Instantie: Raad van Beroep Rotterdam, 17 april 1989

Instantie

Raad van Beroep Rotterdam

Samenvatting


Gelijkstelling ongehuwd en gehuwd samenwonenden. AWW- uitkering komt
toe aan de weduwe die wel gehuwd was met haar overleden partner, mar aan wie
de AWW-uitkering is geweigerd omdat de echtgenoot op het moment van de
huwelijkssluiting ouder was dan 65 jaar en het huwelijk niet vijf jaar heeft
geduurd

Voorafgaand aan het huwelijk is gedurende jaren sprake geweest van een
duurzaam gezamenlijke huishouding. In zijn motivering verwijst de Raad
onder meer naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van Beroep van 7
december 1988 (Rechtspraak Nemesis 1989 nr. 29), waarin ook ten aanzien van de
AWW betekenis aan art. 26 BuPo-verdrag werd teogekend, zodat op die grond aan
een man een AWW-uitkering werd toegekend

De Raad van Beroep Rotterdam komt tot eht oordeel dat onder ‘huwelijk’
in de zin van de AAW ook ‘duurzaam samenwonen’ moet worden verstaan, waarbij
het duurzame karakter in casu aanwezig werd geacht. De Sociale
Verzekeringsbank heeft tegen de uitspraak hoger beroep aangetekend, maar heeft
de termijn laten verstrijken

Vergelijk uitspraken Raad van Beroep Haarlem (Rechtspraak Nemesis 1989
nr. 47) en Raad van Beroep Amsterdam (Rechtspraak Nemesis 1989 nr. 69 met
noot)

Volledige tekst

1. Dagtekening der uitspraak

17 april 1989

2. Aanduiding bestreden beslissing

De beslissing van verweerder d.d. 24 juni 1988

Nr.: Rt 222630/6, PU/Sectie I/T

3. Feiten welke de Raad als vaststaand aanneemt

De Raad gaat uit van de feiten zoals de Voorzitter van de Raad deze in
rubriek 2 van zijn inmiddels vervallen beschikking van 2 november 1988 heeft
vermeld. Daarbij zijn aangetekend dat er in de tweede alinea in plaats van
“20 jaar” gelezen moet worden “12 jaar. “

4. De bewijsmiddelen

De gedingstukken waaronder met name enkele afschriften van de gezam
enlijke girorekening van klaagster en de heer H. d.d. 2 januari 1978 en 27
juli 1978, polisblad levensverzekering d.d. 11 januari 1979, huurovereenkomst
d.d. 21 juni 1978 en uittreksels uit het bevolkingsregister alsmede het
verhandelde ter openbare terechtzitting van heden

Gronden

Nu de Raad geen termen aanwezig heeft geacht het namens klaagster tegen
de beschikking van de Voorzitter d.d. 2 november 1988 gedane verzet
niet-ontvankelijk te verklaren, is die beschikking overeenkomstig de
desbetreffende bepalingen van de Beroepswet vervallen en is de gewone
behandeling van het geding hervat

In dit geding is aan de orde of gelet op hetgeen is aangevoerd de
bestreden beslissing waarbij verweerder heeft geweigerd klaagster een
uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) toe te kennen, in
stand kan blijven en met name of het bepaalde in art. 14 van de AWW buiten
toepassing dient te worden gelaten vanwege strijd met het bepaalde in art. 26
van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New
York 11 maart 1979, verder te noemen het BuPo- Verdrag

In artikel 8 lid 1 sub c van de AWW is bepaald:

1. De weduwe van een verzekerde heeft, zolang zij de leeftijd van 65
jaar nog niet heeft bereikt, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht
op weduwenpensioen:

c. indien zij 40 jaar of ouder is op de laatste dag van de maand, waarin
haar echtgenoot is overleden;

In art. 14, lid 1, sub c en lid 3 van de AWW is bepaald:

‘1. Geen recht op weduwenpensioen, noch op tijdelijke weduwenuitkering
heeft de weduwe:

c. wier echtgenoot op de dag van de huwelijkssluiting de leeftijd van 65
jaar had bereikt of overschreden, tenzij de weduwe met deze echtgenoot,
voordat hij de leeftijd van 65 jaar had bereikt, reeds eerder gehuwd is
geweest

3. Het bepaalde in het eerste lid, onder c, blijft voorts buiten
toepassing indien:

a. het huwelijk tenminste vijf jaar heeft voortgeduurd, of

b. uit het huwelijk een of meer kinderen zijn geboren

Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige zinsnede wordt een
kind, waarvan de weduwe op de dag van het overlijden van haar echtgenoot
zwanger is, als op die dag reeds geboren aangemerkt. ‘

Klaagsters echtgenoot had op de dag van de huwelijkssluiting de lee
ftijd van 72 jaar en klaagster was nooit eerder met deze man gehuwd geweest

Het huwelijk, dat gesloten is op 12 maart 1986, heeft geen vijf jaar
geduurd; evenmin zijn er kinderen uit dit huwelijk geboren

De Raad is van oordeel dat klaagster aan voormelde bepalingen van de AWW
geen recht op een weduwenpensioen kan ontlenen. In het aanvullend klaagschrift
en het aanvullend verzetschrift heeft klaagsters gemachtigde een beroep gedaan
op het bepaalde in art. 26 BuPo-Verdrag

Daarmede heeft deze beoogd: gelijkstelling voor de wet van de status van
duurzaam samenwonen zonder huwelijk met de status van duurzaam samenwonen
binnen een huwelijk

In artikel 26 van het BuPo-verdrag is bepaald:

“Alleen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak
op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeereen ieder gelijke en doelmatige
bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur,
geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte en andere status”

Onder “andere status” kan worden verstaan het al dan niet gehuwd zijn

Zoals de Centrale Raad van Beroep reeds in zijn uitspraak van 14 mei
1987, WUV 1984/82, RSV 1987/246, AB 1987, 543, alsmede in zijn uitspraken van
5 januari 1988, AAW 1981/B 126, RSV 1988/198, AB 1988, 253; AAW 1983/S 22, RSV
1988/199, AB 1988, 254; AAW 1983/S 90, RSV 1988/200 en AAW 1982/S 122, AB
1988, 252, heeft doen blijken, is art. 26 BuPo-Verdrag, mede gelet op art. 2
van dat verdrag, ook van betekenis waar het gaat om sociale zekerheidsrechten
en vergelijkbare aanspraken. Met name komt hier – naar uitdrukkelijk uit de
evenvermelde uitspraken van 5 januari 1988 blijkt – te dezen geen art. 26
BuPo-Verdrag uitsluitende betekenis toe aan de omstandigheid dat ten aanzien
van sociale zekerheidsrechten bij het te zelfder tijd en plaats
totstandgekomen Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten (Trb. 1978, 178) in verplichtingen voor de verdragsluitende
partijen is voorzien tot het op nationaal niveau (nader) gestalte geven van de
in laatstbedoeld Verdrag erkende rechten. Overwegingen van eenzelfde inhoud
als ten grondslag liggende aan vorenvermelde uitspraken, hebben de Centrale
Raad van Beroep blijkens de uitspraken van 7 december 1988, AWW 1987/46, AB
1989, 10, en AWW 1987/17 ook ten aanzien van de AWW gevoerd tot het oordeel
dat art. 26 BuPo-Verdrag betekenis heeft

De vraag of de in art. 14, lid 3, sub a van de AWW vervatte beperking
tot het 5 jaar gehuwd moeten zijn geweest waar het gaat om aan die wet te
ontlenen aanspraken na het overlijden van een der echtelieden, zich niet
verdraagt met art. 26 BuPo-Verdrag, beantwoordt de Raad bevestigend. De
Raad merkt hierbij op dat, ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat de
evenbedoelde beperking in de AWW eerder gerechtvaardigd was, zulks reeds
geruime tijd en in ieder geval ten tijde van het overlijden van de heer X (op
11 november 1987) niet meer het geval was in verband met de toen reeds
opgetreden veranderingen in de hier van belang zijnde maatschappelijke
omstandigheden

Met de vaststelling dat de AWW met haar in art. 14, lid 3, sub a
vermelde beperking in strijd is met art. 26 BuPo-Verdrag, en zulks al sedert
ettelijke jaren, is aan de orde de vraag of klaagster rechtstreeks rechten aan
dat artikel kan ontlenen of – anders gezegd – of dat artikel zogenaamde
rechtstreekse werking heeft en behoort tot de in artt. 93 en 94 van de
Grondwet bedoelde, een ieder verbindende bepalingen. Die vraag beantwoordt
de Raad bevestigend, waartoe het navolgende wordt opgemerkt

Met het meewerken van het ingaande 11 maart 1979 van kracht worden van –
ook – art. 26 BuPo-verdrag, bij de ondertekening van welk verdrag Nederland
geen beperking terzake van de AWW heeft aangebracht, heeft de wetgever de
verplichting aanvaard debij dat artikel gewraakte discriminatie op te heffen
Die verplichting heeft de wetgever voorts nog onderstreept bij het
totstandbrengen van de nieuwe Grondwet met art. 1 daarvan

In zijn hiervoorgenoemde – ook in zijn vorenvermelde uitspraken van 5
januari 1988 en 7 december 1988 te dezen gereleveerde – uitspraak van 14 mei
1987 acht de Centrale Raad van Beroep grond aanwezig het rechtens voor niet
onaanvaardbaar te houden dat discriminatie in de nationale wetgeving in
sommige situaties slechts geleidelijk kon worden opgeheven. Waar de
wetgever evenwel niet tot opheffing van de discriminatie overgaat – hetgeen
overigens reeds in enkele sociale verzekeringswetten is gedaan en waarbij de
gelijkstelling van gehuwden met ongehuwd samenwonenden tot norm is
gerealiseerd – zal na verloop van tijd het moment aanbreken waarop aan art. 26
BuPo-Verdrag in relatie tot de betrokken nationale wetgeving rechtstreekse
werking niet meer kan worden ontzegd

