Martens en alwaar verweerder
zich heeft doen vertegenwoordigen door Mr. G.R.J. de Groot

MOTIVERING

– Vaststelling van de feiten

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting moeten
de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen

Klager, geboren op 26 mei 1923, heeft op 20 december 1987
ouderdomspensioen aangevraagd krachtens de AOW, welk pensioen hem bij
beslissing van verweerder van 31 mei 1988 is toegekend ingaande 1 mei 1988

Voorts vroeg klager, wiens echtgenote is geboren op 17 november 1929,
een toeslag op zijn ouderdomspensioen aan. Klagers echtgenote had ten tijde
in dit geding van belang een arbeidsinkomen van ƒ 1389,72 per maand. Bij de
bestreden beslissing heeft verweerder aan klager het recht op een AOW-toeslag
ontzegd, daartoe onder meer overwegende:

“Uw partner is op 1 april 1988 jonger dan 60 jaar, zodat het eventuele
inkomen van uw partner van invloed is op de hoogte van de toeslag

Voor uw partner is op grond van het Inkomensbesluit AOW een inkomen
vastgesteld van ƒ 1389,72 bruto per maand. Van dit inkomen wordt bij de
berekening van de hoogte van de toeslag 15% van het bruto minimumloon en een
derde van het meerdere inkomen vrijgesteld

Het niet-vrijgestelde inkomen van uw partner is hoger dan het bedrag van
de maximale toeslag van ƒ 489,29 bruto per maand. Gezien het bovenstaande
komt u niet in aanmerking voor een toeslag .”

Beoordeling van het geschil

Punt van geschil in dit geding is de vraag of verweerder terecht aan
klager ingaande 1 mei 1988 een toeslag op zijn ouderdomspensioen krachtens de
AOW heeft ontzegd

Ingevolge de artikelen 8, 10 en 11 van de AOW, zoals deze laatstelijk is
gewijzigd bij wet van 30 maart 1988 (Stb. 115), heeft degene, die op of na 1
april 1988 65 jaar wordt en een jongere echtgenoot heeft, in beginsel recht
op een toeslag ten bijdrage van 30% van het netto-minimumloon

Op deze toeslag wordt (slechts) in mindering gebracht het eventuele
inkomen uit of in verband met arbeid van de echtgenoot van de
toeslaggerechtigde, behoudens een vrijstelling ten bijdrage van 15% van het
bruto-minimumloon en een derde van het meerdere inkomen

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit dat
het niet-vrijgestelde inkomen van klagers echtgenote hoger is dan het bedrag
van de maximale toeslag van f.489,29. Zijdens klager is echter betoogd dat
vorenbedoelde toeslagregeling wegens strijdigheid met EG-richtlijn 79/7
(hierna: de derde richtlijn) te zijnen aanzien buiten toepassing moet blijven,
waartoe onder meer is aangevoerd: “Klager is van mening dat de
inkomensafhankelijke toeslagregeling in de AOW neergelegd in de artt. 8, 10
en 11 AOW en in het inkomensbesluit AOW van 31 maart 1988, tot effekt heeft
dat aanzienlijk meer mannen dan vrouwen in aanmerking zullen komen voor een
toeslag. Immers, enerzijds zijn de mannen in het algemeen ouder dan hun
vrouwen en het merendeel van deze mannen zal ook inderdaad een toeslag
ontvangen omdat hun vrouwen geen of onvoldoende arbeidsinkomen genieten,
anderzijds zullen de weinige vrouwen die ouder zijn dan hun partner in het
algemeen geen toeslag ontvangen omdat hun man wel een arbeidsinkomen of
inkomensvervangende uitkering geniet

Het inkomensafhankelijk toeslagensysteem dat vanaf 1 april 1988 in de
AOW geldt, treft voornamelijk gehuwde werkende vrouwen. Dit systeem brengt
immers niet alleen met zich mee dat de gehuwde werkende vrouw in het algemeen
niet zelf voor een toeslag in aanmerking komt, het systeem heeft voorts tot
gevolg dat de werkende gehuwde vrouw jonger dan 65 jaar haar inkomen geheel of
gedeeltelijk moet inleveren nu haar echtgenoot daardoor geen of een lagere
toeslag ontvangt”

en

“De wetgever is weliswaar van mening dat de toeslagregeling in de AOW
bedoeld is om het sociaal minimum te garanderen, doch nadere bestudering van
het systeem wijst uit dat dit zeker niet het geval is

De toeslagregeling houdt immers alleen rekening met het inkomen uit of
in verband met arbeid van de partner van de AOW-gerechtigde

Vrijgelaten wordt het inkomen uit of in verband met arbeid van de
AOW-gerechtigde zelve, welke meestal over een inkomen zal beschikken uit
aanvullend pensioen .”

en

“Klager is van mening dat hij bij dit verzoek om voornoemde bepalingen
ten aanzien van hem buiten toepassing te laten, wel degelijk rechtstreeks
belang heeft. Klager stelt het onderhavige beroep aangezien de
toeslagregeling indirekt discriminatie werkt ten aanzien van zijn gehuwde
werkende echtgenote, welke zelf in de onderhavige zaak geen mogelijkheid
heeft om beroep in te stellen

Voorts is het eveneens zo dat de aangevochten regeling in de AOW ertoe
zou leiden dat zij ten aanzien van gehuwde vrouwen in ieder geval buiten
toepassing gelaten zal worden op grond van art. 94 van de Grondwet wegens
strijd met de Derde EG-richtlijn. Zulks zal tot gevolg hebben dat de
bestreden bepalingen in de AOW en de daarop gebaseerde uitvoeringsmaatregelen
eveneens in ieder geval ten aanzien van klager buiten toepassing gelaten
dienen te worden, aangezien een direkte discriminatie naar geslacht zou
plaatsvinden indien deze bepalingen niet buiten toepassing gelaten zouden
worden .”

De Raad overweegt het volgende. De derde richtlijn bevat bepalingen
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
Artikel 4 lid 1 van de richtlijn (voorzover in dit geding van belang)
bepaalt: “Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten
in het bijzonder met betrekking tot (…) de berekening van de prestaties,
waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot voor
ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van
het recht op prestaties .”

De Raad acht, mede gelet op het door verweerder overgelegde statistisch
materiaal, niet aan gerede twijfel onderhevig dat de hiervoor uiteengezette
toeslagregeling in elk geval in het huidige tijdsgewricht (nog) tot effect
heeft dat aanzienlijk meer (gepensioneerde) mannen dan (gepensioneerde)
vrouwen voor een toeslag in aanmerking komen, zelfs als rekening wordt
gehouden met de omstandigheid dat binnen een huwelijk de man gemiddeld wat
ouder is dan de vrouw

Verweerder heeft bij contra-memorie onder meer betoogd dat de wetgever
met de toeslagregeling geen ander doel voor ogen heeft gestaan dan het
waarborgen van een bestaansminimum in gevallen waarin de jongere echtgenoot
van de AOW-gerechtigde (nagenoeg) geen middelen van bestaan heeft, zodat
reeds daarom niet van (indirecte) discriminatie in de zin van de derde
richtlijn gesproken kan worden, ongeacht de omstandigheid dat de
toeslagregeling in voorkomende gevallen een inkomen bewerkstelligt dat hoger
of lager ligt dan het sociaal minimum

De Raad kan verweerder hierin niet volgen. Blijkens onder meer de
arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei
1986 (zaak 170/84 Bilka Kaufhaus, Jur. 1986, p. 1607; TVVS 1988, p. 187) en
11 juni 1987 (zaak 30/85 Teuling, RSV, 88,172) is ter beantwoording van de
vraag of voor een ongelijke behandeling een rechtvaardigingsgrond aanwezig is
niet slechts beslissend het doel dat daarbij voor ogen heeft gestaan, maar
tevens de vraag of de ter bereiking van dat doel gekozen middelen
beantwoorden aan een echte behoefte, geschikt zijn om dat doel te bereiken en
daarvoor ook noodzakelijk zijn. Hoewel de wetgever in deze een zekere
waarderingsmarge toekomt kan deze niet zo ver gaan dat de doelstelling van de
regeling doorslaggevend is en de uitwerking onttrokken aan met name de
proportionaliteitseis

De Raad kan echter in het midden laten of de toeslagregeling geschikt en
noodzakelijk is om uitkeringsgerechtigden een voor hen noodzakelijk
bestaansminimum te waarborgen c.q. of (ook) anderszins een
rechtvaardigingsgrond aanwezig is zoals door verweerder ter terechtzitting
nader uiteengezet. Immers, ook indien de Raad er veronderstellenderwijs van
uitgaat, dat zulks niet het geval is, kan dit niet tot het door klager
beoogde resultaat leiden. Voorzover de toeslagregeling al indirekt
discriminerend moet worden geacht zou het buiten toepassing laten van de
kortingsbepalingen ten aanzien van vrouwen het probleem slechts verschuiven,
omdat daarmee directe discriminatie ten opzichte van mannen zou ontstaan.
Zijdens klager is gesteld dat de consequentie hiervan zou moeten zijn dat
voornoemde kortingsbepaling zowel ten aanzien van mannen als van vrouwen
buiten toepassing zou moeten blijven, ongeacht of ook in het concrete geval
sprake is van strijd met de strekking van de derde richtlijn. Gesteld al dat
zulks binnen het raam van de hier aan de orde zijnde rechterlijke toetsing
past zou toekenning van een ongekorte toeslag aan alle gehuwde
pensioengerechtigden met een partner beneden de 65 jaar echter een ongelijke
behandeling bewerkstelligen ten opzichte van zowel gehuwde
pensioengerechtigden wier partner tenminste 65 jaar is, als ten opzichte van
alleenstaanden. Het laatste geldt a fortiore indien -ter voorkoming van
discriminatie tussen gehuwden- alle gehuwde pensioengerechtigden zonder meer
recht zouden kunnen doen gelden op een toeslag, maar alleenstaanden niet

Ook al zouden deze vormen van ongelijke behandeling niet verboden worden
door de derde richtlijn, zij zouden op gespannen voet staan met artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
(Trb. 1969, nr. 99), nu niet valt in te zien waarom hiervoor wel, maar voor
de minder verstrekkende ongelijke behandeling zoals die thans voortvloeit uit
de AOW niet een rechtvaardigingsgrond (in de vorm van het op adequate wijze
waarborgen van een sociaal minimum of anderszins) aanwezig is

