Instantie: Ambtenarengerecht Utrecht, 7 juli 1989

Instantie

Ambtenarengerecht Utrecht

Samenvatting


Is de mannelijk kandidaat die de voorkeur bezit van de benoemingscommissie
de meest geschikte kandidaat en kan het voorkeursbeleid afwijking van de
benoemingsvoordracht rechtvaardigen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Klager is als leraar werkzaam aan de Thorbecke- scholengemeenschap voor
Gymnasium, Atheneum, Havo en Mavo te Utrecht. In het kader van de
zogenaamde DOP-regeling is met ingang van 1 augustus 1988 aan een tweetal
conrectoren van deze scholengemeenschap eervol ontslag verleend. Beiden
waren tot die datum met ziekteverlof en werden gedurende twee schooljaren
vervangen door enerzijds klager en anderzijds mevrouw G., eveneens
werkzaam als lerares aan de scholengemeenschap. Mede gezien de terugloop
van het aantal leerlingen was met ingang van 1 augustus 1988 sprake van
een vacature voor de functie van conrector. Zowel klager als mevrouw G.
voornoemd hebben naar deze functie gesolliciteerd.

De met het oog op de vervulling van deze vacature ingestelde
benoemingscommissie heeft middels een schrijven van de rector van de
scholengemeenschap d.d. 17 juni 1988 klager als enige bij verweerder
voorgedragen voor benoeming in die functie. Deze voordracht had de
instemming van de Medezeggenschapsraad. Naar aanleiding van een verzoek
van verweerder om nader toe te lichten waarom, bij aanwezigheid van twee
in beginsel geschikte kandidaten, slechts een enkelvoudige voordracht was
gedaan, heeft de rector bij brief van 23 juni 1988 uiteengezet op welke
grond de benoemingscommissie de voorkeur gaf aan klager. Aan de leden van
de Medezeggenschapsraad heeft verweerder vervolgens bij schrijven van 24
juni 1988 te kennen gegeven dat men overeenkomstig het beleid inzake de
benoeming van vrouwen in management-functies de voorkeur gaf aan een
benoeming van mevrouw G. voornoemd met het verzoek daarover advies uit te
brengen. De Medezeggenschapsraad heeft zich bij schrijven van 7 juli 1988
neergelegd bij verweerders standpunt.

Verweerder heeft zijn voornemen vervolgens ten uitvoer gebracht en mevrouw
G. voornoemd in voormelde functie aangesteld. Hiertegen heeft klager bij
schrijven van 11 juli 1988 protest aangetekend. Verweerder heeft daarna
bij schrijven van 1 augustus 1988 aan klager het volgende meegedeeld: “U
bent door de benoemingsadvies-commissie inzake de vacature van conrector
aan de Thorbecke-scholengemeenschap, alhier, als kandidaat voorgedragen.
Het is u bekend dat wij naar aanleiding van deze voordracht een uitvoerige
gedachtenwisseling met deze commissie, de medezeggenschapsraad en de
kandidaten hebben gehad. Inmiddels hebben wij de benoemingsprocedure
afgerond en na afweging van alle factoren besloten mevrouw G. met ingang
van 1 augustus 1988 te benoemen als conrectrix. Wij begrijpen dat dit voor
u een teleurstellende beslissing zal zijn. Echter wij vertrouwen er op dat
u voor onze overwegingen hiertoe begrip kunt opbrengen. Het bovenstaande
impliceert dat u vanaf 1 augustus 1988 wederom uitsluitend als leraar
werkzaam zult zijn. Uw bezoldiging zal per die datum overeenkomstig worden
aangepast. Over deze kwestie hebben wij uw brief dd. 11 juli 1988
ontvangen. Wij zullen daarover nader contact met u opnemen. Tenslotte
willen wij niet nalaten onze waardering uit te spreken over de wijze
waarop u uw werkzaamheden als waarnemend conrector hebt verricht.”

Bij inleidend klaagschrift van 24 augustus 1988 is namens klager tegen dat
besluit beroep ingesteld. Bij aanvullend klaagschrift van 27 oktober 1988
zijn de gronden van dit beroep nader uiteengezet.

Op 27 december 1988 is ter griffie van het gerecht de door verweerder
ingediende contra-memorie, met de tot de zaak betrekkelijke stukken,
ingekomen. Op verzoek van de fungerend voorzitter van het gerecht heeft
verweerder bij schrijven van 31 maart 1989 onder overlegging van enkele
gedingstukken zijn standpunt nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van het gerecht van 16 juni
1989, waar klager in persoon is verschenen, bijgestaan door mr H.,
advocaat te … Verweerder, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich ter
terechtzitting doen vertegenwoordigen door O., ambtenaar ter secretarie
van de gemeente …

II. Motivering

Klager heeft zijn beroep gericht tegen een uit de aanstelling van mevrouw
E voornoemd (impliciet) blijkende weigering om hem in de functie van
conrector te benoemen. Dit beroep is ingesteld naar aanleiding van het
hiervoor in rubriek I aangehaalde schrijven van verweerder van 1 augustus
1988, waarbij aan klager is meegedeeld dat hij voor die benoeming niet in
aanmerking kwam. Waar klager reeds als leraar aan voormelde school was
verbonden en vanuit die positie heeft gesolliciteerd, leest het gerecht
in dit schrijven een ten aanzien van hem in zijn hoedanigheid van
ambtenaar expliciet genomen besluit om hem niet in de onderhavige functie
aan te stellen. Klager is door dat besluit rechtstreeks in zijn belang
getroffen en heeft daartegen tijdig beroep doen instellen. Hij kan dan ook
in dat beroep worden ontvangen. Aan de orde is thans de vraag of het
aangevallen besluit kan worden aangetast op een van de gronden genoemd in
art. 58, lid 1, van de Ambtenarenwet 1929.

Klager heeft aangevoerd dat het onderhavige besluit in strijd is met het
bepaalde in de artt. 1 en 3 van de Grondwet omdat, in afwijking van de
daarin neergelegde gelijkheidsbeginselen, het geslacht het beslissende
criterium is geweest voor de besluitvorming van verweerder. Uit de
gedingstukken blijkt – en in een schrijven aan de rector van de
scholengemeenschap van 19 september 1988 is dit nog eens uitdrukkelijk
uiteengezet – dat verweerder inderdaad een beleid voert dat erop is
gericht om te bevorderen dat meer vrouwen in een management-functie worden
benoemd en dat op basis hiervan ook de benoeming van mevrouw E voornoemd
is tot stand gekomen. Een dergelijk voorkeursbeleid, waarbij bij een
bevordering nadrukkelijk onderscheid wordt gemaakt naar geslacht, is bij
de WGBO (Wet van 2 juli 1980, Stb. 48) in art. 1, lid 4 onder c,
toegestaan in de gevallen: ‘Waarin wordt beoogd personen van een bepaald
geslacht in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen’. Met het oog op deze uitzonderingsbepaling
heeft verweerder op verzoek van de fungerende voorzitter van het gerecht
met begeleidende schrijven van 31 maart 1989 het navolgende overzicht
verstrekt:

Overzicht van het aantal directieleden openbaar VO gespecificeerd maar M/V
(Utrecht)

directeur/ adj.directeur/
rector conrector
M V M V
vwo/havo/mavo/lavo HvdV 1 4
vwo/havo/mavo Thorbecke S.G. 1 1,5 1,5 (incl.
mw. E)
vwo Stedelijk Gymnasium 1 1
o.m.s. De Witte Raaf 1 1
o.m.s. P.F. v. Overbeeke 1 1
mavo Eykmanlaan 1 1
mavo Jutfaseweg 1 1
mavo Pr. Irenelaan 1 2
ivo/mavo Pythagoraslaan 1 1
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Totaal 9 12,5 1,5

Overzicht leidinggevenden op landelijk niveau (CBS 1987/1988)
%
M V
++++ ++++
directeuren 96 4
adjunct-directeuren 90 10

Uit dit overzicht blijkt genoegzaam dat in de scholen voor algemeen
voortgezet onderwijs in de gemeente Utrecht, waarover verweerder het
bevoegd gezag heeft, vrouwen in de leidinggevende posities niet slechts
op het niveau van directeur/rector maar ook op dat van adjunct-
directeur/conrector sterk zijn ondervertegenwoordigd. Een dergelijk beeld
geven overigens ook de in dat overzicht opgenomen landelijke cijfers te
zien. De achterstandspositie op leidinggevend niveau vindt verder nog
bevestiging in de ter terechtzitting naar voren gebrachte verhouding op
leraarsniveau, die wel ongeveer gelijkwaardig is. Voor het gerecht is dan
ook genoegzaam komen vast te staan dat hier in de gemeente Utrecht sprake
is van een feitelijke ongelijkheid als bedoeld in de uitzonderingsbepaling
van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke
openbare dienst. Dat betekent dat verweerders voorkeursbeleid en de daarop
in deze zaak gebaseerde besluitvorming in overeenstemming is met deze
wettelijke regeling. En in een toetsing hiervan aan de zijdens klager
aangevoerde bepalingen van de Grondwet kan het gerecht uiteraard niet
treden. Dat de hier besproken achterstand mede een gevolg is van het door
verweerder in het verleden gevoerde beleid is een voor de hand liggende
conclusie, maar niet valt in te zien dat verweerder dit in het huidige
tijdsbestek niet meer passend geachte beleid niet zou hoeven bij te
stellen aan de maatschappelijke ontwikkelingen, zoals die hun neerslag
hebben gevonden in voormelde wettelijke regeling.

Klager heeft ook wel erkend dat een voorkeursbeleid als hier aan de orde
door verweerder kan worden gevoerd, maar zich op het standpunt gesteld dat
dit slechts toelaatbaar is bij een gebleken gelijke geschiktheid van man
en vrouw. En onder verwijzing naar de correspondentie tussen schoolleiding
en verweerder stelt klager zich op het standpunt dat hij het meest
geschikt was voor de onderhavige functie. Het gerecht is door deze
argumentatie echter niet overtuigd. Uit het advies van de
benoemingscommissie, zoals verwoord in het schrijven van de rector van de
scholengemeenschap van 17 juni 1988, kan toch slechts worden afgeleid dat
beide kandidaten uitstekend functioneerden, terwijl beiden ook overigens
voldeden aan de criteria voor benoeming. Bezwaren tegen mevrouw E
voornoemd kwamen pas naar voren, toen het ernaar uitzag dat verweerder de
van de zijde van de school uitgesproken voorkeur voor klager dreigde niet
te volgen. Waar kennelijk in het verleden ook nimmer enige klacht over het
functioneren van de benoemde kandidaat is geuit, zoals verweerder heeft
uiteengezet, is voor het gerecht in elk geval niet een verschil in
functioneren aannemelijk geworden dat klagers stellingname rechtvaardigt.

De voorkeur die de benoemingscommissie voor klager uitte hing blijkens het
advies samen met zijn verleden uit de Mavo-sfeer en kennelijk groter
geachte affiniteit met deze een aantal jaren geleden in de
scholengemeenschap opgenomen vorm van onderwijs. Verweerder heeft aan dit
argument gelet ook op de door de schoolleiding in juni 1988 opgestelde
‘Benoemingsprocedure conrector’, waarin een aantal summiere criteria zijn
opgenomen, naar het oordeel van het gerecht geen doorslaggevende betekenis
hoeven toekennen. Een afwijking van de enkelvoudige voordracht moge verder
zeer ongebruikelijk zijn, aan verweerder kon niet het recht daartoe worden
ontzegd, terwijl de klemmende redenen, die klager als voorwaarde daarvoor
wenst te stellen, naar het oordeel van het gerecht genoegzaam zijn vervat
in het hiervoor reeds besproken voorkeursbeleid.

Klagers argument dat hier gesproken moet worden van een schending van het
rechtszekerheids- dan wel vertrouwensbeginsel ziet het gerecht al evenmin
doel treffen. Dat hij zichzelf, gesteund door de schoolleiding, als de
meest geschikte kandidaat beschouwde, betekent uiteraard nog niet dat hier
van een rechtens te honoreren verwachting kon worden gesproken. Uit de
gedingstukken die verweerder heeft overgelegd blijkt verder dat verweerder
al jaren geleden is begonnen met de ontwikkeling van een emancipatiebeleid
in het onderwijs en dat de scholen voor openbaar voortgezet onderwijs, ook
de school waaraan klager is verbonden, bij de verdere ontwikkeling daarvan
betrokken zijn geweest. Dit beleid is reeds neergelegd in een rapport van
een werkgroep van juni 1983 en heeft, naar op grond van de stukken moet
worden aangenomen, sedertdien een bestendig karakter. Het gerecht acht het
mede op grond hiervan nauwelijks voorstelbaar dat klager dit beleid niet
kende, althans daarmee redelijkerwijs geen rekening heeft kunnen houden
bij zijn sollicitatie naar de functie van conrector. Ook overigens acht
het gerecht niet gebleken van schending van enig algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het
aangevallen besluit de toetsing aan de gronden van art. 58, lid 1, van
de Ambtenarenwet 1929 kan doorstaan ( …).

III Beslissing: Het Ambtenarengerecht te Utrecht, Recht doende, Verklaart
het beroep ongegrond.

Rechters

Mrs. Van Voorst, Van der Lugt en Kummeling

Instantie: Rechtbank Almelo, 5 juli 1989

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


De door de vrouw geaccepteerde alimentatie termijn van drie jaar is
verstreken

De inkomsten van de vrouw hebben sedert haar toetreding tot de
arbeidsmarkt in 1986 rond het voor haar geldende bijstandsniveau geschommeld
De situatie is niet gewijzigd omdat het voor de vrouw niet mogelijk was
door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien vanwege haar steeds
slechter wordende gezondheidstoestand

Heeft de vrouw deze mogelijkheid voor haar risico genomen?