Mede gelet op het feit dat gelijkstelling van gehuwden en ongehuwd
samenwonenden in een aantal sociale verzekeringswetten reeds heeft
plaatsgevonden, acht de Raad de zoeven bedoelde periode voor een geleidelijk
opheffen van discriminatie in ieder geval ten tijde van het overlijden van de
echtgenoot van klaagster reeds ruimschoots verstreken

De Raad is van oordeel dat het voor Nederland geldende, ook reeds in de
‘oude’ Grondwet neergelegde stelsel van het doorwerken van internationaal en
supranationaal recht in het nationale recht met zich meebrengt dat bij de
rechterlijke beslissing de discriminatie in het geval dat er strijd met art.
26 BuPo- Verdrag bestaat en aan dit artikel rechtstreekse werking toekomt,
moet worden opgeheven, ook wanneer de discriminatie niet aan een
uitzonderingsbepaling is toe te schrijven. Dat stelsel laat derhalve, wat
de AWW betreft, naar het oordeel van de Raad niet toe dat hij zou volstaan met
het noemen van de wetgever als hebbende exclusief de taak om bij strijd van de
AWW met art. 26 BuPo-Verdrag, welke is ontstaan als gevolg van niet-tijdige
opheffing van discriminatie door wetswijziging, een oplossing te zoeken voor
de tijd dat die strijdigheid reeds bestaat en nog zal voortduren

Weliswaar moet de wetgever met het oog op art. 26 BuPo-Verdrag de keuze
worden gelaten uit verschillende mogelijkheden tot het opheffen van het in
geding zijnde onderscheid tussen gehuwd en ongehuwd samenwonen, doch waar het
– zoals in casu – evenwel gaat om voor de opheffing der discriminatie gelegen
tijd waarin de justitiabele art. 26 BuPo-Verdrag ten dienste staat, brengt het
voor Nederland geldende stelsel van het doorwerken van internationaal en
supranationaal recht in het nationale recht met zich mee dat de over
laatstbedoelde tijd gemaakte aanspraken op een pensioen ingevolge de AWW door
het bestuursorgaan en door de rechter dienen te worden beoordeeld naar de in
de wet neergelegde criteria met inachtneming van art. 26. BuPo-Verdrag

De rechtstreekse werking dient voor het ter toetsing van de rechter
staande geval het effect te hebben dat bij het bestaan van recht op uitkering
en pensioen van weduwen op grond van de AWW aan de na het overlijden van de
echtgenoot achterblijvende de in deze wet voor een weduwe voorziene aanspraken
toekomen, ongeacht of er sprake is van vijf jaar gehuwd te zijn geweest dan wel
van vijf jaar ongehuwd te hebben samengewoond

In de inmiddels gewijzigde AOW en ABW worden met gehuwden gelijkgesteld
niet gehuwde personen die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij
het personen betreft tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat. De Raad is van oordeel dat klaagster aan bovengenoemd criterium
van ‘duurzaam voeren van een gezamenlijke huishouding’ voldeed. Dat oordeel
is gebaseerd op het volgende:

– Klaagster heeft uittreksels uit het bevolkingsregister overgelegd
waaruit blijkt dat zowel klaagster als haar overleden echtgenoot vanaf 7
september 1977 op hetzelfde adres hebben gewoond

– Klaagster en haar overleden echtgenoot hadden, zo blijkt uit de
gedingstukken, een gezamenlijke girorekening welke reeds bestond op 2 januari
1978; van die rekening werd onder andere de huur, de verzekering en
lidmaatschap omroepvereniging betaald

– Er is op 1 december 1978 voor klaagster een levensverzekering gesloten
bij de N.V. Levensverzekering Maatschappij Victoria Vesta alwaar klaagsters
overleden echtgenoot geregistreerd stond als verzekeringsnemer

– De huurovereenkomst welke per 26 juni 1978 is aangegaan, is op 21 juni
1978 door zowel klaagster als haar overleden echtgenoot ondertekend

Daar klaagster met de heer X gedurende de periode van tenminste 7
september 1977 tot 12 maart 1986 als ongehuwd samenwonenden en van 12 maart
1986 tot 11 november 1987 als gehuwden duurzaam een gezamenlijke huishouding
voerde en er geen bloedverwantschap bestaat in de eerste en tweede graad,
voldoet klaagster aan de criteria die door de Centrale Overheid gesteld zijn
aan het gelijkstellen van gehuwden en ongehuwd samenwonenden in de reeds
aangepaste sociale verzekeringswetten

Nu de nationale wetgever is overgegaan tot voormelde gelijkstelling kan
het door de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 november 1986,
TAR 1987/13 vereiste notariele samenlevingscontract dat vanaf 1 januari 1985
noodzakelijk werd geacht ter bepaling van gelijkstelling met gehuwden, geen
toepassing meer vinden aangezien er op de datum van overlijden van klaagsters
echtgenoot reeds sprake was van voormelde gelijkstelling door de nationale
wetgever in enkele sociale verzekeringswetten. Derhalve moeten in elk geval
op deze datum, 11 november 1987, de jaren dat klaagster voor haar huwelijk met
de heer X heeft samengewoond, worden gelijkgesteld met huwelijkse jaren

Hieruit volgt dat klaagster uit hoofde van het overlijden van haar
echtgenoot op 11 november 1987 in verband met art. 26 BuPo- Verdrag aanspraak
heeft op pensioen op grond van de AWW, omdat onder ‘huwelijk’ in art. 14, lid
3, sub a van de AWW ook ‘duurzaam samenwonen’ in vorenvermelde zin moet worden
verstaan

De bestreden beslissing komt voor vernietiging in aanmerking

Inhoud der uitspraak

Vernietiging van de bestreden beslissing

Gegrondverklaring van klaagsters beroep

Bepaling dat verweerder een nieuwe beslissing neemt met inachtneming van
het hiervoor overwogene

Bepaling dat verweerder aan klaagster het door haar gemachtigde
gestorte griffierecht vergoedt

Rechters

Mr W.I. Degeling, voorzitter, drs. C.D. Van de Merwe en H. Gotje, leden

Instantie: Rechtbank Utrecht, 5 april 1989

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres vordert wegens materiele en immateriele schade door verkrachting
een bedrag van in totaal ƒ 21.080,=. De rechtbank houdt rekening met de
materiele positie van gedaagde en wijst ƒ 10.000,= immateriele
schadevergoeding en ƒ 1080,= materiele schadevergoeding toe. In hoger
beroep wordt vonnis bekrachtigd. (Hof Amsterdam, rolnr. 581/89, d.d. 30
november 1989).

Volledige tekst

Ten aanzien van het verloop van de procedure:

De rechtbank neemt over hetgeen dienaangaande is overwogen in voornoemd
tussenvonnis. Ter voldoening aan genoemd tussenvonnis zijn eiseres,
vertegenwoordigd door haar moeder en gedaagde in persoon, beide vergezeld
van hun raadslieden, verschenen en hebben zij een verklaring afgelegd,
zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 12 januari 1989 dat zich in
afschrift bij de stukken bevindt. Partijen hebben vervolgens de stukken
overgelegd voor vonnis.

Ten aanzien van het recht:

De rechtbank neemt hier over en volhardt bij hetgeen dienaangaande in het
tussenvonnis is overwogen, en voorts:

1. Ter comparitie is door de moeder van eiseres een beschikking van de
kantonrechter te Utrecht overgelegd die ter zitting door de rechter is
gewaarmerkt, waaruit blijkt dat de moeder van eiseres alsnog is gemachtigd
om namens haar dochter een vordering in te stellen bij de
arrondissementsrechtbank te Den Haag. Uit de beschikking en het daarbij
horende verzoekschrift blijkt dat eiseres inmiddels meerderjarig is
geworden en derhalve terecht in de procedure bij deze rechtbank zelf als
procespartij optreedt.

2. Door gedaagde is ter comparitie verklaard dat hij aan het zoeken is
naar een baan, maar dat hij de mogelijkheid om een baan te vinden niet erg
groot acht, ook al heeft hij een zeer langdurige ervaring opgedaan in de
grafische sector en als is er in deze sector voldoende werkgelegenheid;
zijn strafrechtelijk verleden blijkt vooralsnog een onoverkomelijke
hindernis op te leveren. Gedaagde is gescheiden en heeft van de scheiding
en deling van de huwelijksgoederengemeenschap niets overgehouden. Gedaagde
heeft nog een schuld aan de Sociale Dienst van ƒ 1.750,= en een andere
schuld van ƒ 1.530,=. Op grond van zijn financiele sociale omstandigheden
is gedaagde van mening dat hij niet in staat is enige schade aan eiseres
te vergoeden, hoezeer hij daartoe bereid zou zijn, indien de mogelijkheid
aanwezig was.

3. De moeder van eiseres heeft nader toegelicht dat haar dochter nog
steeds niet heeft verwerkt wat haar door toedoen van gedaagde drie jaar
geleden is aangedaan en binnenkort opnieuw therapeutische hulp krijgt.

