Instantie: Rechtbank Arnhem, 11 mei 1989

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Vader heeft nadat de relatie tussen de ouders was verbroken, ontucht
gepleegd met zijn dochter. De moeder eist nu ƒ 100.000,– (im)materiele
schadevergoeding

Materiele schade, te weten het verlies van verdiencapaciteit, is
onvoldoende aannemelijk gemaakt. Naar huidige maatschappelijke opvattingen
is het van algemene bekendheid dat het plegen van ontucht met minderjarigen
zeer waarschijnlijk sporen nalaat in de psychische ontwikkeling van de
betrokken minderjarige

Omdat het in dit geval niet verstandig is de dochter door een psycholoog
te laten onderzoeken (de dochter brengt het voorval niet meer ter sprake) komt
de rechtbank, alles tegen elkaar afwegende, naar redelijkheid en billijkheid
tot een waardering van de door de dochter geleden en nog te lijden immateriele
schade op een bedrag van ƒ 5.000,–

Er is hoger beroep ingesteld

Volledige tekst

Gezien de stukken, waaronder een authentiek afschrift van het vonnis
gewezen door deze rechtbank op 12 januari 1989

Partijen worden -verder aangeduid als X. en Z.

Het verloop van de procedure

Hier wordt verwezen naar bovengenoemd vonnis

Bij dat vonnis is de zaak naar de rol verwezen

Daarop heeft X. een akte genomen

Ten slotte heeft X. haar procesdossier aan de rechtbank overgelegd en
vonnis gevraagd

Machtiging van de kantonrechter

Ter voldoening aan genoemd tussen vonnis heeft Van Dieten bij akte de
beschikking betreffende de vereiste machtiging van de kantonrechter
overgelegd

De feiten

1. Het meisje Y. is op 8 april 1982 geboren uit de relatie van X en Z.

2. In 1983 is de relatie tussen partijen verbroken

3. X. is voogdes van Y.

4. Na het verbreken van de relatie zijn partijen een bezoekregeling
overeengekomen met betrekking tot Y.

5. In het kader van deze bezoekregeling was Y. op 3 november 1986 bij Z.

6. Op die dag heeft Z. seksuele handelingen verricht met Y.

7. Op 18 november 1986 heeft X. daarvan aangifte gedaan bij de
rijkspolitie te Elst. Het procesverbaal bevindt zich bij de stukken

8. Daarop is Z. op 27 november 1986 aangehouden als verdacht van
overtreding van de artikelen 244 en/of 249 Wetboek van Strafrecht en
vervolgens in verzekering gesteld. De processen-verbaal, het bevel tot
Ç
erzekeringstelling en het bericht van optreden als raadsman krachtens
artikel 40 Wetboek van Strafvordering bevinden zich bij de stukken

De vordering

9. X. stelt dat Z. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Y. en dat Y.
daardoor psychisch leed heeft geleden en in de toekomst ook nog zal lijden,
terwijl het zeer aannemelijk is dat er in de toekomst sprake zal zijn van
verlies aan verdiencapaciteit ten gevolge van het onrechtmatig handelen van
Z.

X. meent dat ƒ 100.000,– een redelijke genoegdoening is voor de
schade, die Y. heeft geleden en nog zal lijden

10. Na verandering van eis vordert X. daarom primair: Z. te veroordelen
om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van ƒ
100.000,–, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1
februari 1987 tot en met de dag der algehele voldoening;

Subsidiair: die beslissing te geven welke de rechtbank in goede justitie
meent te moeten nemen

Voorts vordert X. Z. te veroordelen in de kosten van deze procedure

Het verweer

11. Z. erkent seksuele handelingen te hebben gepleegd met Y. op 3
november 1986. Hij stelt zich echter op het standpunt dat zijn handelen
jegens Y. niet als een onrechtmatige daad moet worden aangemerkt

Daartoe voert hij aan dat het contact tussen hem en Y. goed was en dat
de omgangsregeling door beiden als prettig werd ervaren. Volgens hem blijkt
ook niet uit de aangifte van X. of uit de contacten die er zijn geweest met
een kinderpsycholoog dat hij lichamelijke en/of geestelijke schade heeft
toegebracht aan Y.

Subsidiair meent Z. dat het gevorderde bedrag van ƒ 100.000,– niet
kan worden toegewezen, nu niet concreet is aangegeven hoe dit schadebedrag is
opgebouwd. De materiele schade, het verlies aan verdiencapaciteit, is
volgens hem op geen enkele wijze aangetoond

De beoordeling

12. De rechtbank acht de door Z. gepleegde seksuele handelingen, waarvan
uit de overgelegde processenverbaal blijkt, wel degelijk onrechtmatig
tegenover Y.. Z. die tegenover de politie heeft verklaard: “Dat alles had
echter natuurlijk niet mogen gebeuren”, ziet dat zelf kennelijk ook wel in.
Z. is dus verplicht tot vergoeding van schade die door deze handelingen is
veroorzaakt

13. In de procedure is onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid
dat te verwachten is dat Y. materiele schade heeft geleden of zal lijden
(verdiencapaciteit). Evenmin zijn er aanwijzingen dat Y. bij wat er gebeurd
is schade (beschadiging) aan haar lichaam heeft opgelopen. Het bestaan van
materiele schade is dus onvoldoende aannemelijk geworden

14. Naar huidige maatschappelijke opvattingen is het van algemene
bekendheid dat het plegen van ontucht met minderjarigen zeer waarschijnlijk
sporen nalaat in de psychische ontwikkeling van de betrokken minderjarige

In hoeverre er sprake is van psychische schade moet in elk geval
afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij speelt een aantal faktoren een rol,
zoals de wijze waarop een en ander heeft plaatsgevonden, de leeftijd van het
kind, de (lange) duur, de eventueel zich reeds manifesterende gevolgen en
dergelijke

15. Uit de processen-verbaal blijkt niet dat het gebeurde heeft
plaatsgevonden met geweld of onder bedreiging en ook niet dat Y. het gebeurde
op zich als erg akelig heeft ervaren. X. heeft zelf verklaard dat de
verstandhouding tussen Z. en Y. bijzonder goed was

Ten tijde van het voorval was Y. viereneenhalf jaar

Niet gebleken is dat er voordien ook al sprake is geweest van dergelijke
seksuele handelingen van Z.

