Gezamenlijk commentaar op Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013-2016, 11 juni 2013

De onderstaande vrouwenorganisaties zijn positief over de (hernieuwde) nadruk in de Hoofdlijnenbrief op economische zelfstandigheid en financiële zelfredzaamheid van vrouwen. Economische zelfstandigheid kan niet alleen bijdragen tot preventie van armoede na echtscheiding of wanneer je om een andere reden er alleen voor komt te staan, maar ook tot een gelijkwaardiger positie van vrouwen en mannen in de samenleving en thuis, en tot preventie van huiselijk en ander geweld tegen vrouwen.

1.    Gendertoets
De keuze van het Kabinet voor economische zelfstandigheid van vrouwen is richtinggevend voor het beleid (wetgeving en maatregelen) van de verschillende departementen voor de komende jaren. Om deze kabinetskeuze te (kunnen) realiseren, is aanwezigheid van genderbewustzijn bij professionals bij de verschillende departementen onmisbaar. De afgelopen jaren was eerder sprake van het wegvallen van gendersensibiliteit, dan van een toename. Als gender al in beeld komt dan gaat het vaak om het adresseren van problemen en niet om oplossingen.

Ter ondersteuning van deze Kabinetsdoelstelling zou een gendertoets (of op zijn minst een economische zelfstandigheidstoets) bij beleid(smaatregelen) en wetgeving de positieve en negatieve effecten op de emancipatie en economische zelfstandigheid  zichtbaar kunnen maken, uitgesplitst naar sekse en etniciteit.

Dit betekent ook dat er een bepaalde bekendheid met genderimplicaties en ‘gendersensibiliteit’ moet worden versterkt. Bijvoorbeeld door ruimte te maken voor scholing en bewustwording van professionals binnen de verschillende ministeries. Bij de gemeenschappelijke vrouwenorganisaties is expertise op dit gebed ruim aanwezig. Zij bieden hierbij graag hun diensten aan.

VOORSTEL 1

Het invoeren van een gendertoets (uitgesplitst naar sekse en etniciteit), met name een toets op de effecten ten aanzien van economische zelfstandigheid, bij alle voorgenomen beleid(smaatregelen) én wetgeving, in ieder geval op het gebied van arbeid, sociale zekerheid, personen- en familierecht en zorg en bij bezuinigingsmaatregelen. Het bevorderen van gendersensitiviteit bij de professionals binnen de verschillende departementen (concept motie 1 bijgevoegd)

2.    Tijden van de samenleving
Voorts constateren onderstaande vrouwenorganisaties dat voor een – door het kabinet gewenste  en door ons onderschreven – toename van het aantal economisch zelfstandige vrouwen, het noodzakelijk is dat overal in het land –samen met gemeenten- substantiële, structurele maatregelen worden genomen om arbeid en zorg werkelijk te kunnen combineren. Het SER-advies “Tijden van de samenleving” (april 2011) heeft (nog) niet op alle vlakken al resultaten opgeleverd, zo blijkt uit het Kabinetsstandpunt verwoord in de brief van 7 november 2011. Een actuele voortgangsrapportage van alle elementen uit deze brief is noodzakelijk om te zien waar de gaten vallen en (wettelijke) drempels geslecht moeten worden op het gebied van ‘brede scholen’, sluitende dag-arrangementen en betaalbare en kwalitatief goede kinderopvang etc. etc.

VOORSTEL 2
Aandringen op het actualiseren van het Kabinetsstandpunt over de voorgestelde maatregelen uit het SER rapport “Tijden van de samenleving” (7 november 2011) en de voortgang teneinde  een landelijke dekkend stelsel te bereiken, en deze rapportage voor 1 juni  2014 aan de Kamer aan te bieden, inclusief verbeteringsvoorstellen (concept motie 2 bijgevoegd).

3.    Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld
Tenslotte constateren de ondertekenaars  dat projecten/maatregelen in de sfeer van preventie en bestrijding van huiselijk geweld beter op elkaar afgestemd moeten worden om werkelijk afname van dergelijk geweld jegens vrouwen te bereiken. Een Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld (met concrete doelstellingen en periodieke evaluatiemomenten) kan verbetering van het NL-beleid bewerkstelligen. Tevens zou met een dergelijk plan worden voldaan aan de eisen van het CEDAW (toezichthoudend orgaan van de VN-Vrouwenverdrag) en aan de ratificatie-eisen van het Verdrag ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Cahvio-verdrag).

VOORSTEL 3
Aandringen op het opstellen van een gendersensitief Nationaal Actieplan Huiselijke Geweld waarin alle maatregelen en projecten tegen huiselijk geweld in samenhang zijn opgenomen voor Prinsjesdag 2013, waarvan de voortgang jaarlijks wordt gerapporteerd (concept motie 3 bijgevoegd).

Dit is een gezamenlijk commentaar van:

–      Atria-kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis
–      Nederlandse Vrouwen Raad. Lidorganisaties:

                        Algemene Nederlandse Vrouwenvereniging Tesselschade-Arbeid Adelt
Baha’¡ Vrouwenforum Nederland
Business and Professional Women The Netherlands
CDA Vrouwenberaad
Delta Kappa Gamma Nederland
FAM! Expertisecentrum voor Vrouwenvraagstukken
Federatie Zakenvrouwen
Femmes for Freedom
FNV Vrouwenbond
GAIA, netwerk voor vrouwen in de aardwetenschappen
Gender Concerns International
Independent Order of Odd Fellows
Katholiek Vrouwen Dispuut
Koninklijke Nederlandse 0rganisatie van Verloskundigen
KVO
Liberaal Vrouwen Netwerk
LTO Vrouw en Bedrijf
Melania Ontwikkelingssamenwerking
Molukse Vrouwen Raad
National Council of Jewish Women Nederland
Nederlandse Organisatie van Vrouwelijke ApothekersNVVH-Vrouwennetwerk (aspirant-lid)
Oudere Vrouwennetwerk Nederland
Partij van de Arbeid vrouwennetwerken
Passage, Christelijk-maatschappelijke vrouwenbeweging
Politiek Scholings Centrum
Proefprocessenfonds Clara Wichmann
Provinciale Vrouwenraad Noord Brabant
Stichting Nederland Suriname Antillen Gendervraagstukken
Stichting Religieuzen tegen Vrouwenhandel
Unie Nederlandse Katholieke Vrouwenbeweging
Unie van Soroptimistclubs in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen
Unie van Vrouwelijke Ondernemers Gelderland
Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen
Vereniging van Vrouwen met Hogere Opleiding
Vereniging voor Vrouwenbelangen
Vereniging voor Vrouwengeschiedenis
Vrouwen Organisatie Nederland Darfur
Vrouwen van Nu
Vrouwen voor Vrede
Vrouwennetwerk Wageningse Ingenieurs
Vrouwenplatform Carree Overijssel
Women in Europe for a Common Future
Women on the Web-NL
Women’s International League for Peace and Freedom Nederland
Women’s International Zionist Organization
Yente
Young Womens Christian Association Nederland
Zeeuws Vrouwenplatform
Zonta Nederland

 

–      Netwerk VN-Vrouwenverdrag
–      Samenwerkingsverbanden van het Landelijke Overleg Minderheden
–      Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR)
–      Vrouwenpodium 2010-2020 , samenwerkingsverband van FNV, NVR en LOM
–      Women Inc

Bijlagen:

Concept motie 1. Gender of economische zelfstandigheidstoets
Concept motie 2. Voorzieningenstructuur
Concept motie 3. Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld

Concept motie 1: Gender of economische zelfstandigheidstoets
Motie gericht op gendertoets (uitgesplitst naar sekse en etniciteit) om de effecten van beleid(smaatregelen) en wetgeving zichtbaar te maken

De Kamer, gehoord de beraadslagingen met betrekking tot de Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013 – 2016,

van mening zijnde dat
de doelstelling van het kabinet om de economische zelfstandigheid van vrouwen te versterken een groot belang vertegenwoordigt, zowel voor de samenleving als geheel als voor vrouwen, mannen en kinderen  individueel,

overwegende dat
–      De keuze van het Kabinet voor economische zelfstandigheid  richtinggevend is voor het beleid(smaatregelen) en wetgeving van de verschillende departementen voor de komende jaren:
–      In de praktijk blijkt dat maatregelen en wetgeving niet automatisch leidt tot versterking van genoemd beleid;
–      Ter ondersteuning van genoemd beleid, het inzetten van extra hulpmiddelen noodzakelijk is om bij beleid(smaatregelen) en wetgeving de positieve en negatieve effecten op de emancipatie en economische zelfstandigheid  zichtbaar kunnen maken, uitgesplitst naar sekse en etniciteit;
–      De aanwezigheid van genderbewustzijn en kennis van professionals bij de verschillende departementen onmisbaar is en niet altijd aanwezig en daarom versterking behoeft.

Verzoekt de minister

  1. Een verplichte gendertoets (uitgesplitst naar sekse en etniciteit) , met name op de effecten ten aanzien van economische zelfstandigheid, toe te (laten) passen op alle voorgenomen nieuwe beleid(smaatregelen) en wetgeving, in elk geval bij beleid en wetgeving op het gebied van arbeid, sociale zekerheid, personen- en familierecht en zorg en bij bezuinigingsmaatregelen.
  2. De gendersensitiviteit en –expertise te bevorderen bij de professionals binnen de verschillende departementen

En gaat over tot de orde van de dag

Toelichting

Het realiseren van de keuze van het Kabinet voor economische zelfstandigheid van vrouwen is zeker niet vanzelfsprekend. Om deze beleidskeuze te steunen zijn twee zaken nodig:

  1. Het zichtbaar maken van de effecten van beleid(smaatregelen) en wetgeving op het gebied van economische zelfstandigheid  van vrouwen. Aangezien slechts ca. 50% van de vrouwen economische zelfstandig is, en dit percentage lager ligt bij zwarte, migranten en vluchtelingenvrouwen, is het uitsplitsen naar verschillende groepen gewenst.
  2. Het verhogen van de ‘gendersensibiliteit’ bij professional binnen de ministeries, bijvoorbeeld door ruimte te maken voor scholing en bewustwording. De gemeenschappelijke vrouwenorganisaties en-kenniscentra kunnen hun expertise hiervoor inzetten.

Concept motie 2: Voorzieningenstructuur

Motie betreffende voorzieningenstructuur in relatie tot economische zelfstandigheid van vrouwen.  ————————————————————————————————————-

De Kamer, gehoord de beraadslagingen met betrekking tot de Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013 – 2016,

van mening zijnde dat
Een situatie van economische zelfstandigheid van zo veel mogelijk vrouwen een groot belang vertegenwoordigt, zowel voor de samenleving als geheel als voor vrouwen, mannen en kinderen  individueel,

overwegende dat

 

  • De Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013 – 2014, onder A bij de beleidsmaatregelen, een brief van SZW wordt toegezegd waarin nader zal worden ingegaan op de mogelijkheden de combineerbaarheid van arbeid en zorg verder te verbeteren;
  • In deze bijlage andere beleidsmaatregelen worden genoemd  zoals pilot projecten, position papers, onderzoek, subsidies voor projecten als bijvoorbeeld Talent naar de Top;
  • Voor uitbreiding van beroepsdeelname van vrouwen en verhoging van hun economische  zelfstandigheid daadwerkelijk tot stand komen er substantiële, structurele maatregelen nodig zijn;
  • Er al de nodige zeer bruikbare en goede rapporten betreffende kinderopvangvoorzieningen in relatie tot arbeid van vrouwen zijn verschenen, met name het SER-advies ‘Tijden van de Samenleving’ van april 2011;
  • Een landelijk dekkend stelsel van brede scholen, sluitende dagarrangementen, betaalbare en kwalitatief goede kinderopvangvoorzieningen een noodzakelijke voorwaarde vormt voor een daadwerkelijke uitbreiding van beroepsdeelname van vrouwen;

Verzoekt de Minister

De relevante aanbevelingen in het SER-advies ‘Tijden van de Samenleving’ te overwegen en te komen met een actualisering van de voortgang op de verschillende aspecten genoemd in de brief van 7 november 2011 en hierover voor 1 januari 2014 aan de Kamer te rapporteren, inclusief verbetervoorstellen.

En gaat over tot de orde van de dag.

Toelichting
Een groter getal aan economisch zelfstandige vrouwen vertegenwoordigt een groot belang, zowel maatschappelijk als individueel. Gezinnen worden minder kwetsbaar voor economische crises en andere vormen van tegenspoed; echtscheidingen en andere onvoorziene omstandigheden zullen in mindere mate dan thans het geval is tot armoede onder vrouwen aanleiding geven.

In Nederland zijn de kosten van het organiseren van twee volwaardige banen in huishoudens met kinderen (te) hoog. Daarmee daalt de aantrekkelijkheid van volwaardige banen voor vrouwen. De in het SER-rapport Tijden van de samenleving genoemde maatregelen kunnen de organisatiekosten verlagen en het kiezen voor volwaardige banen aantrekkelijker maken. Met dat gegeven zal een norm op gang komen die een volledige of grote deeltijdbaan voor vrouwen tot een vanzelfsprekende optie maakt. Deze norm komt alleen tot stand  op basis van feitelijke gedragingen van mensen. Attitudeverandering vooraf werkt niet tot minder goed. Attitudes wijzigen zich vooral op basis van gedragingen. Een eenvoudige waarheid: de vanzelfsprekendheid van volwaardige banen voor vrouwen komt alleen tot stand door feitelijk gedrag in die richting.
Een actualisering van alle onderdelen in de kabinetsbrief van 7 november 2011 geeft zicht op de voortgang, zeker als verbetervoorstellen daarbij worden gevoegd.

Concept motie 3: Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld

Motie betreffende de verplichtingen voortvloeiend uit het VN-Vrouwenverdrag en het Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld.

———————————————————————————————————

De Kamer, gehoord de beraadslagingen met betrekking tot de Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013-2016,

Van mening zijnde dat
De bestrijding en preventie van huiselijk geweld op een hoger plan gebracht dienen te worden teneinde de rechten van vrouwen op bescherming voortvloeiend uit het VN-Vrouwenverdrag te waarborgen,

Overwegende dat

  • De Hoofdlijnenbrief Emancipatie 2013-2016 terecht stelt dat de overheid een ‘duty to protect’ heeft;
  • Het CEDAW in november 2012 de Nederlandse regering heeft aanbevolen in juli 2013 aanvullende informatie te verstrekken over activiteiten betreffende het al jaren aangekondigde Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld without delay vast te stellen en uit te voeren.
  • De scan naar gender sensitieve aanpak – waartoe de minister samen met haar collega’s van Ven J en VWS besloten heeft – onvoldoende uitvoering geeft aan deze dringende aanbevelingen van het CEDAW en
  • Bovendien een Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld dat voldoende recht doet aan de genderspecifieke aspecten van dat geweld, vereist is alvorens kan worden overgegaan tot ratificatie van het Verdrag ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Cahvio-verdrag)

Verzoekt de Minister

Als coördinerend minister voor emancipatie er voor te zorgen dat met de ministers van VenJ en VWS en andere stakeholders onverwijld een Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld tot stand gebracht wordt en de Kamer hierover voor Prinsjesdag 2013 te berichten.

En gaat over tot de orde van de dag

Toelichting
Al in de 5de regeringsrapportage aan het CEDAW in 2009 is een nieuw Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld aangekondigd, dat tot op heden niet is vastgesteld. Het CEDAW deed al in 2010 de dringende aanbeveling “to ensure that the specifities of domestic violence targeting women be fully taken into consideration in the formulation of the new plan of action against domestic violence starting in 2011.”
Ter voorbereiding van dat Nationaal Actieplan is al een onderzoek met aanbevelingen over een gender sensitieve aanpak gepubliceerd (Margreet de Boer, De aanpak van gender gerelateerd geweld in de privésfeer; Aanknopingspunten voor een meer genderbewuste aanpak van huiselijk geweld. Projects on Women’s Rights, Amsterdam 2008). Door diverse betrokkenen is aangegeven dat het gebrek aan samenhang, coördinatie en afstemming een van de grote knelpunten is bij een effectieve bestrijding en preventie van huiselijk geweld (zie Schaduwrapportage 2012).
Door de kabinetswisseling is de geplande veldraadpleging over een Nationaal Actieplan Huiselijk Geweld naar de achtergrond geraakt. Nu is het tijd om hier nieuw leven in te blazen.

 

Brief aan vaste commissie OC&W over hoofdlijnenbrief emancipatiebeleid 2013-2016, 6 juni 2013

commentaar hoofdlijnenbrief emancipatiebeleid (PDF)

Aan de Vaste Commissie OC&W, Tweede Kamer
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Leiden, 6 juni 2013

Betreft: Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013-2016, Kamerstukken II, 2012/2013 30420, nr. 180

Geachte dames en heren,

Op 13 juni a.s. zult u in een Algemeen Overleg met de coördinerend minister van emancipatie van gedachten wisselen over de Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013-2016.  De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) brengt u voor dit debat graag haar visie onder uw aandacht.