Klagers betoog in dit verband dat kan worden teruggevallen op de
toeslagregeling van de AOW zoals deze gold tot de inwerkingtreding van
meergenoemde wijzigingswet heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen
brengen. Voorzover de kortingsbepalingen al discriminerend zijn brengt zulks
niet met zich mee dat de wijzigingswet van 30 maart 1988 (of de
toeslagregeling daarin) in zijn geheel buiten toepassing zou moeten blijven
c.q. dat de voordien geldende toeslagregeling nog van kracht zou zijn. De
Raad laat dan nog daar of de oude toeslagregeling toetsing aan internationaal
recht zou kunnen doorstaan

De AOW biedt, nog steeds veronderstellenderwijs uitgaand van het
discriminerend karakter van de toeslagregeling, onvoldoende aanknopingspunten
voor andere denkbare oplossingen, met welke oplossingen bovendien tal van
vragen van zowel principiele als praktische aard samenhangen.
Gegrondverklaring van het beroep zou hetzij leiden tot een rechtsvacudm,
hetzij een voorziening impliceren die de rechtsvormende taak van de rechter
te buiten gaat en dient bijgevolg (reeds) om deze reden achterwege te blijven

Bijgevolg dient beslist te worden als hieronder aangewezen

BESLISSING

De Raad van Beroep te Arnhem; recht doende: verklaart het beroep
ongegrond

Rechters

Mr. J.A.M. Smulders, voorzitter, mr. drs. I.T. Terpstra en J.J. Bouwmanals leden

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 21 december 1989

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Klager heeft op 20 december 1987 een ouderdomspensioen aangevraagd
krachtens de AOW. Dit pensioen is hem toegekend. De toeslag voor zijn
echtgenote is afgewezen omdat het niet-vrijgestelde inkomen van de echtgenote
hoger is dan het bedrag van de maximale toeslag. Deze toeslagregeling is
volgens klager in strijd met de derde EG-richtlijn (nr. 79/7)

De wetgever beoogt met de toeslagregeling in de AOW, het sociaal minimum
te garanderen. Maar volgens klager werkt de toeslagregeling indirect
discriminerend ten aanzien van zijn gehuwde werkende echtgenote, welke zelf in
de onderhavige zaak geen mogelijkheid heeft om beroep in te stellen. Daarom
heeft klager een rechtstreeks belang bij het verzoek. De Raad acht, mede
gelet op het statistische materiaal, niet aan gerede twijfel onderhevig dat de
hiervoor uiteengezette toeslagregeling in elk geval in het huidige
tijdsgewricht (nog) tot effect heeft dat aanzienlijk meer (gepensioneerde)
mannen dan (gepensioneerde) vrouwen voor een toeslag in aanmerking komen,
zelfs als rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat binnen een huwelijk
de man gemiddeld wat ouder is dan de vrouw. Voorzover de toeslagregeling al
indirect discriminerend moet worden geacht zou het buiten toepassing laten van
de kortingsbepalingen ten aanzien van vrouwen het probleem slechts
verschuiven, omdat daarmee directe discriminatie van mannen zou ontstaan

Klagers beroep wordt ongegrond verklaard

Volledige tekst

AANDUIDING BESTREDEN BESLISSING

Beslissing van verweerder van 28 juli 1988

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 28 juli 1988 heeft verweerder aan klaagster kennisgegeven
van een beslissing ingevolge de algemene Ouderdomswet (AOW), waartegen
klaagster beroep heeft aangetekend op de in het klaagschrift van 2 augustus
1988 geformuleerde gronden. Op 1 juni 1989 heeft verweerder van
contra-memorie gediend. De zaak is behandeld ter terechtzitting van de raad
van 30 november 1989, waar klaagster niet is verschenen en alwaar verweerder
zich heeft doen vertegenwoordigen door Mr. G.R.J. de Groot

MOTIVERING

Vaststelling van de feiten

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting moeten
de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen

Klaagster, geboren op 26 april 1923, heeft op 25 januari 1988
ouderdomspensioen aangevraagd krachtens de AOW, welk pensioen haar bij
beslissing van verweerder van 26 mei 1988 is toegekend ingaande 1 april 1988.
Voorts vroeg klaagster, wier echtgenoot is geboren op 3 oktober 1931, een
toeslag op haar ouderdomspensioen aan. Klaagsters echtgenoot had ten tijde in
dit geding van belang een inkomen in verband met arbeid van ƒ 2913,33 per
maand. Bij de bestreden beslissing heeft verweerder aan klaagster het recht
op een AOW-toeslag ontzegd, daartoe onder meer overwegende:

“Aangezien u een ouderdomspensioen is toegekend en uw partner jonger is
dan 65 jaar, heeft u in beginsel recht op een toeslag

Uw partner is op 1 april 1988 jonger dan 60 jaar, zodat het eventuele
inkomen van uw partner van invloed is op de hoogte van de toeslag. Voor uw
partner is op grond van het Inkomensbesluit AOW een inkomen vastgesteld van
ƒ 2913,33 bruto per maand

Van dit inkomen wordt bij de berekening van de hoogte van de toeslag 15%
van het bruto minimumloon en een derde van het meerdere inkomen vrijgesteld

Het niet-vrijgestelde inkomen van uw partner is hoger dan het bedrag van
de maximale toeslag van ƒ 489,29 bruto per maand. Gezien het bovenstaande
komt u niet in aanmerking voor een toeslag .”

– Beoordeling van het geschil

Punt van geschil in dit geding is de vraag of verweerder terecht aan
klaagster ingaande 1 april 1988 een toeslag op haar ouderdomspensioen
krachtens de AOW heeft ontzegd

Ingevolge de artikelen 8, 10 en 11 van de AOW, zoals deze laatstelijk is
gewijzigd bij wet van 30 maart 1988 (Stb.115), heeft degene, die op of na 1
april 1988 65 jaar wordt en een jongere echtgenoot heeft, in beginsel recht
op een toeslag ten bedrage van 30% van het netto-minimumloon

Op deze toeslag wordt (slechts) in mindering gebracht het eventuele
inkomen uit of in verband met arbeid van de echtgenoot van de
toeslaggerechtigde, behoudens een vrijstelling ten bedrage van 15% van het
bruto-minimumloon en een derde van het meerdere inkomen

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit dat
het niet-vrijgestelde inkomen van klaagsters echtgenoot hoger is dan het
bedrag van de maximale toeslag van f.489,29. Zijdens klaagster is echter
betoogd dat vorenbedoelde toeslagregeling wegens strijdigheid met het
EEG-recht te haren aanzien buiten toepassing moet blijven

De Raad overweegt het volgende. EG-richtlijn 79/7 (hierna: de derde
richtlijn) bevat bepalingen betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van
het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
de sociale zekerheid. Artikel 4 lid 1 van de richtlijn (voorzover in dit
geding van belang) bepaalt: “Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat
iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij
indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is
uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot (…) de berekening van de
prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de
echtgenoot voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarde inzake duur
en behoud van het recht op prestaties .”

De Raad acht, mede gelet op het door verweerder overgelegde statistisch
materiaal, niet aan twijfel onderhevig dat de hiervoor uiteengezette
toeslagregeling in elk geval in het huidige tijdsgewricht (nog) tot effect
heeft dat aanzienlijk meer (gepensioneerde) mannen dan (gepensioneerde)
vrouwen voor een toeslag in aanmerking komen, zelfs als rekening wordt
gehouden met de omstandigheid dat binnen een huwelijk de man gemiddeld wat
ouder is dan de vrouw

Verweerder heeft bij contra-memorie onder meer betoogd dat de wetgever
met de toeslagregeling geen ander doel voor ogen heeft gestaan dan het
waarborgen van een bestaansminimum in gevallen waarin de jongere echtgenoot
van de AOW-gerechtigde (nagenoeg) geen middelen van bestaan heeft, zodat
ò
ds daarom niet van (indirecte) discriminatie in de zin van de derde
richtlijn gesproken kan worden, ongeacht de omstandigheid dat de
toeslagregeling in voorkomende gevallen een inkomen bewerkstelligt dat hoger
of lager ligt dan het sociaal minimum

De Raad kan verweerder hierin niet volgen. Blijkens onder meer de
arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei
1986 (zaak 170/84 Bilka Kaufhaus, Jur. 1986, p. 1607; TVVS 1988, p. 187) en
11 juni 1987 (zaak 30/85 Teuling, RSV, 88,172) is ter beantwoording van de
vraag of voor een ongelijke behandeling een rechtvaardigingsgrond aanwezig is
niet slechts beslissend het doel dat daarbij voor ogen heeft gestaan, maar
tevens de vraag of de ter bereiking van dat doel gekozen middelen
beantwoorden aan een echte behoefte, geschikt zijn om dat doel te bereiken en
daarvoor ook noodzakelijk zijn. Hoewel de wetgever in deze een zekere
waarderingsmarge toekomt kan deze niet zo ver gaan dat de doelstelling van de
regeling doorslaggevend is en de uitwerking onttrokken aan met name de
proportionaliteitseis

De Raad kan echter in het midden laten of de toeslagregeling geschikt en
noodzakelijk is om uitkeringsgerechtigden een voor hen noodzakelijk
bestaansminimum te waarborgen c.q. of (ook) anderszins een
rechtvaardigingsgrond aanwezig is zoals door verweerder ter terechtzitting
nader uiteengezet. Immers, ook indien de Raad er veronderstellenderwijs van
uitgaat, dat zulks niet het geval is, kan dit niet tot het door klaagster
beoogde resultaat leiden. Voorzover de toeslagregeling al indirekt
discriminerend moet worden geacht zou het buiten toepassing laten van de
kortingsbepalingen ten aanzien van vrouwen het probleem slechts verschuiven.
Het gevolg zou immers zijn dat gepensioneerde vrouwen met een partner jonger
dan 65 jaar steeds recht op een toeslag zouden hebben, maar mannen in
overigens gelijke situatie slechts indien hun echtgenote geen of een zeer laag
inkomen heeft. Zulks kan naar het oordeel van de Raad niet anders dan als
een door de derde richtlijn verboden vorm van directe discriminatie van
mannen worden beschouwd

