Instantie: Rechtbank Utrecht, 14 juni 1989

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Aanvraagster beantwoordt in een emotionele opwelling de vraag van haar
werkgever of zij nog steeds ontslag wil nemen bevestigend en ondertekent een
verklaring waarin de werkgever stelt dat zij op staande voet ontslag neemt
De kantonrechter vindt dat de vrouw aan haar verklaring moet worden
gehouden omdat: “het hier geen oudere kostwinner betreft die in een emotionele
opwelling ontslag neemt, maar een jeugdige persoon die ontevreden is”

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord, nu dit vonnis discrimineert op grond
van kostwinnerschap en leeftijd

AFLOOP: Na een negatief cassatie-advies is besloten de zaak niet voor te
leggen aan de Hoge Raad

Jaarverslag 1988 no. 15

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank verwijst voor wat betreft het verloop van de procedure voor
de kantonrechter naar de desbetreffende in hoger beroep overgelegde
gedingstukken, waaronder authentieke afschriften van een tweetal vonnissen
van de kantonrechter te Utrecht, te weten een tussenvonnis d.d. 24 maart 1988
en een eindvonnis d.d. 19 mei 1988. Deze vonnissen zijn gewezen tussen P. als
eiseres en V. als gedaagde

P. is bij deurwaardersexploit d.d. 3 augustus 1988 in hoger beroep
gekomen van het eindvonnis van de Kantonrechter. Bij memorie van grieven
heeft zij twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd. De conclusie in de
memorie van grieven is in overeenstemming met de appeldagvaarding en luidt:

dat het de rechtbank behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar
bij voorraad, te vernietigen het vonnis van de Kantonrechter te Utrecht, op
19 mei 1988 onder rolnummer 6808/87 tussen partijen gewezen, en opnieuw
rechtdoende

a. voor recht te verklaren dat het door geintimeerde aan appellante op
13 november 1987 gegeven ontslag nietig is;

b. geintimeerde te veroordelen om aan appellante te betalen:

– haar loon ten bedrage van ƒ 1.108,– bruto per maand, vanaf 13
november 1987 tot 23 maart 1988 (de datum waarop de arbeidsovereenkomst
rechtsgeldig is beeindigd, alsmede vakantiegeld over deze periode van 7 1/2
procent;

– de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 1638q van het
Burgerlijk Wetboek over het loon;

– de wettelijke rente over de hiervoor bedoelde (netto) bedragen,
telkens vanaf de dag der opeisbaarheid c.q. vanaf de dag van het
griffiersbericht (14 december 1987) tot de dag der voldoening;

c. geintimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties

V. heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden, met conclusie
dat de rechtbank (zo nodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden)
zal bevestigen de beide vonnissen gewezen door de kantonrechter te Utrecht
tussen partijen op respectievelijk 24 maart en 19 mei 1988 met veroordeling
van appellante in de kosten van dit beroep

Partijen hebben hierna de stukken, waaronder de stukken van de eerste
aanleg, aan de rechtbank overgelegd en vonnis gevraagd

2. Het geding in eerste aanleg

2.1 Bij verzoekschrift d.d 3 december 1987, gericht aan de kantonrechter
te Utrecht, heeft P. gevorderd (samengevat) dat V. zal worden veroordeeld om
aan P. te betalen: haar loon ten bedrag van ƒ 1.108,– bruto per maand
vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 1638q van het
Burgerlijk Wetboek, alsmede vakantiegeld en vakantiedagen, een en ander
vermeerderd met de wettelijke rente

Aan deze vordering heeft zij onder meer ten grondslag gelegd dat zij als
werkneemster met V. een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van een
jaar, ingaande 23 maart 1987, en dat V. er ten onrechte van uitgaat dat de
arbeidsovereenkomst per 13 november 1987 met wederzijdse toestemming is
beeindigd

2.2 Nadat door V. verweer was gevoerd tegen deze vordering, heeft de
kantonrechter bij tussenvonnis d.d. 24 maart 1987 een comparitie van partijen
gelast, die op 7 april 1988 heeft plaatsgevonden

De kantonrechter heeft vervolgens bij eindvonnis d.d. 19 mei 1988 de
vordering van P. afgewezen, na onder meer te hebben overwogen dat in de
gegeven omstandigheden niet gezegd kan worden dat V. had moeten begrijpen dat
P. een verklaring heeft afgelegd die niet overeen kwam met haar wil en dat
zij helemaal geen ontslag wilde nemen

3. De grieven

Grief I luidt:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter, op grond van de in het vonnis
genoemde omstandigheden, overwogen, dat in de gegeven omstandigheden niet kan
worden gezegd dat V. had moeten begrijpen dat P. een verklaring heeft
afgelegd die niet overeenkwam met haar wil en dat zij helemaal geen ontslag
wilde nemen, en dat daarbij van belang is ook dat zij die verklaring
schriftelijk heeft bevestigd door haar handtekening te plaatsen

Grief II luidt:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in zijn vonnis niet overwogen, dat
ook al konden de uitingen van P. door V. als ontslagneming worden opgevat, de
eisen van de goede trouw met zich mee brengen dat V. P. niet aan die
ontslagneming mag houden

4. De vaststaande feiten

Tussen partijen staat op grond van hun stellingen en ten dele mede op
grond van de overgelegde produkties het volgende vast:

a. P. is met ingang van 23 maart 1987 voor de duur van een jaar in
dienst getreden bij V. als receptioniste/telefoniste tegen een bruto-salaris
van ƒ 1.108,– per maand

b. P. is arbeidsongeschikt geweest in de periode van 4 november tot en
met 12 november 1987

c. Direct nadat P. zich op 13 november 1987 weer bij V. had gemeld voor
hervatting van haar werkzaamheden, heeft V. haar een – door hem opgestelde –
schriftelijke verklaring ter ondertekening voorgelegd met de volgende inhoud:

“Ontbinding arbeidsovereenkomst

Hierbij verklaart u, P., als werkneemster bij W.V.
(Autorijschool-Accent) akkoord te gaan met haar ontslag per 13 november 1987
als telefoniste/receptioniste .”

P. heeft, na lezing van de schriftelijke verklaring, deze voor akkoord
getekend; ook V. heeft de verklaring voor akkoord ondertekend

d. P. heeft zich nog dezelfde dag gewend tot een advocaat, mr. S. Spans,
die V. een aangetekende brief heeft gezonden d.d. 13 november 1987, met,
onder meer, de volgende inhoud:

“Cliente heeft mij medegedeeld dat u haar heden gedwongen heeft akkoord
te gaan met de ontbinding van de tussen u bestaande arbeidsverhouding.
Cliente stelt uitdrukkelijk, dat door u misbruik is gemaakt van
omstandigheden, daar u cliente bedreigde met ontslag op staande voet, hetgeen
in werkelijkheid ook heeft plaatsgevonden. Cliente stelt evenwel
uitdrukkelijk, dat er geen enkele aanleiding bestaat voor haar om de
arbeidsverhouding met u te beeindigen en dat zij geen enkele dringende reden
heeft gegeven, die ertoe zou kunnen leiden haar op staande voet te ontslaan.
Cliente gaat ervan uit, dat de arbeidsverhouding voortduurt en zij is bereid
en houdt zich gereed om haar werk te hervatten, zodra u dat wenst .”

e. V. heeft geweigerd om P. toe te staan haar werkzaamheden te hervatten

f. P. is eind december 1987 gaan werken voor een uitzendbureau

5. De beoordeling van de grieven

5.1 Grief I richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat in
de gegeven omstandigheden niet gezegd kan worden dat V. had moeten begrijpen
dat P. een verklaring heeft afgelegd die niet overeenkwam met haar wil en dat
zij helemaal geen ontslag wilde nemen

5.2 Voor de beoordeling van deze brief is naar het oordeel van de
rechtbank het volgende van belang:

a. P. heeft op 13 november 1987 een schriftelijke verklaring ondertekend
dat zij akkoord ging met haar ontslag per die datum

P. wijst er in haar memorie van grieven op dat zij, voorafgaande aan de
ondertekening van de schriftelijke verklaring, niet met zoveel woorden aan V.
heeft medegedeeld dat zij met onmiddellijke ingang ontslag nam. Ook wijst
zij erop dat de schriftelijke verklaring vooraf was opgesteld door V. De
rechtbank acht de beide genoemde omstandigheden niet van doorslaggevende
betekenis: niet weersproken is dat P. de verklaring, voordat zij deze
ondertekende, heeft doorgelezen. Niet gesteld of gebleken is dat zij de
inhoud van die verklaring niet heeft begrepen. Doordat P. de schriftelijke
verklaring ondertekende mocht V. er in beginsel van uitgaan dat zij akkoord
was met de inhoud daarvan

b. In de periode voorafgaande aan de dertiende november 1987 is tussen
partijen een aantal malen onenigheid ontstaan:

– op of omstreeks 21 september 1987 heeft P. aan V. om een
loonsverhoging gevraagd; dit verzoek is afgewezen; P. was het daarmee niet
eens;

– door V. is bezwaar gemaakt tegen het opnemen van onbetaald verlof door
P. op 2 november 1987;

– door V. is voorts bezwaar gemaakt tegen de aankondiging van P. dat zij
na een tandartsbezoek op 6 november 1987 om 13.00 niet zou terugkeren naar
haar werk

Naar aanleiding van de onenigheid over het al dan niet toekennen van
loonsverhoging heeft P. aangekondigd dat zij ander werk zou gaan zoeken. V.
was hiervan op de hoogte. Voormelde feiten zijn enerzijds gesteld en
anderzijds niet weersproken, zodat de rechtbank ze als vaststaand aanneemt

5.3 Op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang
bezien, is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat V. er van mocht uitgaan
dat P. op het moment dat zij de hiervoor bedoelde schriftelijke verklaring
ondertekende, inderdaad de bedoeling had om de dienstbetrekking met
onmiddellijke ingang te beeindigen
a
Ook de gang van zaken, direct voorafgaande aan de ondertekening van de
schriftelijke verklaring door P., dwingt niet tot een andere conclusie.
Omtrent die gang van zaken is op grond van het over en weer gestelde niet
meer komen vast te staan dan dat door V. aan P. de vraag is gesteld of zij de
(gehele) afgelopen periode ziek was geweest dan wel ook onbetaald verlof had
genomen. Nadat door P. was geantwoord dat zij de gehele periode ziek was
geweest heeft V. aan P. de voorgelegd of zij nog steeds weg wilde. Na een
bevestigend antwoord op die vraag heeft V. aan P. de schriftelijke verklaring
ter ondertekening voorgelegd

Volgens P. vond dit gesprek plaats “in een min of meer emotionele sfeer”.
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank volgt uit deze gang van zaken
geenszins dat V. erop verdacht had behoren te zijn dat P. op het moment van
ondertekening van de verklaring niet de bedoeling had de dienstbetrekking te
beeindigen. De rechtbank houdt een definitief oordeel op dit punt aan, met
het oog op hetgeen hierna wordt beslist met betrekking tot grief II

5.4 P. heeft blijkens de toelichting op grief I voorts bezwaar tegen de
overweging van de kantonrechter: “Het gaat hier ook niet om een oudere
kostwinner die in een emotionele opwelling ontslag neemt, maar om een jeugdig
persoon die ontevreden was over het feit dat zij geen loonsverhoging kreeg en
die bezig was om een andere baan te zoeken .”

