Alfaconstructie blijkt schijnconstructie

PERSBERICHT                                                                       08-11-2013

Het Gerechtshof Arnhem heeft in Hoger Beroep bepaald dat alfahulpen die werken via de bemiddeling van een thuiszorginstelling een arbeidsovereenkomst hebben met de thuiszorginstelling. ,Deze uitspraak is een overwinning voor alle alfamedewerkers. Dit zijn werkenden zonder sociale rechten en bescherming. Dergelijke schijnconstructies tussen alfahulpen en thuiszorginstellingen mogen niet meer. Werkgevers moeten zich gewoon aan de cao houden, aldus Lilian Marijnissen van Abvakabo FNV.

Eerder besliste de kantonrechter in Harderwijk al dat de thuiszorginstelling de alfahulp bij ziekte zes weken loon moest doorbetalen (deze procedure is gefinancierd door het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en inhoudelijk ondersteund door de VVR). De alfahulp, daarin gesteund door de Vereniging voor Vrouw en Recht en in hoger beroep door Abvakabo FNV, vond dat onvoldoende. Zij had immers een arbeidsovereenkomst met de thuiszorginstelling en vond dat er dus langer ziekengeld moest worden betaald. De thuiszorginstelling stelde zich op het standpunt dat de alfahulp in dienst is bij de cliënten bij wie zij door de thuiszorginstelling was geplaatst.

Conclusie
Het gerechtshof sluit zich aan bij het betoog van de alfahulp. De thuiszorginstellling heeft een contract met de gemeenten in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). In dat contract staat dat de thuiszorginstelling verplicht is hulp te leveren en er worden kwaliteitseisen aan die hulp gesteld. De thuiszorginstelling krijgt hiervoor per uur betaald en moet er ook op toezien dat de werkzaamheden aan de kwaliteitseisen voldoen. De thuiszorginstelling werft daartoe het personeel. De thuiszorginstelling betaalt het loon. De conclusie kon dan ook geen andere zijn dat dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de thuiszorginsteling en de alfahulp.
De thuiszorginstelling beriep zich op de fiscale Regeling dienstverlening aan huis. Deze regeling is echter alleen van toepasssing op particulieren en niet voor instellingen die bedrijfsmatig werken.

Halt
De uitspraak van het gerechtshof is een grote steun voor alle medewerkers bij de thuiszorginstelling van wie het contract bedreigd wordt. Veel thuiszorginstellingen opteren nog steeds voor de goedkopere alfahulpconstructie ten koste van de rechtpositie van vrouwen die dit werk verrichten.
Hieraan is nu een halt toe geroepen. Politiek en gemeenten moeten er op toezien en er voor zorg te dragen dat de rechtspositie van de werknemers in de zorg gewaarborgd blijft. Abvakabo FNV vindt dat de alfaconstructie onmogelijk gemaakt moet worden en zal zich ervoor inzetten dat deze uitspraak voor alle alfahulpen zal gelden.

– – – – – – – – – – – – – – – – –
Een link naar het arrest is in de rubriek jurisprudentie geplaatst.
Voor nadere informatie
:
Mac Vijn, advocaat van de alfahulp (06-20532108) of vijn@boschadvocaten.nl. Mieke van der Burg, voorzitter VVR.
De advocaat van de thuiszorginstelling is mr. H.C.W. Geffroy (0318 68 78 89)
Persvoorlichting Abvakabo FNV: Linda Vermeulen

Steun de discriminatiezaak van Edith Kuiper tegen de UvA

Conform besluit van de ALV in 2011 heeft de VVR het voeren van juridische procedures toegevoegd aan de statutair vastgelegde middelen om het verenigingsdoel Verbetering van de rechtspositie van vrouwen te bereiken. Giften aan de VVR voor het ondersteunen van procedures zijn als gift aftrekbaar voor de belasting omdat de VVR erkend is als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI).

Het bestuur roept de leden op de discriminatiezaak van Edith Kuiper tegen de Universiteit van Amsterdam te steunen door geld over te maken op de rekening van de VVR: NL81 INGB 00 04 65 53 38 o.v.v. Kuiper vs UvA. De VVR is van meet af aan bij de procedure betrokken geweest.

In maart dit jaar deed de rechter uitspraak in de zaak die Edith Kuiper samen met het Proefprocessenfonds Clara Wichmann had aangespannen tegen de Economische Faculteit van de Universiteit van Amsterdam vanwege discriminatie in een wervings- en selectie procedure voor een positie als Universitair Docent in het voorjaar van 2008. De rechter stelde vast dat de procedure zoals omschreven in de tekst van de vacature niet was gevolgd, dat de selectie alleen uit mannen bestond en dat er geen objectieve buitenstaander, bijvoorbeeld een P&O-functionaris, bij de selectie was betrokken. Mede gezien het feit dat alle vier kandidaten op de shortlist man was, terwijl meer dan een kwart van de sollicitanten vrouw was, en dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in wetenschappelijke functies in Nederland en bij de economische faculteit van de UvA in het bijzonder, maakte volgens de rechter dat er sprake was van een vermoeden van discriminatie hetgeen in strijd is met de Wet Gelijke Behandeling. Hij meende echter dat de UvA dit rechtsvermoeden voldoende had weten te weerleggen omdat het onderzoek van Edith Kuiper naar vrouwen en de rol van gender in de geschiedenis van het economische denken niet, althans in onvoldoende mate aansloot bij het onderzoek van de onderzoeksgroep History and Methodology of Economics.

Edith Kuiper vecht nu deze beslissing in hoger beroep aan omdat onderzoek naar vrouwen en gender haars inziens wel degelijk als onderdeel van het vakgebied Geschiedenis en Methodologie van het economische denken moet worden gezien en de UvA hiermee uiting geeft aan discriminatie van haar vakgebied hetgeen als indirecte discriminatie moet worden opgevat. Kuiper was door de rechtbank niet in de gelegenheid gesteld dit argument van de UvA te weerleggen. Het Proefprocessenfonds gaat wel mee in het hoger beroep, maar acht het niet mogelijk de kosten daarvan en de advocaatskosten te financieren.