De rechtbank stelt vast dat kinderopvang in Nederland slecht is
geregeld. Daarom moet niet worden geconcludeerd dat de man er in de gegeven
omstandigheden niet op mocht vertrouwen dat de vrouw er in drie jaar tijd in
zou slagen volledig in eigen onderhoud te voorzien en het risico voor haar
rekening zou nemen

Uit de feiten concludeert de rechtbank dat het niet aan de vrouw te
wijten is dat de behoefte aan een uitkering is gebleven. Er is een volkomen
wanverhouding ontstaan tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant
voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat
het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onjuist is de vrouw aan
het beding van niet-wijziging te houden. Omdat de vrouw in het begin van
het huwelijk, toen de man studeerde, voor het gezinsinkomen heeft gezorgd
vindt de rechtbank aanleiding om de alimentatietermijn met vier jaar te
verlengen

De man moet nog een aantal stukken overleggen voor een
draagkrachtberekening

Volledige tekst

1. PROCESGANG

1.1. Bij beschikking van deze rechtbank en kamer van 19 april 1988 is
bepaald dat de vrouw zich bij akte (nader) zal uitlaten over hetgeen in
rechtsoverweging 3.1. van die beschikking is vermeld;

1.2. Bij akte van 17 mei 1989 heeft de vrouw een aantal producties
overgelegd en toegelicht;

1.3. Bij akte van 26 mei 1989 heeft de man voormelde producties en akte
becommentarieerd;

1.4. Tenslotte hebben partijen om een beschikking verzocht;

2. UITEINDELIJKE BEOORDELING VAN HET VERZOEK

2.1. De vrouw heeft de volgende stukken overgelegd:

a. een brief van Randstad Uitzendbureau B.V. van 11 mei 1989;

b. een brief van Schmits Weerselo B.V. (voorheen Peters Chemie Weerselo
B.V.) van 12 mei 1989;

c. een totaalloonopgaaf 1986;

d. een totaalloonopgaaf 1987;

e. een brief van de verzekeringsgeneeskundige van 3 mei 1989;

f. een brief van de Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie van
10 mei 1989;

g. een brief van de Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie van
10 mei 1989;

h. een brief van het Arbeidsbureau te Oldenzaal van 10 mei 1989;

i. een brief van de Gemeentelijke Sociale Dienst Oldenzaal van 24
augustus 1988;

j. een aanslagbiljet Inkomstenbelasting betreffende het jaar 1987;

k. een aanslagbiljet Premieheffing Volksverzekeringen betreffende het
jaar 1987;

l. een brief van de Ontvanger te Enschede van 17 februari 1989;

m. een brief van de Ontvanger te Enschede van 17 februari 1989;

n. een tweetal salarisspecificaties zonder enige nadere aanduiding en
ondertekening;

2.2. Uit voormelde bescheiden blijkt het navolgende

In 1986 heeft de vrouw praktisch het gehele jaar gewerkt en daarmee in
totaal ƒ 16.495,– bruto verdiend. In 1987 heeft de vrouw in totaal ƒ
17.291,– bruto verdiend. In dat jaar heeft zij van 1 juli tot en met 27
september een uitkering van het G.A.K. ontvangen. Gedurende de eerste
maanden van 1988 heeft zij bij Peters Chemie Weerselo B.V. gewerkt tegen een
salaris van ƒ 1.076,67 bruto per maand bij 20 uur per week

Vanaf 29 februari 1988 tot en met 3 november 1988 heeft zij een
ziekengelduitkering ontvangen ter hoogte van ƒ 29,90 per dag. Vanaf 4
november 1988 heeft zij recht op een WW-uitkering (uiterlijk tot 4 februari
1991). Haar maandelijkse WW-uitkering bedraagt ƒ 1.062,52 bruto (= ƒ 787,85
netto), welke vanaf 1 augustus 1988 op de bijstandsuitkering in mindering
wordt gebracht

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat het inkomen van
de vrouw, de alimentatie-uitkering weggedacht, sedert haar toetreding tot de
arbeidsmarkt in 1986 rond het voor haar geldende bijstandsniveau heeft
geschommeld, welke situatie ook thans nog voortduurt;

2.3. De vrouw geeft als verklaring voor het feit dat haar financiele
omstandigheden sedert haar toetreding tot de arbeidsmarkt niet zijn
gewijzigd, dat zij herhaaldelijk heeft getracht door arbeid in haar eigen
levensonderhoud te voorzien maar dat haar steeds slechter wordende
gezondheidstoestand haar dat onmogelijk maakte;

2.4. Heeft de vrouw die mogelijkheid voor haar risico genomen?

Anders gezegd:

of: die mogelijkheid is in het kader van de onderhandelingen welke
hebben geleid tot meergemeld echtscheidingsconvenant, ter sprake gebracht
doch niet in het convenant verwerkt; dan zal gelden dat de vrouw dat risico
heeft aanvaard;

of: het is niet besproken, dan zou onder omstandigheden kunnen gelden
dat de man de aanvaarding van dit risico heeft begrepen of mogen
veronderstellen;

2.5. De vrouw heeft gesteld dat die mogelijkheid niet ter sprake is
gekomen, hetgeen door de man is betwist

Ter staving van die betwisting heeft hij de confraternale
correspondentie gedeeltelijk overgelegd en voorts gewezen op de inhoud van
het convenant

Uit die stukken blijkt dat partijen rekening hebben gehouden met de
mogelijkheden welke de vrouw ten tijde van het echtscheidingsconvenant had om
door middel van een haar passende werkkring in haar eigen levensonderhoud te
voorzien, maar daaruit blijkt niet dat mogelijkheid dat de vrouw daarin niet
zou slagen ter sprake is gebracht

Voormelde bescheiden bevestigen veeleer de stelling van de vrouw dat
partijen er zonder meer vanuit zijn gegaan dat de vrouw zich na drie jaar
goed zou kunnen redden op de arbeidsmarkt en volledig in haar eigen
levensonderhoud zou kunnen voorzien;

2.6. Heeft de man begrepen of mogen veronderstellen dat de vrouw
voormeld risico voor haar rekening nam?

Ook die vraag moet ontkennend worden beantwoord

De man stelt zich op het standpunt dat hij, toen de vrouw een
alimentatietermijn van drie jaar accepteerde wat, aldus de man, impliceert
dat de vrouw het risico accepteerde dat zij na ommekomst van die termijn niet
in staat zou zijn (volledig) in haar eigen levensonderhoud te voorzien, er
van is uitgegaan en mocht uitgaan dat de vrouw dat risico voor haar rekening
nam

Andere omstandigheden heeft de man niet gesteld

Tussen partijen staat onweersproken vast dat de vrouw vanaf 1977 tot
voorjaar 1981 deels via uitzendbureaus telkens part-time heeft gewerkt. Viir
haar huwelijk met de man in oktober 1978 heeft zij gedurende vijf jaar
full-time als secretaresse gewerkt. Zij heeft een Mulo-diploma alsmede een
diploma directie-secretaresse

Aanvankelijk had de vrouw de zorg voor beide kinderen van partijen, maar
in de zomer van 1985 is Rogier bij de man gaan wonen. Vanaf dat tijdstip had
zij nog slechts de zorg voor Rudolf, die toen twee jaar oud was

Het is een feit van algemene bekendheid dat de kinderopvang in Nederland
slecht is geregeld. In de hierboven geschetste situatie is de zorg voor een
kind van de leeftijd van Rudolf dan ook een extra complicerende factor waar
nog bij komt dat de vrouw ruim vier jaar buiten het arbeidsproces had
gestaan, terwijl zij de daaraan voorafgaande (huwelijks)jaren steeds part-time
had gewerkt

Wat er ook zij van het feit dat de vrouw een alimentatietermijn van drie
jaar heeft geaccepteerd, moet worden geconcludeerd dat de man er in de
gegeven omstandigheden niet op mocht vertrouwen dat de vrouw er in drie jaar
tijd in zou slagen volledig in eigen onderhoud te voorzien en in het andere
geval het risico voor haar rekening zou nemen;

2.7. In hoeverre is de gebleven behoefte van de vrouw aan een uitkering
tot haar levensonderhoud te wijten aan handelingen of nalatigheden van de
vrouw die niet ten laste van de man behoren te worden gebracht?

In 1986 heeft de vrouw zich direct op de arbeidsmarkt begeven

Via diverse uitzendbureaus heeft zij bijna dat gehele jaar over het
algemeen part-time gewerkt (zie voormelde brief van Randstad Uitzendbureau
B.V. van 11 mei 1989 alsmede de totaalloonopgaaf 1986)

In 1987 heeft zij gedeeltelijk via een uitzendbureau (Randstad),
gedeeltelijk op basis van een tijdelijk arbeidscontract gewerkt (Peters
Chemie Weerselo B.V.). Zij is ziek geweest van 1 juli 1987 tot en met 27
september 1987 en van 17 december 1987 tot en met 30 december 1987

In 1988 heeft zij op contractbasis bij Peters Chemie Weerselo B.V.
gewerkt (tot 9 maart 1988)

Hoewel het uiteindelijke doel een vast dienstverband was, heeft Peters
chemie het contract van de vrouw niet meer verlengd en bovendien definitief
afgezien van haar diensten

Blijkens voormelde brief van Schmits Weerselo B.V. waren de prestaties
van de vrouw aanvankelijk uitstekend. Telkens bleek dat zij na een paar
maanden ziek werd, aldus Schmits B.V. Ook liepen haar arbeidsprestaties kort
voor een ziekmelding belangrijk terug, hetgeen volgens Schmits B.V. te wijten
was aan concentratieproblemen waardoor zij het werk plotseling niet meer
aankon

De vrouw is van 22 januari 1988 tot en met 24 januari 1988 en van 29
februari 1988 tot en met 3 november 1988 wegens ziekte arbeidsongeschikt
geweest

Dat aan haar ziekte een psychische oorzaak ten grondslag lag, kan worden
afgeleid uit de brief van de psychiater R.J. ten Kate van 20 september 1988
(productie bij akte van de vrouw van 21 september 1988)

Niet relevant is of de vrouw die ziekte aan zichzelf te wijten heeft,
zoals de man suggereert in zijn verweerschrift waar hij stelt dat de vrouw in
de jaren 1985 tot en met 1987 een aantal (verbroken) intieme relaties met
andere mannen heeft gehad. Vastgesteld moet worden dat de vrouw met enige
regelmaat en soms (zeer) langdurig ziek is geweest, ten gevolge waarvan zij
thans, op de leeftijd van 36 jaren zonder werk is

Gelet op die leeftijd en haar arbeidsverleden is het onwaarschijnlijk
dat zij op korte termijn een reguliere, full-time baan waarmee zij volledig
in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, weet te vinden, zeker ook gezien
de werkgelegenheidssituatie in Twente

De hiervoor geformuleerde vraag moet dus eveneens ontkennend worden
beantwoord;

2.8. Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat in de
gegeven situatie een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen wat partijen
bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in
werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onjuist is de vrouw aan het beding van
niet-wijziging te houden;

2.9. Daargelaten of de man in staat is alimentatie te betalen, waarover
hieronder nog nader, met hoeveel jaar dient de- aanvankelijk overeengekomen
termijn te worden verlengd?

Partijen zijn ruim vijf jaar gehuwd geweest, waarbij moet worden
opgemerkt dat de vrouw gedurende de eerste jaren van het huwelijk van
partijen, toen de man nog in opleiding was en dus weinig verdiende, het
gezinsinkomen heeft aangevuld met haar inkomsten uit arbeid

Op die wijze heeft zij bijgedragen aan de – gerealiseerde – carriere van
de man

Daarin vindt de rechtbank aanleiding om voormelde termijn met vier jaar
te verlengen tot in totaal zeven jaar;

2.10. Of een en ander gerealiseerd kan worden hangt af van de vraag of
(en in hoeverre) de man in staat is tot betaling van alimentatie

De man stelt dat hij niet in staat is tot betaling van enige alimentatie.
Ter staving van die stelling heeft hij overgelegd: a) jaarstukken 1986,

b) aangifte I.B. 1986,

c) voorlopige cijfers 1987,

d) begroting over het kalenderjaar 1988

Die stukken rechtvaardigen vooralsnog niet de conclusie van de man, dat
hij niet tot betaling van alimentatie in staat is

Voor een volledig beeld wenst de rechtbank nog overgelegd te zien:

e) jaarstukken 1987,

f) aangifte I.B. 1987 betreffende de man en diens vriendin (echtgenote),

g) jaarstukken 1988,

h) aangifte I.B. 1988 betreffende de man en diens vriendin (echtgenote),

i) voorlopige cijfers 1989,

j) bescheiden betreffende schulden (w.o. – eventueel –
hypotheekbescheiden), verzekeringspolissen met bewijzen van betaling,
bewijsstukken betreffende de studie van ’s mans vriendin alsmede bewijzen van
betaling, en – in het algemeen – alle bescheiden betreffende ’s mans
financiele omstandigheden waarop een beroep is gedaan of nog zal worden
gedaan

De man heeft zich nog het recht voorbehouden een draagkrachtberekening
te doen opmaken en over te leggen, waartoe hij thans in de gelegenheid zal
worden gesteld;

3. SLOTSOM

Hierna zal andermaal een tussenbeschikking worden gegeven, ter fine als
hiervoor in rechtsoverweging 2.10. vermeld;

4. BESLISSING

De rechtbank, beschikkende, bepaalt dat de man bij akte aan de rechtbank
zal overleggen de bescheiden, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.10
vermeld, en wel uiterlijk op woensdag 2 augustus 1989, met afschrift daarvan
aan de wederpartij;

bepaalt voorts dat de vrouw tot en met 16 augustus 1989 de tijd heeft om
te reageren op akte en bescheiden;

bepaalt tenslotte dat op woensdag 30 augustus 1989 een beschikking zal
worden gegeven;

houdt thans elke verdere beslissing aan

Rechters

Mr. van Valderen. plaatsvervangend lid van de enkelvoudige kamer en deheer Valk als griffier

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 3 juli 1989

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


B heeft aangifte gedaan van aanranding en verkrachting. Volgens de
kantonrechter is niet komen vast te staan noch aannemelijk gemaakt, dat de
verkrachtingen en aanrandingen daadwerkelijk hebben plaatsgehad, evenmin als
het hinderlijke lastigvallen door de directeur. Een bewijsopdracht wordt niet
noodzakelijk geacht. Naar de mening van de kantonrechter is de werkgeefster
voor de handelingen van haar directeur in casu niet verantwoordelijk, omdat
zij zich in de privé-sfeer zouden hebben afgespeeld en de werkgever – zo
staat onbetwist vast – niet door de werkneemster op de hoogste is gesteld
omtrent de (vermeende) onoorbare of strafbare gedragingen van de directeur. B
zal de directeur zelf op grond van onrechtmatige daad dienen aan te spreken
en niet de werkgeefster. De ontbinding wordt toegewezen. Nu niet is komen
vast te staan dat de werkgeefster ten opzichte van B onoorbaar heeft
gehandeld is er geen plaats voor een vergoeding.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van
schadevergoeding.

Volledige tekst

Verloop van de procedure
Het verzoekschrift, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, is
op 7 april 1989 op de griffie binnengekomen. Het verweerschrift, waarbij
verweerster zelf ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt, is op 2
juni 1989 op de griffie ontvangen en de mondelinge behandeling heeft
plaatsgevonden op 14 juni 1989.
(…)

De omschrijving van het geschil
1. Tussen partijen staat vast als erkend en niet weersproken, dat B. in
januari 1985 bij het Nationaal Comité is gaan werken, aanvankelijk in de
keuken en later op de linnenkamer. Vanaf 11 maart 1987 tot 1 juli 1987 is zij
halve dagen gaan werken en daarna is zij ziek geworden. Op 1 december 1988 is
B door de bedrijfsvereniging arbeidsgeschikt verklaard voor hetzelfde werk,
doch bij een andere werkgever.

