Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 24 augustus 1989

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft onder
rolnummer KG 89/615B in kort geding bij vonnis van 6 april 1989 op de
vordering van geintimeerde beslist dat A. direct de woning moet ontruimen en
gedurende zes maanden geen contact met geintimeerde mag opnemen. Ook mag
hij zich niet meer vertonen in een cafe waar H. heeft gewerkt. Van deze
uitspraak is A. in hoger beroep gegaan

Een beperking van de bewegingsvrijheid zoals de president heeft opgelegd
is gerechtvaardigd indien zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan
waardoor de benadering is ontaard of dreigt te ontaarden in overlast voor H.
of zodanige hinder dat een redelijke contact niet tot stand kan komen. In
casu is H. door A. mishandeld en bedreigd. Dit levert voldoende grond op
voor een contactverbod

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover daarbij appellant
is verboden zich te bevinden in het cafe waar H. heeft gewerkt omdat zij daar
ontslagen is

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Witteman, Veger en van Schendel

Instantie: Raad van Beroep Haarlem, 21 augustus 1989

Instantie

Raad van Beroep Haarlem

Samenvatting


Klager heeft een ouderdomspensioen aangevraagd en een toeslag in verband
met het feit dat zijn vrouw jonger is dan 65 jaar. Het resterend inkomen
van klagers vrouw bedraagt meer dan het maximale bedrag van de toeslag en
daarom wordt de gevraagde toeslag geweigerd

Klager beroept zich erop dat hier sprake is van indirecte discriminatie
omdat het in hoofdzaak mannen zijn die daaraan voldoen met jongere echtgenotes
die geen inkomen hebben, zonder dat daarvoor een afdoende rechtvaardiging
wordt gegeven

Klager beroept zich onder meer op art. 4 lid 1 EG-richtlijn nr. 79/7

De raad stelt vast dat het toeslagensysteem toereikend, geschikt en
noodzakelijk is in de situatie dat een echtgenoot ten laste van de
pensioengerechtigde komt. Daarom voldoet dit systeem aan de door het EG-hof
gestelde criteria. Dit leidt er ook toe dat het gegeven dat de omvang van
de toeslag vervolgens wordt gerelateerd aan de omvang van de inkomsten van de
echtgenoot – teneinde de mate van “ten laste komen” vast te stellen –
gerechtvaardigd is

Het beroep wordt ongegrond verklaard

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder d.d. 13 september 1988

2. Terechtzitting

datum: 30 juni 1989

Klager in persoon verschenen, bijgestaan door Mr. M.W.C. Feteris,
werkzaam bij De Boer en Van Keulen belastingadviseurs

Verweerder verschenen bij gemachtigde Mr. G.R.J. de Groot, advocaat te
‘s-Gravenhage

3. Feiten welke de Raad als vaststaande aanneemt

Klager, geboren op 1 juni 1923, heeft op 16 maart 1988 een aanvraag
ingediend voor een ouderdomspensioen. Hem is bij beslissing van 12 juli 1988
een ouderdomspensioen toegekend. Hij heeft tevens een toeslag aangevraagd in
verband met het feit dat zijn vrouw, E.H. van der Horst, geboren op 21
januari 1930, werkzaam is geweest bij de NCB-bank in Amsterdam, van wie zij
vanaf 1 mei 1988 een aanvulling op haar uitkering ingevolge de Nieuwe
Werkloosheidswet (NWW) ontvangt tot 95% van haar netto-salaris, zijnde
tezamen ƒ 1.448,93 bruto per maand

Verweerder heeft geconstateerd dat onder toepassing van artikel 11 der
AOW het resterend inkomen van klagers vrouw, zijnde ƒ 767,18, meer bedraagt
dan het maximale bedrag van de toeslag (f 489,29). Bij de bestreden
beslissing is de gevraagde toeslag derhalve geweigerd

Klager heeft daartegen tijdig beroep doen instellen. In het
klaagschrift wordt gesteld, dat het toekennen van een toeslag waaraan de
voorwaarde is verbonden dat er rekening gehouden moet worden met het inkomen
uit of in verband met arbeid van de jongere echtgenoot, een indirecte
discriminatie naar geslacht vormt, omdat het in hoofdzaak mannen zijn die
daaraan voldoen met jongere echtgenotes die geen inkomen hebben, zonder dat
daarvoor een afdoende rechtvaardiging kan worden gegeven

Verweerder heeft op 21 november 1988 van contra-memorie gediend, waarin
onder meer wordt aangevoerd dat het aan twijfel onderhevig is of hier sprake
is van (indirecte) discriminatie, dat niet ieder verschil mag leiden tot de
conclusie dat een groep wordt gediscrimineerd en dat er overigens, zo er al
sprake is van discriminatie, een rechtvaardige aanwezig is op basis van
redelijke en objectieve normen. Nadien zijn de standpunten schriftelijk en
mondeling uitgebreid en gedetailleerd toegelicht

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken alsmede het ter terechtzitting verhandelde

5. Motivering

In geding is primair de vraag of artikel 8, juncto de artikelen 10 en 11
van de AOW, zoals deze artikelen sedert de met ingang van 1 april 1988 van
kracht geworden wetswijziging luiden en zoals deze bij de bestreden
beslissing op klager zijn toegepast, verenigbaar zijn met artikel 4, lid 1
van de EEG-richtlijn nr. 79/7 inzake de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
sociale zekerheid (hierna: de richtlijn)

Namens klager is gesteld dat de bepaling, inhoudende dat de
pensioengerechtigde, van wie de partner jonger is dan 65 jaar, recht heeft op
een toeslag op het ouderdomspensioen, indien het inkomen van de partner niet
meer bedraagt dan de volledige toeslag (ten tijde hier van belang ƒ 489,29
bedragende), een in de richtlijn verboden discriminatie oplevert; omdat en de
gehuwde (daaronder begrepen de duurzaam samenlevende) man doorgaans ouder is
dan zijn echtgenote (respectievelijk de vrouwelijke partner)en er aanzienlijk
meer vrouwen zijn wier man verdient dan mannen wier vrouw verdient, is het
percentage vrouwen dat een toeslag ontvangt aanzienlijk lager dan het
percentage mannen

Namens verweerder is primair naar voren gebracht dat geen sprake is van
discriminatie en is subsidiair betoogd dat, zo er wel sprake mocht zijn van
discriminatie, daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat

Tenslotte heeft verweerder doen stellen dat klager , die niet tot de
pretense gediscrimineerde groep behoort, zich niet rechtstreeks op de
richtlijn zou kunnen beroepen

De raad heeft hieromtrent als volgt overwogen:

Ingevolge de jurisprudentie van het EG-Hof van Justitie bestaat een
vermoeden van indirecte discriminatie indien het percentage vrouwen dat van
een bepaalde maatregel relatief nadeel ondervindt, aanzienlijk hoger is dan
het percentage mannen. Dit beginsel toepassend op de onderhavige kwestie kan
de raad op grond van het in de loop van het geding geproduceerde
cijfermateriaal tot geen andere slotsom komen dan dat zich hier een vermoeden
als door het EG-Hof bedoeld, aandient

Volgens diezelfde jurisprudentie kan dit vermoeden echter worden
weggenomen indien er een objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden
aangewezen, die discriminatie op grond van geslacht uitsluit

In het arrest van 11 juni 1987 van het EG-Hof heeft het Hof criteria
aangegeven aan de hand waarvan tot een dergelijke vaststelling kan worden
gekomen

Blijken de rechtsoverwegingen 16 tot en met 18 dient allereerst te
worden onderzocht wat het doel van de -in casu- inkomensafhankelijke toeslag
is. De raad stelt in dit verband vast dat de AOW beoogt een bestaansminimum
te garanderen voor diegene die, als gevolg van het bereiken van de 65-jarige
leeftijd, ieder inkomen uit arbeid ontbeert. De AOW is een opbouwverzekering
en als zodanig inkomensonafhankelijk. De alleenstaande pensioengerechtigde
ontvangt een volledig pensioen ten bedrage van 70% van het netto-minimumloon
per maand, indien hij 50 jaar verzekerd is geweest

Naar het oordeel van de raad komt dit bedrag overeen met het
bestaansminimum. Weliswaar komt het voor dat wegens niet-verzekerde
tijdvakken op het volledige pensioen een korting wordt toegepast, doch dat
neemt niet weg dat het stelsel van de wet erop is gericht dat, bij voldoening
aan de premieplicht, en -zonodig- door gebruikmaking van de in de wet
neergelegde mogelijkheid tot inkoop van ouderdomspensioen en tot vrijwillige
premiebetaling, het volledige ouderdomspensioen wordt toegekend

Dit zo zijnde kan, in de opvatting van de EG-Hof, een verhoging, in de
vorm van een toeslag, waarvan de hoogte mede wordt bepaald door het inkomen
uit of in verband met arbeid van de echtgenoot, in het licht van de richtlijn
gerechtvaardigd zijn. Daartoe dient -aldus het EG-Hof- evenwel door de
nationale rechter te worden vastgesteld dat bedoelde toeslag overeenkomt met
de zwaardere lasten die pensioengerechtigden met een echtgenoot ten laste in
vergelijking met alleenstaanden hebben te dragen, en dat deze toeslag
geschikt en ook noodzakelijk is om de pensioengerechtigden een voor hen
toereikend bestaansminimum te garanderen

De raad stelt hierbij voorop dat niet uit het oog mag worden verloren
dat in het kader van deze vaststelling uitgangspunt is dat het stelsel ten
doel heeft een bestaansminimum te garanderen, en dat vanuit die doelstelling
bezien moet worden of het systeem van een inkomensafhankelijke toeslag
geschikt en noodzakelijk is een bestaansminimum te garanderen in de situatie
dat de pensioengerechtigde een echtgenoot ten laste heeft

Dat betekent naar het oordeel van de raad in de eerste plaats dat niet
van belang is dat zich gevallen zullen voordoen waarin, dankzij bijvoorbeeld
inkomsten uit vermogen, met toepassing van het stelsel, een inkomen ontstaat
dat het bestaansminimum (verre) overtreft, en evenmin dat er
pensioengerechtigden zijn die, als gevolg van een korting op het pensioen een
inkomen hebben dat daaronder ligt. Het gaat er uitsluitend om dat het
stelsel in zijn doelstelling, en niet in zijn uitwerking, gericht is op het
ontstaan van een bodemvoorziening indien als gevolg van het bereiken van de
65-jarige leeftijd elk inkomen uit arbeid ontbreekt, en de pensioengerechtigde
een echtgenoot ten laste heeft

Dit leidt er naar het oordeel van de raad toe dat de vraag of het
toeslagensysteem als middel geschikt en noodzakelijk is om deze doelstelling
te bereiken -derhalve om als bodemvoorziening te fungeren- getoetst moet
worden aan de figuur van de pensioengerechtigde die geen inkomsten uit anderen
hoofde heeft, en – gezien de doelstelling an het stelsel- een ongekort
pensioen ontvangt en een echtgenoot ten laste heeft

Gegeven die figuur moet vervolgens worden beoordeeld of het
toeslagensysteem een geschikt en noodzakelijk middel is om een toereikend
bestaansminimum te garanderen door compensatie te bieden voor de zwaardere
lasten die een pensioengerechtigde met een echtgenoot ten laste heeft in
vergelijking met die van een alleenstaande in gelijke omstandigheden, derhalve
de pensioengerechtigde die geen inkomsten uit anderen hoofde heeft en een
ongekort pensioen ontvangt

Van belang is dan om vast te stellen wat moet worden begrepen onder de
figuur “ten laste komende echtgenoot”
ù
In de onderhavige context gaat het daarbij naar het oordeel van de raad
om de echtgenoot die geen dan wel een zeer laag inkomen uit of in verband met
arbeid dan wel uit anderen hoofde heeft, waardoor die echtgenoot waar het om
de kosten van het bestaan gaat, afhankelijk is van het inkomen van de
pensioengerechtigde

Thans ingaand op de onderwerpelijke toeslagenregeling moet worden
vastgesteld dat daaraan als uitgangspunt ten grondslag ligt dat een
echtgenoot ten laste van de pensioengerechtigde komt indien deze geen, dan
wel een inkomen tot (thans) ƒ 298,16 heeft

De raad ziet geen aanleiding dit uitgangspunt niet te aanvaarden

De regeling voorziet er in dat geval in dat de volledige toeslag wordt
toegekend

Gegeven het bedrag van die toeslag tesamen met het bedrag van het
gehuwdenpensioen leidt dit tot een totaal bedrag van omstreeks anderhalf maal
het bedrag aan ouderdomspensioen dat een alleenstaande ontvangt

De raad meent dat aldus voldoende compensatie wordt geboden voor de
zwaardere lasten. Ook meent de raad dat deze verhoging alleszins geschikt en
noodzakelijk is om, in aanmerking nemend -nogmaals- dat het hier gaat om een
garantiebepaling welke ziet op de situatie dat overigens geen andere bron van
inkomsten aanwezig is, te voorkomen dat het inkomen onder het bestaansminimum
daalt

Voorts ligt aan de regeling het uitgangspunt ten grondslag dat de
echtgenoot niet ten laste van de pensioengerechtigde komt indien deze een
inkomen uit of in verband met arbeid heeft van (thans) ƒ 1.032,09. De raad
acht ook dit uitgangspunt aanvaardbaar, in aanmerking nemend dat in die
situatie niet kan worden gezegd dat de echtgenoot ten aanzien van de kosten
van het bestaan van de pensioengerechtigde afhankelijk is

Vastgesteld hebben dat het toeslagensysteem toereikend geschikt en
noodzakelijk is in de situatie dat een echtgenoot ten laste van de
pensioengerechtigde komt, is de raad van oordeel dat dit systeem voldoet aan
de door het EG-Hof gestelde criteria. Dit leidt er ook toe dat het gegeven
dat de omvang van de toeslag vervolgens wordt gerelateerd aan de omvang van
de inkomsten van de echtgenoot -teneinde de mate van “ten laste komen” vast
te stellen- gerechtvaardigd is

Waar -als gezegd- het toeslagensysteem aan de terzake geldende criteria
voldoet, kan niet worden staande gehouden dat hier sprake is van een verboden
discriminatie in de zin van de richtlijn

Om die reden kan het beroep dat namens klager ook is gedaan op artikel
26 van het IVBP alsook op artikel 2, lid 1 en 3, lid 1 van EG-richtlijn nr.
76/207 evenmin slagen

Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard

6. Uitspraak

De Raad van Beroep te Haarlem,

RECHT DOENDE IN NAAM DER KONINGIN!