1. Economische zelfstandigheid
De VVR is positief over de hernieuwde nadruk in de Hoofdlijnenbrief op economische zelfstandigheid en financiële zelfredzaamheid van vrouwen, al komt daarbij behorende de zorgzelfstandigheid van mannen helaas wat minder uit de verf. Economische zelfstandigheid kan bijdragen tot preventie van armoede na echtscheiding, maar ook tot preventie van huiselijk en ander geweld tegen vrouwen.
Ook de in de publiciteit rond de Hoofdlijnenbrief verwoorde oproep aan vrouwen het eeuwige schuldgevoel over hun gezin achter zich te laten kan op onze warme steun rekenen. Om speciaal vrouwen daar een nieuw schuldgevoel voor in de plaats aan te praten is naar de mening van de VVR minder opportuun: dan zou zij ook andere carrière-switchers of downsizers die hun opleiding vroeger of later niet direct uitnutten moeten aanspreken.
De minister lijkt voorts geen oog te hebben voor degenen die noodgedwongen in een functie beneden hun opleidingsniveau werken, waarbij vrouwen en etnische minderheden oververtegenwoordigd zijn. Dat is onvrijwillige onderbenutting.
Ook de grote groep werklozen vrouwen blijft buiten beeld, terwijl het werkloosheidspercentage nog steeds iets hoger is dan dat van mannen. Dat de werkloosheid onder niet-westerse allochtone vrouwen maar liefst drie maal zo hoog is als onder autochtone vrouwen baart extra zorgen (cijfers CBS). Met de voorziene bezuinigingen in de zorgsector dreigt de werkloosheid onder vrouwen nog verder toe te nemen.
Voorstel:
De minister te vragen een verplichte (naar sekse en etniciteit uitgesplitste) economische zelfstandigheidstoets toe te (laten) passen op alle voorgenomen nieuw beleid(smaatregelen) en wetgeving.

Wat betreft het bevorderen van de zorgzelfstandigheid van mannen wacht de VVR vooralsnog de in de Bijlage aangekondigde brief van de minister van SZW af om de mogelijkheden van de combineerbaarheid van arbeid en zorg verder te verbeteren.
Voorstel:
Bij de minister van SZW aan te dringen om de relevante aanbevelingen in het SER-advies Tijden van de Samenleving, die door het vorige kabinet genegeerd zijn, te heroverwegen.

2. Meeruren werken
De VVR vindt verder dat de minister in haar ‘management by speech’ over economische zelfstandigheid van vrouwen te veel nadruk legt op de vrouwen die uit eigen keus in een kleine deeltijdbaan zouden werken, waarmee ze niet economisch zelfstandig kunnen zijn. De VVR vindt dat dit de grote groep vrouwen (een op de tien, zeker 350.000!, cijfers CBS) die onvrijwillig een te klein aantal uren werkt, te kort doet. Door hen daadwerkelijk te ondersteunen bij het vinden van een grotere baan of het uitbreiden van uren in hun huidige baan, zou een momentum tot stand gebracht kunnen worden wat betreft toename van economische zelfstandigheid van vrouwen. Het is erg jammer dat de website www.meerurenwerken.nl met de instrumenten van de Taskforce DeeltijdPlus, inclusief het Handboek grotere deeltijdbanen, door het departement uit de lucht is gehaald. Aangezien de domeinnaam nog is geregistreerd voor de Rijksoverheid moet dit spoedig, vrijwel zonder kosten, hersteld kunnen worden.
Voorstel:
De minister te verzoeken de website met instrumenten van de Paskforce DeeltijdPlus, inclusief het Handboek grotere deeltijdbanen onverwijld weer ‘in de lucht’ te brengen.

3. Vrouwenrechten geborgd in VN-Vrouwenverdrag
De VVR is positief over de expliciete verwoording van de overtuiging dat vrouwenrechten (en LHBT-rechten) onvervreembare mensenrechten zijn, die continu moeten worden bewaakt en beschermd. De brief refereert echter vooral aan het VN-Vrouwenverdrag waar het gaat om de coördinerende rol van de minister. Een meer praktische vertaling van de verplichtingen voortvloeiend uit het verdrag is vereist.
Zo mag bijvoorbeeld bij de verderop in de Hoofdlijnenbrief aankondigde verkenning vrouwen en gezondheid art. 12 (vrouwen en gezondheid) van het VN-Vrouwenverdrag en Algemene Aanbeveling 24 niet ontbreken, naar de mening van de VVR. In deze Algemene Aanbeveling geeft het CEDAW-Comité een nadere duiding van art. 12 aangaande enerzijds hetgeen Verdragslanden moeten ondernemen en anderzijds de rechten die vrouwen aan dit verdragsartikel kunnen ontlenen. Meer specifiek zouden ook de toegang tot de gezondheidszorg van vrouwen zonder verblijfstitel en de noodzaak van de beschikbaarheid van tolken bijvoorbeeld aan de orde moeten komen. Dit zijn aanbevelingen uit het jaarcongres van de VVR 2012 ‘Sekseverschillen in de gezondheidszorg discriminerend?’.
Voorstel:
Art. 12 VN-Vrouwenverdrag en bijbehorende Algemene Aanbeveling 24 opnemen in de verkenning vrouwen en gezondheid.

4. Nationaal actieplan huiselijk geweld
Een ander voorbeeld betreft het huiselijk geweld en ander geweld tegen vrouwen, waarover de Hoofdlijnenbrief terecht stelt dat de overheid een duty to protect heeft. De beleidsvoornemens in de Bijlage bij de Hoofdlijnenbrief  ad B zijn hier niet ambitieus genoeg. Niet voor niets heeft het CEDAW-Comité bij brief van 26 november 2012 opnieuw dringend aanbevolen het al jaren aangekondigde nationaal actieplan huiselijk geweld without delay vast te stellen en uit te voeren. Het Comité verwacht al in juli 2013 aanvullende informatie over uitvoering van deze en enige andere aanbevelingen aangaande geweld tegen vrouwen en mensenhandel. In de tussenrapportage van de regering (april 2012) was namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre deze aanbevelingen geïmplementeerd waren. Het opstellen van een nationaal actieplan moet niet moeilijk zijn, aangezien de Bijlage bij de Hoofdlijnenbrief bericht dat het wetgevingstraject voor spoedige ratificatie van het Verdrag ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Cahvio-verdrag) van de Raad van Europa in gang is gezet. Een nationaal actieplan behoort daar onderdeel van uit te maken.
Voorstel:
Te bewerkstelligen dat de minister in haar coördinerende rol er voor zorgt met overige betrokken departementen (VenJ en VWS) en andere stakeholders een nationaal actieplan huiselijk geweld vast te stellen en u daar voor Prinsjesdag 2013 over te berichten.

5. Andere concrete aanbevelingen CEDAW-Comité genegeerd?
De VVR heeft sterk de indruk dat Nederland bovendien andere aanbevelingen van het CEDAW-Comité uit 2010 negeert. Minister Bussemaker schrijft het lopende beleid, de Hoofdlijnenbrief emancipatie 2011, voort te zetten. Daarin stond slechts een algemene intentieverklaring “Het kabinet doet haar voordeel met de aanbevelingen van het comité, betrekt deze bij de beleidsvorming”. Sindsdien is echter niets meer vernomen over bijvoorbeeld de aanbeveling het naamrecht te wijzigen, de afstemming binnen het Koninkrijk, het uitvoeren van emancipatie-effectrapportages, het sneller doen toenemen van het aantal vrouwelijke hoogleraren, het uitvoering geven van aanbevelingen over immigratiebeleid en daaraan gerelateerde zaken en zwarte, migranten en vluchtelingenvrouwen.
Over andere onderwerpen is wel een kabinetsstandpunt ingenomen, zonder echter een relatie te leggen met de aanbevelingen van het CEDAW-Comité, laat staan die uit te voeren. Bijvoorbeeld aangaande het afzien van maatregelen door kabinet tegen het weigeren van de SGP om vrouwen formeel juridisch én materieel passief kiesrecht te geven. Dit geldt ook voor de vraagstelling aan de onlangs ingestelde Commissie die moet onderzoeken hoe de rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel in overeenstemming gebracht kan worden met het nog te ratificeren ILO verdrag 189. Zowel het CEDAW-Comité als het ESOCUL-Comité hadden eerder aanbevolen deeltijd huishoudelijk personeel volledige werknemersrechten te geven teneinde uitvoering te geven aan de VN-mensenrechten verdragen, waarop zij toezien.
Voorstel:
De minister verzoeken om u enerzijds expliciet te informeren hoe het kabinet ALLE aanbevelingen van het CEDAW-Comité uit 2010 betrekt bij de beleidsvorming. Anderzijds zou een mensenrechtenparagraaf wenselijk zijn bij alle nieuwe beleidsvoornemens en in ieder geval die onderwerpen waarover een mensenrechtencomité zich heeft uitgelaten.

6. Economische gevolgen van huwelijk en echtscheiding
Ook letterlijk is vertaling noodzakelijk: de Algemene Aanbeveling van het CEDAW-Comité 29 over de economische gevolgen van huwelijk en echtscheiding (februari 2013) is nog niet vertaald in het Nederlands. Deze aanbeveling zou toch zeker aan de orde moeten komen in het in de Bijlage van de Hoofdlijnennota genoemde position paper over de de facto ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in relatie tot het alimentatierecht.
Voorstel:
De minister te vragen de Algemene Aanbeveling 29 over de economische gevolgen van huwelijk en echtscheiding te vertalen en te laten betrekken bij het position paper.

7. Verspreiding en uitvoering Algemene Aanbevelingen CEDAW-Comité
Daarnaast acht de VVR het de taak van de coördinerend minister de Algemene Aanbevelingen van het CEDAW-Comité naar het parlement te zenden en te verspreiden onder relevante groepen professionals. Plaatsing op rijksoverheid.nl, waar het alleen door gericht te vragen met de zoekfunctie te vinden is (en niet eens bij het onderwerp emancipatie) is volstrekt onvoldoende.
Voorstel:
Een brief te vragen hoe het kabinet zijn voordeel gaat doen met de laatste Algemene Aanbevelingen over vrouwelijke arbeidsmigranten, oudere vrouwen, discriminatiebestrijding en de economische gevolgen van huwelijk en echtscheiding.

8. Uitbreiding mid-term review nodig
De minister stelt een mid-term review in het vooruitzicht voor eind 2014 om te bezien in hoeverre de gewenste resultaten van nieuwe en oude beleidsvoornemens behaald worden en om te bezien of het lopend beleid moet worden bijgesteld. Dat tijdstip zou volgens de VVR ook moeten gelden voor de streefcijfers van 30% vrouwen in Raden van Bestuur en Raden van Toezicht van grote bedrijven en de Algemene Bestuursdienst. Met wachten tot eind 2015 of 2017 ontneemt het kabinet zichzelf de mogelijkheid iets bij te sturen.
Voorstel:
Aandringen op het eerder monitoren van de resultaten van het streven naar 30% vrouwen in Raden van Bestuur en Raden van Toezicht en van Commissarissen en van de Algemene Bestuursdienst en wel in eind 2014 en 2015.

9. Huwelijkse gevangenschap toevoegen aan beleidsvoornemens
Huwelijkse gevangenschap is een specifieke vorm van geweld tegen vrouwen. Helaas zag de minister geen kans haar toezegging op 28 januari 2013 (nieuwe naam Atria) dit probleem te adresseren tijdens haar aanwezigheid bij de vergadering van de UN Commission on the Status of Women na te komen. Door het wel toe te voegen aan de beleidsvoornemens bij de speerpunten D. Internationale polarisatie als  B. Sociale veiligheid van vrouwen, meisjes en LHBT’s kan de minister zich uitstekend revancheren.
Voorstel:
Bij de minister er op aan dringen op opnemen huwelijkse gevangenschap bij speerpunten D. en B.

10. Betrekken van het veld in al zijn diversiteit
De VVR is teleurgesteld dat de minister de consultatie voorafgaande aan de totstandkoming van de Hoofdlijnenbrief beperkt heeft tot ‘stakeholders’ met wie het departement een subsidierelatie heeft. Zowel de VVR als het Netwerk VN-Vrouwenverdrag hadden zich al kort na de beëdiging van het kabinet als gesprekspartners gemeld, te vergeefs. Bij het doorlopend onderhoud dat emancipatie behoeft spelen vrijwilligersorganisaties een cruciale rol.
Voorstel:
Er op aan dringen bij de uitwerking van de speerpunten en de verkenningen wel het veld in al zijn diversiteit van meet af aan te betrekken bij de beleidsvorming en –uitvoering.

De VVR verwacht dat uw voordeel zult doen met bovenstaande tien kernpunten van commentaar op de hoofdlijnenbrief emancipatiebeleid 2013-2016. Indien gewenst zullen we graag een en ander toelichten. De VVR betreurt het zeer niet uitgenodigd te zijn voor Rondetafelgesprek op dinsdag 11 juni 2013.

 

Met vriendelijke groet

M.M. van der Burg

Voorzitter

 

Cc: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dr. M. Bussemaker

 

 

Brief aan Eerste Kamer over wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche, 24 mei 2013

Brief EK Wetsvoorstel regulering prostitutie, 24 mei 2013

 

Aan de Leden van de Eerste Kamer der Staten Generaal,
Postbus 20017
2500 EA Den Haag

Onderwerp: wetsvoorstel 32 211                                  Leiden, 24 mei 2013

Geachte leden van de Eerste Kamer,

Binnenkort beslist u over het al dan niet aannemen van de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (wetsvoorstel 32 211). Hieronder willen wij ingaan op de brief die de minister uw Kamer op  19 april jl. toezond en de daarin aangevoerde argumenten, op de bijgevoegde AMvB (bijlage 1) en op de antwoorden op de door uw Kamer gestelde vragen (bijlage 2).


I. Achtergronden van de wet in relatie tot het wetsvoorstel
De minister verwijst hier naar de evaluaties van de opheffing van het bordeelverbod in 2002 en 2007. Uit de evaluatie van het bordeelverbod – overigens het opheffen van het bordeelverbod –bleek niet alleen dat er (nog steeds) grote verschillen zijn in gemeentelijk beleid. Ook bleek dat er in veel gevallen nog steeds geen sprake was van gemeentelijke beleid, laat staan van goed gemeentelijk beleid, en al helemaal niet van beleid om de sociale en arbeidspositie van prostituees te verbeteren. Ook bestonden er grote verschillen in toezicht en handhaving. De minister heeft wel sterk selectief gewinkeld in  de conclusies van de evaluaties.Dit is van essentieel belang omdat de minister de evaluatie van 2007 als basis neemt voor het wetsvoorstel. Daarop is het doel van de wet: regulering (met het oog op ‘schoner maken van de branche’) gebaseerd. De uitwerking in het wetsvoorstel dient dan ook hieraan te worden getoetst.Evaluatie opheffing bordeelverbod
In de eerste evaluatie van de opheffing van het bordeelverbod (2002) werd geconcludeerd dat als gevolg van de decentralisatie van het prostitutiebeleid grote verschillen waren ontstaan tussen gemeenten. Bij de evaluatie van 2007 had ongeveer tweederde van de responsgemeenten een formeel prostitutiebeleid, 13 % had nog steeds geen prostitutiebeleid (tegen 12 % in 2001), en in 28 (van de 385) responsgemeenten was vestiging van een seksinrichting formeel of praktisch onmogelijk.[1] De verwachting in 2001 dat langzaam maar zeker alle gemeenten prostitutiebeleid zouden opstellen bleek derhalve niet te zijn uitgekomen. Tussen gemeenten bestond verder een groot verschil in vergunningverlening, de gestelde voorwaarden en de kosten.[2] Hetzelfde gold voor toezicht en handhaving.[3]

Uit de evaluatie van 2007 bleek ook dat de meeste gemeenten een maximumbeleid hanteerden en 12 % een formeel of feitelijk nulbeleid.[4] Dit naast andere instrumenten om de sector te ontmoedigen zoals hoge leges of een vestigingsbeleid via bestemmingsplannen.[5] Het percentage gemeenten met een seksinrichting was gedaald van 42 naar 35 %.[6] Wel leek er iets meer ruimte voor innovatie en vernieuwing te zijn gekomen, maar in de praktijk bleek daar weinig van terecht te komen.[7]

Interessant is dat – anders dan de minister stelt te vrezen – geen aanwijzingen werden gevonden dat de strikte handhaving in de verdiepingsregio’s had geleid tot een verschuiving naar niet-vergunde prostitutie binnen het gebied. Verplaatsingen kwamen minder voor dan bij de eerste evaluatie. Wel werden als gevolg van regionale verschillen verplaatsingen geconstateerd naar gemeenten met minder strenge regelgeving of handhaving.[8] Dit betrof vooral de escortbranche.[9]

Geconstateerd werd dat de politie zich nog steeds m.n. richtte op controle van de vergunde sector ten koste van de strafrechtelijke handhaving buiten de vergunde sector. In deze situatie leek sinds 2001 niet veel veranderd te zijn. Zo voerde de politie nog steeds controles uit die ook door de Arbeidsinspectie uitgevoerd zouden kunnen worden. Binnen de vergunde sector was men van mening dat vergunde bedrijven vaker gecontroleerd werden dan niet-vergunde bedrijven, hetgeen de bereidheid van exploitanten om zich aan de regels te houden verminderde en de aanpak van mensenhandel compliceerde.[10]

Reeds in 2002 werd geconstateerd dat een uitsluitend lokaal gerichte aanpak t.a.v. niet-lokaal gebonden vormen van exploitatie (m.n. de escort) niet afdoende was voor regulering. Deze constatering bleef in 2007 overeind. Daarnaast werd melding gemaakt van moeilijk te controleren sectoren zoals parenclubs, saunaclubs en massagesalons.[11]

V.w.b. minderjarigen werd in 2007 geconstateerd dat hiervan in de vergunde sector nauwelijks sprake leek te zijn. In het niet-vergunde deel waren eveneens geen signalen over een grote aanwezigheid van minderjarigen.[12]

Over de ontwikkeling van de omvang van onvrijwillige prostitutie konden door de gebrekkige informatie geen uitspraken worden gedaan. Signalen waren wel aangetroffen maar in geringe mate. Het aantal prostituees met een pooier leek echter niet te zijn afgenomen.[13]

Met betrekking tot de positie van prostituees werd geconstateerd dat hun rechtspositie nog steeds slecht was. De arbeidsverhoudingen in de vergunde bedrijven bleken nauwelijks veranderd en gesteld werd dat niet te verwachten viel dat verbeteringen vanzelf tot stand zouden komen. Een suggestie was om het stellen van minimumeisen t.a.v. de arbeidsverhoudingen te koppelen aan het vergunningenbeleid. Dit is inmiddels gebeurd door de koppeling van het zgn. voorwaardenpakket aan de invoering van de opting-in regeling in seksbedrijven in 2008.[14] De mate van emotioneel welbevinden van prostituees was in de evaluatie van 2007 op alle aspecten slechter dan in 2001.[15]

Verbeteren sociale positie van prostituees
Hierin is sinds 2007 geen verbetering gekomen. De Vereniging voor Vrouw en Recht wil er met nadruk op wijzen dat er nog steeds niet of nauwelijks is geïnvesteerd in de positieverbetering van prostituees. Deze is nog steeds slecht of is zelfs slechter geworden. Zo is het voor prostituees moeilijker geworden om zelfstandig en onafhankelijk te werken zonder tussenkomst van een exploitant, is de monopoliepositie van exploitanten versterkt ten koste van die van zelfstandige prostituees, hebben prostituees nog steeds geen toegang tot zakelijke vormen van dienstverlening zoals bankrekeningen, credit cards, zakelijke kredieten, een lening of hypotheek, en ziekte- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen[16], ondervinden ze problemen bij het huren van woonruimte en lijkt het stigma de laatste jaren weer te groeien in plaats van af te nemen.