4. Eiseres vordert een bedrag van ƒ 1.080,= als vergoeding van de
tengevolge van de aanranding werkelijk geleden schade en een bedrag van
ƒ 20.00,= als vergoeding voor de immateriele schade. Gedaagde heeft het
bedrag van ƒ 1.080,= niet betwist. Ten aanzien van het bedrag van ƒ
20.000,= heeft gedaagde gesteld dat dit bedrag buiten elke proportie is.
Bovendien is geen rekening gehouden met de “wederzijdse stand en fortuin”
van partijen. Gedaagde heeft immers noch inkomen, noch vermogen. Gedaagde
verklaarde zich aanvankelijk in der minne bereid om een bedrag van ƒ
2.000,= te betalen, welk bedrag hij na zijn invrijheidstelling in
termijnen zou voldoen. Blijkens de verklaring die gedaagde ter comparitie
heeft afgelegd, is hij thans, na invrijheidstelling, op deze verklaring
teruggekomen.

5. De rechtbank is van oordeel dat het bedrag van ƒ 1.080.= toegewezen
moet worden. Ten aanzien van de vergoeding voor de immateriele schade is
de rechtbank van oordeel, gezien de omstandigheden van het geval, te weten
de wijze waarop de verkrachting heeft plaatsgevonden, blijkende uit het
door de politie daaromtrent opgemaakte proces-verbaal en gezien de in de
rechtsoverweging 2 van het tussenvonnis van 21 december 1988 omschreven,
door eiseres tijdens de afgelopen drie jaar ondervonden en nog steeds
voortdurende gevolgen van de verkrachting, dat een vergoeding van ƒ
20.000,= op zich zelf zeker niet buiten proporties is, maar een voor
eiseres alleszins redelijke vergoeding zou betekenen voor het leed dat zij
heeft ondergaan en nog steeds voelt.

6. De rechtbank dient echter ook rekening te houden met de materiele
positie van gedaagde. Dit is voor de rechtbank aanleiding om de vergoeding
voor de immateriele schade te bepalen op de helft van het gevorderde
bedrag, derhalve op ƒ 10.000,=.

7. De rechtbank beseft dat gedaagde thans vermoedelijk niet in staat zal
zijn om de toegewezen bedragen te betalen. Aangezien de rechtbank tevens
de door eiseres gevorderde wettelijke rente zal toewijzen, betekent dit
dat het aan eiseres verschuldigde bedrag zal toenemen als gedaagde niet
probeert om de hoofdsom, al dan niet in overleg met eiseres, af te lossen.
De rechtbank veronderstelt dat een en ander voor gedaagde aanleiding zal
zijn om zo snel mogelijk aan de veroordeling te voldoen.

8. De rechtbank zal, aangezien de vordering slechts voor ongeveer de helft
wordt toegewezen, de kosten compenseren in die zin dat elke partij haar
eigen kosten zal dragen. Thans wordt derhalve als volgt beslist:

Rechtdoende

Veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen bewijs van kwijting te betalen
een bedrag van ƒ 11.080,= (zegge elfduizend en tachtig gulden) vermeerderd
met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 augustus tot de dag van
betaling. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Wijst
af het meer of anders werd gevorderd. Compenseert de proceskosten in deze
zin dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

Rechters

Mr. Van de Vijver

Instantie: Rechtbank Utrecht, 29 maart 1989

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 28.000,= schadevergoeding na verkrachting waarvan ƒ
3.000,= materiele schadevergoeding. Gedaagden zijn strafrechtelijk
veroordeeld. Materiele schade omvat: schoolachterstand, juridische
bijstand, kosten voor arts, psycholoog en maatschappelijk werkster.
Rechtbank wijst materiele schadevergoeding tot een bedrag van ƒ 3.000,=
toe en matigt immateriele schadevergoeding tot ƒ 10.000,= i.v.m. geringe
inkomen gedaagden.

Volledige tekst

Overweegt ten aanzien van het verloop van het proces:

Eiseres, verder ook te noemen V heeft bij conclusie van eis overeenkomstig
de inleidende dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de een betalende, de ander
zullende zijn bevrijd, om aan eiseres te betalen een bedrag van ƒ
28.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1
januari 1988 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de kosten van
deze procedure.

Gedaagden, verder ook te noemen, resp. F en M hebben ieder bij conclusie
van antwoord verweer gevoerd.

Eiseres heeft vervolgens een conclusie van repliek met vier produkties
genomen, waarna gedaagden, wederom ieder, een conclusie van dupliek hebben
genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken aan de rechtbank overgelegd en
vonnis gevraagd.

Overweegt ten aanzien van het recht:

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet weersproken en
voorts mede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van in het
geding gebrachte produkties staat tussen partijen het volgende vast: 1.1.
F en M zijn ter zake van verkrachting van V in eerste aanleg door de
arrondissementsrechtbank te Utrecht en in hoger beroep bij arrest van 23
december 1986 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot resp. 12 en
15 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest onvoorwaardelijk.
1.2. V is geboren op 1970 en volgde in het voorjaar van 1986 een
MAVO-opleiding. 1.3. V behoefde na de door haar gestelde verkrachting
intensieve begeleiding door een arts, psycholoog en maatschappelijk
werkster, welke begeleiding tot heden voortduurt. 1.4. V heeft wettelijke
rente aangezegd vanaf 1-1-1988.

2. V vordert vergoeding van de materieel en immateriele schade die zij ten
gevolge van de door haar gestelde verkrachting, plaats gevonden hebbende
in het voorjaar van 1986, heeft geleden.

3. Volgens F en M is geen sprake geweest van onvrijwillige gemeenschap.
F heeft aangevoerd dat het mede aan de eigen schuld van V te wijten is
geweest dat de gemeenschap heeft plaatsgehad, doordat V vrijwillig naar
het huis van hem, F is meegegaan en zich tijdens de autorit daarheen niet
afkering toonde van een begin van toenadering door M. F voert daarnaast
nog aan dat zijn betrokkenheid van ondergeschikte aard is geweest. Volgens
M heeft de omgeving van V de gemeenschap betiteld als verkrachting, welke
lezing V zich eigen heeft gemaakt om zodoende de gevolgen minder belastend
te maken.

4. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. F en M zijn in twee
instanties ter zake van verkrachting strafrechtelijk veroordeeld. Deze
strafrechtelijke veroordelingen leveren op grond van artikel 188 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dwingend bewijs op van de
verkrachting, die, gelet op de strafmaat, van niet onernstige aard was.
Weliswaar is tegenbewijs mogelijk, doch de stellingen van F en M zijn niet
zo concreet en gemotiveerd dat ze kunnen gelden als een voldoende
betwisting van hetgeen dwingend bewezen is te achten. De rechtbank is
daarnaast van oordeel dat het meerijden in een auto naar het huis van F
allerminst impliceert dat V seksuele gemeenschap wenste. De rechtbank acht
derhalve bewezen dat F en M zich schuldig hebben gemaakt aan een misdrijf
tegen de persoon van V; zij zijn mitsdien uit hoofde van het bepaalde in
artikel 1407 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk. Dat de rol van F
ten opzichte van die van M passiever is geweest -hetgeen tot uitdrukking
is gebracht in de strafmaat- ontheft hem niet van zijn aansprakelijkheid.
Voor zover F bedoelt te stellen dat zijn aandeel in het gebeurde zodanig
gering is geweest dat hij tegenover V niet voor de volle schade
aansprakelijk is, dient deze stelling als onvoldoende gemotiveerd te
worden verworpen; de strafrechtelijk veroordeling van F wijst niet op een
betrokkenheid van ondergeschikte aard en tegenover het daaraan te ontlenen
vermoeden dat F als (volwaardige) medepleger van de jegens V begane
onrechtmatige daad moet gelden, heeft F zijn stelling met betrekking tot
zijn geringe aandeel onvoldoende toegelicht.

5.1. V. vordert een bedrag van ƒ 3.000,= als vergoeding van materiele
schade. Daartoe stelt zij schade te hebben geleden a) doordat zij het
eindexamen van de MAVO niet heeft kunnen afmaken, daardoor een jaar later
in het arbeidsproces is opgenomen en in het extra schooljaar geen
inkomsten heeft gehad; b) doordat zij ƒ 1800,= kosten heeft gehad vanwege
uitgebreide juridische bijstand, welke aan haar is verleend vanaf het
moment dat zij de eerste keer door de rechter-commissaris is verhoord
totdat de strafzaak in appel is bekrachtigd, welk bedrag door haar
moeder-voogdes, die niet in aanmerking komt voor gefinancieerde
rechtshulp, is voorgeschoten; c) doordat de ziektekostenverzekeraar niet
alle kosten van en reizen naar arts, psycholoog en maatschappelijk
werkster vergoedt.

5.2. F en M ontkennen allereerst het causale verband tussen het gebeurde
en de materiele schade. Zij stellen dat niet zeker was dat V voor haar
MAVO-examen zou zijn geslaagd en dat zij, indien zij geslaagd zou zijn een
baan zou hebben gevonden. M beroept zich daarbij op een telefoongesprek
tussen V en zijn broer, zijnde de vriend van V, waaruit naar voren kwam
dat de schoolprestaties niet of niet bepaald beinvloed werden door het
gebeurde. F en M betwisten daarnaast de hoogte van de kosten van
juridische bijstand.