2. B verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verandering van
omstandigheden. In de periode van mei 1985 tot februari 1986 heeft de
directeur van het Nationaal Comité, de heer X, haar onder toepassing van
psychische druk en lichamelijk geweld vele malen, ongeveer 25 keer verkracht
en aangerand. Hij dreigde haar ontslag te geven als zij niet toegaf aan zijn
sexuele verlangens. Omdat het zeer belangrijk was haar baan te behouden en
zij ook de mogelijkheid tot het volgen van een opleiding niet wilde
verspillen, heeft verzoekster geen kans gezien zich er tegen te verzetten.
Vanaf maart 1986 tot juli 1987 heeft X zich op zeer geraffineerde wijze
steeds verder ingedrongen in haar privé-leven, waardoor zij geheel geïsoleerd
raakte. Zij is daardoor overspannen geraakt en ziek geworden. Omdat B X, die
directeur was, als haar werkgever beschouwde, is zij van mening dat de
oorzaak voor het onderhavige ontbindingsverzoek geheel bij hem is gelegen en
gezien de ernst van de misdragingen acht B het billijk dat haar een
vergoeding voor materiële en immateriële schade wordt toegekend van ƒ 25.000.
Ten bewijze van haar stellingen heeft B processen-verbaal van de politie,
opgemaakt tegen X, op grond van haar aangifte, overgelegd, alsmede een
rapport van prof. Frenken, hoogleraar seksuologie, welke rapport op verzoek
van de officier van justitie in de strafzaak tegen X is opgemaakt. Gelet
echter op het verzet van het Nationaal Comité en de raadsman van X tegen
overlegging van deze stukken, omdat deze – naar als onbetwist vaststaat –
niet volledig zijn, omdat het gerechtelijk vooronderzoek tegen X nog niet is
gesloten en er nog verhoren zullen plaatsvinden, alsmede nog een tegenrapport
wordt opgemaakt, heeft de kantonrechter van deze stukken geen kennis genomen
en deze aan B terug doen zenden.

3. Het Nationaal Comité voert verweer.
a. Zij voert aan dat de arbeidsovereenkomst met B met wederzijds
goedvinden is geëindigd per 1 december 1988. Immers, volgens de
bedrijfsvereniging heeft B een WW-uitkering aangevraagd en zich neergelegd
bij het einde van het dienstverband, terwijl bovendien B vrijwillig de
sleutel heeft afgegeven aan de medewerker van het Nationaal Comité K van R.
Volgens deze werknemer heeft B bij het ophalen van de sleutel gezegd, dat het
uit dienst gaan geheel vrijwillig was en dat de afrekening van de
vakantiedagen correct was. Een verklaring van Van R is overlegd. Inmiddels
werkt zij als kraamverzorgster.
b. Het Nationaal Comité ontkent dat X op enige wijze psychisch en
lichamelijk geweld heeft gebruikt jegens B. Op grond van de aangifte van B is
proces-verbaal opgemaakt en er loopt thans een strafzaak tegen X. Hij wordt
per oktober 1989 eervol ontslagen en is thans niet werkzaam bij het Nationaal
Comité, omdat sinds de aangifte door B en de publiciteit daaromheen er een
onmogelijke situatie is ontstaan met ouders van kinderen die op het internaat
zijn.
De waarnemend directeur L heeft verklaard dat hij nooit iets heeft gemerkt
van lastig vallen van B door X, wel was bekend dat X en B, alsmede mevrouw X
over en weer bij elkaar thuis kwamen en elkaars sleutels bezaten. Op
geruchten omtrent een eventuele verhouding tussen B en X heeft de heer X
steeds ontkennend geantwoord.
c. De verandering in omstandigheden is geheel te wijten aan B.
Andere werknemers in de keuken en in de linnenkamer konden niet met haar
samenwerken. Ten bewijze hiervan heeft het Nationaal Comité verklaringen van
werknemers overgelegd, waarin dit bevestigd wordt. Er is zowel in de keuken
als in de linnenkamer een onwerkbare situatie ontstaan, op grond waarvan het
Nationaal Comité ook zelf verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens
veranderingen in de omstandigheden zonder een vergoeding, althans een lagere
vergoeding, toe te kennen.
d. Het Nationaal Comité is van mening, dat zij geen schade hoeft
te vergoeden die eventueel wordt geleden wegens het toebrengen van schade aan
B door een andere werknemer van haar. Zij wijst in dit verband op twee
uitspraken van de kantonrechter te Nijmegen. B heeft het bestuur noch de
stafleden ooit op de hoogte gesteld van de aanrandingen en verkrachtingen
door X.

4. B betwist akkoord te zijn gegaan met een beëindiging van de
arbeidsovereenkomst. Zij heeft geen ander werk doch volgt alleen een
opleiding als kraamverzorgster via bemiddeling van de Gemeenschappelijke
Dienst te Utrecht.
Zij heeft de feiten en omstandigheden, waaronder de ongewenste intimiteiten
plaatsvonden, nader toegelicht, hetgeen – kort samengevat – op het volgende
neerkomt: zij had contacten met X, die in januari 1985 vroeg of zij wilde
invallen op het schippersinternaat. Naderhand is zij ook in vaste dienst
gekomen. X kwam steeds vaker bij haar thuis, aanvankelijk om haar te helpen
bij de opvoeding van haar kinderen. Hij had een eigen sleutel van haar
woning, die zij niet zelf had gegeven.
Later heeft zij nog een ander slot laten plaatsen, doch niet lang daarna had
hij weer een sleutel. Op het werk was iedereen op de hoogte omdat hij haar
daar overal volgde. Hij heeft haar diverse malen verkracht. Zij heeft
daarover gesproken met de dominee en met verschillende instanties, die haar
niet geloofden. Zij is aanvankelijk ook niet naar de politie gegaan omdat zij
nergens gehoor vond, zelfs niet bij de RIAGG en bij de AbvaKabo. Uiteindelijk
is er iets gedaan na bemiddeling van de Gemeenschappelijke Medische Dienst,
toen zij ziek was geworden. X kwam op de gekste momenten bij haar thuis
langs.

5.De kantonrechter heeft de heer X als getuige gehoord. Deze heeft – kort
samengevat – verklaard, dat hij B, voordat zij bij het internaat kwam werken,
al kende samen met haar tweede echtgenoot via de kerk. Na de echtscheiding
begeleidde har haar bij de opvoeding van de kinderen en gaf hij de oudste
zoon bijles. B had hem zelf een sleutel gegeven van haar woning, omdat hij
vaak dingen van het internaat voor haar meebracht met de auto. B had ook een
sleutel van zijn woning omdat zij zijn schoonmoeder enige tijd in 1985 heeft
verzorgd en zijn wasmachine gebruikte, omdat die van haar kapot was.
Hij betwist achter haar te zijn gelopen op het werk en betwist ook haar thuis
te zijn lastig gevallen haar verkracht te hebben. hij is wel eens ’s nachts
bij haar op bezoek geweest, omdat zij zelf had gebeld en om hulp had
gevraagd. hij heeft haar geholpen bij het schrijven van een brief aan haar
eerste echtgenoot in Parijs, doch bleek later verkeerd door B te zijn
voorgelicht. Mede hierdoor is de verhouding bekoeld en zijn over en weer de
sleutels teruggegeven. Ook zijn vrouw had veel contact met B.

De beoordeling van het geschil
6. De arbeidsovereenkomst is niet met wederzijds goedvinden geëindigd.
Niet te spoedig moet worden aangenomen, dat een werknemer instemt met een
ontslag, temeer niet als er geen sprake is van een uitdrukkelijke en
duidelijke wilsuiting. Dit laatste is niet gesteld of gebleken. Het afgeven
van een sleutel is niet als een zodanige wilsuiting aan te merken, terwijl
het volgen van een opleiding als kraamverzorgster evenmin betekent dat er
toegestemd wordt in een beëindiging van het dienstverband.

7. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, nu beiden
partijen dit verzoeken en uit de stellingen van partijen over en weer volgt,
dat de verhoudingen zijn verstoord.

8. Niet is komen vast te staan noch aannemelijk gemaakt, dat X B meermalen
heeft verkracht of aangerand en dat B dit, alsmede een hinderlijk lastig
vallen door X heeft toegelaten uit angst voor het verlies van haar baan. X
ontkent dit ten stelligste en weerlegt ook concrete aantijgingen van B. Nader
bewijs zal hiervoor nodig zijn, hetgeen B ook heeft aangeboden, maar waaraan
de kantonrechter voorbij gaat gelet op het hierna overwogene.

9. Het Nationaal Comité heeft terecht de vraag opgeworpen, of – zo het bewijs
van verkrachtingen en aanrandingen geleverd wordt – zij als werkgeefster voor
de handelingen van haar directeur op dit gebied verantwoordelijk is en of een
vergoeding wegens materiële of immateriële schade door het Nationaal Comité
aan B op zijn plaats is.
Dit is het Nationaal Comité niet naar het oordeel van de kantonrechter.
Als onbetwist staat immers vast, dat het Nationaal Comité niet op de hoogte
is gesteld door B omtrent de (eventuele) gedragingen van X.
Uit de verklaringen van B en X zelf valt af te leiden, dat de vele
ontmoetingen tussen hen plaatsvonden in de privé-sfeer en bij B of X thuis.
Over en weer zijn zij in die sfeer elkaar behulpzaam geweest, B door de zorg
voor de schoonmoeder van X in 1985 en X door hulp en bijstand ten opzichte
van de kinderen van B. X en B kenden elkaar al via de kerk, voordat B in
dienst trad.
Zo al komt vast te staan, dat X zich onoirbaar en zelfs strafbaar heeft
gedragen ten opzichte van B, dan dient zij X zelf aan te spreken daarop en
niet aan het Nationaal Comité als werkgeefster van hen beiden.
Nu niet is komen vast te staan dat het Nationaal Comité verwijtbaar heeft
gehandeld ten opzichte van B, is er geen plaats voor een vergoeding naar
billijkheid.

10. Nu beide partijen verzocht hebben de arbeidsovereenkomst te ontbinden, is
er aanleiding beiden partijen hun eigen kosten te laten dragen.

Beslissing
De kantonrechter stelt partijen in kennis van haar voornemen de
arbeidsovereenkomst te ontbinden per 15 juli 1989 op verzoek van beide
partijen.
B krijgt gelegenheid het verzoek van haar kant in te trekken binnen tien
dagen na heden.
Bij intrekking van het verzoek door B, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden
alleen op verzoek van het Nationaal Comité en wel per 15 juli 1989.

Rechters

Mr. M.M. van Ditzhuijzen

Instantie: Hof van Justitie EG, 27 juni 1989

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Volgens het Hof is de Richtlijn niet van toepassing op personen die geen
arbeid hebben verricht en die geen werkzoekenden zijn. Gepensioneerden kunnen
dus geen beroep doen op de Derde Richtlijn. Prejudicieele vragen gesteld door
de Raden van Beroep Groningen en Utrecht.

Volledige tekst

ARREST

1. Bij drie bevelen, van 12 februari en 29 maart 1988, ingekomen bij het
Hof op respectievelijk 16 februari en 31 maart 1988, hebben de Raden van
Beroep te Utrecht en te Groningen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee
respectievelijk drie prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van
richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24), ten
einde de personele werkingssfeer van deze richtlijn te bepalen.

2. Die vragen zijn gerezen in drie geschillen tussen Nederlandse
onderdanen en de Sociale Verzekeringsbank over de vraag of personen die niet
beschikbaar zijn geweest voor de arbeidsmarkt, tegenover de toepassing van de
Nederlandse wetgeving inzake ouderdomspensioenen een beroep kunnen doen op
richtlijn 79/7, waarvan de omzettingstermijn op 23 december 1984 is
verstreken.

3. Blijkens het dossier voorziet de Algemene Ouderdomswet voor
Nederlands ingezetenen alsmede voor niet-ingezetenen die ter zake van in
Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn
onderworpen, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd in een algemeen
ouderdomspensioen, waarbij de pensioenrechten worden opgebouwd op basis van
vervulde verzekeringstijdvakken. Tot een wetswijziging op 1 april 1985 was een
in Nederland wonende gehuwde vrouw wier echtgenoot, hoewel Nederlands
ingezetene, niet verzekerd was omdat hij in het buitenland arbeid verrichtte
en aldaar verzekerd was, zelf niet verzekerd voor de desbetreffende
tijdvakken; een in Nederland wonende gehuwde man wiens echtgenote van de
verzekering was uitgesloten, bleef daarentegen wel verzekerd.

4. Van de drie verzoeksters in de hoofdgedingen hebben er twee
werkzaamheden in loondienst verricht, die zij vrijwillig hebben beeindigd; de
derde heeft nimmer als werknemer of als zelfstandige gewerkt. Op grond dat hun
in Nederland wonende echtgenoten enige tijd in het buitenland hadden gewerkt
en daar verzekerd waren geweest, weigerde de Sociale Verzekeringsbank hun bij
het bereiken van de 65-jarige leeftijd een volledig pensioen toe te kennen.

5. Van het oordeel dat de uitspraak op de beroepen tegen de beslissingen
van de Sociale Verzekeringsbank afhing van de uitlegging van richtlijn 79/7,
hebben de Raden van Beroep te Utrecht en te Groningen de behandeling van de
zaken geschorst en het Hof de navolgende prejudiciele vragen voorgelegd:

In zaak 48/88:

“1. Valt onder het begrip ‘beroepsbevolking’ in de zin van artikel 2 van
richtlijn 79/7 ook degene die werkzaamheden in loondienst in een Lid-Staat
heeft verricht maar op het moment van het intreden van een van de in artikel 3
van die richtlijn bedoelde risico’s niet meer ter beschikking van de
arbeidsmarkt staat?

2. Moet artikel 5 van richtlijn 79/7 aldus worden uitgelegd, dat deze
bepaling de Lid-Staten verplicht, om in een stelsel, volgens hetwelk het
uitkeringsbedrag afhankelijk is van de verzekeringsduur, het nadelig effect
van een door deze richtlijn verboden onderscheid in de opbouw van
uitkeringsrechten op de hoogte van de uitkering ongedaan te maken voor na 22
december 1984 op grond van eigen rechten te verlenen prestaties inzake
ouderdom?”