De kantonrechter gaat er blijkens deze overweging van uit dat P. geen
kostwinner is. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken zal ook de
rechtbank daarvan uitgaan. De rechtbank begrijpt uit het door P. gestelde
dat zij met name bezwaar heeft tegen het feit dat door de kantonrechter
onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds een oudere kostwinner en anderzijds
een jeugdige niet-kostwinner. De rechtbank deelt dit bezwaar niet. In het
algemeen gesproken zullen de consequenties van een vrijwillig ontslag met
onmiddellijke ingang voor een oudere kostwinner ernstiger zijn dan voor een
jeugdige niet-kostwinner, zodat aangenomen moet worden dat in het algemeen een
oudere kostwinner minder snel een dergelijke stap zal zetten dan een jeugdige
niet-kostwinner. Niet gesteld of gebleken is dat een en ander in de
onderhavige zaak anders ligt

5.5 Met betrekking tot grief II overweegt de rechtbank het volgende

P. stelt zich blijkens de inhoud van deze grief en de toelichting
daarop, op het standpunt dat ook in het geval V. er van uit mocht gaan dat P.
inderdaad de dienstbetrekking wilde beeindigen, de eisen van de goede trouw
met zich meebrengen dat V. P. niet aan die ontslagneming mag houden nu hij
niet in gerechtvaardigd vertrouwen dat P. inderdaad ontslag wilde nemen, iets
heeft gedaan waardoor hij bij ongedaanmaking van het ontslag in een
ongunstiger positie zou komen te verkeren

Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer: NJ 1987, 267
en NJ 1988, 951) kan een werknemer zich slechts op het hier bedoelde
“nadeelsvereiste” beroepen, wanneer die werknemer niet in staat was zijn of
haar wil te bepalen omdat hij of zij in een hevige gemoedsbeweging verkeerd of
handelde onder invloed van een stoornis van zijn of haar geestesvermogen

P. stelt in hoger beroep dat zij op het moment dat zij akkoord ging met
de beeindiging van de dienstbetrekking niet in staat was haar wil te bepalen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft P. deze stelling – die door V. is
weersproken – onvoldoende aannemelijk gemaakt en zeker niet bewezen. Met
name uit hetgeen thans vaststaat met betrekking tot de feitelijke gang van
zaken rond de ondertekening van de verklaring (weergegeven in
rechtsoverweging 5.3) kan een dergelijke conclusie niet worden getrokken

5.6 P. heeft echter aangeboden haar stellingen te bewijzen en de
rechtbank zal haar tot dit bewijs toelaten als hierna te vermelden

5.7 De rechtbank acht het doelmatig om aansluitend aan de eventuele
getuigenverhoren, of in plaats daarvan indien van bewijslevering door
getuigen wordt afgezien, een comparitie van partijen te gelasten teneinde van
partijen inlichtingen te verkrijgen en om de mogelijkheid van een schikking te
onderzoeken

6. De beslissing

De rechtbank laat P. toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden
waaruit volgt dat zij op 13 november 1987, ten tijde van het ondertekenen van
de schriftelijke verklaring als hiervoor bedoeld, niet in staat was haar wil
te bepalen

De rechtbank bepaalt, voor het geval P. bewijs door getuigen wil
leveren, dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr.
N.J.M. van Etten die hiertoe tot rechter-commissaris wordt benoemd en die
hiertoe zitting zal houden in het gebouw van de rechtbank op vrijdag 28 juli
1989 te 09.30 uur

De rechtbank gelast partijen om in persoon en vergezeld van hun
raadslieden te verschijnen voor de hiervoor genoemde rechter-commissaris voor
het geven van inlichtingen en om de mogelijkheid van een schikking te
onderzoeken

De rechtbank bepaalt dat de comparitie zal plaatsvinden in het gebouw
van de rechtbank na afloop van de getuigenverhoren, dan wel in de plaats
daarvan indien van bewijs door getuigen wordt afgezien

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan

Rechters

Mrs. ir. P.P. van de Vijver, N.J.M. van Etten en L.C. Heuveling vanBeek

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 14 juni 1989

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Aanvraagster sluit op 1 november 1987 een arbeidscontract. Op 1
december zou zij aan het werk gaan. Een week daarvoor deelt zij mee zwanger
te zijn. De werkgever beschouwt de dienstbetrekking vervolgens als
beeindigd, omdat hij zijn clientele niet met zwangere vrouwen wil
confronteren. De vrouw vraagt vergeefs om een schriftelijke bevestiging van
de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens zwangerschap. Zij wacht
tot haar proeftijd is verstreken en protesteert dan tegen het ontslag. De
werkgever meent dat er geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, maar
slechts een voorwaardelijke overeenkomst onder de ontbindende voorwaarde van
medisch keuring. Zo er wel van een arbeidsovereenkomst sprake zou zijn
geweest, dan is die al veer 1 december 1987 met wederzijds goedvinden
beeindigd. De vrouw wil de zaak aan de rechter voorleggen

Beslissing Rechtenvrouw: deze zaak is typerend voor de arbeid
spositie van vrouwen. Ook al is er een wettelijke bepaling (artikel 1637 ij
Burgerlijk Wetboek) die discriminatie als gevolg van zwangerschap verbiedt,
steeds opnieuw blijken vrouwen toch wegens zwangerschap te worden benadeeld
Rechtenvrouw garandeerde reeds eerder een zaak betreffende ontslag wegens
zwangerschap tijdens proeftijd (Jaarverslag 1987, no. 3). In deze nieuwe
procedure zal worden aangevoerd dat de vrouw, in strijd met artikel 1637 ij
BW, na de proeftijd wegens zwangerschap ontslagen werd

Afloop: De kantonrechter bepaalde dat de werkgever, door de zwangerschap
als reden voor ontslag aan te voeren, wanprestatie had gepleegd. Nu de
materiele schade, voortvloeiend uit de wanprestatie, door de vrouw niet
voldoende concreet was aangegeven, kende de rechter alleen een immateriele
schadevergoeding van F 5.000,- toe

Jaarverslag 1988 no. 14

Volledige tekst

Verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar hetgeen daaromtrent is overwogen in het
tussenvonnis dd. 21 september 1988

Bij dat vonnis werd de partijen toegelaten door alle middelen rechten,
speciaal door getuigen, te bewijzen de bij dat vonnis nader omschreven feiten

Op het daarvoor bepaalde tijdstip heeft de gedaagde partij een getuige
doen horen, die heeft verklaard zoals is vermeld in het daarvan opgemaakte
proces-verbaal

De eisende partij heeft drie getuigen doen horen, die hebben verklaard
zoals is vermeld in het daarvan opgemaakte proces-verbaal

Partijen hebben hierna een conclusie na getuigenverhoor genomen

Hierna is door de kantonrechter bepaald, dat vonnis zal worden gewezen

Motivering

1. De kantonrechter neemt over hetgeen bij het vonnis van 21 september
1988 is overwogen. Bij dit vonnis was gedaagde toegelaten te bewijzen dat de
arbeidsovereenkomst door wederzijds goedvinden is beeindigd en eiseres diende
te bewijzen dat gedaagde gehandeld heeft in strijd met artikel 1637 ij BW,
bijvoorbeeld door haar telefonisch mee te delen dat zij haar clientele niet
wil confronteren met zwangere vrouwen

2. Niet is bewezen, dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden
is geeindigd. Door de getuige Renes, werkzaam als secretaresse bij gedaagde,
is verklaard dat zij in opdracht van Van der Steenstraten van gedaagde aan
eiseres heeft gezegd, dat zij geen gebruik van haar zouden maken. De getuige
heeft weliswaar de indruk gekregen, dat eiseres hiermee al rekening had
gehouden en dit verwacht had, maar dit wettigt nog niet de conclusie, dat
eiseres er ook mee akkoord ging. Niet te spoedig immers moet worden
aangenomen dat een werknemer toestemt in de beëindiging van een
arbeidsovereenkomst en zeker niet in dit geval, waar de getuige Renes ook nog
heeft verklaard, dat eiseres overstuur was en huilde bij het eerste
telefoongesprek en Renes bij het tweede telefoongesprek gevraagd heeft of
eiseres zich wel kon redden, omdat Renes met haar te doen had

Mede in verband met de verklaringen van de andere getuigen, die alle
eiseres direct na het telefoongesprek gesproken hebben en verklaren, dat
eiseres geemotioneerd en verontwaardigd was over het ontslag, is een
wederzijds goedvinden niet komen vast te staan

3. Uit de verklaring van de getuige Renes, dat de heer Van de
Steenstraten onder meer gezegd heeft, toen Renes vertelde dat eiseres zwanger
was: “Daar beginnen we niet aan” en de indruk van de getuige dat de
zwangerschap wel een rol gespeeld zal hebben, alsmede de verklaringen van de
overige drie getuigen, die alle drie verklaren kort na het telefoongesprek
van eiseres met Renes, van eerstgenoemde gehoord te hebben dat zij wegens
zwangerschap was ontslagen, is voldoende komen vast te staan, dat de
zwangerschap in ieder geval een hoofdreden was van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst. Niet bewezen is, dat telefonisch is meegedeeld dat de
clientele van gedaagde niet geconfronteerd kon worden met zwangere vrouwen,
maar deze opmerking was slechts als voorbeeld te bewijzen opgedragen

4. Uit het hiervoor overwogene volgt, dat – zoals de kantonrechter reeds
bij tussenvonnis heeft overwogen – gedaagde schadeplichtig is op grond van
wanprestatie (artikel 1639 x BW), nu bij de beëindiging van deze
arbeidsovereenkomst (ook al was deze beëindiging op zichzelf geldig)
onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen, hetgeen in artikel 1637 ij BW
is verboden

