Instantie: Rechtbank Haarlem, 29 september 1989

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Gedaagde probeert sedert twee jaar in contact te komen met eiseres.
Hij overstelpt haar met liefdesbetuigingen en houdt zich regelmatig in haar
omgeving op. Eiseres is hier niet van gediend en vraagt een straatverbod
Eiseres is overspannen geworden van de gedragingen van gedaagde. Op
grond daarvan is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde door zijn
gedragingen jegens eiseres inbreuk maakt op haar persoonlijke levenssfeer
Het straatverbod wordt voor zes maanden toegewezen

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Ter terechtzitting van 25 september 1989 heeft eiseres bij conclusie
van eis overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding gevorderd dat
Fungerend-President bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.1.1 Gedaagde zal verbieden zich op te houden te Amsterdam in het
gebied omsloten door de Gaasperdammerweg, de Muntbergweg, de Meibergdreef, de
Tafelbergweg, de Schoonhovendreef, de Wageningendreef en de Gooiseweg, met
inbegrip van het verbod in de genoemde straten te komen;

1.1.2 Gedaagde zal verbieden iedere handeling jegens eiseres waardoor
hinder of overlast aan eiseres wordt bezorgd, waaronder in ieder geval het
opnemen van schriftelijk en/of telefonisch contact met eiseres;

1.1.3 Gedaagde zal veroordelen tot betaling aan eiseres van een dwangsom
van ƒ 1.000,- voor iedere of overtreding van de onder 1.1.1 en 1.1.2
genoemde verboden na betekening van het te wijzen vonnis;

1.1.4. eiseres zal machtigen om zo gedaagde aan de onder 1.1.1 en 1.1.2
gegeven verboden niet mocht voldoen, de tenuitvoerlegging daarvan te
bewerkstelligen met behulp van de politie;

1.1.5 Gedaagde zal veroordelen in de kosten van de procedure

1.2. De advokaat van eiseres heeft de vordering toegelicht, waarbij zij
gebruik heeft gemaakt van pleitnotities en een aantal produkties heeft
overgelegd

1.3 Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd bij monde van zijn
procureur

1.4 Partijen hebben in tweede termijn het woord gevoerd en naar
aanleiding van vragen van de Fungerend-President nadere inlichtingen
verstrekt

1.5 Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en vonnis
gevraagd. De Fungerend-President heeft de uitspraak van het vonnis bepaald
op heden

2. HET GESCHIL VAN PARTIJEN

2.1 De vaststaande feiten

Als gesteld en erkend, althans niet of onvoldoende weersproken, staan in
dit kort geding de volgende feiten vast

Eiseres heeft gedaagde voor het eerst ontmoet in de tijd dat zij als
koffiejuffrouw werkte in het gebouw van de Raad van Arbeid te Amsterdam.
Gedaagde hield zich veelal op in de hal van dat gebouw. Sedert twee jaar
doet hij pogingen om met eiseres in contact te komen. Hij overstelpt haar
met brieven en geschenken, houdt zich veelal op in de omgeving van haar
woning, gaat haar gangen na, volgt en bespiedt haar. Eiseres is van de
toenaderingspogingen van gedaagde niet gediend en heeft hem dit herhaaldelijk
schriftelijk en telefonisch te kennen gegeven

Desondanks heeft gedaagde zijn pogingen om met eiseres in contact te
komen niet gestaakt. 2.2 DE GRONDSLAG VAN DE VORDERING

Eiseres stelt dat gedaagde door de wijze waarop hij zich tegenover haar
gedraagt, inbreuk maakt op haar persoonlijke levenssfeer. Zij stelt een
spoedeisend belang te hebben om daaraan een einde te maken

2.3 HET VERWEER

De procureur van gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd door
te stellen dat het gedrag van gedaagde niet als onrechtmatig kan worden
aangemerkt en dat er geen sprake is van dreiging of gevaar

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 Ter terechtzitting heeft eiseres onweersproken verklaard dat zij
overspannen is geworden door de gedragingen van gedaagde, hetgeen is
bevestigd door de ter zitting door de advokaat van eiseres voorgelezen
verklaring van eiseresses huisarts en de haar begeleidende maatschappelijk
werkster. Op grond daarvan is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde
door zijn gedragingen jegens eiseres inbreuk maakt op haar persoonlijke
levenssfeer. Het gevorderde sectorverbod zal daarom worden toegewezen, met
dien verstande dat daarop de volgende beperking zal worden aangebracht

3.2 Binnen het gebied waarvoor het verbod wordt gevorderd is het
Academisch Medisch Centrum Amsterdam gelegen. De Fungerend-President acht
het ongewenst gedaagde de mogelijkheid te ontnemen dit ziekenhuis te
bezoeken, zodat de verboden sector tot na te melden sector zal worden
verkleind

3.3 De Fungerend-President zal het verbod in tijdsduur beperken tot een
periode van zes maanden, ervan uitgaande dat die periode voldoende zal zijn
om de rust tussen partijen te doen wederkeren

3.4 De vordering gedaagde iedere handeling te verbieden waardoor aan
eiseres last of hinder wordt bezorgd is te vaag geformuleerd en zal worden
afgewezen. De vordering gedaagde te verbieden schriftelijk contact op te
nemen met eiseres zal eveneens worden afgewezen omdat het eiseres immers vrij
staat brieven van gedaagde ongeopend te laten. Wel voor toewijzing vatbaar is
de vordering met betrekking tot het opnemen van telefonisch contact

3.5 De Fungerend-President acht termen aanwezig om de gevorderde
dwangsom als volgt te matigen

3.6 Aangezien gedaagde door zijn gedragingen aanleiding heeft gegeven
tot het instellen van deze procedure dient hij te worden beschouwd als de in
het ongelijk gestelde partij en behoort hij in de proceskosten te worden
verwezen

4. BESLISSINGEN

De Fungerend-President, rechtdoende in kort geding:

4.1 Verbiedt gedaagde voor de duur van zes maanden na de datum van
betekening van dit vonnis zich op te houden in het gebied te Amsterdam dat
wordt omgrensd door de Gaasperdammerweg, de Nieuwegeinlaan, de Oudenrijnlaan,
de Tolkamerstraat, de Schoonhovendreef, de Wageningendreef, de Busbaan, het
Veenendaalplein en de Langebroekdreef, met inbegrip in het verbod van genoemde
straten;

4.2 Verbiedt gedaagde telefonisch contact op te nemen met eiseres;

4.3 Machtigt eiseres voorzoveel nodig voor de handhaving van de onder
4.1 en 4.2 opgelegde verboden de hulp van de sterke arm in te roepen;

4.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5 Bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van ƒ 250,–
(TWEEHONDERDVIJFTIG GULDEN) voor iedere overtreding van de onder 4.1 en 4.2
opgelegde verboden;

4.6 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding tot aan de
uitspraak van dit vonnis aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 310,45 aan
verschotten en ƒ 700,– aan procureurssalaris, een en ander op de voet van
artikel 57 b Rv. te voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

4.7 Weigert de meer of anders gevorderde voorzieningen

Rechters

Mr. G.H. Zweers

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 28 september 1989

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


S is sinds augustus 1984 bij verweerster in dienst. Eind 1987 heeft de
bedrijfsleider van verweerster (de heer X) verzoekster ondanks haar verzet
rechtstreeks seksueel benaderd. Ook nadien heeft S zich ongewenste
intimiteiten moeten laten welgevallen. Om financiële redenen is zij haar
werkzaamheden, tot het moment dat zij begin 1989 inklapte blijven verrichten.
S meldde zich toen ziek en is thans onder psychiatrische behandeling.
Verweerster heeft toegegeven dat partijen niet meer kunnen samenwerken en dat
de arbeidsovereenkomst deswege ontbonden dient te worden. Zij ontkent dat de
beweerdelijke intieme verhouding tussen de bedrijfsleider en S een
onrechtmatige daad oplevert. Er is tegen S namelijk geen geweld gebruikt. Zij
is bovendien gewoon blijven doorwerken. Haar ziekte zou veroorzaakt zijn door
in het verleden liggende problemen.
De kantonrechter stelt vast dat het wederzijds vertrouwen tussen partijen
volstrekt ontbreekt. De dienstbetrekking kan dan ook niet langer voortduren.
Een spoedige ontbinding van de arbeidsovereenkomst lijkt dan ook gewettigd en
geboden. Niet is komen vast te staan dat de schuld van de ontstane situatie
geheel of in een belangrijke mate bij S berust, zodat de beëindiging van de
overeenkomst haar niet kan worden verweten. Vandaar dat er aanleiding bestaat
haar een vergoeding toe te kennen. Echter, de partijen waren onderling
tijdens de zittingen tot overeenstemming gekomen. Omdat dit de kantonrechter
gezien de omstandigheden niet onredelijk voorkomt, wordt dit overgenomen in
het dictum.
Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, ƒ 2.500 bruto materiële – en ƒ
10.000 immateriële schadevergoeding aan de werkneemster (conform de door
partijen gesloten overeenkomst).