16. Rekening houdend met de genoemde faktoren moet worden beoordeeld in
hoeverre Y. leed heeft ondervonden dan wel in de toekomst zal ondervinden.
In dit verband wijst X. erop dat zij het niet in het belang van Y. acht dat
X. daartoe een bewijsopdracht krijgt, omdat dit een onderzoek zou betekenen
door een kinderpsycholoog. Met X. meent de rechtbank dat, nu Y. zelf het
gebeurde kennelijk niet meer ter sprake brengt, het niet verstandig is haar
wederom daarmee te confronteren, waardoor eventueel onnodig leed zou worden
aangebracht

17. Gelet op de omstandigheden waaronder de ontuchtige handelingen
hebben plaatsgevonden, de reactie van Y. daarop, de leeftijd van Y. en het
feit dat die handelingen kennelijk een, zij het verre van goed te praten, uit
de hand gelopen situatie betreffen, komt de rechtbank, alles tegen elkaar
afwegende, naar redelijkheid en billijkheid tot een waardering van de door Y.
geleden en nog te lijden immateriele schade op een bedrag van ƒ 5.000,–.
Deze schade moet door Z. worden vergoed

18. Omdat van het bedrag van de vordering van X. slechts een klein
gedeelte wordt toegewezen zullen de proceskosten als na te melden worden
gecompenseerd

De beslissing

De rechtbank,

1. veroordeelt Z. om aan X. te betalen de somma van ƒ 5000,–
(vijfduizend gulden) ter vergoeding van de schade die Y. van X. heeft geleden
en eventueel nog zal lijden ten gevolge van de ontuchtige handelingen van Z.,
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 1987 tot
en met de dag der algehele voldoening

2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten
draagt

Rechters

Mrs. E. van Rossem, M.L. Drabbe en A.D. Merlini-van Zeben

Instantie: President van de Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage, 11 mei 1989

Instantie

President van de Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Tot januari 1980 hadden gehuwde vrouwen bij arbeidsongeschiktheid geen
recht op een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW)

Per 1 januari 1980 kwamen gehuwde vrouwen hier wel voor in aanmerking,
op dezelfde voorwaarden als gehuwde mannen en alleenstaanden. Deze nieuwe
regeling gold voor gehuwde vrouwen die na 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
zijn geworden. Voor gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 al
arbeidsongeschikt waren, werd een overgangsregeling getroffen. Deze
overgangsregeling stelt als eis dat de vrouwen een recht hebben op een
AAW-uitkering, mits zij in het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid
een bepaald inkomen hebben verworven. Deze zogenaamde inkomenseis werd
alleen gesteld aan gehuwde vrouwen

In januari 1988 besliste de Centrale Raad van Beroep dat de
overgangsregeling in strijd is met het discriminatieverbod van art. 26
Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Het gevolg
hiervan was dat gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
waren geworden, allemaal in aanmerking kwamen voor AAW. De inkomenseis
mocht niet worden gesteld. De regering overwoog vervolgens het verdrag op
te zeggen, uit vrees voor de financiele consequenties van deze uitspraak.
Zover kwam het niet, maar in juni 1988 werd bij de Tweede Kamer een
wetsontwerp ingediend waarin werd bepaald dat de vrouwen die voor 1 januari
1979 arbeidsongeschikt waren geworden, alleen in aanmerking kwamen voor een
AAW-uitkering als zij de uitkering hebben aangevraagd voor de datum van de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, 5 januari 1988

Rechtenvrouw heeft zich naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale
Raad en de reactie van de regering daarop, tesamen met het Landelijke
WAO-overleg, de Stichting Landelijke Ombudsvrouw, het Breed Platform en enkele
buro’s voor rechtshulp georganiseerd in het Comite Gelijke Rechten Nu. Het
Comite vorderde in 1988 in kort geding een gebod aan de staat om bijvoorbeeld
via Postbus 51 aan arbeidsongeschikte vrouwen voorlichting te geven over hun
verkregen rechten. Deze vordering werd afgewezen omdat volgens de rechter
de staat niet verplicht was voorlichting te geven over de gevolgen van
rechterlijke uitspraken. In mei 1989 kwam het Comite opnieuw in actie toen
de Tweede Nota van Wijziging bij de Tweede Kamer werd ingediend, waarin werd
bepaald dat de AAW-uitkering moest zijn aangevraagd voor de inwerkingtreding
van de wijzigingswet. Nadat het wetsontwerp door het parlement was aanvaard
spande het Comite Gelijke Rechten Nu een tweede kort geding aan waarin uitstel
van de bekrachtiging van de reparatiewet werd gevorderd. Voordat de wet in
werking zou treden moest, volgens het Comite, eerst uitgebreide voorlichting
gegeven worden. De President van de Rechtbank wees de vordering opnieuw af
Nu het wetsvoorstel door beide kamers was aanvaard en op de dag na het
kort geding in het Staatsblad werd gepubliceerd, was ingrijpen in het
wetgevingsproces door de rechter niet op zijn plaats en had publiciteit geen
zin meer, aldus de President

Jaarverslag 1988 no. 35

Volledige tekst

1. Sociale verzekering bij arbeidsongeschiktheid van gehuwde vrouwen.
Tot 1 januari 1980 hadden gehuwde vrouwen bij arbeidsongeschiktheid geen
recht op een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)

Per 1 januari 1980 verkregen gehuwde vrouwen zo’n recht op dezelfde
voorwaarden als gehuwde mannen en alleenstaanden

2. Overgangsregeling

De nieuwe wet gold voor gehuwde vrouwen die “na” 1 januari 1979
arbeidsongeschikt zijn geworden. Voor gehuwde vrouwen die “voor” 1 januari
1979 arbeidsongeschikt zijn geworden, is een overgangsregeling getroffen.
Die overgangsregeling houdt onder meer in dat ook gehuwde vrouwen die tussen
1 oktober 1975 en 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden, recht hebben
op een AAW-uitkering, maar dan moeten ze in het jaar voorafgaande aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid een bepaald inkomen hebben verworven

Het bijzondere van de overgangsregeling is onder meer dat de
inkomens-eis alleen wordt gesteld aan gehuwde vrouwen, niet aan anderen.
(Voor een goed begrip: aan de orde is alleen de overgangsregeling. Buiten de
overgangsregeling geldt de inkomenseis voor alle AAW-uitkeringsgerechtigden
zonder onderscheid)

3. Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep

Op 5 januari 1988 heeft de Centrale Raad van Beroep in een zestal
uitspraken beslist dat de overgangsregeling in strijd is met het
discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake
Burgerlijke en Politieke Rechten. Het gevolg van deze uitspraak is dat
gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden
allemaal in aanmerking komen voor een AAW-uitkering. De inkomens-eis mag
niet worden gesteld: bovendien geldt de uitkering ook voor gehuwde vrouwen
die voor 1 oktober 1975 arbeidsongeschikt zijn geworden

Op 24 juni 1988 is bij de Tweede Kamer een wetsontwerp ingediend,
getiteld “Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van personen, wier arbeidsongeschiktheid
voor 1 januari 1979 is ingetreden”, wetsontwerp 20.610, 1987-1988

Het wetsontwerp wil de overgangsregeling aanpassen aan de uitspraak van
5 januari 1988. Aanvankelijk bepaalde het wetsontwerp dat de gehuwde
vrouwen, die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden, alleen dan
aanspraak maken op een AAW-uitkering, als ze de uitkering hebben aangevraagd
voor de datum van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, derhalve viir
5 januari 1988