Verklaart het beroep ongegrond

Rechters

Jhr. Mr. J.A. Mollerus als Voorzitter, H. Langhorst en J. Kieft alsleden, in tegenwoordigheid van Mr. M. van Breda-Hoekstra als griffier

Instantie: Rechtbank Zutphen, 15 augustus 1989

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


De man verzoekt de alimentatie op nihil te stellen. De vrouw heeft
een liefdesrelatie met een man en deze relatie duurt 1 tot 2 jaren

De rechtbank stelt de alimentatie op nihil omdat de vrouw heeft
verklaard haar ex-man te zullen uitmelken en zij daarom niet gaat samenwonen

Zie verder de uitspraken in deze zaak van de Rechtbank Zutphen d.d. 1
mei 1986 rolnummer 176e/86 en het Gerechtshof Arnhem d.d. 16 januari 1990
rekestnummer 380/89

Volledige tekst

Het -verdere- verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit`

– de (tussen)beschikking van deze rechtbank en kamer d.d. 7 maart 1989;

– de processen-verbaal van de ingevolge voormelde beschikking gehouden
getuigen- en tegen getuigenverhoren

De beoordeling

De rechtbank neemt over al hetgeen rees bij voormelde beschikking is
overwogen en voorts:

1. Ter uitvoering van het rechterlijk bevel tot het horen van getuigen
heeft de man in het kader van zijn stellingen 3 getuigen ten verhore
aanbevolen en de vrouw in het kader van haar verweer 5 getuigen

2. De verklaringen van de getuigen in onderling verband en afzonderlijk
bezien, kunnen niet tot de conclusie leiden dat de vrouw in de zin van het
recht, zoals dit door wet en jurisprudentie is bepaald, samenleeft met een
ander als ware zij met deze gehuwd. Met name kwam niet op sluitende wijze
een in principe constante samenwoning alsmede een wederzijds verzorgen in
licht

3. Niettemin moet worden vastgesteld dat zowel de vrouw en haar vriend,
als getuigen gehoord, spreken over een liefdesrelatie, die zij aanduiden als
duidelijk meer dan een vriendschapsrelatie. Deze relatie zou dan 1 1/2 a 2
jaar hebben geduurd

Voorts moet worden vastgesteld dat een der getuigen overtuigend heeft
verklaard, zakelijk weergegeven, dat de vrouw, geconfronteerd met de
consequenties van een nieuwe relatie, te kennen gaf de man te zullen
uitmelken als een melkkoe

4. De hiervoor weergegeven verklaringen, in onderling verband bezien en
beschouwd tegen de achtergrond van het feit dat de ervaring leert dat een
liefdesrelatie die wel bewust zo wordt aangeduid, allengs voert naar het
verlangen van de partners hun levens totaal te integreren, maken de
verklaring van de vrouw, dat haar levenservaringen ook na twee jaar aan zulk
een proces in de weg staan, niet geloofwaardig. De verklaring omtrent het
“uitmelken” krijgt dan zoveel relief dat de conclusie gewettigd is dat bij de
vrouw met betrekking tot de inrichting van haar liefdesrelatie voorop heeft
gestaan de alimentatieplicht van haar gewezen echtgenoot onverlet te laten

5. De hiervoor omschreven situatie is dermate grievend voor de man dat
naar redelijkheid en billijkheid niet langer van de man gevergd kan worden
dat hij bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw

Aangezien de man en de vrouw voormalige echtgenoten zijn, worden de
proceskosten gecompenseerd als hierna te melden

De beslissing:

Wijzigt het vonnis van deze rechtbank d.d. 1 mei 1986 aldus, dat de
daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw
met ingang van 1 november 1988 wordt bepaald op nihil

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere partij met de
eigen kosten belast blijft

Rechters

Mr. R. Besse

Instantie: President van de arrondissementsrechtbank Haarlem, 4 augustus 1989

Instantie

President van de arrondissementsrechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres wil dat de president R. een straatverbod oplegt onder verbeurte
van een dwangsom en met de mogelijkheid voor eiseres om lijfsdwang toe te
passen. Voorts vordert zij een schadevergoeding ter hoogte van ƒ 5.000,–
(vijf duizend gulden)

Tussen partijen staat vast dat eiseres in de periode van 1978 tot 1980
als wees was opgenomen in pleeggezin dat bestond uit R. en zijn ouders. In
1979 en 1980 hebben eiseres en gedaagde meermalen met elkaar gemeenschap
gehad. Dit heeft zich in 1989 herhaald

Eiseres heeft aangifte gedaan van verkrachting in de zin van art. 242
Sr. Deze zaak is door de Officier van Justitie geseponeerd. Eiseres wil
een voorschot op de te vorderen schadevergoeding omdat dit zal bijdragen aan
de psychische verwerking van haar in deze periode aan de orde zijnde
traumatische ervaringen

Volgens de president is ook in aangelegenheden als deze en ook wanneer
zij in kort geding aan de orde zijn, een in de orde van de feiten voldoende
vastgestelde basis voorwaarde voor de toewijsbaarheid van de gevraagde
voorzieningen, waaraan de gestelde ongewenste seksuele handelingen ten
grondslag zijn gelegd

Partijen hebben beiden zowel ter terechtzitting als tegenover de politie
diametraal tegenover elkaar staande verklaringen afgelegd. Er is, volgens
de president, onvoldoende grond om een der verklaringen als doorslaggevend aan
te merken. Daarom wordt het gevorderde afgewezen

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. Ter terechtzitting van 26 juli 1989 heeft eiseres overeenkomstig
het exploit van dagvaarding, behoudens een – buiten procesrechtelijk bezwaar
van gedaagde – bij conclusie gedane wijziging van eis met betrekking tot het
onder 1. gevorderde, geconcludeerd voor eis dat de President bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad voor zover mogelijk:

1. gedaagde zal verbieden te komen binnen of zich te bevinden binnen dat
gedeelte van Assendelft, gemeente Zaanstad dat begrensd wordt door de
Delftlaan, Beemsterstraat, Brandakker, Guurtjesmarken, Marskamp, Waterschot
tot en met de Dorpstraat zoals met blauw omlijnd op de aan de dagvaarding
gehechte kaart aangegeven;

2. gedaagde zal verbieden op welke wijze dan ook in contact te treden
met eiseres;

3. onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,- voor elke keer dat
gedaagde het verbod onder (lees: 1) en/of (lees: 2)overtreedt, tevens met
machtiging aan eiseres dit verbod desnoods bij lijfsdwang ten uitvoer te
leggen door gijzeling voor de duur van vijf maal vierentwintig uur voor elke
keer, dat gedaagde dit verbod overtreedt;

4. gedaagde zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van ƒ
5.000.– te voldoen op de dag waarop dit vonnis betekend zal worden;

5. gedaagde zal veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder
het niet in debet gestelde deel van het griffierecht en de voor
rechtsbijstand verschuldigde eigen bijdrage

1.2. Eiseres heeft haar vordering doen toelichten bij monde van haar
procureur. Deze heeft zich daarbij bediend van een pleitnota die zij, met
produkties, heeft overgelegd

1.3. Gedaagde heeft zich tegen de vorderingen verweerd

Dit verweer is uitgemond in de conclusie dat de President de vorderingen
van eiseres zal afwijzen, met haar veroordeling in de kosten van de procedure

1.4. Gedaagde heeft eveneens bij monde van zijn procureur verweer
gevoerd, die daartoe een pleitnotitie heeft gehanteerd welke hij, met
produkties, in het geding heeft gebracht

1.5. In tweede termijn hebben partijen volhard bij hun onderscheiden
standpunten

1.6. Tenslotte hebben zij de stukken overgelegd voor vonnis

De uitspraak daarvan is bepaald op heden

2. HET GESCHIL VAN PARTIJEN

2.1.De vaststaande feiten

2.1.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend danwel niet of
onvoldoende gemotiveerd bestreden, alsmede op basis van overgelegde stukken,
voor zover niet betwist, staat in dit geding tussen partijen het volgende
vast:

a. In de periode van 1978 tot 1980 is eiseres – thans 28 jaar oud – als
wees opgenomen geweest in een pleeggezin, dat bestond uit de echtelieden K.
en hun zoon Richard – thans 27 jaar oud-, zijnde gedaagde

b. In omstreeks 1979 en 1980 hebben eiseres en gedaagde meermalen met
elkaar geslachtsgemeenschap gehad

c. Vanaf omstreeks 1981 tot omstreeks begin 1988 is het contact tussen
eiseres enerzijds en zowel genoemde pleegouders als gedaagde anderzijds
verbroken geweest

d. Naar aanleiding van een daartoe strekkend, bij brief van 8 december
1987 gedaan, verzoek van eiseres, is omstreeks 1988 het contact tussen
eiseres en haar pleegouders hersteld. Daarbij is eiseres eveneens wederom in
contact gekomen met gedaagde, hetgeen ertoe heeft geleid dat in februari 1989
en op 5 juni 1989 eiseres gedaagde respectievelijk gedaagde eiseres in zijn
respectievelijk haar woning heeft bezocht

e. Gedurende het bezoek in februari 1989 hebben eiseres en gedaagde
seksueel contact met elkaar gehad. Op 5 juni 1989 hebben zij met elkaar
geslachtsgemeenschap gehad

f. Sedert enige maanden is eiseres onder behandeling van A. van de Belt,
sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, verbonden aan de Stichting Riagg
Zaanstreek/-Waterland

g. Eiseres heeft op 19 juni 1989 bij de gemeentepolitie Zaanstad
aangifte gedaan van verkrachting als bedoeld in artikel 242 WSr, door
gedaagde meermalen jegens haar gepleegd. Van deze aangifte en het
daaropvolgend verhoor van gedaagde is proces-verbaal opgemaakt

h. Vervolgens is gedaagde gedurende ongeveer achtenveertig uren in
verzekering gesteld

i. Hierna heeft de officier van Justitie van het arrondissementsparket
Haarlem bedoelde strafzaak tegen gedaagde geseponeerd wegens gebrek aan
bewijs

j. Eiseres bewoont met haar gezin – haar echtgenoot en twee kinderen –
een woning aan de (…) te Assendelft, gemeente Zaanstad. Deze straat is
gesitueerd in de onder 1.1. weergegeven sector van Assendelft

k. Gedaagde woont in Krommenie

l. Gedaagde is in der minne niet bereid aan de gevraagde voorzieningen
te voldoen

2.2. De grondslag van de vordering

2.2.1. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aan haar vorderingen
ten grondslag gelegd, stellend daarbij een spoedeisend belang te hebben

2.2.2. De onder 2.1. genoemde geslachtsgemeenschap met gedaagde, die
overigens ook in februari 1989 plaatshad, geschiedde telkens onder dwang van
gedaagde tegen de wil van eiseres. Eiseres bleek telkens (fysiek) niet in
staat zich tegen de verkrachtingen te verzetten

2.2.3. Eiseres voelt zich door gedaagde bedreigd en heeft mede in het
licht van het feit, dat gedaagde op 5 juni 1989 haar woning tegen haar wil is
binnengedrongen, gegronde vrees dat gedaagde, die regelmatig in Assendelft
komt, haar opnieuw zal verkrachten