Volledige tekst

;Motivering
Verzoekster is sinds augustus 1984 bij verweerster in dienst. Zij vervult
daarbij de functie van schoonmaakster. Haar loon bedroeg laatstelijk ƒ 1045
netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag ad 8%. Haar leeftijd is
25 jaar.
Voorzover thans van belang heeft verzoekster onder meer gesteld dat een goede
samenwerking tussen partijen niet meer mogelijk is omdat de arbeidsverhouding
tussen hen ernstig is verstoord.
Ter toelichting op het verzoek is nog het volgende, kort weergegeven,
aangevoerd:
Op 5 december heeft de bedrijfsleider van verweerster D.J. van der B.,
verzoekster ondanks haar verzet, rechtstreeks seksueel benaderd. Ook nadien
heeft verzoekster zich ongewenste intimiteiten moeten laten welgevallen. Om
financiële redenen is zij haar werkzaamheden, tot het moment dat zij op 20
februari 1988 inklapte blijven verrichten. Verzoekster meldde zich toen ziek
en is thans onder psychiatrische behandeling. Naast een vergoeding ten
bedragen van ƒ 5.000 netto als aanvulling op de thans door haar ontvangen
uitkering, vraagt ze een vergoeding ten bedrage van ƒ 25.000 vanwege haar
toegebracht leed.
De verweerster heeft toegegeven dat partijen niet meer kunnen samenwerken en
dat de arbeidsovereenkomst deswege ontbonden dient te worden. Zij ontkent dat
de beweerdelijke intieme verhouding tussen de bedrijfsleider van verweerster
en de verzoekster een onrechtmatige daad oplevert. Er is tegen de verzoekster
namelijk geen geweld gebruikt. Zij is bovendien gewoon blijven doorwerken.
Dat zij nu ziek is vindt zijn oorzaak in andere in het verleden liggende
problemen, waarin verweersters bedrijfsleider geen aandeel heeft gehad. Van
een procedure als de onderhavige is geen hoger beroep mogelijk, dus met een
eventuele vergoeding ter zake van smartengeld dient voorzichtig omgesprongen
te worden.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen
Tussen de partijen staat onweersproken vast dat het wederzijds vertrouwen
thans volstrekt ontbreekt en dat de dienstbetrekking niet langer kan
voortduren. Een spoedige ontbinding van de arbeidsovereenkomst lijkt dan ook
gewettigd en geboden.
Niet is komen vast te staan dat de schuld van de ontstane situatie geheel of
in belangrijke mate bij de verzoeker berust, zodat de beëindiging van de
overeenkomst haar niet kan worden verweten. Er bestaat onder deze
omstandigheden aanleiding haar een vergoeding toe te kennen ten laste van de
verweerster.
Omdat de partijen op de zitting van 28 september 1989 echter te kennen hebben
gegeven om voor het geval de overeenkomst zou worden ontbonden ter zake een
regeling te hebben getroffen en deze de kantonrechter gelet op de
omstandigheden, zoals de leeftijd van de verzoekster, de duur van het
dienstverband, de kans om elders een passende werkkring te vinden en het door
de verzoekster ondervonden leed en de wederzijdse financiële positie van de
partijen niet onredelijk voorkomt, zal deze in het dictum worden overgenomen.
Nu in bovengenoemde zin zal worden beslist behoort volgens de wet een termijn
te worden bepaald binnen welke de verzoekster bevoegd is het verzoek in te
trekken. Omdat zij echter heeft medegedeeld van het recht tot intrekking geen
gebruik te zullen maken, wordt van deze termijnbepaling afgezien.
De kosten van de procedure zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder
van de partijen haar eigen kosten draagt.

De beslissing
De Kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1
oktober 1989;
kent aan de verzoekster ten laste van de verweerster ter zake van de
vermoedelijke materiële schade een vergoeding toe van
ƒ 2500 bruto en ter zake van immateriële schade ƒ 10 000;
veroordeelt de verweerster deze bedragen tegen behoorlijke kwijting aan de
verzoekster te betalen, uiterlijk op 30 november 1989.

Rechters

Mr. E. Bos

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 28 september 1989

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde wil als medeverzekerde in de zin van de Ziekenfondswet worden
aangemerkt. Zij woont ongehuwd samen en voert een gemeenschappelijke
huishouding met een partner die verplicht is verzekerd ingevolge de
Ziekenfondswet

Het beroep op art. 2 lid 2 juncto 9 IVESC slaagt niet omdat dit verdrag
geen rechtstreekse werking heeft. Artikel 14 EVRM geldt alleen voor de
rechten en vrijheden, welke in dit verdrag zijn vermeld. Een beroep hierop
slaagt daarom niet. Art. 4 lid 1 Ziekenfondswet houdt geen indirecte
discriminatie in volgens de Raad, dus er is geen beroep mogelijk op de derde
EG-richtlijn

Een beroep op artikel 1 Grondwet is niet mogelijk omdat de Raad een wet
in formele zin (zoals de ZFW) niet mag toetsen aan de Grondwet en evenmin aan
algemene rechtsbeginselen

De Raad oordeelt in navolging van het Comite voor de rechten van de mens
dat een ongelijk rechtsregime voor ongehuwd samenwonenden in vergelijking met
gehuwd samenwonenden nog geen discriminatie is in de zin van art. 26
BuPo-verdrag

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij voor beroep vatbare beslissing van 4 augustus 1987 heeft eiser
afwijzend beschikt op het verzoek van gedaagde om als medeverzekerde in de
zin van de Ziekenfondswet (Zfw) te worden aangemerkt

De Raad van Beroep te Roermond heeft deze beslissing bij uitspraak van 3
februari 1988 vernietigd

Eiser is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen

Het geding is -gevoegd met een viertal gelijksoortige zaken- behandeld
ter terechtzitting van 14 september 1989. Eiser heeft zich daar doen
vertegenwoordigen door Mr. M.H.R , werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse
Ziekenfondsen te Zeist. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde Mr. L. B ,
verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Zuid-Limburg

II. MOTIVERING

1. Het onderwerp van het geschil

Het verzoek van gedaagde berust op de omstandigheid dat zij ongehuwd
samenwoont en een gemeenschappelijke huishouding voert met een partner die
verplicht verzekerd ingevolge de Zfw is

De bestreden beslissing berust op de gedachte, dat ingevolge artikel 4,
eerste lid, Zfw medeverzekerd is de echtgenote of echtgenoot van de
verzekerde, indien deze behoort tot het huishouden van de verzekerde en de
verzekerde als haar of zijn kostwinner is aan te merken; dat onder echtgenote
of echtgenoot slechts is te verstaan de vrouw of de man met wie de verzekerde
wettig gehuwd is; dat gedaagde hieraan niet voldoet en derhalve niet als
medeverzekerde kan worden aangemerkt

Naar de mening van de wederpartijen van de ziekenfondsen in de
onderhavige vijf gevoegd behandelde gedingen is deze uitleg van artikel 4 Zfw
discriminerend en in strijd met een of meer van de volgende rechtsnormen:

– artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (IVPBR);

– artikel 2, tweede lid, juncto artikel 9 van het Internationaal Verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR);

– artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

– de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19
december 1978, nr. 79/7/EEG (de derde EEG-richtlijn);

het gelijkheidsbeginsel als ongeschreven norm;

– artikel 1 van de Grondwet (GW)

2. Beperking van de omvang van het geschil in de tijd in verband met de
invoering van nieuwe regelgeving

Bij artikel 1, eerste lid onder a, van de Regeling medeverzekering
ziekenfondsverzekering is met ingang van 1 januari 1988 als medeverzekerde
ingevolge artikel 4, negende lid, Zfw aangewezen de persoon, jonger dan 65
jaar, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een verzekerde van
verschillend of gelijk geslacht zonder met hem of haar gehuwd te zijn en de
verzekerde als haar of zijn kostwinner is aan te merken, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste of tweede graad

Vervolgens is met ingang van 1 januari 1989 in artikel 1, tweede lid,
Zfw de bepaling opgenomen dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen
mede als gehuwd of als echtgenoot worden aangemerkt, niet gehuwde personen
van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap
in de eerste of tweede graad bestaat

Dit brengt mee dat het onderwerp van het onderhavige geding is beperkt
tot de vraag of een persoon, die ongehuwd samenwoont met een partner die
verplicht verzekerd ingevolge de Zfw is, reeds voor 1 januari 1988 een
aanspraak had als medeverzekerde te worden aangemerkt

3. De uitleg van artikel 4, eerste lid, Zfw

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen lijdt het geen twijfel, dat
ten tijde van het totstandkomen van het bepaalde in artikel 4 Zfw met
“echtgeno(o)t(e)” diegene werd aangeduid met wie de verzekerde wettig gehuwd
was. Weliswaar zijn sindsdien de ontwikkeling met betrekking tot de
verschillende samenlevingsvormen en de opvattingen daaromtrent verder
voortgeschreden, doch de Raad ziet ten aanzien van het begrip
“echtgeno(o)t(e)” geen zodanig voortgeschreden rechtsontwikkeling dat het aan
de rechter gegeven is onder dat begrip mede te begrijpen degene met wie men in
gemeenschappelijke huishouding samenwoont zonder wettig gehuwd te zijn. De
Raad heeft dan ook tot de conclusie moeten komen, dat de bestreden beslissing
op een correcte uitleg en toepassing van de Zfw berust. De bestreden
beslissing zou slechts dan voor vernietiging in aanmerking komen wanneer ze in
strijd zou zijn met enige bindende en rechtstreeks werkende bepaling van
hogere orde

4. Artikel 26 IVBPR

Wat artikel 26 IVBPR betreft overweegt de Raad dat het Comite voor de
rechten van de mens, bedoeld in artikel 28 e.v. IVBPR, als zijn oordeel heeft
uitgesproken (beslissing van 16 april 1987, nr. 180/1984, in de zaak D ,
gepubliceerd in RSV 1988/201), dat een ongelijk rechtsregime voor ongehuwd
samenwonenden in vergelijking met gehuwd samenwonenden nog geen discriminatie
in de zin van artikel 26 IVBPR inhoudt. Aangezien de onderhavige casus de
ongelijkheid naar ’s Raads oordeel niet ingrijpender is dan in de zaak D en
er voorts geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat de rechtsopvatting
binnen het geheel der Verdragsluitende Staten inmiddels is gewijzigd ten
opzichte van de stand van zaken op basis waarvan het Comite voor de rechten
van de mens zijn oordeel in de zaak D gaf, kan van de thans bestreden
beslissing niet worden gezegd dat deze in strijd is met artikel 26 IVBPR

5. Artikel 2. tweede lid, juncto 9 IVESCR en artikel 14 EVRM

Met betrekking tot deze verdragsbepalingen volstaat de Raad ermee op te
merken, dat artikel 2, tweede lid, IVESCR geen rechtstreekse werking heeft en
dat het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM alleen geldt voor de rechten
en vrijheden, welke in dat verdrag zijn vermeld, waartoe niet behoort een
sociaal zekerheidsrecht als in dit geding aan de orde

6. De derde EEG-richtlijn

Wat de derde EEG-richtlijn betreft -al aangenomen dat deze ratione
personae van toepassing is- wijst de Raad er op, dat deze betrekking heeft op
de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op nader aangegeven gebieden en
discriminatie op grond van geslacht verbiedt