5. De schadevergoeding wegens wanprestatie kan volgens de algemene
regels van het verbintenissenrecht slechts bestaan uit hetgeen een
onmiddellijk en dadelijk gevolg is van de wanprestatie, in dit geval
bijvoorbeeld de derving van inkomsten door de wanprestatie van gedaagde.
Eiseres begroot deze schade naar analogie van artikel 1639 r BW op 1
jaarsalaris ten bedrage van ƒ 21.000,– bruto. Eiseres heeft echter zelf
gesteld, dat zij via het uitzendbureau bij diverse bedrijven heeft gewerkt in
dat jaar en dat niet bekend is of zij een uitkering zou krijgen wegens
zwangerschap en bevalling. Nu derhalve onvoldoende concreet is gesteld, hoe
groot de onmiddellijk en dadelijk uit de wanprestatie voortvloeiende schade
van eiseres is, wordt deze vordering afgewezen

6. De vordering wegens immateriele schade is wel toewijsbaar. Naar
oordeel van de kantonrechter is niet juist de stelling van gedaagde – hoewel
door diverse schrijvers verdedigd – dat artikel 1637 w BW niet ziet op een
schadevergoeding voortvloeiend uit de beëindiging van de dienstbetrekking.
Uit de tekst van de wet zelf, die spreekt over het handelen in strijd met een
van de verplichtingen, valt dit niet af te leiden en in dit geval wordt ook
juist geoordeeld, dat gedaagde in strijd met de verplichtingen niet te
discrimineren heeft gehandeld

De kantonrechter waardeert de immateriele schade naar billijkheid op ƒ
5.000,–

7. De proceskosten worden gecompenseerd, nu partijen over en weer in het
ongelijk zijn gesteld

Beslissing

De kantonrechter veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen ƒ
5.000,– als vergoeding voor onstoffelijke schade, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 26 februari 1988 tot de algehele voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt

Rechters

Mr. M.M. Dithuijzen, kantonrechter

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 9 juni 1989

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Dreigende uitzetting. Schijnhuwelijk. Aan eisers echtgenote kan in
overwegende mate worden verweten, dat zij zich niet ter beschikking van de
arbeidsmarkt heeft gesteld. Beroep op art. 8 EVRM faalt: van eisers
echtgenote kan worden verlangd dat zij haar man volgt naar Suriname

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Kok, Van Schellen, Erdman

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 juni 1989

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het enkele feit dat een van de ouders (in casu de moeder) na
echtscheiding voortzetting van de gezamenlijke ouderlijke macht niet wenst, is
voldoende om het verzoek van de andere echtgenoot (in casu de vader) niet toe
te wijzen.

Na ruim 10 jaar huwelijk wordt de echtscheiding uitgesproken. De man en
de vrouw hebben dan een kind van vier jaar en een pasgeboren baby. De man
wenst voortzetting van de gezamenlijke ouderlijke macht en als dat niet
mogelijk is de voogdij over het oudste kind. De moeder heeft bezwaar tegen de
gezamenlijke ouderlijke macht en wil tot voogdes benoemd worden over haar
beide kinderen. In de procedure voert zij aan dat er geen basis meer is voor
overleg tussen de ouders, dat zij zich emotioneel niet in staat acht de
kinderen in goede onderlinge verstandhouding met de vader te blijven verzorgen
en opvoeden en dat zij het contact met de vader als zuiver zakelijk
beschouwt.

De rechtbank voorziet niet in de voogdij, zodat de gezamenlijke
ouderlijke macht blijft voortbestaan. De moeder gaat in hoger beroep en het
hof volgt het advies van de raad voor de kinderbescherming en benoemt de
moeder tot voogdes over beide kinderen.

Nu gaat de man in cassatie en voert onder andere aan dat het hof ten
onrechte de voortzetting van de ouderlijke macht heeft geweigerd op de enkele
grond dat de vrouw zich daartegen verzet.

Volledige tekst

Hoge Raad

3. Beoordeling van het middel

3.1 De man komt met een rechtsklacht en motiveringsklachten op tegen ‘s
hofs oordeel dat het verzoek van de man niet kan worden ingewilligd ‘nu
daarvoor tenminste is vereist dat beide ouders dit wensen (HR 31 maart 1986,
NJ 1986, 587)’ en dat, nu de vrouw gemotiveerd heeft aangegeven dat zij
voortzetting van de ouderlijke macht niet wenst, een van de ouders tot voogd
moet worden benoemd.

3.2 Het middel faalt. Het enkele feit dat vaststaat dat de vrouw
voortzetting van de ouderlijke macht niet wenst, is reeds een beletsel voor
toewijzing van het verzoek van de man tot een zodanige voortzetting.

’s Hofs oordeel behoefde geen nadere motivering. Anders dan het middel
aanvoert, behoefde het hof de door de vrouw genoemde bezwaren tegen die
voortzetting van de ouderlijke macht niet op hun redelijkheid te toetsen, nu
de uitkomst van zulk een toetsing niet kan wegnemen dat de vrouw die
voortzetting niet wenst.

4. Beslissing: de Hoge Raad verwerpt het beroep.

Nora Holtrust/Ineke de Hondt

Van 1838 tot 1985 had de gehuwde vader het laatste woord ten aanzien van
zijn kinderen. De gehuwde moeder mocht vanaf 1947 wel op bescheiden schaal
haar partijtje meeblazen, maar vaders stem gaf bij onenigheid de doorslag.
Vanaf 1 januari 1985 is dat veranderd; als gehuwde ouders het niet met elkaar
eens zijn, kunnen zij de rechter vragen om zijn licht over hun
opvoedingsproblemen te laten schijnen (HR 24-4-1987, NJ 1987, 627). Nog voor
deze wetswijziging van 1985 sprak de rechter zich er over uit dat gescheiden
ouders in beginsel de mogelijkheid moet worden geboden samen met het gezag
over het kind belast te blijven (RVR 1992, nr. 15). Volgens de Hoge Raad is
het ingrijpen in de ouderlijke macht van ouders die gaan scheiden een
inmenging in het gezinsleven als bedoeld in art. 8 EVRM. Een dergelijke
inmenging is wel toegestaan op grond van art. 8 EVRM lid 2 maar niet in het
geval ouders in een onderlinge goede verstandhouding hun kinderen willen
blijven verzorgen en opvoeden. Deze goede onderlinge verstandhouding moet
ondermeer blijken uit het feit dat beide ouders na scheiding de gezamenlijke
macht willen voortzetten (RVR 1992, nr. 17).

In 1986 werd de mogelijkheid van gezamenlijk ouderlijk gezag ook
opengesteld voor ouders die nooit met elkaar gehuwd zijn geweest. In de
zogenoemde vier voorjaarsbeschikkingen (NJ 1986, 585-589), waarvan er een hier
is opgenomen (RVR 1992, nr. 16) stelt de Hoge Raad nadere voorwaarden aan
ongehuwde ouders die het gezag gezamenlijk willen uitoefenen. (zie voor een
van deze voorwaarden, het tot een kind in familierechtelijke betrekkingen
staan, de annotatie van Frieda van Vliet onder RVR 1992, nr. 19)

De Hoge Raad gaat met zijn uitspraken uit 1984 en 1986 veel verder dan
de Europese Commissie in Straatsburg (zie RVR 1992, nr. 14). Ook daar
verzochten enkele ongehuwde (Duitse) vaders de ouderlijke macht samen met de
moeder te mogen uitoefenen. Zij waren van mening dat hun family life
geschonden was, omdat zij noch op grond van de wet noch op grond van de
rechtspraak de ouderlijke macht met de moeder mochten delen. De Europese
Commissie is van mening dat de algemene regel dat de ongehuwde moeder alleen
de voogdij over het kind uitoefent niet in strijd komt met art. 8 EVRM omdat
dat in het algemeen in het belang van buiten huwelijk geboren kinderen is, nu
er in het algemeen al meteen vanaf de geboorte tussen moeder en kind een
sterke band bestaat. De ongehuwde vaders beroepen zich ook nog op een
ongelijke behandeling vergeleken met een gehuwde vader. De Commissie is
evenwel van mening dat dat het gevolg is van de keuze van de ouders om niet
met elkaar te huwen. Als gehuwde ouders uit elkaar gaan, dan voorziet de
echtscheidingswet er in dat in het gezag over het kind wordt voorzien terwijl
een niet gehuwde vader zijn gezin op elk door hem gewenst moment kan verlaten,
zonder dat er iets voor de kinderen wordt geregeld.

Rechters

Mrs. Snijders, Bloembergen, Haak, Roelvink, Davids; A-G Ten Kate

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 8 juni 1989

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De president van de arrondissementsrechtbank Haarlem heeft in kort
geding A. een straatverbod op gelegd met machtiging van B., voor zo vaak
nodig, de tenuitvoerlegging van dit straatverbod te bewerkstelligen met behulp
van de sterke arm en met bepaling dat A. een dwangsom verbeurt van ƒ 250,–
voor iedere overtreding van dit straatverbod

A. is hiervan in hoger beroep gegaan

B. heeft heeft in hoger beroep alsnog gevorderd A. te verbieden
gedurende zes maanden zich op te houden in de gemeente Beverwijk

Het hof acht bewezen dat A. regelmatig het hem opgelegde straatverbod
heeft overtreden. Dit rechtvaardigt een uitbreiding van het verboden
gebied

Het hof meent dat het belang van A. om zijn familie en kennissen in
Beverwijk te kunnen bezoeken niet opweegt tegen het belang van B. om rustig en
ongestoord in deze plaats te kunnen wonen. Daarbij komt dat A. werkt in
Amsterdam

Het hof verbiedt A. zich vanaf de betekening van dit arrest, tot zes
maanden daarna, op te houden in de gemeente Beverwijk (dit houdt in dat A.
moet verhuizen) en bepaalt, dat iedere keer dat A. dit verbod overtreedt, dit
arrest uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang voor de duur van veertien dagen

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Witteman, Hermans en Yland-van Veen

Instantie: Rechtbank Arnhem, 8 juni 1989

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres X. is van begin 1980 tot augustus 1984 door Y. als
fysiotherapeut behandeld in verband met rugklachten. Tussen partijen is
kort na de aanvang een seksuele relatie ontstaan, waaruit twee zwangerschappen
zijn ontstaan. De eerste is afgebroken door abortus provocatus, uit de
tweede is een dochter geboren. Eiseres vordert ƒ 400,– per maand vanaf
de dag der dagvaarding alsmede ƒ 15.000,– ineens en subsidiair ƒ
100.000,–