2.2.4. Als gevolg van bedoeld onrechtmatig handelen van gedaagde heeft
eiseres immateriele schade geleden en lijdt zij deze nog steeds. Het
verzochte voorschot op de te vorderen schadevergoeding zal bijdragen aan de
psychische verwerking van haar in deze procedure aan de orde zijnde
traumatische ervaringen

2.2.5. In kort geding mag worden afgeweken van de in een
civielrechtelijke procedure bij de gewone rechter geldende bewijsregels. Dit
betekent dat eiseres haar stellingen in deze slechts aannemelijk behoeft te
maken

2.3. Het verweer van gedaagde

2.3.1. Gedaagde heeft tegen de vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd,
dat naar de kern weergegeven hierop neerkomt dat gedaagde de gestelde
verkrachtingen betwist in die zin, dat de onder 2.1. genoemde seksuele
contacten met instemming van eiseres op basis van een vrije relatie en zonder
dwang zijn geschied

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1. De kern van het geschil van partijen betreft de vraag of gedaagde
zich heeft schuldig gemaakt aan (een van) de door eiseres gepretendeerde
verkrachtingen

Algemeen

3.2. Bij de beoordeling van deze vraag wordt in zijn algemeenheid
vooropgesteld, dat het in deze gaat om een beschuldiging van het plegen van
ongewenste seksuele handelingen en derhalve om aangelegenheden die emotioneel
diep ingrijpend zijn en zowel slachtoffer als beschuldigde essentieel treffen
û
hun persoonlijke levenssfeer. Ook in aangelegenheden als deze en ook
wanneer zij in kort geding aan de orde zijn, is een in de orde van de feiten
voldoende vastgestelde basis voorwaarde voor de toewijsbaarheid van de
gevraagde voorzieningen, waaraan de gestelde ongewenste seksuele handelingen
ten grondslag zijn gelegd

3.3. Ten deze doen zich veelal ten detrimente van het slachtoffer
problemen voor op het terrein van de bewijslevering, daar immers bedoelde
handelingen zich bijna altijd afspelen in beslotenheid en zonder getuigen

3.4. In het licht daarvan en gezien de omstandigheid dat bij de huidige
stand van de bewijstechniek het slachtoffer weinig adequate bewijsmiddelen
ten dienste staan, komt de gedachte op om in bedoelde zaken minder stringente
eisen aan de bewijslevering te stellen, dan in gevallen waaraan een zo
persoonlijk en intiem karakter ontbreekt

3.5. Deze gedachte moet worden verworpen. Immers niet alleen is het
belang van degene, die stelt slachtoffer te zijn, bij afdoende bewijslevering
van door hem/haar gepretendeerde handelingen als bedoeld in het geding, maar
evenzeer is het belang van de als dader van die handelingen beschuldigde
persoon bij voldoende ontzenuwing van de omstreden beschuldiging aan de orde.
Beide belangen kunnen uitsluitend dan worden gediend wanneer de
bewijslevering geschiedt volgens rechtssystematisch gewaarborgde regels, die
niet kunnen leiden tot de aanvaarding van de onder 3.4. geformuleerde
gedachte. Dit uitgangspunt geldt ook in het geding

3.6. Inachtneming van dit uitgangspunt kan er in de praktijk toe leiden
dat zich een kloof voordoet tussen datgene wat naar civielrechtelijke
maatstaven gemeten bewijsbaar is en hetgeen in werkelijkheid heeft
plaatsgevonden

Dat rechtens gebrek bestaat aan mogelijkheden om deze kloof te
overbruggen, zal – naar kan worden aangenomen – door het slachtoffer als zeer
pijnlijk worden ervaren. Voor de rechtsorde is echter handhaving van
genoemde regels van verder strekkende betekenis, waaraan derhalve niet kan
worden afgedaan

Concreet

3.7. Onder hantering van het onder 3.5. geformuleerde uitgangspunt zal
in het navolgende worden beoordeeld of voldoende bewijsmateriaal voorhanden
is om de onder 3.1. weergegeven vraag bevestigend te beantwoorden

3.8. Met betrekking tot deze vraag hebben partijen zowel ter
terechtzitting als tegenover de politie, zoals daarvan uit het
politie-proces-verbaal blijkt, diametraal tegenover elkaar staande
standpunten ingenomen. Elk van deze verklaringen biedt onvoldoende
aanknopingspunt om het waarheidsgehalte van de verklaring van de een boven
dat van de verklaring van de ander verheven te achten. Getuigenbewijs en/of
andere bewijsmiddelen zijn door (een der) partijen niet aangedragen. Er is
derhalve onvoldoende grond om een der verklaringen als doorslaggevend aan te
merken

3.9. Dit betekent, dat op basis van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal
niet valt uit te sluiten dat tussen eiseres en gedaagde in het verband van de
toedracht der in deze relevante gebeurtenissen een relatie heeft bestaan als
door gedaagde geschetst. Dit brengt mee dat de deugdelijkheid van de
feitelijke grondslag van de gevraagde voorzieningen onvoldoende is komen vast
te staan om deze te kunnen dragen

Slotsom

3.10. De gevraagde voorzieningen zullen ook moeten worden geweigerd.
Eiseres zal in de proceskosten worden verwezen daar zij in het ongelijk is
gesteld. Deze proceskosten moeten op de voet van artikel 57 b BRv. worden
voldaan aan de griffier van deze rechtbank, nu aan gedaagde een toevoeging is
verleend krachtens de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden

4. BESLISSING

De President, rechtdoende in kort geding:

4.1. Weigert de gevraagde voorzieningen;

4.2. Veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, aan de zijde
van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 250,– aan
verschotten en ƒ 700,– aan procureurssalaris, te voldoen aan de griffier
van deze rechtbank

Rechters

Mr. H.F. van der Haak, president van de arrondissementsrechtbank

Instantie: Kantonrechter Nijmegen, 28 juli 1989

Instantie

Kantonrechter Nijmegen

Samenvatting


Aanvraagster wil een busje huren voor een verhuizing. De verhuurder
geeft te kennen dat hij aan vrouwen niet verhuurt. De vrouw wil via de
rechter schadevergoeding vorderen wegens seksediscriminatie

Beslissing Rechtenvrouw: deze zaak is juridisch interessant met
betrekking tot de vraag in hoeverre de non-discriminatieregel doorwerkt in
verhoudingen tussen burgers onderling

Afloop: de kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 28 juli 1989 beslist dat
de busverhuurder zich ten opzichte van de vrouw discriminerend heeft
uitgelaten en heeft hem veroordeeld tot betaling van ƒ 250,- aan immateriele
schadevergoeding

Jaarverslag 1988 no. 42

Volledige tekst

HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Nadat bij opgemeld tussenvonnis in het incident was beslist, heeft V.
geantwoord in de hoofdzaak. Daarna heeft B. gerepliceerd en een akte tot
rectificatie en inbrenging van stukken genomen, waarna V. heeft gedupliceerd
Tenslotte heeft B. nog een akte genomen, waarna het vonnis is bepaald op
heden

HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN:

In het incident:

1. De kantonrechter neemt over en volhardt bij hetgeen in opgemeld
tussenvonnis is overwogen en beslist

2. Voorzover thans van belang staat het volgende vast:

a. V. exploiteert een vrachttaxi- en autobedrijf. Het wagenpark bestaat
uit een tiental busjes waarvan het laadvermogen van de kleinste bus 6 m3 en
van de grootste bus 22 m3 bedraagt. Het laadvermogen van de grootste bus is
minder dan 3500 kg., wat impliceert dat iemand in het bezit van een B-C
rijbewijs een dergelijk voertuig kan besturen. V. biedt deze tien busjes te
huur aan. Een beschrijving en foto’s van de aangeboden busjes liggen op de
balie van zijn zaak ter inzage

b. Op 27 januari 1988 heeft Van B. telefonisch met V. contact opgenomen
met het verzoek de grootste bus (22 m3) te mogen huren. V. heeft dit
geweigerd. Nadat B. de volgende dag, vergezeld van twee kennissen, naar het
bedrijf van V. is gegaan, is V. bij zijn eerder gegeven weigering gebleven

c. Vervolgens is B. erin geslaagd bij een ander verhuurbedrijf een
soortgelijke bestelbus te huren

3. B. stelt dat de reden van de weigering om aan haar te verhuren is
geweest dat zij een vrouw is. Deze weigeringsgrond, alsmede de opmerking van
V: “Ik laat mijn auto’s niet in de prak rijden” is tegenover B.
discriminerend, beledigend, kwetsend en onnodig grievend. Tijdens de
gesprekken met V. heeft B. benadrukt dat voor het goed besturen van de
desbetreffende bus niet relevant was welke sekse zij bezat, zij heeft daarbij
medegedeeld, dat zij beschikt over het zogenaamde “groot rijbewijs” en dat
zij veel ervaring had met het rijden op een (auto)bus

Door aldus te handelen heeft V. B. primair beledigd, subsidiair jegens
haar onrechtmatig gehandeld omdat het gelijkheids- of
non-discriminatiebeginsel, zoals vastgelegd in de Grondwet, artikel 14 van
het Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke rechten, artikel 2 van de
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 3 van het
VN-verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten, welke
internationale verdragen doorwerken in de grondrechten in het particuliere
rechtsverkeer, geschonden is

B. vordert na wijziging van eis:

a. een verklaring voor recht dat V. jegens B. onrechtmatig heeft
gehandeld;

b. een veroordeling wegens immateriele schade van ƒ 1.250.–,
vermeerderd met de wettelijke rente daarover;

c. een verbod om in het vervolg bij het verhuren van bussen en
vrachttaxi’s B. te discrimineren wegens sekse, zulks op straffe van een
dwangsom van ƒ 5.000,– voor iedere keer dat dit verbod wordt overtreden

4. V. voert aan dat hij in beginsel bereid is met een ieder een
huurovereenkomst met betrekking tot de voertuigen te sluiten, maar dat hij
gedeeltelijk op objectieve, gedeeltelijk op subjectieve en intuitieve gronden
selecteert. Hij stelt in 30% van de gevallen aan vrouwen te verhuren

V. betwist dat hij in dit geval geweigerd heeft een bus te verhuren
omdat B. een vrouw is. Hij was daartoe bereid, mits aan de overige nog te
stellen criteria zou zijn voldaan. Deze bus houdt V. veelal ter beschikking
voor zichzelf en als de bus al verhuurd wordt dan weegt en beoordeelt V. de
gegadigde kritisch. De bus is duur, er is een hoog eigen risico wat de
verzekering betreft en het uitvallen van de bus door schade brengt
onevenredige schade voor het bedrijf van V. mee

De onbekende – man of vrouw zal – V. er niet zo snel toe kunnen bewegen
deze grootste bus aan hem of haar ter beschikking te stellen, zeker niet via
een telefonische contact. Dat heeft niets met discriminatie te maken maar
alles voorzichtig en verantwoord ondernemersbeleid. V. schat als ondernemer
risico voor schade bij verhuur van deze grootste bus aan vrouwen groter dan
bij mannen. Dat criterium laat hij een rol spelen bij zijn verhuurbeleid met
betrekking tot deze grootste bus. V. stelt dat het hem vrij staat
subjectieve opvattingen en verwachtingen te hebben aangaande risico’s die hij
tenslotte zelf moet dragen

Overigens is het zeker niet zo, aldus V., dat hij de grootste bus nooit
of bij voorbaat niet aan een vrouw zou verhuren. Toen B. de volgende dag
kwam, was hij helemaal niet bereid te verhuren, zodat van onderhandelingen
geen sprake is geweest. V. stelt dat het zeer wel mogelijk is dat hij
woorden heeft gebruikt als “Ik laat mijn auto’s niet in de prak rijden”
hetgeen dan volkstaal is voor “Ik ga voorzichtig met mijn kostbare
bedrijfsmiddelen om”, maar deze bedrijfs-filosofie, ook geconcretiseerd in de
weigering van B. om deze ene bus aan haar te verhuren, kan bezwaarlijk gezien
worden als beledigend, kwetsend, discriminerend of onnodig grievend ten
aanzien van B

Aan de criteria gesteld in artikel 1408 BW – de opzettelijke aanranding
van iemands eer, goede naam en het objectief vereiste van het kwetsen van
eergevoel – is volgens hem niet voldaan. Het feit dat V. van opvatting is
dat ten aanzien van vrouwen – die in het algemeen toch over wat minder
rij-ervaring beschikken – een extra voorzichtig verhuurbeleid gevoerd moet
worden, vooral ten aanzien van de grootste bus, maakt dit niet anders