Betoogd is, dat in casu sprake is van zogenaamde indirecte discriminatie
en dat op grond daarvan de toepassing van artikel 4 Zfw in de geest van de
bestreden beslissing in strijd is met de derde richtlijn

De Raad overweegt te dien aanzien, dat met indirecte discriminatie in
het algemeen wordt aangeduid een situatie waarin een (ogenschijnlijk)
sekse-neutrale norm in de praktijk in het overgrote merendeel van de gevallen
uitpakt ten nadele van hetzij de vrouw hetzij de man – naar in casu gesteld:
in dit geval ten nadele van de vrouw. Om in een geval als het onderhavige tot
die conclusie te komen dient men echter te beschikken over meer statistische
gegevens dan thans beschikbaar zijn. Bovendien rijst ook hier de vraag,
zoals zo dikwijls bij statistische verwerkingen, wat precies moet worden
geteld, van welke categorieen moet worden uitgegaan, wat met wat moet worden
vergeleken, etc. Al aangenomen dat zich bij de ongehuwd samenwonenden
hetzelfde arbeidspatroon voordoet als bij de gehuwd samenwonenden, namelijk
dat in verreweg de meeste gevallen de man de kostwinner is, dan rijst de vraag
of in het kader van de Zfw juist is bij de telling uit te gaan van de
categorie der medeverzekerden in plaats van die der verzekerden: het eerste
kan een redenering opleveren met als conclusie dat binnen de groep der
ongehuwd samenwonenden artikel 4 Zfw vooral ten nadele van de vrouw strekt;
een telling van de verzekerden kan daarentegen worden gehanteerd voor een
betoog dat uitmondt in de conclusie dat vooral de man wordt getroffen aan wie
de mogelijkheid wordt onthouden zijn partner in de ziekenfondsverzekering te
introduceren waardoor op hem (hij is immers kostwinner) een zwaardere
financiele last drukt. Zo zijn er verschillende kanttekeningen te plaatsen
en vragen te stellen

De Raad is tot de conclusie gekomen, dat er te veel redenering met te
veel arbitraire keuzemomenten nodig is om met voldoende duidelijkheid als
vaststaand aan te nemen dat artikel 4, eerste lid, Zfw (indirecte)
discriminatie naar geslacht inhoudt. Ook is naar ’s Raads oordeel geen sprake
van een zodanig vermoeden in die richting, dat daardoor de bewijslast zou
verschuiven in dier voege, dat gedaagde zou dienen aan te tonen dat in casu
discriminatie naar geslacht ontbreekt. In wezen is bij artikel 4 Zfw sprake
van een achterstelling van ongehuwd samenwonenden bij gehuwd samenwonenden,
doch dat houdt op zich nog geen discriminatie naar geslacht in. Van strijd
met de derde EEG-richtlijn kan dan ook niet worden gesproken

7. Het gelijkheidsbeginsel; artikel 1 GW

Wat het beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft, wijst de Raad er op
dat het in dit geding gaat om artikel 4 Zfw, zijnde een wet in formele zin,
en dat hij een zodanige wetsbepaling niet vermag te toetsen aan artikel 1 van
de Grondwet en in beginsel evenmin aan algemene rechtsbeginselen. Ook het
beroep op ’s Raads jurisprudentie met betrekking tot de gelijke behandeling
van ongehuwd samenwonen op basis van een notarieel samenlevingscontract in
het kader van de toepassing van bepaalde militaire rechtspositionele
regelingen kan geen doel treffen, nu daar geen wet in formele zin, doch
lagere regelgeving ter toetsing stond

8. Slotsom

Aangezien de Raad ook overigens niet is gebleken dat de bestreden
beslissing in strijd is met enige rechtsregel, waaraan de Raad vermag te
toetsen, komt deze beslissing niet voor vernietiging in aanmerking. Mitsdien
moet worden beslist als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep, Recht doende in naam der Koningin!
Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het primaire beroep alsnog ongegrond

Rechters

Mr. J. Boesjes als voorzitter en Mr. J. Jansen en Mr. Ch. de Vrey alsleden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier

Instantie: Raad van Beroep Groningen, 28 september 1989

Instantie

Raad van Beroep Groningen

Samenvatting


Klager heeft de maximale uitkering ingevolge de werkloosheidswet
ontvangen. Klager krijgt geen nWW-uitkering, omdat niet wordt voldaan aan
de drie uit vijf eis

Hiertegen wordt beroep aangetekend. Klager meent dat de twee uit vijf
eis die neergelegd is in het Koninklijk Besluit van 10 december 1987 leidt tot
een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling. Een verschil dat een
inbreuk op het discriminatieverbod van artikel 26 BuPo-verdrag oplevert

De Raad overweegt dat gezien de jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep moet worden aangenomen dat klager een beroep kan doen op artikel 26
BuPo-verdrag

De Raad is van mening dat het door de wetgever gemaakte onderscheid op
redelijke en objectieve gronden berust. Daarom wordt het beroep ongegrond
verklaard

Volledige tekst

(…) Feiten Verweerder heeft klager bij voor beroep vatbare beslissing
van 10 februari 1989 medegedeeld:

“U had sinds 28 juni 1988 recht op een uitkering ingevolge de
werkloosheidswet

“Per 28 december 1988 heeft u de de voor u geldende
ï
imumuitkeringsduur bereikt, zodat u ingaande die datum geen recht meer
heeft op ww-uitkering

“Hierbij is het volgende overwogen

In de ww is bepaald dat de uitkeringsduur een half jaar is, te rekenen
vanaf de eerste dag dat het recht op uitkering is ontstaan

Deze periode kan worden verlengd indien de werknemer:

1. aantoont dat hij in de periode van vijf jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid tenminste gedurende 3
jaar als werknemer in een dienstbetrekking van tenminste 8 uren per week
heeft gestaan, of

2. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste werkloosheidsdag
recht heeft op een uitkering op grond van de algemene
arbeidsongeschiktheidswet (aaw), de wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (wao), de liquidatiewet ongevallenwetten,
dan wel hoofdstuk III van de wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
(wamil)

Op grond van de verstrekte gegevens is vastgesteld dat u in bedoelde
periode van vijf jaar slechts 2 jaar en 3 maanden in bedoelde
dienstbetrekking hebt gestaan en evenmin aan de tweede voorwaarde voldoet .”

Namens klager is beroep ingesteld tegen deze beslissing door mr. J.P.M.
Boelens, medewerker van de Stichting De Ombudsman. Aangevoerd is onder meer:

“De drie uit vijf eis is geregeld in artikel 42 van de werkloosheidswet.
In lid 9 van dit artikel wordt de mogelijkheid geopend om voor bepaalde
groepen werknemers een kortere periode dan drie jaar in aanmerking te nemen.
Dit moet gebeuren bij algemene maatregel van bestuur. Bij KB van 10 december
1987 heeft de Kroon van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Krachtens artikel
drie van dit KB wordt de relevante periode voor een aantal kategorieen
werknemers op twee jaar gesteld .”

en

“Vooropgesteld, er is hier sprake van ongelijke behandeling. Immers
twee werknemers met beide een arbeidsverleden in de laatste vijf jaar van
tussen de twee en drie jaar, worden niet gelijk behandeld

Op het eerste gezicht lijkt het dat er geen grond aan dit onderscheid
ligt die een gedachte van diskriminatie oproept. Immers, het KB was juist
bedoeld om werknemers die vanwege hun specifieke beroep moeilijk aan de drie
uit vijf eis kunnen voldoen, tegemoet te komen. Voorzover diskriminatie, dan
is het positieve diskriminatie

Aan de andere kant, uit de memorie van toelichting op de nieuwe WW
(kamerstuk 1985/86 19.261 nr. 3 p.25) valt af te leiden dat de drie uit vijf
eis mede als doel heeft om te komen tot ‘een additionele besparing’. Tegen
die achtergrond bezien rijst de vraag of aan het KB wel zulke redelijke en
objectieve gronden ten grondslag liggen, waaraan iedere gedachte aan
diskriminatie vreemd is

Is het rechtvaardig om de positieve diskriminatie te beperken tot de
genoemde kategorieen in het KB?

Mijn konklusie is dat de beperking die het KB van 10 december 1987
aanbrengt, zij het impliciet, in kategorieen waarvoor een verlaagd
arbeidsverleden geldt, leidt tot een niet te rechtvaardigen verschil in
behandeling. Een verschil dat een inbreuk op het diskriminatieverbod van
artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
Rechten oplevert .”

Verzocht is de bestreden beslissing te vernietigen

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden. Klagers gemachtigde heeft
de beschikking gekregen over een afschrift van deze stukken

Rechtsoverwegingen

Klager doet een beroep op het bepaalde in artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, gesloten te
New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij Rijkswet van 24 november 1978,
Stb. 624 en voor Nederland in werking getreden op 11 maart 1979

Dit verdrag wordt hierna BP-verdrag genoemd

Klager meent dat artikel 3 van het Koninklijke Besluit van 10 december
1987, Stb. 633 (inhoudend dat voor de in artikel 1 en 2 genoemde categorieen
werknemers een periode van 2 in plaats van 3 jaar in aanmerking wordt genomen
voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a WW) voor hem een
ongeoorloofde behandeling, als bedoeld in artikel 26 BP-verdrag, inhoudt en
verzoekt op grond daarvan de bestreden beslissing te vernietigen

Artikel 26 BP-verdrag luidt:

‘Allen zij gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak
op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en
doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status .’