Bij Tweede Nota van Wijziging, ingediend bij de Tweede Kamer op 10
februari 1989, is bepaald dat de AAW-uitkering moet zijn aangevraagd voor de
inwerkingtreding van de wijzigingswet

4. Inwerkingtreding van de nieuwe wet

In het wetsontwerp is voorzien dat de wet in werking treedt met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst

Het wetsontwerp is inmiddels door de Tweede Kamer aanvaard. De
schriftelijke behandeling door de Eerste Kamer is afgerond

5. De eisen; de argumenten van de eisende partijen; het verweer

5.1 Eiseressen vorderen allereerst dat gedaagde:

– primair: de beslissing inzake de bekrachtiging en afkondiging van de
wet,

– subsidiair: de bekendmaking in het Staatsblad,

uitstelt tot 1 november 1989

Eiseressen vorderen in de tweede plaats dat gedaagde voor 1 november
1989 door middel van een folder en een tv-spotje voorlichting geeft over
rechten van gehuwde vrouwen op een AAW-uitkering

5.2 Eiseressen stellen dat gedaagde de bevoegdheid – en een zekere
beleidsvrijheid – heeft bekrachtiging en/of bekendmaking van een reeds
aangenomen wetsontwerp (tijdelijk) uit te stellen. Volgens eiseressen
handelt gedaagde, door van die bevoegdheid geen gebruik te maken, onzorgvuldig
en in strijd met algemene rechtsbeginselen, met name in strijd met het
gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het
zorgvuldigheidsbeginsel

Daartoe voeren zij aan dat de wijziging in het wetsontwerp heeft
plaatsgevonden in een zeer laat stadium van de behandeling en dat aan die
wijziging onvoldoende bekendheid is gegeven

Eiseressen stellen dat daardoor veel vrouwen die het betreft niet tijdig
een uitkering kunnen aanvragen

Volgens eiseressen blijft daarmee discriminatie van gehuwde vrouwen in
stand en ontstaat er bovendien rechtsongelijkheid, doordat slechts goed
geinformeerde vrouwen in staat zijn tijdig een aanvraag in te dienen.
Zorgvuldigheidseisen brengen volgens eiseressen mee dat aan alle vrouwen die
het betreft een redelijke termijn wordt geboden alsnog een uitkering aan te
vragen. Eiseressen stellen voorts dat de bestaande bestuurspraktijk van
brede informatieverschaffing mee dient te brengen dat aan wetgeving als de
onderhavige, waarbij bestaande rechten vervallen, ruime bekendheid wordt
gegeven

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd

6. Beoordeling van de gevraagde voorzieningen, voorzover gericht tegen
onverwijlde bekrachtiging en bekendmaking van de wet

6.1 De Eerste Kamer heeft op 2 mei 1989 – even na de mondelinge
behandeling van dit kort geding – het wetsvoorstel aanvaard

Het wetgevingsproces verloopt verder als volgt:

– de Eerste Kamer geeft aan de Koning en aan de Tweede Kamer kennis van
de aanneming van het wetsvoorstel;

– de bekrachtiging (bij besluit van de Koning, met contraseign van de
Ministers);

– de bekendmaking (door plaatsing in het Staatsblad);

– de inwerkingtreding (in dit geval; met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst)

6.2 De eisende partijen verlangen dat de rechter in dit wetgevingsproces
ingrijpt, door te bevelen dat (primair) de bekrachtiging, of (subsidiair) de
bekendmaking, wordt uitgesteld

Zo’n maatregel past niet in ons staatsbestel. Dat geldt evenzeer voor
een daartoe strekkende eis. De primair en subsidiaire eis wordt dus
afgewezen

7. Beoordeling van de gevraagde voorlichting

Inmiddels is de wet op 3 mei 1989 in het Staatsblad geplaatst
(Staatsblad 1989 no. 126) Dat betekent (zie paragraaf 6 onder 6.1) dat de wet
in werking treedt op 4 mei 1989

Volgens de tekst van de wet, zoals die luidt sinds de Tweede Nota van
Wijziging (zie paragraaf 3) kunnen vanaf 4 mei 1989 nieuwe aanvragen niet
meer leiden tot een uitkering

Daarmee is aan de eis tot het geven van voorlichting ieder belang komen
te vervallen. Ook die eis wordt dus afgewezen

8. Beslissingen

De President, wijst de vorderingen af

Veroordeelt eiseressen in de kosten van deze procedure, tot op deze
uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op ƒ 950,–

Rechters

Mr. M.R. Wijnholt

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 10 mei 1989

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Raad van Beroep te Utrecht heeft bij uitspraak van 22 februari 1988
de beslissing genomen dat het College van Burgemeester en Wethouders van de
gemeente Utrecht ten onrechte aan mevrouw Barten een WWV-uitkering heeft
geweigerd en daarom moet zij alsnog een nadere beslissing nemen met
inachtneming van deze uitspraak. Eiser is hiertegen in beroep gegaan

Tussen partijen is niet meer in geschil dat gedaagde in ieder geval ing
aande 23 december 1984 recht heeft op uitkering ingevolge de Wet
Werkloosheidsvoorziening

De Raad kan en zal zich beperken tot de partijen thans nog verdeeld
houdende vraag of gedaagde ook reeds voor 23 december 1984, te weten ten tijde
van het intreden van haar werkloosheid op 1 augustus 1984, recht heeft op
uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening en wel op grond van het
bepaalde in artikel 26 van het op 19 december 1966 te New York gesloten BuPo-
Verdrag

De Raad van Beroep te Utrecht heeft bepaald dat artikel 26 BuPo- verdrag
zich in beginsel vanaf 11 maart 1979, toen het voor Nederland in werking trad,
leent voor rechtstreekse toepassing

De Centrale Raad is van mening dat in casu het expliciet uitsluiten van
gehuwde vrouwen, tenzij zij aan bepaalde extra vereisten voldoen die niet aan
gehuwde mannen worden gesteld, een directe discriminatie betekent op grond van
geslacht in samenhang met de (echtelijk) status

In de lijn van eerdere uitspraken van de Centrale Raad komt zij ten
aanzien van de hier in het geding zijnde bepaling tot de slotsom dat (niet
eerder dan) op 23 december 1984 het tijdstip is aangebroken, waarop aan
artikel 26 BuPo-Verdrag rechtstreekse werking niet langer kan worden ontzegd

Op uitdrukkelijk verzoek van partijen wil de Raad nog opmerken dat
gedaagde naar zijn oordeel gelet op de onder meer het systeem van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, op en na 23 december 1984 in beginsel in aanmerking
komt voor uitkering gedurende de ingevolge artikel 19 WWV voor haar geldende
maximale termijn

Volledige tekst

Rechters

Mr. M.G. de Koning als voorzitter en Mr. C.G. Kasdorp en Mr. M.I. ’tHooft als leden in tegenwoordigheid van J.F.L. Boermans als griffier