U kunt uw bijdrage ook rechtstreeks overmaken op bankrekening nr. 56.33.78.344 van de Stichting Derdengelden Bosch Advocaten, o.v.v. Kosten rechtsbijstand Kuiper vs UvA. Belastingaftrek als gift is dan echter niet mogelijk.
Mr. Mac Vijn van dit kantoor is de advocaat in de zaak. Gelden ontvangen op naam van deze zaak zullen alleen worden gebruikt om de kosten van deze zaak te dekken.  Mocht er geld over blijven, dan zal dit nadien aan het Proefprocessenfonds Clara Wichmann worden gedoneerd. Heeft u vragen en/of wilt u op de hoogte worden gehouden, dan kunt u contact opnemen met Edith Kuiper kuiperedith@hotmail.com of Mac Vijn vijn@boschadvocaten.nl.

 

Brief aan Minister Asscher met verzoek om toezending rapportages aan de ILO

WOB-verzoek rapportages NL aan ILO

Op 4 november 2013 heeft het ministerie van SZW de gevraagde rapportages (C.100, C. 111, C. 175 en C. 183) toegezonden.

Position Paper Hoorzitting Commissie Dienstverlening aan Huis, 20 september 2013

VVRpositionpapercieKalsbeek in PDF

1. Kern van de organisatie en relatie met dienstverlening aan huis
De Vereniging voor Vrouw en Recht ‘Clara Wichmann’ (VVR) stelt zich ten doel:

  • het verbeteren van de rechtspositie van vrouwen
  • een netwerk te bieden aan juristen en aanverwanten met interesse voor vrouw en recht

Tegen deze achtergrond publiceerde de VVR in 2010 het boek Een baan als alle andere?! De rechtspositie van huishoudelijk personeel en wijdde haar jaarcongres aan dit onderwerp. De VVR zond dit boek aan de leden van uw Commissie en tevens aan minister Asscher en drong er op aan naast ILO-Verdrag 189 ook andere internationale verdragen in het advies van de commissie te betrekken.
Eind 2010 bood VVR met FNV Bondgenoten aan de vaste kamercommissie SZW Een baan als alle andere?! en een petitie aan met de oproep de rechtspositie van het huishoudelijk personeel te verbeteren. De commissie organiseerde op 25 mei 2011 een ronde tafelgesprek waarvoor de beide auteurs en de VVR een position paper aanleverden. Sindsdien snijdt de VVR het onderwerp met enige regelmaat aan in haar commentaren, die alle te vinden zijn op oud-vvr.computersaysno.eu. Daarnaast is de VVR inhoudelijk betrokken bij de procedure van de zieke alfahulp – waarvan begin oktober een uitspraak in hoger beroep wordt verwacht.

2. Relevante ervaringen, problemen en appreciatie van de huidige regelgeving
De VVR is van mening dat de uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel zoals sinds 2007 vastgelegd (en uitgebreid) met de regeling Dienstverlening aan huis juridisch onhoudbaar is, omdat deze strijdig is met internationale verdragen waaraan Nederland al gebonden is. Zoals uiteengezet is in Deel 4 (Het internationale juridische kader) van bovengenoemd boek gaat het om het EU-recht, het VN-Vrouwenverdrag, ILO-verdrag 175.
In aanvulling hierop wijst de VVR op de Concluding Observations van het Comité voor Economische en Sociale Rechten, zoals gepubliceerd op 19 november 2010.1).
Para 17 luidt:
17 The Committee is concerned that in all the constituent countries of the State party, domestic workers do not enjoy the same protection as other workers and are in a disadvantaged position in that their employees do not contribute to the payment of their health insurance and pensions, as do employers in other sectors (art. 7, 9).
The Committee calls on the State party to adopt remedial measures, legislatieve or otherwise, to bring the rights and benefits accorded to domestic workers in line with those afforded to other workers, particularly in terms of social security benefits.
De regering had – zonder succes – geprobeerd het Comité voor Economische en Sociale Rechten er van te overtuigen dat ‘(…) domestic workers enjoy sufficient protection under current legislation (…)’.2)  Naar het oordeel van het toezichthoudend Comité strookt de uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel niet met het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.
Al eerder had het CEDAW-Comité zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten over de strijdigheid met het VN-Vrouwenverdrag.3). Het toenmalige kabinet stelde in een reactie hierop:  “dat huishoudelijk personeel thans in voldoende mate aanspraak kan maken op de sociale zekerheid en andere voorzieningen, ook al is deze aanspraak niet gelijk aan die van reguliere werknemers”.4)
De VVR wijst er op dat deze opstelling internationaalrechtelijk ongepast is. Concluding Observations van toezichthoudende Comité’s van mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties mogen niet op deze wijze ter zijde geschoven worden: het is geen peer-review met ‘pick & choose’ naar believen! Als partij bij deze VN-mensenrechtenverdragen, en zeker na ratificatie dient Nederland de uitleg van de toezichthoudende organen zeer serieus te nemen en de aanbevelingen op te volgen. De VVR wijst in dit verband op soortgelijke opvattingen van het College Rechten van de Mensen in de recente Mensenrechtenrapportage 2012. 5)

In het (parlementaire) debat over de uitzonderingspositie van deeltijdhuishoudelijk personeel is amper aandacht besteed aan het gebruik ervan op grote schaal in de (thuis)zorg. Dat meer dan 100.000 alfahulpen en PGB-zorgverleners met een slechte rechtspositie collectief gefinancierde zorg verleenden is juridisch en moreel een probleem dat niet mag worden afgedaan met “dat zorg onder eigen regie van de cliënt zeer gewaardeerd wordt”, zoals voormailig minister Kamp deed.
De wijziging van de Wmo per 2010, waardoor alfahulpen niet meer als zorg in natura door thuiszorginstellingen ingezet mogen worden, zou de omvang van dit gebruik terug hebben moeten dringen. De VVR heeft onvoldoende zicht op de feitelijke situatie, maar zeker is dat diverse gemeenten alfahulpconstructies opdringen aan Wmo-cliënten en hun verzorgers. De VVR heeft er met succes op aan gedrongen dat het SVB Servicecentrum PGB zijn voorlichting over werkgeversverplichtingen van PGB-houders (AWBZ en Wmo) heeft verbeterd. Particuliere bureaus in de persoonlijke dienstverlening (inclusief PGB) nemen het vaak niet zo nauw met de wettelijke vereisten. De VVR gaf daar in een brief aan de vaste commissie SZW een aantal voorbeelden van.