In dit kader willen wij erop wijzen dat misstanden in de prostitutie zich niet beperken tot de meest ernstige vorm van mensenhandel. Onder misstanden rekenen wij ook  het “uitproberen” van nieuwe werkneemsters, druk op het verrichten van handelingen of het bedienen van klanten die betrokkene normaliter geweigerd zou hebben, het dreigen met het plaatsen van naaktfoto’s op internet of het informeren van de sociale omgeving bij protesten, het laten verrichten van ‘aanvullende’ werkzaamheden zoals het  schoonhouden van wc’s, ongeoorloofde boetes,  het niet verstrekken van kwitanties (waardoor prostituees het risico lopen op hoge belastingboetes), het gedwongen gebruik van de boekhouder van de exploitant, het vragen van extra gelden om de werkplek te verkrijgen of te behouden, het plaatsen van afluisterapparatuur in de werkkamer, het verplicht moeten dragen van bepaalde kleding, ondoorzichtige afdrachten, extreem hoge raamhuren die in geen relatie staan tot de geleverde diensten, de kwaliteit van de werkruimte en de gangbare huur van werkruimte in andere sectoren, het moeten doorbetalen van raamhuren tijdens ziekte of vakantie, en willekeurige huurverhogingen.[17]

Bovenstaande constateringen zouden aanleiding moeten vormen om niet alleen de positie van prostituees in de bestaande bedrijven te verbeteren, maar ook om zelfstandig ondernemerschap van prostituees te bevorderen in plaats van het systematisch opwerpen van wettelijke en beleidsmatige belemmeringen (zie hierover ook “registratie prostituees”, blz. 6).

Bevorderen van onafhankelijkheid en zelfstandig ondernemerschap kan door het faciliteren van zelfstandig gevestigde prostituees/thuiswerkers via vergunningverlening, maar ook door bijvoorbeeld het ondersteunen van het opzetten van coöperaties van prostituees.[18] Dit werd tot voor kort actief tegengewerkt door de belastingdienst die uitsluitend de opting-in regeling wenste te accepteren in bedrijven.

Zoals in de evaluatie van 2007 werd opgemerkt: niet mag verwacht worden dat verbeteringen vanzelf tot stand komen. Dit vereist een actief overheidsbeleid gezien de achterstand die prostituees maatschappelijk en arbeidsrechtelijk hebben. Daaraan heeft het tot nu toe systematisch ontbroken.

Samenhang doelen opheffing bordeelverbod
De drie kerndoelstellingen van de opheffing van het bordeelverbod: regulering van de sector, aanpakken van misstanden en verbeteren positie, hangen nauw met elkaar samen. Falen op een van deze drie doelen heeft direct invloed op het bereiken van de andere twee doelen. In plaats van maatregelen tegen of over het hoofd heen van prostituees te nemen vereist een succesvol beleid dat maatregelen juist in nauwe samenwerking met prostituees worden genomen.  Nieuw Zeeland is een goed voorbeeld van het succes hiervan.

Uit het bovenstaande concludeert de VVR dat er nog een wereld te winnen is alvorens te kiezen voor zeer ingrijpende maatregelen waarvan de juridische houdbaarheid twijfelachtig is (registratie prostituees en strafbaarstelling van niet geregistreerde prostituees en hun klanten, inclusief de vergewisplicht). Verbeteringen zijn te bereiken door:

  • Landelijk uniforme invoering van het vergunningenstelsel
  • Landelijk gerichte aanpak m.b.t. de niet-locatie gebonden prostitutie, zoals escort
  • Uniformering van vergunningverlening, voorwaarden en kosten
  • Uniformering van toezicht en handhaving
  • Investering in strafrechtelijke handhaving buiten de vergunde sector (een van de oorspronkelijke doelstellingen van de invoering van het vergunningenstelsel)
  • Ruimte te creëren voor vernieuwing en innovatie
  • Investering in verbetering van de sociale en rechtspositie van prostituees en de mogelijkheden om zelfstandig zonder tussenkomst van een exploitant te werken.

Cijfers Comensha
M.b.t. de door de minister aangehaalde cijfers is het goed op te merken dat de sterke toename in 2012 met name verklaard wordt door de toename van meldingen van de KMAR en grenspolitie (26% van de 1711 meldingen in 2012 tegen 2% van de 1222 meldingen in 2011). Het gaat hier om personen die worden aangetroffen op Schiphol, Airport Eindhoven en de landsgrenzen ten aanzien van wie een “mogelijke indicatie” bestaat van mensenhandel. Tot 2012 meldde de KMAR alleen gevallen waar een serieuze opsporingsindicatie bestond. Het is ons niet bekend wat er met deze mogelijke slachtoffers is gebeurd en/of hoe sterk de signalen waren.

II. Het huidige wetsvoorstel
De VVR constateert dat het wetsvoorstel een aantal van de onder I genoemde punten aanpakt. Voor positieverbetering van de prostituee – een van de kerndoelen van de opheffing van het bordeelverbod – biedt het echter niets, afgezien van het opnemen van de plicht voor seksbedrijven om een aantal regels op te nemen in hun bedrijfsplan. Regels die bovendien op dit moment via de opting-in regeling en het daaraan gekoppelde voorwaardenpakket al grotendeels verplicht zijn, zoals hiervoor onder verbetering sociale positie al uiteen is gezet. Er is eerder sprake van een evidente verslechtering van de sociale en rechtspositie van prostituees, door hen aan te pakken via registratie en haar/hem strafbaar te stellen bij niet-registratie (evenals de cliënt) – in combinatie met het verder inperken van de mogelijkheden voor prostituees om zelfstandig te werken.

De Wrp biedt geen enkel perspectief op positieverbetering. Integendeel. Het leidt tot een verdere monopolisering van steeds schaarser worden (vergunde) werkplekken door een steeds kleiner aantal exploitanten, werpt meer wettelijke barrières op voor prostituees om onafhankelijk te werken dan voor mensenhandelaren om hun slachtoffers onder controle te houden en uit te buiten, doet niets aan de sociale uitsluiting van prostituees, brengt de privacy en veiligheid van prostituees in gevaar, versterkt het stigma op prostitutie (zoals ook een landelijk register van homoseksuelen of joden het stigma op deze groepen zou versterken) en criminaliseert een aanzienlijk deel van de beroepsgroep, waaronder juist degenen die de meeste bescherming behoeven. E.e.a. naast het feit dat, zoals wij reeds eerder hebben betoogd, verplichte registratie o.i. in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens.

Bovendien ondergraaft de Wrp nut en noodzaak van een landelijk verplicht en uniform vergunningenstelsel door gemeenten de mogelijkheid te bieden om

  • een nulbeleid te voeren (nulbeleid = geen beleid)
  • het maximumbeleid te handhaven waardoor er geen ruimte is voor prostituees om een eigen bedrijf alleen of met een aantal collega’s op te zetten
  • zelfstandige prostituees en escorts vergunningplichtig te maken, resp. zelfstandige vestiging/thuiswerk te verbieden of feitelijk onmogelijk te maken.

Met betrekking tot dit laatste punt:
Anders dan de minister stelt in zijn antwoorden (Bijlage 2, blz. 3) hanteren veel gemeenten wel degelijk een vergunningplicht voor thuiswerkers en/of een feitelijk of formeel verbod op thuiswerk, al dan niet via bestemmingsplannen.[19] Zo verbiedt Den Haag zelfstandige escort. Escorts zijn verplicht voor een escortbureau werken. [20] In Utrecht verbieden bestemmingsplannen thuiswerk. Andere gemeenten staan thuiswerk toe maar verbieden de betrokken prostituee te adverteren. Voor zover vergunningen worden verleend worden aanvragen openbaar gepubliceerd zodat betrokkene bij naam en toenaam bekend wordt. Dit zal de meeste prostituees ervan weerhouden überhaupt een vergunning aan te vragen. Al in de evaluatie van 2007 wordt genoteerd dat het aantal gemeenten dat ook de escort en thuiswerk wil reguleren toeneemt.[21] Zie voor een illustratie van de barrières waar vrouwen die zelfstandig én legaal willen werken tegenaan lopen bijlage 2.

III.  Registratie prostituees: beter zicht op de branche?
Kernargument van de minister voor het invoeren van de verplichte registratie is “het gebrek aan zicht op de niet vergunde sector, escort sector en thuiswerksector”. Registratie zou leiden tot beter zicht op alle werkzame prostituees. Wij wagen dat te betwijfelen.

Het aantal clubs en ramen is sterk verminderd sinds 2000.[22] Ook de tippelzones in de grote steden zijn gesloten, met uitzondering van Utrecht. De meeste steden verbieden thuiswerk, al dan niet via bestemmingsplannen,  weigeren vergunningaanvragen van zelfstandig gevestigde prostituees of voeren een ontmoedigingsbeleid. Er zijn geen aanwijzingen dat het aantal prostituees evenredig is verminderd.

Indien het als wenselijk wordt gezien dat prostituees in de vergunde prostitutie werken, moeten daar ook voldoende veilige en betaalbare werkplekken beschikbaar zijn. De opeenstapeling van maatregelen sinds de opheffing van het bordeelverbod heeft echter tot steeds minder vergunde werkplekken geleid. Te noemen vallen: het vanaf 2000 gevoerde maximumbeleid m.b.t. het aantal vergunningen (die bovendien vrijwel uitsluitend naar de bestaande exploitanten zijn gegaan die hun bedrijf in een schimmig verleden hebben opgebouwd), sluiting van de tippelzones in de grote steden, sluiting van de ramen in Arnhem, sluiting van ramen op de Wallen en (recent) op het Zandpad in Utrecht, sluiting van seksbedrijven onder de Bibob wet zonder mogelijkheid tot vervanging en het door verschillende steden gehanteerde verbod op thuiswerk en/of kleine bedrijfjes waar 2 of 3 prostituees samenwerken.

Het wetsvoorstel zal de bovenbeschreven trend verder versterken nu zij gemeenten de mogelijkheid geeft zowel een nulbeleid te voeren, als (feitelijk of formeel) thuiswerk te verbieden. Alleen al als gevolg van het (toenemende) tekort aan werkplekken in de vergunde sector zal  een aanzienlijk aantal prostituees worden gecriminaliseerd. Zij kunnen zich wel registreren, maar kunnen vervolgens niet in de vergunde sector terecht.

Hierbij komen de 18-21 jarigen en de niet-EU prostituees die van registratie worden uitgesloten, de groep die zich uit privacy overwegingen niet zal willen registreren, en de groep die zelfstandig – zonder tussenkomst van een exploitant – en op hun eigen manier wil kunnen werken.

Zoals gesteld zijn de mogelijkheden hiervoor sinds 2000 al drastisch afgenomen. Nu het wetsvoorstel gemeenten niet verplicht thuiswerk toe te staan resp. te vergunnen, mag verwacht worden – gezien het huidige beleid van veel gemeenten – dat het voor prostituees onder het nieuwe regime zo goed als onmogelijk zal worden om zelfstandig én legaal te werken. Indien de minister dit onjuist acht en van mening is dat thuiswerk niet verboden mag worden resp. dat een prostituee die zich registreert in beginsel altijd thuis mag werken (Bijlage 2, blz. 3) en vrijelijk moet kunnen adverteren (Bijlage 2, blz. 5), dan zien wij dit graag per AMvB vastgelegd, inclusief waarborgen ten aanzien van de bescherming van hun privacy.

De wet in zijn huidige vorm leidt derhalve tot

  • Verdere versterking van de monopoliepositie en dus macht van de overgebleven exploitanten, waardoor het risico op allerlei kleine en grote vormen van uitbuiting toeneemt, variërend van het “uitproberen” van nieuwe werkneemsters, het laten verrichten van extra werkzaamheden zoals het schoonhouden van wc’s, en alle andere eerder genoemde praktijken tot en met regelrechte uitbuiting of dwang;
  • Een toename van de wettelijke belemmeringen voor prostituees om zelfstandig én legaal te werken;
  • Criminalisering van:
    • de  groep die zich niet kan registreren (18-21 jarigen en niet-EU prostituees),
    • de groep  die zich niet wil registreren uit privacy overwegingen
    • de groep die weigert zich te onderwerpen aan het gezag van een exploitant, maar  – desnoods illegaal  en ‘crimineel’ – hun zelfstandigheid wil bewaren
    • de groep die niet in de vergunde sector terecht kan door het tekort aan veilige en betaalbare werkplekken.

Er zullen dus eerder meer groepen uit het zicht verdwijnen dan minder,  niet alleen van politie en gemeenten, maar ook van de hulpverlening en gezondheidszorg. Criminalisering maakt deze groep kwetsbaarder voor misbruik door derden (klanten, pooiers, “bemiddelaars”, handelaren), terwijl het de drempel om zich tot politie of hulpverlening te wenden verhoogt.

IV. Landelijk uniform vergunningsbeleid voor seksbedrijven
De VVR is, met de meeste partijen in het veld, voorstander van een landelijk uniform vergunningsbeleid voor seksbedrijven, waarin expliciet de plicht is opgenomen om enkele sociale rechten van prostituees in het bedrijfsplan op te nemen. (zie ook artikel 24 model AMvB bij brief van 19 april 2013). Dat is op zich positief, maar het kan beter.

Wij willen dan ook de volgende kanttekeningen maken:

  1. Beleid en praktijk zijn helaas vaak twee dingen. Dat blijkt ook uit de evaluaties van 2002 en 2007. Hoe voert de gemeente het vergunningenbeleid werkelijk uit? Hoe wordt gezorgd voor uniformering van vergunningverlening, voorwaarden en kosten? Hoe wordt gezorgd voor uniformering van toezicht en handhaving? Aan beide bleek het te ontbreken de afgelopen jaren. Hoe is dat nu veilig gesteld?
  2. In art. 24 van de model-AMvB zijn enkele maatregelen beschreven die in het bedrijfsplan van  seksbedrijven moeten opgenomen. Het gaat hier om hygiëne, gezondheid, veiligheid en zelfbeschikking. Dat is uiteraard prima, maar het is eigenlijk niets nieuws. Deze nadere regulering bestaat in feite al sinds de invoering van de opting-in regeling in 2008 in de vorm van het aan deze regeling verbonden voorwaardenpakket. In de praktijk blijkt er echter nogal het een en ander te schorten aan de nakoming hiervan.

Het probleem is derhalve niet zozeer de invoering van nieuwe regels, maar hoe gezorgd wordt dat deze regels ook worden nagekomen. Vooral: hoe wordt gezorgd dat prostituees naleving ook daadwerkelijk kunnen afdwingen? Dit klemt te meer nu het beleid van de afgelopen 12 jaar de afhankelijkheid van prostituees van (een steeds kleiner aantal) exploitanten systematisch heeft vergroot. Hoe wordt gezorgd dat ook klanten met deze regels bekend zijn? Het zichtbaar (moeten) ophangen van deze informatie is een manier, maar een meer effectieve manier zou de instelling van een ombudsman voor prostituees zijn, waar prostituees met klachten terecht kunnen en die ook de bevoegdheid heeft deze klachten daadwerkelijk aan te pakken. Op dit moment is er geen enkele instantie waar prostituees effectief met klachten over de arbeidssituatie en -relatie terecht kunnen.