Het beroep dat B. doet op de Grondwet en de horizontale werking van
diverse internationale verdragen wijst V. van de hand. B. ziet eraan voorbij
dat een natuurlijk- of rechtspersoon bij de exploitatie van door hem beheerde
goederen naar eigen goeddunken de condities bepaalt, waartegen hij die
goederen – indien hij daartoe bereid is, daar weigering in beginsel vrij
staat – ter beschikking van derden stelt en daarbij tevens de vrijheid heeft
bij verschillende contactpartners verschillende condities te bedingen. Een
weigering om een contractuele relatie aan te gaan, kan dus bij voorbaat niet
als schending van enig grondrecht beschouwd worden. Hoewel er bijvoorbeeld
in de sfeer van het arbeidsrecht onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en
vrouwen, is er in het algemeen geen rechtsregel – geschreven of ongeschreven
– die verbiedt dat bij het sluiten van contracten mede waarde gehecht wordt
aan bijvoorbeeld het geslacht van de potentiele contractspartner

Voor het geval de kantonrechter de vordering toewijsbaar mocht achten,
voert V. aan dat de gevorderde schade buiten veroordeling tot ƒ 1,– meer op
zijn plaats

5. Dienaangaande wordt overwogen dat de Kantonrechter van oordeel is dat
het non-discriminatiebeginsel waarop B. zich beroept, zoals geformuleerd in
de Grondwet, en de hiervoor genoemde internationale Verdragen doorwerkt in
het privaatrechtelijke rechtsverkeer tussen burgers. Derhalve staat in deze
procedure de vraag centraal hoe de contractsvrijheid zich verhoudt tot het
discriminatieverbod

6. In dit geval kan er van worden uitgegaan dat V. alle busjes te huur
aanbiedt zonder bij dat aanbod bijzondere voorwaarden om met hem in
onderhandeling te treden. De contractsvrijheid van V. als particulier
ondernemer gaat dan echter niet zover, dat hij de volledige vrijheid heeft op
subjectieve en/of intuitieve gronden het onderscheid te maken om al of niet
met een gegadigde te contracteren

In dit geval wilde B. het grootste busje huren en heeft daarnaar
geinformeerd. Hoewel voor dit busje een zogenaamd “groot rijbewijs” niet is
vereist, stelt V. terecht dat, gelet op de risico’s verbonden aan het rijden
met die bus, hij bij de verhuur voorzichtig en verantwoord tewerk gaat en
niet verplicht is zonder meer aan een ieder die dat wenst, die bus te
verhuren

7. Bij zijn voorzichtig en verantwoord ondernemersbeleid laat V. zich
leiden door het onmiskenbaar empirisch gegeven dat vrouwen aanmerkelijk
minder aan het autoverkeer deelnemen dan mannen en dat dit a fortiori geldt
voor het bestelbusverkeer. Omdat, alsdus B., vrouwen minder verkeerservaring
hebben met betrekking tot bestelbussen stond het hem vrij niet aan een vrouw
te verhuren, zodat zijn weigering om met B. in onderhandeling te treden, niet
discriminerend is

Dit betoog kan niet worden aanvaard. Ook indien aangenomen wordt, dat
de stelling van V. juist is dat vrouwen minder in bestelbusjes rijden dan
mannen, dan volgt daaruit nog niet dat het schaderisico van vrouwen groter is.
Deze gevolgtrekking van V. berust allerminst op empirisch onderzoek en is
in het geheel niet onderbouwd. V. heeft ook niet gesteld, noch is gebleken,
dat in de gevallen dat hij zijn bestelbusjes aan vrouwen verhuurt (30%) meer
schade veroorzaakt dan wanneer aan mannen wordt verhuurt. Nu V. terzake geen
bewijsaanbod heeft gedaan ziet de kantonrechter geen reden om ambtshalve
bewijs op te dragen. Wat de contractsvrijheid van V. betreft om wel of niet
de grootste bus te verhuren, is een relevante factor of de gegadigde over
voldoende rij-ervaring met een dergelijke bus beschikt. Immers, in dat geval
heeft hij een economisch belang. V. heeft dit echter helemaal niet
onderzocht. Hij was daartoe ook niet bereid om de enkele reden dat B. een
vrouw was, van wie hij zonder nader onderzoek aannam dat zij die ervaring
niet bezat. Hoewel V. de letterlijke tekst van die schriftelijke
getuigenverklaringen van de gesprekken die B. met V. heeft gevoerd
weerspreekt, valt uit de stellingen van V. af te leiden dat hij niet betwist
dat de reden van de weigering om de grootste bus aan B. te verhuren is
geweest dat zij een vrouw is. Nu evenmin wordt betwist dat V. tegen B. heeft
gezegd: “Ik laat mijn auto’s niet in de prak rijden”” (welke mededeling
ongefundeerd was en derhalve als beledigend is aan te merken) acht de
kantonrechter de handelswijze van V. tegenover B. discriminerend, beledigend,
kwetsend en onnodig grievend. De vordering kan dus op de primaire grondslag
worden toegewezen

8. Wat de hoogte van de gevorderde immateriele schade betreft wordt
overwogen dat de kantonrechter deze te hoog acht, nu in dit geval onvoldoende
van opzettelijke belediging is gebleken. Anderzijds kan de kantonrechter het
standpunt van V. dat slechts een symbolisch bedrag zou moeten worden
toegewezen niet delen. Gelet op de omstandigheden van dit geval zal de
immateriele schade in redelijkheid en billijkheid woden vastgesteld op ƒ
250,–

9. Het gevorderde verbod om in de toekomst bij het verhuren van bussen
aan B. te discrimineren wegens sekse zulks op straffe van een dwangsom, zal
worden afgewezen omdat B. daarbij geen belang heeft. Immers, gebleken is dat
V. niet in een monopolie-positie verkeert

10. V. heeft nog aangevoerd om de gevorderde uitvoerbaarheid bij
voorraad af te wijzen, omdat het financieel belang daartoe niet dwingt en bij
een ongedaan maken van de veroordeling in hoger beroep terugbetaling ongewis
is vanwege het financieel onvermogen van B. In dit geval is borgtocht
gerechtvaardigd

Dit verweer wordt verworpen. Bij een veroordeling als de onderhavige is
uitvoerbaarverklaring bij voorraad toegestaan en er is, gelet op de hoogte van
het toe te wijzen bedrag, onvoldoende grond om te vrezen dat terugbetaling
niet mogelijk is. Ook voor het stellen van zekerheid acht de kantonrechter
geen termen aanwezig

11. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal V. in de
proceskosten worden veroordeeld

RECHTDOENDE:

In de hoofdzaak:

1. Verklaart voor recht dat V. jegens B. onrechtmatig heeft gehandeld

2. Veroordeelt V. om aan B. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te
betalen de somma van ƒ 250,–, vermeerderd met de wettelijke rente daarover
vanaf de dag der dagvaarding (26 mei 1988) tot aan die der algehele
voldoening en verklaart dit deel van het dictum uitvoerbaar bij voorraad

3. Wijst af het meer of andere gevorderde

4. Veroordeelt V. in de proceskosten, aan de zijde van B. tot aan deze
uitspraak begroot op ƒ 424,10, waarvan te voldoen aan de griffier ƒ 386,60
(ƒ 112,50 in debet griffierecht, ƒ 54.10 exploitkosten en ƒ 220,– salaris
gemachtigde) door storting op gironummer 935462 ten name van de gerechten in
het arrondissement Arnhem, en aan B. ƒ 37,50 wegens haar eigen bijdrage in
het griffierecht

Rechters

Mr. J.A.Z. Hooft Graafland, kantonrechter, A.H. van het Sant, griffier

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 27 juli 1989

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Eiseres stelt dat als gevolg van de BOPA-regeling voor haar geen althans
onvoldoende premie AOW/AWW door haar werkgever is betaald. De vordering wordt
gedeeltelijk toegewezen.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op de bij inleidend verzoekschrift omschreven gronden heeft eiseres
gevorderd primair veroordeling van de Stichting bij vonnis uitvoerbaar bij
voorraad, tot betaling aan eiseres van de somma van ƒ 52.285,46 terzake van
te weinig afgedragen premies AOW/AWW, vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift, en subsidiair veroordeling
van de stichting tot voldoening aan de belastingdienst van de premies AOW/AWW,
die gedurende de periode 1973-1984 te weinig voor eiseres zijn afgedragen, tot
een totaal bedrag van f.52.285,46, welke voldoening moet geschieden binnen en
week na betekening van het in deze te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de
Stichting aan eiseres een dwangsom zal verbeurten groot ƒ 1.000,00 voor
iedere dag, dat de stichting in gebreke is aan deze subsidiaire veroordeling
te voldoen; rente kosten rechtens.

Eiseres heeft overeenkomstig het verzoekschrift voor eis geconcludeerd;

Hierop heeft gedaagde onder overlegging van produkties geantwoord,
waarna eiseres onder overlegging van produkties heeft gerepliceerd en gedaagde
gedupliceerd;

Tenslotte hebben partijen in pleidooi hun stellingen toegelicht;

Hierna is vonnis bepaald op heden.

De inhoud van de processtukken en overgelegde produkties moet als
ingevoegd en overgenomen worden beschouwd.

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. Tussen partijen staat het volgende vast.

S. is in de periode van 1 januari 1973 tot 1 januari 1985 als lerares in
dienst geweest van de Stichting Montessori Onderwijs (verder: de Stichting).

S. was in die gehele periode ambtenaar in de zin van de Algemene
Burgerlijke Pensioenwet, evenals haar echtgenoot.

2. De Stichting is verplicht geweest ingevolge artikel N9, 1e lid, ABPW
de premie AOW/AWW, verschuldigd over het ambtelijk inkomen van S., voor haar
te voldoen over de onder 1 genoemde periode. Voor de tijd nadien is die
verplichting opgeheven doordat bij het inwerking treden van de wet van 25 mei
1985,

Stb. 288, genoemd artikel N9 is vervallen.

Met ingang van 1 januari 1973 is van kracht geworden de wet
Gemeenschappelijke Bepalingen Overheidspenioenen, Stb. 1972/650. Krachtens
deze wet zijn bij Koninklijk Besluit van 21 februari 1973, Stb. 1973/76 regels
uitgevaardigd betreffende de zogenaamde meervoudige overneming van AOW/AWW
premie ingevolge de ABPW. Dit had voor de Stichting tot gevolg dat zij met
ingang van 1 januari 1973 er zoveel mogelijk voor had zorg te dragen dat ten
aanzien van S. niet meer premie werd voldaan dan de maximaal verschuldigde
premie.

Bij Koninklijk Besluit van 26 september 1979, Stb. 1979/585 is de
voorgenoemde regeling, bekend als BOPA I, ingetrokken en vervangen door de
regeling BOPA II, waarvan artikel 2, 1e lid, voor de Stichting meebracht er
mede zorg voor te dragen voor S. niet meer premie te voldoen dan het bedrag
dat ten hoogste voor de voldoening in aanmerking kwam.

3. Het standpunt van S. is nu:

Als gevolg van de BOPA regeling is voor haar gedurende het eerstgenoemde
tijdvak geen althans niet de volledige premie AOW/AWW door de Stichting
voldaan. Het niet voldane bedrag berekent zij op ƒ 52.284,46, hetgeen zij
thans vordert: primair als uitbetaling aan haarzelf, subsidiair als afdracht
aan de fiscus.

4. Aan de hand van de stellingen van partijen dienden de volgende punten
ter beoordeling te komen:

a. De ontvankelijkheid van S. in haar vordering in verband met het feit
dat bij niet toepassing van de BOPA regeling de met de zogenaamde
overcompensatie gemoeide bedragen niet aan haar maar aan haar echtgenoot
zouden zijn toegevallen;

b. Het beroep van de Stichting op rechtsverwerking door S. als gevolg
van haar stilzitten, in het bijzonder het nalaten bezwaar te maken tegen de
premieheffing AOW/AWW;

c. Het beroep van S. op strijdigheid van de BOPA besluiten met artikel
N9, 1e lid, ABPW;

d. Het beroep van de Stichting op artikel 6a van de
Uitvoeringsbeschikking Premieheffing Volksverzekeringen 1968;

e. Het beroep van S. op artikel 199 van het EEG Verdrag;

f. Het beroep van S. op artikel 26 IVBP;

g. het beroep van S. op artikel 7 IVESC;

h. Het beroep van S. op artikel 1637ij bij BW.

Ad a. De kantonrechter acht S. ontvankelijk in haar primaire vordering.

Zij verlang nakoming van de arbeidsovereenkomst door de Stichting, te
weten een prestatie die, naar zij stelt, de Stichting jegens haar gehouden is
geweest te verrichten. De niet zelfstandigheid van de gehuwde vrouw in de
betrokken periode terzake van de verzekeringen krachtens de AOW/AWW heeft
weliswaar tot gevolg gehad dat de afrekening van de verschuldigde jaarpremies
plaats vond bij haar echtgenoot maar dit heeft het karakter van de
premiebetaling als een jegens haar geleverde prestatie uit hoofde van de
arbeidsovereenkomst niet opgeheven.