6. De rechtbank verwerpt deze verweren. V heeft mede op grond van de bij
conclusie van repliek overgelegde verklaring van 27 november 1986 van haar
maatschappelijk werkster voldoende aangetoond dat zij als gevolg van de
verkrachting de MAVO in 1986 niet heeft kunnen afmaken, aangezien zij op
de dag van een tentamen het ziekenhuis heeft bezocht voor onderzoek en de
politie voor aangifte, terwijl het verweer van F en M op dit punt als
onvoldoende gemotiveerd moet worden aangemerkt. De inkomensverdeling ten
gevolge van het gemiste schooljaar komt voor vergoeding in aanmerking. F
en M betwisten niet dat V kosten heeft gemaakt en maakt als gevolg van
begeleiding door arts, psycholoog en maatschappelijk werkster, zodat deze
vordering in beginsel voor toewijzing gereed ligt. Ook de vordering ter
zake van kosten van juridische bijstand is in beginsel toewijsbaar,
aangezien ook een slachtoffer van een misdrijf recht heeft op juridische
bijstand. De stelling van F dat V voor kosteloze rechtsbijstand in
aanmerking zou kunnen komen, dient te worden verworpen, nu aan V destijds
als minderjarige gelet op artikel 9 van de Wet rechtsbijstand aan on- en
minvermogenden geen toevoeging zou kunnen zijn verstrekt. De hoogte van
de kosten van juridische bijstand komt de rechtbank niet bovenmatig voor.
De rechtbank stelt de materiele schade schattenderwijs vast op het
gevorderde bedrag van ƒ 3000,=.

7.1. V vordert tevens een bedrag van ƒ 25.000,=, althans een bedrag dat
de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, als vergoeding van
immateriele schade. Zij stelt dat zij de verkrachting, het daarna
ingestelde onderzoek en de strafrechtelijke procedure, mede in verband met
haar leeftijd, als bijzonder schokkend heeft ervaren. Dat haar geestelijke
evenwicht ernstig is verstoord, wordt door haar maatschappelijk werkster
onderstreept in de bij conclusie van repliek overgelegde verklaring van
27 november 1986.

7.2. F en M betwisten de gerechtvaardigheid van het gevorderde smartegeld.
Volgens F en M bezocht V niet al te lang na het gebeurde regelmatig
plaatselijke en regionale cafes en disco’s hetgeen aangeeft dat zij zich
over het gebeurde had heengezet.

8. De rechtbank verwerpt ook deze verweren. Als van algemene bekendheid
moet worden aangenomen dat verkrachting een traumatische ervaring voor het
slachtoffer is en een verscheidenheid aan gevolgen heeft op lichamelijk
en emotioneel gebied. De maatschappelijk werkster van V bevestigt dit in
haar -ongedateerde- reactie op de namens M genomen conclusie van antwoord.
De rechtbank ziet niet in dat bezoek aan een cafe of een discotheek op
zichzelf reeds betekent dat V geen immateriele schade zou kunnen lijden
of heeft geleden. Uit de eerder genoemde verklaring van de maatschappelijk
werkster blijkt dat de achtergrond van het uitgaan van V was dat zij
vooral door haar broers en zussen werd aangespoord om mee uit te gaan,
opdat ze zich zou kunnen ontspannen. Gelet op het vorenstaande en mede op
de strafrechtelijke veroordeling van F en M, het feit dat F een
RWW-uitkering geniet en de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan
materiele schade, stelt de rechtbank de immateriele schade in redelijkheid
vast op ƒ 10.000,=.

9. De rechtbank wijst de vordering tot hoofdelijke veroordeling af, nu
daarvoor geen grondslag bestaat. F en M zijn, als de gezamenlijke plegers
van een onrechtmatige daad, wel ieder voor het geheel aansprakelijk.

10. F en M zijn als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partijen te
beschouwen en zullen mitsdien worden veroordeeld in de kosten van dit
geding.

Rechtdoende:

Veroordeelt F en M ieder voor het geheel -des dat de een betalend de ander
zal zijn bevrijd- om aan V te betalen de somma van ƒ 13.00,= te
vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 1988
tot aan de dag der voldoening;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Veroordeelt F en M ieder voor het geheel in de kosten van deze procedure,
gevallen aan de zijde van V en tot aan deze uitspraak begroot in totaal
op ƒ 1240,= voor salaris van haar procureur en op ƒ 491,20 aan verschotten
beide bedragen te voldoen aan de griffier.

Rechters

Mrs. Van den Ende, Hofhuis en Wesseling-Van Gent

Instantie: Rechtbank Zutphen, 23 maart 1989

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Toewijzing vordering materiele en immateriele schadevergoeding na
mishandeling en verkrachting. Materiele schade bestaande uit de
inkomstenderving en schade aan kleding en gebit wordt door de rechtbank
vastgesteld op ƒ 937,72. Immateriele schadevergoeding: ƒ 3.321,38.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit:

-het vonnis in deze zaak van 28 juli 1988;

-een akte tot overlegging van stukken.

2. De vaststaande feiten:

Uit de door de eiseres overgelegde brief van de griffier van deze
rechtbank van 17 november 1988 blijkt dat het strafvonnis van deze
rechtbank van 12 mei 1987 inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan.

Dit vonnis levert derhalve dwingend bewijs op van het feit dat gedaagde
eiseres op 4 februari 1987 heeft verkracht. Tegenbewijs daarvan is
toegelaten, maar gedaagde heeft dat niet aangeboden en de rechtbank ziet
geen aanleiding hem ambtshalve daartoe de gelegenheid te bieden.

Vaststaat dus dat eiseres op 4 februari 1987 door gedaagde is mishandeld
en verkracht en dat zij daardoor schade heeft geleden, die van materiele
en van immateriele aard is.

3. Verdere beoordeling van het geschil:

3.1 Gedaagdes hierboven vermelde handelwijze is onrechtmatig jegens
eiseres. De daardoor veroorzaakte schade zal hij dienen te vergoeden.

Ten aanzien van materiele schade:

3.2 Eiseres heeft een nota van haar tandarts overgelegd waarvan gedaagde
de hoogte niet heeft betwist. De rechtbank zal het bedrag van ƒ 225,-
terzake van een bovenprothese toewijzen. De schade aan eiseresses
kleding stelt de rechtbank ex aequo et bono op ƒ 414,-.

Uit de door eiseres overgelegde stukken, met name de brief van
uitzendbureau Start van 23 september 1988, in combinatie met die van
psychiater Nelis van 18 augustus 1988, leidt de rechtbank af dat eiseres
reeds vanaf 9 september 1986 wegens ziekte buiten staat was haar
werkzaamheden als controleuse te verrichten en dat zij op 5 februari
1987 haar werk als controleuse had kunnen hervatten, wanneer de
onderhavige gebeurtenis en de daarop gevolgde ziekenhuisopname niet
hadden plaatsgevonden.

Haar netto inkomen zou dan, omgerekend per maand, ƒ 1.641,25 hebben
bedragen.

Uit laatstgenoemde brief blijkt dat eiseres in elk geval op 1 april 1987
zowel neurologisch als psychisch was hersteld, en haar werk op die datum
had kunnen hervatten.

Het bedrag van haar inkomstenderving ten gevolge van gedaagdes
onrechtmatige handelen moet daarom worden berekend over de periode van 5
februari 1987 tot 1 april 1987. Nu zij, omgerekend per maand ƒ 1.490,96
aan Ziektewet-uitkering ontving, heeft zij over voornoemde periode ƒ
268,72 aan inkomsten gederfd.

Dat brengt het totaal van de door gedaagde te vergoeden materiele schade
op een bedrag van ƒ 937,72.

Ten aanzien van de immateriele schade:

Rekening houdend met de door eiseres genoemde schadefactoren, die door
gedaagde niet zijn weersproken, acht de rechtbank het door eiseres
gevorderde bedrag van ƒ 3.321,38 alleszins redelijk.

Nu aan de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gestelde
vereisten ten aanzien van de beslaglegging is voldaan en de
hoofdvordering voor een gedeelte toewijsbaar is dient het gelegde
conservatoir beslag, waartegen op zichzelf geen verweer is gevoerd, van
waarde te worden verklaard.

Nu eiseresses vordering voor ongeveer de helft wordt toegewezen acht de
rechtbank termen aanwezig om de proceskosten te compenseren als hierna
te melden.

Beslissing:

Veroordeelt G. om aan K. te betalen, tegen behoorlijk bewijs van
kwijting, een bedrag van ƒ 4.259,10, vermeerderd met de wettelijke rente
daarover vanaf 8 april 1987 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaard dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Verklaart het gelegde conservatoir beslag van waarde.