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 10 mei 1989

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


In deze uitspraak worden twee vragen beantwoord

De eerste vraag is of gedaagde reeds ingaande 27 oktober 1984, toen de
aan haar toegekende WW-uitkering expireerde, recht kon doen gelden op
uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening en wel op grond van
artikel 26 BuPo- Verdrag

De Raad overweegt dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1 (oud),
van de WWV strijdt met artikel 26 van het BuPo-Verdrag, maar is naar ’s Raads
oordeel eerst op 23 december 1984 het tijdstip aangebroken waarop aan
laatstgenoemd artikel in de sfeer van de sociale zekerheidswetgeving
rechtstreekse werking niet langer kan worden ontzegd

De tweede vraag is of gedaagde per 23 december 1984 in beginsel
aanspraak kan maken op uitkering ingevolge de WWV gedurende de voor haar
geldende maximum-periode ingevolge artikel 19 van die wet

Vrouwen hebben vanaf 23 december 1984 recht op dezelfde behandeling en
op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie
verkeren, waarbij die regeling, de WWV, zoals deze luidde zonder de vervallen
kostwinnersbepaling, het referentiekader blijft zolang aan de richtlijn geen
juiste uitvoering is gegeven

In verband met het bepaalde in artikel 13 van de WWV kan het recht op
uitkering ontstaan op een tijdstip gelegen geruime tijd na het intreden van de
werkloosheid en ook na het bereiken van de maximum-duur van de
Werkloosheidswet

De in de WWV neergelegde regeling brengt voorts mee dat een aanvraag om
uitkering tot enig later, de betrokkene meer convenierend, tijdstip kan worden
uitgesteld

In de zaak Dik vergelijkt het Europese Hof de gehuwde vrouw met een man
die voor 23 december 1984 zijn betrekking alsmede zijn recht op WW-uitkering
heeft verloren en voor 23 december 1984 niet in het genot was van een
WWV-uitkering maar daar na die datum wel voor in aanmerking kwam

Een vrouw die zich in een zelfde situatie als die man bevindt heeft
volgens het Hof ingaande 23 december 1984 op dezelfde voet als die man recht
op WWV-uitkering

De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde ingaande 23 december 1984
gedurende de voor haar geldende maximale termijn van twee jaar recht kon doen
gelden op uitkering ingevolge de WWV, indien en voorzover de bepalingen van de
WWV zich daar overigens niet tegen verzetten

Volledige tekst

Rechters

Mr. M.G. de Koning als voorzitter en Mr. C.G. Kasdorp en Mr. M.I. ’tHooft als leden in tegenwoordigheid van J.F.L. Boermans als griffier

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 10 mei 1989

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde heeft op 13 januari 1987 een verzoek ingediend om alsnog in
aanmerking te komen voor uitkering krachtens de Wet Werkloosheidsvoorziening
en dit verzoek is afgewezen.

De eerste rechter is bij de aangevallen, door hem uitvoerig gemotiveerde
uitspraak tot de slotsom gekomen

– dat de in artikel II, voornoemd, neergelegde overgangsbepaling
strijdig is met richtlijn 79/7 EEG en derhalve ten aanzien van gedaagde buiten
toepassing moet blijven,

– dat hij anders dan de staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in diens circulaire van 5 mei 1988 als zijn opvatting te
kennen geeft, gelet op het systeem van de WWV tot geen andere conclusie heeft
kunnen komen dat dat bij de vaststelling van de periode waarover de gehuwde
vrouw vanaf 23 december 1984 maximaal aanspraak heeft op uitkering, een
uitkering waarop zij ongeacht de datum waarop haar werkloosheid is ingetreden
aanspraak heeft, niet (mede) in aanmerking genomen kan worden de periode
liggend tussen de eerste werkloosheidsdag en 23 december 1984, aangezien in
deze periode nu eenmaal geen uitkering is genoten. Zulks zou immers leiden
tot een ongeoorloofd discriminatoir rechtsgevolg

De Centrale Raad volgt in deze de Raad van Beroep te Arnhem. Gedaagde
heeft vanaf 23 december 1984 recht op een WWV-uitkering gedurende de maximale
termijn.

Volledige tekst

Rechters

Mr. M.G. de Koning als voorzitter en Mr. C.G. Kasdorp en Mr. M.I. ’tHooft als leden in tegenwoordigheid van J.F.L. Boermans als griffier

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 10 mei 1989

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Eiseres is op 2 november 1981 werkloos geworden. Op 5 mei 1982
verzoekt zij om een WWV uitkering, die haar wordt geweigerd omdat zij geen
kostwinster is. Tegen deze beslissing stelt eiseres beroep in. De Raad
van Beroep verklaart dit beroep ongegrond. Centraal staat de vraag of
eiseres met ingang van 1 mei 1982 recht heeft op een WWV-uitkering. Deze
vraag beantwoordt de Centrale Raad van Beroep ontkennend. Zij volgt de Raad
van Beroep

De (Centrale) Raad merkt op dat eiseres zich tot gedaagde kan wenden met
het verzoek per 23 december 1984 in aanmerking te worden gebracht voor een
WWV-uitkering

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen een zijnerzijds genomen
eerdere beslissing heeft gedaagde onder dagtekening 28 september 1982 aan
eiseres mededeling gedaan van de beslissing, die in afschrift aan deze
uitspraak is gehecht en waarvan de inhoud geacht wordt hier te zijn
weergegeven

De raad van Beroep te ‘s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 14
september 1983 het tegen laatstvermelde beslissing ingestelde beroep
ongegrond verklaard

Eiseres is bij gemachtigde Mr. A. Lenting, advocaat en procureur te
Utrecht, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend
beroepschrift -met bijlagen- zijn de gronden uiteengezet waarop het hoger
beroep berust

Het geding is achtereenvolgens behandeld ter terechtzitting van de Raad
van 9 januari 1985 respectievelijk 12 april 1989, waar eiseres is verschenen
bij gemachtigde Mr. Lenting, voornoemd en waar gedaagde zich niet heeft doen
vertegewoordigen

II. MOTIVERING

Ter zake van de op 2 november 1981 ingetreden werkloosheid heeft eiseres
op 5 mei 1982 verzocht om uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening
in aansluiting op de door haar, eiseres, tot en met 30 april 1982 ontvangen
uitkering krachtens de Werkloosheidswet

Bij de in geding zijnde beslissingen heeft gedaagde dat verzoek
afgewezen omdat eiseres ten tijde van het intreden van haar werkloosheid niet
voldeed aan het destijds ingevolge artikel 13, lid 1 onder 1, van de Wet
Werkloosheidswet geldende kostwinnersvereiste

De eerste rechter heeft het tegen de bestreden beslissing ingestelde
beroep ongegrond verklaard, van oordeel zijnde dat eiseres niet voldoet aan
genoemd kostwinnersvereiste alsmede dat het vanwege eiseres gedane beroep op
bepalingen van internationaal en supranationaal recht eiseres in elk geval
ten tijde voor dit geding van belang niet kan baten

