Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 1 maart 1989

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


In maart 1988 wordt een vrouw verkracht en gewurgd door een in de
Mesdagkliniek verpleegde TBR-patient, die met onbegeleid verlof was. De
dader was reeds tijdens eerdere onbegeleide verloven verschillende vrouwen op
de fiets gevolgd. De nabestaanden van het slachtoffer stellen de
Mesdagkliniek aansprakelijk voor de verkrachting en moord, omdat de kliniek de
belangen van derden op onzorgvuldige wijze in gevaar bracht door aan deze
patient onbegeleid verlof te verlenen. De nabestaanden willen een
verklaring van de rechter dat de kliniek onrechtmatig heeft gehandeld; dat het
de kliniek verboden wordt na zonsondergang onbegeleid verlof te geven en een
gebod aan de kliniek de medewerkers bij te scholen op het terrein van
voorkoming van seksuele geweldsdelicten

Beslissing Rechtenvrouw: het is van groot belang dat
hulpverleningsinstellingen als de Mesdagkliniek meer inzicht krijgen in de
aard, oorsprong en omvang van seksuele geweldsdelicten, waarvan alle vrouwen –
louter omdat zij vrouw zijn – het slachtoffer kunnen worden

Stand van zaken: vonnis van de rechtbank: er wordt onzorgvuldigheid bij
de Mesdagkliniek geconstateerd (verblijfplaatsen tijdens verlof werden niet
gecontroleerd) maar een causaal verband met moord wordt niet bewezen geacht
Familie wil in hoger beroep en vraagt om garantstelling. De advocate
wil in hoger beroep de verantwoordelijkheid van de kliniek verder aanzetten
Rechtenvrouw gaat accoord

Inmiddels heeft een gesprek tussen het Ministerie van Justitie en de
nabestaanden plaatsgevonden, waarin het ministerie heeft toegezegd het beleid
t.a.v. het verlof van TBR-gestelden aan te passen. Het hoger beroep is
ingetrokken

Jaarverslag 1988 no. 26

Volledige tekst

OVERWEEGT TEN AANZIEN VAN HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Bij zakelijk met de op met verkorte termijn uitgebrachte dagvaarding
overeenstemmende conclusie van eis met producties hebben eisers gesteld en
gevorderd gelijk als weergegeven in die dagvaarding

Bij conclusie van antwoord met produkties heeft gedaagde de vorderingen
van eisers bestreden. Partijen hebben hun zaak vervolgens doen bepleiten
door hun raadslieden. Tijdens het pleidooi zijn door eisers nog stukken
overgelegd. Tenslotte hebben partijen onder overlegging van de stukken,
waarin begrepen de pleitnotities, de Rechtbank verzocht vonnis te wijzen

OVERWEEGT TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Tussen partijen staat het navolgende als enerzijds gesteld en
anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast:

a. Op 10 maart 1988 is te Groningen A.B., 22 jaar oud, zuster van eiser
sub 1 verkracht en vermoord door een ter beschikking van de regering (TBR)
gestelde, die wegens gewelds- en zedendelicten was opgenomen in de Van
Mesdagkliniek in Groningen, een justitiele inrichting die onder
verantwoordelijkheid van gedaagde, de Staat, valt

b. Deze TBR-gestelde, hierna te noemen WvdS, pleegde dit delict tijdens
een hem verleend, onbegeleid verlof

c. WvdS was vanaf maar 1977 TBR gesteld en werd in april 1981
overgeplaatst van de Van der Hoevenkliniek naar de Van Mesdagkliniek in
verband met een tweetal ernstige incidenten (bedreiging met een mes en
ontucht onder bedreiging, beide ten aanzien van een groepsleidster)

De ter beschikkingstelling van WvdS is na 1977 telkens voor de duur van
twee jaar, laatstelijk bij beschikking van 18 mei 1987 voor de duur van een
jaar, verlengd

d. Tot augustus 1984 is aan WvdS geen enkel verlof verleend. In die
periode maakte WvdS een proces van hechting aan de kliniek en integratie in
de structuur van de kliniek door

e. In juli 1984 werd door de kliniek machtiging van de Ministerie van
Justitie gevraagd en verkregen teneinde WvdS in de gelegenheid te stellen om
onder begeleiding te gaan voetballen op het buiten de kliniek gelegen
voetbalveld

f. Vervolgens is op 25 februari 1985 door de Minister op een daartoe
strekkend en gemotiveerd verzoek van de kliniek machtiging verleend voor
begeleid verlof met als doel het eenmaal per veertien dagen gedurende drie
uur onder begeleiding zwemmen