Voorts constateert de VVR dat ook zorgbemiddelingsbureaus en thuiszorgorganisaties zich niet altijd aan de geldende wet- en regelgeving houden. Brancheorganisaties Actiz en BTN hebben hun leden bijvoorbeeld opgeroepen geen uitvoering te geven aan de uitspraak van de Zutphense kantonrechter in januari 2012, die oordeelde dat als de alfahulp via een thuiszorginstelling is ingeschakeld, zij die instelling kan aanspreken op doorbetaling van het loon tijdens de eerste zes weken van ziekte.
Hierbij past de kanttekening dat het twijfelachtig is dat de als ‘kassier’ optredende zorgbemiddelingsbureaus en thuiszorginstellingen terecht gebruik hebben kunnen maken van de regeling Dienstverlening aan huis door hen niet aan te merken als werkgever.
Tot slot wijst de VVR er op dat de regeling Dienstverlening aan huis het zo goed als onmogelijk maakt om als zzp’er te werken als gastouder, huishoudelijke hulp of zorgverlener.

3. Wat moet de Commissie doen, rekening houdend met een beperkt budget?
ILO-Verdrag 189 brengt de verplichting mee huishoudelijk personeel een volwaardige rechtpositie te bezorgen, inclusief socialezekerheidsrechten. Deze verplichting is volledig in overeenstemming met de andere internationaalrechtelijke verplichtingen die Nederland reeds heeft. Vanwege de geconstateerde strijdigheid met diverse internationale verdragen zal de Commissie net als kabinet, parlement en sociale partners moeten erkennen dat de regeling Dienstverlening aan huis omgezet moet worden in een regeling die het deeltijd huishoudelijk personeel wel een adequate rechtsbescherming biedt.
Wat betreft de budgettair neutrale variant, genoemd in het instellingsbesluit van de Commissie, wijst de VVR er op zelf geen zicht te hebben op het huidige budgettaire beslag. De uitbreiding (van twee naar drie dagen) van de uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel met regeling Dienstverlening aan huis per 2007 heeft naar haar mening niet bijgedragen tot het creëren en/of behouden van banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het beroep van ex-minister Kamp en zijn voorgangers op het belang van de werkgelegenheid dat de regeling zou dienen is nimmer gestaafd met enige cijfers. Mogelijk is er door de regeling Dienstverlening aan huis geld bespaard in de AWBZ- en de Wmo sfeer. Dat was echter niet het expliciete oogmerk van invoering van de regeling. Of afschaffing van de regeling Dienstverlening aan huis substantiële budgettaire effecten zal hebben naast de reeds voorziene ingrijpende (ook budgettaire) wijzigingen in de AWBZ en de Wmo is de vraag. Zeker gezien het feit dat sinds de wijziging van de Wmo per 2010 thuiszorginstellingen geen alfahulpen meer mogen inzetten voor het verlenen van zorg in natura. Wat betreft het PGB: deze worden niet alleen met gebruikmaking van de regeling Dienstverlening aan huis ingezet, maar ook voor inkoop van zorg bij zelfstandigen, instellingen en via inzet van familieleden.
Door de uitzonderingspositie van het deeltijd huishoudelijk werk vindt betaald huishoudelijk werk (buiten de AWBZ- en Wmo-sfeer) voornamelijk in een informele setting plaats. Dit werkt verstorend op de markt van persoonlijke dienstverlening. Afschaffing van de regeling zal mogelijk de informele setting niet geheel doen verzwijnen, maar kan wel positief uitwerken voor schoonmaakbedrijven en zzp’ers in de persoonlijke dienstverlening en daarmee een positief budgettair effect hebben.

Eindnoten
1. E/C.12/NDL/CO4-5.
2. E/C.12/NLD/Q/4-5/Add.1
3. Zie Een baan als alle andere?!, p. 150/151
4. Kamerstukken II 2009/2010, 30 420, nr. 154
5. Mensenrechten in Nederland 2012 – Jaarlijkse Rapportage, College voor de Mensenrechten Utrecht 2013, p. 122/123

 

 

 

 

Verslag bijeenkomst Economische gevolgen van huwelijk en echtscheiding, 19 juni 2013

Organisatoren :  Rights for Change, Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann en Netwerk VN-Vrouwenverdrag

Datum: 19 juni 2013
Locatie: WOMEN inc., Hoogte Kadijk 143f, Amsterdam

Introductie
Op woensdag 19 juni 2013 vond een bijeenkomst plaats over de economische gevolgen van huwelijk en scheiding in het kader van de aanbevelingen van  CEDAW uit general recommendation 29. De avond werd geopend door Marije Nederveen namens Rights for Change, een van de initiatiefneemsters van de bijeenkomst. Hierna volgde de eerste presentatie van Saskia de Hoog die voortbouwend op een onderzoek van Atria uit 2011 naar kwetsbare groepen een onderzoek heeft gedaan naar ‘vrouwen en financiën’.

´Uitkomsten onderzoek economische zelfstandigheid´
Uit het onderzoek bleek dat hoewel 64 % van de Nederlandse vrouwen een betaalde baan heeft – een percentage waarmee Nederland hoog scoort op internationaal vlak – 73 % van deze vrouwen in deeltijd werkt. In Nederland overheerst het 1,5-verdienersmodel, ook wel aangeduid als de deeltijd paradox. Een gevolg hiervan is dat slechts 52 % van de Nederlandse vrouwen economisch zelfstandig is (880 euro per maand of meer verdient). Bovendien balanceert een groot gedeelte van deze 52 % net op het randje van economische zelfstandigheid. Ter vergelijking: 74 % van de Nederlandse mannen is economisch zelfstandig.