Bij aanvullend beroepschrift, zoals gepreciseerd ter terechtzitting van
12 april 1989, is vanwege eiseres met een beroep op respectievelijk artikel
14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154, (hierna: E.C.) in samenhang met
artikel 1, lid 1, van Protocol nr. 1 bij de E.C., en met name op artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(hierna: IVBPR) primair geconcludeerd dat eiseres met ingang van 1 mei 1982
recht heeft op een WWV-uitkering (voor de destijds geldende maximale
uitkeringsduur van 2 jaar)

Nu uit de voorbereiding en de inhoud van de bestreden beslissing
ondubbelzinnig blijkt, dat die beslissing geen betrekking heeft op eiseresses
eventuele ingaande 23 december 1984 aan de Wet Werkloosheidsvoorziening te
ontlenen aanspraken, ziet de Raad zich in dit geding uitsluitend gesteld voor
de vraag, of gedaagde terecht eiseresses aanvraag d.d. 5 mei 1982 om ingaande
1 mei 1982 uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening te ontvangen,
heeft afgewezen

Met de eerste rechter beantwoordt de Raad die vraag bevestigend

Overwegingen van eenzelfde inhoud als ten grondslag liggen aan ’s Raads
uitspraak van heden, nr. WWV 1988/63 -met name wat betreft de werking van
artikel 26 IVBPR in de sfeer van het sociale zekerheidsrecht- respectievelijk
aan ’s Raads uitspraak d.d. 1 november 1983, nr. WWV 1981/201, gepubliceerd
in JWWV/WSW 1984 nr. 13 -wat betreft artikel 14 E.C. in verband met artikel 1,
lid 1, van Protocol nr. 1 bij de E.C.- voeren de Raad tot dit oordeel

Hetgeen vanwege eiseres in eerste aanleg en in hoger beroep is
aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen

Met het oog op de vanwege eiseres ter terechtzitting van 12 april 1989
te subsidiair geponeerde conclusie merkt de Raad -ten overvloede- op dat het
eiseres uiteraard vrij staat zich opnieuw tot gedaagde te wenden met het
verzoek alsnog ingaande 23 december 1984, overeenkomstig genoemde conclusie,
in aanmerking te worden gebracht voor uitkering krachtens de Wet
Werkloosheidsvoorziening

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat beslist moet worden als volgt

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep, Recht doende in naam der Koningin!
Verklaart het hoger beroep ongegrond

Rechters

Mr. M.G. de Koning als voorzitter en Mr. C.G. Kasdorp en Mr. M.F. ’tHooft als leden, in tegenwoordigheid van J.F.L. Boermans als griffier

Instantie: Arrondissementsrechtbank Amsterdam, 3 mei 1989

Instantie

Arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


B. is door deze rechtbank veroordeeld ter zake van het meermalen plegen
van ontucht met de aan zijn zorg toevertrouwde A. in de periode van januari
1981 tot en met december 1984

Eisers vorderen veroordeling van B. tot betaling van een bedrag van ƒ
25.000,– (vijfentwintigduizend gulden) als immateriele schadevergoeding voor
de door B. gepleegde onrechtmatige daden

De rechtbank overweegt dat het plegen van ontucht met een meisje van
negen jaar, naar algemeen bekend is, psychisch leed voor de betrokkene met
zich meebrengt, waarbij niet relevant is of bedoeld leed door de daad zelf is
veroorzaakt, dan wel (mede) door de reacties daarop van de directe omgeving
van de betrokkene

Gelet op de rapportage van het RIAGG is het vermoeden gerechtvaardigd
dat A. lijdt of heeft geleden aan de gestelde psychische problemen en dat deze
zijn veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen van B

De rechtbank concludeert dat er sprake is van een zodanig ernstige
aantasting in haar persoon dat A. in redelijkheid aanspraak kan maken op
vergoeding van immateriele schade

B. beroept zich op zijn beperkte financiele draagkracht. B. wordt in
de gelegenheid gesteld bij akte bewijsstukken hieromtrent in het geding te
brengen. Daarom wordt de zaak naar de rol van de tweede kamer van 31 mei
1989 verwezen

Volledige tekst

Rechters

Mrs. G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, A.C. Monster en P. Rodenburg

Instantie: Raad van State, 25 april 1989

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Toepassing van artikel 107 (schorsing/voorlopige voorziening) wordt
verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 10 augustus 1988,
waarbij op het verzoek van verzoekers om een machtiging tot voorlopig verblijf
afwijzend is beslist. (25 april 1989 openbare behandeling)

Verzoek om gezinshereniging van de twee kinderen (respectievelijk negen
tien en zeventien jaar) van Ahmed Esserouali, geboren uit zijn eerste
huwelijk. Later is hij met zijn tweede echtgenote Z. Atouani getrouwd.
Aan haar is op 31 augustus 1984 verblijf hier te lande toegestaan in het kader
van gezinshereniging. Hierbij is niet van belang of de moeder van de twee
kinderen in 1987 overleden is

Naar het oordeel van de Raad komen de twee kinderen niet voor
gezinshereniging in aanmerking omdat zij nimmer feitelijk tot het gezin hebben
behoord dat verzoeker hier te lande met zijn tweede echtgenote heeft gevormd
Hieraan doet niet af dat verzoeker zijn kinderen vanuit Nederland
financieel heeft ondersteund en voor hen kinderbijslag ontving

Verder ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat sprake is van
klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder de
gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf had behoren te verlenen. Gelet
op hun leeftijd mag worden verwacht dat de kinderen zich in maatschappelijk
opzicht kunnen staande houden. En de grootouders waar zij verblijven kunnen
de nodige steun verlenen

Het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van
State komt niet voor inwilliging in aanmerking

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Raad van Beroep Amsterdam, 20 april 1989

Instantie

Raad van Beroep Amsterdam

Samenvatting


Klaagster verzoekt om een WW-uitkering. Zij heeft van 3 mei 1986 tot
23 oktober 1986 als stewardess bij Transavia gewerkt. Met ingang van 24
oktober 1986 wordt haar een WW- uitkering toegekend, waarbij haar dagloon
wordt bepaald op ƒ 110,95 (later verhoogd tot ƒ 112,68 in verband met vier
ziektedagen van klaagster in haar refertejaar en tot ƒ 119,70)

Klaagster meent dat zij onterecht als seizoenwerkneemster wordt
aangemerkt en dat ook nog rekening gehouden moet worden met de 21 cursusdagen
Klaagster zou de cursus hebben gevolgd omdat zij als stewardess werk
probeerde te krijgen en dat zij dat doel alleen kon bereiken door het volgen
van de cursus, op een moment dat zij toch werkloos was. Klaagster zou de
cursus derhalve hebben gevolgd op dagen die zij buiten haar wil niet werkte