g. De kliniek constateerde ook vervolgens een duidelijk positieve
ontwikkeling op grond waarvan geconcludeerd werd dat een nieuwe fase in de
behandeling was aangebroken, te weten – zoals de kliniek het in het
desbetreffende verleningsadvies omschrijft – een geleidelijk verdunnen van de
gestructureerde omgeving, waarbij de patient een verbetering in zijn
persoonlijk functioneren moet consolideren. Nadat in juni 1985 de
TBR-stelling wederom voor twee jaar was verlengd, werd een ruimer, begeleid
verlof toegestaan

h. Aangezien de positieve ontwikkeling van WvdS zich in het
daaropvolgende jaar voortzette verzocht en verkreeg de kliniek in juni 1986
toestemming om WvdS semi-onbegeleid verlof te verlenen naar een contactgezin

i. Op 30 september 1986 onttrok WvdS zich aan begeleid verlof waarna
verdere verloven werden stopgezet

j. Omdat de kliniek echter ook nadien een gestage ontwikkeling naar een
hoger niveau van integratie constateerde, verzocht de kliniek in januari 1987
toestemming tot hervatting van de begeleide verloven, welke toestemming in
februari 1987 werd verleend

k. In juli 1987 werd door de kliniek toestemming verzocht en verkregen
tot verlening van onbegeleid zwemverlof voor drie uur, onbegeleid stadsverlof
voor tweemaal drie uur en twee dagen begeleid verlof voor familiebezoek

l. In januari 1988 werd toestemming verzocht, en in februari 1988
verkregen, tot uitbreiding van de onbegeleide verloven

m. De kliniek ging tot deze verlofverleningen over, omdat een steeds
voortgaande verbetering in WvdS geconstateerd werd, die het naar het oordeel
van de kliniek mogelijk maakte om WvdS geleidelijk aan meer vrijheden toe te
staan

n. Aan de kliniek zijn geen problemen tijdens of in verband met de
begeleide en onbegeleide verloven gebleken

o. Achteraf is gebleken dat de door de kliniek geconstateerde
aanpassingen van WvdS schijnaanpassingen zijn geweest

p. WvdS is voor het onderhavige delict door de Rechtbank te Groningen op
6 oktober 1988 veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf en onvoorwaardelijke
TBR

2. Eisers stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat de staat
onrechtmatig heeft gehandeld door WvdS in maart 1988 met onbegeleid verlof
uit de Van Mesdagkliniek te laten vertrekken en zij vorderen bij dagvaarding
sub a dat de Rechtbank zulks bij vonnis zal vaststellen

Eisers leggen meer speciaal aan die vordering ten grondslag dat de Van
Mesdagkliniek-directie had moeten onderkennen dat de aanpassing van WvdS
slechts een schijnaanpassing was en dat daarom geen onbegeleid verlof had
mogen worden verleend. Tevens stellen eisers in het algemeen dat de Staat
bij zijn beleid inzake TBR-gestelden onrechtmatig handelt

Sub b vorderen eisers een gebod aan de Staat om alle in TBR-inrichtingen
werkzame therapeutische hulpverleners, die wegens het begaan hebben van een
seksueel geweldsdelict TBR-gestelden begeleiden, te verplichten tot het
volgen van een Basistraining voorkoming seksuele geweldsdelicten voor
hulpverleners of een vergelijkbare training. Aan die vordering leggen zij ten
grondslag dat de wijze waarop de Van Mesdagkliniek therapeutische hulp aan
patienten tracht te geven, niet leidt tot herstel van de patient en
doorbreking van de wijze van de wijze waarop de patient tegenover vrouwen
staat

3. De Staat heeft een beroep op niet ontvankelijkheid van eiser sub 1 in
zijn vorderingen gedaan, zich gerefereerd aan het oordeel van de Rechtbank
omtrent de ontvankelijkheid van eiseres sub 2 en voorts verweer gevoerd tegen
de vorderingen van eisers

4. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eisers:

Eiser sub 1 heeft erkend dat hij niet behoort tot de in artikel 1406 BW
genoemde, personen die ingeval van dood door schuld van een derde een
vordering tot schadevergoeding hebben. Eiser sub 1 heeft gesteld dat hem een
zelfstandige actie uit artikel 1401 toekomt, nu hij door onzorgvuldig
handelen van de Staat schade ondervindt en hem met het verlies van zijn zuster
verdriet berokkend is. Artikel 1406 BW noemt de personen die en de
voorwaarden waaronder zij bij dood door schuld van het slachtoffer aanspraak
op vergoeding van daardoor ontstane schade hebben limitatief en derogeert in
zoverre aan artikel 1401. Tot die groep behoort eiser niet, ook niet indien
in aanmerking wordt genomen dat, zoals hij nader heeft doen stellen, hij mede
namens zijn ouders optreedt. Indien en voorzover eiser met zijn vorderingen
beoogt een vergoeding – in andere vorm dan geld – van zijn door hem gestelde
schade is verkrijgen is eiser daarom niet ontvankelijk in zijn vorderingen.
Eiser heeft nog gesteld dat zijn belang bij de vorderingen gelegen is in het
feit dat de Van Mesdagkliniek zich na het overlijden van zijn zuster jegens
hem en andere nabestaanden onzorgvuldig heeft gedragen en dat hij hoopt dat
een uitspraak als gevorderd hem zal helpen bij de verwerking van hetgeen
gebeurd is. De Rechtbank is van oordeel dat, met alle respect voor dit
gestelde belang, dit belang niet behoort tot de soort waarvan in rechte op
grond van de onrechtmatige daads-artikelen bescherming kan worden gevorderd.
Eiser sub 1 zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn
vorderingen

Eiseres sub 2 is wel ontvankelijk in haar vorderingen. Blijkens de
overgelegde statuten stelt eiseres zich onder meer ten doel het signaleren,
zo mogelijk opheffen en voorkomen van knelpunten in de samenleving, die maken
dat seksueel geweld en vrouwenmishandeling blijven bestaan, alsmede het
gevoelig maken van bestaande maatschappelijke instellingen en instanties voor
de problematiek van en rond seksueel geweld, alsmede het bekend maken van het
bestaan van seksueel geweld en de daaruit voortvloeiende problematiek aan
individuen en groeperingen, zodat daardoor een mentaliteitsverandering wordt
gestimuleerd. Eiseres tracht dit doel door alle wettige middelen die aan het
doel dienstbaar kunnen zijn te bereiken. Hetgeen in deze zaak gevorderd wordt
dient een belang (en een Recht) – namelijk het tegen gaan van seksueel geweld
jegens vrouwen – waarvan de bescherming in de statutaire doelstellingen van
eiseres besloten ligt

De bij de onderhavige vorderingen betrokken belangen lenen zich naar het
oordeel van de Rechtbank tot bundeling en behoren tot de soort die valt onder
de bescherming van artikel 1401 BW. Nu de Staat ook niet betwist heeft dat
eiseres voldoende representatief zou zijn om die gebundelde belangen te
behartigen, acht de Rechtbank eiseres ontvankelijk in haar vordering

5. Ten aanzien van de vordering van eiseres in de dagvaarding sub a
omschreven overweegt de Rechtbank als volgt:

Met een TBR-stelling worden blijkens de Nota over ter
beschikkingstelling van de regering (bijl. II 1969/1970, 10694) twee doelen
nagestreefd, te weten beveiliging van de maatschappij en de rechtsorde tegen
personen die een ernstig delict hebben begaan, dat hen niet of onverminderd
kan worden toegerekend enerzijds en zodanige verpleging en behandeling van de
betrokkene, dat deze weer in de maatschappij kan terugkeren, zonder dat
gegronde vrees bestaat voor ernstige ontsporingen anderzijds. Bij vrees voor
ernstige delicten dient het belang van de maatschappij bij haar veiligheid te
prevaleren boven het belang van de betrokkene bij zijn terugkeer in de
maatschappij. Indien er echter een gegronde reden is om aan te nemen dat
betrokkene niet (meer) delictsgevaarlijk is, dan dient gestreefd te worden
naar terugkeer van de betrokkene in de maatschappij. Bij de beoordeling van
de vraag of een TBR-gestelde in vrijheid kan worden gesteld, casu quo of met
verlof kan worden gestuurd, zonder dat dat onaanvaardbare risico’s voor de
maatschappij meebrengt, is dus van belang welke verwachting er bestaat ten
aanzien van de mogelijkheid van ernstige ontsporingen. Daaromtrent is nimmer
zekerheid te verkrijgen. Eiseres stelt ook niet dat dit anders is

Om die reden moet noodgedwongen een waardering plaatsvinden van de mate
van waarschijnlijkheid dat de betrokkene ontoelaatbare schade aan de
maatschappij zal berokkenen en blijven er altijd risico’s bestaan

