Instantie: Arrondissementsrechtbank Amsterdam, 31 mei 1989

Instantie

Arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres is door gedaagde, haar dokter, verkracht nadat hij haar een
valium-injectie had gegeven. Gedaagde is bij vonnis van deze rechtbank van
4 mei 1988 veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf
wegens het hebben van gemeenschap met iemand die in staat van onmacht verkeert
(artikel 243 Sr.). Gedaagde is door het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam
voor de periode van een jaar geschorst in de uitoefening van de geneeskunst,
onder meer op grond dat gedaagde met eiseres gemeenschap heeft gehad terwijl
zij niet, althans niet voldoende, in staat was haar wil te bepalen

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van ƒ 60.000,–
(zestigduizend gulden)

De rechtbank neemt aan dat de gemeenschap heeft plaatsgevonden zonder
toestemming van eiseres, terwijl zij in een situatie verkeerde dat gedaagde er
niet van mocht uitgaan dat zij daarmee instemde en er, gelet op het feit dat
eiseres zich als patient had gewend tot gedaagde als arts en er tussen
partijen geen andere relatie bestond, ook geen enkele aanleiding bestond voor
het hebben van gemeenschap

De rechtbank neemt aan dat eiseres door de gemeenschap in ernstige mate
in haar persoon is aangetast, zodat gedaagde gehouden is tot vergoeding van de
door zijn handelen veroorzaakte immateriele schade

De rechter gelast een comparitie om vast te stellen hoe hoog de
immateriele schade begroot moet worden

Volledige tekst

Rechters

Mrs. G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, A.C. Monster en P. Rodenburg,leden van genoemde kamer

Instantie: President van de arrondissementsrechtbank Amsterdam, 29 mei 1989

Instantie

President van de arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


Vrouw krijgt eis tot straatverbod en contactverbod jegens haar ex-man,
die haar voortdurend bedreigde met moord en mishandeling, toegewezen. De
gevorderde dwangsom ingeval van niet nakoming van de verboden wordt echter
afgewezen ” nu een zinvolle tenuitvoerlegging van dit vonnis – de man leeft
van een RWW-uitkering – voldoende wordt geacht te zijn gewaarborgd door de
vrouw te machtigen zonodig de sterke arm in te schakelen”. De vrouw wil
hoger beroep instellen en vraagt garantstelling

Beslissing Rechtenvrouw: Hoewel beslaglegging op uitkeringen in het
algemeen niet bevorderd behoort te worden, zou het gevolg van deze uitspraak
zijn dat de vrouw geen stok achter de deur heeft om het dreigende geweld af te
weren. Bovendien behoort de keuze tussen de wettelijk mogelijke
dwangmiddelen aan de vrouw te worden overgelaten

Afloop: de vrouw heeft de zaak ingetrokken, nu de man de verboden ter
harte bleek te nemen

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van heden heeft eiseres, hierna de vrouw, gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding

Gedaagde, verder de man, heeft verweer gevoerd met conclusie tot
weigering van de gevraagde voorziening

Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden
produkties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van het onder 1 en 2 van het lichaam
der inleidende dagvaarding gestelde, alsmede van het volgende:

Er bestaat tussen partijen een gespannen situatie. Deze is onder meer
veroorzaakt door problemen bij het nakomen van de -voorlopige-
omgangsregeling die ten behoeve van de man met het minderjarige kind van
partijen is vastgesteld. De vrouw geeft thans geen uitvoering meer aan de
omgangsregeling

2. De vrouw vordert thans – kort gezegd – op de bij dagvaarding genoemde
gronden een contract- en straatverbod tegen de man

3. De man bestrijdt weliswaar de gronden waarop de vrouw haar vordering
baseert, maar hij erkent niettemin dat hij veelvuldig contact heeft gezocht
met de vrouw, hetgeen voor de vrouw hinderlijk geweest moet zijn

4. Het voorgaande rechtvaardigt het opleggen van het gevraagde straat-
en contactverbod, hetgeen evenwel -om de man zo weinig mogelijk in zijn
bewegingsvrijheid te beknotten- zal worden beperkt als na te melden en als
aangegeven op de aan dit vonnis te hechten plattegrond

Hierbij wordt overwogen dat, nu tussen partijen met betrekking tot hun
minderjarige kind R. een omgangsregeling geldt die door de vrouw thans niet
wordt nagekomen, ervan wordt uitgegaan dat binnen de eerste twee maanden van
de geldingsduur van het op te leggen straat- en contactverbod tussen partijen
– door bemiddeling van hun wederzijdse raadslieden – overeenstemming zal
worden bereikt over het nakomen van de omgangsregeling, danwel – indien
blijkt dat partijen daaromtrent niet tot overeenstemming komen – een
voorziening dienaangaande zal worden gevraagd. Wij gaan er daarbij vanuit
dat bij de tenuitvoerlegging van dit vonnis met nadere afspraken omtrent
nakoming van de omgangsregeling rekening zal worden gehouden

5. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen nu een zinvolle
tenuitvoerlegging van dit vonnis – de man leeft van een RWW uitkering –
voldoende wordt geacht te zijn gewaarborgd door de vrouw te machtigen zonodig
de sterke arm in te schakelen

6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing

De proceskosten worden tussen partijen – echtelieden – gecompenseerd als
na te melden

BESLISSING:

1. Verbiedt de man om zich gedurende zes maanden na de betekening van
dit vonnis te begeven binnen het gebied in de gemeente Weesp dat wordt
gevormd door de Keulsevaartstraat, de Zeeburgstraat, de Diemerdijkstraat, de
Amstellandlaan, de Plataanlaan, de Papelaan, de Breitnerstraat, de Van
Rhijnstraat, de Jozef Israelsstraat en de Herensingel, met inbegrip van
genoemde straten en met machtiging van de vrouw om dit verbod zonodig te
handhaven met behulp van de sterke arm

2. Verbiedt de man om gedurende zes maanden na de betekening van dit
vonnis contact op te nemen met de vrouw, hetzij door haar aan te spreken, op
straat te volgen, telefonisch en/of schriftelijk te benaderen, dan wel
anderszins contact met haar te zoeken, met machtiging van de vrouw dit verbod
zonodig en voor zover mogelijk te handhaven met behulp van de sterke arm

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

4. Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten
draagt

5. Wijst het meer of anders gevorderde af

Rechters

Mr. G.W.M. Bodewes, vice-president

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 mei 1989

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Man en vrouw exploiteerden tijdens hun huwelijk kermisattracties. De
opbrengst werd door de man genvesteerd in de echtelijke woning die hem bij
boedelscheiding werd toegedeeld. De vrouw kreeg de kermisattracties.
Vervolgens gaan zij ongehuwd samenleven en zetten de exploitatie van
kermisattracties voort

Na zeven jaar gaan zij uit elkaar. Wat zijn de vermogensrechtelijke
gevolgen van de op het huwelijk gevolgde samenleving en de gezamenlijke
arbeidsinspanning?

Volledige tekst

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van de volgende, hierna kort samen te vatten feiten
worden uitgegaan:

Op 11 november 1941 zijn partijen in algehele gemeenschap van goederen
met elkander gehuwd. Bij vonnis van 22 juli 1971 is tussen hen
echtscheiding uitgesproken, welk vonnis op 20 september 1971 is ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand

Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden onder meer de voormalige
echtelijke woning aan de …-straat te A. met inboedel en een aantal
kermisattracties, waaronder een schiettent en een draaimolen, alsmede een
woonwagen met inboedel. Bij haar vertrek uit de echtelijke woning omstreeks
het voorjaar van 1971 heeft de vrouw de schiettent, de draaimolen en de
woonwagen met inboedel meegenomen

Op 22 maart 1972 is een notarile akte van boedelscheiding verleden
waarbij de voormalige echtelijke woning aan de man is toegescheiden onder de
verplichting zijnerzijds de hypothecaire schuld en rente voor zijn rekening te
nemen

In december 1971 (volgens de vrouw) dan wel in december 1972 (volgens de
man) hebben partijen de samenleving hervat. Deze samenleving heeft
voortgeduurd tot 20 april 1984