De Raad is van mening dat verweerder het dagloon op onjuiste wijze heeft
berekent nu zij voor stewardessen van de hoofdregel van artikel 12
Dagloonregelen afwijkt. Werknemers worden eerst als seizoenwerker
aangemerkt nadat ze in de drie jaren voorafgaande aan de werkloosheid
uitsluitend of vrijwel uitsluitend seizoenwerk hebben verricht, maar
stewardessen vallen al na een seizoen onder de werking van artikel 12 lid 2
van die dagloonregelen

De Raad is van oordeel, dat verweerders beleid de (marginale) toetsing
aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kan doorstaan,
aangezien slechts voor stewardessen een ongunstige uitzondering op de
hoofdregel van het beleid wordt gemaakt, en het overige -mannelijke-
cabinepersoneel onder de gunstiger hoofdregel van het beleid valt

Vastgesteld moet immers worden, dat een dergelijke ongelijke behandeling
van mannen en vrouwen verboden is ingevolge de derde EEG-richtlijn (Richtlijn
nr. 79/7 van 19 december 1978)

Een beslissing genomen onder toepassing van dit discriminerende beleid
kan derhalve niet in stand worden gelaten

Met betrekking tot de 21 cursusdagen is de Raad met verweerder van
oordeel, dat deze dagen niet kunnen worden aangemerkt als dagen waarop
klaagster niet heeft gewerkt tengevolge van omstandigheden gelegen buiten haar
wil. Klaagster heeft uit vrije wil voor het beroep stewardess gekozen.
Zij heeft derhalve ook uit vrije wil de voor het uitoefenen van die functie
benodigde cursus gevolgd

De bestreden beslissing wordt vernietigd en verweerder moet een nieuwe
beslissing nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen

Volledige tekst

Rechters

Mr. C.W. Rang, als voorzitter, mr. Th.F. Crijns en A.J.F. Vermeulen,leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Hubbeling, als griffier

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 17 april 1989

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Twee lesbische vrouwen krijgen een kind dat met behulp van het zaad van
een donor bij een van hen wordt verwekt. In het belang van het kind hebben
de vrouwen voor een bekende donor gekozen, met wie zij vriendschappelijke
betrekkingen onderhouden. Het is de donor duidelijk dat de twee vrouwen
zelf als ouders willen fungeren. Nadat hij het kind tot acht maanden na de
geboorte op vriendschappelijke basis heeft bezocht, claimt hij een
omgangsrecht. Het is echter nooit de bedoeling van de twee lesbische ouders
geweest dat de omgang van de man met het kind juridisch afdwingbaar zou
worden. Zij vragen in hun verweer tegen de man steun van Rechtenvrouw

BESLISSING RECHTENVROUW: homoseksueel ouderschap wordt onmogelijk
gemaakt wanneer een spermadonor met behulp van het recht in het gezinsleven
van de ouders kan binnendringen. Bovendien gaat het veel te ver dat een
afstammingsbetrekking automatisch tot een juridische gezinsbetrekking zou
leiden, zoals de Hoge Raad in 1985 bepaalde. Gezien de belangen van het
homoseksueel ouderschap enerzijds en de onduidelijke juridische normen
anderzijds is het van belang dat er over deze kwestie wordt geprocedeerd

In november 1988 verklaarde de kinderrechter bij tussen vonnis de man
ontvankelijk in zijn omgangsverzoek. In december 1988 wees zij een
omgangsrecht af, omdat een dergelijk recht niet in het belang van het kind kon
zijn nu tussen de man en de ouders zo’n gespannen situatie bestond. Van het
tussenvonnis is hoger beroep aangetekend

april 1989: Hof verklaart man niet-ontvankelijk. Dit heeft tot gevolg
dat ook het vonnis van de Rechtbank uit december 1988 wordt vernietigd.
Januari 1990: de Hoge Raad heeft de beslissing van het Hof bevestigd; de donor
wordt niet ontvankelijk verklaard. Om van een gezinsleven te kunnen spreken
tussen een kind en de man die niet met de moeder is gehuwd, is het enkele feit
van biologisch vaderschap onvoldoende. Er moet mede sprake zijn van
bijkomende omstandigheden. Het bestaan van een gezinsleven is voorwaarde
voor de ontvankelijkheid van een verzoek om een omgangsregeling

Jaarverslag 1988 no. 30

Volledige tekst

Gelet op de terechtzitting in hoger beroep bevolen voeging van voormelde
zaken

1. Het geding in hoger beroep

In de zaken onder rekestnummers 776/88 rn 6/89

De verzoekende partijen, de verzorgende ouders, zijn in de zaak onder
rekestnummer 776/88 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de
kinderrechter in de arrondissementsrechtbank van Utrecht van 8 november 1988
waarbij – voorzover thans van belang – de verwerende partij, de man,
ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek, strekkende tot vaststelling van een
omgangsregeling tussen hem en het uit de verzoekende partij 1, de moeder,
geboren kind R.M.T. (roepnaam: R.), met bepaling dat de behandeling op 1
december 1988 zal worden voortgezet

Bij hun appelrekest hebben de verzorgende ouders het hof verzocht de
beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man
alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek, althans dat
verzoek niet toe te wijzen, kosten rechtens

Voorts zijn de verzorgende ouders in de zaak onder rekestnummer 6/89 in
hoger beroep gekomen van een beschikking van diezelfde kinderrechter van 14
december 1988 – met name tegen een aantal overwegingen in die beschikking –
waarbij is afgewezen het verzoek van de man strekkende tot het vaststellen
van een omgangsregeling tussen hem en R. Bij dat hoger beroep hebben de
verzorgende ouders tevens voorwaardelijk appel tegen voormelde beschikking
van 8 november 1988 ingesteld

Bij hun appelrekest hebben de verzorgende ouders het hof verzocht beide
voormelde bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de
man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidende verzoek, althans
dat verzoek af te wijzen met verbetering van gronden, kosten rechtens

In de zaak onder rekestnummer 7/89

De man is eveneens in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van
14 december 1988

Bij zijn appelrekest heeft de man het hof verzocht die beschikking te
vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair, te bepalen dat hij een weekend
per maand van zaterdagochtend tot zondagavond omgang mag hebben met R.,
althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als het hof juist acht
en, subsidiair, een multidisciplinair onderzoek te gelasten naar de
mogelijkheden tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en R.,
kosten rechtens

Vervolgens zijn voormelde zaken mondeling behandeld ter terechtzitting
van het hof

2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verzorgende ouders in
de zaak onder rekestnummer 776/88

Namens de man heeft zijn raadsvrouw gesteld dat de verzorgende ouders in
hun hoger beroep onder rekestnummer 776/88 tegen de beschikking van genoemde
kinderrechter van 8 november 1988 niet-ontvankelijk dienen te worden
verklaard, nu die beschikking, aldus de man, een tussenbeschikking betreft en
ingevolge het bepaalde bij artikel 429n, derde lid, Rv afzonderlijk hoger
beroep daarvan niet is toegelaten