Nederlandse vrouwen, met name alleenstaande moeders, lopen dus een groter risico om in armoede te leven. Risicofactoren die bij kunnen dragen aan een dergelijke situatie zijn:

  • Veranderingen in het beleid van de overheid bijvoorbeeld met betrekking tot uitkeringen;
  • Echtscheiding;
  • Overlijden partner;
  • Werkeloosheid/arbeidsongeschiktheid;
  • Pensionering.

Een vraag die zich vervolgens opdringt is of vrouwen zich wel bewust zijn van deze risico’s. Uit het onderzoek van Saskia de Hoog blijkt dat veel Nederlandse vrouwen wat dit betreft op een roze wolk verkeren. Dankzij hun kleine (deeltijd) baan voelen ze zich financieel onafhankelijk, omdat ze een eigen inkomen hebben. Deze onafhankelijkheid wordt verward met economische zelfstandigheid. Daarnaast hebben veel vrouwen een lage risicoperceptie, waardoor ze te laat afspraken maken en regelingen treffen.  Hierbij speelt mee dat echtscheiding en overlijden zaken zijn waar veel mensen zich liever niet te veel mee bezig houden. Zelfs vrouwen die eerder in hun leven iets negatiefs hebben meegemaakt, voelen zich daardoor niet aangemoedigd om betere regelingen te treffen anticiperend op de mogelijkheid van een echtscheiding. Daarentegen zegt 40 % van de vrouwen die een echtscheiding heeft meegemaakt, achteraf wel dat ze dingen anders hadden willen regelen. De zaken die in dit kader worden genoemd zijn:

  • Meer officieel laten vastleggen;
  • Onder huwelijkse voorwaarden trouwen;
  • Gescheiden rekening bijhouden;
  • Beter inzicht in de financiën.

Op basis van deze bevindingen heeft men in het onderzoek de conclusie getrokken dat er ingezet moet worden op financieel bewustzijn onder vrouwen. Waarbij van belang is dat vrouwen nadrukkelijk gewezen worden op hun eigen financiële positie in plaats van die van het gezin, dat vrouwen op een positieve manier op de risico’s worden gewezen en dat het financiële zelfvertrouwen van vrouwen wordt gestimuleerd. Voor de overheid ligt mogelijk een rol op het gebied van voorlichting weggelegd. Link naar de Factsheet Vrouwen en financiën.

Naar aanleiding van deze presentatie kwamen er uit het publiek een aantal vragen. Refererend naar  de zaken die gescheiden vrouwen terugkijkend anders geregeld hadden, werd er gevraagd of deze vrouwen ook aangegeven hebben dat ze als ze het opnieuw konden doen, ze de arbeidsverdeling gewijzigd hadden. Saskia antwoordde dat dit zeer zelden het geval was.
Met betrekking tot de methode gaf Saskia aan dat er 1300 enquêtes zijn afgenomen en 30 open interviews, waarbij gelet is op een diverse samenstelling van de groep.
Uit het publiek werd ook nog opgemerkt dat de Nederlandse overheid inderdaad bezig is geweest met de vraag hoe je mensen attent kan maken op de economische gevolgen van huwelijk en echtscheiding. Er was sprake van een keuzemodel, waarbij aanstaande echtparen expliciet moeten kiezen voor het trouwen in gemeenschap van goederen of huwelijkse voorwaarden. Nu is de standaard dat men automatisch in gemeenschap van goederen trouwt. Deze optie voor het invoeren van een ‘keuzemodel’ is gestrand, omdat niet besloten kon worden door wie dit model uitgevoerd zou moeten worden. De notaris is te duur en de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft te weinig kennis op dit vlak. Het alternatief is om een beperktere gemeenschap van goederen in te voeren.

CEDAW’s Nieuwe aanbeveling 29 voor artikel 16 over economische gevolgen voor vrouwen op het gebied van trouwen en scheiding
De presentatie van Saskia werd gevolgd door een presentatie van Margreet de Boer, medeorganisator van deze bijeenkomst over het VN-Vrouwenverdrag en de algemene aanbeveling die betrekking heeft op artikel 16 van het verdrag. Na een algemene introductie van het VN-Vrouwenverdrag ging Margreet in op de desbetreffende aanbeveling.

Aanbevelingen moeten door de overheid betrokken worden bij de ontwikkeling van wetten en beleid. In de praktijk gebeurt dit echter zelden. Aanbevelingen worden wel ingezet door lobbygroepen in hun strijd om rechten voor bepaalde groepen te verwezenlijken. Daarnaast kunnen aanbevelingen een rol spelen in rechtszaken.
De aanbeveling die vandaag centraal staat heeft betrekking op het gezin. Behalve dat het gezin een maatschappelijke, religieuze en sociale constructie is/kan zijn, is het gezin ook een economische constructie. Binnen deze constructie delven vrouwen het onderspit. Wereldwijd hebben alleenstaande moeders de grootste kans op armoede. Ongelijkheid in gezinnen is een fundamenteel probleem, omdat het ten grondslag ligt aan alle discriminatie.
De aanbeveling streeft formele en materiële gelijkheid na, niet alleen binnen de context van het huwelijk, maar ook voor andere vormen zoals het samenlevingscontract en de facto samenwonen. De economische aspecten van de relatie tussen gezinsleden hebben betrekking op onderwijs en werk, arbeid en zorg en de invloed van genderrollen op economische mogelijkheden.
Het is problematisch dat op het artikel van het VN-Vrouwenverdrag dat toeziet op het gezinsleven  heel veel reserveringen zijn gemaakt door met name islamitische landen. Deze reserveringen zijn eigenlijk niet toegestaan, omdat artikel 16 door het CEDAW comité als een substantieel artikel wordt aangemerkt, waardoor reserveringen de kern en het doel van het verdrag raken.
De aanbevelingen in de algemene aanbeveling zien toe op:

  • De status van vrouwen in het personen- en familierecht;
  • De bescherming van economische rechten in diverse verschijningsvormen;
  • De registratie van religieuze huwelijken;
  • Polygamie

Opvallend is dat hoewel sommige zaken door het Verdrag worden afgewezen zoals polygamie. In deze aanbeveling wel een zeer pragmatische houding ten opzichte van deze onderwerpen wordt aangenomen door te accepteren dat het wel bestaat. In de powerpoint presentatie staan per categorie de meer specifieke aanbevelingen.