Eiseres is van mening dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft
gehandeld als fysiotherapeut, door met haar, onder psychische druk, seksueel
contact te hebben. Eiseres onderbouwt haar stelling, dat gedaagde een
zodanige psychisch overwicht op haar had dat zij – verliefd op hem zijnde –
toe zou hebben gegeven aan zijn wens tot seksueel contact slechts met het
algemene argument dat tussen partijen een hulpverleningssituatie bestond,
waarin zij als vrouw en leek de afhankelijke partij was. Enige specifieke
argumenten legt zij daaraan niet ten grondslag. Uit de verder aangevoerde
feiten kunnen geen argumenten worden gehaald op basis waarvan de rechtbank de
vordering van eiseres kan toewijzen

Voorts stelt eiseres, kennelijk als wettelijk vertegenwoordigster van
haar dochter Y. dat gedaagde een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens
haardochter. Door verder niet aan te voeren waarop zij deze vordering
baseert heeft eiseres gezien het bepaalde in art. 1401 BW niet aan haar
stelplicht voldaan. De rechtbank wijst alle vorderingen af en veroordeelt
eiseres in de kosten van deze procedure

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Overeenkomstig de dagvaarding heeft eiseres voor eis geconcludeerd.
Gedaagde heeft daarop geantwoord, onder overlegging van 1 produktie. Eiseres
heeft de conclusie van repliek genomen, onder overlegging van 2 produkties,
waarna gedaagde heeft gedupliceerd

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd. Bij
de door eiseres overgelegde stukken bevindt zich een afschrift van de
machtiging van de Kantonrechter te Terborg d.d. 22 december 1988 om als
Ø
telijk vertegenwoordigster van haar dochter in deze procedure op te treden

De vaststaande feiten

1. Begin 1980 heeft eiseres zich bij gedaagde – die fysiotherapeut is –
gemeld in verband met rugklachten. De behandeling van eiseres door gedaagde
heeft geduurd tot omstreeks augustus 1984

2. Tussen partijen is kort na de aanvang van de hulpverleningsrelatie
een seksuele relatie ontstaan, waaruit een zwangerschap van eiseres voortkwam.
Deze zwangerschap is in januari 1982 afgebroken

3. Nadien is eiseres opnieuw zwanger geraakt, uit welke zwangerschap op
6 juli 1983 de dochter, wettige dochter van eiseres en haar echtgenoot is
geboren

Het geschil

4. Eiseres stelt allereerst dat gedaagde jegens haar onrechtmatig heeft
gehandeld als fysiotherapeut nu hij zich als zodanig niet heeft gedragen
zoals dat in het maatschappelijk verkeer naar huidige opvattingen betaamt,
door in de professionele hulpverleningssituatie seksuele contacten met haar te
hebben, uit welke contacten zij zwanger is geraakt en een dochter is geboren

Zij voert aan dat zij schade -zowel materieel als immaterieel- heeft
geleden door dit onrechtmatig handelen van gedaagde, voor welke schade
gedaagde aansprakelijk is

Daarnaast is eiseres van mening dat gedaagde een onrechtmatige daad
pleegt ten opzichte van haar dochter, van wie gedaagde volgens eiseres de
verwekker is, doordat gedaagde zich op formeel-juridische gronden beroept om
niet te hoeven bijdragen in het levensonderhoud van deze dochter, terwijl het
volgens eiseres voor de hand ligt dat haar dochter psychisch er onder zal
lijden wanneer zij verneemt dat de echtgenoot van eiseres niet haar
biologische vader is

Op grond van deze stellingen vordert eiseres primair dat gedaagde zal
worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van ƒ 400,– per
maand vanaf de dag der dagvaarding alsmede een bedrag ineens van ƒ
15.000,–, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding
en subsidiair dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag
van ƒ 100.000,–, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag
van de dagvaarding, onder veroordeling van gedaagde in de proceskosten

5. Gedaagde betwist de vorderingen van eiseres gemotiveerd

De beoordeling van het geschil

6. Partijen zijn het er over eens dat er tussen hen een
hulpverleningssituatie heeft bestaan vanaf omstreeks begin 1980 tot augustus
1984, in die zin dat gedaagde als fysiotherapeut eiseres wegens rugklachten
behandelde

7. Zij zijn het er ook over eens dat tussen hen vanaf eind 1981 seksuele
contacten hebben plaatsgevonden, tengevolge waarvan eiseres zwanger is
geworden. Deze zwangerschap is in januari 1982 afgebroken door een abortus
provocatus, die is uitgevoerd in een kliniek in Zwolle. Bij deze gebeurtenis
heeft gedaagde eiseres vergezeld naar de kliniek

8. Beide partijen stellen dat enige maanden na de hiervoor vermelde
ingreep er geen seksueel contact tussen hen heeft plaatsgevonden, terwijl er
kennelijk wel contacten in het kader van de fysiotherapeutische hulpverlening
waren. In april 1982 hebben partijen de seksuele omgang met elkaar weer
hervat

9. In principe moet er van worden uitgegaan dat twee mensen die -al dan
niet verliefd – een seksuele relatie met elkaar aangaan, gelijkwaardige
partijen zijn, die in volle vrijheid beslissingen over en in die relatie
kunnen nemen

Onder bepaalde omstandigheden zou dit anders kunnen zijn, met name in
hulpverleningssituaties, waarin de hulpvragende per definitie de afhankelijke
partij is, althans op het gebied waarop hij/zij hulp vraagt. Hierbij spelen
diverse factoren een rol, o.a. de leeftijd, ontwikkeling en persoonlijkheid
van de hulpvragende en de aard van de hulpverleningssituatie

10. Eiseres heeft gesteld dat gedaagde haar niet met fysiek geweld tot
seksuele contacten heeft gebracht; zij ziet als oorzaak kennelijk het
psychische overwicht dat gedaagde op haar zou hebben gehad

11. Eiseres onderbouwt haar stelling, dat gedaagde een zodanig psychisch
overwicht op haar had dat zij -verliefd op hem zijnde – toe zou hebben
gegeven aan zijn wens tot seksueel contact, slechts met het algemene argument
dat tussen partijen een hulpverleningssituatie bestond, waarin zij als vrouw
en leek de afhankelijke partij was. Enige specifieke argumenten legt zij
daaraan verder niet ten grondslag

12. Er is niets gesteld waaruit blijkt dat gedaagde een dusdanig
overwicht op eiseres had, dat dat de reden zou kunnen zijn dat eiseres niet
in volle vrijheid haar beslissingen kon nemen

In de langdurige relatie tussen partijen heeft een aantal gebeurtenissen
plaatsgevonden uit welke blijkt dat eiseres invloed kon uitoefenen in de
relatie tussen partijen:

a. De eerste zwangerschap van eiseres, die zij in januari 1982 heeft
laten afbreken

Eiseres geeft aan dat tussen partijen over deze gebeurtenis is gesproken
en dat zij op grond van het gebeurde geen seksueel contact meer wenste. Het
staat vast dat er toen ook enkele maanden geen seksueel contact heeft
plaatsgevonden, terwijl toch kennelijk wel de fysiotherapeutische behandeling
voortgang heeft gevonden

Eiseres heeft die gelegenheid niet aangegrepen om een andere
fysiotherapeut te zoeken

b. Ongetwijfeld moet eiseres zich na het afbreken van de eerste
zwangerschap hebben gerealiseerd, dat zij opnieuw zwanger kon worden.
Kennelijk heeft zij er voor gekozen daarvoor geen maatregelen te nemen,
terwijl toch -ook destijds- de mogelijkheden voor het voorkomen van
zwangerschap algemeen maatschappelijk bekend mogen worden verondersteld

Zij heeft -door het risico van een nieuwe zwangerschap te nemen – en te
kiezen voor het behoud van het kind toen zij opnieuw zwanger was, wederom
zelf een beslissing genomen, waarbij niet is gebleken van enige beinvloeding
of psychisch overwicht met betrekking tot deze beslissingen van gedaagde

c. Niet duidelijk is geworden hoe de relatie tussen partijen ten tijde
van de tweede zwangerschap, de geboorte van het kind -waarvan gedaagde bij
gebrek aan wetenschap ontkent dat hij de verwekker is en waarvan de
wettigheid niet is ontkend door de echtgenoot van eiseres – en daarna is
verlopen

Volgens beiden heeft de hulpverlenings- en de liefdes/seksuele relatie
voortgeduurd tot augustus 1984, dus ruim een jaar na de geboorte van het kind.
Ook dat pleit voor een relatie waarin beiden zich konden vinden

13. Het feit dat gedaagde niet de fysiotherapeutische behandeling heeft
stopgezet kan in de bovenweergegeven situatie niet als onrechtmatig worden
bestempeld

Dat neemt niet weg dat gedaagde er, zoals hij zelf aanvoert,
verstandiger aan zou hebben gedaan eiseres voor de fysiotherapeutische
behandeling naar een collega te verwijzen

Volgens gedaagde is dit wel door hem voorgesteld, maar eiseres betwist
dit

14. Dat de Geneeskundig Inspecteur van de Volksgezondheid gedaagde bij
brief van 22 maart 1988 – na melding van de klacht door de advocaat van
eiseres – heeft aangezegd dat hij er bij het Ziekenfonds op zou aandringen
die maatregelen jegens gedaagde te nemen, die in een dergelijke situatie
(bedoeld werd door de Inspecteur: het hebben van een seksuele relatie met een
patiente) geeigend zijn, indien hij onverhoopt opnieuw signalen over een
soortgelijke handelswijze zou ontvangen, betekent niet automatisch dat hier
sprake is geweest van onrechtmatig handelen door gedaagde. In de
beroepsethiek kan sprake zijn van niet-acceptabel gedrag in de relatie
beroeps-deelnemer/hulpvragende, zonder dat dit gedrag als onrechtmatig kan
worden bestempeld

15. De vorderingen van eiseres voor zichzelf zullen op grond van het
hiervoor overwogene worden afgewezen

16. Eiseres stelt, dit kennelijk als wettelijk vertegenwoordigster van
haar dochter Elisabeth, dat gedaagde jegens Elisabeth een onrechtmatige daad
heeft gepleegd. Het is overigens niet duidelijk welke vordering (de primaire
en/of de subsidiaire) eiseres ten behoeve van Elisabeth instelt

17. Door zonder verder toelichting te stellen dat gedaagde jegens
Elisabeth een onrechtmatige daad pleegt omdat te verwachten valt dat ooit zal
uitkomen dat de echtgenoot van eiseres niet haar biologische vader is en dat
zij daardoor een psychische klap zal krijgen, heeft eiseres gezien het
bepaalde in art. 1401 B.W. niet aan haar stelplicht voldaan