Het hof gaat aan dit betoog van de man voorbij, nu de verzorgende ouders
in hun tijdig ingediende hoger beroep tegen de eindbeschikking van de
kinderrechter van 14 december 1988 eveneens voorwaardelijk hoger beroep
hebben ingesteld tegen voormelde beschikking van 8 november 1988, zodat de
man geen belang heeft bij een dergelijke door hem verzochte
niet-ontvankelijkverklaring, nog daargelaten de vraag of, zoals de man stelt,
de beschikking van 8 november 1988 is te beschouwen als een tussenbeschikking
in de zin van artikel 429n, derde lid, Rv

De ontvankelijkheid van het hoger beroep van partijen in de zaken onder
rekestnummers 6/89 en 7/89

De raadsman van de verzorgende ouders heeft gesteld dat door het
instellen van hoger beroep tegen de niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde
beschikking van 8 november 1988, ingevolge artikel 429p, eerste lid, Rv, de
werking van die beschikking is opgeschort. Gelet op die bepaling had de
kinderrechter het in die beschikking voorgenomen onderzoek volgens de raadsman
dan ook moeten opschorten, zulks in afwachting van de beslissing van het hof
op het beroep tegen die beschikking. Beide beroepen tegen de eindbeschikking
van 14 december 1988 zijn dan ook niet-ontvankelijk, aldus de raadsman

Wat er ook zij van de stelling dat de kinderrechter geen eindbeschikking
had mogen geven zolang het hof geen beslissing op het beroep op de
tussenbeschikking had gegeven, is het hof nog van oordeel dat, nu die
eindbeschikking eenmaal is gegeven partijen tegen die eindbeschikking dienden
te appelleren teneinde de rechtsgevolgen daarvan eventueel ongedaan te maken.
Voor de conclusie als zouden partijen niet-ontvankelijk moeten worden
verklaard in hun hoger beroep tegen genoemde eindbeschikking is geen steun te
vinden in het recht

3. De feiten en omstandigheden

Bij de mondelinge behandeling en uit de stukken is onder meer het
volgende gebleken

In de nazomer van 1985 raakten de man en zijn toenmalige echtgenote
bevriend met de verzorgende ouders, welke ouders met elkaar een lesbische
relatie hebben

Nadat de verzorgende ouders te kennen hadden gegeven graag een kind te
willen is in overleg met de man besloten dat laatsgenoemde sperma ter
beschikking zou stellen

In november 1986 vond kunstmatige inseminatie van de moeder met sperma
van de man plaats. Vervolgens is op 30 juli 1987 R.M.T. (roepnaam: R.)
geboren

Bij beschikking van de Kantonrechter te Utrecht van 27 augustus 1987 is
de verzoekende partij 2. benoemd tot toeziend voogdes over R.; de moeder is
van rechtswege voogdes

De man is vanaf de geboorte diverse keren als oppas van R. opgetreden en
legde ook overigens regelmatig bezoeken af aan de verzorgende ouders en R

De verzorgende ouders en de man hebben hun contacten medio april 1988
verbroken. De verzorgende ouders hebben sedertdien geweigerd feitelijk
contact tussen de man en R. toe te staan

De man heeft vervolgens op 30 juni 1988 de kinderrechter te Utrecht
verzocht – kort gezegd – om een omgangsregeling tussen hem en R. vast te
stellen

Hierop zijn de beschikkingen waarvan beroep gegeven

De man is geboren op 12 augustus 1949

Hij heeft allereerst gesteld dat de kinderrechter hem terecht
ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot het treffen van een
omgangsregeling tussen hem en R., nu vaststaat dat R. met zijn sperma is
verwekt en hij derhalve de biologische vader van R. is. De man heeft daarbij
opgemerkt dat blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de
ontvankelijkheid van een dergelijk verzoek reeds is gegeven met het
biologische vaderschap

Met betrekking tot de vraag of in concreto een omgangsregeling tussen
hem en R. dient te worden opgelegd, heeft de man gesteld dat hij reeds voor
de verwekking van R. afspraken heeft gemaakt met de verzorgende ouders met
betrekking tot een omgangsregeling

Afgesproken werd, aldus de man, dat hij het kind een weekend per maand
bij zich mocht hebben. De moeder heeft destijds uitdrukkelijk en
herhaaldelijk benadrukt dat zij het in het belang van het kind achtte om
contacten met de biologische vader te onderhouden, aldus de man. Deze
afspraken zijn, naar hij stelt, voor hem van doorslaggevende betekenis geweest
om zijn medewerking aan de verwekking van R. te geven. Het was zijn
bedoeling om aan het donorschap “inhoud” te geven

Na de geboorte van R. heeft hij enkele geboortekaartjes, waarop ook zijn
naam stond gedrukt, aan familie en kennissen gestuurd

Hij ontmoette R. aanvankelijk gedurende een periode van ongeveer acht
maanden iedere maandagmiddag ten huize van de verzorgende ouders. Bovendien
waren er diverse andere contacten, waarbij R. en zijn uit het huwelijk met
zijn voormalige echtgenote op 20 februari 1980 geboren dochter Z., waren
betrokken, aldus de man. Z. beschouwde R., naar de man stelt, als een
halfzusje. De man stelt dat door genoemde contacten gedurende die periode
tussen hem en R. een emotionele band is ontstaan

Volgens hem heeft de kinderrechter dan ook terecht geoordeeld dat er
sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM)

De man stelt dat in een geval als het onderhavige als uitgangspunt
behoort te gelden dat een omgangsregeling in het belang van het kind is,
terwijl volgens hem niet is gebleken dat een omgangsregeling tussen hem en R.
niet in het belang van laatstgenoemde is. Met name is niet gebleken, aldus
de man, dat een omgangsregeling nadeel zou opleveren voor de lichamelijke of
geestelijke gezondheidstoestand van R

De omstandigheid dat de verzorgende ouders op geen enkele wijze willen
meewerken aan enige vorm van omgang, is op zichzelf geen reden om een daartoe
strekkend verzoek af te wijzen, aldus de man. Het is volgens hem
onaanvaardbaar dat een kind bij voorbaat een vader wordt onthouden. De
kinderrechter had zijn verzoek dan ook niet zonder meer mogen afwijzen; een
proefomgangsregeling of een deskundigenonderzoek had veeleer voor de hand
gelegen, aldus de man

De moeder is geboren op 9 december 1955

Zij heeft allereerst gesteld dat de man in zijn inleidend verzoek tot
het treffen van een omgangsregeling met R. ten onrechte ontvankelijk is
verklaard. Weliswaar heeft de man het sperma geleverd waarmee R. is verwekt,
doch die enkele omstandigheid maakt de man nog niet tot biologische vader op
grond waarvan gezegd zou kunnen worden dat daarmee de ontvankelijkheid van
zijn verzoek is gegeven, aldus de moeder. Daarvoor is tevens een sociale
component vereist, te weten sociaal ouderschap, althans de intentie daartoe,
aldus de moeder. Die component ontbreekt in het onderhavige geval, aldus de
moeder. Zij heeft in dit verband onder meer gewezen op de omstandigheid dat
zij geen intieme relatie met de man heeft gehad