  1. De zelfbeschikking van prostituees blijft slecht geregeld. Ook dit wetsvoorstel biedt geen verbetering van de opting-in regeling: een regeling die gunstig is voor de exploitant en de belastingdienst, maar prostituees zelf noch de voordelen van loondienst, noch die van zelfstandigen biedt. Ook is niet duidelijk hoe handhaving van de in het bedrijfsplan op te nemen regels plaats zal vinden en waarom dit beter zal gaan dan de handhaving van het huidige voorwaardenpakket.
  2. De wettelijke ruimte voor het kiezen van een nul-optie is in strijd met  het uniformerings-uitgangspunt. Ook al moet deze gebaseerd zijn op een beperkt aantal gronden (art. 23).
    1. Ditzelfde geldt  voor de ruimte die het wetsvoorstel  gemeenten biedt om thuiswerkers vergunningplichtig te maken zonder een bijpassende verplichting om dan ook daadwerkelijk een vergunning te verlenen. O.a. in de AMvB zal dit, inclusief het privacy-aspect, beter geregeld moeten worden (zie verder hieronder bij de reactie op de AMvB).
    2. Hoe wordt gezorgd dat er binnen het vergunningenstelsel voldoende ruimte voor innovatie en vernieuwing blijft, en met name ruimte voor vrouwen om hun eigen bedrijf(je) met een aantal collega’s op te zetten?

Conclusie: Een werkelijk uniform vergunningensysteem voor seksbedrijven is een grote verbetering, mits in de AMvB (en elders) de handhaving (zoals de frequentie van controlemomenten) wordt vastgelegd, er meer waarborgen komen voor de sociale en rechtspositie van prostituees binnen prostitutie bedrijven, en er  daadwerkelijke mogelijkheden zijn voor het opzetten van een eigen bedrijf door prostituees en voor vestiging als zelfstandige.

V.  Alternatieven voor registratie
Uitgaande van een goed, uniform vergunningssysteem voor seksbedrijven met adequate controle en handhaving van de in de AMvB gestelde regels, hebben we de overwegingen van de minister bij het afwijzen van de alternatieven bekeken.

Onzichtbaarheid van een deel van de branche waardoor geen hulpverlening en informatie aan prostituees mogelijk is

Hierboven hebben wij al uiteengezet dat verplichte registratie er eerder toe zal leiden dat prostituees (die nu zichtbaar zijn) onzichtbaar worden, dan tot meer zicht op de branche. Hieronder vallen de twee meest kwetsbare groepen (jonge en niet-EU prostituees) die zich niet kunnen registreren en dus per definitie worden gecriminaliseerd. Criminalisering betekent dat zij onbereikbaar worden voor gezondheidszorg en hulpverlening en dat de drempel naar de politie bij misbruik of geweld hoger wordt, nu zij zelf strafbaar zijn.

Met betrekking tot prostituees die vaak wisselen van werkplek en die in de onvergunde sector werken: ook bij wisseling van werkplek is de vergunninghouder steeds verplicht informatie te geven aan de prostituee (art. 23 AMvB). Prostituees die vaak van plek verwisselen krijgen derhalve eerder meer dan minder informatie. Gemeentelijke controle op (zichtbare) informatie verstrekking zal de bekendheid met de rechten van prostituees versterken.  Bovendien wordt de onvergunde sector steeds kleiner door de uitbreiding van de definitie van seksbedrijf. Wij wijzen er ook dat zelfstandig werkende prostituees al verplicht zijn zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel. Zij zijn dus niet onbekend en niet onbereikbaar. Dit zou een prima moment bieden om hen te voorzien van een informatie pakket. Bovendien maken veel zelfstandig werkende prostituees gebruik van Soa-voorzieningen. Overigens is ons niet bekend waarop de minister zijn vooronderstelling baseert dat de grootste groep prostituees “niet werkzaam is in bordelen of achter het raam, maar volledig anoniem opereert” (Bijlage 2, blz. 4).

Waterbedeffect
Waarom het waterbedeffect – prostituees die naar de onvergunde sector overgaan –wordt gevreesd als geen sprake is van registratie van prostituees wordt op geen enkele manier toegelicht. Deze aanname spoort ook niet met evaluaties van het bordeelverbod. Dit effect zal zich eerder voordoen als sprake is van registratie van prostituees. Juist dan verdwijnen prostituees in de anonimiteit.

Daarom kan beter worden ingezet op versterking van de rechtspositie van prostituees en het bieden van meer mogelijkheden om zelfstandig of (vanuit het oogpunt van veiligheid) met 1 of 2 collega’s samen te werken. Dat kan bijdragen aan het voorkomen van anonimiteit en het overgaan naar de onvergunde sector.

V.w.b. de uniformering van toezicht en handhaving laat de evaluatie van het bordeelverbod zien dat hier nog een slag te maken is. De vraag is trouwens of het bestuurlijk toezicht volledig bij de politie moet liggen of dat hier vooral een rol voor gemeentelijke toezichthouders is weggelegd.

De relatie die de minister legt tussen het laten vervallen van de registratieplicht en vergroting van de onvergunde sector overtuigt ons dus niet. Door uitbreiding van de vergunningplicht en de definitie van seksbedrijf wordt deze eerder kleiner. Hierbij merken wij nog op dat pure controle op het feit of een prostituee al dan niet geregistreerd is, niets zegt over mogelijke misstanden of uitbuiting.

Certificering
Wij zijn het met de minister eens dat verplichte certificering en registratie geen oplossing biedt. De problemen m.b.t. privacy bescherming worden hierdoor zelfs vergroot.

Registratie door individuele gemeenten
Hetzelfde geldt voor registratie door individuele gemeenten. Overigens zullen ook bij een landelijk registratiesysteem gemeenten niet weten wie in hun gemeente als prostituee werkzaam is tenzij prostituees verplicht worden om bij elke wisseling van werklocatie dit aan het centrale register door te geven.

Het laten vervallen van de strafbaarstelling klant en bijbehorende vergewisplicht
Wij willen nogmaals opmerken dat het feit dat een prostituee geregistreerd is geen waarborg biedt dat hij of zij geen slachtoffer is of (de komende drie jaar) wordt van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting of geweld. Ook de minister erkent dit: “Registratie zegt namelijk niets over de positie van de prostituee in relatie tot mogelijk slachtofferschap” (Bijlage 2, blz.4). Daarmee vervalt de ratio achter de strafbaarstelling van klanten van ongeregistreerde prostituees. Ons lijkt het vooral de bedoeling dat de klant diensten afneemt van prostituees die vrijwillig en onder eigen controle werken. Daaraan werkt dit wetsvoorstel niet mee.

Zweedse model
Inmiddels is uit onafhankelijk onderzoek voldoende bekend over de effecten van het Zweedse model om dit niet als een geschikt alternatief te zien.[23] Dit past ook niet bij de uitgangspunten van ons prostitutiebeleid.

VI. Registratie en AMvB
In het algemeen is de voorgelegde AMvB niet veel meer dan een schematisch weergave van de antwoorden van de minister op eerdere vragen van Kamerleden. De minister onderkent dit ook gelet op het feit dat hij vermeldt dat de AMvB slechts “een beeld geeft van de voorwaarden die leidend zijn voor de bepalingen en de uitvoering van beleid.”

Bij de navolgende reactie per onderdeel van de AMvB betrekken we ook de antwoorden in bijlage 2 bij de brief van 19 april jl.

Register prostituees (blz.1)
Allereerst blijft de prealabele vraag overeind of registratie van prostituees niet strijdig is met de Wet Bescherming persoonsgegevens (Wbp). Inmiddels ontkent ook de minister niet meer dat het hier gaat om bijzondere persoonsgegevens en dus gevoelige gegevens, waarop artikel 23 Wbp van toepassing is. Dit betekent dat de registratie

  1. noodzakelijk moet zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, d.w.z. noodzakelijk moet zijn gelet op het doel dat men wil bereiken met de registratie en ook in verhouding moet staan tot dat doel.
  2. passende waarborgen moeten worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald dan wel het College ontheffing heeft verleend.

Al eerder heeft de VVR u het advies hierover van Van der Feltz advocaten toegestuurd waarin wordt geconcludeerd dat aan deze zware eisen niet lijkt te worden voldaan (zie voor de daarop betrekking hebbende delen van het advies bijlage 3). Nu de minister meldt dat de verplichte registratie met name is bedoeld om prostituees te informeren over hun rechten (Bijlage 2, blz. 5) lijkt deze conclusie nog waarschijnlijker. Op blz. 8 van Bijlage 2 meldt de minister echter dat deze verplichting noodzakelijk is omdat het doel ‘regulering om zicht te krijgen op de branche’ een zwaar algemeen belang dient. Deze twee doelstellingen (informatie en controle) staan op zijn minst op gespannen voet met elkaar. Daardoor is verplichte registratie nog moeilijker hieraan te toetsen.

De minister meldt in de AMvB dat de opbouw van het systeem met de meest grote veiligheid plaatsvindt. Daarbij de volgende kanttekeningen:

  • Ten aanzien van de beveiliging lijkt te worden uitgegaan van een standaard beveiliging; het is de vraag of op deze wijze wordt voldaan aan de “passende waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer” (art. 23 Wbp).
  • De zogenoemde Privacy Impact Assessment wordt ten onrechte niet vóóraf uitgevoerd, maar achteraf. Dit is strijdig met de uitspraak van de EK zoals neergelegd in de motie Franken. Het feit dat de motie is aangenomen op het moment dat het wetsvoorstel al bij de Eerste Kamer lag, doet hieraan niets af. Bovendien beperkt dit de waarde van een PIA tot adviezen m.b.t. ontwerp en bouw van het register, zoals de minister zelf aangeeft (Bijlage 2, blz. 6), en laat het meer fundamentele vragen op voorhand buiten beschouwing.
  • Het registratiegesprek wordt ook gebruikt om signalen door te geven aan de politie bij een “ernstig vermoeden van dwang” (art. 6 lid 3 Wetsvoorstel). Ook worden deze gegevens gedeeld in de keten (Bijlage 2, blz. 5). De prostituee wordt niet geïnformeerd over welke gegevens worden doorgegeven aan de politie en/of andere ketenpartners, laat staan dat zij of hij hiervoor toestemming heeft gegeven. Niet geregeld is welke persoonlijke gegevens van de prostituee worden genoteerd bij het registratiegesprek en welke persoonlijke gegevens (kunnen) worden gedeeld met de politie en/of andere derden. In de AMvB is hierover niets geregeld. Hier is dus sprake van uitwisseling (verwerking) van gevoelige gegevens  zonder medeweten en toestemming van de betrokken prostituee. Mede gelet op de uitspraak van het Mensenrechtenhof in de zaak-Khelili tegen Zwitserland, is het de vraag of hiermee wordt gehandeld overeenkomstig de Wbp, de Europese Privacy Richtlijn en artikel 8 EVRM.
  • Er ontbreken criteria in de AMvB omtrent welke gegevens of welk soort gegevens behoren tot gegevens die een ernstig vermoeden van dwang inhouden. Wat is dwang en wanneer zijn vermoedens ernstig? De minister acht het vastleggen van criteria niet mogelijk en laat dit over aan de professionals (Bijlage 2, blz. 5). Hiermee onderkent hij dat sprake is van een subjectieve beoordeling. Hier komt bij dat het gesprek primair informerend is en het de vraag is wat de minister met professionals bedoelt. Bij de registratie van de gemeente Utrecht blijkt dat gegevens van 13% van de prostituees (75 van de 579 geregistreerde vrouwen) zijn doorgegeven aan de politie. Het zou ons verbazen als bij alle gegevens sprake was van ernstige vermoedens van dwang. Voor zover uit de evaluatie is op te maken heeft geen van deze vrouwen aangifte gedaan. Wel verrichte de politie 4 onderzoeken naar mensenhandel in het eerste kwartaal van 2012.[24]
  • Last but not least meldt de minister dat geen gegevens naar andere diensten gaan, zoals de Vreemdelingendienst en de Belastingdienst (Bijlage 2, blz. 4/5). Wel worden persoonsgegevens, zoals boven besproken, doorgezonden naar de politie en heeft de politie toegang tot het register. Vervolgens verschieten deze gegevens bij registratie door de politie juridisch als het ware van kleur en worden deze politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpolg). De Wpolg voorziet in de mogelijkheid tot uitwisseling van politiegegevens met andere opsporingsdiensten en derden (paragraaf 3 Wpolg) en buitenlandse opsporingsdiensten (art. 17 en 17a Wpolg). Dit kan onder omstandigheden betekenen dat gegevens uit het register uitgewisseld worden met derde landen. Voor individuele prostituees uit landen waar prostituees zelf strafbaar zijn (de meeste Oost Europese landen) kan dit tot gevolg hebben dat zij het risico lopen bij terugkeer te worden aangehouden en vervolgd. Dergelijke fundamentele vragen kunnen niet los worden gezien van een PIA.
    • Het verwijderen van de persoonsgegevens uit het register wordt geregeld, maar de verwijdering van deze aan de politie verstrekte gegevens ontbreekt. Dit roept de vraag op hoe gewaarborgd wordt dat bij uitschrijving de persoonlijke data niet alleen in het hoofdregister worden vernietigd maar ook in hiervan afgeleide registers. Bovendien gelden voor politiegegevens andere (lees ruimere) bewaartermijnen en verwerkingsmogelijkheden.

Register vergunningen en positie prostituees ( blz. 3 en 4)
Onder versterking van de sociale positie van de prostituees wordt verstaan de verplichting van de exploitant om bepaalde maatregelen op te nemen in zijn bedrijfsplan. Zoals vermeld is hier geen sprake van iets nieuws. Deze verplichting bestaat al sinds 2008. Zoals hiervoor vermeld, komen deze verplichte maatregelen overeen met het voorwaardenpakket bij de zogenoemde opting-in regeling.

Bovendien verbeteren deze maatregelen niet automatisch de sociale positie van de prostituee. Daarvoor is meer nodig, bijvoorbeeld in een AMvB. Onder verbetering van de sociale positie van prostituees valt ook de mogelijkheid om juist niet voor een exploitant te werken; het bevorderen van zelfstandige werkvormen waar de sekswerker zelf controle uitoefent over hoe, waar, met wie en tegen welke prijs zij werkt; mogelijkheden tot (legale) samenwerking met collega’s (coöperaties, samen een appartement kunnen huren enz.); betaalbare kamerhuren; keuze mogelijkheden in het regelen van de arbeidsverhoudingen in bedrijven (opting-in, loondienst of als zelfstandige); toegang tot voorzieningen voor zwangerschap, ziekte en pensioen; het kunnen openen van een bankrekening, kunnen afsluiten van verzekeringen, een hypotheek, enz.

Verificatie registratie/Vergewisplicht (blz. 4)
Slechts wordt aangegeven dat de klant bij de beheerder van het register moet nagaan of het registratienummer van de prostituee in combinatie met het door haar gebruikte telefoonnummer ook voorkomt in het landelijk register.  Op blz. 13 van Bijlage 2 meldt de minister dat gedacht wordt aan een controle via een SMS. De klant ontvangt dan per sms het bericht dat er een ‘hit’ is tussen het telefoon- en registratienummer. De klant moet dit kunnen tonen tot hij de locatie heeft verlaten. Van een toonplicht kan echter geen sprake zijn aangezien volgens het Nederlandse strafrecht een verdachte niet behoeft mee te werken aan zijn veroordeling.

Verder zal de beheerder van het prostitutieregister het telefoonnummer van de klant registreren anders kan er geen sms worden gestuurd. Dit betekent dat ook de privacy van de klant in het geding is. Wil de strafbaarstelling uitvoerbaar zijn dan zal er ook een register van (telefoonnummers van) klanten moeten worden aangelegd bij de beheerder van het prostitutieregister. Feitelijk introduceert het wetsvoorstel dus niet alleen registratie van prostituees maar ook van klanten. Hierover staat niets vermeld in de AMvB. Dit leidt er toe dat  nog meer vraagtekens kunnen worden gezet achter de handhaafbaarheid van de strafbaarstelling van klanten van niet-geregistreerde prostituees.

Bovendien, nu het in de afgelopen drie jaar nog steeds niet gelukt is een goed systeem te vinden, valt te betwijfelen of dit de komende tijd wel  te vinden is. De minister gooit het daarom over een andere boeg. De klant krijgt door deze regeling de morele verantwoordelijkheid om misstanden tegen te gaan (Bijlage 2, blz. 13). Deze verantwoordelijkheid onderkennen wij ook en vormt de basis voor de succesvolle campagne van Meld Misdaad Anoniem om mensenhandel tegen te gaan (zie bijgevoegd persbericht). Dit is ons inziens een  betere weg die meer kans op succes biedt dan de criminalisering van klanten met het risico dat dit klanten juist weerhoudt van het melden van signalen uit angst zelf strafbaar zijn.

Als noodzakelijk sluitstuk van het (registratie)systeem – zoals de minister op blz. 12 van Bijlage 2 vermeldt – kan het naar onze mening dan ook geen dienst doen, en daarmee komt het registratiesysteem op losse schroeven te staan.

VII. Tenslotte
Op grond van bovenstaande overwegingen kan de VVR niet anders concluderen dan dat er zoveel juridische en praktische haken en ogen aan dit wetsvoorstel zitten dat wij niet anders kunnen doen dan u af te raden dit wetsvoorstel aan te nemen. Een beperkte wetgeving gefocust op uniformering van het vergunningsstelsel gecombineerd met een werkelijke verbetering van de sociale en rechtspositie van prostituees biedt betere mogelijkheden om de gesignaleerde problemen op te lossen.