Vr de echtscheiding hebben partijen jaarlijks op kermissen samengewerkt.
Na de hervatting van de samenleving zijn zij wederom kermissen opgegaan.
Toen de vrouw weer bij de man introk, heeft zij de hiervoor vermelde
draaimolen en woonwagen met toebehoren weer mee teruggenomen, nadat de
schiettent al eerder door de man was teruggehaald. De kermisattributen,
voor zover daarbij een tenaamstelling te pas kwam, stonden op naam van de man,
behoudens dat voorjaar 1984 het kenteken van de pakwagen van de draaimolen ten
name van de vrouw is gesteld

De voormalige echtelijke woning is in 1982 verkocht voor een bedrag van
ƒ 115.000,-, terwijl die woning in 1972 naar de stellingen van de vrouw ƒ
50.000,- waard was. De man heeft in 1982 vervolgens voor ƒ 135.000,- een
winkel/woonhuis aan de -se weg te A. aangekocht. In de periode 1972-1984
zijn verbouwingen aan deze woningen bekostigd en hebben daarop hypotheken
gerust, waarop is afgelost en die soms ook zijn vervangen door een hypotheek
tot een hoger bedrag. Beide partijen hebben een invaliditeitsuitkering van
geringe omvang genoten, de man sedert 1971, de vrouw sedert 1976

Bij de beindiging van de samenleving op 20 april 1984 waren naast het
onroerend goed aan de -se weg tenminste de volgende roerende goederen
aanwezig: een draaimolen met vrachtwagen en oplegger, een spijkstalwagen, door
de man omstreeks 1981 gekocht voor ƒ 16.500,-, een Opel Rekord, bouwjaar 1979,
een in maart 1984 gekochte caravan en de inboedel van voormeld onroerend goed
Voorts was er toen een banktegoed ten name van de man van ongeveer ƒ
7.000,- en een bedrag in contanten van ƒ 14.000,-

3.2. In cassatie is nog slechts van belang of – zoals het Hof in de
derde alinea van zijn derde rechtsoverweging heeft onderzocht – de onderhavige
partijen als ongehuwd samenwonenden een of meer van de voormelde goederen in
medeigendom hebben verkregen dan wel uitdrukkelijk of stilzwijgend bepaalde
onderlinge verrekeningen te dier zake zijn overeengekomen voor het geval aan
hun samenleving een einde zou komen. Het Hof heeft geoordeeld dat een
dergelijke medeigendom of overeenkomst zich hier niet voordoet en op die grond
de vorderingen van de vrouw afgewezen

Tegen dit oordeel komt het middel in al zijn onderdelen op

3.3. Onderdeel 1 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof
heeft niet vastgesteld dat de huwelijksgemeenschap die tussen partijen heeft
bestaan, op 22 maart 1972 volledig is verdeeld

Onderdeel 2 mist eveneens feitelijk grondslag. Het Hof is blijkens
zijn voormelde rechtsoverweging ervan uitgegaan dat de vrouw medeigendom,
onderscheidenlijk een (stilzwijgende) overeenkomst tot verrekening bij het
eventuele einde van de samenwoning heeft gesteld, doch het heeft de door de
vrouw aangevoerde feiten daartoe onvoldoende geoordeeld

3.4. De onderdelen 3 en 4 richten zich tegen een deel van ’s Hofs arrest
dat uitsluitend de overeenkomst tot verrekening betreft. In onderling
verband gelezen, treffen zij doel. Het Hof is in het geheel niet ingegaan
op de in dit verband essentile stelling van de vrouw dat partijen tijdens hun
samenleving gezamenlijk kermisattracties exploiteerden en dat de opbrengst
door de man is genvesteerd in beide achtereenvolgende woningen, alsmede in de
aankoop van nieuwe kermisattracties. Voorts is zonder nadere motivering
niet begrijpelijk ’s Hofs overweging dat het “voor de hand zou hebben gelegen”
dat partijen de woning waarin zij samenleefden gezamenlijk zouden hebben
gekocht, nu het Hof bij deze overweging kennelijk slechts op het oog heeft de
stelling van de vrouw dat de bedoeling van partijen was “de waardemutaties”
van het onroerend goed te delen. In het licht van een en ander en van de in
3.1. weergegeven voorgeschiedenis heeft het Hof bovendien onvoldoende inzicht
gegeven in zijn gedachtengang door, zonder nadere redengeving, voor een
stilzwijgende, tot verrekening bij het einde van de samenwoning strekkende
overeenkomst tussen de onderhavige partijen de eis te stellen dat het bestaan
van die overeenkomst “moet blijken uit de feitelijke financile uitwerking van
hun samenleving, bijv. doordat zij al hun inkomsten hebben samengevoegd om
hieruit al hun uitgaven te bekostigen”

3.5. Het voorgaande brengt met zich mee dat ’s Hofs arrest niet in stand
kan blijven en dat de vordering van de vrouw, voor zover strekkende tot
verrekening, na verwijzing opnieuw moet worden onderzocht

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Hof te Arnhem van 23 juni 1987; verwijst
de zaak naar het Hof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Y. in de kosten van het geding in cassatie

Rechters

Mrs Snijders, Bloemenbergen, Haak, Roelvink, Davids advocaat-GeneraalBiegman-Hartogh

Instantie: Rechtbank Maastricht, 25 mei 1989

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Nadat zij vier maanden had gewerkt, tekende een vrouw een
arbeidsovereenkomst, die achteraf bleek voor de duur van de werkzaamheden te
zijn. De volgende dag werd de vrouw ontslagen. De vrouw riep de
nietigheid van het ontslag in, omdat toestemming van de directeur van het
Gewestelijk Arbeidsbureau ontbrak

Afloop: in 1985 werd een procedure bij de kantonrechter gestart, die in
1987 de vordering afwees. De kantonrechter achtte bewezen dat het getekende
contract een fotocopie van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst was en niet,
zoals de vrouw stelde, een geantedateerd contract voor tijdelijke werk.
Volgens de vrouw bestaat er geen ‘oorspronkelijk’ contract.. In hoger
beroep heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, dat wil
zeggen dat de eis is afgewezen

Jaarverslag 1985 no. 1, 1987 no. 7, 1988 no. 5

Volledige tekst

Ten aanzien van het recht:

Overwegende, dat Wij gedaagde geslaagd achten in haar bewijsopdracht en
wel door de verklaringen van de getuigen Kamps en Vleeshouwers, welke
verklaringen niet in voldoende mate ontzenuwd worden door de verklaringen van
de getuige Bognar;

Overwegende, dat immers zowel de getuigen Kamps als Vleeshouwers hebben
verklaard dat hij, getuige Kamps, met ieder van de groep waartoe eiseres
behoorde een gesprek heeft gevoerd en deze aspirant-werknemers heeft
meegedeeld dat dit werk slechts van tijdelijke aard was;

Overwegende, dat bovendien de getuige Vleeshouwers een redelijke
verklaring heeft gegeven waarom in casu in een later stadium een copie van de
orginele overeenkomst werd gemaakt;

Overwegende, dat gedaagde tevens heeft bewezen dat het karwei waarvoor
eiseres was aangenomen voor haar geeindigd was eind mei 1985;

Overwegende, dat weliswaar toen het werk voor eiseres nog niet geheel
gereed was, doch zij te kennen had gegeven dat zij nog arbeidsongeschikt was
en deswege niet in staat was te werken en beroep zou aantekenen bij de Raad
van Beroep, in verband waarmee Kamps het weinig werk dat nog voor eiseres
gereed lag aan een andere werkneemster heeft overgedragen;

Overwegende, dat de vordering van eiseres derhalve dient te worden
afgewezen;

RECHTDOENDE:

wijzen de vordering van eiseres af

Veroordelen eiseres in de kosten van de procedure aan de zijde van
gedaagde gerezen, tot aan dit vonnis begroot op ƒ 200,–, zijnde het salaris
voor de gemachtigde van gedaagde

Het geding in hoger beroep

Van dat vonnis bij eerder genoemd exploit in hoger beroep gekomen heeft
Appelhof 6 grieven voorgedragen en geconcludeerd, dat het de Rechtbank behage
voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende Rositta alsnog te
veroordelen om:

a. aan Appelhof te voldoen het wettelijk minimumloon over het tijdvak
gelegen tussen 18 mei 1985 en 26 augustus 1985;

b. aan Appelhof te voldoen wegens vertraging over de onder a. genoemde
vordering de wettelijke verhoging op grond van artikel 1628 q Burgerlijk
Wetboek;

c. aan Appelhof te voldoen de wettelijke verplichte
minimum-vakantiebijslag over de periode gelegen tussen 29 mei 1985 en 26
augustus 1985;

d. een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 1286 Burgerlijk Wetboek over de som van voornoemde bedragen vanaf 28
november 1985 tot aan die der algehele voldoening;

e. Rositta te veroordelen in de kosten van beide instantien

Daarop antwoordend heeft Rositta die grieven bestreden en geconcludeerd,
dat het de Rechtbank behage meergenoemd vonnis van de Kantonrechter te
Sittard, zonodig met aanvulling en/of verbetering der gronden te bekrachtigen
en mitsdien Appelhof in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren,
althans haar deze als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen, met veroordeling
van Appelhof in de kosten van beide instanties