Vanuit het publiek werd opgemerkt dat er in de algemene aanbeveling weinig aandacht werd besteed aan het onderwerp alimentatie en juist wel veel aan het onderwerp ‘vermogen’ in het algemeen. In de aanbeveling wordt alimentatie genoemd als een correctiemechanisme voor een ongelijke opbouw van bezit tijdens het huwelijk. De verdiencapaciteit wordt dus niet gecompenseerd. Het idee hierachter is mogelijk dat de achterstand die je hebt opgelopen tijdens het huwelijk in één keer gecompenseerd dient te worden, omdat alimentatie anders ook een mechanisme is waardoor de vrouw afhankelijk blijft van haar ex-partner.

Besloten werd om verdere vragen tijdens de discussie in groepjes te bespreken. De aanwezigen werden opgedeeld in 3 groepen. Elk groepje besprak een aantal specifieke aanbevelingen en wat de betekenis van deze aanbevelingen voor Nederland is. De bevindingen werden uiteindelijk plenair besproken.

Groep 1 heeft zich beziggehouden met het onderwerp echtscheiding. Met betrekking tot legal aid luidde hun conclusie dat de kwaliteit van de gefinancierde rechtsbijstand onder druk komt te staan door de lage vergoedingen. Dit leidt tot een situatie waarin de meeste (goede) advocaten kiezen om op reguliere basis te werken. Omdat mannen financieel draagkrachtiger zijn, kunnen ze vaak een betere advocaat krijgen, die hen daardoor langer en beter kan adviseren.

Op het vlak van alimentatie merkte de groep op dat de nieuwe kinderalimentatieregel ontwikkeld is met het doel om een simpelere regeling te creëren. De nieuwe regeling is echter minder voorspelbaar en voordeliger voor de niet-verzorgende ouder – meestal de man.

Wat betreft de rolverdeling kwam groep 1 tot de conclusie dat ‘gratis arbeid’ zoals zorgtaken moet worden meegerekend. De vraag is echter hoe je dit vormgeeft. Vermogenstoename moet beide partners toekomen, omdat de ene partner zich daarop heeft kunnen richten, terwijl de ander voor het huishouden zorgde. Aan de andere kant moet ook bekeken worden wat de consequenties zijn als er geen sprake was van een inkomenstoename gedurende het huwelijk.

Recentelijk is er een WODC rapport geschreven over koude uitsluiting[1]. Deze constructie is nog steeds toegestaan. Een van de aanbevelingen van het rapport is dat vermogen overgeheveld moet kunnen worden, maar staatssecretaris Teeven neemt deze aanbeveling niet over.  Een ander belangrijk punt is dat bij het aangaan van een huwelijk beide partijen een eigen financieel adviseur mee zouden moeten nemen, want  door de neutraliteit van de notaris kan een van de partijen gemakkelijk overwicht krijgen tijdens het maken van de afspraken.

De aanbeveling zou ingezet kunnen worden bij de lobby tegen het verslechteren van de alimentatierechten bij de Directie Emancipatie.

Groep 2 heeft zich beziggehouden met de ‘restcategorie’. De eerste aanbeveling die door hen behandeld is, betrof feitelijk samenwonen. Men kwam tot de conclusie dat mensen ook vrijgelaten moeten worden om helemaal niets te regelen, sommigen mensen kiezen er juist voor om feitelijk samen te wonen zonder een samenlevingscontract. Er zijn echter hele schrijnende gevallen waarbij na de breuk een man recht heeft op het huis, omdat hij de hypotheek heeft betaald, terwijl de vrouw altijd zorg heeft gedragen voor de boodschappen. In dit soort gevallen zou haar bijdrage ook meegewogen moeten worden. Er zou een informatiepakket voor familierecht advocaten gemaakt moeten worden over hoe zij deze aanbeveling in kunnen zetten bij dergelijke zaken. Uit het publiek werd opgemerkt dat het lastig is om de gekozen economische zelfstandigheid bij gebrek aan een samenlevingscontract vol te houden, nu vanuit fiscaal perspectief je al snel automatisch als economische eenheid wordt gezien. In het buitenland kun je deze keuze bewust maken dankzij een opting-in/opting-out systeem.

Een ander onderwerp dat besproken werd is polygamie. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen gedwongen en vrijwillige polygamie. De focus moet vooral liggen op het ondersteunen van de vrouw bij de keuze die zij heeft gemaakt. Als het voor haar voordeliger is om in de polygame relatie te blijven dan moet de ondersteuning gericht zijn op het optimaliseren van haar positie binnen deze relatie. Binnen een relatie kan bijvoorbeeld gestreden worden voor economische rechten. Anderzijds kan het natuurlijk ook dat de vrouw gevangen zit in haar polygame huwelijk en dan moet zij ondersteund worden bij het forceren van een echtscheiding. Met betrekking tot het bevorderen van de registratie van religieuze huwelijken speelt eenzelfde dilemma. Soms kan het voor een vrouw voordeliger zijn als dit huwelijk wel geregistreerd en erkend wordt, omdat zij op deze manier bepaalde rechten kan afdwingen, maar in andere situaties zal het voor haar juist voordeliger zijn als haar huwelijk ongeldig wordt verklaard, zodat zij er gemakkelijker uit kan ontsnappen. Bij de benadering van dit soort problemen moet dus heel erg op de omstandigheden van het geval gelet worden.

Twee verdere groepen hebben issues besproken rondom huwelijkse voorwaarden en over onterving van de partner. In het laatste geval werd er vanuit de Nederlandse praktijk betwijfeld of hier voldoende politieke of maatschappelijke steun beschikbaar zou zijn, om volledige onterving ter discussie te stellen. In geval van een tweede partner wordt er in sommige gevallen volledig onterft om de kinderen uit het eerste huwelijk te laten erven i.p.v. de nieuwe partner.