Gezien de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer
CRvB 5 januari 1988, AAW 1981/B126, RSV 1988/198) moet worden aangenomen dat
klager ten tijde hier van belang een beroep kan doen op artikel 26 BP-Verdrag
om te trachten daaraan rechtstreeks rechten te ontlenen, welke de nationale
wet hem niet toekent

Klager wordt door het bepaalde in meergenoemd artikel 3, in verbinding
met de artikelen 1 en 2, anders behandeld dan de in de artikel 1 en 2
genoemde categorieen werknemers

Echter, niet iedere ongelijke behandeling van werknemers, voortvloeiend
uit nationale regels, houdt een door artikel 26 BP-Verdrag verboden
behandeling in. Dit is slechts het geval, indien een onderscheid in
behandeling wordt gemaakt op grond van een der in artikel 26 BP-Verdrag
genoemde kenmerken, welk onderscheid niet berust op redelijke en objectieve
gronden, waaraan iedere gedachte van discriminatie vreemd is

Al aangenomen dat het in meergenoemd artikel 3, in verbinding met de
artikelen 1 en 2, gemaakte onderscheid naar het arbeidsverleden, dat voor het
intreden der werkloosheid ligt (bestaande uit aarde en duur van verrichte
arbeid), valt onder het in artikel 26 BP-Verdrag genoemde kenmerk “andere
status” en in ieder geval valt onder het begrip “op welke grond ook”, is de
Raad van oordeel dat dit onderscheid op redelijke en objectieve gronden
berust. Klager heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat de wetgever
dit onderscheid heeft gemaakt met ook maar enige gedachte aan discriminatie.
De bewering dat de wetgever op grond van financiele motieven (wat hier ook van
zij) niet voor eenieder een verlaagde eis wilde stellen, is voor een
dergelijke aanname ontoereikend

De Raad heeft een dergelijke overtuiging ook niet langs andere weg
kunnen bekomen en merkt bovendien op niet overtuigd te zijn van de gelijkheid
van klagers situatie aan de situatie van degenen met wie klager zichzelf
vergelijkt, anders dan in het opzicht van de “andere status”, doch wil dit
aspekt verder daar laten (evenals andere aspekten, zoals de wijze waarop tot
het door klager gewenste resultaat zou moeten worden gekomen), nu reeds op
grond van de voorgaande overwegingen als volgt wordt beslist

Beslissing

De Raad van Beroep te Groningen, recht doende verklaart het beroep
ongegrond

Rechters

Mr. A.H.J. Lennaerts als voorzitter en I. van Dellen en H. Oolders alsleden

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 27 september 1989

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het door belanghebbende sinds 1975 in aftrek op zijn inkomen gebrachte
winstaandeel van de vrouw met wie hij samenwoonde, voor het verrichten van
werkzaamheden in de tandartspraktijk, werd door de Inspectie geaccepteerd tot
1980, het jaar waarin zij trouwden. Volgens de Inspectie kan over het jaar
1981 slechts voor aftrek in aanmerking komen het maximum van art. 5 lid 2
letter b van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende was echter
van mening dat art. 5 geen toepassing kon vinden.

Volgens de Hoge Raad kon de wetgever in redelijkheid oordelen dat
gehuwde en ongehuwd samenwonende belastingplichtigen niet in alle opzichten
gelijk vielen te beschouwen en kon hij het stelsel van samentelling van de
inkomens voor gehuwden handhaven zonder in strijd met art. 26 van het
BuPo-Verdrag te komen. Dit laatste geldt echter niet ten aanzien van het recht
van bezwaar en beroep voor de echtgenoot van degene aan wie de aanslag
inkomstenbelasting is opgelegd.

Volledige tekst


Uiteraard was de poging van het echtpaar zich te ontworstelen aan de
wurgende beperkingen die art. 5 leden 1 en 2 Wet op de Inkomstenbelasting 1964
in de periode voor 1984/1985 aan echtgenoten oplegde, tot mislukken gedoemd.
Het is de taak van de wetgever rechtvaardige wetten te maken voor allen in
Nederland. De rechter kan hier en daar wat bijvijlen.

Soms weet hij zelfs een scherpe hoek, die velen verwondt, af te zagen of
een te kleine tafel te vergroten met een hoognodig nieuw blad. Maar een
bestaande tafel in elkaar slaan en vervangen door een geheel andere, dat kan
en mag de rechter niet. Men (her)leze art. 12 Wet AB uit 1829.

In casu verlangde het echtpaar voor het jaar 1981 toetsing aan art. 26
BuPo-Verdrag (dat op 11 maart 1979 in werking is getreden) van beperkingen
voor gehuwden die op het punt stonden te worden gewijzigd. In het licht van
het nieuwe recht sinds 1984/1985 was het niet te verwachten dat de rechter
anno 1990 bereid zou zijn alsnog oude koeien uit de duisternis van de
inmiddels gedempte sloot omhoog te halen; temeer niet, daar het echtpaar bij
het sluiten van het huwelijk in 1980 volledig op de hoogte had kunnen zijn van
die duisternis.

De fiscaal- en sociaalrechtelijke bepalingen omtrent gehuwden die niet
duurzaam gescheiden leven, zijn zonder uitzondering dwingend recht. Het gros
van de bepalingen van Boek I BW over het huwelijk is eveneens dwingend recht.
Het idee dat het huwelijk een overeenkomst is tussen twee natuurlijke personen
die vrij zijn de inhoud daarvan te bepalen, is een waanidee. Wie trouwt zit
vast aan het nogal inconsistente geheel van ‘buitenissige voor- en nadelen van
gehuwden’ (Weekblad voor Fiscaal Recht 1983, pag. 1607), die de wetgever in al
zijn verschillende gedaantes wenst uit te storten over man en vrouw, tenzij
een nadeel alle perken van een redelijke en rechtvaardige wetgeving te buiten
gaat of uitdrukkelijk niet is toegelaten op grond van een rechtstreeks
werkende verdragsbepaling.

Tot 1957 (Lex Van Oven) waren de buitenissige voordelen van het huwelijk
vrijwel uitsluitend bestemd voor de man, de buitenissige nadelen bijna altijd
voor de vrouw. De fiscale wetgeving was geent op de civielrechtelijke. De
handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw en de maritale macht van haar man
over haar (artt. 160, 161, 163 en 165 BW, oud) leidden tot uitschakeling van
de gehuwde vrouw als belastingplichtige en later tot het aanmerken van de
bestanddelen van haar inkomen als bestanddelen van het inkomen van haar man
(art. 5 Wet Inkomstenbelasting 1964, tot 1973). Zie hiervoor in het bijzonder
F.C. Wijle, Belastingen en gezinseenheid, 1972.

Stapsgewijze is de fiscale wetgever de gehuwde vrouw gaan erkennen als
een natuurlijke persoon in de zin van art. 1 van de Wet op de
Inkomstenbelasting 1964 (‘Onder de naam “inkomstenbelasting” wordt een directe
belasting geheven, waaraan zijn onderworpen de natuurlijke personen die
[…]’). Maar nog altijd leven wij in een periode van fiscaal- en
sociaalrechtelijke naweeen van het vermogensrechteloze tijdperk van de gehuwde
vrouw.

Een van de andere naweeen van dat tijdperk is, dat (gehuwde) vrouwen
niet altijd serieus worden genomen door de wetgever en/of door de rechter. Ook
in het onderhavige arrest, waarin de beslissing zelf mijns inziens buiten kijf
is, treft de motivering mij als onvoldoende oprecht en onvoldoende recht doend
aan de positie van de vrouw als belastingplichtige en als mens.

Na de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw is
de belastingwetgever zich in honderd bochten gaan kronkelen om de niet langer
op het burgerlijke recht berustende fiscale onbekwaamheid van de gehuwde
vrouw, dat wil zeggen de aanwijzing van haar man als belastingplichtige voor
haar inkomensbestanddelen, te blijven rechtvaardigen. (Sinds 1973 betrof dit
nog maar een deel van die bestanddelen; sinds 1984 betreft dit een nog veel
geringer deel, terwijl bovendien de man nu aan hetzelfde lot kan worden
onderworpen, namelijk indien zijn vrouw de meestverdienende is van de twee.)
Tegelijkertijd is de belastingwetgever zich gaan uitputten in redeneringen om
de verschillen in belastingheffing tussen gehuwd en ongehuwd samenwonende
belastingplichtigen goed te praten.

Bij de toetsing van deze laatste verschillen aan art. 26 BuPo- Verdrag
neemt de Hoge Raad de bejaarde en aanvechtbare argumenten van de wetgever over
(‘hechtere economische eenheid’; plicht tot alimentatie, ook na het huwelijk,
etcetera) in plaats van zelf met reele argumenten te komen, zoals het geheel
van – onderling vaak tegenstrijdige – wettelijke voor- en nadelen van het
huwelijk (waardoor een incidenteel nadeel slechts hetzij marginaal hetzij
specifiek kan worden getoetst) en de algehele gemeenschap van goederen (die
nog altijd het huwelijksgoederenregime is van verreweg het grootste aantal
echtparen en die echtgenoten welhaast ongelimiteerde mogelijkheden biedt
fiscaal, zonder groot risico door de ander te worden bedot, van twee walletjes
te eten indien de wetgever geen vaste regels geeft).

De argumenten die de Hoge Raad aan de wetgever ontleent om de
verschillen tussen de gehuwde man en de gehuwde vrouw bij de
inkomstenbelastingheffing te rechtvaardigen zijn evenmin overtuigend (‘[..]
man en vrouw in fiscaal opzicht een economische eenheid vormen’), of zelfs
ronduit huichelachtig (‘[..] kon de wetgever ter wille van de eenvoud en de
praktische uitvoerbaarheid van de wet in redelijkheid een hunner – de man –
als belastingplichtige aanwijzen.’).

Het is mij altijd ongeloofwaardig voorgekomen dat de fiscale wetgever
niet op de hoogte zou zijn van de regelingen van Boek I BW betreffende
huwelijk en echtgenoten van voor 1957. De fiscale rechter doet er dan ook
beter aan de voorgewende onwetendheid van de wetgever niet tot de zijne te
maken, wil hij niet aan gezag en respect inboeten.

De ironie van het geval wil, dat met ingang van 1984 de wettelijke
toerekening van inkomensbestanddelen van echtgenoten wel is ontdaan van de
expliciete sekse-discriminatie van daarvoor, maar feitelijk niet tot een ander
resultaat zou hebben geleid voor dit echtpaar. Ongetwijfeld heeft de man nog
steeds het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen, zodat hem ook in het jaar 1990
de rente die zijn vrouw heeft ontvangen, wordt toegerekend. Daarentegen was in
1981 in zijn aanslag de belasting begrepen over het forfaitaire winstaandeel
van zijn vrouw, terwijl hij sinds 1985 van tevoren met haar schriftelijk een
reele arbeidsbeloning mag overeenkomen die, mits inderdaad reeel en bij de
aangiftes van man en vrouw ingeleverd, fiscaal ook wordt aanvaard en bij de
vrouw zelf wordt belast.