Ook het buiten toepassing laten van de kortingsbepaling ten aanzien van
zowel mannelijke als vrouwelijke pensioengerechtigden met een partner beneden
de 65 jaar – gesteld al dat zulks binnen het raam van de hier aan de orde
zijnde rechterlijke toetsing past – zou leiden tot rechtens onaanvaardbare
resultaten. Toekenning van een ongekorte toeslag aan deze groep zou immers
een ongelijke behandeling bewerkstelligen ten opzichte van zowel gehuwde
pensioengerechtigden wier partner tenminste 65 jaar is, als ten opzichte van
alleenstaanden. Het laatste geldt a fortiori indien -ter voorkoming van
discriminatie tussen gehuwden – alle gehuwde pensioengerechtigden zonder meer
recht zouden kunnen doen gelden op een toeslag, maar alleenstaanden niet

Ook al zouden deze vormen van ongelijke behandeling niet worden verboden
door de derde richtlijn, zij zouden op gespannen voet staan met het algemeen
discriminatieverbod neergelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (Trb. 1969, nr. 99), nu niet valt
in te zien waarom hiervoor wel, maar voor de minder verstrekkende ongelijke
behandeling zoals die thans voortvloeit uit de AOW niet een
rechtvaardigingsgrond (in de vorm van het op adequate wijze waarborgen van
een sociaal minimum of anderzins) aanwezig is

De AOW biedt, nog steeds veronderstellenderwijs uitgaand van het
discriminerend karakter van de toeslagregeling, onvoldoende aanknopingspunten
voor andere denkbare oplossingen, met welke oplossingen bovendien tal van
vragen van zowel principiele als praktische aard samenhangen.
Gegrondverklaring van het beroep om deze reden zou hetzij leiden tot een
rechtsvacudm, hetzij een voorziening impliceren die de rechtsvormende taak
van de rechter te buiten gaat en dient bijgevolg (reeds) om deze reden
achterwege te blijven

Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de
bestreden beslissing voor onjuist te houden. Weliswaar heeft klaagster nog
aangevoerd dat zij gediscrimineerd wordt ten opzichte van personen in
overigens gelijke omstandigheden die voor 1 april 1988 de 65-jarige leeftijd
hebben bereikt, maar dat heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen
brengen. Het gelijkheidsbeginsel en ook het – door klaagster niet expliciet
genoemde – rechtszekerheidsbeginsel hebben niet de betekenis die klaagster
daaraan toegekend wil zien. Met name verzetten deze beginselen zich in
principe niet tegen invoering van een wettelijke kortingsbepaling ingaande
enigerlei datum na totstandkoming van de wetswijziging. De Raad heeft geen
aanknopingspunten gevonden om in het onderhavige geval anders te oordelen.
De Raad laat dan nog daar de vraag of deze beginselen de werking van een door
regering en parlement aanvaarde wetswijziging zouden kunnen ontkrachten.
Gegeven de grondwettelijke taakverdeling tussen wetgever en rechter is het de
Raad tenslotte niet toegestaan om een oordeel te geven over de vraag of de
wetswijziging als hier aangevochten billijk is

Bijgevolg dient beslist te worden als hieronder aangegeven

BESLISSING

De Raad van Beroep te Arnhem; recht doende: verklaart het beroep
ongegrond

Rechters

Mr. J.A.M. Smulders, voorzitter, mr. drs. I.T. Terpstra en J.J. Bouwmanals leden, L. Smidt als griffie

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 21 december 1989

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Klager heeft op 20 december 1987 een ouderdomspensioen aangevraagd
krachtens de AOW. Dit pensioen is hem toegekend. De toeslag van zijn
echtgenote is gedeeltelijk afgewezen omdat het niet-vrijgestelde inkomen van
de echtgenote in mindering is gebracht op het bedrag van de maximale toeslag
Deze toeslagregeling is volgens klager in strijd met de derde
EG-richtlijn (nr. 79/7)

De wetgever beoogt met de toeslagregeling in de AOW, het sociaal minimum
te garanderen. Maar volgens klager werkt de toeslagregeling indirect
discriminerend ten aanzien van zijn gehuwde werkende echtgenote, welke zelf in
de onderhavige zaak geen mogelijkheid heeft om beroep in te stellen. Daarom
heeft klager een rechtstreeks belang bij het verzoek. De Raad acht, mede
gelet op het statistische materiaal, niet aan gerede twijfel onderhevig dat de
hiervoor uiteengezette toeslagregeling in elk geval in het huidige
tijdsgewricht (nog) tot effect heeft dat aanzienlijk meer (gepensioneerde)
mannen dan (gepensioneerde) vrouwen voor een toeslag in aanmerking komen,
zelfs als rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat binnen een huwelijk
de man gemiddeld wat ouder is dan de vrouw. Voorzover de toeslagregeling al
indirect discriminerend moet worden geacht zou het buiten toepassing laten van
de kortingsbepalingen ten aanzien van vrouwen het probleem slechts
verschuiven, omdat daarmee directe discriminatie van mannen zou ontstaan

Klagers beroep wordt ongegrond verklaard

Volledige tekst

AANDUIDING BESTREDEN BESLISSING

Beslissing van verweerder van 19 juli 1988

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 19 juli 1988 heeft verweerder aan klager kennisgegeven van
een beslissing ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), waartegen zijdens
klager beroep is aangetekend op de bij klaagschrift van 15 augustus 1988
aangevoerde gronden. Op 11 mei 1989 heeft verweerder van contra-memorie
gediend. Vervolgens is de zaak behandeld ter terechtzitting van de Raad van
30 november 1989, waar klager zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn
echtgenote en alwaar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
G.R. J. de Groot

MOTIVERING

– Vaststelling van de feiten

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting moeten
de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen

Klager, geboren op 21 juni 1923, heeft op 2 december 1987
ouderdomspensioen aangevraagd krachtens de AOW, welk pensioen hem bij
beslissing van verweerder van 1 juni 1988 is toegekend ingaande 1 juni 1988

Voorts vroeg klager, wiens echtgenote is geboren op 10 januari 1929, een
toeslag op zijn ouderdomspensioen aan. Klagers echtgenote had ten tijde in
dit geding van belang een inkomen van ƒ 487,– per maand. Bij de bestreden
beslissing heeft verweerder aan klager per 1 juni 1988 een toeslag ten
bedrage van ƒ 363,40 bruto per maand toegekend, zijnde 74,27% van de
volledige toeslag

– Beoordeling van het geschil

Punt van geschil in dit geding is de vraag of verweerder terecht aan
klager ingaande 1 april 1988 een toeslag op zijn ouderdomspensioen krachtens
de AOW heeft toegekend van 74,27% van de volledige toeslag

Ingevolge de artikelen 8, 10 en 11 van de AOW, zoals deze laatstelijk is
gewijzigd bij wet van 30 maart 1988 (Stb.115), heeft degene, die op of na 1
april 1988 65 jaar wordt en een jongere echtgenoot heeft, in beginsel recht
op een toeslag ten bedrage van 30% van het netto-minimumloon

Op deze toeslag wordt (slechts) in mindering gebracht het eventuele
inkomen uit of in verband met arbeid van de echtgenoot van de
toeslaggerechtigde, behoudens een vrijstelling ten bedrage van 15% van het
bruto-minimumloon en een derde van het meerdere inkomen

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit dat
het niet-vrijgestelde inkomen van klagers echtgenote f.125,89 bedraagt.
Zijdens klager is echter betoogd dat vorenbedoelde toeslagregeling wegens
strijdigheid met EG-richtlijn 79/7 (hierna: de derde richtlijn) te zijnen
aanzien buiten toepassing moet blijven

De Raad overweegt het volgende. De derde richtlijn bevat bepalingen
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
Artikel 4 lid 1 van de richtlijn (voorzover in dit geding van belang)
bepaalt: “Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten
in het bijzonder met betrekking tot (…) de berekening van de prestaties,
waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot voor
ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van
het recht op prestaties .”

De Raad acht, mede gelet op het door verweerder overgelegde statistisch
materiaal, niet aan twijfel onderhevig dat de hiervoor uiteengezette
toeslagregeling in elk geval in het huidige tijdsgewricht (nog) tot effect
heeft dat aanzienlijk meer (gepensioneerde) mannen dan (gepensioneerde)
vrouwen voor een toeslag in aanmerking komen, zelfs als rekening wordt
gehouden met de omstandigheid dat binnen een huwelijk de man gemiddeld wat
ouder is dan de vrouw

Verweerder heeft bij contra-memorie onder meer betoogd dat de wetgever
met de toeslagregeling geen ander doel voor ogen heeft gestaan dan het
waarborgen van een bestaansminimum in gevallen waarin de jongere echtgenoot
van de AOW-gerechtigde (nagenoeg) geen middelen van bestaan heeft, zodat
reeds daarom niet van (indirecte) discriminatie in de zin van de derde
richtlijn gesproken kan worden, ongeacht de omstandigheid dat de
toeslagregeling in voorkomende gevallen een inkomen bewerkstelligt dat hoger
of lager ligt dan het sociaal minimum

De Raad kan verweerder hierin niet volgen. Blijkens onder meer de
arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei
1986 (zaak 170/84 Bilka Kaufhaus, Jur. 1986, p. 1607; TVVS 1988, p. 187) en
11 juni 1987 (zaak 30/85 Teuling, RSV, 88,172) is ter beantwoording van de
vraag of voor een ongelijke behandeling een rechtvaardigingsgrond aanwezig is
niet slechts beslissend het doel dat daarbij voor ogen heeft gestaan, maar
tevens de vraag of de ter bereiking van dat doel gekozen middelen
beantwoorden aan een echte behoefte, geschikt zijn om dat doel te bereiken en
daarvoor ook noodzakelijk zijn. Hoewel de wetgever in deze en zekere
waarderingsmarge toekomt kan deze niet zo ver gaan dat de doelstelling van de
regeling doorslaggevend is en de uitwerking onttrokken aan met name de
proportionaliteitseis

De Raad kan echter in het midden laten of de toeslagregeling geschikt en
noodzakelijk is om uitkeringsgerechtigden een voor hen noodzakelijk
bestaansminimum te waarborgen c.q. of (ook) anderszins een
rechtvaardigingsgrond aanwezig is zoals door verweerder ter terechtzitting
nader uiteengezet. Immers, ook indien de Raad er veronderstellenderwijs van
uitgaat, dat zulks niet het geval is, kan dit niet tot het door klager
beoogde resultaat leiden. Voorzover de toeslagregeling al indirekt
discriminerend moet worden geacht zou het buiten toepassing laten van de
kortingsbepalingen ten aanzien van vrouwen het probleem slechts verschuiven,
omdat daarmee directe discriminatie ten opzichte van mannen zou onstaan