Vanzelfsprekend zijn we bereid u –  indien gewenst – nadere toelichting te geven.

 

Met vriendelijke groet,

 

Mr. M.M. (Mieke) van der Burg                                    mr. M.(Marjan) Wijers

Voorzitter VVR                                                      Bestuurslid VVR


Bijlage 1: Opting-in regeling
Volgens de opting-in regeling houdt de exploitant inkomstenbelasting, BTW, premies volksverzekering en premie zorgverzekering in op de verdiensten van de in zijn of haar bedrijf werkende prostituee alsof het een loondienstverhouding is (een zogenaamd fictief dienstverband). De prostituee is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen (werkloosheid, en arbeidsongeschiktheid) en blijft ook verstoken van andere werknemersrechten, zoals loondoorbetaling bij ziekte. Zij (of hij) kan ook geen recht doen gelden op de (belasting)voordelen van zelfstandigen.

De exploitant bepaalt welk regime van toepassing is en sluit hierover een overeenkomst met de belasting. Daarbij heeft hij de keuze tussen loondienst (wat geen enkele exploitant wil) of opting-in. De prostituee heeft geen keuze. Een exploitant die een opting-in overeenkomst met de belastingdienst sluit moet aan een aantal voorwaarden voldoen, het zgn. voorwaardenpakket.

Voorwaarden houden o.a. in dat de exploitant inkomensoverzichten moet geven waarop helder staat wat de prostituee heeft verdiend en wat daarvan aan belasting en premies is ingehouden en afgedragen; informatie over de prostituee geheim moet houden, inclusief adres; geen extra klusjes mag geven die de prostituee niet wil doen; de prostituee niet mag dwingen alcohol te drinken of drugs te gebruiken, klanten te nemen of diensten te verrichten die de prostituee niet wil of zonder condoom te werken; de prostituee niet mag verbieden voor andere exploitanten te werken; geen extra geld mag inhouden; en geen boetes mag uitdelen.

In een rekenvoorbeeld uit de brochure van de belastingdienst krijgt de prostituee bij een bedrag van 200 euro dat de klant betaalt (€ 100 voor standaard dienstverlening, € 60 voor meerwerk, € 42 voor drank) netto € 84 (waarvan € 50 voor meerwerk op de kamer: daar mag de exploitant alleen BTW over inhouden), de belasting krijgt € 26 BTW en € 18 loonheffing en zorgverzekering = € 44, de rest gaat naar de exploitant. Bij de berekening wordt er van uit gegaan dat de exploitant 50 % van de verdiensten van de prostituee voor de standaard dienstverlening krijgt (de “oude” percentage regeling). Het verschil is dat de exploitant ook belasting inhoudt t.b.v. de belastingdienst, waardoor de prostituee uiteindelijk minder dan 40 % krijgt. In het voorbeeld wordt er vanuit gegaan dat de exploitant de regels in het voorwaardenpakket correct toepast en de prostituee geen extra kosten rekent. in de praktijk is dat niet altijd het geval.

Bijlage 2: Zelfstandig en legaal werken
Een illustratie van de barrières waar vrouwen die zelfstandig én legaal willen werken tegenaan lopen biedt het verhaal van deze escort (Marie-Christine, Lover, 2007):

Aanvankelijk geeft ze gewoon haar inkomsten aan de belasting op en denkt dat daarmee de kous af is, maar dan hoort ze van collega’s dat je in de meeste gemeenten ook een vergunning moet hebben. Ze neemt contact op met de gemeente. Die zegt dat een vergunning bij ‘beperkte werkzaamheden’ niet nodig is, maar wanneer het dan wel nodig is kan de betreffende ambtenaar haar niet vertellen. Als ze voor de zekerheid ook nog even naar de politie belt, omdat die de vergunningen uitgeeft, meldt die dat alle sekswerkers vergunningplichtig zijn. Dan maar naar een andere gemeente. Daar zijn volgens de betreffende ambtenaar zelfstandige escorts niet vergunningplichtig, maar krijgt ze, na een aantal keer daar gewerkt te hebben, onverwacht een mailtje van een andere ambtenaar dat het toch verboden is zonder vergunning te werken. Ondertussen mag deze escort blij zijn dat ze geen undercover controleteam van de politie is tegengekomen. Naast het feit dat de boete net zo hoog kan uitvallen als de studieschuld die ze juist met haar werk probeert te ontwijken, lijkt haar dat toch ook wel schrikken: ineens vier mensen voor je neus in plaats van de ene klant die je verwacht. Gewoon een vergunning aanvragen en dan maar zien, is geen optie. In de eerste plaats kost dat vaak minimaal € 1.000 op jaarbasis, die je ook kwijt bent als de vergunning geweigerd wordt. En in de tweede plaats wordt een vergunningverzoek met naam en toenaam openbaar gemaakt. Niet goed voor het contact met buren, en ook niet voor een toekomstige carrière. De enige optie lijkt om toch maar te gaan werken voor een vergunninghoudende exploitant, maar ja, dat wou de schrijfster nou juist niet. “Een nogal magere invulling van het idee van positieverbetering”, sluit ze af.

Bijlage 3: Onderdeel mbt artikel 23 Wbp van het advies van Van der Feltz, advocaten

VI.1 Conclusie met betrekking tot het begrip ‘zwaarwegend algemeen belang’

66.
Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak kan worden afgeleid dat de vraag of de verwerking van gevoelige persoonsgegevens gerechtvaardigd wordt door een zwaarwegend algemeen belang van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld. Beoordelingscriteria kunnen evenwel worden ontleend aan art. 8 lid 2 EVRM en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het EHRM.

67.
Voorts dient aan de hand van de aard, de ernst en de omvang van de onderliggende problematiek te worden beoordeeld of sprake is van een zwaarwegend algemeen belang in de zin van art. 23 lid 1 sub e Wbp.

68.
Wanneer daarvan sprake is zal moeten worden beoordeeld of de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens ook noodzakelijk is met het oog op dit zwaarwegende algemene belang.

69.
In het kader van deze noodzakelijkheidtoets volgt uit de Europeesrechtelijke jurisprudentie dat het middel (in casu: de verwerking en registratie van bijzondere persoonsgegevens) geschikt moet zijn om het doel te bereiken. Het middel moet voorts in een redelijke verhouding staan tot het daarmee te dienen doel (proportionaliteit) en er mogen geen minder ingrijpende middelen voorhanden zijn waarmee het doel ook zou kunnen worden bereikt (subsidiariteit).

70.
Van belang is voorts dat uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat vanwege het stringente regime met betrekking tot de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, een intensieve toetsing door de (bestuurs)rechter op zijn plaats is. Overigens wijzen wij erop dat uit deze uitspraak niet zonder meer kan worden afgeleid dat een dergelijke intensieve toetsing ook zal plaatsvinden door de burgerlijke rechter, bijvoorbeeld wanneer de strijdigheid van het wetsvoorstel met de Wbp, c.q. de Privacyrichtlijn, aan de orde wordt gesteld.

 VI.2 Passende waarborgen

71.
Art. 23 lid 1 sub e Wbp bepaalt tevens dat ‘passende waarborgen’ dienen te worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De wetgever heeft deze open norm in de memorie van toelichting niet nader ingevuld en daarmee bewust ruimte gelaten om de invulling daarvan primair aan de praktijk over te laten met een rechterlijke beoordeling als sluitstuk.

72.
De VVR heeft ons gevraagd nader uit een te zetten wat bedoeld wordt met ‘passende waarborgen’ in de zin van art. 23 lid 1 sub e Wbp. Vooraf merken wij op dat hier, gelet op de open formulering van deze norm, geen eenduidig antwoord gegeven kan worden en dat de passendheid van waarborgen sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Bovendien kan de vraag of een waarborg ‘passend’ is in de tijd variëren. Daarmee bedoelen wij dat bijvoorbeeld de stand van technologische ontwikkelingen met betrekking tot de beveiliging van persoonsgegevens kan meebrengen dat waarborgen die in 2000 als ‘passend’ in de zin van art. 23 Wbp werden aangemerkt door nieuwe technologieën anno 2010 niet meer ‘passend’ maar sterk achterhaald zijn. In zoverre is art. 23 lid 1 sub e in belangrijke mate een dynamische rechtsnorm.

73.
In diverse toelichtingen op de Wbp zijn, o.a. door het Cbp, criteria ontwikkeld aan de hand waarvan de passendheid van waarborgen beoordeeld kan worden. Het gaat dan om de aard van de persoonsgegevens, de omvang van de gegevensverwerking, de doeleinden waarvoor de verwerking plaatsvindt en de duur van de opslag.

74.
Ook in de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot de toepassing van art. 8 lid 2 Wbp kunnen aanknopingspunten gevonden worden voor de vraag wanneer sprake is van passende waarborgen.

75.
Wij wijzen in dit verband op twee arresten van het EHRM, waarin de vraag aan de orde was of centrale registratie van celmateriaal en DNA-profielen met passende waarborgen was omkleed, althans of de wetgeving ter zake voldeed aan art. 8 lid 2 EVRM.

76.
In het arrest S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk bepaalde het Hof dat de registratie DNA-materiaal een inbreuk vormt op het privéleven en dat in de wetgeving ter zake onvoldoende waarborgen waren opgenomen zodat sprake was van een schending van art. 8 EVRM. Daarbij speelde een rol dat de wetgeving die ten grondslag lag aan de registratie van DNA-materiaal voorzag in een ongelimiteerde en ongedifferentieerd opslag van DNA-profielen, ook van verdachten die uiteindelijk niet werden veroordeeld en dat met name ten aanzien van de registratie van niet-veroordeelde minderjarigen er een aanmerkelijk risico van stigmatisering bestond. Zie: EHRM 4 december 2008, appl. no. 30562/04 en 30566/04 (S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk).

77.
In het arrest W. t. Nederland, daarentegen, achtte het EHRM de inbreuk die met de registratie van DNA-materiaal en profielen wordt gemaakt op het privéleven wel gerechtvaardigd. In de Nederlandse wet op grond waarvan deze registratie plaatsvindt is namelijk vastgelegd dat de registratie alleen plaatsvindt bij verdachten en veroordeelden van misdrijven van een bepaalde ernst. Tevens zijn in de Nederlandse wet waarborgen opgenomen tegen oneindige en ongedifferentieerde opslag (o.a. beperkte bewaartermijnen) en geschiedde de opslag gecodeerd en anoniem. Zie: EHRM 20 januari 2009, appl. no. 20689/08 (W. t. Nederland).

78.
Of sprake is van passende waarborgen hangt dus sterk af van de omstandigheden van het geval. Bij de registratie van privacygevoelige persoonsgegevens stelt het EHRM hogere eisen aan de in de wetgeving neergelegde (juridische) waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Concreet gaat het dan om waarborgen die erin voorzien dat er niet meer gegevens dan strikt noodzakelijk mogen worden geregistreerd, dat er beperkingen moeten zijn opgenomen met betrekking tot de bewaartermijn, dat duidelijk moet worden omschreven wie in welke gevallen verplicht is zich te registreren, dat wettelijk moet worden vastgelegd wie verantwoordelijk is voor de verwerking van de gegevens, dat er een duidelijk (gesloten) verstrekkingenregime is opgenomen, dat er voorzien is in een geheimhoudingsverplichting, etc. etc.

79.
Daarnaast ziet de passendheid van de waarborgen bijvoorbeeld ook op de beveiliging van het register. Zoals aangegeven is de passendheid ter zake van de beveiliging afhankelijk van de stand van de techniek.

80.
Het Cbp heeft een model opgesteld aan de hand waarvan gegevensverwerkingen in vier risicoklassen (0 t/m III) kunnen worden ingedeeld. Zie: G.W. van Blarkom & J.J. Borking, ‘Beveiliging van persoonsgegevens’, AV 23, Registratiekamer, Den Haag, april 2001, http://www.cbpweb.nl/downloads_av/av23.pdf>.
Naarmate de risicoklasse hoger is worden er strengere eisen gesteld aan o.a. het beveiligingsniveau. In het model is de verwerking van bijzondere persoonsgegevensingedeeld in risicoklasse 2 of 3.

81.
De verwerking van persoonsgegevens in het prostitutieregister zou naar ons oordeel, gelet op de gevoeligheid van de gegevens, moeten worden ingedeeld in minimaal risicoklasse II (verhoogd risico). Voor een uitgebreidere toelichting op de eisen die de indeling in deze risicoklasse meebrengt voor onder meer de gegevensbeveiliging, toegangsbeheer, organisatie etc. verwijzen wij naar de eerder aangehaalde publicatie van Van Blarkom en Borking (2001).

82.
Tot slot wijzen wij erop dat, indien persoonsgegevens uit het prostitutieregister verstrekt worden aan de politie, de verdere verwerking van die gegevens zal plaatsvinden onder het regime van de Wet Politiegegevens (Wpolg). Het kan zodoende voorkomen dat aan de politie verstrekte gegevens over prostituees, die na verloop van tijd op grond van de verplichtingen voortvloeiende uit de Wbp en het wetsvoorstel moeten worden verwijderd uit het prostitutieregister, toch opgeslagen blijven in de databanken van politiediensten.

83.
De persoonsgegevens verschieten bij registratie door de politie juridisch als het ware
van kleur en worden politiegegevens in de zin van de Wpolg. Voor politiegegevens gelden andere (lees ruimere) bewaartermijnen en verwerkingsmogelijkheden. Ook voorziet de Wpolg de mogelijkheid tot uitwisseling van politiegegevens met andere opsporingsdiensten en derden (zie: paragraaf 3 Wpolg) en buitenlandse opsporingsdiensten (art. 17 en 17a Wpolg).

VII Beoordeling van het wetsvoorstel

84.
Wanneer wij vervolgens aan de hand van de voorgaande (beoordelings)criteria het wetsvoorstel nader beschouwen komen wij ten eerste tot de conclusie dat het in het licht van de wetsgeschiedenis behorende bij de Wbp en gelet op de ruime interpretatie die in de nationale en Europese jurisprudentie wordt gegeven aan het begrip ‘private life’, wij het alleszins verdedigbaar achten dat de registratie van prostituees in een landelijk register kwalificeert als een verwerking van bijzondere persoonsgegevens betreffende iemands seksuele leven in de zin van art. 16 Wbp.

85.
Voorts is de vraag aan de orde of deze registratie gerechtvaardigd kan worden door een zwaarwegend algemeen belang als bedoeld in art. 23 lid 1 sub e Wbp. Wanneer het doel van de algehele registratie van prostituees in een landelijk register uitsluitend zou zijn gelegen in het vergemakkelijken van toezicht en handhaving, zijn wij met de Raad van State van oordeel dat deze doelstelling als zodanig de verwerking van bijzondere persoonsgegevens niet kan rechtvaardigen.

86.
Wij wijzen er echter op dat het doel van de algehele registratie blijkens de memorie van toelichting niet uitsluitend is gelegen in het vergemakkelijken van toezicht en handhaving. In de reactie op het advies van de Raad van State noemt de regering nadrukkelijk ook de volgende doelstellingen van registratie:
– het verminderen van onvrijwillige/illegale prostitutie;
– het bereikbaar maken van prostituees voor voorlichting en hulpverlening;
– het voorkomen van een verdere vlucht van prostituees uit de  gereguleerde sector;
– het strafbaar stellen van klanten van illegaal aanbod aan prostitutie.

87.
Al deze doelen worden in meerdere of in mindere mate met de algehele registratie van prostituees gediend, aldus de regering. Hierbij dient wel te worden aangetekend dat de minister in de Nota naar aanleiding van het Verslag duidelijk aangeeft dat de zorg voor misstanden in de seksbranche weliswaar de achtergrond vormt van het wetsvoorstel, maar dat: “de bestrijding ervan (…) niet het primaire doel van het wetsvoorstel [is]. De kern van het wetsvoorstel is de regulering van de prostitutie en van seksbedrijven. Die regulering is een zelfstandig doel van dit voorstel, en daarbij nadrukkelijk tevens een middel – naast andere – in de strijd tegen misstanden in de seksbranche.” Of sprake is van een zwaarwegend algemeen belang zal zodoende moeten worden beoordeeld aan de hand van de hierboven geciteerde doelstellingen. Zie: Kamerstukken II 2009-2010, 32 211, nr. 8, p. 3.

88.
Wij sluiten geenszins uit dat, gelet op de aard, de ernst en de omvang van de misstanden in de seksbranche, meer in het bijzonder de gedwongen prostitutie, de (burgerlijke of bestuurs)rechter uiteindelijk tot het oordeel zal komen dat met het oog op deze onderliggende problematiek sprake is van een zwaarwegend algemeen belang in de zin van art. 23 lid 1 sub e Wbp.

89.
Voorts is evenwel de vraag aan de orde of het middel, dat wil zeggen de registratie van gevoelige persoonsgegevens van alle prostituees in Nederland, ook noodzakelijk is met het oog op dit zwaarwegende algemene belang.

90.
Gelet op de jurisprudentie van met name het EHRM zal in het kader van deze noodzakelijkheidtoets achtereenvolgens de doelmatigheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit van de maatregel moeten worden nagegaan.