In zaak 106/88:

“1. Valt onder de kring van personen, als omschreven in artikel 2 van
richtlijn 79/7, degene die geen werkzaamheden als werknemer of als
zelfstandige in een Lid-Staat heeft verricht en die niet beschikbaar is
geweest voor de arbeidsmarkt ten gevolge van de keuze voor verzorging van de
gezinshuishouding?

2. Kan een particulier, die niet valt onder de kring van personen, als
omschreven in artikel 2 van de richtlijn 79/7, zich beroepen op het bepaalde
in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 tegenover een voorschrift van de AOW
dat mogelijk niet met het in deze bepaling opgenomen beginsel van gelijke
behandeling in overeenstemming is, nu de Nederlandse wetgever ervoor heeft
gekozen om de verwezenlijking van dit beginsel van de richtlijn 79/7 zonder
onderscheid des persoons in de AOW door te voeren?

3. Is er sprake van een in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 verboden
discriminatie op grond van geslacht, wanneer een wettelijke bepaling tot
gevolg heeft dat wegens niet-verzekerde tijdvakken, gelegen voor 23 december
1984, een korting plaatsvindt op het ouderdomspensioen van een vrouw, waar na
22 december 1984 aanspraak op bestaat, indien die korting niet kan gelden voor
de met die vrouw vergelijkbare man, omdat het in tijdvakken voor 23 december
1984 niet-verzekerd zijn voortvloeide uit de status van echtgenote?”

in zaak 107/88:

“1a. Valt onder de kring van personen, als omschreven in artikel 2 van
richtlijn 79/7, degene die werkzaamheden als werknemer heeft verricht in een
Lid-Staat, doch laatstelijk voor, alsmede bij het intreden van ouderdom als
bedoeld in artikel 3, lid 1, van die richtlijn, deze werkzaamheden niet meer
verricht door onvrijwillige werkloosheid, terwijl na het intreden daarvan er
geen beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt meer is ten gevolge van de keuze
voor verzorging van de gezinshuishouding?

1b. Maakt het daarbij nog verschil of de werkzaamheden zijn gestaakt en
niet gevolgd zijn door beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, nog voordat de
richtlijn 79/7 in werking trad?

1c. Indien vraag 1a ontkennend wordt beantwoord, hoe luidt dan het
antwoord op de volgende vraag:

Kan een particulier, die niet valt onder de kring van personen, als
omschreven in artikel 2 van de richtlijn 79/7, zich beroepen op het bepaalde
in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 tegenover een voorschrift van de AOW
dat mogelijk niet met het in deze bepaling opgenomen beginsel van gelijke
behandeling in overeenstemming is, nu de Nederlandse wetgever ervoor heeft
gekozen om de verwezenlijking van dit beginsel van de richtlijn 79/7 zonder
onderscheid des persoons in de AOW door te voeren?

2. Is er sprake van een in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 verboden
discriminatie op grond van geslacht, wanneer een wettelijke bepaling tot
gevolg heeft dat wegens niet-verzekerde tijdvakken, gelegen voor 23 december
1984, een korting plaatsvindt op het ouderdomspensioen van een vrouw, waar na
22 december 1984 aanspraak op bestaat, indien die korting niet kan gelden voor
de met die vrouw vergelijkbare man, omdat het in tijdvakken voor 23 december
1984 niet-verzekerd zijn voortvloeide uit de status van echtgenote?”

6. Bij beschikking van 13 december 1988 zijn de zaken 48, 106 en 107/88
voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.

7. Voor een andere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de
bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter
terechtzitting.

Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor
zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

8. Bij de eerste vraag in de zaken 48 en 106/88 alsmede bij vraag 1a in
zaak 107/88 gaat het erom, of art. 2 van richtlijn 79/7 aldus moet worden
uitgelegd, dat de richtlijn van toepassing is op personen die geen arbeid
hebben verricht en die geen werkzoekenden zijn, en op personen die arbeid
hebben verricht welke niet is onderbroken door een van de in art. 3, lid 1,
sub a, van de richtlijn genoemde risico’s, en die geen werkzoekenden zijn.

9. De personele werkingssfeer van de richtlijn is omschreven in art. 2,
volgens hetwelk de richtlijn van toepassing is op de beroepsbevolking,
werkzoekenden en op werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken
door een van de in art. 3, lid 1, sub a, opgesomde risico’s, te weten ziekte,
invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten, en werkloosheid.

10. Volgens art. 3, lid 1, sub a, is de richtlijn van toepassing op de
wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen ouderdom, en om een
dergelijke regeling gaat het in de hoofdgedingen. Uit de artt. 2 en 3 van de
richtlijn tezamen genomen volgt evenwel, dat de richtlijn enkel geldt voor
personen die arbeid verrichten op het moment waarop zij aanspraak kunnen maken
op ouderdomspensioen, of wier arbeid voordien is onderbroken door een van de
andere in art. 3, lid 1, sub a, genoemde risico’s.

11. De richtlijn is derhalve niet van toepassing op personen die nooit
ter beschikking van de arbeidsmarkt zijn geweest of die dit niet meer zijn om
een reden die geen verband houdt met het intreden van een van de in de
richtlijn bedoelde risico’s.

12. Deze uitlegging is in overeenstemming met het gemeenschapsrecht en
met de tekst van de andere regelingen in samenhang waarmee richtlijn 79/7 moet
worden gelezen. Immers, art. 119 EEG-Verdrag alsook richtlijn 75/117 van de
Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke
beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19) en
richtlijn 76/207 van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding
en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39,
blz. 40), beogen de verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en
vrouwen niet in het algemeen, maar uitsluitend voor zover zij een beroep
uitoefenen.

13. Op de eerste vraag in de zaken 48 en 106/88 en op vraag 1a in zaak
107/88 moet mitsdien worden geantwoord, dat art. 2 van richtlijn 79/7 aldus
moet worden uitgelegd, dat de richtlijn niet van toepassing is op personen die
geen arbeid hebben verricht en die geen werkzoekenden zijn, en op personen die
arbeid hebben verricht welke niet is onderbroken door een van de in art. 3,
lid 1, sub a, van de richtlijn genoemde risico’s, en die geen werkzoekenden
zijn.

14. Op vraag 1b in zaak 107/88 moet worden geantwoord, dat het voor het
antwoord op vraag 1a in deze zaak geen verschil maakt of de betrokkene zijn
werkzaamheden heeft gestaakt en niet meer voor de arbeidsmarkt beschikbaar is
geweest voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn.

15. De tweede vraag in zaak 106/88 en vraag 1c in zaak 107/88 strekken
ertoe te vernemen, of richtlijn 79/7 in die zin moet worden uitgelegd, dat een
persoon die niet onder art. 2 van de richtlijn valt, een beroep kan doen op
art. 4 daarvan.

16. Uit de innerlijke logica van de richtlijn volgt dat art. 4, dat de
draagwijdte van het beginsel van gelijke behandeling afbakent, alleen van
toepassing is binnen de personele en materiele werkingssfeer van de
richtlijn.

17. Mitsdien moet op de tweede vraag in zaak 106/88 en op vraag 1c in
zaak 107/88 worden geantwoord, dat een persoon die niet onder art. 2 van
richtlijn 79/7 valt, geen beroep kan doen op art. 4 ervan.

18. Gezien de op deze vragen gegeven antwoorden behoeven de tweede vraag
in zaak 48/88, de derde vraag in zaak 106/88 en de tweede vraag in zaak 107/88
geen beantwoording. (…)

KOSTEN

19. De kosten door de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de
regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannie en Noord-Ierland en
de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner
opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking
komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een
aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke
instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie (Tweede Kamer), uitspraak doende op de door de
Raden van Beroep te Utrecht en te Groningen bij bevelen van 12 februari en 29
maart 1988 gestelde vragen,

verklaart voor recht:

1. Art. 2 van richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet
aldus worden uitgelegd, dat de richtlijn niet van toepassing is op personen
die geen arbeid hebben verricht en die geen werkzoekenden zijn, en op personen
die arbeid hebben verricht welke niet is onderboken door een van de in art. 3,
lid 1, sub a, van de richtlijn genoemde risico’s, en die geen werkzoekenden
zijn.

2. Het voorgaande wordt niet anders, wanneer de betrokkene zijn
werkzaamheden heeft gestaakt en niet meer voor de arbeidsmarkt beschikbaar is
geweest voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn.

3. Een persoon die niet onder art. 2 van richtlijn 79/7 valt, kan geen
beroep doen op art. 4 ervan.

Noot

De drie AOW-sters hebben tevergeefs een beroep gedaan op de Derde
Richtlijn van de EG, zo blijkt uit de uitspraak van het Hof. De vrouwen zijn
van mening dat zij ongelijk behandeld worden omdat hun AOW-uitkering wordt
gekort vanwege het verblijf van hun echtgenoot in het buitenland.

Ingezetenen die in de leeftijd van 15 tot 65 jaar ononderbroken
verzekerd zijn geweest krachtens de AOW, hebben op 65-jarige leeftijd recht op
een volledige AOW-uitkering. Voor elk niet-verzekerd kalenderjaar wordt een
korting van 2 procent toegepast.

Tot 1 april 1985 waren in Nederland wonende vrouwen niet verzekerd
gedurende de perioden dat hun echtgenoot in het buitenland verbleef, terwijl
omgekeerd de in Nederland wonende man wel verzekerd was ondanks het feit dat
zijn vrouw in het buitenland verbleef. Sinds 1 april 1985 zijn gehuwde vrouwen
niet langer van de verzekering uitgesloten op grond van het feit dat hun
echtgenoot in het buitenland verblijft. Er is echter geen voorziening
getroffen, dat degenen die als gevolg van de voor 1 april 1985 geldende
wetgeving waren uitgesloten van verzekering, alsnog verzekerd kunnen worden.

Het Hof heeft weinig woorden nodig om uit te maken dat deze
gepensioneerde vrouwen niet onder de Derde Richtlijn vallen. Het maakt daarbij
volgens het Hof niet uit of zij voor hun pensionering al dan niet hebben
gewerkt. De werkingssfeer van de Derde Richtlijn is in dubbel opzicht beperkt,
namelijk in personeel opzicht (art. 2) en in materieel opzicht (art. 3). Men
moet aan beide voorwaarden voldoen om onder de Richtlijn te kunnen vallen.

In het arrest Drake heeft het Hof het begrip beroepsbevolking ruim
uitgelegd, zodat de vrouw, die haar werk opgaf om haar invalide moeder te
verzorgen, geacht werd tot de beroepsbevolking in de zin van de Richtlijn te
behoren. Volgens het Hof in dat arrest is de gedachte achter art. 2 ‘dat de
persoon wiens arbeid door een van de in art. 3 bedoelde risico’s is
onderbroken, tot de beroepsbevolking behoort’. Aangezien krachtens art. 3 de
Richtlijn van toepassing is op de wettelijke regelingen die bescherming bieden
tegen ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten, en
werkloosheid, zou men verwachten dat dan in ieder geval de gepensioneerde
werknemers wel onder de Derde Richtlijn zouden vallen.

Volgens het Hof geldt de Richtlijn echter alleen voor personen die
arbeid verrichten op het moment waarop zij aanspraak kunnen maken op
ouderdomspensioen, of wier arbeid voordien is onderbroken door een van de
andere in art. 3, lid 1, sub a, genoemde risico’s. Voor gepensioneerde
werknemers geldt derhalve dat zij alleen tot de beroepsbevolking in de zin van
de Richtlijn worden gerekend op het moment dat zij nog werken, voor andere
werknemers zoals Drake geldt dat zij tot de beroepsbevolking behoren als zij
voordien hun arbeid hebben onderbroken wegens ziekte, invaliditeit,
werkloosheid etcetera. De verklaring hiervoor is, zoals het Hof ook aangeeft,
dat art. 119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde richtlijnen de
verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen niet in het
algemeen beogen, maar uitsluitend voor zover zij een beroep uitoefenen. De
economische oorsprong van de richtlijnen laat zich hieruit duidelijk aflezen.

In zijn conclusie vraagt de advocaat-generaal zich af of geen beroep
gedaan had moeten worden op art. 51 van het Verdrag (waarborg positie
migrerende werknemers op het terrein van de sociale zekerheid), aangezien deze
regeling waarbij het ouderdomspensioen van de echtgenote van een migrerend
werknemer wordt gekort omdat die werknemer enkele jaren in een andere
Lid-Staat heeft gewerkt, volgens hem inderdaad als discriminerend kan worden
ervaren.

Het is jammer dat het Hof niet meer aan de beantwoording van de overige
vragen is toegekomen, aangezien er anders nog een andere interessante kwestie
aan de orde was gekomen. Zowel de Nederlandse regering als de Sociale
Verzekeringsbank zijn er bij de beantwoording van de vragen inderdaad van
uitgegaan dat gepensioneerde werknemers wel onder de Derde Richtlijn vallen.

Zij zijn echter unaniem van mening dat het verbod van iedere vorm van
discriminatie niet geldt voor deze regeling, aangezien het hier om een
zogenaamd opbouwstelsel gaat, waarbij de hoogte van de uitkering afhankelijk
is van de duur van de verzekering, en niet om een risicostelsel. Aangezien in
een opbouwstelsel een geleidelijke opbouw plaatsvindt, moeten de
rechtsgevolgen van de normen die gelden volgens de Nederlandse regering
gerespecteerd worden, voordat gevolg gegeven moet worden aan de Derde
Richtlijn. Zowel de Commissie van de EG als de advocaat-generaal maken hiermee
ü
te metten. De advocaat-generaal wijst erop dat in het arrest Dik en
Menkutos-Demirci (8 maart 1988, zaak 80/87, nog niet gepubliceerd) het Hof
heeft verwezen naar ‘de aan het ontstaan van het recht op uitkering verbonden
voorwaarden’, zonder daarbij onderscheid te maken tussen sociale verzekeringen
op basis van een omslagstelsel en die op basis van kapitaalvorming. Volgens
hem gaat het erom dat eventuele nog bestaande ongelijkheden onverwijld worden
opgeheven. Volgens de Commissie is in de communautaire wetgeving niet voorzien
in een overgangsregeling, gedurende welke de gevolgen van bepaalde
discriminaties nog zouden mogen doorwerken.

Het is jammer dat deze discriminerende regeling niet door de Derde
Richtlijn kan worden afgestraft. Art. 26 van het BuPo-Verdrag is uiteraard wel
van toepassing, sinds de Centrale Raad van Beroep deze onder andere in de
uitspraak van 5 januari 1988 (RSV 1988/198) van toepassing heeft geacht op het
terrein van de sociale zekerheid, zodat het ernaar uitziet dat deze regeling
geen lang leven is beschoren, zodra een beroep op art. 26 BuPo-Verdrag wordt
ingesteld.