Zijdens klager is gesteld dat de consequentie hiervan zou moeten zijn
dat voornoemde kortingsbepaling zowel te aanzien van mannen als van vrouwen
buiten toepassing zou moeten blijven, ongeacht of ook in het concrete geval
sprake is van strijd met de strekking van de derde richtlijn. Gesteld al dat
zulks binnen het raam van de hier aan de orde zijnde rechterlijke toetsing
past zou toekenning van een ongekorte toeslag aan alle gehuwde
pensioengerechtigden met een partner beneden de 65 jaar echter een ongelijke
behandeling bewerkstelligen ten opzichte van zowel gehuwde
pensioengerechtigden wier partner tenminste 65 jaar is, als ten opzichte van
alleenstaanden. Het laatste geldt a fortiori indien – ter voorkoming van
discriminatie tussen gehuwden – alle gehuwde pensioengerechtigden zonder meer
recht zouden kunnen doen gelden op een toeslag, maar alleenstaanden niet

Al zouden deze vormen van ongelijke behandeling niet worden verboden
door de derde richtlijn, zij zouden op gespannen voet staan met het algemeen
discriminatieverbod neergelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (Trb. 1969, nr. 99), nu niet valt
in te zien waarom hiervoor wel, maar voor de minder verstrekkende ongelijke
behandeling zoals die thans voortvloeit uit de AOW niet een
rechtvaardigingsgrond (in de vorm van het op adequate wijze waarborgen van
een sociaal minimum of anderzins) aanwezig is

De AOW biedt, nog steeds veronderstellenderwijs uitgaand van het
discriminerend karakter van de toeslagregeling, onvoldoende aanknopingspunten
voor andere denkbare oplossingen, met welke oplossingen bovendien tal van
vragen van zowel principiele als praktische aard samenhangen.
Gegrondverklaring van het beroep zou hetzij leiden tot een rechtsvacudm,
hetzij een voorziening impliceren die de rechtsvormende taak van de rechter
te buiten gaat en dient bijgevolg (reeds) om deze reden achterwege te blijven

Bijgevolg dient beslist te worden als hieronder aangegeven

BESLISSING

De Raad van Beroep te Arnhem; recht doende: verklaart het beroep
ongegrond

Rechters

Mr. J.A.M. Smulders als voorzitter en mr. drs. I.T. Terpstra en J.J.Bouwman als leden, L. Smidt als griffier

Instantie: Raad van Beroep Roermond, 20 december 1989

Instantie

Raad van Beroep Roermond

Samenvatting


Heeft verweerder terecht en op goede gronden het aan klaagster
toegekende ouderdomspensioen krachtens de AOW vastgesteld op 68% van het
ingevolge die wet geldende volledige ouderdomspensioen

De korting geschiedde krachtens een bepaling die inhield dat van
verzekering krachtens (onder andere) de AOW was uitgezonderd de echtgenote van
een man die wegens (onder meer) arbeid in het buitenland zelf niet ingevolge
de AOW was verzekerd. Die uitsluiting was van kracht, zelfs al had de
desbetreffende vrouw, gedurende de periode(s) van arbeid in het buitenland van
de echtgenoot in Nederland als werkneemster gewerkt

Een dergelijke uitsluiting gold echter niet voor de man wiens echtgenote
in het buitenland werkzaam was

Per 1 april 1985 is echter in de AOW (artikel 13) – zij het in
gewijzigde vorm – het systeem gehandhaafd waarbij een korting op het
ouderdomspensioen wordt toegepast voor in het verleden – op basis van de
destijds geldende bepalingen – niet verzekerde tijdvakken

De Raad acht het duidelijk dat klaagster, die laatstelijk tot haar
vijfenzestigste verjaardag een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, onder
de personele werkingssfeer van de derde EG-richtlijn valt, zodat zij daaraan
in beginsel rechten kan ontlenen. Tevens staat art. 26 BuPo-verdrag in de
weg aan het toepassen van een korting op een AOW-uitkering op grond van art.
13 lid 1 AOW juncto art. 2 lid 1 sub j, KB 557

Dit heeft tot gevolg dat het aan klaagster per september 1988 toegekende
ouderdomspensioen niet mocht worden vastgesteld onder toepassing van een
korting wegens niet verzekerde tijdvakken, voor zover deze is gebaseerd op de
eerder beschreven voor 1 april 1985 bestaande discriminerende wetgeving

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder dd. 12 december 1988

Kenmerk: nl.3/ao/505354d-00

2. Terechtzitting

Datum: 29 november 1989

Klaagster verschenen bij gemachtigde H.A. Janssen

Verweerder verschenen bij gemachtigden mw. mr. L. Smith-Boot, mw. mr.
H.S. van Zanten en Dhr.H. Kamperman

3. Feiten

Bij beslissing van 12 december 1988 is aan klaagster een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend met
ingang van 1 augustus 1988

Dat ouderdomspensioen is door verweerder vastgesteld op 68% van het
krachtens de AOW geldende volledige ouderdomspensioen, zulks omdat klaagster
niet verzekerd zou zijn geweest ingevolge die wet gedurende in de bestreden
beslissing genoemde periodes

Tegen die beslissing is beroep ingesteld op daartoe aangevoerde gronden

De door verweerder terzake van dit beroep overgelegde stukken alsmede de
contra-memorie zijn op 3 mei 1989 aan klaagster toegezonden

Desgevraagd is op 11 mei 1989 informatie verstrekt omtrent klaagsters
arbeidsverleden

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting

5. Motivering

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht
en op goede gronden het aan klaagster toegekende ouderdomspensioen krachtens
de AOW heeft vastgesteld op 68% ouderdomspensioen

De Raad heeft daaromtrent het volgende overwogen

Op basis van de voorhanden gegevens dient met verweerder te worden
geconcludeerd dat de in de bestreden beslissing genoemde periodes, ingevolge
het ten tijde hier van belang bij en krachtens de AOW bepaalde, niet als
verzekerde tijdvakken kunnen worden aangemerkt. Derhalve diende op grond van
de in artikel 13 van de AOW neergelegde regeling een korting op het volledige
ouderdomspensioen te worden toegepast van 32%

Bij toetsing enkel aan de bepalingen van de AOW, zou dan ook geoordeeld
moeten worden dat de aan het begin van deze rubriek geformuleerde vraag
bevestigend moet worden beantwoord

De Raad ziet echter aanleiding zich te buigen over de vraag of
bepalingen van internationaal recht, welke van hogere orde zijn dan de
nationale wetgeving, in casu aan toepassing van de vorengenoemde korting op
klaagsters ouderdomspensioen in de weg staan

In dat verband is het van belang vast te stellen dat de zojuist bedoelde
korting (mede) het gevolg is van een voor 1 april 1985 geldende bepaling,
welke was vervat in opeenvolgende Koninklijke Besluiten inzake uitbreiding en
beperking van de kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen, zulks
laatstelijk in artikel 2, eerste lid sub j van het Koninklijk Besluit van 19
oktober 1976, Staatsblad 557. Die bepaling hield in dat van verzekering
krachtens (onder andere) de AOW was uitgezonderd de echtgenote van een man
die wegens (onder meer) arbeid in het buitenland zelf niet ingevolge de AOW
verzekerd was. Die uitsluiting was van kracht, zelfs al had de desbetreffende
vrouw, gedurende periode(s) van arbeid in het buitenland van de echtgenoot in
Nederland als werkneemster gewerkt

Een dergelijke uitsluiting gold echter niet voor de man wiens echtgenote
in het buitenland werkzaam was

In het kader van de bedoeling van de wetgever om ingaande 1 april 1985
de gelijkstelling van mannen en vrouwen in de AOW te bewerkstelligen, is de
vorenbedoelde bepaling van het Besluit inzake uitbreiding en beperking van de
kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen per die datum geschrapt

Na 1 april 1985 is echter in de AOW (artikel 13 lid 1) – zij het in
gewijzigde vorm – het systeem gehandhaafd waarbij een korting op het
ouderdomspensioen wordt toegepast voor in het verleden – op basis van de
destijds geldende bepalingen – niet verzekerde tijdvakken

De Raad moet dan ook vaststellen dat de vorenomschreven vervallen
bepaling van het “Besluit inzake uitbreiding en beperking van de kring van
verzekerden ingevolge de volksverzekeringen” na 1 april 1985 blijft
doorwerken zowel in reeds toegekende als in nog toe te kennen
ouderdomspensioenen. Voorts kan hij niet om de conclusie heen dat die
bepaling een rechtstreeks onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen, nu
blijkens de tekst daarvan slechts vrouwen daardoor getroffen kunnen worden.
De vraag die een en ander nu oproept is of de doorwerking van de
onderwerpelijke – op zichzelf discrimineren te achten – uitsluitingsbepaling
in de aanspraken op ouderdomspensioen, door normen van internationaal recht
verhinderd wordt

Op verzoek van de Raden van Beroep te Utrecht en Groningen heeft het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen (het Hof) zich bij arrest van 27
juni 1989 uitgesproken over de betekenis van de richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/7 (de derde richtlijn)
voor een drietal gevallen, waarin kortingen op het ouderdomspensioen van
gehuwde vrouwen waren toegepast als gevolg van de vorenomschreven regel tot
uitsluiting van de verzekering ingevolge de AOW. Het Hof heeft in dat arrest
voor recht verklaard:

“1. Artikel 2 van richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december 1978
betreffende geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid,
moet aldus worden uitgelegd, dat de richtlijn niet van toepassing is op
personen die geen arbeid hebben verricht en die geen werkzoekenden zijn, en op
personen die arbeid hebben verricht welke niet is onderbroken door een van de
in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn genoemde risico’s, en die geen
werkzoekenden zijn

2. Het voorgaande wordt niet anders, wanneer de betrokkene zijn
werkzaamheden heeft gestaakt en niet meer voor de arbeidsmarkt beschikbaar is
geweest voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn

3. Een persoon die niet onder artikel 2 van richtlijn 79/7 valt, kan
geen beroep doen op artikel 4 ervan .”

Terugkerend naar het onderhavige geval acht de Raad het duidelijk dat
klaagster niet onder de werkingssfeer van de derde richtlijn valt nu zij in
de laatste jaren voor het bereiken van de vijfenzestig jarige leeftijd geen
arbeid als werkneemster of als zelfstandige heeft verricht, terwijl zodanige
arbeid toen eveneens niet was onderbroken door een van de in artikel 2 van de
derde richtlijn bedoelde risico’s. Klaagster kan derhalve de derde richtlijn
niet inroepen om te verhinderen dat er een korting op haar ouderdomspensioen
ingevolge de AOW plaatsvindt

De Raad zal nu onderzoeken of het in geding zijnde samenstel van
bepalingen, die tot een korting op klaagsters ouderdomspensioen leiden, in
casu buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Dat
artikel luidt -in de Nederlandse vertaling van de authentieke tekst- als
volgt:

“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak
op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en
doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of ander status .”