91.
Met betrekking tot de beoordeling van de doelmatigheid, de proportionaliteit en subsidiariteit is van belang dat uit onder meer de Schaduwrapportage van Nederlandse NGO’s over de Nederlandse implementatie van het VN-Vrouwenverdrag blijkt dat een groot aantal NGO’s vreest dat de registratieplicht zal leiden tot een vlucht in de illegaliteit. Dit wordt tevens bevestigd door het expertisecentrum Soa Aids Nederland dat in een brief d.d. 30 november 2009 aan de leden van de commissie Binnenlandse Zaken en Justitie het volgende schrijft: “De angst voor stigma door het verliezen van anonimiteit is groot. Professionals uit het veld verwachten dat een groot deel van de zelfstandig werkende prostituees ervoor zal kiezen om te werken in het niet vergunde, illegale circuit. Een onwenselijk neveneffect van verplichte registratie is dat prostituees uit het zicht van de hulpverlening en gezondheidszorg verdwijnen.”

92.
Ook het Vrouwenverdrag Comité heeft in de “Concluding Observations” van 2010 de  verwachting uitgesproken dat verplichte registratie ertoe zal leiden dat de meerderheid van de prostituees in de illegaliteit gaat werken. In alinea 30 e.v. overweegt het Comité:
“30. The Committee is concerned that the new bill on prostitution in the Netherlands making the registration of prostitutes compulsory may lead the majority of prostitutes to work illegally. Among those prostitutes are migrant women from third countries who will not have the possibility of registering. The Committee is therefore concerned that the law, rather than improving the situation of prostitutes, might on the contrary undermine efforts to combat the sexual exploitation of women and increase the vulnerability of prostitutes who are not able or not willing to register by worsening their working conditions and exacerbating their social exclusion. The Committee expresses concern that this new legislation may also create serious risks for registered prostitutes’ privacy and safety.
31. The Committee urges the State Party to carefully conduct a risk assessment of the new law, including from the perspective of privacy, in consultation with concerned groups and relevant organizations before adopting it. The Committee also calls upon the Netherlands to provide more comprehensive and concrete information in its next periodic report on the measures taken to improve the working conditions of prostitutes and to enhance their autonomy, privacy and safety.”

93.
Uit het voorgaande blijkt dat een (groot) aantal organisaties met expertise op het terrein van de prostitutie en het bestrijden van misstanden verwacht dat de registratieplicht juist een tegenovergesteld effect zal hebben en zal leiden tot een vlucht in de illegaliteit. Dit impliceert dus minder zicht op de sector in plaats van meer. De registratie zou daarmee eerst en vooral een papieren werkelijkheid creëren.

94.
In zijn wetgevingsadvies wijst de Raad van State er in dit licht op dat ook het onderzoek van de Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) uit 2008 het vermoeden doet rijzen dat het administratief reguleren van de seksbranche ertoe leidt dat het vergunde deel van de branche beter in kaart wordt gebracht, terwijl het illegale gedeelte naar alle waarschijnlijkheid groter zal worden.

95.
Om voorgaande redenen staat het doel volgens de Raad van State niet in verhouding tot het middel van algehele registratie. Wij hebben evenwel opgemerkt dat de Raad van State het doel van het wetsvoorstel uitsluitend beperkt tot het vergemakkelijken van toezicht en handhaving. Uitgaande van deze enge interpretatie van het doel van het wetsvoorstel delen wij het oordeel van de Raad van State op dit punt.

96.
Wij hebben echter ook aangetekend dat, blijkens de toelichting van de regering, de doelstellingen van het wetsvoorstel ruimer zijn hetgeen ook consequenties kan hebben voor de proportionaliteitstoets. Ondanks de ruimere doelstellingen betwijfelen wij echter of de algehele registratie van alle in Nederland werkzame prostituees de noodzakelijkheidtoets kan doorstaan nu de registratie immers, vanwege de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, een ernstige inbreuk vormt op het privéleven van de betrokkenen.

97.
Daarbij speelt nadrukkelijk een rol dat er in diverse rapporten door deskundigen op wordt gewezen dat de algehele registratie juist een ongewenst effect heeft en dat bijvoorbeeld de intensivering van het algemene toezicht effectiever is voor de bestrijding van misstanden. Er zijn met andere woorden effectievere middelen mogelijk die een minder ingrijpende inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen.

VIII. Afronding
98.
Gelet op het voorgaande zijn wij van oordeel dat de regering ten onrechte stelt dat er geen sprake is van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in de zin van art. 16 Wbp.

99.
Wel menen wij dat, wanneer het zou komen tot een rechterlijke beoordeling van deze wet, er een gerede kans bestaat dat de rechter gaat oordelen dat sprake is van een zwaarwegend algemeen belang in de zin van art. 23 lid 1 sub e Wbp. Wij betwijfelen echter of de registratieplicht vervolgens ook de noodzakelijkheidtoets kan doorstaan gelet op de eisen (doelmatigheid, proportionaliteit, en subsidiariteit) die voortvloeien uit de nationale en Europese rechtspraak. In ieder geval zijn wij van oordeel dat de huidige motivering die de regering in de memorie van toelichting en de Nota naar aanleiding van het Verslag heeft gegeven op dit punt aanmerkelijk tekortschiet.

Bijlage 4
Marjan Wijers: Straffen hoerenloper helpt vrouw niet, NRC-Handelsblad, 28 februari 2013

 

Noten


[1] Flight e.a., Evaluatie opheffing bordeelverbod. Gemeentelijk beleid, Amsterdam/Den Haag: DSP-groep/WODC 2006, blz. 6 en 34.
[2] A.L. Daalder (2007) Prostitutie in Nederland na opheffing van het bordeelverbod. Den Haag: WODC Ministerie van Justitie/ Meppel: Boom Juridische uitgevers, blz.. 49.
[3] Daalder, blz. 57.
[4] Flight e.a.,  7% van de responsgemeenten voerde een feitelijk nulbeleid, nog eens 5% voerde een formeel nulbeleid, blz. 8 en 34.
[5] Daalder, blz. 47.
[6] Flight e.a., blz. 52. In totaal was – onder invloed van diverse factoren – het aantal vergunde seksinrichtingen in Nederland tussen 2000 en 2006 naar schatting met 17 % afgenomen tot circa 1.270.
[7] Daalder, blz. 57.
[8] Daalder, blz. 58 en 83.
[9] Deze had de keuze zich te vestigen in gemeenten waar escortbureaus niet vergunningplichtig waren. Daalder, blz. 58-59 en blz. 83.
[10] Daalder, blz. 83-84.
[11] Daalder, blz. 84-85.
[12] Daalder, blz. 86.
[13] Daalder, blz. 85-86.
[14] Zie voor korte beschrijving van het opting-in systeem bijlage 1.
[15] Op basis van de gemiddelde score hadden prostituees echter nog steeds minder dan gemiddeld last van distress, waarbij de vergelijkingsgroep bestond uit  3.000 bij een huisartsenpraktijk ingeschreven (niet in de prostitutie werkzame) vrouwen. Dekker e.a., Evaluatie opheffing bordeelverbod. De sociale positie van prostituees 2006, Regioplan 2007, blz. 63.
[16] Sommige prostituees maken om die reden gebruik van een bijstanduitkering,  niet voor het geld maar om zich te kunnen verzekeren.
[17] Zie onder andere “Sekswerk in 2011, Trendrapport” van de (inmiddels opgeheven) Rode Draad.
[18] Een coöperatie kan verschillende vormen hebben. Via een coöperatie kan bijvoorbeeld toegang tot de sociale zekerheid geregeld worden, zoals loondoorbetaling bij ziekte & werknemersverzekeringen en extra faciliteiten zoals cursussen, een spaarregeling enz. De prostituee werkt dan in een vergund seksbedrijf terwijl zij of hij zowel lid van als in dienst bij de coöperatie is en wordt door de coöperatie doorbetaald bij ziekte en vakantie. Op het salaris worden de normale wettelijke inhoudingen gepleegd en maandelijks wordt een salarisstrook uitgereikt. De coöperatie draagt over haar omzet de omzetbelasting af. Tot voor kort werd dit alternatief voor de opting-in regeling door de belastingdienst tegengewerkt. Een andere vorm is een coöperatie van zzp’ers die een aantal zaken collectief regelt (bijv. verzekeringen of de oprichting van een broodfonds). Ook is denkbaar dat prostituees gezamenlijk als coöperatie een bedrijfspand huren, zelf een beheerder aanstellen, afspraken maken met de gemeente, intake gesprekken met nieuwe/aspirant leden voeren enz.
[19] Onder thuiswerkers vallen zowel degenen die thuis werken als degenen die vanuit huis werken, zoals bijvoorbeeld zelfstandige escorts.
[20] https://www.spot46.nl/index.php/escort-57
[21] Flight e.a., blz. 7.
[22] In 2006 was het aantal vergunde seksinrichtingen volgens opgaven van de gemeenten met ongeveer een zesde afgenomen. Daalder, blz. p. 36. Deze trend heeft zich de daarop volgende jaren voortgezet.
[23] Zie o.a. Ann Jordan, The Swedish Law To Criminalize Clients: A Failed Experiment In Social Engineering, Program on Human Trafficking and Forced Labor, Center for Human Rights & Humanitarian Law, April 2012; en bijgevoegd artikel in de NRC van Marjan Wijers (bijlage 4).
[24] Evaluatie breed maatregelenpakket barrièrevorming mensenhandel, december 2012, Afdeling Bestuursinformatie Sector Bestuurs- en Concernzaken Gemeente Utrecht, blz. 52. Registratie is verplicht m.i.v. 1 oktober 2011.

 

Verslag debat rechtspositie vertrouwenspersoon seksuele intimidatie, 4 april 2013

VERSLAG VVR DEBAT vertrouwenspersonen (PDF)

VERSLAG VVR DEBAT: RECHTSPOSITIE VERTROUWENSPERSOON

Op 4 april 2013 vond onder leiding van mr. Riek Vilters, bestuurslid van de Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR) en autoriteit op het gebied van ongewenst gedrag op de werkvloer, een door de VVR georganiseerd debat over de rechtspositie van de vertrouwenspersoon plaats. Bij Movisie te Utrecht had zich een gemêleerd publiek verzameld, bestaande uit advocaten, consultants, vertegenwoordigers en vertrouwenspersonen uit verschillende publieke en commerciële organisaties. Na een inleiding van dr. Carla Goosen, o.m. mediator, over haar proefschrift ‘In vertrouwen’ en een presentatie van drs. Tineke de Rijk, trainer/adviseur medezeggenschap, over de weerbarstige praktijk in arbeidsorganisaties, kreeg het publiek de gelegenheid om in groepjes over een achttal stellingen te discussiëren. De uitkomsten van deze discussies werden uiteindelijk plenair behandeld. Hieronder volgt een korte weergave van de avond, waarin aandacht besteed wordt aan de meest belangrijke inzichten die het debat heeft opgeleverd.

De avond werd geopend door Riek Vilters die het thema inleidde door te stellen dat in Nederland de tendens met betrekking tot vertrouwenspersonen zich laat samenvatten door de zinsnede ‘alles is toch geregeld’. Dit is echter een misvatting die door Carla Goosen in haar proefschrift aan de kaak is gesteld. Zij stelt dat de laatste jaren de taak van de vertrouwenspersoon zwaarder is geworden, maar dat de competenties niet meegegroeid zijn. Tineke de Rijk liet vervolgens haar licht over deze stelling schijnen, puttend uit de ervaringen die zij heeft opgedaan als trainer en adviseur op het gebied van medezeggenschap.

Carla leidde haar presentatie in met een fabel rondom een discussie over het aanstellen van een vertrouwenspersoon in het rijk der dieren. Dit bleek echter makkelijker gezegd dan gedaan, aangezien geen enkel dier over alle eigenschappen beschikte die een vertrouwenspersoon nodig heeft. Uiteindelijk kwam de dierengemeenschap tot de conclusie dat een vertrouwenspersoon heel hard nodig was, gezien de overvloed aan negatieve eigenschappen die de kandidaten voor de positie van vertrouwenspersoon tentoonspreidden.

De vraag is natuurlijk of er in professionele organisaties wel mensen rondlopen die de juiste mix van eigenschappen bezitten om een goede vertrouwenspersoon te zijn. In 2006 ging Carla met deze vraag aan de slag. Uit ervaring en eerdere onderzoeken wist zij dat het succes van o.a. therapeuten voor slechts 15% door methodiek wordt bepaald en voor de rest afhangt van zijn of haar persoon. Haar onderzoek spitste zich toe op vertrouwenspersonen, een beroep dat de laatste jaren/decennia een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ze deed haar onderzoek vanuit een multidisciplinair perspectief waarbij ze vooral deskundigen aan het woord wilde laten. De hoofdvraag van haar onderzoek was: ‘Welke competenties heeft een vertrouwenspersoon seksuele intimidatie nodig om zijn/haar taken goed uit te kunnen oefenen?’ In de jaren voorafgaand aan haar proefschrift waren steeds meer verantwoordelijkheden en thema’s op het bord van de vertrouwenspersoon terecht gekomen en daarom was de eerste stap in het beantwoorden van deze vraag het vaststellen wat daadwerkelijk de hoofd- en sub-taken van de vertrouwenspersoon zijn, omdat competenties aan moeten sluiten bij deze taken. Op basis van deze inventarisatie kwam Carla Goosen tot de stelling:

‘De ontwikkeling van de functie van vertrouwenspersoon dient in verhouding te staan met de ontwikkeling van de professionaliteit van de vertrouwenspersoon.’

Haar onderzoek toonde echter aan dat hoewel de taken steeds meer waren uitgebreid, de deskundigheid van vertrouwenspersonen niet was toegenomen.

Taken bestaan uit competenties en competenties zijn opgebouwd uit dimensies. Goed kunnen luisteren is bijvoorbeeld een dimensie van de competentie empathie. Uit het onderzoek bleek dat de hoofdtaken van de vertrouwenspersoon opvang en begeleiding, voorlichten en informeren en gevraagd en ongevraagd adviseren zijn. Dit doet de vertrouwenspersoon op verschillende gebieden zoals seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en discriminatie. Opvang en begeleiding zijn de meest wezenlijke taken, maar de taken vertonen nauwe samenhang en deze taak kan niet naar behoren uitgevoerd worden zonder aandacht te besteden aan de andere taken. Zoals gezegd bepalen de taken de competenties en Carla Goosen heeft een model (Competentiemodel Gelaagd) ontwikkeld waarin duidelijk wordt wat het effect van het hebben van bepaalde competenties is op het welzijn van de werknemer die aanklopt bij een vertrouwenspersoon en hoe gemakkelijk het is om een bepaalde competentie onder de knie te krijgen. Wat bleek, competenties die veel effect hebben op het welzijn zijn moeilijker aan te leren dan competenties die minder effectief zijn. De eerste groep competenties zijn eigenschappen en drijfveren, terwijl de tweede groep uit kennis en vaardigheden bestaat. Meer concreet, het is relatief gemakkelijk om kennis en vaardigheden te verbeteren, maar deze competenties hebben minder effect op het welzijn van de slachtoffers dan competenties gerelateerd aan drijfveren die wel veel effect op het welzijn hebben.

Tineke de Rijk opende haar presentatie met de waarschuwing dat het proefschrift van Carla Goosen zich niet in één avondje laat lezen aangezien de complexe opbouw van het onderzoek. Tineke gaf echter aan dat dit een positief punt is, omdat in het proefschrift de complexe werkelijkheid van organisaties waarin macht en hiërarchie een grote rol spelen niet uit het oog verloren is. Een van de denkfouten met betrekking tot gedrag is namelijk dat gedrag één op één is, terwijl in organisaties juist de context van de organisatie en de bedrijfscultuur een beslissende rol spelen.

Tineke de Rijk heeft deze inzichten ontleend aan haar jarenlange ervaring als trainer en adviseur van ondernemingsraden. Tijdens deze trainingen stelt zij altijd de vraag, ‘hebben jullie een vertrouwenspersoon’, het antwoord luidt in het algemeen ja, maar vervolgens blijkt dat er aan de positie van deze vertrouwenspersoon nog veel te verbeteren valt, of hij/zij is vergeten of nijpender nog, hij/zij is een persoon met een dubbele pet die bijvoorbeeld actief is in de OR of een directe band heeft met personeelszaken.

Tineke de Rijk stelde dat de verklaring voor de onwil om het beleid rondom de vertrouwenspersoon naar behoren te regelen ligt in het feit dat vertrouwenspersonen geassocieerd worden met moeilijke situaties. Het aanstellen van een vertrouwenspersoon is relatief simpel, maar het vergt meer energie en moeite om daadwerkelijk in de problematiek te duiken waarvoor de vertrouwenspersoon is aangesteld en fatsoenlijk beleid te ontwikkelen.

Niet alleen bij leidinggevenden heerst er terughoudendheid wat betreft vertrouwenspersonen. Ook werknemers vinden het lastig om de stap naar de vertrouwenspersoon te zetten. Er heerst veel ontkenning bij de slachtoffers, want zij vinden het in het algemeen lastig om toe te geven dat er sprake is van een ernstig probleem, bovendien wordt de stap extra bemoeilijkt door de crisis, omdat veel mensen niet willen klagen uit angst hun baan te verliezen. Paradoxaal genoeg is het dus wel degelijk een positief teken als een vertrouwenspersoon het druk heeft, omdat dit aangeeft dat de vertrouwenspersoon daadwerkelijk vertrouwd wordt en dat zijn/haar bestaan binnen de organisatie bekend is.