Daarom gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij

18. Eiseres q.q. ziet terecht in dat gedaagde geen onderhoudsplicht
heeft op grond van de bepalingen van Titel 17, Boek I B.W. jegens Elisabeth.
Het is niet in te zien waarom gedaagde dan onrechtmatig jegens Elisabeth zou
handelen indien hij niet bijdraagt in haar levensonderhoud terwijl de
wetgever, die de onderhoudsverplichtingen uitdrukkelijk heeft geregeld, bij
aanwezigheid van een wettige vader niet daarnaast ook de biologische vader
van een kind een onderhoudsplicht heeft willen opleggen (daargelaten dat door
gedaagde wordt betwist en nog niet vaststaat dat hij de biologische vader van
Elisabeth is)

19. Ook de vorderingen voorzover gebaseerd op vermeend onrechtmatig
handelen van gedaagde jegens Elisabeth moeten dus worden afgewezen

20. Eiseres zal, zowel voor zichzelf als q.q., als de in het ongelijk
gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten

De beslissing

De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en veroordeelt eiseres
in de kosten van deze procedure, tot heden aan de zijde van gedaagde begroot
op ƒ 300,– aan verschotten en op ƒ 1.240,– aan salaris procureur

Rechters

Mrs E. van Rossem, M.L. Drabbe en G.M. Roerink, rechters

Instantie: Rechtbank Arnhem, 8 juni 1989

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Werkgever gaat in beroep tegen een vonnis van de kantonrechter,
ondanks het feit dat artikel 1639w lid 11 BW rechtsmiddelen uitsluit, op
grond van de stelling dat bij de totstandkoming van de bestreden
beslissing de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft
veronachtzaamd. De rechtbank verwerpt het beroep en bekrachtigt de
beschikking van de kantonrechter waarin de arbeidsovereenkomst wordt
ontbonden met toekenning van immateriele schadevergoeding van ƒ
10.000,–. Zie voor dit vonnis: Kantongerecht Nijmegen, 16 december
1988, rep.nr. 826/88/1.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

In eerste aanleg:

Bij inleidend verzoekschrift van 6 juli 1988 heeft thans geintimeerde,
tevens incidenteel appellante -verder te noemen G.- de kantonrechter te
Nijmegen verzocht de tussen haar en thans appelllante, tevens
incidenteel geintimeerde -hierna te noemen K.- sedert 1 januari 1981
bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen in
de zin van artikel 1639w BW onder toekenning aan G. ten laste van K. van
een immateriele schadevergoeding ter hoogte van ƒ 30.000,–, met
veroordeling van K. in de kosten van het geding.

K. heeft door middel van een verweerschrift ter zitting van 12 augustus
1988 tegen het verzoek verweer gevoerd en geconcludeerd voor wat betreft
de verzochte ontbinding tot referte, doch zonder toekenning van een
vergoeding ex artikel 1639w lid 8 BW aan G.

Bij conclusie van repliek eveneens ter zitting van 12 augustus 1988
genomen heeft G. haar standpunt nader toegelicht onder overlegging van
een vijftal produkties. Bij conclusie van dupliek genomen op de zitting
van 12 augustus 1988 heeft K. eveneens haar standpunt nader toegelicht,
onder overlegging van een produktie.

Op 12 augustus 1988 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek ex
artikel 1639w BW bij de Kantonrechter te Nijmegen plaatsgevonden,
waarbij G. een proces-verbaal d.d. 11 december 1987 in het geding heeft
gebracht, opgesteld door de Gemeentepolitie te Nijmegen tegen S.
betreffende overtreding van artt. 239, lid 3, 246 c.q. 246 in verband
met 45 Wetboek van Strafrecht.

Bij tussenbeschikking d.d. 26 augustus 1988 heeft de kantonrechter te
Nijmegen alvorens te beslissen op het verzoek ex art. 1639w BW kennelijk
op het kantongerecht binnengekomen op 7 juli 1988, beide partijen in de
gelegenheid gesteld (K. op 9 september 1988 en G. op 23 september 1988)
zich op een aantal met name genoemde punten uit te laten. K. heeft zich
op 9 september 1988 uitgelaten door middel van een conclusie na
tussenvonnis onder overlegging van een drietal produkties.

Eveneens op 9 september 1988 heeft G. bij akte haar eis vermeerderd en
verzocht K. naast hetgeen reeds eerder was gevorderd, bij wijze van
materiele schadevergoeding te veroordelen tot betaling van het volledige
salaris van G. vanaf 26 augustus 1988 ad ƒ 2.131,10 bruto per maand tot
het moment waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn ontbonden, alsmede van
een aanvulling van de uitkering of het salaris dat G. eventueel elders
zou gaan verdienen tot 100% van het laatst verdiende loon bij het K.
vanaf het tijdstip van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot 2 jaar
erna.

Bij akte genomen ter zitting van 23 september 1988 heeft K. gereageerd
op de vermeerdering van eis van 9 september 1988 namens G.

Bij conclusie na tussenvonnis d.d. 23 september 1988 heeft G. zich
uitgelaten omtrent hetgeen in de tussenbeschikking van 26 augustus 1988
door de kantonrechter was overwogen.

Bij beschikking van 16 december 1988 heeft de kantonrechter te Nijmegen
partijen in kennis gesteld van zijn voornemen de arbeidsovereenkomst
tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 januari 1989 onder
toekenning aan G. van een vergoeding ten laste van K. van ƒ 10.000,–
netto voor immateriele schade met veroordeling van K. in de kosten van
het geding. G. is in gelegenheid gesteld het verzoek uiterlijk 30
december 1988 in te trekken.

Fotocopieen van de beschikkingen van de kantonrechter d.d. 26 augustus
1988 en 16 december 1988 zijn aan deze beschikking gehecht.

In hoger beroep:

Op 14 februari 1989 is bij de griffie van deze rechtbank een
verzoekschrift ingekomen, gedateerd 14 februari 1989, waarbij K. tegen
voormelde beschikking van de kantonrechter te Nijmegen d.d. 16 december
1988 in beroep is gekomen (rek.nr. 604/89). Op het verzoekschrift van K.
d.d. 14 februari 1989 heeft G. bij verweerschrift d.d. 29 maart 1989,
ingekomen ter griffie op 31 maart 1989, gereageerd, heeft zij verzocht
K. niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, heeft zij
voorwaardelijk de grieven en de conclusies daaruit van K. bestreden en
tevens incidenteel geappelleerd tegen voormelde beschikking van de
kantonrechter te Nijmegen d.d. 16 december 1988.

Daarbij legde zij een produktie over.

Het incidenteel appel strekt tot toekenning aan G. ten laste van K. van
een immateriele schadevergoeding ad ƒ 30.000,–.

Ingevolge de beschikking van de voorzitter van deze kamer d.d. 20
februari 1989 heeft op 12 april 1989 een mondelinge behandeling
plaatsgevonden.

Bij die gelegenheid waren aanwezig:

H., bestuurslid van K. alsmede de advocaat van k. mr P.J.F.M. de Kerf te
Nijmegen;

G., alsmede de advocaat van G., mr. A. van Bon-Moors te Nijmegen.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de raadsman van K.
pleitnotities overgelegd.

Namens G. is een rectificatie van het verweerschrift d.d. 29 maart 1989
overgelegd.

De inhoud van voormelde stukken, met inbegrip van die van de eerste
aanleg, geldt als hier overgenomen.

Rechtsoverwegingen:

A. Principaal appel:

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. K. stelt zich op het standpunt dat, ondanks de in art. 1639w, lid 11
BW vervatte uitsluiting van gewone rechtsmiddelen, hoger beroep in deze
openstaat, en voert tegen de beschikking van de kantonrechter te
Nijmegen d.d. 16 december 1988 de volgende grieven aan:

Grief I:

De kantonrechter heeft ten onrechte hetgeen is bepaald in de
overwegingen 17 t/m 25, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast
beschouwd dient te worden, in zijn besluitvorming betrokken en
maatgevend geacht voor zijn oordeel dat -als immateriele
schadevergoeding- aan G. toegekend dient te worden een bedrag ad ƒ
10.000,–.

Grief II:

In overweging 23 -waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast
beschouwd moet worden- wordt (onder meer) ten onrechte door de
kantonrechter overwogen: “Dat deze “sfeer” bestond moet het bestuur van
verweerster wel bekend zijn geweest”.

Grief III:

Ten onrechte wordt in de overwegingen 10 en 11, waarvan de inhoud als
hier herhaald en ingelast beschouwd moet worden, aan K. verweten, dat
haar op non-actief gezette bedrijfsleider M. haar (het bestuur van K.)
niet op de hoogte heeft gesteld van de klachten die waren geuit door
mevrouw G.

Grief IV:

Ten onrechte heeft de kantonrechter overewogen in de grieven (de
rechtbank neemt aan dat bedoeld zal zijn: rechtsoverwegingen) 4 t/m 10
(waarvan de inhoud als hier woordelijk herhaald en ingelast beschouwd
dient te worden) dat het op weg van Pater V. had gelegen om de rest van
het bestuur van K. in te lichten over het gesprek, dat hij had gevoerd
met mevrouw G. in of omstreeks september 1987.

Grief V:

Ten onrechte overweegt de kantonrechter in de overwegingen 12 t/m 15
(die hier als herhaald en ingelast beschouwd dienen te worden) dat G.
een bespreking weigerde omdat zij een paar dagen tevoren namens de
andere medewerker van dezelfde advocaat een brief had gekregen waarin
werd gesteld dat zij die andere medewerkster publiekelijk had belasterd
en dat van haar werd geeist dat zij zich daarvan zou onthouden en daarna
de zaak op haar beloop liet.

Grief VI:

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen onder b. dat aan G. een
vergoeding ten laste van K. is toegekend ad ƒ 10.000,– netto voor
immateriele schade; alsmede dat K. is veroordeeld in de kosten van de
procedure.

3. Ter toelichting op haar stelling dat in deze hoger beroep openstaat
voert K. aan, dat de kantonrechter bij de totstandkoming van de
bestreden beschikking essentiele vormen heeft verzuimd, doordat de
kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft verontachtzaamd.

G. bestrijdt deze opvatting en concludeert tot niet-ontvankelijk
verklaring van K., met veroordeling in de kosten, nu het hoger beroep
naar haar mening nodeloos is ingesteld.