Het leidt geen twijfel dat deze verdragsbepaling (mede) van betekenis is
voor het terrein van de sociale zekerheids- wetgeving, waartoe de AOW behoort.
Voorts moet het duidelijk geacht worden dat door toepassing van artikel 13
lid 1 van de AOW in verbinding met de meerbedoelde – per 1 april 1985
ingetrokken- bepaling omtrent uitsluiting van de kring van verzekerden, in
beginsel een ongelijkheid voor de wet onstaat welke ook na die datum
voortduurt, nu het effect daarvan is dat er mannen en vrouwen zijn, die
terzake in gelijke omstandigheden verkeren (namelijk zelf ingezetene geweest
zijn en een echtgenoot hebben die in het buitenland gewerkt heeft) en toch
niet dezelfde aanspraken op ouderdomspensioen hebben

Zulks betekent nog niet zonder meer dat er sprake is van strijd met
artikel 26 van het IVBPR. Dat is namelijk slechts het geval als de zojuist
aangeduide ongelijke behandeling niet berust op redelijke en objectieve
gronden

De Raad acht het daaromtrent in de eerste plaats van belang aan te geven
dat naar zijn visie ten aanzien van de onderhavige problematiek weinig ruimte
aanwezig te achten is voor het aanvaarden van een rechtvaardigingsgrond als
zojuist bedoeld, nu de Raad van oordeel is – zoals blijkt uit een viertal
uitspraken van heden – dat vrouwen, die wel tot de personenkring van de derde
richtlijn behoren, een beroep op die richtlijn kunnen doen om te verhinderen
dat de gewraakte kortingen nog kunnen worden toegepast. Het ligt dan in de
rede dat voor andere vrouwen, die naar nationaal recht op geen enkele wijze
een andere positie in de AOW hebben, zoveel mogelijk hetzelfde resultaat
geldt

Binnen de beperkte ruimte die hij daarvoor ziet zal de Raad nu nagaan of
er een rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid is aan te wijzen

Van de kant van verweerder is ter terechtzitting onder meer het volgende
betoogd: “De SVB is van mening dat voor de uitsluiting van de gehuwde vrouw
op grond van de bepalingen in het KB 557 en vorige KB’s inzake uitbreiding en
beperking wel degelijk redelijke en objectieve gronden zijn aan te voeren

De uitsluiting van de gehuwde vrouw over tijdvakken waarover de man in
het buitenland werkte en aldaar verzekerd was, hield verband met de
omstandigheid dat de man in het algemeen in het buitenland pensioen opbouwde
dat ook voor de echtgenoot bestemd was

Het werd niet nodig c.q. onwenselijk geacht dat zowel in Nederland als
in het buitenland aanspraken werden opgebouwd .”

De Raad kan verweerder in die redenering niet volgen

Daargelaten kan worden welke betekenis toekomt aan de stelling dat er
voor de uitsluiting van de gehuwde vrouw redelijke en objectieve gronden
bestonden ten tijde van het van kracht zijn van de desbetreffende bepalingen.
Naar de zienswijze van de Raad kan de aanwezigheid van zodanige gronden na
1 april 1985 in ieder geval niet meer staande gehouden worden. Vanaf die
datum gelden immers in de AOW zelfstandige uitkeringsrechten voor mannen en
vrouwen, ook als zij gehuwd zijn. In dat systeem ligt niet voor de hand dat
de aanspraken van de vrouw gekort worden op gronden die afgeleid zijn van het
verzekeringsverleden van haar echtgenoot. Daarbij komt nog dat bepaald niet
vaststaat dat het verlies aan rechten van de vrouw steeds gecompenseerd wordt
door aanspraken van haar echtgenoot in het buitenland

De Raad vermag dan ook in verweerders argumentaties geen reden te zien
om in dit geval geen strijd met artikel 26 IVBPR aanwezig te achten. Ook
overigens ziet de Raad geen rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte
onderscheid

In verband met het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet resteert nu de
vraag of artikel 26 IVBPR in casu ook rechtstreekse werking heeft. In de
lijn van het vorenoverwogene acht de Raad het ook op dit punt aangewezen aan
te sluiten bij de derde richtlijn. De Raad beschouwt daarom artikel 26 IVBPR
ten aanzien van de hier aan de orde zijnde regelgeving vanaf 23 december 1984
als rechtstreeks werkend

De Raad is dan ook tot de zienswijze gekomen dat artikel 26 IVBPR in de
weg staat aan het toepassen van een korting op een ouderdomspensioen
ingevolge de AOW op grond van artikel 13 lid 1 van de AOW juncto de thans
vervallen maar nog wel doorwerkende bepalingen van de opeenvolgende
“Besluiten inzake uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden
ingevolge de volksverzekeringen” betreffende de uitsluiting van de echtgenote
van een niet verzekerde man

Nu in casu op basis van de zojuist bedoelde regels na 23 december 1984
een korting op het AOW-pensioen van klaagster is toegepast, kan de bestreden
beslissing niet in stand gelaten worden en dient verweerder een nieuwe
beslissing dienaangaande te nemen

Mitsdien wordt beslist als volgt

6. Beslissing

De Raad van Beroep te Roermond, recht doende, vernietigt de bestreden
beslissing voor zover daarbij een korting is toegepast ten opzichte van het
volledige ouderdomspensioen; bepaalt dat verweerder op dat punt een nieuwe
beslissing neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
bepaalt dat verweerder het door klaagster terzake van dit beroep gestorte
griffierecht volledig aan haar vergoedt

Rechters

Mr. Th. M. Schelfhout als voorzitter, G.H.F. Faessen en A. van Mamerenals griffier

Instantie: Raad van Beroep Roermond, 20 december 1989

Instantie

Raad van Beroep Roermond

Samenvatting


Heeft verweerder terecht en op goede gronden het aan klaagster
toegekende ouderdomspensioen krachtens de AOW vastgesteld op 68% van het
ingevolge die wet geldende volledige ouderdomspensioen

De korting geschiedde krachtens een bepaling die inhield dat van
verzekering krachtens (onder andere) de AOW was uitgezonderd de echtgenote van
een man die wegens (onder meer) arbeid in het buitenland zelf niet ingevolge
de AOW was verzekerd. Die uitsluiting was van kracht, zelfs al had de
desbetreffende vrouw, gedurende de periode(s) van arbeid in het buitenland van
de echtgenoot in Nederland als werkneemster gewerkt

Een dergelijke uitsluiting gold echter niet voor de man wiens echtgenote
in het buitenland werkzaam was

Per 1 april 1985 is in de AOW (artikel 13) – zij het in gewijzigde vorm
– het systeem gehandhaafd waarbij een korting op het ouderdomspensioen wordt
toegepast voor in het verleden – op basis van de destijds geldende bepalingen
– niet verzekerde tijdvakken

De Raad acht het duidelijk dat klaagster, die laatstelijk tot haar
vijfenzestigste verjaardag een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, onder
de personele werkingssfeer van de derde EG-richtlijn valt, zodat zij daaraan
in beginsel rechten kan ontlenen. Ditheefttot gevolg dat het aan klaagster
per september 1988 toegekende ouderdomspensioen niet mocht worden vastgesteld
onder toepassing van een korting wegens niet verzekerde tijdvakken, voor zover
deze is gebaseerd op de eerder beschreven voor 1 april 1985 bestaande
discriminerende wetgeving

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder dd. 1 september 1988 Kenmerk:
Dld.2/AO/5454152-00

2. Terechtzitting

Datum: 29 november 1989

Klaagster verschenen bij gemachtigde H.A. Janssen

Verweerder verschenen bij gemachtigden Mw. Mr. L. Smith-Boot, Mw. Mr.
H.S. van Zanten en Dhr.H. Kamperman

3. Feiten

Bij beslissing van 12 december 1988 is aan klaagster een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend met
ingang van 1 augustus 1988

Dat ouderdomspensioen is door verweerder vastgesteld op 68% van het
krachtens de AOW geldende volledige ouderdomspensioen, zulks omdat klaagster
niet verzekerd zou zijn geweest ingevolge die wet gedurende in de bestreden
beslissing genoemde periodes

Tegen die beslissing is beroep ingesteld op daartoe aangevoerde gronden

De door verweerder terzake van dit beroep overgelegde stukken alsmede de
contra-memorie zijn op 3 mei 1989 aan klaagster toegezonden

Desgevraagd is op 11 mei 1989 informatie verstrekt omtrent klaagsters
arbeidsverleden

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting

5. Motivering

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht
en op goede gronden het aan klaagster toegekende ouderdomspensioen krachtens
de AOW heeft vastgesteld op 68% ouderdomspensioen

De Raad heeft daaromtrent het volgende overwogen

Op basis van de voorhanden gegevens dient met verweerder te worden
geconcludeerd dat de in de bestreden beslissing genoemde periodes, ingevolge
het ten tijde hier van belang bij en krachtens de AOW bepaalde, niet als
verzekerde tijdvakken kunnen worden aangemerkt. Derhalve diende op grond van
de in artikel 13 van de AOW neergelegde regeling een korting op het volledige
ouderdomspensioen te worden toegepast van 32%

Bij toetsing enkel aan de bepalingen van de AOW, zou dan ook geoordeeld
moeten worden dat de aan het begin van deze rubriek geformuleerde vraag
bevestigend moet worden beantwoord

De Raad ziet echter aanleiding zich te buigen over de vraag of
bepalingen van internationaal recht, welke van hogere orde zijn dan de
nationale wetgeving, in casu aan toepassing van de vorengenoemde korting op
klaagsters ouderdomspensioen in de weg staan