Volgens Tineke fungeert op dit moment de vertrouwenspersoon in veel organisaties dus als een ‘doekje voor het bloeden’, deze situatie is moeilijk te veranderen, omdat organisaties niet economisch afgerekend worden op het hebben van een goed beleid rondom gedrag c.q. vertrouwenspersonen. In een tijd waarin alles draait om targets is het lastig om organisaties te overtuigen van het belang van een goed functionerende en voor zijn/haar taak gekwalificeerde vertrouwenspersoon. Tineke gaf aan dat de ondernemingsraad een taak heeft op dit gebied, omdat deze verantwoordelijk is voor het toezien op de ARBO-wetgeving waar het beleid met betrekking tot gedrag onder valt.

Hoewel op dit moment de aandacht voor het belang van integriteit en goed gedrag op alle niveaus toeneemt wat onder andere leidt tot het ontwikkelen van gedragscodes en de professionalisering van het beleid en meer aandacht voor vertrouwenspersonen, gaf Tineke de Rijk aan dat zij een tendens waarneemt, dat het beleid rond seksuele intimidatie in het kader van deze ontwikkelingen onder gesneeuwd raakt. Een van de redenen hiervoor is dat ‘macho’ gedrag de laatste tijd steeds meer geaccepteerd lijkt te worden op de Nederlandse werkvloer waar een seksistische of discriminerende grap ten aanzien van homo’s en public steeds meer geaccepteerd wordt. Tot slot drukte Tineke de Rijk het publiek op het hart om in eigen organisaties na te gaan hoe het beleid ten aanzien van vertrouwenspersonen geregeld is en hoe dit uitgevoerd wordt. Beleid wordt namelijk pas echt praktijk als mensen hun nek uitsteken en door hun eigen gedrag een voorbeeldrol kunnen vervullen.

Na een korte pauze werd de groep in kleinere groepjes verdeeld die gingen discussiëren over een achttal stellingen:

1. Een vertrouwenspersoon kan niet worden verplicht tot openheid van zaken.
2. De ontwikkeling van de professionaliteit van de vertrouwenspersoon blijft achter bij de ontwikkeling van de functie.
3. De arbeidsrechtelijke bescherming van de vertrouwenspersoon dient geregeld te worden bij wet.
4. Een vertrouwenspersoon kan bij reorganisaties een rol spelen om te voorkomen dat mensen buiten spel worden gezet.
5. Een vertrouwenspersoon loopt zelf het risico slachtoffer te worden van secundaire victimisatie/intimidatie.
6. Een niet onafhankelijke vertrouwenspersoon is schadelijk voor een organisatie.
7. Menig vertrouwenspersoon wordt dit per toeval, niet op basis van deskundigheid en aantoonbare kwaliteiten.
8. Vertrouwenspersoon moet je worden in de herfst van je carrière.

In het plenaire debat dat daarop volgde werden de eerste drie stellingen en de zesde stelling meer uitgebreid besproken. Met betrekking tot de eerste stelling ‘Een vertrouwenspersoon kan niet verplicht worden tot openheid van zaken’ had de groep zich vooral op strafrechtelijke aspecten geconcentreerd. Zij kwam tot de conclusie dat het lastig is om te bepalen waar de grens van de geheimhoudingsplicht ligt en dat dit afhankelijk is van de vraag of het een situatie betreft waarin een bepaald feit voorkomen kan worden of dat het betrekking heeft op de signalering van een feit. Carla vulde hierop aan dat vooral in het onderwijs en de zorg dergelijke vragen spelen. Zij besteedde ook aandacht aan de vraag of werkgevers openheid van zaken van de vertrouwenspersoon kunnen verlangen. Het antwoord hierop is (uiteraard) nee, een werkgever kan een vertrouwenspersoon niet tot openheid van zaken dwingen. Echter vertrouwenspersonen staan in een arbeidsrechtelijke verhouding tot de werkgever en dit kan leiden tot dilemma’s. Een externe vertrouwenspersoon kan dan uitkomst bieden. Riek vulde

hierop aan dat er een ontwikkeling gaande is waarin steeds meer meldcodes worden opgesteld waarin soms meldplichten zijn opgenomen. Deze ontwikkelingen moeten goed in de gaten gehouden worden. Een vertrouwenspersoon moet in bezit zijn van de competentie ‘nee te kunnen zeggen’ tegen zijn werkgever. Carla vulde hierop aan dat je als vertrouwenspersoon nooit kunt zeggen ‘dat je nooit iets zult vertellen’ (bijvoorbeeld in het geval van strafbare feiten), deze valkuil kan omzeild worden door als vertrouwenspersoon aan te geven dat je nooit iets zal zeggen achter de rug van de klager/het slachtoffer om. Met betrekking tot het bijhouden van statistieken van klachten werd uit de zaal opgemerkt dat dit niet herleidbaar mag zijn tot het slachtoffer. Echter casuïstiek kan helpen bij het verbeteren van het beleid binnen een organisatie. Hier dient een juiste balans tussen gevonden te worden. De vertrouwenspersoon moet kunnen aanvoelen in hoeverre statistieken openbaar gemaakt mogen worden in samenspel met de klagers zelf. Met betrekking tot casuïstiek moet met drie zaken rekening gehouden worden: het mag niet herleidbaar zijn, het belang van het management moet niet voorop gesteld worden en men moet zich realiseren dat een vertrouwenspersoon niet aan waarheidsvinding doet.

Stelling 2, de ontwikkeling van de professionaliteit van de vertrouwenspersoon blijft achter bij de ontwikkeling van de functie, kon noch bevestigd noch ontkend worden door het desbetreffende groepje. Carla stelde dat het van belang is dat de taken van de vertrouwenspersoon echt als werk worden beschouwd, omdat onprofessioneel gedrag van de vertrouwenspersoon de organisatie veel schade kan berokkenen.

Stelling 3, de arbeidsrechtelijke positie van de vertrouwenspersoon dient geregeld te worden bij wet, kon op instemming rekenen. Er moet een artikel komen dat gelijk is aan de (ontslag- en loopbaan) bescherming van de leden van ondernemingsraad.

Stelling 6, een niet onafhankelijke vertrouwenspersoon is schadelijk voor een organisatie, werd door het publiek aangedragen als zijnde belangrijk. Ten eerste moet bepaald worden wat het begrip schadelijk precies behelst en wanneer er sprake is van een afhankelijke of onafhankelijke vertrouwenspersoon. Wat betreft de term schadelijk is de vraag natuurlijk voor wie een niet onafhankelijke vertrouwenspersoon schadelijk is? De consensus was dat de organisatie reputatieschade kan oplopen, maar dat de vertrouwenspersoon uiteindelijk het meeste risico loopt. Een vertrouwenspersoon uit de zaal merkte op dat zelfs als externe vertrouwenspersoon je nooit totaal onafhankelijk bent, omdat de organisatie uiteindelijk jouw salaris betaalt. Toch hebben interne vertrouwenspersonen het over het algemeen lastiger dan externe vertrouwenspersonen. Behalve dat zij risico lopen op conflicten met de leidinggevenden kunnen zij ook betrokken raken bij conflicten met collega’s, om dit te voorkomen dienen er altijd minimaal 2 vertrouwenspersonen in een organisatie te zijn, omdat je dan niet voor je eigen afdeling verantwoordelijk bent.

Het debat werd afgesloten met het formuleren van 3 voorwaarden waaraan voldaan moet worden om schade te vermijden.

  • –  De vertrouwenspersoon moet professioneel zijn en de mogelijkheid krijgen om professioneel te werken en zich te ontwikkelen
  • –  Er moeten waarborgen in de wet komen om de vertrouwenspersoon vergelijkbare bescherming te bieden als leden van ondernemingsraden.
  • –  De functie van vertrouwenspersoon dient ingebed te worden in het beleid van de organisatie

Met dit wijze advies werd dit succesvolle debat afgesloten.

Brief aan Eerste Kamer over herbezinning wetsontwerp regulering prostitutie en bestrijding misstanden, 18 maart 2013

Aan de Leden van de Commissies Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken, en de Hoge Colleges van Staat /  Algemene Zaken en Huis der Koningin  van de Eerste Kamer

Datum      : 18 Maart 2013

Onderwerp: Herbezinning wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche

Geachte leden van de commissies V&J en BZK/AZ,

Op 19 maart a.s. bespreekt u het verzoek van minister Opstelten om voortzetting van de behandeling van de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp).

Dit wetsvoorstel is op 30 oktober 2012 aangehouden vanwege de vele kritische vragen van uw kant voornamelijk over de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid, effectiviteit en rechtsstatelijkheid van de verplichte registratie van prostituees en de strafbaarstelling van klanten en de bijbehorende vergewisplicht. Deze kritische geluiden waren voor de Minister reden om aan te geven zich te willen herbezinnen op genoemd wetsvoorstel. Uw Kamer heeft hiermee ingestemd.  Daarbij heeft mevrouw Duthler (VVD) namens de gehele Kamer het volgende standpunt verwoord:

”Ik kan de minister namens de hele Kamer bevestigen dat wij het zeer op prijs zouden stellen als hij zich nog eens dringend zou herbezinnen op de effecten van dit wetsvoorstel. Wij toetsen als Eerste Kamer wetsvoorstellen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid, effectiviteit en rechtsstatelijkheid. De minister heeft gehoord dat de Kamer op al deze punten belangrijke bezwaren heeft. Wij gaan graag op zijn aanbod in om zich nog eens goed te bezinnen op dit wetsvoorstel. Daarbij teken ik wel aan dat bezinning echt moet leiden tot bezinning, en niet tot nadere uitwerking.”

De Vereniging voor Vrouw en Recht, Clara Wichmann (VVR) is dan ook verbaasd dat na bijna een half jaar Minister Opstelten in zijn brief van 8 maart 2013 inhoudelijk niet ingaat op uw zeer kritische opmerkingen en bezwaren met name met betrekking tot de effectiviteit van de wet gelet op de doelstelling en de handhaafbaarheid. Bezwaren die vrijwel Kamerbreed zijn geuit tijdens het Kamerdebat op 30 oktober jl.

Van een werkelijke herbezinning zoals toegezegd door de Minister, lijkt dan ook geen sprake, slechts van een nadere uitwerking.

Immers, de argumenten van de Minister in zijn brief verschillen niet van de argumenten die in de afgelopen jaren door hem naar voren zijn gebracht, evenals de conclusie. In die zin kan gesproken worden van een consequent beleid, maar ook van het niet willen horen van de gevaren, risico’s op ongewenste effecten, de effectiviteit van de wet, de juridische strijdigheid met de Wbp en de juridische en praktische onmogelijkheden bij de uitvoering van de zogenoemde vergewisplicht voor cliënten van prostituees.

De Minister kiest in zijn brief van 8 maart jl. voor een procedurele oplossing, die overigens evenmin nieuw is. Een procedurele oplossing die uw principiële, inhoudelijke bezwaren verbloemen.

De Minister stelt immers (opnieuw) voor om na aanvaarding van het wetsvoorstel de registratie uit te werken, incl. de bouw van het gehele systeem. Na adviezen van het CBP en de Raad van State komt hij dan terug in beide Kamers met een AMvB waarin een en ander is vastgelegd.

Een AMvB zal per definitie slechts een beperkte vastlegging zijn van het gehele stelsel. Bovendien is op dat moment geen sprake meer van ‘vrij beslissen’ over het systeem omdat op dat moment alles is uitgewerkt en afgerond. Een systeem waarvan de investeringskosten voor het opzetten daarvan en alles wat daarmee samenhangt – grof geschat – worden geschat op zo’n 30 -60 mln. Grof geschat omdat de minister nooit bedragen heeft genoemd van de investering, noch van de jaarlijkse kosten die een verplichte registratie van prostituees met zich brengt.

Opvallend is dat de minister er niet voor kiest om de onderdelen waarover redelijke consensus bestaat – uniformering van het vergunningenstelsel op korte termijn in te voeren, terwijl de gemeenten en het werkveld juist daar nadrukkelijk om vragen.

In plaats van prostituees van zich te vervreemden en hun vertrouwen in een overheid die ook voor hun belangen en bescherming opkomt, verder te ondermijnen, kan juist ook in goede samenwerking tussen prostituees, (sociale) hulpverlening, Openbaar Ministerie en politie gekomen worden tot een effectieve manier om mensenhandel en andere misstanden aan te pakken en de veiligheid te vergroten. Niet door prostituees en klanten te criminaliseren, maar juist door met hen beleid op te zetten, kan het effectief werken. Deze groepen hebben immers toegang tot slachtoffers van mensenhandel en kunnen misstanden signaleren.

De Vereniging voor Vrouw en Recht dringt er dan ook bij u op aan om:

–      afstand te nemen van het procedurele voorstel van de minister aangezien hij niet is in gegaan op uw principieel inhoudelijke argumenten betreffende handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid, effectiviteit en rechtsstatelijkheid van de verplichte registratie van prostituees en de strafbaarstelling van klanten en de bijbehorende vergewisplicht;

–      te verzoeken om een (mondelinge dan wel schriftelijk) beantwoording van alle kritische vragen teneinde daarna vrij te kunnen beoordelen of het voorliggend wetsvoorstel de bestrijding van mensenhandel en misstanden wel effectief bestrijdt;

–      te verzoeken om de onderdelen van het wetsvoorstel waarover een redelijke consensus bestaat, zo spoedig mogelijk in een (beperkter) wetsvoorstel neer te leggen;

–      in overleg met alle betrokkenen, zoals hierboven genoemd, en met name met prostituees te bekijken op welke wijze het meest effectief kan worden opgetreden tegen mensenhandel en andere misstanden in de seksbranche.

Voor nadere informatie of voor vragen zijn ondergetekenden gaarne bereid.

Met vriendelijke groet,

 

Mr. M.M. van der Burg,               Mr. M. Wijers

Voorzitter VVR                          Bestuurslid VVR

tel: 06-22987711                      tel: 06-30546012

Uitspraak Rechtbank Amsterdam over discriminatie bij benoeming aan UvA, 13 maart 2013

Hier is de PDF van de uitspraak dd 13 maart 2013 in de zaak Edith Kuiper en de stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann tegen de Universiteit van Amsterdam. LJN-nummer: BZ4174
vonnis 13 maart 2013

Persbericht: Proefprocessenfonds verheugd over de uitspraak tegen de UvA

De Vereniging voor Vrouw en Recht was intensief betrokken bij de procedure tegen de UvA en ‘makelaar’ tussen Fonds en Edith Kuiper. Vandaar dat de VVR het persbericht van het Proefprocessenfonds overneemt. De uitspraak is in de rubriek Jurisprudentie geplaatst.

Persbericht 14/03/2013

Vandaag heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in het proefproces dat het Proefprocessenfonds samen met Edith Kuiper voert tegen de Universiteit van Amsterdam. Uit het vonnis blijkt dat de rechter heeft aangenomen dat de door het fonds en Kuiper aangevoerde feiten betreffende het verloop van de sollicitatieprocedure (waaronder de samenstelling van de selectiecommissie, het gebrek aan een objectieve buitenstaander bij de selectie van kandidaten, het feit dat de sollicitatieprocedure zoals die was omschreven in de tekst van de vacature na het vaststellen van de shortlist niet is gevolgd, en de ondervertegenwoordiging van vrouwelijke wetenschappers in Nederland) een vermoeden opleveren dat de UvA ten aanzien van Kuiper onderscheid heeft gemaakt naar geslacht. De rechter oordeelt echter dat de UvA erin is geslaagd om dit vermoeden te weerleggen en heeft de vorderingen van het fonds en Kuiper daarom afgewezen.

Het fonds juicht het toe dat de rechter in zijn vonnis expliciet heeft overwogen dat de hiervoor genoemde factoren, die aan de achterstand van vrouwelijke wetenschappers bijdragen, een vermoeden van verboden onderscheid naar geslacht opleveren. Deze uitspraak vormt een belangrijke precedent voor vrouwelijke wetenschappers die in de toekomst een rechterlijke uitspraak wensen over mogelijke discriminatie bij de sollicitatieprocedure. De duidelijkheid die door deze uitspraak is geschapen, komt de rechtspositie van vrouwelijke wetenschappers ten goede en vormt een waarschuwing voor universiteiten om te bezien of hun aanstellingsbeleid wel deugdelijk is.
De achtergrond van het proefproces, dat mede op initiatief van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann is aangespannen, is gelegen in het feit dat vrouwelijke wetenschappers in Nederland, en met name hoogleraren, veel minder kans maken op een aanstelling dan mannelijke wetenschappers. Deze achterstand ligt niet aan de wettelijke bescherming die vrouwen genieten. De gelijkebehandelingswetgeving bepaalt immers dat vrouwen gelijk behandeld moeten worden in het aanstellingsbeleid voor overheidsorganisaties zoals een universiteit.

Uit onderzoek van Marieke Van den Brink ( 2010) blijkt dat de achterstand van vrouwelijke wetenschappers wordt veroorzaakt door onder meer de (louter mannelijke) samenstelling van beoordelingscommissies, schuivende selectiecriteria (die worden aangepast aan de kandidaat die de commissie toch al op het oog heeft) en het feit dat vrouwen veelal niet worden gezien bij de acquisitie van wetenschappers (“old boys’ network”). In de zaak van Edith Kuiper waren precies deze elementen aanwezig in de benoemingsprocedure die zij doorliep voor een aanstelling van universitair docent.