Het enige positieve (?) resultaat van deze procedure is, dat de Hoge
Raad het feit dat de vrouw ‘de mogelijkheid werd onthouden om desverkiezende,
door middel van bezwaar en beroep, zich te keren tegen de aan haar man
opgelegde aanslag’, voor zover in het daarbij vastgestelde belastbare inkomen
van de man bestanddelen van haar inkomen waren begrepen, strijdig heeft geacht
met art. 26 iuncto art. 3 BuPo-Verdrag. Maar aangezien de Hoge Raad de
materie, behalve in geval de vrouw tijdig in bezwaar en in beroep komt van een
aan haar man opgelegde aanslag, te gecompliceerd vindt om zelf af te doen,
verwijst hij voor het overige naar de wetgever.

Uiteraard gaat ten gevolge van dit arrest van de Hoge Raad vanaf het
belastingjaar 1984 eenzelfde recht gelden voor de man wiens niet-persoonlijke
inkomensbestanddelen zijn begrepen in het belastbare inkomen van zijn vrouw.

Een paard van Troje dus! De werkelijke verzelfstandiging van de gehuwde
vrouw van 1973 – zij het uitsluitend ten aanzien van haar inkomen uit
tegenwoordige arbeid – heeft, ondanks de uitbreiding van dat beperkte
inkomensbegrip tot ‘het persoonlijke arbeidsinkomen en de persoonlijke
verminderingen en vermeerderingen van het onzuivere inkomen’ met ingang van
1984, toen een aanzienlijke deuk opgelopen wat betreft het tarief; en een nog
veel gevoeliger deuk met ingang van 1985 (toen de voetoverheveling duizenden
alpha-hulpen en verkeersbrigadiers naar huis dreef). De Oort-wetgeving heeft
de deuk in 1990 weer teruggebracht tot minder onaanvaardbare proporties, maar
nu dreigt er een wettelijke recht op inmenging van de man in de fiscaliteit
van zijn vrouw of nog erger: de aanslag ten name van beide echtgenoten; en
daarmee mogelijk ook weer een stelsel van algehele fiscale samenvoeging van
inkomens van echtgenoten; misschien zelfs het splitsingsstelsel.

Mocht dat laatste losbarsten uit het paard van Troje, dan zou de gehuwde
vrouw weer terug zijn in de slechte fiscale situatie die van 1941 tot 1962
heeft geduurd.

Rest mij nog te vermelden dat A-G Moltmaker een conclusie barstensvol
wetenswaardige gegevens heeft geproduceerd (te combineren met zijn conclusie
in BNB 1988/302), J.P. Scheltens in BNB het arrest boeiend, uitvoerig en
kleurrijk heeft geannoteerd, F.H. van den Burg in zijn noot in AB nuttige
uiteenzettingen over de verschillende graden van marginaliteit van toetsingen
en over de grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter heeft gegeven, en
de redactie van AB zo slordig is geweest het jaar waarin kamerstuk 11 879 wet
is geworden te wijzigen van 1972 in 1982, de mannelijke raadsheer Korthals
Altes te veranderen in een vrouwelijke raadsheer Altes, gehuwd met Korthals,
en de naam van de raadsheer Bellaart te laten wegvallen, zodat het arrest
schijnt te zijn gewezen door vier in plaats van vijf leden van de Hoge Raad:
een absoluut novum.

Hieke Snijders-Borst

Rechters

Mrs Royer, Jansen, Van der Linde, Bellaart, Korthals Altes.

Instantie: Raad van Beroep Rotterdam, 22 september 1989

Instantie

Raad van Beroep Rotterdam

Samenvatting


De Raad van Beroep is van mening dat het kostwinnersvereiste van de WWV
in strijd is met artikel 26 BuPo-verdrag. Pas op 23 december 1984 is het
tijdstip aangebroken waarop aan artikel 26 de rechtstreekse werking niet kan
worden ontzegd. Klaagster is op 1 april 1982 werkloos geworden en heeft tot
16 oktober 1982 een werkloosheidsuitkering genoten. Daarna had zij geen
recht op WWV in verband met het kostwinnersvereiste. De Raad oordeelt dat
het niet van belang is dat klaagster ep 23 december 1984 geen recht op
uitkering zou hebben gehad, indien de WWV nimmer een kostwinnersvereiste
gekend zou hebben. Dit houdt in dat iedere vrouw die in het verleden een
WWV-uitkering is misgelopen in verband met het kostwinnersvereiste daar vanaf
23 december 1984 alsnog recht op heeft

Volledige tekst

1. Dagtekening der beschikking

2. Aanduiding bestreden beslissing

De beslissing van verweerder d.d. 16 augustus 1988, reg.nr. B.27

3. Feiten, welke als vaststaande aangenomen worden

Klaagster, geboren op 13 april 1936, is tot 1 april 1982 als
administratief medewerkster bij Van der Meer B.V. te Utrecht in
dienstbetrekking werkzaam geweest. Aansluiten die haar tot 16 oktober 1982
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verleend

Klaagster kon per deze datum gezien het in het toenmalige artikel 13,
eerste lid, aanhef en sub 1 van de Wet Werkloosheidsvoorziening (hierna te
noemen: de WWV) opgenomen kostwinnersvereiste geen recht doen gelden op een
uitkering ingevolge die wet

Met name op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de
Richtlijn 79/7 van de EEG van 19 december 1978 en/of het bepaalde in artikel
26 en van het op 19 december 1966 te New York gesloten Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij Rijkswet van 24
november 1978, Stb. 624, en voor Nederland in werking getreden op 11 maart
1979 (hierna te noemen: IVBPR)heeft klaagster op 18 december 1986 verweerder
verzocht haar alsnog voor een uitkering ingevolge de WWV in aanmerking te
brengen

Naar aanleiding van klaagsters bezwaarschrift tegen de op dit verzoek
genomen beslissing d.d. 15 maart 1988, verzonden op 5 april 1988 van
verweerder heeft deze de thans bestreden beslissing genomen. Verweerder
neemt op grond van de inhoud van de circulaires van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.dis 5 mei 1988, nr. SVW/01718, 28 juni
1988, nr. SZ/SV/WW/SVW/88/03549 en 26 januari 1989, nr. SZ/SVW88/6119 – kort
weergegeven – het standpunt in dat gehuwde vrouwen, die voor 23 december 1984
werkloos werden en die zonder toepassing van het kostwinnersvereiste op die
datum nog recht zouden hebben gehad op een uitkering ingevolge de WWV,
aanspraak kunnen maken op zo’n uitkering gedurende de – resterende – periode,
waarover ze vanaf 23 december 1984 nog recht gehad zouden hebben indien de
kostwinnerseis nimmer had bestaan en zij onmiddellijk na het intreden van de
werkloosheid of na beeindiging van de WW-uitkering de WWV-uitkering hadden
aangevraagd. Gelet op dit standpunt van verweerder, heeft verweerder bij de
bestreden beslissing besloten dat klaagster in het geheel geen uitkering
ingevolge de WWV, ook niet op en na 23 december 1984 uitbetaald zal worden.
Ook al zou het kostwinnersvereiste nimmer van kracht zijn geweest, op 23
december 1984 geen recht op zulk een uitkering gehad zou hebben

Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep in doen stellen, zich
daarbij met name beroepend op voormelde bepalingen van internationaal recht.
Klaagster is van oordeel dat haar gedurende de maximale termijn uitkering
krachtens de WWV toekomt

De door verweerder overgelegde stukken zijn op 17 november 1988 in
afschrift aan klaagsters gemachtigde toegezonden

4. Motivering

De Voorzitter zal zich beperken tot de punten, welke blijkens de
bestreden beslissing respectievelijk het klaagschrift, tussen partijen in
geschil zijn

Tussen partijen is niet in geschil dat klaagster op grond van het in
artikel 4, eerste lid van de richtlijn 79/7 EEG (PB 1979, L6, blz. 24) –
hierna de richtlijn – neergelegde discriminatie-verbod in ieder geval vanaf
23 december 1984 recht heeft op uitkering ingevolge de WWV

De Voorzitter onderschrift dit standpunt gelet op de verklaring voor
recht van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna het
Hof) in zijn arrest van 8 maart 1988 inzake A.D. C.S., zaak 80/87

Uit die verklaring blijkt dat een overgangsbepaling in een nationale
uitvoeringsmaatregel, op grond waarvan een kostwinnersvereiste ook na 23
december 1984 blijft gelden voor de gehuwde vrouw die voor die datum werkloos
is geworden, strijdig is met de richtlijn

Bijgevolg dient artikel II van de wet van 24 april 1985, Stb. 230, dat
het kostwinnersvereiste van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1 (oud),
van de WWV handhaaft, wegens strijd met genoemde richtlijn ten aanzien van
klaagster buiten toepassing te blijven

Partijen houdt thans nog een tweetal vragen verdeeld

Ten eerste de vraag, of klaagster reeds ingaande 16 oktober 1982 recht
kon doen gelden op gelden op uitkering ingevolge de WWV en wel op grond van
het IVBPR

Zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 10 mei 1989, nr.
WWV 1988/63 – naar de inhoud waarvan de Voorzitter verwijst – heeft
overwogen, strijdt artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1 (oud) van de WWV
met artikel 26 van het IVBPR, maar is naar het oordeel van de Centrale Raad
van Beroep eerst op 23 december 1984 het tijdstip aangebroken waarop aan
laatstgenoemd artikel in de sfeer van de sociale zekerheidswetgeving
rechtstreekse werking niet langer kan worden ontzegd. De Voorzitter zal, met
name ter beeindiging van verdere rechtsstrijd, dit oordeel onderschrijven

Deze eerste vraag beantwoordt de Voorzitter derhalve in ontkennende zin

In de tweede plaats verschillen partijen van mening over de vraag of
klaagster per 23 december 1984 in beginsel aanspraak kan maken op uitkering
ingevolge de WWV gedurende de voor haar geldende maximum-periode ingevolge
artikel 19 van die wet. Voor de beantwoording van deze vraag geldt, mede
gelet op het bepaalde in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, als
uitgangspunt de rechtspositie welke de gehuwde vrouw, die zich in de hier
bedoelde situatie bevindt, rechtstreeks ontleent aan de richtlijn, zoals
uitgelegd door de te dezen bevoegde rechterlijke instantie