Partijen hebben vervolgens de stukken doen overleggen ter verkrijging
van vonnis, waarvan de uitspraak is bepaald op heden

De inhoud van alle stukken geldt als hier ingelast

De gronden van het hoger beroep

De grieven kunnen worden herleid tot de klacht, dat de Kantonrechter ten
onrechte Rositta geslaagd heeft geacht in haar bewijsopdracht

Beoordeling
Appelhof heeft haar grieven uitgebreid toegelicht en Rositta heeft deze
gemotiveerd bestreden

De Kantonrechter heeft in Zijn tussenvonnis van 6 juni 1986 Rositta
toegelaten te bewijzen, dat partijen bij de aanvang van de
arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen, dat deze zou gelden voor een
bepaalde tijd, namelijk totdat het karwei, waarvoor Appelhof in dienst was
genomen beeindigd was, en dat genoemd karwei op 29 mei 1985 was beeindigd

Rositta heeft daartoe twee getuigen, Kamps en Vleeshouwers, doen horen
en Appelhof heeft in contra-enquete de getuige Bognar doen horen, waarna
partijen hebben afgezien van voortzetting van het getuigenverhoor

De getuige Kamps, die destijds bij Rositta personeelschef was, verklaart
omtrent het eerste gedeelte van het probandum, voorzover relevant:

“Ik herinner mij dat wij destijds tijdelijk krachten tekort kwamen voor
het inpakwerk. Normaal besteden wij dit uit aan thuiswerkers of sociale
werkplaats, doch er was een grote achterstand. via het arbeidsbureau hebben
wij een twintigtal werkneemsters geworven. Ik heb met ieder van hen voor de
indiensttreding een gesprek gehad en ieder meegedeeld dat het tijdelijk werk
was totdat de achterstand was ingehaald. Ik heb daarbij verteld dat ik niet
wist of dit werk voor weken of maanden was. Ik herinner mij niet specifiek
met eiseres gesproken te hebben

De getuige Vleeshouwers, die destijds secretaresse van de getuige Kamps
was, verklaart daaromtrent, voor zover relevant:

“Omdat ik in dezelfde kamer zat als de heer Kamps, heb ik een deel van
de gesprekken met de groep waartoe eiseres behoorde, meegemaakt. Hij zei er
dan telkens bij dat het werk tijdelijk was. Ik kan mij natuurlijk niet
herinneren of ik toevallig een dergelijk gesprek met eiseres heb bijgewoond
.”

De getuige Bognar heeft omtrent het eerste gedeelte van het probandum
niets verklaard

Gelet op hetgeen de getuigen Kamps en Vleeshouwers hebben verklaard is
de Rechtbank van oordeel dat Rositta geslaagd is in het bewijs van het eerste
gedeelte van het probandum

Nu uit deze verklaringen blijkt dat door de getuige Kamps met de groep
werkneemsters, waartoe Appelhof behoorde, in elk geval mondeling is
besproken, dat het tijdelijk werk te weten het wegwerken van een achterstand
bij het inpakken – betrof, kan de kwestie betreffende het schriftelijke
arbeidskontrakt onbesproken blijven

Omtrent het tweede gedeelte van het probandum verklaart de getuige
Kamps, voor zover relevant:

“Omstreeks eind mei 1985 was de achterstand ongeveer ingehaald .”

en “Het is niet zo dat de twintigtal werkneemsters op ongeveer dezelfde
dag hun werk beeindigd hebben. Dit kwam omdat er sprake was van veschillende
orders, zodat de werkzaamheden ook verschilden. Iedere vrijdag werd er een
planning gemaakt voor de week erop

Tegen het eind besprak ik telkens met de afdelingschef en de directeur
producties of er meisjes konden afvloeien. Meestal kregen ze dit ongeveer
een week tevoren te horen. De meisjes zelf hadden geen overzicht van de
hoeveelheid werk. Het ging over vele honderduizenden eenheden .”

Nadat de getuige Kamps voorts had verklaard, dat Appelhof eind mei 1985
na ziekte is teruggekomen en dat zij toen heeft gezegd niet tot werken in
staat te zijn, vervolgt die getuige zijn verklaring:

“Ze bleef erbij dat ze niet in staat was te werken en is die dag ook
naar huis gegaan. De volgende dag stond zij plotseling weer op haar
werkplaats. Ik had echter inmiddels haar werk elders ondergebracht, omdat ik
uit haar woorden begreep dat zij niet meer terugkwam vanwege haar ziekte en
omdat haar werk practisch ten einde was .”

Verder verklaart deze getuige nog:

“Indien eiseres wel terstond haar werk hervat had, was zij niet daags
daarna ontslagen, er was immers nog enig werk voor haar voorradig .”

De getuige Vleeshouwers heeft met betrekking tot het tweede gedeelte van
het probandum niets verklaard

Hoewel volgens de verklaring van de getuige Kamps nog enig werk ter
beschikking was voor Appelhof op de dag dat zij voor het laatst op haar werk
verscheen, is de Rechtbank van oordeel dat die omstandigheid er niet toe kan
leiden dat voor Appelhof het karwei waarvoor zij was aangenomen niet als
beeindigd kan worden beschouwd

Immers, nu Appelhof onvoldoende gemotiveerd heeft betwist hetgeen
Rositta in eerste aanleg meermalen heeft gesteld en waaromtrent door de
getuige Kamps eveneens is verklaard, te weten dat zij, Appelhof, zich die dag
niet tot werken in staat achtte en die dag ook naar huis is gegaan, staat
zulks tussen partijen vast. Gelet daarop heeft de getuige Kamps naar het
oordeel van de Rechtbank, nu er voor Appelhof nagenoeg geen werk meer was,
dat restant kunnen en mogen herverdelen en kan Appelhof zich er thans niet
meer op beroepen, dat het karwei nog niet ten einde zou zijn geweest. Het zou
naar het oordeel van de Rechtbank te ver voeren om van Rositta te vergen dat,
toen Appelhof zich de volgende dag toch weer op haar werkplaats meldde, deze
het werk nogmaals zou herverdelen

De getuige Bognar verklaart onder meer:

“Ik ben destijds in augustus 1984 gaan werken bij gedaagde .”,

“Ik werkte op dezelfde afdeling als eiseres

Toen zij ontslagen was, ging mijn werk gewoon door en wel tot september
1985 .” en

“In die periode, dat eiseres ontslagen werd zijn er op onze afdeling
geen anderen ontslagen of overgeplaatst .”

Naar het oordeel van de Rechtbank kan hetgeen door deze getuige is
verklaard niet als relevant worden beschouwd, nu geenszins vaststaat, dat die
getuige – hoewel zij naar zij verklaart op dezelfde afdeling als Appelhof
werkte – met hetzelfde werk als Appelhof was belast en evenmin dat de overige
werkneemsters op die afdeling hetzelfde werk als Appelhof verrichtten

Appelhof heeft tenslotte nog naar voren gebracht, dat, indien er sprake
zou zijn van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, het einde van het
karwei ook voor haar bepaalbaar diende te zijn, en dat, nu zulks niet het
geval was, Rositta de toestemming van de direkteur van het Gewestelijk
Arbeidsbureau nodig had gehad om haar, Appelhof, rechtmatig te kunnen
ontslaan

Rositta stelt dat, nu het einde van het karwei objektief bepaalbaar was,
namelijk doordat de achterstand in de pakwerkzaamheden was weggewerkt, de
arbeidsovereenkomst van rechtswege was geeindigd, zodat geen opzegging
behoefde plaats te vinden en evenmin toestemming van de direkteur van het
Gewestelijk Arbeidsbureau nodig was