4. In de tussenbeschikking van de kantonrechter d.d. 26 augustus 1988
heeft de kantonrechter “teneinde latere moeilijkheden te voorkomen en
vooral om tot een behoorlijk voorbereide beslissing te kunnen komen ten
aanzien van de door verzoekster gewenste vergoeding”, K. de gelegenheid
gegeven zich uit te laten “of G oorspronkelijk bij de Stichting, die het
bedrijf had, in dienst is getreden, wie toen het bestuur ervan vormden
en wanneer de besloten vennootschap, die thans in de procedure optreedt,
werkgeefster van verzoekster is geworden en wie haar bestuurders zijn of
bestuurder is” (r.o. 5). Ook diende K. zich uit te laten over de
betrekking tot de in r.o. 9 genoemde “pastor” tot wie G. zich had
gewend, van K. of voormelde stichting (r.o. 10).

Tevens heeft de kantonrechter in dezelfde beschikking van 26 augustus
1988 G. in de gelegenheid gesteld om zich, nadat K. zich als aangegeven
zou hebben uitgelaten, op haar beurt uit te laten “over hetgeen nader is
gesteld door K. en over hetgeen zij nu precies aan K. in deze verwijt”
(r.o. 11).

5. Ter uitvoering van deze tussenbeschikking heeft K., zoals hierboven
overwogen onder de weergave van het verloop van de procedure, ter rolle
van 9 september 1988 een conclusie na tussenvonnis genomen. Op die
zelfde zitting is door G. een akte tot vermeerdering van eis genomen.
Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 23 september 1988. Op die
datum is door K. een akte houdende uitlating vermeerdering van eis
genomen. Een door G. te nemen conclusie na tussenvonnis werd door de
kantonrechter geweigerd. Hierna werd beschikking bepaald op 14 oktober
1988.

6. De gemachtigde van G. heeft naar aanleiding van de weigering van de
kantonrechter om een conclusie na tussenvonnis te mogen nemen contact
opgenomen met de griffie van het kantongerecht en gesteld dat deze
conclusie bedoeld was als uitlating naar aanleiding van de
tussenbeschikking van de kantonrechter d.d. 26 augustus 1988. G. heeft
toen alsnog toestemming gekregen de conclusie na tussenvonnis in te
dienen, hetgeen tussen 27 september en 14 oktober 1988 is geschied. De
gemachtigde van G. heeft de gemachtigde van K. niet rechtstreeks een
afschrift van deze conclusie toegezonden (zij ging ervan uit dat een en
ander via de griffie zou worden geregeld), doch de gemachigde van K. wel
telefonisch op 12 oktober 1988 in kennis gesteld dat de conclusie na
tussenvonnis alsnog was genomen.

K. stelt zich op het standpunt dat zij door de hierboven sub 6
omschreven gang van zaken niet in de gelegenheid is geweest zich uit te
laten met betrekking tot hetgeen door G. in haar conclusie na
tussenvonnis d.d. 23 september 1988 was gesteld; in het feit dat
desalniettemin is beslist ligt volgens K. de schending door de
kantonrechter van het beginsel van hoor en wederhoor. Dit betoog dient
te worden verworpen.

8. In zijn eindbeslissing d.d. 16 december 1988 heeft de kantonrechter
overwogen:

A. dat hij had begrepen dat G. aan K. voornamelijk een tweetal
tekortkomingen verweet, te weten (kort samengevat):

a. dat K. in het bijzonder pater V. bij wie G. klaagde over ongewenste
intimiteiten van een collegawerknemer, G. er niet op heeft gewezen dat
zij bij Pater V. niet aan het juiste adres was, doch dat zij zich met
eventuele klachten moest wenden tot directeur H. van K. (r.o. 8, 9 en
17);

b. dat K, nadat G. geweigerd had een bespreking naar aanleiding van het
gebeurde bij te wonen met enige bestuursleden, de zaak op haar beloop
heeft gelaten en van iets meer interesse in de richting van G. blijk had
moeten geven, vooral nu G. naar aanleiding van het gebeurde ziek was
geworden (r.o. 12 t/m 17).

B. dat uit G. conclusie na tussenvonnis d.d. 23 september 1988 ook is
gebleken “dat G aan K. verwijt dat die niet heeft voorkomen, dat er bij
haar een “werksfeer” ontstond “waarbinnen al dan niet gewenste
intimiteiten normaal waren” en dat zij -toen die sfeer eenmaal ontstaan
was- “niet heeft gereageerd, waardoor gemakkelijk excessen konden worden
voorkomen” (r.o. 18).

C. “Dat het laatste al lag besloten in hetgeen eerder door verzoekster
was gesteld, maar het eerste niet, en een goede procesgang verzet er
zich tegen dat dit nu nog in de besluitvorming wordt betrokken (r.o.
19)”.

9. Op grond van het bovenstaande, in het bijzonder r.o. 19 van de
beschikking van de kantonrechter van 16 december 1988, blijkt dat de
kantonrechter bij zijn besluitvorming uitsluitend die stellingen van G.
heeft betrokken, die reeds eerder door haar waren aangevoerd en nieuw
aangevoerde stellingen uit de conclusie na tussenvonnis van 23 september
1988, namens G., dus die waarop K. al dan niet terecht -ook daarover
verschillen partijen van mening- zegt niet te hebben kunnen reageren,
bij zijn besluitvorming buiten beschouwing heeft gelaten. Reeds daarom
faalt het betoog van K.

In elk geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat
de kantonrechter het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft
veronachtzaamd. K. dient in zijn hoger beroep niet ontvankelijk te
worden verklaard, met veroordeling van K. in de kosten van het geding in
hoger beroep.

10. Aan een behandeling van de door K. aangevoerde grieven komt de
rechtbank derhalve niet toe.

B. Incidenteel appel:

11. Het incidenteel appel is ingesteld voor het geval de rechtbank K.
ontvankelijk zou verklaren in zijn hoger beroep. Nu dat niet gebeurt en
die voorwaarde niet in vervulling gaat kan dat appel dus verder blijven
rusten.

De beslissing:

De rechtbank, rechtdoende in hoger beroep,

in het principaal appel:

1. Verklaart K. niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.

2. Veroordeelt K. in de kosten van het geding in dit hoger beroep tot
aan deze uitspraak aan de zijde van G. begroot op ƒ 250,– voor
verschotten en ƒ 1.860,– voor salaris procureur.

met betrekking tot het incidenteel appel:

3. Stelt vast dat de rechtbank aan een behandeling van het incidenteel
appel niet toekomt.

4. Veroordeelt G. in de kosten van dit incidenteel appel met begroting
van deze kosten aan de zijde van K. tot aan deze uitspraak op nihil.

Rechters

Mrs. Van der Pol, Struijk, Knottnerus

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 2 juni 1989

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de
rechtbank Rotterdam van 5 december 1988. Appellante verzoekt te verklaren
dat de door haar aan de ambtenaar van de Burgelijke Stand van de gemeente
Ridderkerk ter hand gestelde stukken en daarmee de hoedanigheden, genoegzaam
zijn om tot afkondiging en voltrekking van haar voornemen in het huwelijk te
treden met Jeannette over te gaan. Is het mogelijk dat twee personen van
hetzelfde geslacht met elkaar kunnen huwen? De stelling dat homofiele paren
worden gediscrimineerd vindt geen steun in de verdrags- en wetteksten en
evenmin in de rechtspraak

Kenmerk van het huwelijk is dat de huwelijkspartners fysiek in staat
zijn op zodanige wijze geslachtsverkeer met elkaar te hebben dat dit tot
voortplanting kan leiden. Deze voortplantingsmogelijkheid hebben homofiele
paren niet en dus vallen zij buiten het huwelijksrecht

Het hof komt tot de conclusie dat het recht te huwen slechts toekomt aan
een man en een vrouw en dat er geen plaats is het huwelijksverbod voor
homofiele paren op te heffen. Het hof wil zich niet op het terrein van de
wetgever begeven

Volledige tekst

HET GEDING:

1. Bij appelschrift ter griffie ingekomen op 21 december 1988 is
appellante tijdig in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de
arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 5 december 1988, afgegeven op 8
december 1988, waarbij haar verzoek werd afgewezen

Dat verzoek strekte ertoe te verklaren dat de door haar aan de ambtenaar
van de Burgelijke Stand van de gemeente Ridderkerk ter hand gestelde stukken
en daarmee de hoedanigheden genoegzaam zijn om tot afkondiging en voltrekking
van haar voornemen in het huwelijk te treden met J. over te gaan

2. In hoger beroep verzoek appellante die beschikking te vernietigen en
alsnog haar verzoek, de zojuist bedoelde stukken en hoedanigheden genoegzaam
te verklaren, toe te wijzen

3. Het hof verwijst naar de inhoud van de overgelegde stukken waaronder
het aanvullend appel-schrift, de conclusie van de procureur-generaal bij dit
hof strekkende tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, en naar het
proces-verbaal van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 7 april
1989

HET HOGER BEROEP

4. Aan de orde is de vraag of, kort samengevat, twee personen van
hetzelfde geslacht, in dit geval twee vrouwen, hier te lande met elkaar
kunnen huwen. Appellante en J. hebben het voornemen daartoe. De ambtenaar
van Burgerlijke Stand te Ridderkerk heeft daaraan echter niet willen meewerken.
Hij heeft zijn zienswijze daaromtrent bij brief gedateerd 27 juni 1988 aan
appellante kenbaar gemaakt

5. Appellante is van oordeel dat het voorgenomen huwelijk niet geweigerd
mag worden. Zij bestrijdt dat de Nederlandse Wet het huwelijk tussen
personen van gelijk geslacht verbiedt. Zij acht bovendien een verbod voor
een dergelijk huwelijk in strijd met de Grondwet en met de toepasselijke
verdragen, meer in het bijzonder met respectievelijk de artikelen 8, 12 en 14
Europese Conventie voor de Rechten van de Mens (ECRM), de artikelen 2, 23 en
26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (Bupo) en
artikel 1 Grondwet

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

6. De rechtbank heeft in haar beschikking uitvoerig gemotiveerd waarom
het verzoek afgewezen behoort te worden. Het hof kan zich volledig met de
inhoud van die beschikking verenigen en beschouwt deze hierbij als ingelast
en herhaald. Een kopie van die beschikking wordt aan onderhavige beschikking
gehecht

7. Daarnaast overweegt het hof naar aanleiding van de stellingen in
hoger beroep, die overigens inhoudelijk nagenoeg overeenkomen met het
gestelde in eerst aanleg, het volgende