Blijkens overwegingen van het Hof van Justitie in zijn eerdervermeld
arrest van 8 maart 1988 hebben vrouwen vanaf 23 december 1984 recht op
dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in
een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, de WWV – zoals deze
luidde zonder de vervallen kostwinnersbepaling – het referentiekader blijft
zolang aan de richtlijn geen juiste uitvoering is gegeven

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak d.d. 10 mei 1989,
WWV 1987/50 als volgt overwogen:

“In verband met het bepaalde in artikel 13 van de WWV kan het recht op
uitkering ontstaan op een tijdstip gelegen geruime tijd na het intreden van
de werkloosheid en ook na het bereiken van de maximum-duur van de
werkloosheidswet

De in de WWV neergelegde regeling brengt voorts mee dat een aanvraag om
uitkering tot enig later, de betrokkene meer convenierend, tijdstip kan
worden uitgesteld, hetgeen met het oog op het bepaalde in de artikelen 9,
eerste lid, aanhef en onder b, en 19, eerste lid, van de wet geenszins meer
ongebruikelijk is

Dat ingevolge de in de WWV neergelegde regeling de werkloze niet
verplicht is de uitkering binnen een bepaalde termijn na het intreden van de
werkloosheid aan te vragen is overigens een aspect dat in het kader van de
behandeling van bovenvermelde zaak 80/87 nadrukkelijk onder de aandacht van
het Hof is gebracht

In dit verband is van bijzondere betekenis dat het Hof in
rechtsoverweging 10, tweede volzin, van het in die zaak gewezen arrest de
gehuwde vrouw vergelijkt met een man die voor 23 december 1984 zijn
betrekking alsmede zijn recht op een WW-uitkering heeft verloren en voor 23
december 1984 niet in het genot was van een WWV-uitkering maar daar na die
datum wel voor in aanmerking kwam

Een vrouw die zich in een zelfde situatie als die man bevindt heeft
volgens het Hof ingaande 23 december 1984 op dezelfde voet als die man recht
op een WWV-uitkering

Uit de vorenuiteengezette samenhang tussen de richtlijn 79/7 EEG en de
uit het systeem van de WWV voortvloeiende figuur waarbij de uitkeringsperiode
in de tijd opschuift, volgt dat in deze de vergelijking dient te worden
gemaakt met de man die eerst ingaande of na 23 december 1984 voor uitkering
ingevolge WWV in aanmerking wordt gebracht, hetzij omdat hij daarop niet
eerder recht kon doen gelden hetzij omdat hij eerst op of na die datum een
aanvraag om uitkering heeft gedaan .”

De Voorzitter onderschrijft de bovenweergegeven overwegingen

Klaagster die op 18 december 1986 een aanvraag om uitkering heeft
ingediend, kon zoals uit het vorenoverwogene blijkt eerst ingaande 23
december 1984 recht doen gelden op uitkering krachtens de WWV, aangezien
vanaf die datum het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1, van
die wet dat aan het ontstaan van dat recht in de weg stond, buiten toepassing
moet blijven, c.q. bij wet van 24 april 1985, Stb. 230, is komen te vervallen

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WWV, voor zover
in dit geval van belang, eindigt een ingevolge artikel 9 geldend recht op
uitkering voor een werknemer als klaagster, die is geboren op 13 april 1936,
2 jaren na de ingangsdatum van de uitkering. Deze termijn is dus niet
gerelateerd aan het tijdstip van het uitkering. Niet van belang is derhalve
dat klaagster, indien de WWV nimmer een kostwinnersvereiste gekend zou hebben
, op 23 december 1984 geen recht meer op uitkering ingevolge de WWV gehad zou
hebben. De Voorzitter merkt hierbij op, dat deze overwegingen corresponderen
met die van de Raad van Beroep in diens uitspraak d.d. 19 mei 1989 in de zaak
WWV 1988/48

De Voorzitter is dan ook in tegenstelling tot verweerder van oordeel dat
klaagster ingaande 23 december 1984 gedurende de voor haar geldende maximale
termijn recht kon doen gelden op uitkering ingevolge de WWV, indien en
voorzover de bepalingen van de WWV respectievelijk eventuele al door
verweerder genomen gedeeltelijke toekenningsbeslissingen zich daar overigens
niet tegen verzetten

Gelet op het vorenoverwogene, dient als volgt te worden beslist

De Voorzitter van de Raad van Beroep te Rotterdam,

gelet op artikel 128, lid 1 van het Beroepswet,

BESCHIKKENDE:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt verweerder beslissing d.d. 15 maart 1988, verzonden op 5
april 1988

alsmede de bestreden beslissing,

bepaalt dat verweerder een nadere beslissing dient te nemen met
inachtneming van het in deze Beschikking gestelde,

beveelt dat aan klaagster het door haar gestorte griffierecht ad ƒ 25
wordt vergoed door verweerder

Rechters

Mr. P. van Zwieten als voorzitter, in tegenwoordigheid van E.F.C.Francken als griffier

Instantie: Rechtbank Middelburg, 20 september 1989

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Toewijzing vordering tot betaling immateriele schadevergoeding tot
een bedrag van ƒ 15.000,-. Matiging i.v.m. ontbreken draagkracht aan de
zijde van gedaagde. Beroep op ontbreken schuldvereiste vanwege
geestesziekte gedaagde afgewezen. Rechtbank overweegt: voor het aannemen
van het bestaan van schuld is niet meer vereist dan het min of meer
bewuste toedoen van de dader.

Volledige tekst

1. Het verloop van het proces.

Bij met dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis heeft eiser
gevorderd dat de rechtbank bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad gedaagde zal veroordelen om aan eiser in diens hoedanigheid van
vader en wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige A.V. tegen
behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 25.000,- terzake
van immateriele schade, vermeerderd met de wettelijke rente over genoemd
bedrag vanaf de dag dat deze in rechte zal worden gevorderd (bedoeld zal
zijn de dag der dagvaarding, 13 februari 1989) tot aan die der algehele
voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde deze vordering bestreden en
geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van eiser in zijn
vordering, althans tot ontzegging hiervan.

Bij tussenvonnis van 3 mei 1989 heeft de rechtbank een comparitie van
partijen gelast. Deze heeft op 22 mei 1989 plaatsgevonden; van de
comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Eiser heeft vervolgens onder overlegging van twee producties (waaronder
een machtiging van de kantonrechter) gerepliceerd, waarna gedaagde heeft
gedupliceerd.

2. De feiten.

Op 26 oktober 1988 heeft gedaagde met eisers minderjarige dochter A.
(destijds 7 jaar oud) ontucht gepleegd en haar verkracht. In verband
hiermee is gedaagde veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, gevolgd
door terbeschikkingstelling. In de rapportage van het psychiatrisch
onderzoek, uitgevoerd in het kader van de strafzaak, wordt geconcludeerd
dat gedaagde sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

3. Het geschil.

Eiser stelt dat zijn dochter gezien haar leeftijd ten tijde van de
verkachting, daarvan ernstige gevolgen heeft ondervonden, bestaande uit
grote psychische schade alsmede geleden pijn en angst en gederfde
levensvreugde. Op grond daarvan vordert hij immateriele schadevergoeding
ten bedrage van ƒ 25.000,-.

Gedaagde brengt hiertegen in dat eiser voor zijn vordering onvoldoende
grondslag heeft aangegeven. Voorts stelt hij dat niet is voldaan aan een
schuldvereiste aangezien hem vanwege geestesziekte geen verwijt kan
worden gemaakt van zijn gedrag. Met betrekking tot de hoogte van de
gevorderde schadevergoeding merkt hij op dat deze te hoog is in verband
met andere uitspraken inzake immateriele schadevergoeding.

Tenslotte merkt gedaagde op dat iedere draagkracht aan zijn kant
ontbreekt.

4. De beoordeling van het geschil.

De rechtbank deelt niet gedaagdes opvatting dat eiser voor zijn
vordering onvoldoende grondslag heeft aangegeven. De feiten die eiser
heeft gesteld, zijn voldoende om zijn vordering te rechtvaardigen. Uit
die feiten kan in beginsel het bestaan van een schadeverplichting
voortvloeien.

Het verweer met betrekkking tot het schuldvereiste gaat evenmin op. Voor
het aannemen van het bestaan van “schuld” is niet meer vereist dan het
min of meer bewuste toedoen van de dader. Uit hetgeen door gedaagde naar
voren is gebracht kan niet worden afgeleid dat daarvan in het geheel
geen sprake is geweest.

De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding op zichzelf genomen
niet te hoog. De schade die een kind oploopt van een dergelijk misdrijf
dient als zeer ernstig beschouwd te worden. Gedaagde betwist dit
overigens ook niet.

Resteert gedaagdes verweer dat het ontbreken van draagkracht aan
toewijzing van de vordering in de weg staat. Dit verweer gaat in zoverre
op dat voor een zekere matiging inderdaad aanleiding bestaat. Op dit
moment dient gedaagdes draagkracht als minimaal beschouwd te worden,
maar op kortere of langere termijn zal daarin ongetwijfeld weer
verandering komen.

Daarmee rekening houdend acht de rechtbank onder de gegeven
omstandigheden toewijzing van een bedrag van ƒ 15.000,- redelijk.

Gedaagde dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te
worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing.

De rechtbank:

veroordeelt gedaagde aan eiser in diens hoedanigheid van vader en
wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige A.V. tegen behoorlijk
bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 15.000,-, vermeerderd
met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 1989 tot aan de dag
der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verwijst gedaagde in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan
de zijde van eiser begroot op de volgende bedragen, te voldoen aan de
griffier van deze rechtbank: ƒ 377,- aan verschotten en ƒ 1.860,- voor
salaris procureur.

Rechters

mr. B.A. Meulenbroek

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 7 september 1989

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


In kort geding is niet beslissend of de feitelijke grondslag van de
vordering van dien aard is dat de strafrechter tot een veroordeling wegens een
zedendelict zal komen.