De Rechtbank kan Rositta in haar zienswijze volgen. Vast staat immers,
dat Appelhof was aangenomen om een achterstand bij inpakwerkzaamheden in te
lopen. De omvang van een dergelijk werk kan in het algemeen goed worden
bepaald, ook al behoeft zulks niet onmiddellijk bij de aanvang van de
werkzaamheden het geval te zijn. Derhalve kan naar het oordeel van de
Rechtbank in casu gesproken worden van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd, nu Appelhof voor het klaren van een karwei als het onderhavige is
aangenomen

De getuige Kamps heeft verklaard, dat omstreeks het einde van mei 1985
de achterstand ongeveer was ingehaald, en dat werkneemsters voldoende
bepaalbaar was wanneer hun werkzaamheden ten einde zouden zijn. Het voert
dan ook naar het oordeel van de Rechtbank te ver om te eisen – zoals Appelhof
doet – dat de werkneemsters een overzicht zouden moeten hebben van de
hoeveelheid werk

Al het vorenstaande het ertoe, dat het hoger beroep van Appelhof niet
kan slagen, dat haar bewijsaanbod als niet meer relevant moet worden
gepasseerd en dat Appelhof als de in hoger beroep geheel in het ongelijk
gestelde partij de kosten van deze procedure zal moeten dragen

Uitspraak in hoger beroep

Bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter te Sittard van 6 februari
1987 tussen partijen onder rolno. 1144/85 gewezen

Veroordeelt Appelhof in de kosten van deze procedure aan de zijde van
Rositta gerezen en tot heden begroot op ƒ 1.030,–

Rechters

Mrs. Gemmeke-van Delft, vice-president, Huinen, rechter en Custers,rechter-plaatsvervanger

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 25 mei 1989

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De staat moet ongehinderde terugkeer naar Nederland van uitgezette
Tamil-vrouw mogelijk maken. De president in kort geding was van mening dar de
vrouw in Sri Lanka niet in een uitzonderlijke positie verkeerde en dat zij
daarom niet voldeed aan de criteria voor vluchtelingenschap. Het hof orrdeelt
dat er redelijke kans bestaat dat de vrouw een verblijfsvergunning op grond
van klemmende redenen van humanitaire aard zal krijgen, temeer nu er vanuit
moet worden gegaan dat de vrouw het slachtoffer is geweest van ernstige
seksuele intimidatie door de legermacht die zich niet slechts bij wijze van
uitzondering schuldig maakt aan seksueel geweld ten opzichte van
Tamil-vrouwen.
Zie: President Haarlem, 10 juni 1988, Rechtspraak Nemesis 1988, nr. 21.

Zie ook: Mieke Vosman, Vluchten voor seksueel geweld in Nemesis 1988, nr.
4.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure.

Appellante is bij exploit van 22 juni 1988 in hoger beroep gekomen van
het vonnis dat de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem in kort
geding onder rolnummer KG 276/88 op 10 juni 1988 tussen appellante als eiseres
en geintimeerde – de Staat – als gedaagde heeft gewezen. Bij dat exploit heeft
appellante de Staat gedagvaard voor dit hof teneinde te horen concluderen, dat
het aan het hof behage het vonnis waarvan beroep te vernietigen en alsnog bij
arrest uitvoerbaar bij voorraad de Staat:

1. op te dragen om al het nodige te (doen) verrichten om een
ongehinderde terugkeer van appellante naar Nederland mogelijk te maken en al
de daaraan voor appellante verbonden kosten te betalen

2. te verbieden om appellante uit Nederland te (doen) zetten, voordat op
appelllantes herzieningsverzoek is beslist

3. op te dragen om aan appellante terug te betalen de kosten die zij
voor haar geswongen terugkeer naar Sri lanka, althans voor haar vertrek uit
Nederland naar enig ander land, heeft moeten maken

met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.

Bij memorie heeft appellante akte verzocht van aanvulling van gronden en
van vermeerdering van eis, voorts elf grieven aangevoerd, een aantal
geschriften in het geding gebracht en geconcludeerd dat het aan het hof behage
het vonnis waarvan beroep te vernietigen en bij arrest uitvoerbaar bij
voorraad:

1.de Staat op te dragen om al het nodige te (doen) verrichten om een
ongehinderde terugkeer van appellante naar Nederland mogelijk te maken en al
de daaraan verbonden kosten te betalen;

2.de Staat te verbieden appellante verder nog uit Nederland te (doen)
zetten, voordat in hoogste instantie is beslist op het door appellante
ingediende verzoek om herziening ex art. 29 Vreemdelingenwet;

3.de Staat te veroordelen om aan appellante terug te betalen de kosten
die zij voor haar gedwongen vertrek uit Nederland naar Sri Lanka heeft moeten
maken;

4.de Staat in de kosten van beide instanties te veroordelen.

De Staat heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, een aantal
producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot bekrachtiging van het
bestreden vonnis, met veroordeling van appellante in de kosten van het hoger
beroep.

De zaak is voor het hof bepleit door de advocaten aan de hand van nadien
overgelegde pleitnotities. Namens appellante is bij akte een aantal
geschriften in het geding gebracht.

Namens de Staat zijn twee akten genomen, waarbij een aantal geschriften
in het geding is gebracht. Vervolgens hebben partijen de stukken van het
geding in beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, aan het
hof overgelegd en arrest verzocht.

2. De vermeerdering van eis.

De Staat heeft zich niet verzet tegen de vermeerdering van de eis, zodat
het hof daarop recht zal doen.

3. De grieven

De grieven van appellante tegen het vonnis van de president luiden als
volgt:

Grief 1

Ten onrechte laat de president onder 2.2. na te vermelden dat appellante
zich op het standpunt heeft gesteld dat uitzetting ook onrechtmatig, want
strijdig met artikel 3 EVRM, zou zijn indien verantwoorde opvang van
appellante op Sri Lanka niet redelijkerwijze verzekerd zou zijn. Appellante
heeft in de inleidende dagvaarding onder 7 uitdrukkelijk gesteld dit standpunt
ook te huldigen indien aangenomen moest worden dat appellante voor geen enkele
verblijfstitel in aanmerking zou komen.

Grief 2

Ten onrechte concludeert de president onder 3,9 dat geen sprake is van
groepsvervolging die zou moeten leiden tot verlening van een A-, B- of
C-status. De president komt tot dit oordeel op grond van de onjuiste
feitelijke stellingen:

1. dat de geweldsexplosie van na 29 juli 1987 kan worden gekwalificeerd
als “een groot aantal gewelddadige incidenten”

2. dat de bescherming die de Srilankaanse overheid aan Tamils biedt
“niet in alle gevallen toereikend is”.

Grief 3

Ten onrechte oordeelt de president onder 3.9 dat in het onderhavige
geding als uitgangspunt dient te gelden hetgeen de Minister van Buitenlandse
Zaken vermeldt in de onder 3.8 genoemde ambtsgerichten.

Grief 4

Ten onrechte concludeert de president onder 3.11 dat sprake is van een
binnenlandse vluchtalternatief.

Grief 5

Ten onrechte heeft de president aan de onder 3.12 genoemde brief van de
UNHCR niet de conclusie verbonden dat de UNHCR terugzending van Tamils
afkomstig uit andere regio’s dan Colombo en Mannar ongewenst acht.

Grief 6

Ten onrechte legt de president onder 3.21 als criterium aan dat op
verklaringen, afgelegd na het verhoor ten overstaan van de contactambtenaar,
die op meer dan ondergeschikte punten van het relaas ten overstaan van de
contactambtenaar afwijken, dan wel daarmee strijdig zijn, slechts acht
geslagen kan worden wanneer door de betrokken asielzoeker naar behoren feiten
en omstandigheden worden gesteld die de discrepantie tussen de verschillende
lezingen verklaren.

Grief 7

Ten onrechte concludeert de president onder 3.24 dat hetgeen appellante
aan politieke activiteiten heeft ontplooid haar nimmer problemen heeft
opgeleverd. Een deel van deze problemen (arrestatie en seksuele intimidatie)
had hij bovendien enkele regels eerder wel aannemelijk geacht.

Grief 8

Ten onrechte lijkt de president appellantes stellingen onder 3.25 aldus
uit te leggen dat alle (dus ook Singalese) vrouwen groot gevaar lopen het
slachtoffer te worden van seksueel geweld. Uit het onderlinge verband van
appellantes stellingen blijkt dat het om Tamil-vrouwen gaat.