Ad b. De Stichting voert aan tegen de vordering dat S. nimmer zich heeft
verzet tegen opgelegde premie-aanslagen en dat dientengevolge in de verhouding
tussen S. en de Stichting moet worden aangenomen dat de juiste bedragen zijn
ingehouden en afgedragen. Daartegenover stelt S. dat thans een andere
rechtsverhouding aan de orde is en niet een tussen dezelfde partijen.

Naar het oordeel van de kantonrechter moet, met inachtneming van de
zelfstandigheid der rechtsbetrekkingen maar ook van hun onderlinge
verwevenheid beslissende betekenis worden toegekend aan de volgende
overweging. In de jaren ’70 en ’80 zijn op het rechtsgebied dat hier aan de
orde is – kort aan te duiden als dat van de gelijke behandeling van personen
voor het recht – het bewustzijn en zo ook de regelgeving en de rechtspraak
sterk ontwikkeld.

Afhankelijk van de zwaarte van het belang -financieel of anderszins- zou
het in verband daarmee in strijd zijn met redelijkheid en billijkheid indien
aan S. geheel wordt belet, nu, achteraf, op te komen tegen een gang van zaken
welke een schending van haar rechten kan hebben opgeleverd in het licht van de
toen van kracht zijnde regelingen terwijl die schending destijds op
verschoonbare wijze door haar niet althans onvoldoende werd onderkend. Dit
laatste acht de kantonrechter het geval nu de BOPA regelingen zijn
uitgevaardigd door de bevoegde centrale overheid en S. niet anders heeft
gedaan dan zich daaraan te conformeren, dit kennelijk in overeenstemming met
de heersende inzichten. Voorts is niet gesteld of gebleken dat S. enige daad
heeft gesteld of uitlatingen gedaan waaruit kan volgen dat zij aan haar
bekende rechten heeft willen prijsgeven.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering is S. niet ontvankelijk. De
reden daarvan is dat, naar moet worden aangenomen, de premieheffingen over
betreffende jaren ten aanzien van S. onherroepelijk zijn afgesloten zodat een
geldige titel voor de ontvangst der premies ontbreekt bij de fiscus.

Ad c. S. betoogt dat de BOPA besluiten onverbindend zijn wegens strijd
met artikel N9, 1e lid, ABPW. Deze strijdigheid zou hierin zijn gelegen dat
BOPA besluiten de grondslag van het genoemde wetsartikel, te weten
premieheffing bij wijze van inhouding, hebben veronachtzaamd en als criterium
hebben gehanteerd de premieheffing bij wege van aanslag.

Dit betoog is onjuist. Artikel 9, 1e lid ABPW heeft niet de strekking
zich uit te laten over de wijze van heffing en stelt slechts de norm dat het
orgaan de premie overneemt welke wordt geheven van het ambtelijk inkomen.

Noch artikel 1, 1e lid, BOPA I noch artikel 2, 1e lid, BOPA II, welke
van belang zijn in dit kader, zijn strijdig met genoemd artikel N9. Immers
houden die voorschriften niet meer of anders in dan dat het plafond van de
premieoverneming wordt bepaald door de verschuldigdheid van de premie op grond
van de AOW/AWW.

Ad d. De Stichting stelt dat zelfs al zou onder de term “geheven” in
artikel N9 ABPW alleen moeten worden verstaan de heffing bij wijze van
inhouding dan toch artikel 6a van de Uitvoeringsbeschikking Premieheffing
Volksverzekeringen 1968 voorschrijft bij de inhouding van de premie rekening
te houden met het maximaal verschuldigde premiebedrag.

Deze stelling kan buiten bespreking blijven nu onder c. is overwogen dat
artikel N9, 1e lid, ABPW deze beperkende strekking niet heeft.

In zoverre ten overvloede merkt de kantonrechter op dat artikel N9, 1e
lid, ABPW, samen met artikel 1, 1e lid, BOPA I c.q. artikel 2, 1e lid, BOPA II
en genoemd artikel 6a van de Uitvoeringsbeschikking een samenhangende regeling
opleveren met betrekking tot de heffing en afdracht van premies in onder meer
een geval als dat van S. over het tijdvak dat thans in het geding is. Artikel
6a bepaalt daarin de maximaal te berekenen omvang van de inhouding, de BOPA
regeling de bovengrens van de voldoening der premie, terwijl artikel N9 de
grondslag verschaft voor de overneming van de premie door het orgaan, i.c. de
Stichting.

Ad e. Een cardinale stelling van S. houdt in dat de BOPA regelingen
verschillen in brutosalaris hebben teweeggebracht tussen een met een ambtenaar
gehuwde vrouwelijke ambtenaar – in welke postitie zij zelf verkeert – en een
mannelijke ambtenaar. Ter adstructie van die stelling beroept zij zich op het
arrest van het HJEC d.d. 18 september 1984, SEW 1985, p. 59-63. alsmede op de
beslissing van de CRvB d.d. 24 juni 1986, TAR 1986/186.

De kantonrechter acht dit beroep juist, welk oordeel berust op twee
argumenten.

Het eerste betreft de betekenis van de uitspraken van het Hof van
Justitie. Nadat het Hof in de punten 1 tot en met 4 van de beslissing de
karakteristieken heeft omschreven van het stelsel van sociale zekerheid
waarvoor de uitspraak gelding heeft wordt in de volgende en laatste alinea de
strijdigheid met artikel 119 EEG Verdrag geformuleerd. Het oordeel inzake
laatstgenoemde aspect wordt door het Hof in het bijzonder gemotiveerd in de
(ongenummerde) derde, vierde en vijfde alinea’s van rechtsoverweging 4. In het
licht daarvan moet uit de uitspraak worden afgeleid met betrekking tot het
geschil dat thans aan de orde is dat dit onderwerp heeft de toepassing van het
beginsel van gelijke beloning als bestreken door artikel 119, i.c. de bruto
beloning alsmede dat niet van beslissend belang is of het bedoelde verschil in
beloning ook feitelijk nadeel heeft teweeggebracht voor S. op het punt van
“andere aan het salaris gekoppelde voordelen”.

Het tweede argument komt neer op het onderschrijven van de overwegingen
de CRvB in zijn beslissing van 24 juni 1986 heeft gewijd aan de invloed van
verschillen in bruto salaris op het recht op een uitkering krachtens de AAW.

Beide argumenten tesamen leiden tot de slotsom dat door niet te voldoen
de premie AOW/AWW ten behoeve van S. de Stichting heeft gehandeld in strijd
met artikel 119 EEG Verdrag.

Ad f. De stelling van S. dat de niet inhouding/afdracht van premies c.q.
het verschil in beloning als gesignaleerd in strijd is met artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zal worden
terzijde gelegd. Hoewel als heersende leer mag worden beschouwd dat aan dit
artikel zogenaamde rechtstreekse werking toekomt zijn overigens de reikwijdte
en de betekenis van deze bepaling tot op heden zo onzeker dat van de Stichting
kon worden gevergd in redelijkheid dat zij in haar handel en wandel jegens S.
zich daardoor liet leiden. Voor de Stichting immers gold als norm datgene

rtoe zij gehouden was uit hoofde van een goed werkgeverschap, hetgeen niet
meebrengt dat zij zich had te houden aan andere regels dan welke aan haar
voldoende duidelijk konden zijn.

Ad g. Eveneens voert S. aan de bepaling van artikel 7 van het
Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

De betrefffende stelling is reeds hierom onhoudbaar omdat aan genoemd
artikel geen rechtstreekse werking toekomt inzake de verhouding tussen S. en
de Stichting.

Ad h. Tenslotte stelt S. (bij repliek) strijdigheid van de BOPA
regelingen met artikel 1637ij B.W.

Deze bepaling, in werking getreden op 15 maart 1980 als onderdeel van de
wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, verbiedt de werkgever
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen “hetzij onmiddellijk hetzij
middelijk bijvoorbeeld door verwijzing naar de echtelijke staat () in de
arbeidsvoorwaarden ()”.

De kantonrechter is van oordeel dat de Stichting zulk verboden
onderscheid heeft gemaakt door niet aan c.q. ten behoeve van S. te betalen het
bruto loon met inbegrip van de AOW/AWW premie overeenkomstig het geldende
percentage.

Dit onderscheid is niet voorkomen of tenietgedaan door het feit dat het
optreden ervan afhankelijk was van de volgorde waarin de inhouding van premies
ten laste werd gebracht van de respectieve inkomens van elk van beide
echtgenoten, welke volgorde op zijn beurt afhankelijk was gesteld van de
feitelijke inkomenspositie van man en vrouw (Circulaire van de Minister van
Binnenlandse zaken d.d. 12 december 1972, nr. AW. 72/u 333). Immers had die
volgorde slechts tot resultaat dat het onderscheid niet steeds en onder alle
omstandigheden zou werken ten nadele van de vrouw c.q. de man. Ongelijkheid
aan twee kanten maakt niet gelijk, zo min als men de kachel kan aanmaken met
sneeuwballen, mits het er maar vele zijn.

5. Ter ondersteuning van van het door de Stichting ingenomen standpunt
is, meer in het algemeen, aangevoerd dat de BOPA regeling ertoe heeft gestrekt
een einde te maken aan het “onbedoelde en ongemotiveerde” voordeel dat i.c. S.
zou zijn blijven genieten indien de regeling niet was tot stand gekomen.

Dit argument, hoewel ook elders en bij herhaling ingezet, mist kracht
van overtuiging. Reeds bij zeer oppervlakkige kennisneming van het destijds
geldende systeem van premieheffing en van bepaling van de verschuldigde
premies wordt duidelijk dat de samenvoeging van de inkomens van man en vrouw
(artikel 26, 3e lid, AOW) als grondslag voor de vaststelling van de in totaal
verschuldigde premie in vele gevallen waarin man en vrouw beide werkzaam zijn
in loondienst of daarmee vergelijkbare arbeidsverhouding aanleiding moest
geven tot over-inhouding. Onvermijdelijk rijst dan de vraag naar de bestemming
van de ingehouden doch niet verschuldigde bedragen.

Men zou de kwaliteit van de wetgever onderschatten met de
veronderstelling dat deze vraag aan hem is ontgaan en hem tekort doen
onoplettendheid op dat punt gelijk te stellen aan onbedoeldheid van het aldus
ontstane resultaat. Dit resultaat is geweest de (terug) betaling van teveel
aan de werknemer c.q. ambtenaar, waarbij ten aanzien van de ambtenaar die
gehuwd was met een ambtenaar (een en ander in de zin van de ABPW) aannemelijk
is dat de leidraad is gewest de bedoeling ongemotiveerd achterstelling te
voorkomen.

6. Met de vaststelling dat de Stichting in strijd met de geldende
rechtsregels heeft nagelaten in de betrokken periode het volledige brutoloon
uit te betalen aan S. is het geschil niet in volle omvang beoordeeld. Immers
gaat het hier om een arbeidsverhouding naar burgerlijk recht. Dit brengt met
zich mee dat de redelijkheid en billijkheid een grote rol spelen bij de
vaststelling van wat partijen over en weer aan elkander verplicht zijn.

In dit geval moet worden geconstateerd dat de beslissende rechtsaspecten
van het geschil nauw samenhangen met recente ontwikkelingen in een
gecompliceerd rechtsgebied waarin de juiste weg onzeker is.

In een reeks van jaren hebben partijen zich kennelijk geconformeerd aan
de zienswijze welke zij beschouwden als voorschreven en juist. Wanneer over
die zienswijze achteraf anders wordt geoordeeld dan dient de oplossing van
daardoor gerezen problemen deze voorgeschiedenis te weerspiegelen, dit ter
voorkoming van onredelijk nadeel voor i.c. de Stichting.

Deze overweging geeft reden de primaire vordering thans toe te wijzen
met betrekking tot de premiebedragen over 1982, 1983 en 1984 met de
aantekening dat verdere verschuldigdheid slechts mag worden vastgesteld voor
zover de Stichting de daaruit voor haar voortvloeiende lasten zal kunnen
afwentelen op de openbare middelen.

7. Het karakter van deze procedure, te zijn een proefproces, geeft reden
tot het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd.