Volledige tekst

1. De procedure in hoger beroep.

1.1. Bij dagvaarding van 31 mei 1989 is appellant in hoger beroep
gekomen van een vonnis, dat de President van de rechtbank te Amsterdam onder
rolnummer KG 89/750Bo tussen partijen heeft gewezen en dat werd uitgesproken
op 18 mei 1989.

1.2. In de appeldagvaarding heeft appellant zes grieven geformuleerd, de
twee laatste beide onder nummer V. Het Hof nummert de laatste grief: VI. Hij
concludeerde dat het Hof voormeld vonnis zal vernietigen en opnieuw
rechtdoende bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de
ingestelde vorderingen alsnog zal afwijzen, kosten van beide instanties
rechtens.

1.3. Nadat ter zitting van grieven was gediend heeft geintimeerde bij
memorie van antwoord onder overlegging van een stuk het appel bestreden en
geconcludeerd dat het Hof het appel zal afwijzen c.q. hem niet ontvankelijk
zal verklaren in zijn vordering en appellant bij arrest uitvoerbaar bij
voorraad zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

1.4. Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, aan het Hof overgelegd
voor het wijzen van arrest.

2. De grieven.

De grieven van appellant luiden als volgt:

I. Ten onrechte stelt de President in rechtsoverweging 4 dat P. hetgeen
onder rechtsoverweging 1a als uitgangspunt is genomen niet heeft betwist.

II. Ten onrechte is de President uitgegaan van de feiten genoemd in het
vonnis onder rechtsoverweging 1a.

III. Ten onrechte is de President voorbij gegaan aan het verweer van P.
dat bij het ontbreken van “ernstige bezwaren” niet op de voorhand kan worden
aangenomen dat door hem een zedendelict is gepleegd waarvan geintimeerde het
slachtoffer is geworden.

IV. Ten onrechte stelt de President dat met name gelet op de in het
proces-verbaal van aangifte d.d. 29 januari 1989 weergegeven observatie van de
verbalisante, bezien in samenhang met de verklaring van de huisarts van B. en
de andere overgelegde verklaringen, genoegzaam is komen vast te staan dat de
omschreven gebeurtenissen zowel lichamelijk als geestelijk leed bij B. teweeg
hebben gebracht.

V. Ten onrechte stelt de President dat er tevens aanleiding bestaat tot
toekenning van een financiele genoegdoening.

VI. Ten onrechte zijn de ingestelde vorderingen toegewezen, althans op
grond van argumenten, die de toewijzing(en) niet kunnen dragen.

3. De feiten.

3.1. Rechtsoverweging 1 van het vonnis van de President vermeldt de
feiten waarvan deze is uitgegaan.

Het gestelde onder 1b is in appel niet bestreden en is gestaafd met
overgelegde stukken.

3.2. Appellant betwist in hoger beroep zonder in details te treden
hetgeen in het vonnis onder 1a is opgenomen.

3.3. Appellant heeft tegenover de politie een verklaring afgelegd, op
grond waarvan het Hof het volgende als vaststaande aanneemt:

B. heeft P. op 24 januari 1989 in cafe De S. te Amsterdam ontmoet en is
vervolgens met hem meegegaan naar zijn woning, waar P. tweemaal met haar
gemeenschap heeft gehad nadat hij de deur op slot had gedaan en de sleutel
verborgen. Tijdens het verblijf in de woning heeft zij door toedoen van P.
verwondingen opgelopen aan haar gezicht.

3.4. Het Hof gaat uit van de juistheid van hetgeen onder respectievelijk
3.3. en 1b is vermeld.

4. De behandeling van de grieven I en II.

4.1. Het maakt voor de beoordeling van het geschil dat partijen verdeeld
houdt geen verschil of tweemaal dan wel driemaal geslachtsgemeenschap heeft
plaatsgevonden en of de verwondingen aan geintimeerde zijn toegebracht doordat
zij door appellant is geslagen danwel door duwen ten val gebracht.

4.2 Derhalve heeft appellant geen belang bij zijn bestrijding van
rechtsoverweging 1a jo 4 van het vonnis waarvan beroep en falen de grieven I
en II.

5. De behandeling van grief IV.

5.1. De President heeft geoordeeld dat genoegzaam is komen vast te
staan dat de omschreven gebeurtenissen (hetgeen haar in de nacht van 24 op 25
januari 1989 is overkomen) zowel lichamelijk als geestelijk leed bij
geintimeerde teweeg hebben gebracht.

5.2. Tegen deze vaststelling komt appellant in grief IV tevergeefs op.
De overgelegde bescheiden laten er geen twijfel over bestaan dat geintimeerde
niet alleen een gescheurde lip heeft opgelopen maar daarnaast geheel
ontredderd is geraakt.

5.3. Daarbij tekent het Hof wel aan dat die ontreddering mede daaraan is
toe te schrijven dat zij genoodzaakt is geweest dit niet alleen zelf te
verwerken maar ook er voor uit te komen tegenover haar vriend en familie dat
zij, 27 jaar oud, met een 50-jarige haar onbekende man is meegegaan voor het
verrichten van seksuele handelingen tegen betaling.

6. De behandeling van de grieven III, V en VI

6.1 Voor zover appellant in grief III bedoelt de President te verwijten
dat hij als feitelijk vaststaand heeft aangenomen dat P. een zedendelict heeft
gepleegd mist de grief feitelijke grondslag. Zodanige vaststelling is in het
vonnis, met name in rechtsoverweging 1a, niet te lezen.

6.2 Het vonnis van de President berust op drie pijlers van feitelijke
aard:

A. de onder 1a opgenomen feiten welke ten processe vaststaan;

B. de onder 1b opgenomen beschuldigingen van geintimeerde aan appellant
als vermeld in het proces-verbaal van de politie;

C. de ontreddering waaraan geintimeerde sinds 25 januari 1989 ten prooi
is of in elk geval ten prooi is geweest.

6.3 Die pijlers zijn op zichzelf deugdelijk doch het is de vraag of zij
de beslissing, waartoe de President is gekomen, kunnen dragen.

Deze vraag is aan de orde bij de behandeling van de resterende grieven,
zodat deze gezamenlijk behandeld kunnen worden.

6.4 Vooropgesteld zij dat een straatverbod, als in de inleidende
dagvaarding sub b en c gevorderd, een ernstige ingreep vormt op de
bewegingsvrijheid van hem tegen wien het verbod is gericht. Dit geldt ook in
dat geval waar het gaat om delen van het stadsdeel waarin appellant woont en
in de onmiddellijke omgeving van zijn woning gelegen. Een dergelijk verbod
heeft een definitieve werking en vereist om deze redenen een klemmende
feitelijke grondslag.

6.5 Anderzijds is in een geval als dit niet beslissend of de feitelijke
grondslag van dien aard is dat de strafrechter tot een veroordeling wegens een
zeden- of ander delict zal komen. Voldoende is dat hetgeen vaststaat tot de
conclusie leidt dat degene, tegen wien de eis is gericht, handelt in strijd
met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid indien hij zich
op grond van hetgeen is voorgevallen niet bepaalde beperkingen oplegt.

6.6 Wat er ook zij van de beschuldigingen aan zijn adres, de vaststaande
feiten wettigen de conclusie dat appellant mede verantwoordelijk is door zijn
gedrag voor de ontreddering waarin geintimeerde verkeert of heeft verkeerd. Op
grond van de hem bekend geworden toestand van geintimeerde acht het Hof
appellant verplicht geintimeerde te ontzien, zich te onthouden van het
aanspreken van geintimeerde en zich niet te begeven in de onmiddellijke
omgeving van haar woning aan de …straat te Amsterdam. Voor een verder gaand
verbod en voor het vooruitlopen op een eventueel aan geintimeerde toe te
kennen schadeloosstelling acht het Hof onvoldoende grond aanwezig.

6.7 Het Hof acht termen aanwezig het gegeven verbod te handhaven in deze
beperkte vorm, nu appellant op geen enkele wijze heeft laten blijken zich van
zijn voormelde verantwoordelijkheid bewust te zijn.

7. Conclusie.

7.1. De gedeeltelijke gegrondbevinding van de grieven III, V en VI
brengt mee dat het vonnis waarvan beroep niet ongewijzigd in stand kan
blijven.

7.2. Ter wille van de duidelijkheid zal het Hof het vonnis geheel
vernietigen en opnieuw rechtdoen.

7.3. Partijen zijn in beide instanties ten dele in het ongelijk gesteld,
hetgeen rechtvaardigt dat de kosten worden gecompenseerd aldus dat elke partij
de eigen kosten draagt.

8. Beslissing

Het Hof vernietigt het vonnis waaarvan beroep en doet opnieuw recht.

Het Hof verbiedt appellant om gedurende een periode van een jaar na de
betekening van het vonnis waarvan beroep (22 mei 1989) zich te bevinden in het
gedeelte van de …straat te Amsterdam, waarin de woning van geintimeerde is
gelegen, naar het Hof uit de overgelegde kaart begrijpt het gedeelte tussen de
…straat en de …straat, alle te Amsterdam, op verbeurte van een dwangsom
van ƒ 500,- voor iedere keer dat hij dit verbod overtreedt en met machtiging
van geintimeerde om het verbod zonodig te doen naleven met behulp van de
sterke arm.

Het Hof verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad en
compenseert de kosten van de procedures, zo in eerste aanleg als in hoger
beroep, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Het Hof ontzegt het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs Spreij, Fleers en De Wild.

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 5 september 1989

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres is de pleegdochter van gedaagde. Gedaagde heeft ontucht met
eiseres gepleegd en hij is daarvoor veroordeeld. Eiseres vordert een
straatverbod en een voorschot op de schadevergoeding. Beiden worden
afgewezen.