In dat verband is het van belang vast te stellen dat de zojuist bedoelde
korting (mede) het gevolg is van een voor 1 april 1985 geldende bepaling,
welke was vervat in opeenvolgende Koninklijke Besluiten inzake uitbreiding en
beperking van de kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen, zulks
laatstelijk in artikel 2, eerste lid sub j van het Koninklijk Besluit van 19
oktober 1976, Staatsblad 557. Die bepaling hield in dat van verzekering
krachtens (onder andere) de AOW was uitgezonderd de echtgenote van een man
die wegens (onder meer) arbeid in het buitenland zelf niet ingevolge de AOW
verzekerd was. Die uitsluiting was van kracht, zelfs al had de desbetreffende
vrouw, gedurende periode(s) van arbeid in het buitenland van de echtgenoot in
Nederland als werkneemster gewerkt

Een dergelijke uitsluiting gold echter niet voor de man wiens echtgenote
in het buitenland werkzaam was

In het kader van de bedoeling van de wetgever om ingaande 1 april 1985
de gelijkstelling van mannen en vrouwen in de AOW te bewerkstelligen, is de
vorenbedoelde bepaling van het Besluit inzake uitbreiding en beperking van de
kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen per die datum geschrapt

Na 1 april 1985 is echter in de AOW (artikel 13 lid 1) -zij het in
gewijzigde vorm- het systeem gehandhaafd waarbij een korting op het
ouderdomspensioen wordt toegepast voor in het verleden – op basis van de
destijds geldende bepalingen – niet verzekerde tijdvakken

De Raad moet dan ook vaststellen dat de vorenomschreven vervallen
bepaling van het “Besluit inzake uitbreiding en beperking van de kring van
verzekerden ingevolge de volksverzekeringen” na 1 april 1985 blijft
doorwerken zowel in reeds toegekende als in nog toe te kennen
ouderdomspensioenen. Voorts kan hij niet om de conclusie heen dat die
bepaling een rechtstreeks onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen nu
blijkens de tekst daarvan slechts vrouwen daardoor getroffen kunnen worden.
De vraag die een en ander nu oproept is of de doorwerking van de
onderwerpelijke – op zichzelf discrimineren te achten – uitsluitingsbepaling
in de aanspraken op ouderdomspensioen, door normen van internationaal recht
verhinderd wordt

Op verzoek van de Raden Beroep te Utrecht en Groningen heeft het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen (het Hof) zich bij arrest van 27 juni
1989 uitgesproken over de betekenis van de richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/7 (de derde richtlijn)
voor een drietal gevallen, waarin kortingen op het ouderdomspensioen van
gehuwde vrouwen waren toegepast als gevolg van de vorenomschreven regel tot
uitsluiting van de verzekering ingevolge de AOW. Het Hof heeft in dat arrest
voor recht verklaard:

“1. Artikel 2 van richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december 1978
betreffende geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid,
moet aldus worden uitgelegd, dat de richtlijn niet van toepassing is op
personen die geen arbeid hebben verricht en die geen werkzoekenden zijn, en op
personen die arbeid hebben verricht welke niet is onderbroken door een van de
in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn genoemde risico’s, en die geen
werkzoekenden zijn

2. Het voorgaande wordt niet anders, wanneer de betrokkene zijn
werkzaamheden heeft gestaakt en niet meer voor de arbeidsmarkt beschikbaar is
geweest voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn

3. Een persoon die niet onder artikel 2 van richtlijn 79/7 valt, kan
geen beroep doen op artikel 4 ervan .”

Het Hof kwam daardoor niet toe aan de beantwoording van de laatste
vragen van de voornoemde Raden van Beroep. De laatste vraag van de Raad van
Beroep Groningen luidde:

“Is er sprake van een in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 verboden
discriminatie op grond van geslacht, wanneer een wettelijke bepaling tot
gevolg heeft dat wegens niet-verzekerde tijdvakken, gelegen voor 23 december
ÿ
4, een korting plaatsvindt op het ouderdomspensioen van een vrouw, waar na
22 december 1984 aanspraak op bestaat, indien die korting niet kan gelden voor
de met die vrouw vergelijkbare man, omdat het in tijdvakken voor 23 december
1984 niet-verzekerd zijn voortvloeide uit de status van echtgenote?”

In tegenstelling tot het Hof heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof, M.
Darmon, zich in zijn conclusie, genomen ter terechtzitting van 30 mei 1989,
wel over de zojuist geciteerde vraag uitgelaten. Hij heeft daaromtrent het
volgende opgemerkt:

“18. De oplossing die ik het Hof in overweging geef voor de eerste groep
vragen, maakt onnodig antwoord te geven op de vraag of het verbod van iedere
vorm van discriminatie tussen mannen vrouwen moet gelden voor pensioenrechten
die zijn ontstaan voordat de richtlijn van toepassing was. Niettemin lijkt
het mij nuttig om, voor het geval het Hof mijn voorstel niet zou volgen, dit
probleem snel te onderzoeken

19. Eigenlijk is dit een tamelijk eenvoudige kwestie. In het arrest Dik
en Menkutos-Demirci stelde het Hof vast,

“dat richtlijn 79/7 niet voorziet in uitzonderingen op het in artikel 4,
lid 1, van de richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling, op
grond waarvan oudere nationale bepalingen hun discriminerende werking zouden
mogen behouden. Bijgevolg mag een lid-Staat na 23 december 1984 geen
ongelijke behandelingen laten voortduren die te wijten zijn aan de
omstandigheid, dat de aan het ontstaan van het recht op uitkering verbonden
voorwaarden reeds voor die datum golden. De omstandigheid dat die ongelijke
behandelingen uit overgangsbepalingen voortvloeien, leidt niet tot een andere
beoordeling .”

Dit arrest is trouwens een bevestiging van vaste rechtspraak. Anders
dan de Sociale Verzekeringsbank in haar opmerking stelt, gaat het hier niet
om het toekennen van terugwerkende kracht aan de richtlijn. Het gaat er
eenvoudig om te verzekeren, dat het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen onmiddellijk in werking treedt, wat onderstelt dat eventuele
nog bestaande ongelijkheden onverwijld worden opgeheven. De richtlijn zou
haar nuttig effect grotendeels verliezen wanneer men ervan zou uitgaan, dat
zij enkel volledig en onverkort moet worden toegepast op degenen die na 23
december 1984 vijftien jaar zijn geworden

20. Zo heeft ook advocaat-generaal Vilaca in zijn conclusie in de zaak
Clarke beklemtoond, dat

“er in geen enkele afwijking is voorzien op grond waarvan een Lid-Staat
de discriminatie gevolgen van oudere nationale bepalingen zou mogen
handhaven, en is de handhaving van die gevolgen evenzeer in strijd met de
richtlijn als de instandhouding van de betrokken nationale bepalingen .”

21. Het heeft ook geen zin om onderscheid te maken tussen de zogenoemde
“risicostelsels”, zoals de Sociale Verzekeringsbank ter terechtzitting heeft
voorgesteld. In het reeds genoemde arrest Dik en Menkutos-Demirci verwees
het Hof naar “de aan het ontstaan van het recht op uitkering verbonden
voorwaarden”, zonder daarbij onderscheid te maken tussen sociale verzekeringen
op basis van een omslagstelsel en die op basis van kapitaalvorming. De
Richtlijn maakt een dergelijk onderscheid trouwens evenmin

22. Derhalve hebben degenen die voor 23 december 1984 de
pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, recht op herberekening van hun
pensioenrechten in dier voege, dat zij vanaf die datum, waarop het
non-discriminatiebeginsel door de Lid-Saten moet worden toegepast, een
pensioen ontvangen bij de berekening waarvan geen discriminerende bepalingen
meer in aanmerking zijn genomen. Zij kunnen daarentegen geen verhoging
verlangen van de pensioenuitkeringen die zij voor 23 december 1984 hebben
ontvangen, want toen gold het non-discriminatie- beginsel nog niet”

Terugkerend naar het onderhavige geval acht de Raad het duidelijk dat
klaagster, die laatstelijk tot haar vijfenzestigste verjaardag een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, onder de personele werkingssfeer van
de derde richtlijn valt, zodat zij daaraan in beginsel rechten kan ontlenen

De Raad kan zich voorts volledig vinden in het betoog van de
Advocaat-Generaal Darmon, wiens conclusie hiervoor geciteerd is. Hij deelt
dan ook ten volle diens slotsom

De Raad is deswege tot het oordeel gekomen dat de derde richtlijn in
casu de uitwerking heeft dat het aan klaagster per september 1988 toegekende
ouderdomspensioen niet mocht worden vastgesteld onder toepassing van een
korting wegens niet verzekerde tijdvakken, voor zover deze is gebaseerd op de
eerder beschreven, voor 1 april 1985 bestaande discriminerende wetgeving

Nu in klaagsters geval een zodanige korting wel heeft plaatsgevonden,
kan de bestreden beslissing niet in stand gelaten worden. Beslist wordt
mitsdien als volgt

6. Beslissing

De Raad van Beroep te Roermond, recht doende, vernietigt de bestreden
beslissing voor zover daarbij een korting is toegepast ten opzichte van het
volledige ouderdomspensioen; bepaalt dat verweerder op dat punt een nieuwe
beslissing neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
bepaalt dat verweerder het door klaagster terzake van dit beroep gestorte
griffierecht volledig aan haar vergoedt

Rechters

Mr. Th.M. Schelfhout als voorzitter, G.H.F. Faessen en A. van Mamerenals leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A.A.P. Steyven als griffier

Instantie: Raad van Beroep Roermond, 20 december 1989

Instantie

Raad van Beroep Roermond

Samenvatting


Heeft verweerder terecht en op goede gronden op de aan klager toegekende
toeslag op het ouderdomspensioen een korting van 18% toegepast? De korting
geschiedde krachtens een bepaling die inhield dat van verzekering krachtens
(onder andere) de AOW was uitgezonderd de echtgenote van een man die wegens
(onder meer) arbeid in het buitenland zelf niet ingevolge de AOW was
verzekerd. Die uitsluiting was van kracht, zelfs al had de desbetreffende
vrouw, gedurende de periode(s) van arbeid in het buitenland van de echtgenoot
in Nederland als werkneemster gewerkt

Een dergelijke uitsluiting gold echter niet voor de man wiens echtgenote
in het buitenland werkzaam was