BESLISSING

De kantonrechter:

Wijst de primaire vordering toe als volgt:

Veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen tegen kwijting
f.19.983,34;

Wijst de vordering af voor het overige;

Verklaart eiseres niet ontvankelijk terzake van de subsidiaire
vordering;

Bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

Rechters

mr. J.H.B.M. Saelman, kantonrechter

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 26 juli 1989

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Aanvraagster is van haar elfde tot negentiende misbruikt door haar
vader. Mede ter verwerking van haar traumatische ervaringen wil zij van
haar vader een schadevergoeding vorderen van ƒ 50.000,=

Beslissing Rechtenvrouw: bij slachtoffers van incest spelen vaak – ten
onrechte – schuldgevoelens mee. Voor een goede verwerking van de psychische
gevolgen van incest kan het van belang zijn dat een openbaar en officieel
forum – zoals de rechtbank – de vader als de schuldige aanwijst

Incest wordt bewezen geacht en de hoogte van het schadevergoedingsbedrag
wordt vastgesteld op ƒ 15.000,=

Volledige tekst


5. Naar het oordeel van de rechtbank is dochter S. erin geslaagd het
bewijs van haar stellingen te leveren. De rechtbank overweegt daartoe het
volgende

5.1 Uit de in zoverre door G. niet weersproken verklaringen van het
Paedologisch Instituut en Herstellingsoord De Leemkuil blijkt dat dochter S.
zich gedurende enkele jaren onder specialistische, onder meer psychiatrische,
behandeling heeft gesteld in verband met jeugdproblemen, die zij in de loop
van deze behandeling bij voortduring heeft toegeschreven aan haar tot in
detail weergegeven incestueuze ervaringen met haar vader tussen haar elfde en
19e jaar. Bij geen van haar behandelaars (tenminste vier in getal) is, naar
uit deze verklaringen voorts blijkt, enige twijfel gerezen over de
authenticiteit van de door haar beschreven gebeurtenissen. De rechtbank
acht het onaannemelijk dat dergelijke twijfel niet bij althans sommigen van
deze deskundigen zou zijn gerezen indien deze jeugdervaringen zich slechts in
de fantasie van dochter S. zouden hebben voorgedaan

5.2 De in de verklaring van het Paedologisch Instituut beschreven en
door de betrokken deskundigen geconstateerde angst bij dochter S. omtrent het
biologisch vaderschap van haar dochter A. en van de reaktie van A. daarop zijn
slechts vanuit de door haar gestelde gebeurtenissen verklaarbaar

5.3 Uit de handgeschreven en de getuigeverklaring van F.C.M. blijkt
onder meer het volgende:

– reeds in 1970 heeft dochter S. hem over haar incestueuze ervaringen
met haar vader en over de herkomst van eerder door hem bij haar geconstateerde
blauwe plekken op intieme plaatsen op haar lichaam verteld;

– tijdens hun vakantie omstreeks 1967 heeft zij tijdens nachtmerries
grote angst laten blijken dat haar vader haar zou komen ophalen;

– moeder G. zei, toen dochter S. bij hen thuis over haar ervaringen met
haar vader wilde praten, dat zij het altijd wel had vermoed en geweten;

– toen dochter S. met M. bij haar ouders kwam om haar vader alles in het
gezicht te zeggen, zei moeder G. bij hun binnekomst: “Zeg het hem maar, daar
zit-ie, de viezerik!. “

Deze onderdelen van zijn verklaring zijn door de verklaring van ander
e getuigen niet ontzenuwd en door vader G. niet weersproken

5.4 De verklaring van dochter S. zelf komt de rechtbank geloofwaardig
voor en strekt ter aanvulling van het uit het vorenoverwogene af te leiden
onvolledig bewijs

6. Met het geleverde bewijs is komen vast te staan dat vader G. zijn
dochter S. gedurende een lange reeks van jaren, beginnende op haar jeugdige
leeftijd van 11 jaar en eindigende kort voor haar huwelijk in 1970 toen zij 19
jaar oud was, met regelmaat seksueel heeft misbruikt. Uit de in zoverre
niet door vader G. weersproken en overigens aannemelijke verklaringen van het
Paedologisch Instituut en De Leemkuil is voorts komen vast te staan dat dit
misbruik bij dochter S. psychische, emotionele en seksuele schade heeft
veroorzaakt met nadelige weerslag op haar huwelijk en haar kinderen. Gelet
op het bepaalde in artikel 1407 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek behoeft de
rechtbank nadere inlichtingen van partijen omtrent hun financile
omstandigheden alvorens dochter S. toekomende schadevergoeding te kunnen
vaststellen. Op na te melden wijze zullen partijen, onder aanhouding van
iedere beslissing, in de gelegenheid worden gesteld deze inlichtingen te
verstrekken

BESLISSING

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van de tweede enkelvoudige
kamer (eerste kamerzaken) van 6 september 1989 teneinde partijen in de
gelegenheid te stellen bij akte de in rechtsoverweging 6 bedoelde gegevens in
het geding te brengen;

houdt ieder verdere beslissing aan

Rechters

Mrs. U.W. Bentinck, C. von Meyenfeldt en A.H. Kist, leden

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 13 juli 1989

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


M. is aangerand in haar huis tijdens een inbraak. De politie heeft
als potentiele dader J. aangehouden. In het kader van het
opsporingsonderzoek is een DNA-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft
uitgewezen dat J. met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als dader kan
worden aangemerkt

S. vordert een straatverbod en een voorschot op de immateriele
schadevergoeding

Op grond van de uitslag van de DNA-test is het voor de rechter
aannemelijk geworden dat J. de dader is van de aanranding. De rechter is
ervan overtuigd dat de aanranding psychische schade heeft toegebracht aan M.

Het straatverbod en het voorschot op de immateriele schadevergoeding
worden toegewezen. Het voorschot op de immateriele schadevergoeding
bedraagt ƒ 5.000,– (vijfduizend gulden)

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 4 juli 1989 heeft eiseres, hierna S., gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding

Gedaagde, verder J., heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering
van de gevraagde voorziening

Na verdere debat heeft S. de stukken, waaronder pleitnotities en
produkties, overgelegd ter verkrijging van vonnis

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten en
omstandigheden:

a. In de nacht van 15 op 16 januari 1989 is S.’s dochter M. (13 jaar) in
haar huis te Bussum tijdens een inbraak aangerand door een haar onbekende man.
Hierbij is sperma op het dekbed van M. achtergebleven

b. Na vergelijking door de politie van dit zedendelict, waarvan op 27
januari 1989 aangifte is gedaan, met twee andere zedendelicten in dezelfde
periode in Bussum en Hilversum gepleegd is bij de politie het sterke
vermoeden gerezen dat J., op 21 januari 1989 op heterdaad betrapt bij een
insluiping en vervolgens in hechtenis genomen, deze delicten zou hebben
gepleegd

c. In het kader van het onderzoek naar genoemde zedenmisdrijven heeft
het Openbaar Ministerie een fingerprinting DNA-onderzoek laten verrichten via
het gerechtelijk laboratorium te Rijswijk door Cellmarks Diagnostics te
Engeland aan de hand van een bloedmonster van J. en de veiliggestelde
spermasporen

d. De uitslag van dit DNA-onderzoek is inmiddels bekend geworden,
blijkens volgende proces-verbaal van bevindingen:

Ik, Reinier Reumer, brigadier van gemeentepolitie te Bussum, werkzaam
bij de afdeling recherche, verklaar het volgende

Op dinsdag, 20 juni 1989, deelde de heer Logtenbu ingenieur verbonden
aan het gerechtelijk laboratorium te Rijswijk telefonisch mede, dat het
verrichtte DNA-onderzoek in de zaak contra J. had uitgewezen, dat J. met een
aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als dader kon worden aangemerkt

De uitslag hierover was zojuist vanuit Engeland op het Gerechtelijk
Laboratorium binnengekomen

Over de mate van zekerheid deelde de heer Logtenbu mede, dat er een kans
van 1 op 75.000.000 bestond dat een ander de dader zou kunnen zijn maar dan
zou het nog een naaste verwant van de verdachte J. moeten zijn

Een rapport over de verrichtte onderzoeken en uitslagen zal zo spoedig
mogelijk worden nagezonden

Op ambtseed opgemaakt, te Bussem, op 21 juni 1989

e. Thans is J. wegens ernstige bezwaren opnieuw – hij was eerder terzake
van genoemde zedenmisdrijven in bewaring gesteld van 12 mei tot 15 juni 1989
– in hechtenis genomen

2. S. vordert thans – kort gezegd – een verbod aan J. om in de gemeente
Bussum te komen, alsook een contactverbod in de ruimste zin van het woord en
daarnaast een voorschot van ƒ 5000,– op de door haar dochter tengevolge van
het handelen van J. geleden immateriele schade, welke naar haar schatting ƒ
40.000,– bedraagt

Zij stelt daartoe dat haar dochter in de veilige beslotenheid van haar
bed thuis op weerzinwekkende wijze door J. seksueel is misbruikt, tengevolge
waarvan zij – gelet op haar kwetsbare leeftijd – grote psychische schade
heeft geleden, waarvoor zij een verwerkingsproces van minimaal drie jaar
nodig zal hebben. Met het gevraagde voorschot kan haar dochter in staat
worden gesteld sociale aktiviteiten te ontplooien, die haar kunnen helpen
haar verdriet, angsten en nachtmerries te boven te komen

3. J. ontkent de dader te zijn van het seksueel misdrijf dat de dochter
van S. is aangedaan. Dit houdt tevens is, aldus J., dat hij haar ook geen
schade heeft berokkend

Een straatverbod van een dergelijke omvang en toekenning van een
schadevergoeding zijn dan ook in geen enkel opzicht gerechtvaardigd volgens J

Daarbij komt dat het spoedeisend belang bij een voorziening ontbreekt,
nu hij in hechtenis zit

4.Genoemd standpunt van J. omtrent het spoedeisend karakter van de
gevraagde voorziening moet worden verworpen, nu op dit moment, in verband met
de eerdere voorlopige hechtenis voor hetzelfde feit, niet geheel valt uit te
sluiten dat J. op korte termijn in vrijheid gesteld zal worden

5. Op grond van de uitslag van de DNA-test van het sperma en
bloedmonster van J., als weergegeven onder 1.d is voorshands aannemelijk
geworden dat J. de dader is van het hier bedoelde seksuele misdrijf

6. Voorts kan op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden,
waaronder mede begrepen de overgelegde verklaring van de maatschappelijk
werkster N. van Noort d.d. 29 juni 1989 op voorhand worden aangenomen dat de
aanranding in de nacht van 15 op 16 januari 1989 duidelijk psychische schade
bij M. teweeg heeft gebracht, welke niet alleen een omvangrijk straat- en
contactverbod voor langere duur, doch tevens een financiele genoegdoening
rechtvaardigt, aangezien deze schade redelijkerwijs voortvloeit uit het
bedreigende contact met J. en M. daardoor ernstig in haar persoon is
aangetast

7. Deze schadeloosstelling zou ertoe kunnen bijdragen dat zij het haar
overkomene sneller kan verwerken door van een rustgevende vakantie te
genieten, alsook – afleiding brengende – sociale aktiviteiten en
liefhebberijen te ontwikkelen

Rekening houdend met de aard van de verweten gedragingen en met het feit
dat onbetwist is gebleven dat het gevorderde voorschot in het financiele
bereik van J. ligt, komt de hoogte van het gevorderde voorschot redelijk voor

Dit bedrag geldt als voorschot ter nadere verrekening met hetgeen J. ten
gronde zal blijken verschuldigd te zijn

8. J. dient in de kosten van het geding te worden veroordeeld nu hij in
het ongelijk gesteld is

Beslissing:

1. Verbiedt J. gedurende een periode van tweeenhalf jaar na betekening
van dit vonnis

a. zich te bevinden in de gemeente Bussum;

b. contact op te nemen met S. dochter M., in persoon, schriftelijk,
telefonisch dan wel via derden, een en ander op straffe van een dwangsom van
ƒ 500,– voor iedere overtreding van een van deze verboden en met machtiging
op S. om deze verboden zonodig met behulp van de sterke arm te handhaven

2. Veroordeelt J. tot voldoening aan S. van ƒ 5.000,– (vijfduizend
gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni
1989 tot aan de dag van voldoening

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

4. Veroordeelt J. in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van S. gevallen en te voldoen als volgt:

– aan S.: ƒ 62,50 wegens de bij haar gevallen kosten van vastrecht,

– aan de griffier van deze rechtbank:

ƒ 187,50 wegens het overige vastrecht,

ƒ 77,60 wegens exploitkosten en

ƒ 700,– wegens procureurssalaris

Rechters

Mr. J.M. Vrakking

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 13 juli 1989

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Verdachte van verkrachting wordt in kort geding tot een straat- en
contactverbod en tot een voorschot op schadevergoeding veroordeeld.

Op grond van de uitslag van de DNA-test van het sperma en het
bloedmonster van de gedaagde, door het Openbaar Ministerie verricht, is
aannemelijk geworden dat de gedaagde de dader is. In de strafzaak is nog geen
uitspraak gedaan.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 4 juli 1989 heeft eiseres, hierna S., gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagde, verder J., heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering
van de gevraagde voorziening.