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. Ter terechtzitting van 28 augustus 1989 heeft eiseres
overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding gevorderd dat de
Fungerend-President bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

1.1.1. gedaagde zal verbieden te komen binnen of zich te bevinden binnen
dat gedeelte van Zaandam, gemeente Zaanstad, dat begrensd wordt door de
Coentunnelweg, Oostzijde en de Prins Bernhardwet;

1.1.2. gedaagde zal verbieden op welke wijze dan ook in contact te
treden met eiseres;

1.1.3. gedaagde zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van ƒ
1000,– voor elke keer dat gedaagde het onder 1.1.1. en/of 1.1.2. gevorderde
verbod overtreedt;

1.1.4. eiseres zal machtigen het onder 1.1.1. en/of 1.1.2. gevorderde
verbod zonodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer te doen brengen;

1.1.5. eiseres zal machtigen het onder 1.1.1. en/of 1.1.2. gevorderde
verbod bij lijfsdwang ten uitvoer te doen leggen door gijzeling voor de duur
van vijf maal vierentwintig uur voor elke keer dat gedaagde het onder 1.1.1.
en/of 1.1.2. gevorderde verbod overtreedt;

1.1.6. gedaagde zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding
van ƒ 10.000,– te voldoen op de dag waarop dit vonnis betekend zal worden;

1.1.7. gedaagde zal veroordelen in de kosten van deze procedure,
waaronder het niet in debet gestelde deel van het griffierecht en de voor
rechtsbijstand verschuldigde eigen bijdrage;

1.2. De vordering is toegelicht door de procureur van eiseres die zich
daarbij heeft bediend van pleitnotities en produkties in het geding heeft
gebracht.

1.3. Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd bij monde van
zijn advocaat die daarbij eveneens gebruik heeft gemaakt van pleitnotities.

1.4. Vervolgens hebben partijen in tweede termijn het woord gevoerd en
naar aanleiding van vragen van de Fungerend-President nadere inlichtingen
verstrekt.

1.5. Daarna hebben partijen de gedingstukken overgelegd en vonnis
gevraagd. De Fungerend-President heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op
heden.

2. HET GESCHIL VAN PARTIJEN

2.1. De vaststaande feiten

Als gesteld en erkend, althans niet of onvoldoende betwist, staan in dit
geding de volgende feiten vast.

2.1.1. Eiseres heeft van 1982 tot 1986 als pleegdochter in het gezin van
gedaagde verbleven.

2.1.2. Bij vonnis van deze rechtbank van 22 mei 1987 is gedaagde
veroordeeld wegens het plegen van ontucht met eiseres. Het Gerechtshof te
Amsterdam heeft bij arrest van 12 oktober 1988 de ontucht eveneens bewezen
verklaard. Gedaagde heeft van voornoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen.

2.1.3. Sedert de uitspraak van het Hof zijn partijen enkele malen met
elkaar geconfronteerd, welke ontmoetingen eiseres als zeer emotioneel en
pijnlijk heeft ervaren.

2.2. De grondslag van de vordering

2.2.1. Eiseres stelt dat gedaagde haar op 12 oktober 1988 heeft bedreigd
en haar in april 1989 is gevolgd en haar obsceniteiten heeft toegeroepen.
Voorts zou gedaagde in november 1988 haar vriend per telefoon hebben bedreigd
en zou hij regelmatig folders van de Centrumpartij in haar brievenbus hebben
geworpen.

2.2.2. Door confrontaties met gedaagde zou het proces van verwerking van
de traumatische ervaringen van de ontucht telkens worden verstoord. Zij
vordert thans een sectorverbod om gedaagde uit haar woon- en leefmilieu te
weren.

2.2.3. Voorts is eiseres voornemens wegens het haar aangedane leed een
schadevergoeding van gedaagde te vorderen. Zij vordert thans een voorschot
daarop om de opleiding die zij in verband met emotionele problemen ten gevolge
van de ontucht heeft moeten afbreken te kunnen hervatten en om indivuduele
psychotherapeutische hulp te kunnen bekostigen.

2.3. Het verweer

2.3.1. Gedaagde heeft zich tegen de vordering verweerd door te stellen
dat hij zich niet aan ontucht met eiseres schuldig heeft gemaakt, en dat hij
eiseres nimmer heeft lastig gevallen, noch dreigementen of obsceniteiten tegen
haar heeft geuit.

2.3.2. Ten aanzien van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding
ontkent gedaagde de verschuldigheid van een schadevergoeding nu hij, naar zijn
stelling, geen ontucht met eiseres heeft gepleegd.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1. Hoewel de Fungerend-President het volstrekt aannemelijk acht dat
confrontaties met gedaagde voor eiseres emotioneel belastend zijn en zij
begrip heeft voor de wens van eiseres gedaagde uit haar woon- en leefomgeving
te weren, kunnen de door eiseres genoemde voorvallen een sectorverbod als
gevorderd niet rechtvaardigen.

De voorvallen hebben zich voor het merendeel in 1988 op de dag van of
kort na de uitspraak van het Hof voorgedaan, terwijl ook sedert het laatste
voorval inmiddels vier maanden zijn verstreken. Buiten beschouwing moet
blijven, dat eiseres folders van de Centrumpartij in haar brievenbus heeft
aangetroffen, nu gedaagde ontkent dat deze door hem daarin zijn gelegd en
eiseres niet met zekerheid kan zeggen, dat het gedaagde is geweest, die daarin
de hand heeft gehad. De vordering tot vaststelling van een sectorverbod moet
derhalve worden afgewezen.

3.2. Hoewel de Fungerend-President het voorts alleszins aanvaardbaar
acht dat eiseres met individuele psychotherapeutische behandeling en door
hervatting van haar opleiding haar verwerkingsproces wil gaan bespoedigen, is
naar haar oordeel onvoldoende duidelijk geworden, dat eiseres op dit moment
een voorschot op schadevergoeding behoeft om de kosten daarvan te voldoen. Ook
op dit punt zal de vordering derhalve moeten worden afgewezen.

3.3. De Fungerend-President zal de kosten van het geding als volgt
tussen partijen compenseren.

4. BESLISSING

De Fungerend-President, rechtdoende in kort geding:

4.1. Weigert de gevorderde voorzieningen;

4.2. Compenseert de kosten van het geding tussen partijen aldus dat
ieder de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. W.J. ten Brink-Van Imhoff

Instantie: Kantonrechter Sittard, 1 september 1989

Instantie

Kantonrechter Sittard

Samenvatting


Eiseres vordert, als deeltijdwerkster voor 12 uur per week,
vakantietoeslag van haar werkgeefster. Haar eis wordt afgewezen omdat de
Wet Minimum Loon en Minimum Vakantietoeslag niet geldt voor haar in deze
situatie omdat zij minder dan een derde van de normale arbeidsduur werkte
aldus art. 2 lid 3 sub b. De bepaling is, volgens de Kantonrechter, niet
strijdig met anti-discriminatie beginselen, omdat de wet geen onderscheid
maakt tussen mannelijke en vrouwelijke beroepskrachten

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van de feiten:

Eiseres heeft gedaagde doen oproepen, teneinde bij vonnis, voor zoveel
mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te horen veroordelen:

a om tegen kwijting aan eiseres te betalen, een bedrag van ƒ 470,48
bruto wegens vakantiegeld over de periode 1 juni 1986 tot en met 31 mei 1987
en ƒ 468,24 netto over de periode 1 juni 1987 tot en met 31 augustus 1988,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 1988 tot de dag der
algehele voldoening

b. om tegen kwijting aan eiseres te betalen de maximale wettelijke
verhoging over het bedrag sub a

c. in de kosten van deze procedure, alles op de gronden zoals breder in
gemeld verzoekschrift omschreven

Eiseres heeft ten eerstdienende dage geconcludeerd voor eis conform de
inhoud van het verzoekschrift

Gedaagde heeft ter terechtzitting van 17 februari 1989 een conclusie van
antwoord overgelegd

Eiseres heeft ter terechtzitting van 12 mei 1989 een conclusie van
repliek tevens akte tot vermindering van eis overgelegd

Gedaagde heeft ter terechtzitting van 30 juni 1989 een conclusie van
dupliek overgelegd, waarna Wij de uitspraak van het vonnis hebben bepaald op
heden

Overwegende ten aanzien het recht:

1. Partijen zijn het er over eens, dat eiseres van 9 september 1985 tot
1 september 1988 in het bedrijf van gedaagde werkzaam was als schoonmaakster,
tegen het bruto minimumloon van ƒ 11,47. Zij zijn het er ook over eens, dat
zij niet meer dan 12 uur per week werkte

De vraag is of eiseres boven op het genoemde loon vakantiebijslag
claimen kan, zoals zij stelt en gedaagde ontkent

2. Het gelijk ligt hier bij gedaagde

Eiseres stelt niet, dat zij vergoeding van vakantiebijslag met gedaagde
heeft afgesproken, maar zij stelt, dat zij aanspraak daarop heeft krachtens
de wet. En dat is niet zo

De Wet Minimum Loon en Minimum Vakantiebijslag geldt niet voor haar in
deze situatie, omdat zij minder dan een derde van de normale arbeidsduur
werkte aldus art. 2 lid 3 sub b

Gedaagde stelt, dat dat hier niet geldt omdat schoonmakers zoals zij
gebruikelijk minder werken dan 40 uur. Maar dat is niet relevant, krachtens
de wetttekst geldt de norm van art. 12, waar het feitelijk minimum loon voor
de werknemer bepaald wordt naar evenredigheid van het algemeen minimum loon,
dat in weken of maanden wordt uitgedrukt. Dan is duideijk dat hier minder dan
een derde van het minimum weekloon is verschuldigd, zodat de uitzondering van
art. 2.3. b toepasselijk is

3. Het vorenstaande wordt niet anders, doordat deze wet mogelijk wordt
veranderd, zoals eiseres stelt. Die verandering is immers nog niet
gerealiseerd

De bepaling is ook niet strijdig met anti-discriminatie-beginselen,
zoals eiseres stelt, omdat de wet anders dan zij aanvoert geen onderscheid
maakt tussen mannelijk en vrouwelijke beroepskrachten, terwijl juist in de
schoonmaakwereld parttimewerk gebruikelijk is, zowel voor mannen als voor
vrouwen en derhalve geen onderscheid tussen beide geslachten de basis van de
bewuste wettelijke regeling is

4. De vordering wordt dan ook afgewezen en dat is reden eiseres te
veroordelen in de kosten van gedaagde

RECHTDOENDE:

wijzen de vordering af

Veroordelen eiseres in de kosten welke aan de zijde van gedaagde tot op
dit moment worden begroot op ƒ 180,– voor salaris van de gemachtigde van
gedaagde

Rechters

Mr. J.L.H.M. Adelmeijer; kantonrechter-plaatsvervanger