Per 1 april 1985 is echter in de AOW (artikel 13) – zij het in
gewijzigde vorm – het systeem gehandhaafd waarbij een korting op het
ouderdomspensioen wordt toegepast voor in het verleden – op basis van de
destijds geldende bepalingen – niet verzekerde tijdvakken

De Raad acht het duidelijk dat klaagster, die laatstelijk tot haar
vijfenzestigste verjaardag een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, onder
de personele werkingssfeer van de derde EG-richtlijn valt, zodat zij daaraan
in beginsel rechten kan ontlenen. Tevens staat art. 26 BuPo-verdrag in de
weg aan het toepassen van een korting op een AOW-uitkering op grond van art.
13 lid 1 AOW juncto art. 2 lid 1 sub j, KB 557

Dit heeft tot gevolg dat het aan klaagster per september 1988 toegekende
ouderdomspensioen niet mocht worden vastgesteld onder toepassing van een
korting wegens niet verzekerde tijdvakken, voor zover deze is gebaseerd op de
eerder beschreven voor 1 april 1985 bestaande discriminerende wetgeving

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder dd. 26 mei 1988

Kenmerk: EG/AO 458967-00D

2. Terechtzitting

Datum: 29 november 1989

Klager niet verschenen

Verweerder verschenen bij gemachtigden Mw. Mr. L. Smith-Boot, Mw. Mr.
H.S. van Zanten en Dhr. H. Kamperman

3. Feiten

Bij beslissing van 26 mei 1988 is aan klager met ingang van 1 augustus
1987 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) alsmede
een toeslag op dat ouderdomspensioen toegekend

Dat ouderdomspensioen is door verweerder vastgesteld op 82% van het
krachtens de AOW geldende volledige ouderdomspensioen en de toeslag op 82%
van de volledige toeslag. Deze kortingen worden gemotiveerd door verwijzing
naar de tijdvakken, gedurende welke klager respectievelijk zijn echtgenote
niet verzekerd geweest zouden zijn ingevolge de AOW

Tegen die beslissing is beroep ingesteld op in het klaagschrift
aangevoerde gronden. Het beroep is gericht tegen de hoogte van de toeslag

De door verweerder terzake van dit beroep overgelegde stukken zijn op 31
oktober 1988 aan klager toegezonden

Desverzocht heeft klager bij brieven van 23 november 1988 en 21 augustus
1989 informatie verstrekt over het arbeidsverleden van zijn echtgenote en
hemzelf

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting

5. Motivering

In dit geding is punt in geschil het antwoord op de vraag of verweerder
terecht en op goede gronden op de aan klager toegekende toeslag op het
ouderdomspensioen een korting heeft toegepast van 18%

De Raad heeft dienaangaande het volgende overwogen

Verweerder is tot de zojuist bedoelde korting gekomen op basis van het
bepaalde artikel 13, lid 2 aanhef en sub a van de AOW in verbinding met
bepalingen van opeenvolgende besluiten inzake uitbreiding en beperking van de
kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen, welke inhielden dat de
echtgenote van een in het buitenland werkende en op grond daarvan niet
ingevolge de volksverzekeringen verzekerde man, eveneens van de kring van
verzekerden was uitgesloten

Door klager is gesteld dat zijn echtgenote in de desbetreffende periode
zelf in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht en dat uit dien
hoofde premies voor de volksverzekeringen op haar verdiensten zijn ingehouden.
Gelet op de duidelijke tekst van de vorenbedoelde bepalingen, vermag het
door klager gestelde niet aan de uitsluiting van zijn echtgenote af te doen.
Enkel beoordeeld naar Nederlands recht moet verweerders beslissing derhalve
voor rechtens juist worden gehouden

De Raad ziet echter aanleiding zich te buigen over de vraag of
bepalingen van internationaal recht, welke van hogere orde zijn dan de
nationale wetgeving, in casu aan toepassing van de vorengenoemde korting op
de toeslag in de weg staan

In dat verband is het van belang vast te stellen dat de zojuist bedoelde
kortig (mede) het gevolg is van een voor 1 april 1985 geldende bepaling,
welke was vervat in opeenvolgende Koninklijke Besluiten inzake uitbreiding en
beperking van de kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen, zulks
laatstelijk in artikel 2, eerste lid sub j van het Koninklijk Besluit van 19
oktober 1976, Staatsblad 557. Die bepaling hield in dat van verzekering
krachtens (onder andere) de AOW was uitgezonderd de echtgenote van een man
die wegens (onder meer) arbeid in het buitenland zelf niet ingevolge de AOW
verzekerd was

Een dergelijke uitsluiting gold echter niet voor de man wiens echtgenote
in het buitenland werkzaam was

In het kader van de bedoeling van de wetgever om ingaande 1 april 1985
de gelijkstelling van mannen en vrouwen in de AOW te bewerkstelligen, is de
vorenbedoelde bepaling van het Besluit inzake uitbreiding en beperking van de
kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen per die datum geschrapt

Na 1 april 1985 is echter in de AOW (artikel 13 lid) -zij het in
gewijzigde vorm- het systeem gehandhaafd waarbij een korting op het
ouderdomspensioen wordt toegepast voor in het verleden -op basis van de
destijds geldende bepalingen-niet verzekerde tijdvakken

Dezelfde regeling is gaan gelden voor de per die datum in de AOW
geintroducerde toeslag voor gehuwden met een echtgenoot die jonger is dan 65
jaar (artikel 13 lid 2 van de AOW)

Daarbij wordt echter het verzekeringsverleden van de echtgenoot in
aanmerking genomen

De Raad moet dan ook vaststellen dat de vorenomschreven vervallen
bepaling van het “Besluit inzake uitbreiding en beperking van de kring van
verzekerden ingevolge volksverzekeringen” na 1 april 1985 blijft door werken
zowel in reeds toegekende als in nog toe te kennen ouderdomspensioenen en
toeslagen

Voorts kan hij niet om de conclusie heen dat die bepaling een
rechtstreeks onderscheid maak tussen mannen vrouwen, nu blijkens de tekst
daarvan slechts vrouwen daar door getroffen worden. De vraag die een en
ander nu oproept is of de doorwerking van de onderwerpelijke – op zichzelf
discriminerend te achten – uitsluitingsbepalingen in de aanspraken op toeslag
door normen van internationaal recht verhinderd wordt

Op verzoek van de Raden van Beroep te Utrecht en Groningen heeft het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen (het Hof) zich bij arrest van 27
juni 1989 uitgesproken over de betekenis van de richtlijn van Raad van de
Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/7 (de derde richtlijn)
voor een drietal gevallen, waarin kortingen op het ouderdomspensioen van
gehuwde vrouwen waren toegepast als gevolg van de vorenomschreven regel tot
uitsluiting van de verzekering ingevolge de AOW. Het Hof heeft in dat arrest
voor recht verklaard:

“1. Artikel 2 van richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid,
moet aldus worden uitgelegd, dat de richtlijn niet van toepassing is op
personen die geen arbeid hebben verricht en die geen werkzoekenden zijn, en op
personen die arbeid hebben verricht welke niet is onderbroken door een van de
in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn genoemde risico’s, en die geen
werkzoekenden zijn

2. Het voorgaande wordt niet ander, wanneer de betrokkene zijn
werkzaamheden heeft gestaakt en niet meer voor de arbeidsmarkt beschikbaar is
geweest voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn

3. Een persoon die niet onder artikel 2 van richtlijn 79/7 valt, kan
geen beroep doen op artikel 4 ervan .”

Terugkerend naar het onderhavige geval oordeelt de Raad op basis van de
voorhanden gegevens dat klager weliswaar onder de personele werkingssfeer van
de derde richtlijn valt, maar dat zulks niet geldt voor zijn echtgenote. Dat
betekent naar het oordeel van de Raad dat de derde richtlijn de wetgever niet
voorschreef om ten aanzien van klagers echtgenote het beginsel van gelijke
behandeling door te voeren, zodat klager geen beroep kan doen op de werking
van die richtlijn om de korting op de hem toegekende toeslag te verhinderen

De Raad zal nu onderzoeken of het in geding zijnde samenstel van
bepalingen, die tot een korting op de toeslag leiden, in casu buiten
toepassing moet blijven vanwege strijd met artikel 26 van het internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Dat artikel luidt
– in de Nederlandse vertaling van de authentieke tekst – als volgt:

“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak
op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en
doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of ander status .”

Het leidt geen twijfel dat deze verdragsbepaling (mede) van betekenis is
voor het terrein van de sociale zekerheids wetgeving, waartoe de AOW behoort

Naar het oordeel van de Raad doet zich voorts in beginsel ten aanzien
van de hier aan de orde zijnde wetgeving een in de zojuist geciteerde
verdragsbepaling verboden onderscheid voor, nu er een categorie mannen is,
bij wie op grond daarvan een korting op de toeslag op het AOW-pensioen wordt
toegepast terwijl zulks niet gebeurt bij vrouwen, die terzake in geheel
gelijke omstandigheden verkeren. Zulks is het gevolg van het feit dat de
korting op de toeslag gebaseerd is op het verzekeringsverleden van de
echtgenoot. Dat was op zijn beurt tot 1 april 1985 voor gehuwde vrouwen
afhankelijk van het feit dat haar (toenmalige) echtgenoot in het buitenland
verzekerd is geweest. Het omgekeerde heeft echter nimmer gegolden

Zulks betekent nog niet zonder meer dat er sprake is van strijd met
artikel 26 van het IVBPR. Dat is namelijk slechts het geval als de zojuist
aangeduide ongelijke behandeling niet berust op redelijke en objectieve
gronden

De Raad acht het daaromtrent in de eerste plaats van belang aan te geven
dat naar zijn visie ten aanzien van de onderhavige problematiek weinig ruimte
aanwezig te achten is voor het aanvaarden van een rechtvaardigingsgrond als
zojuist bedoeld. De Raad is immers van oordeel -zoals blijkt uit een viertal
uitspraken van heden- dat vrouwen, bij wie op grond van de meergenoemde
uitsluitingsbepalingen een korting op het AOW-pensioen heeft plaatsgevonden en
die tot de personenkring van de derde richtlijn behoren, een beroep op die
richtlijn kunnen doen om te verhinderen dat die kortingen nog kunnen worden
toegepast. Het ligt dan in de rede dat voor andere, die naar nationaal recht
geen wezenlijk andere positie in de AOW hebben, zoveel mogelijk hetzelfde
resultaat wordt bereikt, als dezelfde bepalingen getoetst worden

Binnen de beperkte ruimte die hij daarvoor ziet zal de Raad nu nagaan of
er een rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid is aan te wijzen

Van de kant van verweerder is ter terechtzitting het volgende betoogd:

“De SVB is van mening dat voor de uitsluiting van de gehuwde vrouw op
grond van de bepalingen in het KB 557 en vorige KB’s inzake uitbreiding en
beperking wel degelijk redelijke en objectieve gronden zijn aan te voeren

De uitsluiting van de gehuwde vrouw over tijdvakken waarover de man in
het buitenland werkte en aldaar verzekerd was, hield verband met de
omstandigheid dat de man in het algemeen in het buitenland pensioen opbouwde
dat ook voor de echtgenoot bestemd was

Het werd niet nodig c.q. onwenselijk geacht dat zowel in Nederland als
in het buitenland aanspraken werden opgebouwd .”