Opvolging bijeenkomst

Aan het einde van de bijeenkomst bleek dat er bij de groep veel animo was om de bevindingen van de bijeenkomst verder uit te werken en te gebruiken. Daarom zal er later nog een bijeenkomst georganiseerd worden, waarin besproken wordt hoe er een bijdrage geleverd kan worden aan de schaduwrapportage voor het VN-Vrouwenverdrag.  Er is inmiddels een Linkedin groep aangemaakt voor de personen die geïnteresseerd zijn om aan dit proces bij te dragen. Deze groep is ondergebracht bij linkedin groep Rights4Change, subgroep Familierecht en Vrouwenverdrag.

 



[1] Koude uitsluiting noemt men de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden waarbij tussen echtgenoten geen enkele gemeenschap van goederen bestaat. Het woord ‘koud’ heeft betrekking op het feit dat echtgenoten op geen enkele wijze hun inkomen en vermogenstoename verrekenen (delen). Deze huwelijkse voorwaarden zorgen ervoor dat tussen de echtgenoten een minimum aan financiële banden bestaat.

Brief aan Eerste Kamer over wetsvoorstel regulering prostitutie, 2 juli 2013

Aan de Leden van de Eerste Kamer der Staten Generaal,
Postbus 20017
2500 EA Den Haag

 

Onderwerp: WV Regulering Prostitutie (32211)                                              Leiden, 2 juli 2013

Geachte leden van de Eerste Kamer,

In reactie op de brief van minister Opstelten van 25 juni j.l. over het wetsvoorstel Regulering Prostitutie wil de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) de volgende opmerkingen maken.

De VVR is verheugd over het voorstel van de minister tot een splitsing van het wetsvoorstel via een novelle. Hierdoor blijft de invoering van een uniforme vergunningenplicht gehandhaafd en kan een ruim vier jaar durend wetgevingstraject worden afgesloten op een wijze die zowel politieke steun geniet als steun in het veld.
De bestuurlijke aanpak van misstanden kan hierdoor worden versterkt, op essentiële aspecten kan de bedrijfsvoering van seksbedrijven beter worden geregeld en een waterbedeffect tussen gemeenten kan worden voorkomen. Dat is winst.

Verplichte registratie prostituees geen toegevoegde waarde
Met de intrekking van de vergewisplicht van klanten is elke toegevoegde waarde van een registratieplicht van prostituees vervallen. Deze twee onderdelen hangen direct met elkaar samen zoals de minister tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel meermalen heeft benadrukt.
Verplichte registratie zonder vergewisplicht heeft geen meerwaarde. De prostituees die binnen bedrijven werken zijn al bekend en bereikbaar. Toegang tot deze groep kan via het vergunningenstelsel en (extra inzet van) veldwerk worden gerealiseerd. Alleen registratie van thuiswerkers zou extra informatie opleveren. Maar aangezien de registratie alleen een registratienummer, 06-nummer en BSN-nummer behelst en er (terecht om privacy redenen) geen koppeling mag worden gelegd met andere registratiesystemen, in casu de Gemeentelijke Basis Administratie, is het (werk)adres niet te achterhalen. Gerichte controle door toezichthouders, een van de doelstellingen, is dan ook niet mogelijk. Sekswerkers kunnen zich immers in een andere gemeente registreren en overal in het land werken. Met het vervallen van de vergewisplicht door klanten is daarom ook de zin van de registratieplicht van prostituees vervallen.
Het registratiedoel om een contactmoment met de prostituee te creëren, kan worden bereikt door de huidige voorlichting en contacten te versterken, bijvoorbeeld door de middelen die worden bespaard met het niet invoeren van vergewisplicht en de verplichte registratie, in te zetten voor uitbreiding van het veldwerk.

Verbetering (rechts)positie prostituees
Een landelijk uniform vergunningensysteem voor seksbedrijven kan een grote verbetering zijn, mits de eisen en voorwaarden ook in de praktijk worden nagekomen.

In de lijn hiervan dringt de VVR er bij u op aan om bij de uitwerking van dit systeem de volgende verbeteringen van de positie van prostituees mee te nemen:

1.  Mogelijkheden scheppen tot zelfstandig ondernemerschap voor prostituees, bijvoorbeeld door samenwerking in een coöperatie, en ondersteunen van een pilot.
Niet alleen is het van belang de rechtspositie van prostituees in de bestaande bedrijven te versterken in de voorgestelde AMvB. Ook het zelfstandig ondernemerschap van prostituees verdient forse ondersteuning. De afgelopen jaren is het beleid in veel gemeenten gericht geweest op het afgeven van vergunning aan de ‘zittende’ exploitanten die vrijwel de gehele seksbranche in handen hebben. Daarmee is steeds meer macht bij enkele exploitanten komen te liggen met alle risico’s van dien, zoals de recente ontwikkelingen in Utrecht laten zien. Het onafhankelijkheid en zelfstandig ondernemerschap zou dan ook een flinke steun moeten krijgen, bijvoorbeeld door het opzetten en (financieel, juridisch en bedrijfsmatig) steunen van pilots.
In de gemeente Utrecht en Amsterdam zijn recent initiatieven ontwikkeld voor het opzetten van een coöperatie van prostituees. Dit voorbeeld dat nog in de beginfase van de ontwikkeling is, zou ondersteund kunnen worden waar vervolgens alle gemeenten hun voordeel mee zou kunnen doen.