Compenseert de proceskosten zodanig dat elke partij de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mr. J.J. Makkink

Instantie: Raad van Beroep Zwolle, 17 maart 1989

Instantie

Raad van Beroep Zwolle

Samenvatting


Vrouw werkt fulltime op een dagverblijf voor geestelijk gehandicapte
kinderen. Zij wil na bevalling op twee dagen per week werken, omdat zij en
haar man dan samen hun kind geheel kunnen verzorgen

Werkgever gaat niet akkoord met parttime werken. Deze beslissing
wordt genomen vlak voor vakantie vrouw. Na vakantie moet zij nog enkele
weken werken voor het zwangerschapsverlof begint. Zij neemt ontslag met
ingang van einde bevallingsverlof. Viir bevalling informeert zij
telefonisch bij aanverwante instellingen naar parttime-vakatures. Dit
levert niets op. Ook overigens zijn er geen passende vakatures

BVG acht werkloosheid verwijtbaar omdat betrokkene zelf ontslag heeft g
enomen en niet door werkgever zou zijn ontslagen. Er wordt gekonkludeerd
tot zeer veel meer dan standaard – verwijtbare – werkloosheid omdat:

– de reden van ontslag in de particuliere sfeer ligt

– werkneemster voor ontslag geen sollicitaties heeft gedaan

– werkneemster duidelijk geen andere oplossing wenst dan zelf voor het
kind te zorgen

Op deze gronden wordt de uitkering blijvend geheel geweigerd

Beroep wordt ongegrond verklaard. Op zitting blijkt dat de zwaarte
van de sanktie met name gegrond is op het te weinig aktief zoeken naar werk
voor het ontstaan van de werkloosheid. Daarna worden de inspanningen
a
doende geacht. Hoger beroep is ingesteld

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder d.d. 22 maart 1988

2. Terechtzitting

Datum: 27 februari 1989

Klaagster is verschenen bijgestaan door mevrouw mr A.J.T. van Tilborg

Verweerder is verschenen bij gemachtigde J.A.M. der Weduwen

3. Feiten welke de raad als vaststaande aanneemt

De Raad gaat uit van de feiten zoals deze zijn weergegeven in de
beschikking van ’s Raads voorzitter d.d. 24 november 1988

Klaagster heeft tegen die beschikking verzet doen instellen

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting

5. Motivering

Tengevolge van het namens klaagster tegen de beschikking van ’s raads
voorzitter ingediende verzetschrift is die beschikking vervallen. De
behandeling van het geschil is ter zitting van de raad voortgezet

De raad kan zich geheel verenigen met de gronden waarop de beschikking
van zijn voorzitter d.d. 24 november 1988 berustte en neemt die gronden over

Klaagsters gemachtigde voert in haar verzetschrift in de eerste plaats
aan dat klaagster zeer tijdig een verzoek om vermindering van arbeidsuren bij
haar werkgeefster heeft ingediend, doch dat klaagsters werkgeefster het
verzoek heeft afgewezen op een tijdstip dat klaagster, gezien haar
zwangerschapsverlof, geen kans meer maakte op een ander dienstverband. Uit de
stukken (en wel met name klaagsters aanvraag om een WW-uitkering d.d. 7
december 1987) blijkt evenwel dat klaagster in juni 1987 heeft verzocht om
vermindering van arbeidsuren. Klaagsters werkgeefster heeft voormeld verzoek
-zo blijkt uit de brief van klaagsters gemachtigde d.d. 27 april 1988- medio
juli 1987 afgewezen. Onder deze omstandigheden gaat het te ver klaagsters
werkgeefster te verwijten dat zij te traag heeft gereageerd op klaagster
verzoek van juni 1987

Klaagsters gemachtigde voert in de tweede plaats aan dat de combinatie
zorg voor jonge kinderen en een volledige baan een te zware belasting
betekent voor klaagster, zodat daarom ook een tijdelijke voortzetting van het
dienstverband in redelijkheid niet gevergd kan worden. Uit de stukken blijkt
dat klaagsters uit het vorenstaande voortvloeiende keuze tot
beschikbaarstelling gedurende 16 uur per week door verweerder gerespecteerd
wordt. Verweerder heeft immers klaagsters recht op uitkering ontzegd
gedurende 24 uur per week, omdat zij zich slechts gedurende 16 uur per week
voor werk beschikbaar stelt. Klaagster kan zich met dat onderdeel van
verweerders beslissing ook verenigen

Verweerder heeft klaagster voor 16 uur per week evenwel uitkering
ingevolge de WW geweigerd, met name omdat zij – zoals ter terechtzitting door
verweerders gemachtigde is benadrukt- voor het ontstaan van haar werkloosheid
op 14 december 1987 te weinig sollicitatie-activiteiten aan de dag heeft
gelegd, zodat zij daarom verwijtbaar werkloos is

Ter terechtzitting heeft klaagsters gemachtigde aangevoerd dat klaagster
in de periode voor het einde van haar zwangerschapsverlof pogingen heeft
gedaan om werk te vinden. De raad is ter zake met verweerder van oordeel dat
deze pogingen, afgaande op hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is
medegedeeld, zich hebben beperkt tot het informeren naar de mogelijkheden van
arbeid en geen concrete sollicitaties betroffen

De raad is van mening dat het op klaagsters weg had gelegen zeker vanaf
het moment dat zij wist dat haar werkgeefster haar verzoek om vermindering
van arbeidsuren had afgewezen (juli 1987) actief te solliciteren

De raad is met zijn voorzitter van mening dat verweerders sanctie
overeenkomstig zijn beleid is getroffen. Uit de KC/DB voorlegger blijkt
voldoende waarom verweerder in het onderhavige geval is afgewezen van de
gebruikelijke sanctie bij ontslagname om een in de privesfeer gelegen reden
van 20% gedurende 13 weken. Hetgeen klaagsters gemachtigde daaromtrent in
haar verzetschrift heeft aangevoerd kan dan ook niet tot een andere
beslissing leiden. Gezien het vorenstaande dient beslist te worden als volgt

6. Inhoud der uitspraak

De Raad van Beroep te Zwolle, recht doende: verklaart het beroep
ongegrond

Rechters

Mr. H.J. Buijsman als voorzitter en G. Barek en F.G. van Zwieten alsleden, in tegenwoordigheid van H.C. Koopmans als griffier

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 16 maart 1989

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


B. werkt als purser B747/DC-10 bij de KLM. Zij verdient minder dan
haar mannelijke collega voor hetzelfde werk. Een en ander is terug te
voeren op de gecompliceerde historie van het arbeidsvoorwaardenbeleid bij de
KLM

De kantonrechter is van mening dat de KLM niet in strijd handelt met de
Wet gelijke loon of de Wet gelijke behandeling. Eiseres heeft zich ten
onrechte vergeleken met maatman die op andere arbeidsvoorwaarden in dienst is
getreden. De Wet gelijke behandeling kan niet strekken tot maatstaf ter
beoordeling van regelingen die ouder zijn dan deze wet

Volledige tekst

Rechters

Kantonrechter mr. R.A.J. van der Linde

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 16 maart 1989

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


Vrouw is tijdens proeftijd ontslagen wegens zwangerschap. Ze vordert
herstel van de dienstbetrekking

Beslissing Rechtenvrouw: accoord, nu deze zaak kans biedt op
grensverleggende jurisprudentie. De vordering in deze zaak wijkt af van een
eerder gegarandeerde, gelijksoortige zaak, waarin – met succes –
schadevergoeding werd geeist

Afloop: partijen hebben een schikking getroffen, waardoor de procedure
bij het kantongerecht is stopgezet

Volledige tekst

1.1 Door S. is voor de Kantonrechter te Hoofddorp een rechtsgeding tegen
I.M.L. aangespannen

Dit rechtsgeding heeft op de terechtzitting van 23 februari 1989 een
aanvang genomen

Partijen zijn in rechte bij gemachtigde of in persoon verschenen. Door
S. is in dit rechtsgeding verzocht een voorlopige voorziening ex artikel 100
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te beleven

Aan partijen is mededeling gedaan van het tijdstip van de mondelinge
behandeling van het verzoek tot deze voorziening. Deze mondelinge
behandeling heeft plaats gevonden op 27 februari 1989

Van deze mondelinge behandeling heeft de Griffier aantekeningen gehouden
waaruit blijkt welke personen zijn verschenen en door de Kantonrechter zijn
gehoord

1.2 De Kantonrechter heeft bepaald een beslissing te zullen geven op het
verzoek en op heden uitspraak te doen

Deze beslissing is gegrond op datgene waarvan de Kantonrechter in deze
zaak kennis heeft gekregen, met name op hetgeen kan worden ontleend aan de
processtukken welke staan vermeld op de inventaris van het aangelegde
procesdossier moet als hier herhaald worden beschouwd

2.1 Vast staat dat tussen partijen sprake is van een arbeidsverhouding

2.2 Dienaangaande kan ervan worden uitgegaan dat S. bij I.M.L. in dienst
is getreden als medewerkster verkoop binnendienst met een proeftijd van twee
maanden en dat zij op 10 oktober 1988 binnen die proeftijd is ontslagen

3.1 S. is van mening dat I.M.L. jegens haar in strijd heeft gehandeld
met het bepaalde in de artikelen 1637 en 1638 van het B.W. door haar wegens
zwangerschap te ontslaan. Zij meent dat op deze situatie de artikelen 1639 s
en t van het B.W. analoog van toepassing zijn te achten

Zulks is voor S. de aanleiding tot het verzoek een voorlopige
voorziening te bevelen

3.2 De voorziening die wordt gevraagd strekt er toe I.M.L. te bevelen:

1. dat verweerder de dienstbetrekking met verzoekster herstelt binnen
twee dagen na de betekening van de te dezen te geven beslissing met bepaling
dat verweerster een dwangsom van ƒ 500,– aan verzoekster verschuldigd zal
zijn voor iedere dag dat verweerster in gebreke blijft aan dat bevel te
voldoen en

2. dat verweerster aan verzoekster binnen twee dagen na de betekening
van de te dezen te geven beslissing uitbetaalt een bedrag dat overeenkomst
met ƒ 3.200,– bruto per maand vermeerderd met 8% vakantietoeslag te rekenen
vanaf 1 november 1988 tot de dag dat de dienstbetrekking hersteld zal zijn,
vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 1286 B.W. vanaf de dag van
indiening van dit verzoekschrift

4.1 De Kantonrechter zal moeten beoordelen of tegen het licht van het
door I.M.L. ingenomen standpunt de feiten en rechten die S. aan het verzoek
ten grondslag legt voldoende aannemelijk zijn gemaakt en het verzoek kunnen
dragen