Len Andringa

Rechters

T.F. O’Higgens, kamerpresident, G.F. Mancini en F. Schokweiler, rechters

Instantie: Kantonrechter Hoorn, 26 juni 1989

Instantie

Kantonrechter Hoorn

Samenvatting


De werkneemster was in- en verkoopassistente van de directeur van de
betreffende onderneming. In die functie ging zij vaak met hem mee op
buitenlandse reizen. Tijdens deze reizen en op het werk zelf constateerde zij
keer op keer dat haar werkgever ten opzichte van haar seksueel opdringerig
gedrag vertoonde en seksueel getinte opmerkingen maakte.
Gesprekken waarbij zij haar ongenoegen hierover uitte brachten maar korte
tijd verandering in zijn gedrag teweeg. Uiteindelijk meldde zij zich weer
overspannen en vroeg aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te
ontbinden.
De kantonrechter veroordeelt het gedrag van de directeur: “geen werknemer
(M/V) hoeft te wijken voor ongewenste intimiteiten van de meerdere of van
collega’s (M/V) hetzij door deze maar te accepteren, hetzij door ontslag te
nemen. “
De kantonrechter heeft ƒ 20.000 (twintigduizend gulden) immateriële
schadevergoeding toegekend en een aanvulling op haar uitkering tot 100% van
haar laatste loon gedurende een jaar.

Volledige tekst

Standpunten van partijen

X wenst ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Y wegens gewichtige
redenen. X stelt, dat er sprake is van een zodanige verandering van
omstandigheden, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of op
korte termijn behoort te eindigen.

Ter toelichting van haar verzoek heeft X – kort samengevat – en voor zover
ten deze van belang – het navolgende aangevoerd:

X is sedert 2 november 1981 in vaste dienst bij Q, laatstelijk in de functie
van directie-assistente, met name belast met de in- en verkoop van goederen.
Haar salaris bedroeg laatstelijk ƒ 3.830 bruto per maand exclusief
vakantietoeslag ad 7,5 procent en 24 vakantiedagen.
Sedert 1 juni 1986 is haar positie in het bedrijf van Q gewijzigd. Door haar
aanstelling als directie-assistente, mede belast met de in- en verkoop, ging
zij nauw samenwerken met de directeur, Y. Dat hield onder meer in, dat zij
nog meer dan voorheen met hem mee ging op zakenreizen, in Europa, maar ook in
Zuid-Oost Azië. Ook overigens in het kantoor van Y had zij veelvuldig contact
met Y. Geleidelijk aan begon zij te ontdekken dat de hechte samenwerking met
Y als zijn assistente op het persoonlijke vlak ook gevolgen had. Maakte haar
duidelijk in woord en gebaar dat haar activiteiten voor hem zich niet dienden
te beperken tot de zakelijke kant. Zij ervoer zijn aanrakingen en opmerkingen
als hinderlijk, doch was kennelijk niet bij machte Y van de onjuistheid
daarvan te overtuigen. Dit legde een psychische druk op haar, waardoor zij
een aantal periodes arbeidsongeschikt werd. Haar huisarts was op de hoogte
van de spanningen die op het werk bestonden.
In november 1986 vond tijdens een zakenreis in Duitsland een incident plaats
dat haar hevig beroerde. Y heeft toen haar hotelkamer ingetrapt en haar
geslagen. Na een korte rustperiode hervatte Y zijn oude gedrag jegens haar
weer, ondanks haar pogingen om afstand te scheppen.
In het voorjaar van 1988 heeft op verzoek van X een gesprek plaatsgehad met Y
in aanwezigheid van de partner van X. Zij heeft hem toen (weer) uitgelegd dat
zij niet van zijn gedrag jegens haar gediend was en dat zij zich daardoor zo
onder druk gezet voelde, dat zij haar werk niet kon doen en zich af en toe
ziek moest melden.
Na enige tijd bleek haar dat Y zijn gedrag na dit gesprek helemaal niet
wijzigde. In augustus 1988 vond weer een gesprek plaats. Het werd toen
duidelijk dat Y zijn houding en gedrag jegens haar niet wilde wijzigen. Zij
bleek hier niet meer tegen opgewassen en meldde zich ziek.
X meent dat in deze omstandigheden er geen andere oplossing is dan een
beëindiging van het dienstverband. Zij leidt hierdoor ernstige schade in
materiële zin, daar zij er niet in zal slagen om elders een gelijkwaardige
functie en salaris te verwerven, terwijl de gebeurtenissen in de afgelopen
jaren haar ook geestelijke schade hebben toegebracht (zoals blijkt uit het
veelvuldige ziekteverzuim veroorzaakt door de spanningen die bij haar
ontstonden door de bejegening van de directeur). Zij acht daarom een
vergoeding van ƒ 30.000 wegens immateriële schade en een suppletie gedurende
2 jaar tot het laatstgenoten brutoloon redelijk.
Q heeft tegen het verzoek verweer gevoerd. Q gaat akkoord met de gevraagde
ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Zij meent echter dat er geen enkele
grond is voor toekenning van een vergoeding. Volgens Q is er geen sprake van
ongewenste intimiteiten in de werkrelatie tussen haar en directeur en X. De
functiewijziging in 1986 was veroorzaakt door een samenwerkingsprobleem
tussen X en twee andere collega’s. het was X zelf die zocht naar een meer
persoonlijke relatie met Y. De salarisontwikkeling sedert 1981 is met name
ingegeven door de persoonlijke omstandigheden aan de zijde van X, haar
financiële moeilijkheden en de zorg voor een kind en ‘huisman’ en niet door
haar arbeidsprestaties.
Dat X zich steeds minder ‘lekker’ in het bedrijf gaat voelen werd veroorzaakt
door financiële problemen en spanningen thuis en doordat zij een
reorganisatie binnen het bedrijf niet kon bijbenen.
De relatie met Y was overigens al die tijd uitstekend. Het incident in het
hotel in Duitsland ontstond door onbeheerst gedrag van X.
In het gesprek dat in het voorjaar van 1988 plaatsvond in aanwezigheid van de
vriend van X, werd met name gesproken over het functioneren van X in de
Q-organisatie en het was voor Y toen een complete verrassing te horen dat X
problemen had met zijn gedrag in woord en gebaar jegens haar. Hij had dit
zelf volstrekt niet zo ervaren. Overigens lag daar geen seksuele bedoeling
aan ten grondslag.
Ook in het gesprek in augustus 1988 is het met name gegaan over het
functioneren van X en heeft Y haar toen verzocht om weer mee te gaan op de
buitenlandse inkoopreizen.

Beoordeling van het verzoek
De dienstbetrekking, functie en salaris staan niet ter discussie tussen
partijen. Evenmin de vraag of de arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden.
Kernpunt van het geschil is, dat X van mening is dat de directeur Y het door
zijn gedrag en houding jegens haar onmogelijk heeft gemaakt dat zij de
arbeidsovereenkomst continueert. Zij voelde zich onder druk gezet door Y die
meer een persoonlijke relatie nastreefde en wel zodanig dat hij daarbij zich
veroorloofde haar te omarmen, te zoenen, haar borsten te betasten en seksueel
getinte opmerkingen te maken, waaruit X afleidde dat Y meer van haar
verlangde dan een werkassistentschap.
Dit veroorzaakte zodanige spanningen, met name toen zij bemerkte dat Y niet
op haar afwerendheid reageerde en in augustus 1988 weer hervatting van de
gezamenlijke buitenlandse reizen verlangde, dat zij arbeidsongeschikt raakte
en thans geen andere oplossing ziet dan beëindiging van het dienstverband.
Hierdoor lijdt zij een inkomstenderving (LEAO en niet-gediplomeerde
kinderverzorging) en door haar eenzijdige werkervaring (alleen bij Q) is niet
te verwachten dat zij elders een gelijkwaardig salaris als bij Q (f 3.830 per
maand) zal kunnen verwerven.
Q en met name haar directeur Y acht een en ander volstrekt onjuist. Uit de
stellingen van partijen en met name uit hetgeen bij de mondelinge behandeling
door X en Y is verwoord, is voor ons genoegzaam aannemelijk geworden, dat de
verhouding tussen de directeur Y en zijn inkoopassistente ingrijpend is
verstoord.
De verstoring is veroorzaakt, omdat beiden een geheel verschillende, ja zelfs
tegengestelde wijze van met elkaar omgaan in het werk voorstaan. X wilde
uitsluitende een werkrelatie met Y. Zij ervoer zijn gedrag en de houding van
Y jegens haar als even zoveel pogingen van de mannelijke meerdere om de
vrouwelijke mindere naar zijn hand te zetten en wel zo, dat zij een sexueel
getinte relatie zouden hebben.
Y ontkent dat hij zich jegens X heeft misdragen. Op zichzelf is het zeer wel
mogelijk dat Y in zijn belevingswereld zijn houding en gedrag jegens X
volstrekt niet als onoorbaar heeft gezien, doch dat is in deze niet
essentieel. het is aan Y als directeur/werkgever toe te rekenen dat hij
onvoldoende zorgvuldig is omgegaan met dit personeelslid en met de wijze
waarop zij zijn gedrag en houding heeft ervaren jegens haar. Juist bij een zo
persoonlijke werkrelatie als tussen de directeur van een klein bedrijf en
zijn assistente, die dikwijls meeging op meerdaagse zakenreizen, dient de
directeur erop bedacht te zijn dat zijn medewerkster (zijn ondergeschikte)
niet gediend is van de wijze waarop de directeur haar bejegent. De
gezagsverhouding en de omstandigheden tijdens een reis maken het moeilijk
voor de medewerkster om die grenzen aan te geven, zodat juist van de
directeur een zorgvuldig gedrag moet worden verwacht.
Uit de gebeurtenissen in Duitsland, tijdens een reis in 1986 (haar kamerdeur
intrappen, zonder dat voor dit gedrag een aanvaardbare verklaring is gegeven
en welk gedrag juist de superioriteit van de directeur en de afhankelijke
ondergeschiktheid van de assistente onderstreept), de terugkerende periodes
van arbeidsongeschiktheid wegens overspanning, het gesprek in het voorjaar
van 1988 in het bijzijn van de vriend van X en uit gesprek in augustus 1988,
waarin Y onder andere te kennen gaf dat hij X weer mee wilde hebben op reis,
terwijl anderzijds uit niets gebleken is dat Y begreep wat X steeds bedoelde,
althans uit niets gebleken is dat Y begreep wat X steeds bedoelde, althans
uit niets gebleken is, dat hij zijn houding en gedrag jegens haar wijzigde,
kan geen andere conclusie getrokken worden dan dat X zich onder druk gezet
voelde door Y en daar niet tegen opgewassen was, terwijl Y geen blijk heeft
gegeven daarvoor begrip te hebben en/of zijn houding en gedrag jegens X te
veranderen.
Q heeft nog aangevoerd dat X – als het haar zo hoog zat – wel eerder had
kunnen vertrekken, met name na het Duitsland-incident. Dit argument verwerpen
wij. Immers, daardoor zou zij als ondergeschikte en afhankelijke partij de
dupe worden van het ontoereikende besef en inzicht van de werkgever. Geen
werknemer (m/v) hoeft te wijken voor ongewenste intimiteiten van de meerdere
of collega’s (m/v) hetzij door deze maar te accepteren, hetzij door ontslag
te nemen.
Wij achten in deze omstandigheden de verstoorde verhouding in belangrijke
mate aan de directeur/werkgever, toe te rekenen, zodat het redelijk is dat X
terzake van deze beëindiging een vergoeding ontvangt. Deze heeft betrekking
enerzijds op de inkomstenwerving die X ongetwijfeld zal lijden, zoals
hierboven reeds weergegeven, en anderzijds op de immateriële schade die zij
door dit alles heeft geleden (mede gezien het verslag van haar huisarts).
Ten aanzien van de verwachte inkomstenderving achten wij, gezien de duur van
het dienstverband, de functie van X, haar leeftijd, opleiding en haar kansen
op de arbeidsmarkt en gezien de omstandigheden waaronder de beëindiging
plaatsvindt, een vergoeding bestaande uit een suppletie gedurende 12 maanden
tot het laatstgenoemde brutoloon redelijk en billijk.
De vergoeding wegens immateriële schade stellen wij, op grond van het
voorgaande ex aequo et bono vast op ƒ 20.000. X krijgt gedurende 2 weken na
dagtekening dezes de gelegenheid haar verzoekschrift in te trekken.

De beslissing
Voor het geval X het verzoek niet zal hebben ingetrokken;

Verklaren de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 augustus 1989.

Kennen aan X toe en veroordelen mitsdien, voorzover nodig Q tot een betaling
van een vergoeding bestaande uit een eenmalige suppletie gedurende 12 maanden
te rekenen vanaf 1 augustus 1989 op de door haar te ontvangen uitkering c.q.
loon uit dienstbetrekking elders tot het laatstgenoten brutosalaris.

Bepalen dat Y in de door X tot op heden gemaakte proceskosten zal hebben bij
te dragen ƒ 865 waaronder
ƒ 750 voor salaris gemachtigde.
Bepalen dat Y ƒ 807,50 dient te betalen aan de griffier en ƒ 57,50 aan
mevrouw.