8. Appellante beroept zich thans op artikel 23 lid 2 Bupo (het
gegarandeerde recht te huwen), welk lid haars inziens in tegenstelling tot
het vierde lid wel rechtstreekse werking heeft. Daargelaten of dat juist is,
moet ook het beroep op dit tweede lid falen. Uit de verdragstekst valt niet
af te leiden dat het recht te huwen geldt voor personen van hetzelfde geslacht.
Integendeel, met name het rechtstreeks daaraan gekoppelde recht een gezin
te stichten, welk recht bij gebreke van een nadere uitwerking in traditionele
zin verstaan moet worden, wijst er op dat hier slechts sprake is van een
huwelijk tussen personen van verschillend geslacht. In zoverre garandeert
artikel 23,2 Bupo derhalve dezelfde rechten als artikel 12 ECRM; beide
teksten komen, afgezien van een verwijzing naar nationaal recht in dit
artikel 12, ook bijna letterlijk overeen

9. De stelling dat homofiele paren mitsdien gediscrimineerd worden
verwerpt het hof. Daarvoor valt geen steun te vinden in de verdrags- en
wetteksten en evenmin in de rechtspraak. Het beroep op bepaalde
maatschappelijke ontwikkelingen doet daaraan niets af. Appellante heeft
daaromtrent niet zodanige feiten of omstandigheden gesteld, dat het
huwelijksverbod voor homofiele paren in vergelijking met de rechten voor
heterofiele paren niet langer gerechtvaardigd geacht moet worden en dat
verdragen en wet voortaan anders uitgelegd en toegepast behoren te worden

10. Voorts is het op zichzelf juist dat heterofiele paren, die niet door
voortplanting een gezin willen/kunnen vormen, toch het recht hebben te huwen.
Dat impliceert echter niet dat ook homofiele paren, het recht behoren te
hebben te huwen. De uitzondering die het in eerste geval aan de orde is,
noodzaakt er geenszins toe tot een regel verheven te worden en om die reden
het andere geval toe te staan

11. Kenmerk van het huwelijk is bovendien dat de huwelijkspartners
fysiek in staat zijn op zodanige wijze geslachtsverkeer met elkaar te hebben
dat dit tot voortplanting kan leiden. Het huwelijksrecht dient dus primair
om deze voortplantingsmogelijkheid, zijnde een van de meest verstrekkende en
natuurlijke gevolgen van de levensgemeenschap van man en vrouw, te legaliseren.
Die voortplantingsmogelijkheid hebben homofiele paren niet en dus vallen
zij buiten het (bestaande) huwelijksrecht. Het is ook niet een gevolg van
dit huwelijksrecht dat appellante haar prive leven niet de vorm en inhoud kan
geven die zij wenst, maar van het feit dat zij gekozen heeft voor een
duurzame relatie met iemand van hetzelfde geslacht

12. Bij dit alles komt dat de Hoge Raad nog zeer recent (HR 24 februari
1989, RvdW 89,65) heeft beslist dat aan personen van hetzelfde geslacht niet
het recht op gezamenlijke ouderlijke macht toekomt omdat zij niet beiden in
een familierechtelijke betrekking tot het kind kunnen staan. Daarbij werd
(mede) als uitgangspunt genomen dat zij niet konden huwen. Aangenomen mag
worden dat, ware het laatstgestelde twijfelachtig geweest, daaraan een
overweging gewijd zou zijn

13. De slotsom moet zijn dat het recht te huwen slechts toekomt aan een
man en een vrouw en dat er geen plaats is het huwelijksverbod voor homofiele
paren op te heffen. Het verzoek van appellante moet dan ook worden afgewezen

14. Tot slot wijst het hof er overigens op dat, zoals ook de rechtbank
al overwoog, het niet de taak van de rechter is een dergelijk verzoek te
honoreren vanwege de vergaande consequenties die opheffing van het
huwelijksverbod zou hebben. Het zou er immers toe leiden dat, buiten de
democratische besluitvorming om, eens en voor al wijziging zou worden gebracht
in een complexe materie, die gebaseerd is op een in de gehele westerse wereld
hecht verankerd, reeds eeuwen bestaand en door velen nog steeds als hoogst
vanzelfsprekend beschouwd beginsel dat alleen tussen een man en een vrouw een
huwelijk mogelijk is. Hetgeen appellante verlangt is in ons staatsbestel dan
ook bij uitstek het terrein van de wetgever

BESLISSING; het hof bekrachtigt de bestreden beschikking van de
arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 5 december 1988

Rechters

Mrs. Brocker, Luteyn en De Savornin Lohman

Instantie: Rechtbank Roermond, 1 juni 1989

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Eiseres had in een advertentie haar slaapkamerameublement
aangeboden. Gedaagde kwam in haar woning om het ameublement te
bezichtigen en heeft eiseres toen verkracht. Hij is hiervoor
strafrechtelijk veroordeeld. Eiseres vordert naast materiele
schadevergoeding ook een immateriele schadevergoeding van ƒ 35.000,–,
De door eiseres gestelde traumatische gevolgen zijn -naar algemeen
bekend is- het logische en te verwachten gevolg van hetgeen gedaagde
eiseres heeft aangedaan, en derhalve kan de schade door eiseres geleden
aan gedaagde worden toegerekend. De rechtbank acht, naast toewijzing van
de vordering van materiele schadevergoeding, toekenning van een
immateriele schadevergoeding van ƒ 10.000,– redelijk en billijk.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Eiseres heeft geconcludeerd van eis overeenkomstig de inhoud van de
inleidende dagvaarding.

Gedaagde heeft geconcludeerd van antwoord.

Eiseres heeft onder overlegging van een aantal produkties gerepliceerd.

Gedaagde heeft vervolgens onder overlegging van een aantal producties
gedupliceerd.

Partijen hebben tot slot de stukken voor vonnis overgelegd.

De stellingen en vorderingen van eiseres:

1. Eiseres stelt -kort en zakelijk weergegeven- dat gedaagde haar op 18
mei 1987 in haar woning met geweld en door bedreiging met geweld heeft
gedwongen tot ontuchtige handelingen en vleselijke gemeenschap.

Gedaagde had gereageerd op een advertentie, waarin eiseres haar
slaapkamerameublement te koop had aangeboden, en was in haar woning om
dat ameublement te bezichtigen.

Gedaagde is voor deze verkrachting strafrechtelijk veroordeeld en het
vonnis is op 3 mei 1988 onherroepelijk geworden.

2. Zij stelt voorts het volgende:

-de traumatische gevolgen van de verkrachting zijn nog altijd niet
verwerkt; zij is zeer schrikachtig geworden, sluit angstvallig alle
deuren en ramen, durft in het donker niet alleen naar buiten en wacht ‘s
winters tot het ’s morgens licht wordt alvorens naar buiten te gaan;

-aangezien gedaagde een donker uiterlijk had, waardoor hij een
buitenlander leek, schrikt zij van elke buitenlander en is zij tegen
haar zin discriminerend geworden tegenover buitenlanders met een donker
uiterlijk;

-tussen haar en haar echtgenoot zijn regelmatig wrijvingen ontstaan
omdat zij haar problemen niet met hem kon bespreken;

-tussen haar en haar toenmalige werkgever zijn problemen ontstaan omdat
deze evenmin in staat was om enig begrip voor haar te tonen; na overleg
met de huisarts en de controlerend arts heeft zij zich ziek gemeld en
vervolgens, na het vinden van ander werk, ontslag genomen; zij werkt
thans part-time tegen een lager salaris;

-door haar is een materiele schade geleden ad ƒ 222,95, omdat kleding
beschadigd was en zij die kleding verder om haar moverende redenen niet
meer terug wilde hebben.

3. Eiseres vordert de veroordeling van gedaagde, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een materiele
schadevergoeding ad ƒ 222,95 en een immateriele schadevergoeding ad ƒ
35.000,–, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der
dagvaarding, alsmede de kostenveroordeling van gedaagde.

Het verweer van gedaagde:

1. Gedaagde erkent de onrechtmatigheid van zijn gedragingen en dat hij
bij eiseres leed heeft veroorzaakt.

2. Hij verweert zich tegen de vordering stellende dat:

-immateriele schadevergoeding volgens hem zou moeten worden afgewezen
omdat lichamelijke letselschade ontbreekt en psychisch letsel niet tot
toekenning van een dergelijke schadevergoeding mag leiden;

-de omvang en de gevolgen van de gestelde psychische schade onvoldoende
zijn aangetoond;

-het causaal verband tussen zijn gedrag en de gestelde immateriele
schade onvoldoende is aangetoond;

-iedere financiele last zijn gezin treft, hetwelk moet rondkomen van een
uitkering op bijstandsniveau.

3. De gevorderde materiele schade wordt erkend.

4. Voorts voert gedaagde nog aan dat eiseres in haar verklaring welke
zij bij de politie heeft afgelegd heeft toegezegd van enige
schadevergoeding af te zien, zodat zij thans niet meer gerechtigd is de
vordering in te stellen.

Het oordeel van de rechtbank:

1. Tussen partijen staat vast dat gedaagde eiseres in haar woning heeft
verkracht, dat hij daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld en dat het
strafvonnis onherroepelijk is geworden.

2. Dat eiseres bij de politie heeft verklaard af te zien van
schadevergoeding brengt niet automatisch met zich mee dat zij niet meer
gerechtigd zou zijn de onderhavige vordering in te dienen. Eiseres heeft
betwist dat zij aan die woorden gehouden kan worden aangezien de
verklaringen slechts enkele uren na de verkrachting is afgelegd en zij
nog zeer sterk onder de invloed van het gebeuren stond. Door gedaagde
zijn vervolgens geen nadere feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit
zou kunnen worden afgeleid dat eiseres die verklaring ook daadwerkelijk
zo bedoeld heeft. Daarbij komt dat eiseres op dat moment niet kon
voorzien welke gevolgen het gebeuren voor haar met zich mee zou brengen.

3. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde door zijn gedrag in ernstige
mate inbreuk heeft gemaakt op en op generlei wijze enig respect heeft
getoond voor de lichamelijke integriteit van eiseres. Civielrechtelijk
levert zijn handelen een onrechtmatige daad jegens eiseres op.

4. Voor de gevolgen van zijn gedrag kan hij aansprakelijk worden
gesteld. Gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de
schade als gevolg van zijn gedragingen kan de schade, welke door eiseres
is geleden, hem worden toegerekend.

Weliswaar betwist gedaagde de gestelde omvang en de gevolgen doch de
gestelde traumatische gevolgen zijn -naar algemeen bekend is- het
logisch en te verwachten gevolg van hetgeen hij eiseres heeft aangedaan.
Bovendien voert gedaagde voor zijn betwisting geen nadere feiten en/of
omstandigheden aan waaruit op enigerlei wijze zou kunnen worden afgeleid
dat zijn verweer enige grond heeft.