Voor het fonds is van groot belang dat de rechter vaststelt dat deze factoren een vermoeden van discriminatie wekken, die door de universiteit zal moeten worden weerlegd. Dit zou diegenen die worden gediscrimineerd betere bescherming bieden en voor universiteiten een stok achter de deur zijn bij het inrichten van hun sollicitatieprocedures. Daarnaast wil het fonds met deze procedure bereiken dat er aandacht komt voor de invloed van deze en andere factoren die discriminatie in de hand werken op het aanstellingsbeleid van universiteiten, en dat universiteiten hun eigen aanstellingsbeleid kritisch onder de loep nemen en verbeteren.

Aangezien de UvA hiertoe niet bereid was, heeft het fonds gevorderd dat hoogleraren, universitair hoofddocenten en de bestuursstaf bij de UvA een gender awareness training volgen. In een gender awareness training worden staf en wetenschappelijk personeel geïnformeerd over hoe discriminatie werkt, over manieren om discriminatie tegen te gaan en over de wetgeving hierover. Een dergelijke training is een beleidsinstrument dat tevens de discussie over discriminatie binnen een arbeidsorganisatie op gang kan brengen. Op deze vordering is de rechter niet ingegaan. De afwijzing van die vordering is in het geheel niet gemotiveerd. Daarbij kan een vraagteken worden geplaatst, aangezien het vermoeden van onderscheid wel is aangenomen en het fonds, ondanks verweer daartegen van de UvA, wel in haar vordering ontvankelijk is verklaard.

Het fonds beraadt zich thans over de mogelijkheden om in hoger beroep te gaan tegen het oordeel van de rechter dat de UvA erin is geslaagd het vermoeden van verboden onderscheid naar geslacht te weerleggen.

Contact Gina de Graaff, Bestuurslid Proefprocessenfonds Clara Wichmann:
06 44606736

Openning blog seksediscriminatie bij universiteiten

PERSBERICHT

De manier waarop wetenschappers in Nederland aan universiteiten worden benoemd, pakt vaak ongunstig uit voor vrouwen. Om hierin verbetering te brengen openen het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de Vereniging Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) op 8 maart a.s. (Internationale Vrouwendag) een blog waarop (geanonimiseerde) ervaringsverhalen zullen komen te staan van vrouwelijke wetenschappers over seksediscriminatie bij de universiteiten. Het Landelijk Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren ondersteunt dit initiatief.

Het blog zal verhalen bevatten over de wijze waarop de selectieprocedures voor benoemingen van wetenschappelijk personeel aan de universiteit van negatieve invloed zijn op de doorstroom van vrouwen die solliciteren op hogere posities bij de universiteiten. Mieke van der Burg: “Het is de bedoeling om niet alleen door cijfers, maar ook door persoonlijke verhalen inzicht te krijgen in de wijze waarop selectieprocedures in de praktijk plaatsvinden en waardoor de  doorstroom van vrouwen naar hogere wetenschappelijke posities wordt bemoeilijkt. Wij denken dat een andere opzet van selectieprocedures hieraan positief kan bijdrage. Te zijner tijd zullen we voorstellen hiervoor aan de Vereniging van Nederlandse Universiteiten presenteren”.

Onder meer het belang van informele “old boys’” netwerken, en de hardnekkigheid van gegenderde stereotype opvattingen over wetenschappelijke kwaliteit, dragen bij aan het tekort van vrouwelijke wetenschappers op hoge(re) functies. Dit is in het proefschrift van Marieke van den Brink, Behind the Scenes of Science uit 2009, helder uiteengezet. Gina de Graaff: “Op initiatief van de VVR heeft het Proefprocessenfonds, dat principiële rechtszaken voert om de positie van de vrouw te verbeteren, tegen deze achtergrond een proefprocedure tegen de Universiteit van Amsterdam geëntameerd. Dit proces voert zij samen met een vrouwelijke wetenschapper die onlangs door de ondoorzichtige sollicitatieprocedure aan deze universiteit is benadeeld. De publiciteit rondom de comparitie in deze procedure in januari van dit jaar heeft tot veel reacties geleid van andere vrouwelijke wetenschappers die vergelijkbare ervaringen hebben (gehad) in hun loopbaan aan de universiteit.”

Vrouwelijke wetenschappers worden opgeroepen hun ervaringen te beschrijven op: info@seksediscriminatieaandeuniversiteit.nl. Op het – door het Proefprocessenfonds en de VVR geopende – blog zullen in de komende maanden deze verhalen worden geplaatst. Hierdoor hopen de initiatiefnemers de statistieken over de trage doorstroom van vrouwen aan de universiteit een menselijk gezicht te geven.

­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­Nadere informatie is te verkrijgen bij: Gina de Graaff (bestuurslid Proefprocessenfonds) tel. 06-44606736 en Mieke van der Burg (voorzitter bestuur VVR), tel: 06-22987711

Marjan Wijers – Straffen hoerenlopers helpt vrouw niet, in NRC Handelsblad 28 februari 2013

Na ruim 12 jaar opheffing bordeelverbod bestaat vrouwenhandel nog steeds. Reden voor kamerleden Myrthe Hylkens (PvdA) en Gert Jan Zegers (CU) om een bezoek aan Zweden af te leggen. Daar hebben ze de klanten van prostituees strafbaar gesteld. Is dat niet ook een goed idee voor Nederland?

De kernvraag is natuurlijk: helpt het om vrouwenhandel te bestrijden? Wanneer ik iets geleerd heb in de 12 jaar dat ik bij de Stichting Tegen Vrouwenhandel werkte is het dat stigma en rechteloosheid de voedingsbodem zijn van vrouwenhandel. Eens een hoer, altijd een hoer, who cares? Dat is wat handelaren hun slachtoffers vertellen. Het is een machtig wapen om ervoor te zorgen dat zij geen uitweg zien en er geen vertrouwen in hebben om naar de politie te gaan of hulp te vragen. Want wie zou hen geloven? In veel landen is dat, helaas, nog steeds waar. Het idee dat de beschermenswaardigheid van vrouwen bepaald wordt door hun (seksuele) onschuld is diep verankerd in al onze samenlevingen: ‘goede’ vrouwen verdienen bescherming, ‘slechte’ vrouwen kan je straffeloos misbruiken.

Nederland heeft geprobeerd dat aan te pakken door het bordeelverbod op te heffen en prostituees rechten toe te kennen. Hoeveel kritiek je ook  op de uitvoering kan hebben, het heeft er wel voor gezorgd dat prostituees – of ze nu gedwongen in de prostitutie terecht zijn gekomen of zelf die keuze hebben gemaakt – veilig naar de politie kunnen gaan als zij slachtoffer zijn van geweld of vrouwenhandel en serieus en fatsoenlijk behandeld worden. Daar mogen we trots op zijn, want dat is in veel landen anders. Daar is de politie vaak een van de belangrijkste bronnen van geweld tegen prostituees.

Dat is dan ook precies de reden om diep bezorgd zijn over het Zweedse model. Daarin wordt versterking van het stigma op prostitutie juist als een positief effect gezien. Doel van de Zweedse wetgeving is immers om de morele boodschap uit te zenden dat prostitutie slecht is. Het probleem is dat je niet kan zeggen dat prostitutie slecht is en mannen die prostituees bezoeken slecht zijn zonder ook te zeggen dat prostituees slecht zijn. Een Zweedse publiekspoll uit 2008 laat dan ook zien dat 50% van de respondenten niet alleen de klanten, maar ook prostituees zelf strafbaar wil maken.

In Zweden nemen ze de negatieve effecten voor lief. Dat zijn onder andere meer geweld en discriminatie tegen prostituees, minder toegang tot hulpverlening en gezondheidszorg, meer onveilige seks omdat het bezit van condooms als bewijs van prostitutie wordt gebruikt, en meer pooiers omdat het moeilijker is zelfstandig te werken en klanten te werven. Kern van het Zweedse beleid is immers niet het bestrijden van vrouwenhandel maar het bestrijden van prostitutie. Geparafraseerd: “Er is goede seks met goede vrouwen en slechte seks met slechte vrouwen. Wij gaan er voor zorgen dat onze mannen alleen maar goede seks met goede vrouwen hebben”. Vraag is of we in Nederland die negatieve effecten ook voor lief willen nemen – ongeacht wat je van prostitutie vindt – en wat de kern van ons beleid moet zijn: het bestrijden van prostitutie of het beschermen van het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen en het bestrijden van dwang, geweld en uitbuiting in de prostitutie.

Dat de opheffing van het bordeelverbod geen wondermiddel is mag niet verbazen. We hebben al ruim dertig jaar beleid tegen huiselijk geweld, maar het bestaat nog steeds en er gaan in Nederland nog steeds meer vrouwen dood door huiselijk geweld dan door vrouwenhandel. Toch is dat geen reden om alle getrouwde vrouwen als slachtoffer te behandelen, het huwelijk te verbieden of alle getrouwde mannen op voorhand strafbaar te stellen.

Intussen wordt de regeling die buitenlandse slachtoffers een tijdelijke verblijfsvergunning en hulp en bescherming biedt afgekalfd. Terwijl de afgelopen 25 jaar de inzet vooral was om te zorgen dat meer slachtoffers aangifte deden en de aangiftedrempel zo laag mogelijk te maken, nu lijkt de aandacht te zijn verschoven naar het voorkomen van “misbruik” van de regeling, zonder enige onderbouwing door cijfers overigens. Dat is pas echt een reden tot zorg. En daar kunnen we ook per direct wat aan doen.

Marjan Wijers
Zelfstandig onderzoeker en consultant, ex-medewerker Stichting Tegen Vrouwenhandel (nu Comensha) en oud voorzitter van de Europese Expertsgroep Mensenhandel

Brief aan Tweede Kamer over wetsvoorstel Wijziging Kieswet en de uitvoering van het arrest van de Hoge Raad inzake de SGP (25/2/2013)

Amsterdam/Leiden, 25 februari 2013

Geachte leden van de Tweede Kamer,

Binnenkort behandelt u plenair het wetsvoorstel Wijziging Kieswet (33 268). De Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR) en het Proefprocessenfonds Clara Wichmann (PPF) en de andere betrokken procespartijen vragen uw aandacht voor de uitvoering door de Staat van het arrest van de Hoge Raad dd. 10 april 2010 omtrent het vrouwenstandpunt van de SGP. De behandeling begin maart 2013 van het wetsvoorstel Wijziging van de Kieswet (33268) is bij uitstek is het moment om de nalatigheid van de staat in de uitvoering van het betreffende arrest ter sprake te brengen en te herstellen. Wij verzoeken u dringend hieraan aandacht te geven.

Hierna treft u ten eerste een uiteenzetting omtrent de vraag waarom de huidige maatregelen van de SGP zelf niet volstaan en ten tweede welke effectieve maatregelen zouden kunnen worden genomen zodat de Staat aan zijn verplichtingen voldoet. Verplichtingen die het Hof voor de Rechten van de Mens in zijn uitspraak van 10 juli 2012 heeft bevestigd.

1. Schets van de situatie
Bij arrest van 9 april 2010 van de Hoge Raad der Nederlanden (Eerste Kamer, nrs. 08/01354, 08/01394) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof Den Haag terecht tot het oordeel is gekomen dat de Staat gehouden is om maatregelen te nemen die er daadwerkelijk toe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toekent en dat de Staat daarbij een maatregel moet inzetten die effectief is en tegelijkertijd de minste inbreuk maakt op de grondrechten van de (leden van de) SGP. Dit arrest heeft gezag van gewijsde, zodat de Staat gehouden is de hier bedoelde maatregelen binnen een redelijke termijn te nemen.
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 10 juli 2012 de klacht van de SGP inzake voornoemd arrest van de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard wegens kennelijke ongegrondheid van de klacht. De Staat was en is derhalve gehouden maatregelen te nemen die er daadwerkelijk toe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toeken.

2. Aanpassingen door de SGP
Op maandag 14 januari jl. liet de SGP via de landelijke media weten artikel 10 van haar Beginselprogramma (het zogenoemde vrouwenstandpunt) te handhaven, maar tegelijkertijd het partijreglement zodanig aan te passen dat vanaf per 1 april het aan vrouwen “niet rechtens kan worden tegengeworpen” zich kandidaat te stellen voor de partij. Zoals het Proefprocessenfonds ook schriftelijk te kennen heeft gegeven aan Minister Plasterk (brief van 30 januari 2013, bijlage 1) geven de maatregelen van de SGP een incorrecte uitvoering aan het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad. In dit arrest werd immers juist overwogen (in r.o. 4.1.3) dat de leden van de SGP (ten onrechte) rechtens zijn gebonden aan artikel 10 van haar Beginselprogramma. Het lidmaatschap van SGP vereist immers dat het doel en de grondslag van de partij wordt onderschreven (artikel 4 van de Statuten). Het besluit van de SGP tot aanpassing van het partijreglement leidt derhalve tot strijdigheid met de verenigingsstatuten en is derhalve nietig, zoals is bepaald in artikel 2:14 BW. Hiernaast zal de SGP aan de enkele kandidaatstelling van een vrouw kunnen tegenwerpen dat de kandidaatstelling weliswaar “rechtens” toelaatbaar is, aldus de SGP, maar toch in strijd met artikel 10 van het Beginselprogramma.
Uit het voorgaande blijkt temeer dat de Hoge Raad terecht in zijn uitspraak aangaf dat het in deze aan de Staat is om met “effectieve maatregelen” te komen (r.o. 4.6.1), anders dan de Minister ons liet weten in zijn brief van 12 februari 2013 (bijlage 2). Ook om te garanderen dat in de toekomst er geen andere partijen zullen zijn die discrimineren bij de samenstellen van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen.

3. Juridische mogelijkheden
Wij hebben uitgebreid onderzoek gedaan naar de juridische mogelijkheden van het treffen van maatregelen. Het meest voor de hand liggende voorstel is om een artikel toe te voegen aan de Kieswet. In de Kieswet kan als taak van het Centraal Stembureau worden opgenomen om bij het indienen van de kandidatenlijsten te beoordelen of er bij het samenstellen van deze lijst is gediscrimineerd (op welke grond dan ook). Dit is mogelijk door invoeging van een artikel in hoofdstuk I van de Kieswet onder paragraaf 1. Voor onderzoek naar andere mogelijkheden verwijzen wij u graag naar het bijgevoegde artikel van De Graaf en Vermeer in het Nederlands Juristenblad 1897, 2012 (bijlage 3). Daarbij is van belang dat een dergelijke bepaling in andere landen reeds jaren in de wetgeving is opgenomen en dat ook voor het Europees Parlement een vergelijkbare regeling geldt.

4. Voorstel
Nu u begin maart 2013 het wetsvoorstel tot Wijziging van de Kieswet (33268) behandelt doet zich de gelegenheid voor om de hiervoor genoemde juridische mogelijkheid (die dringend noodzakelijk is) met minister Plasterk te bespreken en ook in het wetsvoorstel een plaats te geven. Gaarne zijn wij bereid een concept voor een amendement daartoe op te stellen.
Het is inmiddels een constitutioneel drama dat de Staat bijna drie jaar na de uitspraak van de Hoge Raad in de SGP zaak nog steeds geen maatregelen heeft getroffen om het algemeen passief kiesrecht te waarborgen. Een situatie waarop het toezichthoudend orgaan van het VN Vrouwenverdrag (CEDAW-Comité) Nederland al meerdere malen heeft aangesproken en ten aanzien waarvan het Comite  op aanpassingen heeft aangedrongen. In haar reactie op de laatste Regeringsrapportage zelfs in zeer sterk bewoordingen (2010). Dat op zich zou al reden moeten vormen voor actie van de wetgever.

Hiernaast is wetswijziging (bij wege van een amendement) noodzakelijk omdat het hier gaat over meer dan het vrouwenbelang en het daarmee verband houdende algemeen belang alleen. Het gaat in deze zaak om het recht van verkiesbaarheid ook voor toekomstige volksvertegenwoordigers te garanderen. Zoals de recente Resolutie 1989 van de Algemene Vergadering van 3 oktober 2012 van de Raad van Europa ook laat zien, is het in algemene zin slecht gesteld met de mate waarin minderheden en vrouwen de kans hebben zich te kandidaat te stellen voor een politieke partij. Het gaat in deze zaak dus los van de ernstige situatie bij de SGP ook om het principiële belang van het zekerstellen van de rechtmatigheid van het democratische proces, waarbij eenieder zowel het actieve als het passieve kiesrecht toekomt.

Daar waar de regering – die in zekere zin ook weer afhankelijk lijkt van de SGP om meerderheden te halen in de Eerste Kamer – noodzakelijke actie nalaat (vergelijk de al genoemde brief van minister Plasterk) is het aan uw Kamer als medewetgever om de handschoen op te pakken.

Gaarne zijn wij bereid om het bovenstaande nader toe te lichten en indien gewenst een concept amendement met toelichting op te stellen. In ieder geval zullen wij uw beraadslagingen terzake kritisch volgen.

Namens het Proefprocessenfonds en de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann,

met vriendelijke groeten,

mr.M.M. van der Burg
voorzitter VVR

mr. A. de Ruijter
voorzitter PPF