Grief 9

Ten onrechte acht de president het relevant om onder 3.25 te stellen dat
appellante zich op Sri Lanka niet in een uitzonderlijke positie bevindt.

Grief 10

Ten onrechte wijst de president op grond van het voorgaande appellantes
aanspraken op een A-, B- en C-status van de hand en appellantes vordering af.

Grief 11

Ten onrechte heeft de Staat impliciet, dan wel expliciet aan de
autoriteiten van Sri Lanka kenbaar gemaakt dat appellante asiel verzocht in
Nederland, reden waarom haar alsnog verblijf in Nederland behoort te worden
toegestaan.

4. Waarvan het hof uitgaat

Geen grief is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de
president in overweging 2.1 van het vonnis. Ook het hof zal van het aldaar
vermelde uitgaan.

Voorts is in hoger beroep nog gebleken dat appellante uit angst te
worden uitgezet naar Sri Lanka in juni 1988 Schiphol-Oost heeft verlaten en
naar West-Duitsland is vertrokken en dat op haar herzieningsverzoek niet
binnen drie maanden is beslist, waarna namens appellante tegen de fictieve
weigering beroep is ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van
State, waar de staatssecretaris op 27 oktober 1988 een verweerschrift heeft
ingediend.

5. Beoordeling.

5.1. Het hof zal allereerst grief 10, voorzover betrekking hebbende op
het oordeel dat het door appellante ingestelde beroep tegen de afwijzing van
haar verzoek om een vergunning tot verblijf geen redelijke kans van slagen
heeft, behandelen.

5.2. Uitgangspunt daarbij is het door appellante aan de contactambtenaar
gedane relaas omtrent hetgeen zij voorafgaand aan haar vertrek naar Nederland
in Sri Lanka heeft meegemaakt.

Dit relaas houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Wel sympathiseer ik met een beweging die de Tamil Tigers heet.

Ik doe sinds twee/drie jaar wel eens wat werkzaamheden voor ze.

Als de beweging dat vroeg, dan kookten de vrouwen uit het dorp voedsel
voor ze. Ik deed daar ook aan mee. Ook haalden we wel eens geld op voor de
Tamil Tigers in het dorp. Het voedsel en het geld werden meestal opgehaald
door mijn broer. Door deze werkzaamheden ben ik nimmer in de problemen
geraakt. Ik heb echter hele grote angst voor de soldaten van het leger. Als
jonge vrouw loop je groot gevaar. Ik heb gehoord van verschrikkelijke
martelingen en verkrachtingen van jonge vrouwen. Ook mishandelen ze je zomaar.
Als jonge vrouw ben je je leven niet zeker in Sri Lanka.

Na de arrestatie van mijn broer, ongeveer drie maanden geleden, besloot
ik mijn land te verlaten. Uit angst dat mij ook iets zou overkomen.

Mijn moeder en ik waren gevlucht naar een tempel in Nallur, nadat de
militairen ons huis hadden beschoten. Deze tempel diende als
vluchtelingenkamp. Op een gegeven moment werd die tempel ook beschoten door de
militairen. Mijn moeder en ik besloten toen te vluchten. We gingen eerst naar
mijn grootmoeder die woonde in Pungudutiva. Dit ligt op een eiland bij Sri
Lanka. Na zesendertig dagen kwam daar de marine van Sri Lanka en het Indiase
leger. Er werd een klein legerkamp gemaakt en daarna werden alle mensen
opgeroepen daar te komen. Hierbij hoorde ik dat daar veel jonge meisjes werden
aangerand en verkracht. Dit gebeurde ook tijdens de huiszoekingen die de
militairen deden. Voordat de wijk waarin wij verbleven aan de beurt was om
zich te komen melden, vertrokken mijn moeder en ik na een week naar Jaffna.
Dit was in januari 1988. In Jaffna ben ik ongeveer anderhalve maand gebleven.

Mijn moeder zocht daar contact met een reisagent genaamd ‘Krishnarajah’.
We konden namelijk niet terug naar ons eigen huis omdat dit geheel vernield
was door beschietingen. Ook over mijn broer hebben we niets meer vernomen.

Ik werd nimmer gearresteerd of gedetineerd. Ik werd eenmaal mishandeld.
Het leger kwam eenmaal bij mij thuis en wilde informatie over mijn broer. Toen
ik dit weigerde te geven, sloegen en schopten ze mij. Ik heb hier geen
blijvende verwondingen of littekens aan overgehouden.

Ik ben jong en voor een jonge vrouw is het leven in Sri Lanka heel
gevaarlijk. Het is er zo slecht dat er niet te leven valt. Tevens vraag ik u
om hetgeen met mijn vader (van wie eerder in het verslag te lezen is dat hij
volgens appellante in juni 1986 is overleden bij een beschieting van de markt
van Jaffna door het leger van Sri Lanka) en mijn broer is gebeurd, in de
beslissing te laten meetellen.

5.3. Dit relaas wettigt, ondanks het feit dat latere verklaringen –
overigens afgelegd ten tijde van het achteraf onrechtmatig geoordeelde
verblijf op Schiphol-Oost – vragen oproepen over het precieze lot van haar
broer, voorshands de conclusie, dat appellante naast de door haar ondergane
mishandeling en het verlies van het door haar en haar moeder bewoonde huis ook
in zoverre door de gewelddadigheden in Sri Lanka is getroffen dat haar vader
en haar (enige) broer het willekeurig slachtoffer zijn geworden van het
optreden van militairen.

Gelet op de brief van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal van 7 oktober 1986, genoemd in de door
appellante als productie 12 bij akte in het geding gebrachte uitspraak van de
Afdeling rechtspraak van de Raad van State, betekent dit dat er een redelijke
kans bestaat dat aan appellante alsnog een vergunning tot verblijf op grond
van klemmende redenen van humanitaire aard zal worden verleend. Voor dat
oordeel is te meer grond, nu er in dit kort geding van moet worden uitgegaan
dat appellante in december 1987 het slachtoffer is geweest van ernstige
seksuele intimidatie door de IPKF, welke legermacht zich niet slechts bij
wijze van uitzondering schuldig maakt aan seksueel geweld ten opzichte van
Tamil-vrouwen.

5.4. Het vorenstaande betekent dat de staatssecretaris niet in
redelijkheid heeft kunnen beslissen schorsende werking aan het door appellante
gedane verzoek om herziening te onthouden, zodat het aangevallen vonnis niet
in stand kan blijven. De Staat zal worden opgedragen de ongehinderde terugkeer
van appellante, van wie onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gezegd
dat zij Nederland vrijwillig heeft verlaten, naar ons land mogelijk te maken.
Voor een veroordeling tot betaling van de aan die terugkeer verbonden kosten
en van de kosten die in verband met het vertrek uit Nederland gemaakt moesten
worden, zijn onvoldoende gegevens aangevoerd. Bij het verbod tot uitzetting,
dat gelet op het inmiddels tegen de fictieve weigering ingestelde beroep
kennelijk bedoeld is voor de periode die met de behandeling van dat beroep
gemoeid is, heeft appellante geen belang, nu niets erop wijst dat de Staat
zich op het standpunt zou stellen dat het bepaalde in art. 38 lid 1 Vw in het
onderhavige geval niet aan uitzetting in de weg staat. Bij deze uitkomst van
het geding kunnen alle overige door appellante geformuleerde grieven buiten
beschouwing blijven. De Staat zal als de (in overwegende mate) in het ongelijk
gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

6. Beslissing

Het hof:

-Vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

-Draagt de Staat op om al het nodige te (doen) verrichten om een
ongehinderde terugkeer van appellante naar Nederland mogelijk te maken;

-Verklaart dit bevel uitvoerbaar bij voorraad.

-Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, aan salarissen en
verschotten aan de zijde van appellante begroot op ƒ 1.450,– in eerste aanleg
en op ƒ 2.700,– in hoger beroep, een en ander op de voet van het bepaalde in
artikel 57b Rv. te voldoen aan de griffier van de rechtbank onderscheidenlijk
van dit hof;

-Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mrs Witteman, Fleers en De Wild

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 25 mei 1989

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Tamil-vrouw mag niet worden uitgezet, nu de omstandigheid dat vele
vrouwen in Sri Lanka het slachtoffer worden van seksueel geweld de dreiging
voor appellante juist vergroot dat zij als behorend tot de kwetsbare groep van
(jonge) Tamil-vrouwen opnieuw tot slachtoffer wordt van seksueel geweld. De
president in kort geding overwoog dat deze vrouw in Sri Lanka niet in een
uitzonderlijke positie verkeerde en dat zij daarom niet voldeed aan de
criteria voor vluchtelingenschap.