Wijzen af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr. J.C. van Dijk

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 26 juni 1989

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Man is niet ontvankelijk in zijn verzoek om een omgangsregeling vast te
stellen met het kind dat uit zijn zaad is geboren, nu hij in zijn
verzoekschrift onvoldoende concrete omstandigheden stelt voor het bestaan van
‘family life’, in de zin van art. 8 EVRM, tussen hem en het kind. Hierbij komt
het aan op de vraag of er een zo nauwe persoonlijke betrekking bestaat dat
voor een onderzoek naar de eventuele gerechtvaardigheid van een
omgangsregeling plaats is, hoezeer de man zulks wellicht gevoelsmatig anders
beleeft

Zie ook Rechtspraak Nemesis 1989 nr. 42 en nr. 43

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

De verzoekende partij, de vrouw, is in hoger beroep gekomen van een
beschikking van de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam
van (…) februari (…) waarbij de verwerende partij, de man, ontvankelijk
is verklaard in zijn verzoek, strekkende tot vaststelling van een
omgangsregeling tussen hem en het uit de vrouw geboren kind X., met bepaling
dat de behandeling op (…) april zal worden voortgezet

Bij haar appelrekest heeft de vrouw het Hof verzocht de beschikking
waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de man alsnog
niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek

De man heeft een verweerschrift ingediend en tevens in incidenteel appel
– met name gericht tegen een overweging in die beschikking – het hof verzocht
de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen met verbetering van gronden

Vervolgens is de zaak mondeling behandeld ter terechtzitting van het hof

2. De feiten en de omstandigheden

Bij de mondelinge behandeling en uit de stukken is onder meer het
volgende gebleken

(…) is door de vrouw een advertentie geplaatst omdat zij in contact
wilde komen met een zaaddonor. De man heeft hierop gereageerd. Partijen
kwamen onderling overeen dat de vrouw de verantwoording voor de verzorging en
opvoeding van het kind op zich zou nemen en dat de man middels een te treffen
omgangsregeling een bepaald contact met het kind op zou bouwen

(…) heeft in het (…) te (…) kunstmatige inseminatie van de vrouw
met sperma van de man plaatsgevonden

Vervolgens is op (…) januari (…) X. geboren. Bij beschikking van de
Kantonrechter te Amsterdam van (…) augustus is de man benoemd tot toeziend
voogd over X., door de vrouw is van rechtswegen voogdes

De man is vanaf de geboorte van X. door de vrouw in staat gesteld
contact met X. te hebben. Bij brief van (…) heeft de vrouw geweigerd
feitelijk contact tussen de man en X. toe te staan

De man heeft vervolgens op (…) december (…) de kinderrechter te
Amsterd am verzocht – kort gezegd – om een omgangsregeling tussen hem en vast
te stellen

Hierop is beschikking waarvan beroep gegeven

De vrouw stelt in het principaal appel dat de man in zijn inleidend
verzoek tot het treffen van een omgangsregeling met X. ten onrechte
ontvankelijk is verklaard

Zij voert daartoe aan dat, anders dan de kinderrechter heeft overwogen,
het enkele biologisch ouderschap of het daarmede volgens de kinderrechter op
een lijn te stellen donorschap van de man, nog niet medebrengt dat er sprake
is van gezinsleven in de zin van artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag
van de Rechten van de Mens (E.V.R.M.). Daarvoor is tevens een sociale
component vereist, te weten sociaal ouderschap, aldus de vrouw. Volgens de
vrouw ontbreekt deze component. zij heeft in dit verband onder meer gewezen
op het feit dat zij niet met de man heeft samengewoond. Naar het oordeel van
de vrouw moet er een voldoende nauwe feitelijke band bestaan om van een
gezinsleven te kunnen spreken. De vrouw heeft aan deze contacten slechts mee
willen werken omdat zij zich aanvankelijk moreel gebonden voelde aan de
hieromtrent met de man gemaakte afspraken. De vrouw heeft haar medewerking
beeindigd vanwege het feit dat zij met de man niet het vereiste contact voor
het goed laten verlopen van een omgangsregeling kon opbouwen en deze
omgangsregeling emotioneel zo belastend voor haar bleek te zijn dat de
verzorging en opvoeding van X. daar onder leed

De man stelt in het incidenteel appel dat de kinderrechter hem terecht
ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot het treffen van een
omgangsregeling tussen hem en X., nu vaststaat dat X. met zijn sperma is
verwekt

De man is echter van mening dat de kinderrechter ten onrechte heeft
overwogen, dat zaaddonor (slechts) op een lijn gesteld kan worden met een
biologische vader maar niet de biologische vader is, omdat, aldus de
kinderrechter, als zodanig slechts kan worden beschouwd degene die een kind
door geslachtsgemeenschap heeft verwekt

De man voert tegen deze overweging aan, dat biologisch vaderschap geen
juridisch maar een puur feitelijk begrip is, te weten degene met wiens zaak
de bevruchting heeft plaatsgevonden, zodat, nu vaststaat dat in het
onderhavige geval de bevruchting met zijn zaad heeft plaatsgevonden, hij de
biologische vader is

De man voegt daaraan toe dat blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad de ontvankelijkheid van een verzoek als het onderhavige reeds is
gegeven met het biologisch vaderschap

De man bezocht X. na zijn geboorte op (…) januari dagelijks in het
ziekenhuis. In de periode vanaf begin met tot (…) augustus (…) verbleef
(…) van zondagmiddag 16.45 uur tot dinsdagochtend 8.30 uur bij de man,
tijdens deze periode verbleef X. vanaf 1 juli de maandag overdag in een
creche. Vanaf medio september tot begin januari verbleef X. een dag per maand
bij de man. Hierna bracht X. (…) tot (..) juli (..) een weekend per maand
van zaterdag 11.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man door. Op (…)
augustus heeft de vrouw verder contact tussen de man en X. geweigerd

De man heeft gedurende zes maanden met ƒ 250,– per maand bijdragen in
de kosten van verzorging en opvoeding van X. waarna hij, op verzoek van de
behoeve van X. heeft gestort

3. Beoordeling van het hoger beroep

Allereerst is de vraag aan de orde of de man op grond van de door hem
gestelde feiten in zijn inleidend verzoek strekkende tot vaststelling van een
omgangsregeling, had kunnen worden ontvangen

Het hof is – anders dan de kinderrechter – van oordeel dat zulks slechts
het geval is, indien de man in zijn verzoekschrift voldoende concrete
omstandigheden stelt voor het tussen hem en X. bestaan van gezinsleven als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM (vertaling van: vie familiale/family
life). Daarbij komt het aan op de vraag of uit de gestelde feiten voortvloeit
dat tussen de man en X. een nauwe persoonlijke betrekking bestaat dat voor
een onderzoek naar de eventuele gerechtvaardigheid van een omgangsregeling
plaats is

Op grond van alle gestelde feiten en omstandigheden in onderling verband
en samenhang bezien is het hof van oordeel dat die vraag ontkennend moet
worden beantwoord. Het hof heeft daarbij met name overwogen dat de door de
man gesteld, door de moeder op zich zelf niet betwiste, feitelijke contacten
tussen hem en X. onvoldoende intensief zijn geweest om op grond van zijn
donorschap in combinatie met die contacten aan te nemen dat de man in een zo
nauw persoonlijke betrekking staat of heeft gestaan dat hij gezinsleven met
X. in de zin van voormeld artikel 8 EVRM heeft gehad, hoezeer de man zulks
wellicht gevoelsmatig anders beleeft

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door de man aan zijn verzoek
ten grondslag gelegde feiten geen gezinsleven in de zin van artikel 8, lid
1, EVRM opleveren, zodat de man in zijn verzoek niet kan worden ontvangen

Dit brengt mede dat de man bij zijn verzoek in het incidenteel appel
geen belang meer heeft

Nu deze procedure verband houdt met een betrekking tussen partijen, die
tot de geboorte van een kind heeft geleid, acht het hof termen aanwezig om
naar analogie van een procedure tussen echtgenoten, de proceskosten tussen
partijen te compenseren

Op grond van al het vorenstaande dient thans als volgt te worden beslist

4. Beslissing. Het hof: in het principaal appel van de vrouw:
-vernietigt de beschikking van voormelde kinderrechter van februari en
opnieuw beschikkende: -verklaart de man alsnog niet-ontvankelijk in zijn
inleidend verzoek;

in het incidenteel appel van de man: -wijst dit af; in beide appellen
voorts: -compenseert de kosten van het geding in beide instanties tussen
partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt

Rechters

Mrs. van J. Gijn, Swens en Willem – Morsink

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 22 juni 1989

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


Vrouw is tijdens proeftijd ontslagen wegens zwangerschap. Ze vordert
herstel van de dienstbetrekking

Beslissing Rechtenvrouw: accoord, nu deze zaak kans biedt op
grensverleggende jurisprudentie. De vordering in deze zaak wijkt af van een
eerder gegarandeerde, gelijksoortige zaak, waarin – met succes –
schadevergoeding werd geeist

Afloop: partijen hebben een schikking getroffen, waardoor de procedure
bij het kantongerecht is stopgezet

Volledige tekst

Rechters

Mr. A.H. Bauerle-Hetebrij, kantonrechter, mr. I.M. ter Sluis, griffier

Instantie: Kantonrechter Schiedam, 20 juni 1989

Instantie

Kantonrechter Schiedam

Samenvatting


De werkgever wil de arbeidsovereenkomst ontbonden zien vanwege langdurig
ziekteverzuim van werkneemster, gedurende de afgelopen vier jaren.
Werkneemster is bijna 12 1/2 jaar in dienst van werkgever

De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een wijziging in de
omstandigheden tijdens de arbeidsovereenkomst

Daarom stelt de kantonrechter voor de arbeidsovereenkomst te ontbinden
met ingang van 1 augustus 1989. De werkgever moet aan werkneemster ƒ
3.000,- (bruto) vergoeding betalen

Volledige tekst

(…) 2. In rechte staat vast, dat tussen partijen een
arbeidsovereenkomst bestaat. Gerequestreerde werkt sedert 24 januari 1977
als hulp voor alle afdelingen bij requestrante. Het overeengekomen
weeksalaris bedraagt thans ƒ 472,- bruto, verhoogd met 8 procent
vakantietoeslag

3. Voorzover thans van belang, komen de stellingen van requestrante neer
op de omstandigheid, dat er sprake is van een ernstige verstoring van de
continuteit in het bedrijf van requestrante door een frequent en een zeer
langdurig ziekteverzuim van gerequestreerde. Requestrante meent, dat dit
vormt een verandering in de omstandigheden, op grond waarvan de
dienstbetrekking tussen partijen dient te worden beeindigd op de wijze, zoals
vermeld in de eerste feitelijke overweging van deze beschikking

4. Gerequestreerde heeft in haar verweerschrift de gronden, waarop het
verzoek van requestrante berust, uitvoerig bestreden

5. In rechte staat vast, dat het ziekteverzuim van gerequestreerde, die
bijna 12e jaar bij requestrante in dienst is, in de jaren 1977 tot en met 1984
niet dusdanig is geweest, dat dat requestrante zorgen heeft gebaard. Het
ziekteverzuim in 1985 heeft bedragen 26 dagen. In 1986: 57. In 1987:
53e. In 1988: 75. In 1989: duurt de arbeidsongeschiktheid. van 1
januari tot en met heden voort

6. Requestrante dient met al haar werknemers ervoor zorg te dragen, dat
haar opdrachtgevers nauwkeurig en stipt worden bediend. Het vorenstaande
houdt in, dat requestrante in haar bedrijf in principe er op moet kunnen
rekenen, dat de bij haar werkzame werknemers op het werk verschijnen. Dat
betekent natuurlijk niet, dat een werknemer nimmer ziek kan zijn. Indien
echter een ziekteverzuim zo exorbitant hoog is, als bij gerequestreerde het
geval is, dan kan requestrante terecht stellen, dat haar werkorganisatie
daardoor op ernstige wijze wordt belemmerd

7. Beide partijen mochten er bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst
op vertrouwen, dat het werk door gerequestreerde met een aanvaardbaar
ziekteverzuim zou worden verricht. In de praktijk is echter gebleken, dat
het ziekteverzuim veel hoger is dan hetgeen door requestrante mocht worden
verwacht. Bovendien blijkt uit het door gerequestreerde gevoerde verweer,
dat zij te kampen heeft met krachtsverlies in de rechterarm en in het
rechterbeen, gepaard gaande met tintelingen en gevoelloosheid. Buitendien
heeft zij psychische klachten van depressieve aard. Daarom is zij verwezen
naar het Riagg. Zij acht het niet waarschijnlijk, dat zij binnen afzienbare
tijd het werk weer zal kunnen hervatten, omdat haar medische toestand niet
aanmerkelijk verbetert. Verder heeft zij nog aangevoerd, dat zij zwanger
is, en zij rond 15 september 1989 hoopt haar tweede kind ter wereld te
brengen

8. Indien Wij afwegen hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5 en 7,
tegen dat in rechtsoverweging 6, dan kan wel degelijk worden geconcludeerd,
dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden tijdens de
arbeidsovereenkomst. Die levert een zodanige gewichtige reden op, dat deze
de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Daarbij heeft het
feit, dat gerequestreerde zwanger is, uiteraard geen enkele rol gespeeld

9.1 De arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bijna 1/8 deel van een
Ö
w voortgeduurd. Het ziekteverzuim van gerequestreerde was voor 1985 niet
abnormaal. In de jaren 1985 tot en met 1988 was het dit wel. De
zienswijze van gerequestreerde zelf voor het jaar 1989 is niet hoopvol

9.2 Gerequestreerde ziet uit naar het gezellig samenzijn met koffie,
taart en een gratificatie wegens haar 12 1/2-jarig jubileum bij requestrante
op 24 juli 1989. Vanaf circa 1 augustus 1989 heeft gerequestreerde recht op
zwangerschapsverlof, een uitkering te dier zake en suppletie door de
werkgeefster tot circa 1 november 1989, als de arbeidsovereenkomst op normale
wijze zou voortduren

9.3 Wij zijn echter van oordeel, dat de arbeidsovereenkomst op gronden
zoals uiteengezet in rechtsoverwegingen 8 en 9.1 dient te worden ontbonden

9.4 In verband met hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 9.2 zullen
Wij de arbeidsovereenkomst ontbinden met ingang van 1 augustus 1989, mits
requestrante aan gerequestreerde betaalt een vergoeding van ƒ 3.000,- bruto
Dat achten Wij billijk voor dit bijzondere geval

10. Wij hebben tijdens de terechtzitting aan requestrante niet kunnen
verzoeken, of zij ermede instemt, een dergelijke vergoeding te betalen. Om
die reden moet een interlocutoire beschikking worden gegeven

11. Gerequestreerde heeft ter terechtzitting er nog op aangedrongen, dat
requestrante moet zorgen voor passende arbeid voor gerequestreerde. Naar
Onze mening geschiedt dat zeer prematuur. Immers, gerequestreerde is vanaf
29 november 1988 tot en met heden arbeidsongeschikt. Volgens de eigen
stellingen van gerequestreerde verbetert haar medische toestand niet, en acht
zij het niet waarschijnlijk, dat zij binnen afzienbare tijd het werk weer zal
kunnen hervatten, mede gezien haar zwangerschap en de verwachte geboorte rond
15 september 1989 van haar tweede kind. Het is dus geenszins onwezenlijk om
te veronderstellen, dat gerequestreerde in dit kalenderjaar niet meer naar de
werkplaats zal kunnen terugkeren. Om die reden behoeft gerequestreerde in
alle redelijkheid aan dergelijke voorzieningen nog niet te denken, maar toch
moet het werk door gaan. Dat is niet alleen in het belang van requestrante
zelf, maar ook voor alle bij haar werkzame personen. Deze toch, zijn
afhankelijk van een winst- en verliesmakende onderneming. Afgezien van het
vorenstaande, heeft requestrante echter ter terechtzitting voldoende duidelijk
aanneembaar gemaakt, dat zij in haar werkgemeenschap niet in staat is
voorzieningen te treffen, die zodanig zijn, dat gerequestreerde haar werk of
ander werk zal kunnen verrichten