De Raad kan verweerder in die redenering niet volgen

Daargelaten kan worden welke betekenis toekomt aan de stelling dat er
voor de uitsluiting van de gehuwde vrouw redelijke en objectieve gronden
bestonden ten tijde van het van kracht zijn van de desbetreffende bepalingen.
Naar de zienswijze van de Raad kan de aanwezigheid van zodanige gronden na
1 april 1985 in ieder geval niet meer staande gehouden worden. Vanaf die
datum gelden immers in de AOW zelfstandige uitkeringsrechten voor mannen en
vrouwen, ook als zij gehuwd zijn. In dat systeem ligt niet voor de hand dat
de aanspraken (ten behoeve) van de vrouw gekort worden op gronden die
afgeleid zijn van het verzekeringsverleden van haar echtgenoot. Daarbij komt
nog dat bepaald niet vaststaat dat het verlies aan rechten van de vrouw
steeds gecompenseerd wordt door aanspraken van haar echtgenoot in het
buitenland

De Raad vermag dan ook in verweerders argumentatie geen reden te zien om
in dit geval geen strijd met artikel 26 IVBPR aanwezig te achten. Ook
overigens ziet de Raad geen rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte
onderscheid

In verband met het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet resteert nu de
vraag of artikel 26 IVBPR in casu ook rechtstreekse werking heeft. In de
lijn van het vorenoverwogene acht de Raad het ook op dit punt aangewezen aan
te sluiten bij de derde richtlijn. De Raad beschouwt daarom artikel 26 IVBPR
ten aanzien van de hier aan de orde zijnde regelgeving vanaf 23 december 1984
als rechtstreeks werkend

De Raad is dan ook tot de zienswijze gekomen dat artikel 26 IVBPR in de
weg staat aan het toepassen van een korting op een toeslag ingevolge de AOW
op grond van artikel 13 lid 2 van de AOW juncto de thans vervallen maar nog
wel doorwerkende bepalingen van de opeenvolgende “Besluiten inzake
uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden ingevolge de
volksverzekeringen” betreffende de uitsluiting van de echtgenote van een niet
verzekerde man

Nu in casu op basis van de zojuist bedoelde regels na 23 december 1984
een korting op de toeslag op het AOW-pensioen van klager, is toegepast kan de
bestreden beslissing niet in stand gelaten worden en dient verweerder een
nieuwe beslissing dienaangaande te nemen

In het vorenoverwogene ligt de volgende beslissing besloten

6. Beslissing

De Raad van Beroep te Roermond, recht doende, vernietigt de bestreden
beslissing voor zover daarbij een korting is toegepast ten opzichte van het
volledige ouderdomspensioen; bepaalt dat verweerder op dat punt een nieuwe
beslissing neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
bepaalt dat verweerder het door klaagster terzake van dit beroep gestorte
griffierecht volledig aan haar vergoedt

Rechters

Mr. Th.M. Schelfhout als voorzitter, G.H.F. Faessen en A. van Mamerenals leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A.A.P. Steyven als griffier

Instantie: College voor medisch Tuchtrecht, 18 december 1989

Instantie

College voor medisch Tuchtrecht

Samenvatting


De moeder van een ex-patiente van Finkensieper heeft een klacht
ingediend wegens het verwekken van een kind bij haar dochter. Finkensieper
gaf het College te kennen dat hij een lichaamsgerichte therapie op de patiente
É
paste en dat in de loop der tijd de therapeutische relatie was overgegaan
in een persoonlijke relatie waaruit het kind werd geboren. Het College
overweegt in zijn uitspraak dat Finkensieper als arts, door vermenging van de
therapeutische en de seksuele verhouding tot zijn patiente, het vertrouwen in
de medische stand heeft ondermijnd. Finkensieper wordt verweten dat hij
geen enkele poging heeft ondernomen een van beide relaties te beeindigen.
Het College meent dat alleen de zwaarste maatregel waartoe het bevoegd is,
ontzegging van de bevoegdheid om de geneeskunst uit te oefenen, voldoende is
om Finkensieper duidelijk te maken dat hij tekort is geschoten als therapeut

Volledige tekst

Het college,

gezien de klacht die op 11 januari 1989 is ontvangen van:

mevrouw N., wonende te Nijmegen en verder te noemen klaagster, over:

H.O.T. Finkensieper, psychiater, eerst wonende te Zetten en thans te
Nijmegen, verder te noemen de arts;

gelet op het schriftelijk verweer van de arts en een schriftelijke
toelichting van de kant van klaagster die op 11 december 1989 is ingekomen;

gelet op de behandeling van de klacht op de zitting van 18 december 1989
waarbij werden gehoord klaagster in persoon en bijgestaan door mr. A. van
Bon-Moors, advocate te Nijmegen, en de arts in persoon

Overwegend naar aanleiding van de klacht

De klacht gaat er – kort samengevat – over dat klaagster als moeder van
M., die dochter, verder aan te duiden als de patiente, in contact heeft
gebracht met de arts omstreeks 1985, dat hij de patiente in behandeling heeft
genomen en dat tijdens die behandeling de arts gekomen is tot seksuele
handelingen met de patiente en hij bij haar een kind heeft verwekt dat in
oktober 1988 is geboren;

de arts geeft toe dat klaagster, die hij kende uit zijn en haar
studietijd evenals haar overleden echtgenoot, hem in 1985 heeft gevraagd om
haar dochter te bezien in verband met depressies, fobieen en paniekaanvallen –
volgens klaagster agorafobie – en dat hij die dochter in behandeling heeft
genomen;

hij stelt dat hij in de periode van voorjaar 1985 tot de zomer van 1986
de patiente te Zetten heeft ontvangen voor gesprekken en begeleiding van
pharmakotherapie en dat hij de patiente in de zomer van 1986 is gaan
behandelen in haar woning te Nijmegen, waarbij hij stelt dat de patiente ook
met begeleiding niet meer naar Zetten durfde te komen;

de arts voert aan dat hij bij de behandeling van de patiente toen
gekozen heeft voor een lichaamsgerichte benadering welke hij alleen in dit
geval heeft toegepast en wel omdt hij helpen wilde en de patiente zich bij
“aanraken” gerust liet stellen;

hij voegt daaraan toe dat naast de therapeutische relatie die hij met de
patiente had ook een persoonlijke relatie is ontstaan en dat die is overgegaan
in een seksuele relatie en dat die relaties door elkaar heen liepen en verder
dat hij bij de patiente een kind heeft verwekt;

op de zitting heeft hij verklaard dat het voor hem “heel ingewikkeld
was” en dat hij aan de patiente heeft gezegd dat hij het kind wilde aanvaarden
als zijn kind en dat hij het daarbij aan haar heeft overgelaten om te
beslissen hoe dit moest gaan;

daar heeft hij ook verklaard dat hij omwille van de persoonlijke relatie
met de patiente de therapeutische niet heeft willen verbreken en dat die
relaties zo verward waren dat hij niet aan een van de twee een einde heeft
willen maken tot ongeveer 1989 en dat hij toen de behandeling heeft gestaakt
maar nog wel brieven van de patiente kreeg;

bij de behandeling van de klacht heeft klaagster naar voren gebracht dat
haar dochter, die op 2-jarige leeftijd haar vader verloren, in de arts een
“vader” heeft gezien en ook contact met de arts heeft gezocht als een
vervangend vader en de arts heeft naar aanleiding daarvan gezegd dat dit zeker
wel het geval is geweest;

de arts heeft op de zitting eveneens verklaard dat hij er niet met
klaagster over gesproken heeft toen de relatie tussen hem en de patiente zo
verward raakte als hiervoor beschreven;

uit hetgeen vast staat als weergegeven, maakt het College op dat de
klacht gegrond is en dat de arts in ernstige mate door zijn handelen het
vertrouwen in de stand der geneeskundigen heeft ondermijnd;

het heeft daarbij in aanmerking genomen dat de arts gedurende ongeveer
twee jaar de behandeling van een patiente heeft voortgezet nadat een
persoonlijke verhouding tussen die patiente en hem — zij zag daarbij in hem
een vaderfiguur — een seksuele verhouding was geworden;

de arts heeft geen pogingen gedaan om hetzij de seksuele, hetzij de
therapeutische verhouding te beeindigen en heeft daarbij ernstig misbruik
gemaakt van het vertrouwen dat — aan de ene kant — de patiente en — aan
de andere kant — de klaagster, die hij kende, in hem als arts stelde;

aan te nemen valt bovendien dat de patiente door het handelen van de
arts schade heeft geleden wat betreft haar geestelijke toestand nu zij —
blijkbaar — een labiele figuur was aan wie de arts — overigens zonder de
therapeutische verhouding te beeindigen — de beslissing heeft gelaten die
nodig was in verband met de komst van het kind dat hij bij haar had verwekt;

het College is dan van oordeel dat alleen de zwaarste maatregel
voldoende is om aan de arts duidelijk te maken hoe zeer hij is tekort
geschoten als therapeut

Beslissende op de klacht

Verklaart die gegrond en legt aan de arts op de maatregel van ontzegging
van de bevoegdheid om geneeskunst uit te oefenen

Rechters

Mr. J.H.M. Petri, voorzitter, A.H.M. Radermaker en F.H.M. Jansen,leden-geneeskundigen, J.J.C. Marlet en Dr. C.W.G.M. Frenken, plaatsvervangendeleden-geneeskundigen