Na verder debat heeft S. de stukken, waaronder pleitnotities en
produkties, overgelegd ter verkrijging van vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten en
omstandigheden:

a. In de nacht van 15 op 16 januari 1989 is S. haar dochter M. (13 jaar)
in haar huis te Bussum tijdens een inbraak aangerand door een haar onbekende
man. Hierna is sperma op het dekbed van M. achtergebleven.

b. Na vergelijking door de politie van dit zedendelict, waarvan op 27
januari 1989 aangifte is gedaan, met twee andere zedendelicten in dezelfde
periode in Bussum en Hilversum gepleegd is bij de politie het sterke vermoeden
gerezen dat J. op 21 januari 1989 op heterdaad betrapt bij een insluiping en
vervolgens in hechtenis genomen, deze delicten zou hebben gepleegd.

c. In het kader van het onderzoek naar genoemde zedenmisdrijven heeft
het Openbaar Minsterie een fingerprinting DNA-onderzoek laten verrichten via
het gerechtelijk laboratorium te Rijswijk door Cellmarks Diagnostics te
Engeland aan de hand van een bloedmonster van J. en de veiliggestelde
spermasporen.

d. De uitslag van dit DNA-onderzoek is inmiddels bekend geworden
blijkens volgende proces-verbaal van bevindingen:

Ik, R., brigadier van gemeentepolitie te Bussum, werkzaam bij de
afdeling recherche, verklaar het volgende.

Op dinsdag, 20 juni 1989, deelde de heer L. ingenieur verbonden aan het
gerechtelijk laboratorium te Rijswijk telefonisch mede, dat het verrichtte
DNA-onderzoek in de zaak contra J. had uitgewezen, dat J. met een aan
zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als dader kon worden aangemerkt.

De uitslag hierover was zojuist vanuit Engeland het Gerechtelijk
Laboratorium binnengekomen.

Over de mate van zekerheid deelde de heer L. mede, dat er een kans van 1
op 75.000.000 bestond dat een ander dader zou kunnen zijn maar dan zou het nog
een naaste verwant van de verdachte moeten zijn.

Een rapport over de verrichtte onderzoeken en uitslagen zal zo spoedig
mogelijk worden nagezonden.

Op ambtseed opgemaakt, te Bussum, op 21 juni 1989,

De verbalisant,

R.

e. Thans is J. wegens ernstige bezwaren opnieuw -hij was eerder terzake
van genoemde zedenmisdrijven in bewaring gesteld van 12 mei tot 15 juni 1989-
in hechtenis genomen.

2. S. vordert thans -kort gezegd- een verbod aan J. om in de gemeente
Bussum te komen, alsook een contactverbod in de ruimste zin van het woord en
daarnaast een voorschot van ƒ 5.000,– op de door haar dochter tengevolge van
het handelen van J. geleden immateriele schade, welke naar haar schatting ƒ
40,000,– bedraagt.

Zij stelt daartoe dat haar dochter in de veilige beslotenheid van haar
bed thuis op weerzinwekkende wijze door J. seksueel is misbruikt, tengevolge
waarvan zij -gelet op haar kwetsbare leeftijd- grote psychische schade heeft
geleden, waarvoor zij een verwerkingsproces van minimaal drie jaren nodig zal
hebben.

Met het gevraagde voorschot kan haar dochter in staat worden gesteld
sociale aktiviteiten te ontplooien, die haar kunnen helpen haar verdriet,
angsten en nachtmerries te boven te komen.

3. J. ontkent de dader te zijn van het seksueel misdrijf dat de dochter
van S. is aangedaan. Dit houdt tevens is, aldus H. dat hij haar ook geen
schade heeft berokkend. Een straatverbod van een dergelijke omvang en
toekenning van een schadevergoeding zijn dan ook in geen enkel opzicht
gerechtvaardigd volgens J.

Daarbij komt dat het spoedeisend belang bij een voorziening ontbreekt,
nu hij in hechtenis zit.

4. Genoemd standpunt van J. omtrent het spoedeisend karakter van de
gevraagde voorziening moet worden verworpen, nu op dit moment, in verband met
de eerdere voorlopige hechtenis voor hetzelfde feit, niet geheel valt uit te
sluiten dat J. op korte termijn in vrijheid gesteld zal worden.

5. Op grond van de uitslag van de DNA-test van het sperma en
bloedmonster van J. als weergegeven onder 1.d is voorshands aannemelijk
geworden dat K. de dader is van het hier bedoelde seksuele misdrijf.

6. Voorts kan op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden,
waaronder mede begrepen de overgelegde verklaring van de maatschappelijk
werkster N. d.d. 29 juni 1989 op voorhand worden aangenomen dat de aanranding
in de nacht van 15 op 16 januari 1989 duidelijke psychische schade bij M.
teweeg heeft gebracht, welke niet alleen een omvangrijke straat- en
contactverbod voor langere duur, doch tevens een financiele genoegdoening
rechtvaardigt, aangezien deze schade redelijkerwijs voortvloeit uit het
bedriegende contact met J. en M. daardoor ernstig in haar persoon is
aangetast.

7. Deze schadeloosstelling zou ertoe kunnen bijdragen dat zij het haar
overkomene sneller kan verwerken door van een rustgevende vakantie te
genieten, alsook -afleiding brengende- sociale aktiviteiten en liefhebberijen
te ontwikkelen.

Rekening houdend met de aard van de verweten gedragingen en met het feit
dat onbetwist is gebleven dat het gevorderde voorschot in het financiele
bereik van J. ligt, komt de hoogte van het gevorderde voorschot redelijk
voor.

Dit bedrag geldt als voorschot ter nadere verrekening met hetgeen J. ten
gronde zal blijken verschuldigd te zijn.

8. J. dient in de kosten van het geding te worden veroordeeld nu hij in
het ongelijk gesteld is.

BESLISSING:

1. Verbiedt J. gedurende een periode van tweeenhalf jaar na betekening
van dit vonnis

a. zich te bevinden in de gemeente Bussum;

b. contact op te nemen met S. dochter M. in persoon, schriftelijk,
telefonisch dan wel via derden, een en ander op straffe van een dwangsom van
ƒ 500,– voor iedere overtreding van een van deze verboden en met machtiging
op S. om deze verboden zonodig met behulp van de sterke arm te handhaven.

2. Veroordeelt J. tot voldoening aan S. van ƒ 5.000,– (vijfduizend
gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni
1989 tot aan de dag van voldoening.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Veroordeelt J. in de kosten van dit geding tot aan deze uitspraak aan
de zijde van S. gevallen en te voldoen als volgt:

– aan S.:

f.62,50 wegens de bij haar gevallen kosten van vastrecht,

– aan de griffier van deze rechtbank:

f.187,50 wegens het overige vastrecht,

ƒ 77,60 wegens exploitkosten en

f.700,– wegens procureurssalaris.

Rechters

Mr J.M. Vrakking

Instantie: Hof van Justitie EG, 13 juli 1989

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Niet aanvullen ziekengeld part-timers is onrechtmatig. Een wettelijke
regeling waarbij part-timers niet in aanmerking komen voor doorbetaling van
loon in geval van ziekte is, indien door deze maatregel meer vrouwen dan
mannen worden getroffen, niet toegestaan op grond van art. 119 EEG-Verdrag,
tenzij zo’n maatregel door objectieve factoren, die niets met discriminatie
naar sekse te maken hebben, kan worden gerechtvaardigd. Toetsing wordt
overgelaten aan de nationale rechter.

Volledige tekst

URTEIL

1. Das Arbeitsgericht Oldenburg hat mit Beschluss vom 5. Mai 1988, beim
Gerichtshof eingegangen am 22. Juni 1988, gemass Artikel 177 EWG-Vertrag eine
Frage nach der Auslegung des Artikels 119 EWG-Vertrag und der Richtlinie
75/117 des Rates vom 10. Februar 1975 zur Angleichung der Rechtsvorschriften
der Mitgleiderstaaten uber die Anwendung des Grundsatzes des gleichen Entgelts
fur Manner und Frauen (ABL. L 45, . 19) zur Vorabentscheidung vorgelegt.

2. Diese Frage stellt sich in einem Rechtsstreit zwischen Frau
Rinner-Kuhn (Klagerin) und ihrer Arbeitgeberin, der FWW
Spezial-Gebaudereinigung GmbH & Co. KG, betreffend deren Weigerung, der
Klagerin wahrend ihrer krankheitsbedingten Abwesenheit vom Arbeitsplatz den
Lohn fortzuzahlen.

3. Nach dem deutschen Lohnfortzahlungsgesetz vom 27. Juli 1969 hat der
Arbeitgeber einem Arbeiter, der nach Beginn der Beschaftigung durch
Arbeitsunfahigkeit infolge Krankheit an seiner Arbeitsleistung verhindert
wird, ohne dass ihn ein Verschulden trifft, das Arbeitsentgelt fur die Zeit
der Arbeitsunfahigkeit bis zur dauer von sechs Wochen fortzuzahlen. Von dieser
Regelung sind jedoch diejenigen Arbeiter ausgenommen, in deren
Arbeitsverhaltnis die regelmassige Arbeitszeit wochentlich zehn Stunden oder
monatlich 45 Stunden nicht ubersteigt.

4. Aufgrund dieser Bestimmung und unter Hinweis darauf, dass die
regelmassige Arbeitszeit der Klagerin wochentlich zehn Stunden betrage, lehnte
die Arbeitgeberin die Fortzahlung des Arbeitsentgelts fur eine achtstundige
krankheitsbedingte Abwesentheit vom Arbeitsplatz ab.

5. Die Klagerin erhob wegen dieser Entscheidung Klage beim
Arbeitsgericht Oldenburg; sie begehrt die Fortzahlung ihres Lohns fur die Zeit
ihrer krankheitsbedingten Abwesenheit vom Arbeitsplatz. Das vorlegende Gericht
is der Ansicht, dieses Klagebegehren werfe Auslegungsprobleme in bezug auf
Artikel 119 EWG-Vertrag und die Richtlinie 75/117 auf. Es hat daher das
Verfahren ausgesetzt und dem Gerichtshof folgende Frage zur Vorabentscheidung
vorgelegt:

Ist es mit Artikel 119 EWG-Vertrag und mit der Richtlinie des Rates vom
10. Februar 1975 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten
uber die Anwendung des Grundsatzes des gleichen Entgelts fur Manner und Frauen
(75/117)EWG) vereinbar, wenn eine gesetzliche Regelung von dem Grundsatz der
Entgeltfortzahlung durch den Arbeitgeber im Krankheitsfall Arbeiter in
Arbeitsverhaltnissen, in denen die regelmassige Arbeitszeit wochentlich zehn
Stunden oder monatlich 45 Stunden nich ubersteigt, ausnimmt, obwohl der Anteil
der Frauen, die von dieser Ausnahme nachteilig betroffen werden, wesentlich
hoher ist, als der Anteil der Manner?

6. Wegen weiterer Einzelheiten des Sachverhalts des
Ausgangrechtsstreits, des Verfahrensablaufs und der beim Gerichtshof
eingereichten schriftlichen Erklarungen wird auf den Sitzungsbericht
verwiesen. Der Akteninhalt ist im folgenden nur insoweit wiedergegeben, als
die Begrundung des Urteils dies erfordert.

7. Wie das vorlegende Gericht zutreffend ausfuhrt, fallt der im
Krankheitsfall fortgezahlte Arbeitnehmerlohn unter den Entgeltbegriff im Sinne
von Artikel 119 EWG-Vertrag.

8. Aus der Vorlagefrage und den Grunden des Vorlagebeschlusses geht
hervor, dass das vorlegende Gericht im wesentlichen wissen will, ob Artikel
119 EWG-Vertrag und die Richtlinie 75/117 des Rates einer nationalen Regelung
entgegenstehen, die es den Arbeitgebern gestattet, von der Lohnfortzahlung im
Krankheitsfall diejenigen Arbeitnehmer auszunehmen, deren regelmassige
Arbeitszeit wochentlich zehn Stunden oder monatlich 45 Stunden nicht
ubersteigt, sofern zu dieser Arbeitsnehmerkategorie uberwiegend Frauen
gehoren.

9. Nach Artikel 119 Absatz 1 waren die Mitgliedstaaten gehalten, wahrend
der ersten Stufe den Grundsatz des gleichen Entgelts fur Manner und Frauen bei
gleicher Arbeit anzuwenden. Daraus folgt, dass Artikel 119 den Mitgliedstaaten
eine Ergebnispflicht auferlegte, die zwingend innerhalb einer bestimmten Frist
zu erfullen war (Urteil vom 8. April 1976 in der Rechtssache 43/75, Defrenne,
Slg. 1976, 455).