12.1 Tenslotte kan nog worden behandeld het verzoek van gerequestreerde
om ‘requestrante te veroordelen in de proceskosten, omdat deze voorbarig en
lichtvaardig de gerequestreerde in rechte heeft betrokken’. Dat verzoek
wordt afgewezen. Weliswaar wordt een vergoeding ten faveure van
gerequestreerde en ten laste van requestrante bepaald, doch dat impliceert
niet, dat daardoor het verzoek van requestrante moet worden gekwalificeerd in
de terminologie, als door gerequestreerde gebezigd. Dat betekent, dat Wij
de proceskosten tussen partijen zullen compenseren, indien de
arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden op de door Ons
voorgestelde wijze

12.2 Uitsluitend voor het geval requestrante haar verzoek zal intrekken,
achten Wij termen aanwezig haar te veroordelen in de proceskosten ten bedrage
van ƒ 1.000,-. Onze overweging daarbij is dan, dat wij een kostenveroordeling
op zijn plaats achten, omdat gerequestreerde kosten heeft moeten maken om zich
te kunnen verdedigen en het verzoek wordt ingetrokken

Beschikken als volgt:

1. geven aan requestrante de gelegenheid het door haar gedaan verzoek in
te trekken op Onze extra-judiciele terechtzitting van dinsdag, 4 juli 1989,
des voormiddags te 10.00 uur peremptoir

en, voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

2. verklaren de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden,
zulks met ingang van 1 augustus 1989;

3. kennen aan gerequestreerde ten laste van requestrante toe een
vergoeding van ƒ 3.000,- bruto, als aanvulling op een eventuele NWW- of andere
sociale uitkering, dan wel een hoger of lager salaris, dat gerequestreerde bij
een derde zal kunnen verdienen;

4. compenseren de proceskosten tussen partijen en wel in dier voege, dat
iedere partij haar eigen kosten drage

en voor het geval het verzoek wordt ingetrokken:

5. veroordelen requestrante in de kosten van dit geding, tot aan de dag
van deze uitspraak aan de zijde van gerequestreerde begroot op een bedrag
groot ƒ 1.000,- aan salaris voor haar gemachtigde

(…) VERWEERSCHRIFT EX ARTIKEL 1639W BW

5. Aangezien de arbeidsongeschiktheid inmiddels langer dan zes maanden
heeft geduurd, heeft mevrouw S. een oproep ontvangen voor een keuring door de
verzekeringsgeneeskundige van de Gemeenschappelijke Medische Dienst. Deze
zal een onderzoek instellen naar haar medische beperkingen voor het verrichten
van arbeid. Vervolgens zal de arbeidsdeskundige van de GMD dienen te
onderzoeken of en in hoeverre mevrouw S. met inachtneming van haar beperkingen
nog in staat is haar eigen werk dan wel aangepast werk te verrichten, hetzij
bij de eigen werkgever, hetzij elders. In dit kader zal de
arbeidsdeskundige ook de arbeidsplaats bij Lips de Hoop in de beschouwingen
betrekken

6. Het is juist dat Lips de Hoop haar medewerkers de werkzaamheden
gewoonlijk staande laat verrichten. Dit betekent echter niet dat zittend
werk feitelijk niet mogelijk is. Ter zitting van 9 mei 1989 heeft de
directeur van Lips de Hoop verklaard dat voorzieningen om het werk zittend te
kunnen doen wel degelijk aanwezig zijn. Indien mocht blijken dat voor
mevrouw S. een aangepaste voorziening wenselijk is, dan kan een aanpassing van
de arbeidsplaats overigens geheel kan worden gefinancierd op grond van art.
57a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Lips de Hoop heeft derhalve
wel degelijk de mogelijkheid de arbeidsomstandigheden van mevrouw S. te
beinvloeden, al dan niet in samenwerking met de GMD

7. Lips de Hoop heeft niet gesteld als gevolg van het ziekteverzuim van
mevrouw S. ernstige hinder te ondervinden. Dit is dan ook niet het geval
In de onderneming zijn ongeveer dertig met haar vergelijkbare werknemers
werkzaam, terwijl zowel gedurende de vakantieperiode als daarbuiten veelvuldig
gebruik wordt gemaakt van uitzendkrachten. Het werk is niet bijzonder
ingewikkeld, zodat een vervanger vrij gemaakkelijk kan worden ingewerkt.
Doordat het ziekteverzuim van mevrouw S. niet veelvuldig, doch slechts
langdurig is geweest, moet Lips de Hoop zich er redelijkerwijs er op hebben
kunnen instellen

8. Van Lips de Hoop kan in redelijkheid worden gevergd dat men zich
beijvert de werkomstandigheden van mevrouw S. aan te passen aan haar
beperkingen, voorzover dat praktisch uitvoerbaar is

Hiertoe bestaat ook een wettelijke verplichting, neergelegd in art. 6
van de Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers. Pas wanneer na een gedegen
onderzoek door de GMD zou blijken dat werkhervatting in welke vorm dan ook
uitgesloten moet worden geacht, kan worden gesproken van een wijziging in de
omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst billijkt

9. Hoewel het een werkgever te allen tijde vrijstaat zich met een
verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot de kantonrechter te
wenden, dient in aanmerking te worden genomen dat een werknemer in het
algemeeen niet behoort te worden ontslagen tijdens een ziekteperiode of
gedurende een zwangerschap. Een wettelijk verbod, gericht tot de werkgever,
is neergelegd in art. 1639h, lid 3 en lid 5, BW. Tevens geniet een zwangere
werkneemster ontslagbescherming uit kracht van art. 8 van het Europees Sociaal
Handvest. Gelet op deze ontslagbescherming dient ontbinding van de
arbeidsovereenkomst slechts in een uitzonderlijk geval plaats te vinden.
Dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden van een zo
zwaarwegend belang dat hierdoor het wettelijke ontslagverbod zou dienen te
worden opzijgezet, is door Lips de Hoop niet aangevoerd

10. Bij het indienen van het onderhavige verzoek was Lips de Hoop op de
hoogte van de medische toestand van mevrouw S. Niettemin is zij niet bereid
gebleken het verzoek in te trekken

Vastgesteld moet worden dat zij mevrouw S. voorbarig en lichtvaardig in
rechte heeft betrokken, zodat er termen aanwezig zijn haar in de kosten van
deze procedure te veroordelen. Mevrouw S. heeft bij een dergelijke
kostenveroordeling belang, aangezien zij de kosten van haar raadsman zelf moet
dragen

Om deze redenen verzoekt zij UEA Heer Kantonrechter het verzoek om
ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen, met veroordeling van Lips
de Hoop in de kosten van het geding. (…)

Rechters

Kantonrechter mr F.H. Piket

Instantie: Commissie voor de Politieklachten, 17 juni 1989

Instantie

Commissie voor de Politieklachten

Samenvatting


Klaagster heeft een klacht ingediend met betrekking tot haar behandeling
op het politiebureau IJ-tunnel. De commissie heeft de klacht onderzocht en
komt tot de conclusie dat de klacht gegrond moet worden verklaard met
betrekking tot de veiligheidsfouillering, (het weigeren van) toiletbezoek, het
weigeren van een advocaat, en het niet aanbieden van avondeten. Het geheel
laten ontkleden van klaagster in het kader van een veiligheidsfouillering
levert een inbreuk op de rechten van klaagster op

Bij klaagsters toiletbezoek is niet al het mogelijke gedaan om
klaagsters privacy te waarborgen. Klaagster is gelet op het tijdstip van
inverzekeringstelling feitelijke rechtshulp onthouden. Het niet aanbieden
van avondeten is, evenals bovenstaande gedragingen, geen behoorlijk
politieoptreden

Volledige tekst

Zakelijke samenvatting van de klacht

De commissie heeft de klacht als volgt zakelijk samengevat:

Op 19 mei 1988 is klaagster aangehouden terzake een tegen haar gedane
aangifte van diefstal en meegenomen naar het bureau IJ- tunnel

Klaagster klaagt over de navolgende feiten:

1. Bij aankomst in het bureau heeft zij zich geheel moeten uitkleden en
werden haar panty en BH afgenomen. Zij werd gefouilleerd in een hok waar
iedereen langsliep

2. Tijdens de verhoren werd druk op haar uitgeoefend en werden
sarcastische opmerkingen gemaakt

3. Zij werd langdurig ondervraagd over het feit hoe haar dochter kon
weten dat een radio en een armband gestolen waren. Dit om haar een
bekentenis af te dwingen

4. Er werd niet gereageerd op haar bellen om naar het toilet te gaan
Bij een later toiletbezoek moest zij met de deur open plaats nemen op een
herentoilet, tijdens welk bezoek een mannelijke politieagent haar zag

5. Ten onrechte is zij in verzekering gesteld

6. Zij werd niet door een advocaat bezocht, hoewel zij om 14.50 uur in
verzekering was gesteld

7. Zij heeft geen avondeten gehad

Ontvangst van de klachten

De klacht is op 4 juli 1988 bij de ambtelijk secretaris der Commissie
binnengekomen. De klacht is door mr. M. Gieskes advocaat en procureur te
Amsterdam bij de Commissie ingediend

Het klaagschrift

Aan dit bericht is een copie van het klaagschrift gehecht

Het voldoet aan de door artikel 2 van het Reglement van de Commissie
voor de Politieklachten gestelde eisen en is dadelijk in behandeling genomen
De goede ontvangst is schriftelijk door de ambtelijk secretaris
bevestigd; daarbij is ook informatie over de verdere loop van de procedure
verstrekt

Eerste beoordeling van de klacht

De voorzitter heeft vervolgens op 5 juli 1988 onderzocht of de klacht
aan de politie voor onderzoek en rapportage kon worden doorgezonden

Daar naar zijn oordeel de klacht aan de daarvoor in het Reglement van de
Commissie voor de Politieklachten gestelde voorwaarden voldeed, is deze op 11
juli 1988 aan de gemeentepolitie voor onderzoek en rapportage toegezonden

Hiervan is klaagster schriftelijk op de hoogte gesteld

Het onderzoek

Op 22 maart 1989 werden de resultaten van het door de politie verrichte
onderzoek ontvangen. Het onderzoek is verricht door inspecteur mevrouw H.K.
Roelink en aangevuld met een rapport van hoofdinspecteur C.L. Gorissen

De politie heeft in het kader van haar onderzoek de hoofdagenten R. van
Groningen en J. van de Brink, de hoofdinspecteur C.J.M. Schoonen en klaagster
gehoord

De Commissie acht het aldus verrichte onderzoek voldoende om op
grondslag daarvan tot een advies te komen

De onderzoeksbevindingen

Klaagster bleef bij haar verhoor door de politie geheel bij hetgeen zij
in haar klaagschrift heeft gesteld. Klaagster voegde daaraan nog toe dat
zij het er niet mee eens is dat zij enkele kledingstukken moest afstaan.
Tevens heeft zij absoluut ’s avonds niets aangeboden gekregen, wat resulteerde
in een hele dag niets eten. Omdat zij meende recht te hebben op een
advocaat heeft zij tijdens haar inverzekeringstelling om een advocaat
gevraagd, doch de hele dag heeft zij er geen gezien

Overige onderzoeksbevindingen:

Hoofdagent R. van Groningen verklaarde

– M.b.t. onderdeel 1 van de klacht:

“Onmiddellijk na aankomst op het bureau IJ-tunnel is zij voorgeleid aan
de wachtcommandant, de hoofdinspecteur Schoonen. Op zijn last is mevrouw X.
onderworpen aan een veiligheidsfouillering, wat inhoudt dat zij de met zich
voerende voorwerpen diende af te staan, waaraan zij zich eventueel kunnen
verwonden. Onder bovengenoemde voorwerpen wordt o.a. haar BH en panty
verstaan”

– M.b.t. onderdeel 2 van de klacht:

“De twee verhoren verliepen vrij rustig, zonder druk op haar uit te
oefenen. Klaagster was tijdens haar verhoren zeer emotioneel, o.a. door
prive-omstandigheden. De opmerkingen waar mevrouw X. over klaagt zijn zeer
zeker niet gemaakt”

– M.b.t. onderdeel 3 van de klacht:

“Na het onderzoek in klaagsters woning heeft de dochter met de
aangeefster van de diefstal gebeld. In dit telefoongesprek vertelde de
dochter dat haar moeder zich niet schuldig gemaakt heeft aan diefstal van een
radio. Met deze informatie heb ik klaagster tijdens het tweede verhoor
geconfronteerd, doch zij verklaarde dat dit niet mogelijk was. “

-M.b.t. onderdeel 4 van de klacht:

“Ik kan geen verklaring geven over het toilet daar ik niet bij was”

-M.b.t. onderdeel 5 van de klacht:

“Daar wij de onderzoeken niet binnen de eerste zes uur voor verhoor k
onden doen en omdat ik gegronde vermoeden had dat klaagster zich wel degelijk
heeft schuldig gemaakt aan diefstal, is zij die dag in verzekering gesteld”

-M.b.t. onderdeel 6 en 7 van de klacht:

“Het is mij niet bekend waarom de telex voor inverzekeringstelling zo
laat verzonden is en evenmin is mij bekend of klaagster wel of geen avondeten
heeft gehad”

Hoofdagent J. van de Brink verklaarde onder meer het volgende

– M.b.t. onderdeel 1 van de klacht:

“Ik ben niet aanwezig geweest bij de veiligheidsfouillering”

– M.b.t. onderdeel 2 van de klacht:

“Wij, Van Groningen en ik waren ons terdege van bewust, dat we hier niet
met een harde crimineel te maken hadden, waardoor tijdens het horen geen druk
op haar uitgeoefend is. Opmerkingen zoals genoemd in klaagsters brief zijn
door mij zeker niet gemaakt”

– M.b.t. onderdeel 3 van de klacht:

“Aan de dochter hebben Van Groningen en ik gezegd dat haar moeder was
aangehouden op verdenking van diefstal van een radio. Ik weet zeker, dat ik
niet over sieraden heb gesproken, dit in belang van het onderzoek”

– M.b.t. onderdeel 4 van de klacht:

“Als klaagster in het tweede verhoor te kennen had gegeven dat zij naar
het toilet moest, dan zou ik dit zeker hebben toegestaan. Er is mij niets
bekend van een herentoilet waar zij gebruik van moest maken”

M.b.t onderdeel 5 en 6 van de klacht verklaarde Van de Brink nagenoeg
hetzelfde als Van Groningen

– M.b.t. onderdeel 7 van de klacht:

“Klaagster gaf mij te kennen in haar tweede verhoor ‘geen hap door haar
strop te kunnen krijgen’, dus dat zij haar eten geweigerd zou hebben”