2.    Het borgen van de sociale en rechtspositie van prostituees in prostitutiebedrijven door de invoering van een laagdrempelige klachtenvoorziening/-meldpunt (bijv. een prostitutie ombudsman).
Het invoeren van nieuwe regels om in vergunde bedrijven de positie van de prostituee te verbeteren is van belang en het gebeurt op dit moment al. De effectiviteit daarvan staat en valt bij de nakoming van de regels. In de praktijk schiet nakoming vaak te kort, ook omdat hier feitelijk nauwelijks controle op is, met name daar waar het de positie van prostituees betreft.
Om misstanden tegen te gaan en te zorgen voor een ‘schonere branche’ zoals de minister voorstaat, zouden -naast meer frequente controle door gemeenten- prostituees een laagdrempelige voorziening/meldpunt moeten krijgen om klachten te kunnen indienen, bijvoorbeeld een landelijke ombudsman mét de bijbehorende bevoegdheid om actie te ondernemen. Klachten bij de gemeente worden tot nu toe veelal afgedaan als betrekking hebbend op een privaatrechtelijk verhouding waar de gemeente niets over te zeggen heeft. Het opzetten van zo’n voorziening  klemt te meer omdat het gemeentelijk beleid van de afgelopen 12 jaar de afhankelijkheid van prostituees van (een steeds kleiner aantal) exploitanten systematisch heeft vergroot. Niemand durft te klagen vanwege het risico de werkplek te verliezen, maar ook omdat werken bij een andere exploitant nauwelijks meer mogelijk is nu er veelal nog slechts een zeer beperkt aantal exploitanten zijn in één gemeente. De afhankelijkheid wordt vergroot door het feit dat er nauwelijks mogelijkheden zijn om zelfstandig (thuis of vanuit huis) te werken of een eigen bedrijf met een aantal collega’s op te zetten.

De VVR dringt er bij u op aan -en heeft daarin ook alle vertrouwen- bovenstaande oproepen een belangrijke rol te laten spelen bij uw overwegingen in inbreng in het laatste bedrijf van de behandeling van het wetsvoorstel Regulering Prostitutie.

Met vriendelijke groet,

Mr. M.M. (Mieke) van der Burg

Voorzitter VVR

E: Voorzitter@oud-vvr.computersaysno.eu

NWO-subsidie voor onderzoek naar huwelijkse gevangenschap

De Universiteit Maastricht (UM) heeft van NWO (de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) een subsidie ontvangen voor het doen van onderzoek naar huwelijkse gevangenschap in Nederland.  Er zal empirisch onderzoek worden gedaan naar de aard van de problematiek van huwelijkse gevangenschap in Nederland, en voorts onderzoek naar de juridische instrumenten die kunnen worden ingezet en ontwikkeld om situaties van huwelijkse gevangenschap te voorkomen en aan te pakken. Aan beide deelonderzoeken zullen belangenorganisaties en religieuze gemeenschappen hun medewerking verlenen. Het onderzoek gaat in september 2013 van start. Totale looptijd van het onderzoek bedraagt vijf jaren. De eerste resultaten zullen na twee jaar worden gepubliceerd.

Huwelijkse gevangenschap betreft een actueel maatschappelijk probleem dat zich vooral voordoet onder migrantenvrouwen en binnen religieuze gemeenschappen (jodendom, islam, hindoeïsme, en christendom). Van huwelijkse gevangenschap is sprake als een echtgenoot (doorgaans de vrouw) het niet voor elkaar krijgt om haar huwelijk ontbonden te krijgen volgens de regels van haar geloof of in haar land van herkomst. Een scheiding bij de Nederlandse rechter kan dit resultaat niet bewerkstelligen. Het veronderstelde voortbestaan van haar huwelijk binnen de religieuze gemeenschap en in het land van herkomst, houdt de vrouw sociaal gevangen in een oneigenlijk huwelijk, beperkt haar in haar bewegingsvrijheid, en kan haar belemmeren in een vrije en autonome ontwikkeling.

Met het onderzoek wordt beoogd via instrumenten uit het seculiere rechtssysteem (nationaal recht en mensenrechten) een brug te slaan tussen de officiële Nederlandse rechtsorde enerzijds en informele sociaal-religieuze en buitenlandse rechtsordes anderzijds, om op deze manier vrouwen een weg te bieden om uit situaties van huwelijkse gevangenschap te geraken.

De Universiteit Maastricht zal in het project samenwerken met vier maatschappelijke partners die ook materieel aan het onderzoek bijdragen, te weten de Stichting Femmes for Freedom, het Proefprocessenfonds Clara Wichmann, Atria (kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis) en de Vereniging voor Vrouw en Recht. Projectleider is Dr. Susan Rutten (UM).

Volledige titel van het onderzoek: Marital Captivity; Bridging the Gap between Religion and Law

 

Hoge Raad: minimaal drie uur loon voor oproepkracht

De Hoge Raad heeft in mei 2013 geoordeeld dat bij verschillende oproepen op één dag voor elke oproep drie uur dient te worden uitbetaald, ook al is de feitelijk arbeidsduur per oproep bijvoorbeeld maar een half uur. Wel is het zo dat als de oproepen vlak achter elkaar zijn doorgeteld mag worden, als er maar niet langer dan een pauze van gebruikelijke duur (meestal een kwartier) tussen zit. De tekst van de uitspraak is op rechtspraak.nl te vinden (LJN BZ2907).
De conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot vernietiging en verwijzing strekt behandelt de parlementaire geschiedenis.

Gezamenlijke brief n.a.v. Algemeen Overleg Emancipatiebeleid d.d. 13 juni 2013, 18 juni 2013

Ref: 13/28/MvdB/AV

18 juni 2013

Aan de woordvoerders emancipatie in de Tweede Kamer

Geachte heer/mevrouw,

Tijdens het Algemeen Overleg over het emancipatiebeleid op 13 juni 2013 werd vanuit verschillende fracties gewezen op het feit dat reguliere wetgeving vaak grote gevolgen kan hebben voor gender-gelijkheid en in het bijzonder voor het beleid om economische zelfstandigheid van vrouwen te bevorderen. In dat kader vroegen diverse woordvoerders om wetgeving en beleid te onderwerpen aan een zogenoemde gendertoets, c.q. een toets op de effecten die er zouden kunnen optreden m.b.t. economische zelfstandigheid.

De Minister antwoordde hierop dat diverse departementen een gendertoets al uitvoeren. Dat is uiteraard goed om te horen, maar het roept ook wel wat vragen op. Wat houdt deze gendertoets in? Hoe wordt deze toets uitgevoerd? Wordt deze toets bij ieder departement en bij ieder ieder beleidsvoornemen en wetgeving op dezelfde wijze uitgevoerd?