4.2 I.M.L. heeft de stelling van S. dat de werkelijke reden van het
ontslag gelegen was in de inmiddels bij haar gebleken zwangerschap,
weersproken en gesteld dat zulks niet valt af te leiden uit de in de
ontslagbrief van 10 oktober 1988 gebezigde woorden. Voorts heeft zij
aangevoerd dat herstel van de dienstbetrekking niet mogelijk is, nu inmiddels
in de door haar vertrek ontstane vacature is voorzien

4.3 Hoewel de Kantonrechter, gehoord hetgeen over en weer bij de
mondelinge behandeling door partijen naar voren is gebracht, niet wil
uitsluiten dat er buiten het bedrijf van I.M.L. feitelijk wel mogelijkheden
bestaan om S. weer te werk te stellen (bijvoorbeeld door de arbeidsverhouding
met een uitzendkracht te beeindigen), wordt de gevraagde voorziening tot
herstel van de dienstbetrekking, ook al zou dat het geval zijn, niet
toewijsbaar geacht om de navolgende redenen

4.4 Naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter zal op S. de
bewijslast komen te rusten van haar stelling dat zij is ontslagen om een
andere, in strijd met artikel 1637 ij B.W. zijnde reden dan de door de
werkgever opgegeven grond

Of zij in dit bewijs zal slagen, valt enerzijds niet met een redelijke
mate van waarschijnlijkheid vast te stellen anderzijds leent de
voorzieningsprocedure zich niet voor een uitvoerige bewijslevering zoals de
onderhavige zaak vereist. Voorts had S. tevoren de mogelijkheid middels een
voorlopig getuigenverhoor haar stellingen nader te onderbouwen, van welke
mogelijkheid zij geen gebruik heeft gemaakt

4.5 Nu punt 2 van het verzoek van S. blijkens haar tijdens de mondelinge
behandeling gegeven toelichting moet worden beschouwd als een sequeel van
punt 1, volgt uit de afwijzing van het onder punt 1 van het verzoek gestelde
dat ook punt 2 niet voor toewijzing in aanmerking komt

5.1 De Kantonrechter acht termen aanwezig om eerst bij het eindvonnis in
de hoofdzaak een beslissing omtrent de proceskosten te nemen

De Kantonrechter rechtdoende, wijst de gevraagde voorziening af.
Beslist ten aanzien van de proceskosten als hiervoor onder 5 aangegeven

Rechters

Mr. A.H. Bauerle-Hetebrij, kantonrechter, mr. I.M. ter Sluis, griffier

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 14 maart 1989

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het Hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd waarbij verdachte B.
is veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Hij is veroordeeld voor
‘poging tot verkrachting’ en ‘verkrachting’.

Het cassatieberoep gaat in op het bestaan van opzet. De
bewijsoverwegingen enerzijds en de straftoemetingsoverwegingen anderzijds
roepen de vraag op op welke wijze de Rechtbank het opzet, dat requirant
ontkent, bewezen acht.

Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.

Volledige tekst

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – behoudens ten aanzien van de
kwalificatie – bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te
Rotterdam van 24 maart 1987, waarbij de verdachte is veroordeeld tot zeven
maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd
van twee jaren. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “poging
tot verkrachting” en “verkrachting”.

2. Het cassatieberoep

Het beroep – dat zich kennelijk niet richt tegen de door het Hof
bevestigde vrijspraak van het onder 1 primair telastegelegde – is ingesteld
door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A.M.M. Orie, advocaat te
s-Gravenhage, het volgende middel van cassatie voorgesteld:

1. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan
niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 348,
350, 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 242 van het
Wetboek van Strafrecht geschonden, en wel op grond van het navolgende.

2. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank ten onrechte met overneming
van gronden bevestigd. Het bevestigde vonnis is innerlijk tegenstrijdig,
althans is de motivering van de bewezenverklaring tegen de achtergrond van de
overwegingen aangaande de strafoplegging niet zonder meer begrijpelijk.

Enerzijds is door de Rechtbank bewezen verklaard dat requirant de vrouw
gepoogd heeft te dwingen (sub 1) en heeft gedwongen (sub 2) tot vleselijke
gemeenschap. Dit moet aldus worden verstaan dat requirant’s (voorwaardelijke)
opzet mede omvatte dat hij de vrouw vleselijke gemeenschap poogde te doen c.q.
deed ondergaan tegen haar wil. Anderzijds heeft de Rechtbank overwogen de
mogelijkheid van een onjuiste inschatting van verdachte aannemelijk te achten.
Deze overweging, gelet op de in het vonnis onmiddellijk daaraan voorafgaande
weergave van de opvatting van de rapporterend psycholoog, moet aldus worden
verstaan dat requirant had ervaren door de vrouw tot het hebben van vleselijke
gemeenschap te zijn uitgenodigd. De bewezenverklaring, althans het vonnis in
zijn geheel en derhalve ook het arrest van het Hof voorzover het vonnis
daarbij is bevestigd, is derhalve niet naar de eis der wet met redenen
omkleed.

3. Toelichting

3.1. De in dit middel aangesneden problematiek vertoont sterke
gelijkenis met die, welke besloten ligt in het arrest van Uw Raad van 16 juni
1987, NJ’88, 156. In beide gevallen gaat het erom of de opzet van de dader
mede de onvrijwilligheid van de vrouw, met wie hij vleselijke gemeenschap had,
omvatte. In het gepubliceerde arrest volgde een vrijspraak, terwijl in casu
door de Rechtbank een overweging aan het opzet wordt gewijd in het kader van
de straftoemeting, die in requirant’s visie niet zonder meer verenigbaar is
met het bewezenverklaarde (pogen te) dwingen.

3.2 Uit het bezigen van (bedreiging met) geweld kan in het algemeen het
bestaan van opzet met betrekking tot de onvrijwilligheid van de vrouw worden
afgeleid, maar er kunnen zich ook omstandigheden voordoen waarin dat niet het
geval behoeft te zijn. Deze opvatting van Uw Raad brengt requirant ertoe het
gebezigde geweld nader te bezien. De mate van het toegepaste geweld en de
omstandigheden waaronder het plaatsvond kunnen immers met zich brengen dat het
ontbreken van een op de onvrijwilligheid gerichte opzet praktisch ondenkbaar
is. Hij die op een afgelegen plek in het donker een hem onbekende vrouw onder
bedreiging van een vuurwapen dwingt tot gemeenschap, kan er redelijkerwijs
geen beroep op doen dat zijn opzet niet gericht was op de onvrijwilligheid van
de vrouw.

3.3. Het bewezenverklaarde geweld voor wat betreft de poging tot
verkrachting bestond in het met geweld vastpakken van de vrouw en haar broek
naar beneden trekken. In zijn voor het bewijs gebezigde verklaarde ter zitting
ontkent requirant die handelingen als zodanig niet. Zijn verweer behelst dat
in die handelingen voor hem geen beoogd geweld besloten lag. De voor het
bewijs gebezigde verklaring van de vrouw houdt in dat requirant haar stevig
vastpakte waarop zij trachtte hem van zich af te duwen, hetgeen niet gelukte
omdat hij te sterk was; dat requirant met zijn hand haar broek losmaakte en
haar steeds stevig vasthad bij haar schouder. De gebezigde bewijsmiddelen,
alhoewel op zich wellicht niet ontoereikend om aan te kunnen nemen dat
requirant’s opzet gericht was op de onvrijwilligheid van de vrouw, zijn
anderzijds ook weer niet zodanig van inhoud dat het ontbreken van dat opzet
daarmee onverenigbaar geacht moet worden. Dan echter komt aan de vaststelling
van de Rechtbank omtrent de aannemelijkheid van een onjuiste inschatting door
requirant wezenlijke betekenis toe. Zij laat de mogelijkheid open dat
requirant’s opzet niet op de dwang gericht was.

3.4 Het geweld, aangewend bij de bewezenverklaarde verkrachting bestond
uit het vastpakken van de vrouw, het haar voeren naar een plaats buiten de
woning, het tegen een muur drukken van die vrouw en het naar beneden trekken
van haar broeken. Ook voor deze handelingen, die het geweld uitmaakten, geldt
dat zij niet onverenigbaar zijn met een (voorwaardelijke) opzet dat niet
gericht was op de onvrijwilligheid van de vrouw.

Daarom geldt ook hier dat de door de Rechtbank vastgestelde
aannemelijkheid van een onjuiste inschatting zich niet verdraagt, althans niet
zonder nadere uitleg, met het bewezenverklaarde opzet.

3.5 De overweging van de Rechtbank, waarin de mogelijheid van een
onjuiste inschatting van verdachte aannemelijk geacht wordt, ligt ingesloten
tussen enerzijds een citaat van de rapporterend psycholoog waarin de mogelijke
redenen daarvoor uiteengezet worden, en anderzijds de overweging dat de
Rechtbank diens conclusie, strekkende tot verminderde toerekenbaarheid
overneemt.

Het voorafgaande citaat wijst op de mogelijkheid dat de gebruikte drank,
het verminderde taxatievermogen van requirant en de aanwezige ontremming met
zich bracht dat reeds het kleinste signaal als uitnodiging werd ervaren. Maar
als dat het geval zou zijn geweest, dan kan zelfs niet meer gezegd worden dat
requirant het (geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen) risico dat de vrouw
de (poging tot) gemeenschap onvrijwillig onderging, heeft aanvaard. De
psycholoog legt nu juist dat uit requirant ervaren kan hebben te zijn
uitgenodigd tot vleselijke gemeenschap.