Rapporteur mevrouw H.K. Roelink verklaarde dat de verdachte in
verzekering was gesteld omdat er meer zekerheid omtrent de diefstal verkregen
moest worden, waardoor het noodzakelijk was de verdachte hierover nader te
horen en een nader onderzoek in de woning te verrichten

Hoofdinspecteur C. Schoonen, optredend als hulpofficier van justitie,
verklaarde o.m.:

” Mevrouw X. is op de gebruikelijke wijze met het oog op insluiting
gefouilleerd. Er is door mij niet geconstateerd dat er mensen in de
fouilleringsruimte gekeken hebben. Zou dit wel gebleken zijn dan had ik dat
ook beeindigd. Ik weet niets van het feit, dat mevrouw X. niet in de
gelegenheid gesteld is het toilet te bezoeken toen zij de wens daartoe door
middel van bellen vanuit het dagverblijf kenbaar maakte”

Uit het dienstvoorshrift nr. 15.10.7 blijkt t.a.v. de
veiligheidsfouillering het volgende:

(…) Als het doel van de veiligheidsfouillering kan worden aangemerkt:
“Het van en uit kleding verwijderen van die zaken en voorwerpen, die een
gevaar zouden kunnen opleveren voor de in te sluiten persoon zelf en voor
andere personen, en waarmede andermans eigendommen beschadigd zouden kunnen
worden”. Dit verwijderen kan ruim worden uitgelegd, bijvoorbeeld van
halskettingen, armbanden, ringen, horloges, papieren etc., maar weer niet zo
ruim dat ringen doorgeknipt of halskettingen gebroken worden om te kunnen
worden verwijderd. Aan of in het lichaam is de veiligheidsfouillering in
het geheel niet toegestaan. (…) Een bril, een gehoorapparaat en een
prothese mogen in principe altijd worden behouden, tenzij er reden is te
vrezen dat gevaar voor zelfverwonding aanwezig is. (…)

Het oordeel van de chef van de ambtenaar over wie wordt geklaagd

Commissaris B.T. de Koningh is van oordeel dat, met betrekking tot
onderdeel 1 van de klacht de fouilleringsprocedure neergelegd is in het
dienstvoorschrift 15.10.7., het innemen van de door klaagster genoemde
kledingstukken valt onder het met de veiligheidsfouillering bij insluiting
beoogde doel

De klacht dat zij gefouilleerd zou zijn, terwijl iedereen langs liep,
zou kunnen betekenen dat de luxaflex die dient ter garantie van de privacy, of
niet gebruikt is dan wel in ongerede is geweest. Zo dit het geval is, is
dit onjuist en de klacht gegrond

Overigens heeft hij geen reden aan de lezing van mevrouw X te twijfelen

Met betrekking tot onderdeel 4 van de klacht merkt hij op dat, indien de
situatie zich heeft voorgedaan (waarbij hij gelet op de correcte beschrijving
van de plaats geen reden heeft aan de lezing van klaagster te twijfelen), er
is gehandeld in strijd met de overweging van meergenoemd dienstvoorschrift

Met betrekking tot onderdeel 5 van de klacht acht hij de
inverzekeringstelling niet onrechtmatig en in het belang van het onderzoek
De piketcentrale is op 19 mei 1988 te 18.24 uur door de gemeentepolitie
Amsterdam in kennis gesteld van de inverzekeringstelling van mevrouw X. Gelet
op het tijdstip van inverzekeringstelling (14.50 uur) is hierdoor feitelijk
rechtshulp onthouden. Hij acht dit ongewenst

Tenslotte merkt hij op dat een klacht als deze in de toekomst minder vra
agpunten zal opleveren dan in mei 1988. Door verslaglegging
(geautomatiseerd) is exact na te gaan, welke handelingen er met een
aangehoudene zijn verricht (artsenbezoek, advocatenbezoek, verhoor recherche,
etc). Ook blijkt thans duidelijk of een aangehoudene een maaltijd weigert

De waarnemend korpschef kan zich met deze conclusie verenigen

Het oordeel van de Commissie over het onderzoek en de klacht

Het onderzoek van de klacht door de politie is met overschrijding van d
e in de Klachtenregeling Gemeentepolitie Amsterdam gestelde termijn verricht

De klacht is naar het oordeel der Commissie op goede wijze onderzocht

De Commissie is op grond van hetgeen in het onderzoek is gebleken tot de
overtuiging gekomen, dat de door klaagster in haar klacht beschreven
gebeurtenissen, met uitzondering van onderdeel 2 van de klacht, inderdaad
aldus hebben plaatsgevonden

De Commissie heeft op grond van het onderzoek niet tot een oordeel
kunnen komen over de juistheid of onjuistheid van onderdeel 2 van de klacht

In zoverre zal de Commissie zich derhalve tot een oordeel niet in staat
moeten verklaren

Motivering:

De verklaringen van de politieambtenaren staan tegenover die van
klaagster en de Commissie heeft geen feiten of omstandigheden kunnen
vaststellen, waarop zij afdoende haar overtuiging zou kunnen baseren, dat de
ene verklaring juist en de andere onjuist is

De gedragingen, waarvan de Commissie tot de overtuiging is gekomen, dat
deze zijn geschied, acht zij voor wat betreft de onderdelen 3 en 5 behoorlijk
en de klacht in zoverre ongegrond

Motivering:

Met betrekking tot onderdeel 3 van de klacht:

Het confronteren van klaagster met een uitspraak van haar dochter over
een eventuele bekendheid met de gestolen goederen paste in het streven de
waarheid aan het licht te brengen en was ook overigens behoorlijk
politieoptreden

Met betrekking tot onderdeel 5 van de klacht is de Commissie met de
rapporteur van oordeel dat, nu het onderzoek niet tijdig kon worden
afgesloten, inverzekeringstelling noodzakelijk was

De gedragingen, waarvan de Commissie tot de overtuiging is gekomen, dat
deze zijn geschied, acht zij voor wat betreft de onderdelen 1, 4, 6 en 7 niet
behoorlijk en de klacht in zoverre gegrond

Motivering:

Met betrekking tot onderdeel 1 van de klacht is de Commissie van oordeel
dat het innemen van de door klaagster genoemde kledingstukken niet gedekt
wordt door het eerder vermelde dienstvoorschrift. Het geheel laten
ontkleden van klaagster levert een inbreuk op de grondrechten van klaagster
op

Met betrekking tot onderdeel 4 van de klacht is uit het onderzoek niet
duidelijk geworden waarom er niet is gereageerd op klaagsters bellen om naar
het toilet te gaan. Bij klaagsters uiteindelijke toiletbezoek heeft de
betrokken politieambtenaar niet al het mogelijke gedaan om klaagsters privacy
te waarborgen. Met betrekking tot onderdeel 6 van de klacht is gebleken dat
de piketcentrale op 19 mei 1988 eerst te 18.24 uur door de gemeentepolitie
Amsterdam in kennis is gesteld van de inverzekeringstelling van klaagster
Gelet op het tijdstip van inverzekeringstelling (14.50 uur) is hierdoor
feitelijk rechtshulp onthouden

Met betrekking tot onderdeel 7 van de klacht twijfelt de Commissie niet
aan de lezing van klaagster dat zij geen avondeten heeft gehad. Het niet
aanbieden van het avondeten, ook al heeft klaagster ’s middags het eten
geweigerd, is, evenals de gedragingen in de klachtonderdelen 1, 4 en 6, geen
behoorlijk politieoptreden

Advies

Op deze gronden adviseert de Commissie voor de Politieklachten de klacht
gegrond te verklaren voorzover het betreft onderdelen 1, 4, 6 en 7 en de
klacht ongegrond te verklaren voorzover het betreft de onderdelen 3 en 5 en u
tot een oordeel over de gegrondheid van de klacht niet in staat te verklaren
voorzover het betreft onderdeel 2 van de klacht

De Commissie adviseert u verder hiervan aan klaagster mededeling te doen
en daarbij te wijzen op de mogelijkheid hierover te klagen bij de
Gemeentelijke Ombudsman van Amsterdam

Rechters

Onbekend

Instantie: Raad van Beroep Haarlem, 16 juni 1989

Instantie

Raad van Beroep Haarlem

Samenvatting


Aan klaagster, die op 19 april 1988 een AAW-uitkering heeft aangevraagd,
wordt met ingang van 9 april 1987 deze uitkering toegekend vanwege sinds 1972
bestaande arbeidsongeschiktheid

Met een beroep op de jurisprudentie van de CRvB van 5 januari 1988,
waarin is bepaald dat art. 26 van het BuPo-verdrag vanaf 1 januari 1980
rechtstreekse werking heeft, verzoekt klaagster haar met ingang van 1 januari
1980 een AAW-uitkering toe te kennen

Tijdens het geding blijkt dat klaagster op 24 maart 1983 een
vervoersvoorziening heeft aangevraagd. Volgens de Voorzitter moet klaagster
geacht worden reeds op 24 maart 1983 een AAW-uitkering te hebben aangevraagd
Naar de mening van de Voorzitter is het toegepaste beleid — een jaar
terugwerkende kracht — in zijn algemeenheid alleszins redelijk

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder d.d. 31 oktober 1988

2. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen

Klaagster heeft op 19 april 1988 bij verweerder een aanvraag ingediend
voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheid (AAW) in
verband met sedert 1946 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek
adviseerde de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) op 27 juni 1988 aan
verweerder onder toepassing van artikel 25 AAW aan klaagster met ingang van 9
april 1987 – zijnde een jaar voor de datum van de aanvraaag – een
AAW-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100 %

Namens klaagster is beroep ingesteld tegen deze beslissing. Bij
aanvullend klaagschrift d.d. 18 januari 1989 is aangevoerd dat de Centrale
Raad van Beroep (CRvB) in een uitspraak van 5 januari 1988 heeft bepaald dat
artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten van 19 december 1966 (IVBPR), rechtstreekse werking heeft vanaf 1
januari 1980. Het gevolg van deze uitspraak is – aldus klaagsters
gemachtigde – dat klaagster alsnog recht heeft op een AAW-uitkering per 1
januari 1980. Doordat klaagster en met haar de uitvoerende en adviserende
instanties meenden dat klaagster geen recht kon doen gelden op een uitkering
is eerst na voornoemde uitspraak van de CRvB een aanvraag bij verweerder
ingediend. Namens klaagster is verzocht te bepalen dat aan klaagster met
ingang van 1 januari 1980 een AAW-uitkering wordt toegekend

Desgevraagd heeft verweerder op 18 april 1989 van contramemorie gediend
en daarbij een door klaagster ingevuld meldingsformulier AAW d.d. 24 maart
1983 overgelegd

3. Bewijsmiddelen

De gedingstukken

4. Motivering

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht
en op goede gronden besloten heeft aan klaagster een uitkering ingevolge de
AAW toe te kennen met ingang van 9 april 1987, berekend naar de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse

Hieromtrent wordt als volgt overwogen

Ingevolge art. 25, lid 2 AAW kan de uitkering niet eerder ingaan dan een
jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend

Verweerder is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van deze
bepaling

Blijkens de gedingstukken heeft klaagster zich op 24 maart 1983 middels
een zogenaamd ‘melding AAW’-formulier tot verweerder gewend en daarbij onder
meer aangegeven dat zij in aanmerking wenste te komen voor een
vervoersvoorziening

Naar dezerzijds oordeel dient — anders dan verweerder stelt — deze
aanvraag van klaagster niet enkel te worden beschouwd als een aanvraag voor
een voorziening ex art. 57 AAW. Op genoemd meldingsformulier wordt immers
geen specifiek onderscheid gemaakt tussen aanvragen voor een voorziening dan
wel voor een uitkering. Op het formulier is weliswaar een apart gedeelte
gereserveerd voor aanvrages die menen — tevens — in aanmerking te komen
voor een voorziening, maar eveneens dient te worden aangegeven of de aanvrager
geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is

Klaagster heeft op het door haar op 24 maart 1983 ingevulde
meldingsformulier zowel aangegeven dat zij meende in aanmerking te komen voor
een voorziening als dat zij sedert 1946 gedeeltelijk arbeidsongeschikt was

Aangezien het aanvragen van een voorziening onlosmakelijk verbonden is
met de door klaagster gestelde beperkingen tengevolge van ziekte of gebrek
dient verweerder onder deze omstandigheden tevens ambtshalve de mogelijke
aanspraken op uitkeringsrechten te onderzoeken. Zo klaagster zich bij haar
aanvraag al had beperkt tot een aanvraag voor een voorziening — zoals gezegd
is dit uit het meldingsformulier niet eenduidig op te maken — dan had
verweerder gelet op de door klaagster op dit formulier verstrekte informatie
deze aanvraag op een lijn dienen te stellen met een aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering

Uit het bovenstaande volgt dat verweerder zijn beslissing heeft
gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag door aan te nemen dat klaagster
eerst op 19 april 1988 een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft ingediend. Klaagster moet worden geacht reeds op 24 maart 1983 een
uitkering te hebben aangevraagd; overeenkomstig het door verweerder terzake,
bij contra-memorie uiteengezette, beleid behoort de uitkering dan onder
toepassing van art. 25 lid 2 AAW te worden toegekend in elk geval met ingang
van een jaar voor deze aanvraagdatum

De bestreden beslissing komt derhalve voor vernietiging in aanmerking,
en verweerder zal, met inachtneming van het vorenoverwogene, een nadere
beslissing op klaagsters aanvraag moeten nemen

Waar de feitelijke situatie een andere is dan die welke verweerder bij
het nemen van de bestreden beslissing voor ogen stond, zal verweerder zich bij
het nemen van een nieuwe beslissing (wederom) dienen te beraden over de vraag
of zich in casu zodanig bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan dat een
redelijke wetstoepassing met zich brengt dat de uitkering eerder dient te
worden toegekend dan ingaande een jaar voor de datum waarop klaagster geacht
moet worden een aanvraag te hebben ingediend

Daarbij zij wel opgemerkt dat naar dezerzijds oordeel het door
verweerder in gevallen als deze toegepaste beleid op zichzelf en in zijn
algemeenheid alleszins redelijk is. Zonder meer kan dan ook niet worden
uitgesloten dat klaagsters verzoek om de uitkering reeds per 1 januari 1980 te
doen ingaan noch door verweerder, noch in rechte zal worden gehonoreerd

Thans moet, gelet op het vorenoverwogene, als volgt worden beslist

5. Beslissing

De voorzitter van de Raad van Beroep te Haarlem,

Beschikkende:

Vernietigt de bestreden beslissing voor zover het betreft de
ingangsdatum van de uitkering, en verstaat dat verweerder een nadere
beslissing neemt met inachtneming van het vorenoverwogene

Rechters

Mr. M. Zijp en mr. G.W.J. Harten als griffier