Zie: President Haarlem, 10 juni 1988, Rechtspraak Nemesis 1988 nr 21.

Zie ook: Mieke Vosman, Vluchten voor seksueel geweld in Nemesis 1988 nr
4.

Volledige tekst

1. Het geding

1.1. De president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft onder
rolnummer KG 319/88 in kort geding bij vonnis van 24 juni 1988 geweigerd de
door appellante tegen geintimeerde – de Staat – gevraagde voorziening dat de
Staat zal worden verboden verdere uitvoering te geven aan het voornemen
appellante uit Nederland te verwijderen zolang niet is beslist op het
herzieningsverzoek.

1.2. Bij exploit van 6 juli 1988 is appellante van dat vonnis in hoger
beroep gekomen met dagvaarding van de Staat voor dit hof, waarna appellante
bij memorie drie grieven heeft aangevoerd met conclusie dat het aan het hof
behage het vonnis waarvan beroep te vernietigen en alsnog de Staat te
verbieden om verdere uitvoering te geven aan het voornemen appellante uit
Nederland te verwijderen zolang niet is beslist op het herzieningsverzoek, met
veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.

1.3. De Staat heeft bij memorie van antwoord twee geschriften in het
geding gebracht, de grieven van appellante bestreden, zijnerzijds een grief
aangevoerd in incidenteel hoger beroep en geconcludeerd dat het aan het hof
behage het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van
gronden, met veroordeling van appellante in de kosten van het geding.

1.4. Bij memorie heeft appellante het incidentele hoger beroep bestreden
en zich uitgelaten over de producties van de Staat; zij heeft daarbij twee
geschriften in het geding gebracht.

1.5. De advocaten hebben de zaak bepleit, waarbij namens appellante twee
akten zijn genomen tot het in het geding brengen van stukken. Na
gegrondbevinding van een bezwaar van mr. Groen – wegens te late toezending –
heeft het hof drie van die stukken, namelijk drie brieven, geweigerd.

1.6. Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties, waaronder de pleitnotities van mr. Groen in hoger beroep, aan het
hof overgelegd en arrest verzocht. De inhoud van alle bedoelde stukken geldt
als hier ingelast.

2. De grieven

De grieven van appellante tegen het vonnis van de president luiden als
volgt.

Grief I

Ten onrechte oordeelt de president dat niet alle leden van de Tamil
bevolkingsgroep aanspraak kunnen maken op de status van asielgerechtigden,
omdat zij op grond van hun Tamil-zijn geacht zouden kunnen worden bloot te
staan aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de
Vreemdelingenwet.

Grief II

Ten onrechte gaat de president er vanuit dat het zuiden van Sri Lanka
een vluchtalternatief voor appellante biedt.

Grief III

Ten onrechte is de president van oordeel dat de persoonlijke
omstandigheden van appellante geen grond opleveren voor een succesvol beroep
op de vluchtelingenstatus.

De grief van de Staat tegen het vonnis van de president houdt in dat de
president ten onrechte – in rechtsoverweging 3.22 – bij de beoordeling van de
persoonlijke omstandigheden van appellante mede rekening heeft gehouden met
hetgeen appellante heeft verklaard over de verkrachting en poging tot
verkrachting die zij heeft ondergaan.

3. De feiten

Geen grief is gericht tegen rechtsovertweging 2.1 van het vonnis, zodat
ook het hof van de daar vermelde feiten uitgaat met dien verstande dat
appellante is gehuwd met een landgenoot, Sivagnam Sivaratnaraj, met wie zij
tegelijkertijd uit Sri Lanka in Nederland is aangekomen en asiel heeft
verzocht.

4. Beoordeling

4.1. De eerste grief stelt aan de orde de vraag of appellante tot op
zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat Tamils zoals appellante gegronde
redenen hebben om te vrezen voor vervolging wegens godsdienstige of politieke
overtuiging, nationaliteit dan wel het behoren tot een bepaald ras of tot een
bepaalde sociale groep.

4.2. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt, ook niet door de
in hoger beroep alsnog in het geding gebrachte geschriften, dat (jonge) Tamils
als zodanig – los van hun persoonlijke gedragingen en omstandigheden – te
vrezen hebben voor vervolging in bovenbedoelde zin.

De eerste grief faalt dus.

4.3. Het belang van de tweede grief hangt af van het lot van de derde,
zodat het hof deze laatste eerst zal behandelen.

4.4. De derde grief richt zich niet tegen de rechtsoverweging 3.21 van
het vonnis.

4.5. In rechtsoverweging 3.22 heeft de president overwogen dat mede
rekening wordt gehouden met hetgeen appellante heeft verklaard over de
verkrachting en poging tot verkrachting die hebben plaatsgevonden, aangezien
de president aannemelijk heeft geacht de verklaring van appellante waarom zij
in haar oorspronkelijke vluchtrelaas hierover niet heeft gesproken.

4.6. De hiertegen gerichte grief van de Staat in het incidentele hoger
beroep faalt omdat zeer wel is in te zien, en het hof ook waarschijnlijk acht,
dat appellante niet tegenover de mannelijke contactambtenaar en wel tegenover
de president bereid was te spreken over verkrachting. Bij de contactambtenaar
moest zij zelf spreken met een man, terwijl zij bij de president werd
vertegenwoordigd door een advocaat.

4.7. De president heeft dus terecht mede in zijn beoordeling betrokken
hetgeen appellante later heeft toegevoegd omtrent de verkrachting.

4.8. Vervolgens heeft de president geoordeeld dat de omstandigheid dat
appellante vreest, mede gezien het feit dat zij zelf het slachtoffer is
geweest van verkrachting, het slachtoffer te worden van seksueel geweld in Sri
Lanka, niet leidt tot de conclusie dat appellante een beroep op de
vluchtelingenstatus toekomt.

4.9. De president grondt dit oordeel op de overweging dat het in Sri
Lanka niet uitzonderlijk is dat vrouwen het slachtoffer worden van seksueel
geweld, zodat appellante aldaar niet in een uitzonderlijke positie verkeert en
haar stelling dat zij op grond van het gevaar dat zij het slachtoffer dreigt
te worden van seksueel geweld gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging
wegens het behoren tot een bepaalde sociale groep niet juist is, nu gezien de
algemene positie van vrouwen in het licht van de politieke situatie op Sri
Lanka niet gesteld kan worden, dat er sprake is van discriminatoire, specifiek
jegens een bepaalde sociale groep, te weten (jonge) Tamil-vrouwen, gerichte
vervolging.

4.10. De grief heeft – mede blijkens de toelichting – tot strekking dat
de Staat appellante, gezien haar ervaringen, niet mag aandoen dat zij naar Sri
Lanka wordt uitgezet, primair omdat zij als vluchteling moet worden beschouwd,
subsidiair om klemmende redenen van humanitaire aard.

4.11. Aldus gelezen bestrijdt de grief terecht de aangehaalde overweging
van de president nu de omstandigheid dat vele vrouwen in Sri Lanka het
slachtoffer worden van seksueel geweld de dreiging voor appellante juist
vergroot dat zij als behorend tot de kwetsbare groep van (jonge) Tamil-vrouwen
opnieuw het slachtoffer wordt van seksueel geweld dat kennelijk, al gaat het
niet van de overheid uit, niet door de overheid afdoende wordt bestreden.

4.12. Uit niets blijkt dat in het zuiden van Sri Lanka en in Colombo dit
gevaar niet bestaat. De in hoger beroep overgelegde stukken maken voor deze
gebieden geen uitzondering, zodat ook de tweede grief in zoverre gegrond is.

4.13. Het hof acht op grond van het vorenstaande een redelijke kans
aanwezig dat appellante in aanmerking zal komen voor een verblijfsvergunning
wegens klemmenden redenen van humanitaire aard, zodat de Staat onrechtmatig
zou handelen door appellante uit Nederland te verwijderen zolang daarop niet
is beslist.

5. Slotsom

Uit het overwogene volgt dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan
blijven en dat de vordering van appellante alsnog moet worden toegewezen.