5. Immateriele schadevergoeding acht de rechtbank in deze mogelijk nu
eiseres in haar persoon is aangetast. Deze vergoeding heeft een dubbele
functie: enerzijds dient zij om op onvolmaakte wijze het door eiseres
ondergane leed goed te maken, anderzijds kan het geschokte rechtsgevoel
van eiseres langs civielrechtelijke weg worden bevredigd doordat van
gedaagde een opoffering wordt verlangd.

6. Bij toekenning van deze schadevergoeding dient de rechtbank te letten
op alle omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de
omstandigheden waaronder het gebeuren plaatsvond en de draagkracht van
partijen.

De rechtbank acht dan toekenning van een immateriele schadevergoeding
van ƒ 10.000,– redelijk en billijk.

7. De vordering tot vergoeding van de materiele schade ad ƒ 229,95 acht
de rechtbank, nu eiseres dit erkent, voor toewijzing vatbaar.

8. Gedaagde zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij
veroordeeld worden in de kosten van deze procedure.

BESLISSING:

De rechtbank:

Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van ƒ 10.229,95
(Tienduizend tweehonderdnegenentwintig gulden en vijfennegentig cent),
vermeerder met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juli 1988 tot
aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Ontzegt het meer of anders gevorderde.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van
eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1.488,75
(Eenduizend vierhonderdachtentachtig gulden en vijfenzeventig cent).

Veroordeelt gedaagde van vorenstaande kostenveroordeling te voldoen aan
de griffier der gerechten in het arrondissment Roermond
(postrekening…)

– in debet gesteld griffierecht ƒ 200,–
– exploitkosten van de deurwaarder ƒ 48,75
Nijenhuis te Roermond
– wegens salaris van de procureur
van eiseres ƒ 1.040,–
++++++++++
ƒ 1.288,75

Rechters

Mr. Schrickx

Instantie: Rechtbank Roermond, 1 juni 1989

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Gedaagde heeft eiseres in haar woning met geweld aangerand en verkracht.
Toegewezen: ƒ 10.000,= immateriele schadevergoeding. Gevorderd: ƒ
35.000,=. De traumatische gevolgen van de verkrachting zijn nog niet
verwerkt; eiseres is zeer schrikachtig geworden. Haar huwelijk lijdt onder
deze problemen. Voorts heeft zij zich op haar werk ziek moeten melden en
is ze van baan veranderd. Eiseres werkt nu part-time tegen een lager
salaris. Aangezien gedaagde een donkere huidskleur heeft, schrikt zij nu
van elke buitenlander en is zij tegen haar zin discriminerend geworden.
Bij de vaststelling van de omvang van de vergoeding van immateriele schade
dient de rechtbank te letten op alle omstandigheden, waaronder de aard van
de aansprakelijkheid, de omstandigheden waaronder het gebeuren plaatsvond
en de draagkracht van partijen. De rechtbank acht ƒ 10.000,= redelijk en
billijk.

ƒ 222,95 gevorderd en toegewezen. Beschadigde kleding die eiseres niet
meer terug wil hebben. Gedaagde is strafrechtelijk veroordeeld. Dat
eiseres bij de politie verklaard heeft af te zien van schadevergoeding
brengt niet automatisch mee dat zij niet meer gerechtigd zou zijn de
onderhavige vordering in te dienen. De verklaring werd immers slechts
enkele uren na de verkrachting afgelegd. Uit niets blijkt dat zij die
verklaring ook daadwerkelijk zo bedoeld heeft. Daarbij komt dat eiseres
op dat moment niet kon voorzien welke gevolgen het gebeuren voor haar zou
hebben.

Volledige tekst

De stellingen en vorderingen van eiseres:

1. Eiseres stelt -kort en zakelijk weergegeven- dat gedaagde haar op 18
mei 1987 in haar woning met geweld en door bedreiging met geweld heeft
gedwongen tot ontuchtige handelingen en vleselijke gemeenschap.

Gedaagde had gereageerd op een advertentie, waarin eiseres haar
slaapkamerameublement te koop had aangeboden, en was in haar woning om dat
ameublement te bezichtigen. Gedaagde is voor deze verkrachting
strafrechtelijk veroordeeld en het vonnis is op 3 mei 1988 onherroepelijk
geworden. 2. zij stelt het volgende voor: -de traumatische gevolgen van
de verkrachting zijn nog altijd niet verwerkt; zij is zeer schrikachtig
geworden, sluit angstvallig alle deuren en ramen, durft in het donker niet
alleen naar buiten en wacht ’s winters tot ’s morgens licht wordt alvorens
naar buiten te gaan; -aangezien gedaagde een donker uiterlijk had,
waardoor hij een buitenlander leek, schrikt zij van elke buitenlander en
is zij tegen haar zin discriminerend geworden tegenover buitenlanders met
een donker uiterlijk; -tussen haar en haar echtgenoot zijn regelmatig
wrijvingen ontstaan omdat zij haar problemen niet met hem kon bespreken;
-tussen haar en haar toenmalige werkgever zijn problemen ontstaan omdat
deze evenmin in staat was om enig begrip voor haar te tonen; na overleg
met de huisarts en de controlerend arts heeft zij zich ziek gemeld en
vervolgens, na het vinden van ander werk, ontslag genomen; zij werkt thans
part-time tegen een lager salaris; -door haar is een materiele schade
geleden ad ƒ 222,95, omdat kleding beschadigd was en zij die kleding
verder om haar moverende redenen niet meer terug wilde hebben. 3. Eiseres
vordert de veroordeling van gedaagde, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, tot betaling van een materiele schadevergoeding ad ƒ 222,95 en
een immateriele schadevergoeding ad ƒ 35.000,=, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alsmede de
kostenveroordeling van gedaagde.

Het verweer van gedaagde:

1. Gedaagde erkent de onrechtmatigheid van zijn gedraging en dat hij bij
eiseres leed heeft veroorzaakt. 2. Hij verweert zich tegen de vordering
stellende dat: -immateriele schadevergoeding volgens hem zou moeten worden
afgewezen omdat lichamelijke letselschade ontbreekt en psychisch letsel
niet tot toekenning van een dergelijke schadevergoeding mag leiden; -de
omvang en de gevolgen van de gestelde psychische schade onvoldoende is
aangetoond; -iedere financiele last zijn gezin treft, hetwelk moet
rondkomen van een uitkering op bijstandsniveau. 3. De gevorderde materiele
schade wordt erkend. 4. Voorts voert gedaagde nog aan dat eiseres in haar
verklaring welke zij bij de politie heeft afgelegd heeft toegezegd van
enige schadevergoeding af te zien, zodat zij thans niet meer gerechtigd
is de vordering in te stellen.

Het oordeel van de rechtbank:

1. Tussen partijen staat vast dat gedaagde eiseres in haar woning heeft
verkracht, dat hij daarvoor strafrechtelijk veroordeel is en dat het
strafvonnis onherroepelijk is geworden. 2. Dat eiseres bij de politie
heeft verklaard af te zien van schadevergoeding brengt niet automatisch
met zich mee dat zij niet meer gerechtigd zou zijn de onderhavige
vordering in te dienen. Eiseres heeft betwist dat zij aan die woorden
gehouden kan worden aangezien de verklaring slechts enkele uren na de
verkrachting is afgelegd en zij nog zeer sterk onder de invloed van het
gebeuren stond. Door gedaagde zijn vervolgens geen nadere feiten en/of
omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat eiseres die
verklaring ook daadwerkelijk zo bedoeld heeft. Daarbij komt dat eiseres
op dat moment niet kon voorzien welke gevolgen het gebeuren voor haar met
zich mee zou brengen. 3. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde door
zijn gedrag in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op en op generlei wijze
enig respect heeft getoond voor de lichamelijke integriteit van eiseres.
Civielrechterlijk levert zijn handelen een onrechtmatige daad jegens
eisers op. 4. Voor de gevolgen van zijn gedrag kan hij aansprakelijk
worden gesteld. Gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de
schade als gevolg van zijn gedragingen kan de schade, welke door eiseres
is geleden, hem worden toegerekend. weliswaar betwist gedaagde de gestelde
omvang en gevolgen doch de gestelde traumatische gevolgen zijn -naar
algemeen bekend is- het logische en te verwachten gevolg van hetgeen hij
eiseres heeft aangedaan. Bovendien voert gedaagde voor zijn betwisting
geen nadere feiten en/of omstandigheden aan waaruit op enigerlei wijze zou
kunnen worden afgeleid dat zijn verweer enige grond heeft. 5. Immateriele
schadevergoeding acht de rechtbank in deze mogelijk nu eiseres in haar
persoon is aangetast. Deze vergoeding heeft een dubbele functie: enerzijds
dient zij om op onvolmaakte wijze het door eisers ondergane leed goed te
maken, anderzijds kan het geschokte rechtsgevoel van eiseres langs
civielrechtelijke weg worden bevredigd doordat van gedaagde een opoffering
wordt verlangd. 6. Bij toekenning van deze schadevergoeding dient de
rechtbank te letten op alle omstandigheden, waaronder de aard van de
aansprakelijkheid, de omstandigheden waaronder het gebeuren plaatsvond en
de draagkracht van partijen. De rechtbank acht dan toekenning van een
immateriele schadevergoeding an ƒ 10.000,= redelijk en billijk. 7. De
vordering tot vergoeding van de materiele schade ad ƒ 229,95 acht de
rechtbank, nu eiseres dit erkent, voor toewijzing vatbaar. 8. Gedaagde zal
als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in
de kosten van deze procedure.

Beslissing:

De rechtbank: Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van ƒ
10.229,95 (tienduizend tweehonderdnegenentwintig gulden en vijfennegentig
cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juli
1988 tot aan de dag der algehele voldoening. Verklaart dit vonnis tot
zover uitvoerbaar bij voorraad.

Ontzegt het meer of anders gevorderde.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van
eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1.488,75
(eenduizend vierhonderdachtentachtig gulden en vijfenzeventig cent).

Veroordeelt gedaagde van vorenstaande kostenveroordeling te voldoen aan
eiseres wegens niet in debet gesteld griffierecht ƒ 200,=. Veroordeelt
gedaagde van vorenstaande kostenveroordeling te voldoen aan de griffier
der gerechten in het arrondissement Roermond wegens:
-in debet gesteld griffierecht ƒ 200,=
-exploitkosten van de deurwaarder Nijenhuis te Roermond ƒ 48,75
-wegens salaris van de procureur van eiseres ƒ 1.040,=
____________
ƒ 1.288,75

Rechters

mr. A.F.M. Schrickx