Dit strijdt op zich niet met de conclusie van een verminderde
toerekenbaarheid. Immers het feit dat iemand zijn gedragingen in verminderde
mate kunnen worden toegerekend sluit geenszins uit dat die gedragingen niet in
alle opzichten (onvrijwilligheid) als opzettelijk beschouwd moeten worden.

Tekenend is in dat opzicht het (overigens niet gebezigde) deel van de
rapportage, waarin de psycholoog naast zijn conclusie van de verminderde
toerekenbaarheid eveneens vermeldt hoe moeilijk te bepalen is of het gebeuren
een delict is, gelet op de persoonlijkheid van requirant (Vgl. ook P.J.H.M.
Brouns, opzet in het Wetboek van Strafrecht, p. 100, e.v.).

3.6. G.A.M. Strijards (aansprakelijkheidsgronden, Zwolle 1988 p. 98)
stelt dat de dader bij artikel 242 Sr. zich ervan bewust moet zijn dat hij de
vrouw tegen haar wil ‘neemt’.

3.7. De bewijsoverweging enerzijds en de straftoemetingsoverwegingen
anderzijds roepen de vraag op welke wijze de Rechtbank het opzet, dat
requirant ontkent, bewezen achtte. Het lijkt erop dat in de bewijsoverwegingen
in hoofdzaak is gekeken naar de sociaal-materiele strekking van de gedragingen
in het rechtsverkeer, terwijl in de straftoemetingsoverweging de nadruk valt
op de ervaringskennis waarover requirant op grond van zijn persoonlijke
hoedanigheid beschikte (vgl. Strijards, pag. 103/104). Die benaderingen
verdragen elkaar in dit geval qua uitkomst niet.

3.8 Uit het citaat in de straftoemetingsoverweging blijkt dat
alcoholgebruik wellicht enige rol heeft gespeeld bij het weten en willen van
requirant. De gebezigde bewijsmiddelen laten niet toe te verdedigen dat
requirant in het geheel geen bewustheid meer had van hetgeen hij deed.
Strijards (pag. 105) waarschuwt echter:

“toch mag de dolus-in casu-constructie niet neer komen op een klakkeloze
fictie. Als iemand maar zeer matig drinkt, maar door een voor hem voorshands
onkenbare lichamelijke predispositie een “uitvalsmoment” ondergaat, heeft hij
geen kennis gehad van de aanmerkelijke kans daarop. De rechtsgoedschending is
hem niet als opzettelijk veroorzaakt toerekenbaar.”

De feitelijke vaststelling van de Rechtbank laat op zijn minst open dat
van een dergelijke situatie sprake was.

3.9 In de literatuur wordt het bewijs van het opzet, indien de dader in
dronkenschap heeft gehandeld, voornamelijk behandeld tegen de achtergrond van
de volslagen absentie van het bewustzijn (vgl. P.J.H.M. Brouns, Opzet in
Wetboek van Strafrecht, pag. 97 e.v. en Strijard, a.w., pag. 105, e.v.)

Minder aandacht wordt besteed aan de combinatie van alcoholgebruik en
(gebrekking ontwikkelde) persoonlijkheid van de dader. Nu de Rechtbank deze
factoren in niet nader gedefinieerde verhouding relevant heeft geoordeeld, had
de consequentie van deze samenloop van factoren voor het bewijs van het opzet,
voorzover gericht op de onvrijwilligheid van de vrouw, opgehelderd moeten
worden. Dat nu heeft de Rechtabk verzuimd te doen.

3.10. De commotie die het sub 3.1. vermelde “verkrachtingsarrest” heeft
veroorzaakt, mag er niet toe leiden, dat het vereiste opzet van de dader op de
onvrijwilligheid van de vrouw gemakshalve maar ondergeschikt wordt gemaakt aan
de belangen van slachtoffers dat uitdrukking wordt gegeven aan het belang dat
vrouwen erbij hebben gevrijwaard te worden van ongewilde seksuele handelingen.
Het belang van slachtoffers kan en mag niet resulteren in een strafrechtelijke
aansprakelijkheid van daders, indien aannemelijk is dat aan een subjectief
vereiste voor strafbaarheid niet is voldaan.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

1) te Bleiswijk op 16 november 1986 in een woning aan de …… ter
uitvoering van zijn voornemen en het misdrijf om door geweld een vrouw, W. H.,
met wie hij niet was gehuwd, te dwingen met hem vleselijke gemeenschap te
hebben, met geweld die vrouw heeft vastgepakt en haar broek naar beneden heeft
getrokken en zijn penis uit zijn broek heeft gehaald, zijnde de verdere
uitvoering van dat voornemen en dat misdrijf niet voltooid uitsluitend
tengevolge van de van zijn – verdachtes – wil onafhankelijke omstandgheid dat
een kind van die vrouw ter plaatse verscheen;

2) te Bleiswijk op 16 november 1986 door geweld een vrouw, W. H., met
wie hij niet was gehuwd heeft gedwongen, vleselijke gemeenschap met hem te
hebben;

hij heeft daartoe die vrouw vastgepakt en haar gevoerd naar een plaats
buiten de woning van die vrouw naar een pad achter die woning, en haar tegen
de muur van een schuurtje gedrukt en haar broeken naar beneden getrokken en
zijn penis in haar vagina gestopt.

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, voorzover
inhoudende:

Ik word M. genoemd.

Op 16 november 1986 bevond ik mij in de woning van een mij bekende
vrouw, genaamd Wil H. aan de ….. te Bleiswijk.

Ik was toen niet met die Wil gehuwd.

Toen wij samen in het halletje van die woning waren, heb ik Wil gezoend.
Ik wilde vervolgens vleselijke gemeenschap met haar hebben. Ik heb Wil op een
gegeven moment bij haar middel vastgepakt, haar broek naar beneden getrokken
en mijn penis uit mijn broek gehaald. Onverwacht verscheen vervolgens een kind
van Wil ter plaatse. Hierdoor ben ik gestopt.

Even later ben ik met Wil naar een plaats buiten haar woning gelopen en
wel naar een pad achter die woning. Ik hield toen haar hand vast.

Bij een muur van een daar gelegen schuurtje heb ik haar broeken naar
beneden getrokken en mijn penis in haar vagina gestopt.

2. Een ambtsedig proces-verbaal, als bijlage 1 gevoegd bij
proces-verbaal nummer M. 1207-86 d.d. 27 november 1986, welk eerst genoemd
proces-verbaal op 20 november 1986 is gesloten en getekend door M. Broer en
H.M.A. Vijverberg, respectievelijk adjudant en opperwachtmeester der
rijkspolitie in het district ‘s-Gravenhage, voor zover inhoudende:

als de op 20 november 1986 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring
van Wilhelmina H.:

Ik woon te Bleiswijk, ….. Ik ben gehuwd met Cornelis P.

Op 16 november 1986 stond ik met de mij bekende M. van den B. in het
halletje van mijn woning. M. pakte mij toen plotseling stevig vast. Ik
trachtte hem van mij af te duwen, maar dat lukte niet omdat hij gewoon te
sterk was. Ik voelde toen dat hij met zijn hand mijn broek los maakte.

Ik zag dat hij zijn penis uit zijn broek haalde. M. had mij toen steeds
stevig vast bij mijn schouder. Ik zag toen dat M. een erectie had. Ik begreep
dat hij geslachtsgemeenschap wilde. Ik wilde niet dat hij aan mijn lichaam
kwam. Ik was doodsbang voor hem.

Ik zei toen nog tegen hem dat ik niet wilde.

Juist op dat moment was mijn dochtertje Ma. naar beneden gekomen en
opende de deur van het halletje.

M. deed toen direkt zijn penis weer in zijn broek en sloot zijn gulp
Nadat de kleding weer in orde was gebracht ging ik de woonkamer in en stuurde
Ma. weer naar boven. Dat deed zij ook. M. was toen ook in de woonkamer
gekomen, en toen Ma. naar boven was gegaan, zei M. dat hij mij toch wilde
neuken, althans daar kwam het op neer. Het moest en zou gebeuren. Ik smeekte
hem toen het niet te doen.

Ik zag dat M. zich er niets van aantrok. Hij duwde mij gewoon de kamer
door met een hand.

Deze hand hield hij op mijn schouder en hij had mijn trui vast. M. duwde
mij steeds voor zich uit de achtertuin in naar buiten.

Vanuit de achtertuin moest ik direkt het pad linksaf volgen. Ik smeekte
hem om het niet te doen. Ik wilde geen gemeenschap. Ik voelde toen dat hij mij
met mijn rug tegen een muur van een schuurtje duwde. Ik voelde toen dat M.
mijn broek met een hand los maakte en deze gelijktijdig met mijn slipje naar
beneden trok.

Hij duwde mij constant vast tegen de muur. Ik zag dat hij een erectie
had, en ik zag en voelde toen dat hij mij staande probeerde te neuken. Ik
wilde niet en probeerde te voorkomen dat hij gemeenschap had met mij. Ik
voelde toen dat hij mij krachtig bij mijn heupen vastpakte en mij in een keer
omdraaide. Hij duwde mij toen krachtig vooruit, waardoor ik eigenlijk tegen de
muur van de schuur viel. Ik hield mij toen aan de schuur vast. Ik voelde
vervolgens dat hij zijn penis krachtig in mijn vagina duwde, en hij stootte
toen krachtig zijn penis in mijn vagina, en maakte toen op en neer gaande
bewegingen. Ik viel bijna tegen de muur aan. Tijdens de geslachtsgemeenschap
hield hij mij krachtig vast bij mijn heupen. Hij nam mij heel ruw.