Bij navraag blijkt uitsluitend te worden vermeld dat er een toets is uitgevoerd (met antwoord “ja” of “nee”). Als geen toets is uitgevoerd wordt dat gemotiveerd. De wijze waarop de toets wordt uitgevoerd, blijkt zeer verschillend te zijn. De inhoud van de gendertoets wordt niet gepubliceerd, en ook niet vermeld in bijvoorbeeld beleidsnota’s of memories van toelichting op wetgeving. U en uw collega’s kunnen deze toetsen dus niet bij hun oordeel over de voorstellen betrekken. Ook de maatschappij (bijvoorbeeld wij als vrouwenorganisaties en genderdeskundigen) kan er niet op reageren.

Wij dringen er bij u op aan het Kabinet te vragen wat de inhoudt van deze toets is en hoe deze wordt uitgevoerd. En tevens om de inhoudelijke resultaten van de gendertoetsen voortaan bekend te maken.

Een tekst voor een mogelijke motie voegen wij hierbij.

Met vriendelijke groeten,

Dit is een gezamenlijke brief van:

  • – Atria-kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis
  • – Netwerk VN-Vrouwenverdrag
  • – Samenwerkingsverbanden van het Landelijke Overleg Minderheden
  • – Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR)
  • – Vrouwenpodium 2010-2020 , samenwerkingsverband van FNV, NVR en LOM
  • – Women Inc
  • – Nederlandse Vrouwen Raad. Lidorganisaties:
  • Algemene Nederlandse Vrouwenvereniging Tesselschade-Arbeid Adelt
  • Baha’¡ Vrouwenforum Nederland
  • Business and Professional Women The Netherlands
  • CDA Vrouwenberaad
  • Delta Kappa Gamma Nederland
  • FAM! Expertisecentrum voor Vrouwenvraagstukken
  • Federatie Zakenvrouwen
  • Femmes for Freedom
  • FNV Vrouwenbond
  • GAIA, netwerk voor vrouwen in de aardwetenschappen
  • Gender Concerns International
  • Independent Order of Odd Fellows
  • Katholiek Vrouwen Dispuut
  • Koninklijke Nederlandse 0rganisatie van Verloskundigen
  • KVO
  • Liberaal Vrouwen Netwerk
  • LTO Vrouw en Bedrijf
  • Melania Ontwikkelingssamenwerking
  • Molukse Vrouwen Raad
  • National Council of Jewish Women Nederland
  • Nederlandse Organisatie van Vrouwelijke Apothekers
  • NVVH-Vrouwennetwerk (aspirant-lid)
  • Oudere Vrouwennetwerk Nederland
  • Partij van de Arbeid vrouwennetwerken
  • Passage, Christelijk-maatschappelijke vrouwenbeweging
  • Politiek Scholings Centrum
  • Proefprocessenfonds Clara Wichmann
  • Provinciale Vrouwenraad Noord Brabant
  • Stichting Nederland Suriname Antillen Gendervraagstukken
  • Stichting Religieuzen tegen Vrouwenhandel
  • Unie Nederlandse Katholieke Vrouwenbeweging
  • Unie van Soroptimistclubs in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen
  • Unie van Vrouwelijke Ondernemers Gelderland
  • Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen
  • Vereniging van Vrouwen met Hogere Opleiding
  • Vereniging voor Vrouwenbelangen
  • Vereniging voor Vrouwengeschiedenis
  • Vrouwen Organisatie Nederland Darfur
  • Vrouwen van Nu
  • Vrouwen voor Vrede
  • Vrouwennetwerk Wageningse Ingenieurs
  • Vrouwenplatform Carree Overijssel
  • Women in Europe for a Common Future
  • Women on the Web-NL
  • Women’s International League for Peace and Freedom Nederland
  • Women’s International Zionist Organization
  • Yente
  • Young Womens Christian Association Nederland
  • Zeeuws Vrouwenplatform
  • Zonta Nederland

Bijlage:

CONCEPT MOTIE

De Kamer,

gehoord de beraadslagingen met betrekking tot de Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013 – 2016,

van mening zijnde dat

de doelstelling van het kabinet om positie van vrouwen te verbeteren en met name de economische zelfstandigheid van vrouwen te versterken van groot belang is zowel voor de samenleving als geheel, als voor vrouwen, mannen en kinderen individueel;

overwegende dat

• de keuze van het Kabinet voor economische zelfstandigheid van vrouwen richtinggevend is voor het beleid en de wetgeving van de verschillende departementen voor de komende jaren;

• verschillen in uitwerking van beleid en wetgeving op vrouwen en mannen (ook uitgesplitst naar etniciteit) niet bekend is;

• dat in de praktijk blijkt dat maatregelen en wetgeving niet automatisch leiden tot een betere positie van vrouwen en tot versterking van economische zelfstandigheid van vrouwen;

constaterende dat

• de coördinerend Minister voor emancipatiebeleid tijdens het AO over de Hoofdlijnenbrief Emancipatie op 13 juni 2013 melding maakte van een gendertoets die diverse ministeries al toepassen bij beleidsvoornemens en relevante wetgeving;

overwegende dat

• de Kamer de inhoud en diepgang van genoemde toetsen niet kent (welk format en welke criteria worden gehanteerd? Hoe komt de toets tot stand?) en de resultaten daarvan niet ontvangt, waardoor de uitkomsten niet kunnen worden meegewogen in haar beoordeling van beleid en wetsvoorstellen;

  • verzoekt de Minister voor 1 september 2013 de Kamer uitgebreid te informeren over de inhoud en de wijze van totstandkoming van de gendertoetsen die door het verschillende ministeries tot op heden zijn uitgevoerd;
  • verzoekt het Kabinet om vanaf heden de Kamer bij alle beleidsvoornemens én wetgeving – in ieder geval op het gebied van arbeid, sociale zekerheid, personen- en familierecht en zorg en bij bezuinigingsmaatregelen – inhoudelijk te informeren over de effecten daarvan uitgesplitst naar sekse en etniciteit, en met name over de effecten op de economische zelfstandigheid van vrouwen,

en gaat over tot de orde van de dag.