De verzorgende ouders stellen voor een bekende donor te hebben gekozen,
omdat zij op die manier buiten het “medische circuit” wilden blijven. Voorts
achtten zij het voor het kind van belang dat deze te weten kon komen wie zijn
of haar genetische ouder is. Een andere bekende donor dan de man had volgens
hen evenzeer in aanmerking kunnen komen

Het leveren van erfelijk materiaal, zonder relatie tussen haar en de
donor, kan niet tot de conclusie leiden dat de donor gezinsleven met het kind
heeft, aldus de moeder. De overige omstandigheden van het geval kunnen dat
volgens haar evenmin

Zij heeft gesteld dat op de meeste geboortekaartjes de naam van de man
niet stond vermeld. Voorts heeft zij de opvatting van de man bestreden als
zouden tussen haar en haar vriendin enerzijds en de man anderzijds reeds voor
de inseminatie afspraken zijn gemaakt over een omgangsregeling

De man behoorde tot hun kennissenkring en mitsdien kwam hij zowel voor
als na de geboorte van R. regelmatig op bezoek, aldus de moeder

Zij heeft gesteld dat de man slechts zeer summiere contacten met R.
heeft gehad. Het feitelijk contact tussen hem en R. kan worden gesteld op 15
uur oppassen en 30 uur bezoek, aldus de moeder. Andere goede kennissen
hebben evenveel of meer contact met R. gehad, zodat, volgens de moeder, van
een bijzondere bezoeksregeling, als door de man gesteld, geen sprake is
geweest. Er is dan ook volgens de moeder geen bijzondere band tussen de man
en R. ontstaan. Volgens haar kan dan ook niet gezegd worden dat de
betrekking van de man tot het kind kan worden aangemerkt als gezinsleven als
bedoeld in artikel 8 van het EVRM

Subsidiair heeft de moeder gesteld dat de kinderrechter terecht heeft
geoordeeld dat het persoonlijk conflict tussen partijen een zodanige vorm
heeft aangenomen, dat een omgangsregeling tussen de man en R. tegen de wens
van de verzorgende ouders niet in het belang van R. is. Het verzoek van de
man tot vaststelling van een omgangsregeling is dan ook terecht afgewezen,
aldus de moeder

4. Beoordeling van het hoger beroep

Bij beschikking van 8 november 1988 heeft de kinderrechter ten aanzien
van de ontvankelijkheid van het inleidend verzoek van de man zijn stelling
verworpen als zou hij als donor van het zaad waarmee het kind is verwekt, de
biologische vader van het kind zijn en reeds daarom een als gezinsleven aan
te merken betrekking met dat kind hebben. De kinderrechter heeft geoordeeld
dat door donorschap geen gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
EVRM ontstaat

Voorts heeft de man aan zijn inleidend verzoek ten grondslag gelegd de
afspraken die tussen partijen zouden zijn gemaakt over de omgang tussen hem
en het te verwekken kind. Met betrekking tot die stelling heeft de
kinderrechter geoordeeld dat die eventuele afspraken niet ter zake doen, daar
het in ons rechtssysteem niet past bij overeenkomst te beschikken over
bevoegdheden en verplichtingen de persoonlijke levenssfeer en familiebanden
betreffende. Dergelijke overeenkomsten over een kind zijn, zo oordeelde de
kinderrechter, nietig

Ook donorschap in combinatie met gemaakte afspraken c.q. gesloten
overeenkomsten over een uit donorschap geboren kind leidt, zo heeft de
kinderrechter beslist, niet tot ontvankelijkheid van een verzoek tot het
treffen van een omgangsregeling regeling

Nu de verzorgende ouders de in die overwegingen gegeven oordelen in
hoger beroep niet hebben bestreden en de man noch tegen die beschikking heeft
geappelleerd noch in zijn appelschrift in de zaak 7/89 zich tegen de
juistheid van die oordelen heeft verzet, staan die oordelen ten processe vast
en zal het hof bij de verdere beoordeling in hoger beroep daarvan uitgaan

Weliswaar heeft de man bij de mondelinge behandeling van genoemde zaken
alsnog die oordelen bestreden doch zulks kon in het licht van het voorgaande
als toen niet voor het eerst geschieden. Het hof gaat daaraan dan ook
voorbij

Vervolgens is de vraag aan de orde of de man op grond van zijn
feitelijke contacten met R. al dan niet in combinatie met zijn donorschap, in
zijn inleidend verzoek strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling,
had dienen te worden ontvangen

Naar het oordeel van het hof is zulks slechts het geval, indien de man
in zijn verzoekschrift voldoende concrete omstandigheden stelt voor het
tussen hem en R. bestaan van gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste
lid, EVRM (vertaling van: vie familiale/family life). Daarbij komt het aan
op de vraag of uit de gestelde feiten voortvloeit dat tussen de man en R. een
zo nauwe persoonlijke betrekking bestaat dat voor een onderzoek naar de
eventuele gerechtvaardigheid van een omgangsregeling plaats is

Op grond van alle gestelde feiten en omstandigheden in onderling verband
en samenhang bezien is het hof – anders dan de kinderrechter – van oordeel
dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het hof heeft daarbij met
name overwogen dat de door de man gestelde, en door de verzorgende ouders ten
dele betwiste, feitelijke contacten tussen hem en R. een dermate summier
karakter hebben gehad, dat op grond van die contacten – ook in combinatie
bezien met zijn donorschap – niet gezegd kan worden dat de man in een zo
nauwe persoonlijke betrekking staat of heeft gestaan dat hij gezinsleven met
R. in de zin van voormeld artikel 8 EVRM heeft gehad, hoezeer de man zulks
wellicht gevoelsmatig anders beleeft

Op grond van het vorenstaand is het hof dan ook van oordeel dat de man
in zijn inleidend verzoek ten onrechte is ontvangen

Derhalve zal het hof de beschikking van 8 november 1988 vernietigen en
de man in zijn inleidend verzoek alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Zulks
leidt ook tot vernietiging van de eindbeschikking van 14 december 1988.
Beoordeling van de ingestelde beroepen tegen die beschikking, waarbij
centraal stond de vraag of een omgangsregeling tussen de man en R. in het
belang van laatstgenoemde is, kan mitsdien achterwege blijven

Op grond van al het vorenstaande zal als volgt worden beslist

5. Beslissing

Het hof:

in de zaak onder rekestnummer 776/88:

– vernietigt de beschikking van de kinderrechter van 8 november 1988,
voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en verklaart de man alsnog
niet-ontvankelijk in zijn inleidend verzoek

in de zaak onder rekestnummers 6/89 en 7/89:

– vernietigt de beschikking van de kinderrechter van 14 december 1988.

in beide appellen:

– compenseert de kosten van het geding in beide instanties tussen
partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt

Rechters

Mrs. van Gijn, Swens en Willems-Morsink