5. Beoordeling van het middel

5.1. De door het Hof overgenomen strafmotivering van de Rechtbank luidt
als volgt:

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de aard van
de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de
verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, nadat hij met zijn vrouw en een bevriend echtpaar was
uitgeweest, met de vrouw van dat bevriende echtpaar tegen haar wil gemeenschap
gehad. Hij heeft die vrouw daartoe met fysieke middelen gedwongen.

Dusdoende heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit
van het slachtoffer en het vertrouwen dat het slachtoffer en haar echtgenoot
in hem stelden ernstig beschaamd.

Uit het onderzoek ter zitting is naar voren gekomen, dat het slachtoffer
nog geruime tijd na het gebeuren de nadelige gevolgen daarvan ondervond.

De rechtbank is van oordeel, dat, gelet op de ernst van de
bewezenverklaarde feiten, vanuit strafrechtelijk oogpunt daarop met een
vrijheidsbenemende straf dient te worden gereageerd.

Bij de bepaling van de duur en de modaliteit van deze straf overweegt de
rechtbank het volgende.

Gedurende het vooronderzoek heeft verdachte verklaard, dat het mogelijk
is, dat hij de situatie en de gevoelens van het slachtoffer verkeerd heeft
beoordeeld. Deze verklaring sluit aan bij de bevindingen van drs. Nagtzaam, de
rapporterend psycholoog: “De mogelijkheid kan bestaan, dat de hoeveelheid
drank, het verminderde goede taxatie-vermogen van onderzochte en de
aanwezigheid ontremming (waarbij mogelijk bij onderzochte minder angst
aanwezig was om af te gaan), reeds “het kleinste signaal” van het slachtoffer
(wat dan van haar zijde niet bedoeld zou zijn als signaal tot dit gebeuren,
doch slechts een niet betekenend onderdeel van een genoegelijk samenzijn) door
onderzochte als “uitnodiging” werd ervaren.”

De rechtbank acht de mogelijkheid van een onjuiste inschatting van
verdacht aannemelijk. De rechtbank neemt over de conclusie van drs. Nagtzaam,
dat verdachte de feiten slechts in verminderde mate zijn toe te rekenen.
Maatschappelijk gezien heeft verdachte reeds de gevolgen van het gebeuren
ondervonden doordat hij zijn werk heeft verloren. Tenslotte laat de rechtbank
meewegen, dat verdachte nog niet eerder terzake van enig misdrijf tot een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld.

Alles afwegend acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

5.2. Het Hof kon uit de gebezigde bewijsmiddelen de telastegelegde
poging tot verkrachting en verkrachting afleiden, met name dat de aan de
verdachte verweten handelingen tegen de wil van het slachtoffer hebben
plaatsgevonden en dat de verdachte zulks uit de uitlatingen en tegenstrevingen
van het slachtoffer moest begrijpen.

5.3. Hiermede is niet in strijd dat het Hof in de strafmotivering heeft
overwogen dat het “de mogelijkheid van een onjuiste inschatting van verdachte
aannemelijke” acht en dat het Hof overneemt de conclusie van de psycholoog
Nagtzaam – zakelijk weergegeven – dat de verdachte door de omstandigheden van
het samenzijn met het slachtoffer de indruk kan hebben gehad dat dat
slachtoffer niet afwijzend stond tegenover toenaderingspogingen zijnerzijds.

Het Hof heeft hiermede immers kennelijk niet tot uitdrukking gebracht
dat de verdachte de protesten en de afweer van het slachtoffer niet behoeft te
hebben begrepen als uitingen van haar onwil om met hem vleselijke gemeenschap
te hebben, maar dat bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met de
mogelijkheid dat de verdachte aanvankelijk kan hebben gemeend dat het
slachtoffer zijn toenaderingspogingen niet zou afwijzen.

5.4. Het middel faalt mitsdien.

6. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou
behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Vice-president Bronkhorst als voorzitter en de raadsheren Beekhuis enGovaerts, griffier Sillevis Smitt-Mulder

Instantie: Raad van State, 9 maart 1989

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State
(schorsing/voorlopige voorziening) wordt verzocht ten aanzien van het besluit
van verweerders van 20 december 1988, betreffende ongegrondverklaring van het
bezwaarschrift gericht tegen het besluit van verweerders van 30 augustus 1988,
waarbij afwijzend is beslist op het verzoek van verzoekster om als
woningzoekende in de gemeente Leidschendam te worden ingeschreven

Op grond van artikel 3, aanhef en onder c, van de Woonruimteverordening
1984 van de gemeente Leidschendam kunnen voor inschrijving in het register van
woningzoekenden in aanmerking komen zij, die de leeftijd van 18 jaar hebben
bereikt en niet of niet meer duurzaam aan het arbeidsproces deelnemen.
Hiertoe behoren in ieder geval gepensioneerden, ernstig invaliden, remigranten
en langdurig werklozen

Naar de mening van verweerders behoort verzoekster niet tot de groep van
woningzoekenden die niet of niet meer duurzaam aan het arbeidsproces
deelnemen

Echter in andere gevallen kan ook sprake zijn van een situatie waarin
evenzeer dient te worden gesproken van een persoon die ter voorziening in het
bestaan niet of niet meer duurzaam arbeid verricht. De persoonlijke
omstandigheden van de betrokkene dienen voor het antwoord op de vraag of deze
situatie zich voordoet, mede een rol te spelen

Gelet op bovenstaande bestaat bij Ons gerede twijfel of het bestreden
besluit in stand zal kunnen blijven

In juli 1988 is een echtscheidingsprocedure tussen verzoekster en haar
echtgenoot in gang gezet, en sindsdien is zij aangewezen op een uitkering
krachtens de Algemene Bijstandswet. Zij stelt dat zij daarbij door de
gemeentelijke sociale dienst is vrijgesteld van de verplichting te
solliciteren naar betaalde arbeid, zulks in verband met de opvoeding van haar
kinderen

Gegeven de omstandigheden waarin verzoekster verkeert achten Wij
geenszins uitgesloten dat zij moet worden aangemerkt als behorend tot de
categorie van personen die niet meer duurzaam aan het arbeidsproces deelnemen
als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c, voornoemd

Het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van
State komt derhalve voor inwilliging in aanmerking en de Voorzitter treft de
voorlopige voorziening dat burgemeester en wethouders van Leidschendam
verzoekster zullen behandelen als ware zij sedert 15 augustus 1988
ingeschreven als woningzoekende in de gemeente Leidschendam

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.M. Polak, waarnemend voorzitter

Instantie: Raad van Beroep Haarlem, 7 maart 1989

Instantie

Raad van Beroep Haarlem

Samenvatting


Klaagster heeft op 27 mei 1987 bij verweerder een aanvraag ingediend om
een Werkloosheidswet (WW)-uitkering. Op 15 mei 1987 heeft klaagster bij
haar werkgever ontslag genomen met ingang van 1 juli 1987 omdat zij in
Amsterdam geen woonruimte kon krijgen. Tijdens de sollicitatieprocedure is
van de zijde van haar werkgever mondeling toegezegd dat de huisvesting in
Amsterdam wel geregeld zou worden, via een bevriende makelaar van werkgever
Spoedig hierna werd haar inderdaad woonruimte in Amsterdam aangeboden,
maar klaagster is hierop niet ingegaan omdat zij bij haar huurwoning in
Alkmaar een opzegtermijn van drie maanden in acht moest nemen

Half augustus 1987 is klaagster als verkoopster in een videowinkel gaan
werken

Blijkens de Voorlegger WW van 11 november 1987 wordt uiteindelijk
geconcludeerd dat klaagster verwijtbaar werkloos is te achten door haar
ontslagname bij haar voorlaatste en laatste werkgever en dat er sprake is van
een zeer veel meer dan standaard verwijtbare werkloosheid hetgeen een blijvend
gehele weigering van de uitkering rechtvaardigt

De raad is van oordeel dat klaagster op 1 juli 1987 verwijtbaar werkloos
is geworden. De bezwaren welke aan voortzetting van dat dienstverband waren
verbonden acht de raad niet zodanig dat die voortzetting redelijkerwijs niet
van klaagster gevergd zou kunnen worden

Gelet op het hierboven overwogene was verweerder bevoegd de uitkering
blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of
de uitkeringsduur te beperken. Verweerder heeft in casu voor de eerste
optie, blijvend geheel weigeren, gekozen

Verweerder heeft aangevoerd dat hij zich bij de wijze, waarop de hier
besproken bevoegdheid in casu is ingevuld heeft laten leiden door de
richtlijnen van de Federatie van Bedrijfsverenigingen terzake geformuleerd

De raad is van oordeel dat de verweerder op ontoereikende gronden
toepassing heeft gegeven aan de zwaarst mogelijke sanctie. Klaagsters
opstelling en handelen verdienen het praedicaat zeer verwijtbaar waarbij,
overeenkomstig de eerder vermelde richtlijnen, een tijdelijke gedeeltelijke
weigering past. De beslissing welke thans aan het oordeel van de raad
onderworpen is acht de raad vrucht van onvoldoende afweging van belangen.
Tevens doet deze beslissing onvoldoende recht aan de per 1 januari 1987 in het
systeem van de WW aangebrachte wijziging dat het karakter van de werkloosheid
niet langer voor het recht op uitkering bepalend is

De raad verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden
beslissing

Volledige tekst

Rechters

Mr. G.J.A. van Unnik als voorzitter, S.H.Th. Swart en C. Nieuwkoop alsleden