6. Beslissing

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verbiedt geintimeerde om
verdere uitvoering te geven aan het voornemen appellante uit Nederland te
verwijderen zolang niet is beslist op haar herzieningsverzoek.

Dit verbod is uitvoerbaar bij voorraad.

Het Hof verwijst geintimeerde in de kosten van het geding in beide
instanties, aan de zijde van appellante tot deze uitspraak begroot op ƒ
1.400,– voor de eerste aanleg en op ƒ 2.700,– voor het hoger beroep, te
betalen aan de griffiers van de rechtbank en hof op de voet van artikel 57b
Rv.

Rechters

Mrs Witteman, Hermans en Yland-Van Veen

Instantie: Raad van Beroep Utrecht, 24 mei 1989

Instantie

Raad van Beroep Utrecht

Samenvatting


Van 1 oktober 1971 tot 4 april 1978 is klaagster bij Kleko werkzaam als
directiesecretaresse. Daarna wordt zij benoemd tot procuratiehoudster.
Op 4 januari 1984 huwt klaagster de directeur van Kleko, C.M. Snellen.
Klaagster was op de grondslag van haar dienstbetrekking met Kleko
verzekeringsplichtig ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet. Haar verplichte
verzekering eindigt met ingang van 1 januari 1989 omdat de echtgenoot van
klaagster als directeur grootaandeelhouder van Kleko niet kan worden
aangemerkt als werknemer in de zin van de hiervoor genoemde sociale
verzekeringswetten en als gevolg daarvan geldt ten aanzien van hem geen
verzekeringsplicht ingevolge die wetten. Klaagster kan in verband met haar
relatie tot C.M. Snellen evenmin als verplicht verzekerde ingevolge
meerbedoelde wetten worden aangemerkt

Klaagster gaat hiertegen in beroep

Ingevolge het bepaalde in artikel 20 ZW, artikel 16 WAO, artikel 3,
eerste lid WW en artikel 3 van de ZFW is het zijn van werknemer maatgevend
voor de beantwoording van de vraag of iemand verplicht verzekerd is ingevolge
deze wetten

De verzekeringsplicht van de echtgenoot van klaagster is beeindigd en
hiertegen is geen beroep ingesteld

De verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 1637i BW met zich
meebrengt, dat het enkele bestaan van een huwelijksband tussen de
directeur/grootaandeelhouder en klaagster leidt tot de afwezigheid van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen klaagster en Kleko. Het enkele
feit van het huwelijk in 1984 van klaagster met C.M. Snellen, die toen
overigens niet een meerderheidsbelang in de vennoootschap bezat, er in de
visie van verweerder toe zou leiden, dat er een wezenlijke verandering optrad
in de arbeidsverhouding van klaagster. Deze visie deelt de Raad niet

De raad is van oordeel dat de arbeidsverhouding van klaagster e
n daarmee haar status van werknemer dient te worden beoordeeld aan de hand van
de feitelijke omstandigheden waaronder klaagster haar werkzaamheden verricht
Verweerder heeft naar deze feitelijke omstandigheden geen nader onderzoek
ingesteld omdat hij zich op het standpunt stelde, dat reeds de
huwelijksrelatie ten deze maatgevend zou zijn

Bovendien gaat de raad er, gelet op het tijdstip waarop en de
omstandigheden waaronder de arbeidsovereenkomst van klaagster is
totstandgekomen en gelet op het feit, dat klaagster reeds geruime tijd voor
haar huwelijk haar werk als directie-secretaresse en procuratiehoudster heeft
verricht terwijl niet is gebleken, dat de feitelijke arbeidsomstandigheden van
klaagster na haar huwelijk zijn gewijzigd, van uit, dat de huwelijksrelatie
met C.M. Snellen en haar arbeidsverhouding niet in overwegende mate is gaan
beheersen

Het beroep wordt gegrond verklaard

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.Th.M. Nijenhof als voorzitter, A. Hoogendoorn en M.W. Spies alsleden, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. C. Barkman als griffier

Instantie: Rechtbank Arnhem, 23 mei 1989

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


De man, niet de biologische vader, vraagt een omgangsregeling met het
kind dat hij had erkend. De erkenning vond plaats vrijwel onmiddellijk
nadat de moeder wist dat ze zwanger was en op verzoek van de moeder

Na de geboorte van het kind heeft verzoeker in totaal tien keer contact
gehad met het kind in het kader van een soort bezoekregeling, omdat de
samenwerking tussen partijen, van een gezamenlijke opvoeding, al eerder spaak
gelopen was

Verzoeker vraagt nu een omgangsregeling vast te leggen tussen hem en het
kind op grond van een nauwe persoonlijke betrekking, zowel in juridische zin
als in feitelijke zin, waardoor er aan de hand van het family life-criterium,
uitgewerkt in de jurisprudentie op artikel 8 EVRM, ruimte is voor het
vaststellen van een dergelijke regeling

De moeder van het kind is van mening dat de banden tussen het kind en
verzoeker van uitsluitend juridische aard zijn. Zij zegt te betreuren
destijds het initiatief te hebben genomen voor het totstandbrengen van deze
juridische band en is thans bezig met een procedure de erkenning van het
vaderschap ongedaan te maken

Naar het oordeel van de kinderrechter dient verzoeker niet-ontvankelijk
te worden verklaard in zijn verzoek. De in dit geval louter juridische
constructie van de erkenning van het kind terwille van de realisering van
bestaande wensen een kind te verzorgen en op te voeden c.q. een ander daarbij
hulp te bieden, biedt onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen spreken van
een band tussen verzoeker-erkenner en het kind. Hierbij wordt dan geheel
buiten beschouwing gelaten de mogelijke uitkomst van de procedure welke thans
aanhangig is om de erkenning ongedaan te maken

Het gering aantal keren dat verzoeker in de eerste twee maanden na de
geboorte van het kind deze baby bezocht heeft is evenmin doorslaggevend om te
kunnen zeggen dat er sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM

Volledige tekst

Rechters

Mr W.A. Zwijnenburg, plv. kinderrechter en H.A. Krahe als griffier

Instantie: Rechtbank Maastricht, 18 mei 1989

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Verstekvonnis. Gedaagde, de vader heeft gedurende 4 jaar, terwijl eiser
in de leeftijd van 12 tot 16 jaar verkeerde, ontuchtige handelingen met
haar gepleegd. De Rechtbank matigt de vordering van ƒ 15.000,= immateriele
schadevergoeding tot ƒ 10.000,=, omdat niet vaststaat in hoeverre en
hoelang eiseres tengevolge van de door gedaagde gepleegde ontuchtige
handelingen in de toekomst psychisch leed zal ondervinden en/of niet in
staat zal blijken normaal te functioneren.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

De eisende partij heeft de gedaagde doen dagvaarden voor deze Rechtbank
en heeft op de dienende dag geconcludeerd voor eis overeenkomstig de
inhoud van de hierna in fotokopie opgenomen dagvaarding, zulks onder
overlegging van een productie.

Kosteloos ingevolge toevoeging afgegeven door het Buro voor Rechtshulp te
Roermond d.d. 16 november 1988; Toevoegingsnummer: 04000497AC;

Heden, de een en dertigste januari negen en tachtig f.i. Ten verzoeke van
V wonende te aan de straat no. , te dezer zake domicilie kiezende
te 6041 HP Roermond aan de Willem II Singel no. 33a ten kantore van
advocate en procureur mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, alsmede te 6411 GX
Heerlen aan de straat no. alsmede domicilie kiezende ter griffie van
de Arrondissementsrechtbank Maastricht aan de no. zijnde resp. het
kantooradres en het gekozen domicilie van de advocaat en procureur mr.
S.L.G.M. Roebroek die te dezer zake tot procureur wordt gesteld en als
zodanig zal optreden;

Het ik, Franciscus Theodorus Gerardus Candel, deurwaarder bij de
Arrondissementsrechtbank te Maastricht, wonende en kantoorhoudende te
Maastricht aan de no Gedagvaard: H, wonende te Maastricht aan de ,
aldaar te zijnen woonhuize mij exploit doende en afschrift latende aan :
hem in persoon om: Op donderdag zestien februari om 930 uur niet in
persoon doch vertegenwoordigd door een procureur te verschijnen ter
terechtzitting van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht, welke alsdan
en aldaar zal worden gehouden in het paleis van Justitie aan de
Minderbroedersberg te Maastricht;

Teneinde:

te horen eisen en concluderen dat:

1. Aangezien gedaagde met eiseres ontuchtige handelingen heeft gepleegd
gedurende een periode van 4 jaar terwijl eiseres in de leeftijd verkeerde
van 12 tot 16 jaar;

2. Aangezien bij conclusie van eis het in deze door de politie te Roermond
opgemaakte proces-verbaal betreffende de ontuchtige handelingen in het
geding zou worden gebracht en eiseres dienaangaande moge verwijzen voor
de aard van de ontuchtige handelingen naar de inhoud van dit
proces-verbaal;

3. Aangezien deze ontuchtige handelingen enige malen per week plaatsvonden
en gedaagde altijd het initiatief daartoe nam terwijl eiseres deze passief
onderging;

4. Aangezien dit gedragspatroon typerend is voor slachtoffers van seksuele
misdrijven en zeer zeker van incestmisdrijven en gezien moet worden als
een overlevingssituatie;

5. Aangezien blijkens onderzoek de gevolgen van gedwongen seksuele
handelingen met name op jeugdige leeftijd, te vergelijken zijn met een
kampsyndroom, waarbij men geisoleerd wordt, gedwongen zijn mond te houden
en tot medeplichtige wordt gemaakt en een reactie daarop zijn gevoelens
uitschakelt om te kunnen overleven, zoals in deze overduidelijk blijkt uit
het opgemaakte proces-verbaal (zie: “het zwijgen doorbroken 1985” uitgave
van een vereniging tegen seksuele kindermishandeling binnen het gezin (VSK,
bladzijde 6 en verder);

6. Aangezien de slachtoffers de gevolgen veelal levenslang met zich
meedragen evenals bij een kampsyndroom en tal van psychische klachten
hebben (zie ook hierboven aangehaalde literatuur bladzijde 7);

7. Aangezien ten gevolge van de incestueze handelingen door gedaagde
eiseres die aanvankelijk werkzaam was als verkoopster niet meer in staat
blijkt te zijn dit werk naar behoren te kunnen vervullen ten gevolge van
haar ervaringen;

8. Aangezien eiseres psychisch niet in staat is normaal te functioneren;

9. Aangezien in de jurisprudentie tot op heden slechts immateriele
schadevergoedingen zijn toegekend bij verkrachtingen varierende van ƒ
5.000,= tot ƒ 15.000,= (zie NJ 1984 nummer 639: vonnis Rechtbank Den
Bosch d.d. 17 mei 1985, rolnummer 2473/84; vonnis Rechtbank Alkmaar d.d.
18 juni 1987 rolnummer 1639/86) bij een geringe financiele draagkracht;

10. Aangezien bij de onderhavige ontuchtige handelingen de psychische
schade zo mogelijk nog groter is, omdat de seksuele handelingen op jeugdige
leeftijd zijn begonnen en jarenlang hebben voortgeduurd, plaatsvindend in
het eigen huis en gepleegd worden door de naaste familie- en/of
gezinsleden in casu de vader, hetgeen diep ingrijpt in de
persoonlijkheidsvorming;

11. Aangezien men immers geen kant meer uit kan indien zelfs het eigen
huis niet meer veilig blijkt te zijn zodat men dan als het ware met de rug
tegen de muur staat;

12. Aangezien eiseres onder voormelde reden een immateriele
schadevergoeding eist van ƒ 15.000,=;

13. Aangezien gedaagde in staat moet worden geacht voornoemd bedrag te
betalen aangezien hij na de dood van de moeder van eiseres een bedrag ad
ƒ 5.000,= in contanten heeft ontvangen en hij voor het overige in staat
moet worden geacht een betalingsregeling te treffen om het pro-resto
bedrag te kunnen betalen;

14. Aangezien bij schrijven d.d. 14 november j.l. gedaagde is verzocht
c.q. gesommeerd voornoemd bedrag ad ƒ 15.000,= te betalen onder
aanzegging dat hij vanaf 24 november j.l. de wettelijke rente verschuldigd
zal zijn;

15. Aangezien gedaagde op dit schrijven in het geheel niet heeft
gereageerd;

Weshalve:

Het Uwe Rechtbank moge behage bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat
uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres
van een bedrag ad ƒ 15.000,= (zegge: vijftienduizend gulden) vermeerderd
met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 24 november jl. tot aan de
dag der volledige voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten
van deze procedure.

Kosten dezes zijn voor mij deurwaarder in debet ƒ 51,60

Beoordeling:

De vordering komt de Rechtbank noch onrechtmatig noch ongegrond voor,
zodat deze voor toewijzing gereed ligt met dien verstande dat de Rechtbank
de bedoelde immateriele schade ex aeqou et bono zal vaststellen op ƒ
10.000,=. De Rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, nu enkel is
gesteld dat eiseres psychisch niet in staat is normaal te functioneren,
daarmee niet vaststaat of, in hoeverre en hoelang eiseres tengevolge van
de door gedaagde gepleegde ontuchtige handelingen in de toekomst psychisch
leed zal ondervinden en/of niet in staat zal blijken normaal te
functioneren.

Uitspraak:

De Rechtbank veroordeelt de gedaagde, om tegen behoorlijk bewijs van
kwijting aan de eisende partij te betalen de somma van ƒ 10.000,=
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 november 1988
tot de dag der algehele voldoening.

De Rechtbank verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

De Rechtbank wijst af het meer of anders gevorderde.

De Rechtbank veroordeelt de gedaagde in de kosten van deze procedure, aan
de zijde van de eisende partij gerezen en deze tot aan dit vonnis begroot
op ƒ 1.021,60, waarvan te betalen:

1. aan de eisende partij wegens door deze betaald griffierecht ƒ 50.00,=
2. aan de Griffier van deze Rechtbank ƒ 971,60 van welk bedrag deze met
inachtneming van de wettelijke bepalingen (artikel 57b Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering) zal verrekenen: -wegens door hem in debet
gesteld griffierecht ƒ 300,= -wegens salaris van de procureur van eiseres
ƒ 620,00 (zie toevoeging nr. 0400 0497 AC) -wegens in debet gestelde
kosten van exploit aan deurwaarder F.G.C. Candel te Maastricht ƒ 51,60.

Rechters

Mr. Broekhoven

Instantie: Raad van State, 16 mei 1989

Instantie

Raad van State

Samenvatting


In deze zaak verzorgde de moeder haar kind gedurende gemiddeld vier
dagen per week, de vader drie dagen per week

Volgens Burgemeester en Wethouders is voor de ex-echtgenoten die
besluiten tot co-ouderschap samen slechts beschikbaar de uitkering naar de
norm van een een-oudergezin en een alleenstaande. In de praktijk betekende
dat, dat zij het verschil tussen de norm van een een-oudergezin en een
alleenstaande verdeelde naar rato van de tijd dat het kind bij de een en de
ander is. In dit geval ontving de moeder dus 4/7 van het verschil, de vader
3/7

De Afdeling volgt deze redenering formeel niet, maar praktisch wel.
Zij oordeelt, dat in de gegeven situatie geen van beide ouders kan worden
aangemerkt als hoofd van een onvolledig gezin. De uitkering behoort in dit
geval te worden vastgesteld met toepassing van artikel 2, derde lid van BLN,
derhalve in afwijking van de normuitkeringen

De uitkering behoort echter wel aan te sluiten bij de norm voor een
alleenstaande en een een-oudergezin en aangepast te zijn aan de tijd die het
kind per week doorbrengt bij de ene of de andere ouder. De wijze waarop de
gemeente uitkering berekend had voldeed volgens de Afdeling aan die eis

De Afdeling heeft ten overvloede overwogen dat niet is aangetoond dat
het onontkoombaar is dat in een situatie van co-ouderschap de opvoeding en
verzorging van het kind meer kosten gemaakt worden

Volgens Josien Nooteboom was dit wel aangetoond, maar liet de Afdeling
zich niet overtuigen. Uit het verloop van de zitting concludeert zij dat de
Afdeling zich niet kan laten overtuigen omdat zij een totaal verkeerd beeld
hebben van de leefwijze van iemand met weinig geld

Volledige tekst

Rechters

M.H.M.F. Gardeniers-Berendsen, Voorzitter, dr. W.A. van den Berg, lid enmr. H. Drop, Lid e.b.d., in tegenwoordigheid van mr. drs. N.J. vanVulpen-Grootjans, ambtenaar van Staat