10. Wie aus den Akten hervorgeht, haben nach der fraglichen deutschen
Gesetzesbestimmung nur diejenigen Arbeitnehmer im Krankheitsfall Anspruch auf
Lohnfortzahlung durch den Arbeitgeber, in deren Arbeitsverhaltnis die
regelmassige Arbeitszeit wochentlich zehn oder monatlich 45 Arbeitsstunden
uberschreitet. Da diese Zahlung unter den Entgeltbegriff im Sinne von Artikel
119 Absatz 2 fallt, gestattet die fragliche deutsche Gesetzesbestimmung den
Arbeitgebern, in bezug auf die Hohe des Gesamtlohns zwischen zwei Kategorien
von Arbeitnehmern zu unterscheiden: zwischen denjenigen, die die Mindestzahl
der wochentlichen oder monatlichen Arbeitsstunden leistet, und denjenigen, die
zwar die gleiche Arbeit verrichten, jedoch nicht diese Mindeststundenzahl
leisten.

11. Aus dem Vorlagebeschluss ergibt sich weiterhin, dass prozentual
erheblich weniger Frauen als Manner die wochentliche oder monatliche
Mindestzahl der Arbeitsstunden leisten, die Voraussetzung fur den Anspruch auf
Lohnfortzahlung bei krankheitsbedingter Arbeitsunfahigkeit ist.

12. Unter diesen Umstanden is festzustellen, dass eine Bestimmung wie
die hier vorliegende im Ergebnis die weiblichen gegenuber den mannlichen
Arbeitnehmern diskriminiert und grundsatzlich im Widerspruch zur Zielsetzung
des Artikels 119 EWG-Vertrag steht. Etwas anderes gilt nur dann, wenn die
unterschiedliche Behandlung der beiden Arbeitnehmerkategorien durch objektive
Faktoren gerechtfertigt ist, die nichts mit einer Diskriminierung aufgrund des
Geschlechts zu tun haben (Urteil vom 13. Mai 1986 in der Rechtssache 170/84,
Bilka, Slg. 1986, 1607).

13. Die Bundesregierung hat im Laufe des Verfahrens auf eine Frage des
Gerichtshofes erklart, Arbeitnehmer, die wochentlich weniger als zehn oder
monatlich weniger als 45 Arbeitsstunden leisteten, seien nicht in einem
anderen Arbeitnehmern vergleichbaren Masse in den Betrieb eingegliedert und
ihm verbunden.

14. Diese Erwagungen stellen jedoch lediglich verallgemeinernde Aussagen
zu bestimmten Kategorien von Arbeitnehmern dar. Ihnen lassen sich keine
objektiven Kriterien entnehmen, die nichts mit einer Diskriminierung aufgrund
des Geschlechts zu tun haben. Kann der Mitgliedstaat hingegen darlegen, dass
die gewahlten Mittel einem notwendigen Ziel seiner Sozialpolitik dienen und
fur die Erreichung dieses Ziels geeignet und erforderlich sind, so kann in dem
blossen Umstand, dass die Gesetzesbestimmung eine wesentlich grossere Anzahl
von weiblichen als von mannlichen Arbeitnehmern trifft, keine Verletzung des
Artikels 119 gesehen werden.

15. Es ist Sache des vorlegenden Gerichts, das fur die Beurteilung des
Sachverhalts und die Auslegung des innerstaatlichen Rechts allein zustandig
ist, festzustellen, ob und inwieweit eine gesetzliche Regelung, die zwar
unabhangig vom Geschlecht der Arbeitnehmer angewandt wird, aus objektiven
Grunden, die nichts mit einer Diskriminierung aufgrund des Geschlechts zu tun
haben, gerechtfertigt ist.

16. Auf die Frage des vorlegenden Gerichts ist daher zu antworten, dass
Artikel 119 EWG-Vertrag dahin auszulegen ist, dass er einer nationalen
Regelung entgegensteht, die es den Arbeitgebern gestattet, von der
Lohnfortzahlung im Krankheitsfall diejenigen Arbeitnehmer auszunehmen, deren
regelmassige Arbeitszeit wochentlich zehn Stunden oder monatlich 45 Stunden
nicht ubersteigt, wenn diese Massnahme wesentlich mehr Frauen als Manner
trifft, es sei denn, der Mitgliedstaat legt dar, dass die betreffende Regelung
durch objektive Faktoren, die nichts mit einer Diskriminierung aufgrund des
Geschlechts zu tun haben, gerechtfertigt ist.

Aus diesen Grunden hat der Gerichtshof (Sechste kammer) auf die ihm vom
Arbeitsgericht Oldenburg mit Beschluss vom 5. Mai 1988 vorgelegte Frage fur
Recht erkennt:

Artikel 119 EWG-Vertrag is dahin auszulegen, dass er einer nationalen
Regelung entgegensteht, die es den Arbeitgebern gestattet, von der
Lohnfortzahlung im Krankheitsfall diejenigen Arbeitnehmer auszunehmen, deren
regelmassige Arbeitszeit wochentlich zehn Stunden oder monatlich 45 Stunden
nicht ubersteigt, wenn diese Massnahme wesentlich mehr Frauen als Manner
trifft, es sei denn, der Mitgliedstaat legt dar, dass die betreffende Regelung
durch objektive Faktoren, die nichts mit einer Diskriminierung aufgrund des
Geschlechts zu tun haben, gerechtfertigt ist.

Noot

De criteria voor objectieve rechtvaardiging van een regeling die verkapt
discriminerend kan werken, zijn met dit arrest duidelijker geworden in het
geval waarin een wettelijke of bestuursrechtelijke regeling een
(sekseneutraal)
onderscheid maakt waardoor vrouwen meer benadeeld worden dan mannen. In de
zaken Jenkins vs Kingsgate (96/80, Jur. 1981, pag. 911) en met name in Bilka
Kaufhaus vs Weber von Hartz (13 mei 1986, nog niet gepubliceerd, zie ook
Nemesis 1986 nr. 5, pag. 226-227) werden al criteria geformuleerd, maar daar
ging het om werkgevers die een dergelijk onderscheid maakten. In deze zaak
stond, in tegenstelling tot de twee eerder genoemde zaken, de regeling en haar
rechtvaardiging zelf centraal.

In de Jenkinszaak, waar voor het eerst werd vastgesteld dat verkapte
discriminatie ook onder art. 119 EEG-verdrag viel, ging het om een werkgever
die part-timers minder betaalde dan full-timers en die claimde dat dit onder
de Equal Pay Act toegestaan zou zijn. De Britse Equal Pay Act, de wet die
artikel 119 uitvoert, is op zichzelf niet in strijd met artikel 119
EEG-verdrag. Het Hof stelde in een veel bekritiseerd arrest (zie hierover
onder meer S. Prechal, Gelijke beloning retrospectief, SEW 2, 1988, pag. 87)
dat een verschil in beloning dat zijn oorzaak vindt in objectief
gerechtvaardigde factoren op zichzelf niet in strijd hoeft te zijn met artikel
119. Wat die objectief gerechtvaardigde factoren zouden kunnen zijn werd in
het midden gelaten, zolang maar niet de bedoeling zou bestaan te
discrimineren.

In het Bilka-arrest ging het om een werkgever die part-time werknemers
uitsloot van een bedrijfspensioenregeling. Nadat het Hof had vastgesteld dat
pensioenen onderdeel vormen van het beloningsbegrip van artikel 119 stelde
het, dat een dergelijke uitsluitingsregeling van part-time werknemers indien
deze meer vrouwen dan mannen treft, indirect discriminerend is, tenzij de
werkgever kan aantonen dat met de regeling een legitiem (en geen verband met
seksediscriminatie houdend) doel wordt nagestreefd en de middelen die gebruikt
worden noodzakelijk zijn. De beoordeling van doel en middelen wordt
overgelaten aan de nationale rechter.

Ook in deze zaak was er niet direct een wettelijke regeling in het
geding.

Dit laatste is wel het geval in bovenstaande zaak. De Duitse
Lohnfortzahlungsgesetz 1969 sluit werknemers die minder dan 10 uur per week of
45 uur per maand werken uit van de verplichte doorbetaling van loon bij
ziekte. Daarmee staat deze regeling de werkgever uitdrukkelijk toe het loon
van werknemers in een dergelijk geval niet door te betalen.

Nadat het Hof heeft vastgesteld dat een dergelijke regeling, indien zij
meer vrouwen dan mannen treft, indirect discriminerend kan werken (en dat is
i.c. het geval: volgens de statistische cijfers van de Eurostat Enquete sur
les forces de travail 1987 zijn 89 procent van de werknemers in Duitsland, die
minder dan 10 uur per week werken, vrouwen) stelt het tegelijkertijd aan de
rechtvaardigingsgrond een additionele eis. De Lid-Staat mag een dergelijke
regeling hanteren, maar alleen als zij daarmee een noodzakelijk
sociaal-politiek doel nastreeft en als het gebruikte middel (de regeling dus)
voor het bereiken van dat doel geschikt en noodzakelijk is (ro. 14). De eis is
scherper dan de eis die in Bilka gesteld is: niet slechts een legitiem doel
moet door de regeling gediend worden, maar een noodzakelijk sociaal-politiek
doel. Het doel dat de Duitse regering nastreefde volgens haar verklaring,
namelijk werkgevers niet te verplichten loon door te betalen bij ziekte aan
werknemers die nauwelijks geeintegreerd zijn in de onderneming, is misschien
wel een legitiem, maar volgens het Hof niet een noodzakelijk sociaal-politiek
doel. Kortom, niet elk (legitiem) doel kan dus als rechtvaardiging voor een
verkapt discriminerende regeling dienen.

Slechts indien een dergelijk noodzakelijk sociaal-politiek doel wordt
nagestreefd is de enkele omstandigheid dat meer vrouwen dan mannen getroffen
worden niet genoeg om van schending van artikel 119 te spreken.

Een dergelijke verscherpte eis kan echter ook een nadeel opleveren. Dit
kan men opmaken uit het Teuling-arrest (zaak 30/85, 11 juni 1987, Rechtspraak
Nemesis 1988 nr. 1). In deze zaak, die betrekking had op de Derde Richtlijn
(79/7 inzake gelijke behandeling in de sociale zekerheid), werd een
sociaal-politiek doel, namelijk het garanderen van een toereikend
bestaansminimum aan uitkeringsgerechtigden met echtgenoot en kinderen ten
laste, een regeling waardoor meer vrouwen dan mannen werden benadeeld, als
rechtvaardiging geaccepteerd. Men kan zich afvragen of in het geval een
Lid-Staat een dergelijk acceptabel sociaal-politiek doel aandraagt (de Duitse
regering deed dat in deze zaak niet) de geschiktheid en noodzakelijkheid van
het gebruikte middel nog wel voldoende getoetst zullen en kunnen worden. Dit
wordt overgelaten aan de nationale rechter, die daarmee een hachelijke taak
krijgt (overigens volbracht de Raad van Beroep Amsterdam in de Teuling-zaak
deze toetsing heel goed).

Het belang van de uitspraak voor de toekomst is, dat bestaande
arbeidsrechtelijke regelingen, als zij werknemers van hun werkingssfeer
uitsluiten door eisen te stellen aan het aantal uren dat gewerkt wordt,
waardoor meer vrouwen worden getroffen dan mannen, meer rechtvaardiging nodig
hebben dan het enkele feit dat een legitiem doel gediend wordt. Voor Nederland
betekent dit dat op een artikel als 1639c BW, waarin het ook gaat om
doorbetaling van loon bij onder andere ziekte, en dat sinds de
stelselherziening sociale zekerheid het criterium van een-derde werktijd
hanteert, niet zonder meer kan worden toegepast.

Ook een wet als de Nederlandse Wet op het Minimumloon kan ter discussie
komen te staan. Deze wet sluit in art. 2, lid 3 sub b arbeidsverhoudingen van
zijn werkingssfeer uit, als in de regel gedurende niet meer dan een-derde van
de normale arbeidsduur (als bedoeld in artikel 12) arbeid wordt verricht. Het
arrest van het Hof stelt aan deze regeling, die eveneens meer vrouwen treft
dan mannen (volgens de Eurostat-enquete van 1987 bestaat de groep werknemers,
wier werktijd de 10 uur per week niet overschrijdt, in Nederland voor 83
procent uit vrouwen; dit kan over het totale een-derde criterium, dat iets
meer uren omvat dan 10 per week, iets gunstiger liggen, maar veel zal het niet
zijn) in feite de eis dat deze gerechtvaardigd wordt door een noodzakelijk
sociaal-politiek doel. Het is nog maar de vraag of een dergelijk doel aan de
bewuste bepalingen ten grondslag ligt of in een later stadium is komen te
liggen, een doel waarvoor dit middel het meest geschikt en noodzakelijk is om
het te bereiken.

Elies Steyger

Rechters

Kammerprasident T. Koopmans, Richter T.F. O’Higgins, G.F. Mancini, O.N.Kakouris en F.A. Schockweiler