De Staatssecretaris van Justitie is degenen die beslist over het al dan
niet verlenen van meer vrijheden aan een TBR-gestelde. Voor de beslissing
daaromtrent zijn de adviezen en rapporten van de inrichting, waar de
betrokkene verpleegd en behandeld wordt, van onmisbaar belang

Gezien het grote belang van de maatschappij bij haar veiligheid dient
bij de advisering over en de beoordeling van de vraag, welke vrijheden zonder
onaanvaardbare risico’s voor de maatschappij te creeren aan een betrokkene
kunnen worden verleend, door de kliniek en door de Staatssecretaris met grote
zorgvuldigheid gehandeld te worden

6. Bij de beoordeling van de vraag of de Staat in redelijkheid tot
verlening van onbegeleid verlof van WvdS had kunnen besluiten stelt de
Rechtbank voorop dat zich in ieder geval voor 10 maart 1988 geen aanwijsbare
omstandigheden hebben voorgedaan, op grond waarvan de Staat bij voorbaat en
zonder meer ervan uit diende te gaan dat WvdS altijd delictsgevaarlijk zou
blijven en daarom had moeten besluiten om, ongeacht hoe hij zich in de
TBR-instelling zou ontwikkelen, hem nimmer onbegeleid verlof te verlenen.
Eiseres heeft haar hieraan tegengestelde stelling gemotiveerd met een beroep
op een bij pleidooi overgelegde brief van S. Tuinier, psychiater

Daarin vermeld deze onder andere een aantal factoren die volgens
bepaalde onderzoeken van belang zijn voor de prognose omtrent toekomstig en
agressief recidiveren van, bijvoorbeeld, psychiatrisch opgenomen patienten.
Uit deze brief blijkt echter niet dat de Staat bij zijn beslissing tot
verlening van al dan niet onbegeleid verlof alleen aan de hier bedoelde
criteria had mogen toetsen. Het is integendeel gebleken, ook in genoemde
brief, dat de vraag hoe de delictsgevaarlijkheid beoordeeld moet worden,
sterk in discussie is en daarop geen algemeen aanvaard antwoord bestaat. Noch
in de brief, noch anderszins zijn concrete aanwijzingen aangedragen voor de
conclusie dat naar de in 1988 bestaande algemene inzichten en stand van
wetenschap de door de Staat gehanteerde methode ter beoordeling van de
delictsgevaarlijkheid van de TBR-gestelden achterhaald was danwel voor
aanwijsbare verbetering vatbaar was

Voormelde algemene stelling van eiseres, dat de Staat inzake
TBR-gestelden onrechtmatig handelt, moet daarom als ongegrond van de hand
worden gewezen

7. De Rechtbank is verder van oordeel dat de Staat ook in het
onderhavige geval niet onrechtmatig heeft gehandeld door WvdS op 10 maart
1988 met onbegeleid verlof te laten gaan

Voor dit besluit was toestemming verleend. Een en ander sloot aan op
verzoeken van de kliniek in het verleden tot machtiging om aan WvdS begeleid
verlof, semi-begeleid verlof en uiteindelijk onbegeleid verlof te verlenen.
Die verzoeken waren uitvoerig gemotiveerd en bevatten nauwkeurige verslagen
omtrent de ontwikkelingen en aanpassingen van betrokkene

De rapportage blijkt te passen in en aan te sluiten op de onderzoeks- en
behandelingsmethoden, waarvan hiervoor gewag is gemaakt en die in 1988 naar
algemene inzichten en de stand der wetenschap als gangbaar golden. Eiseres
heeft de Staat het verwijt gemaakt voor 10 maart 1988 niet te hebben
gesignaleerd dat de positieve ontwikkeling en aanpassingen van WvdS slechts
schijn waren. Daartoe heeft zij gewezen op omstandigheden – zoals het niet
bezoeken van de opgegeven bezoekadressen, mededelingen van WvdS aan
contactpersonen tijdens zijn verlof, zijn verklaring achteraf altijd mooi
weer te hebben gespeeld – en heeft zij onder andere twee brieven van
mede-TBR-gestelden overgelegd, waaruit volgens haar duidelijk blijkt dat van
een positieve ontwikkeling van WvdS geen sprake was. Dit verwijt is
ongegrond, in de eerste plaats omdat eerst achteraf is geconstateerd dat WvdS
zich niet werkelijk had aangepast en daaruit in elk geval niet voortvloeit dat
ook de kliniek deze schijnaanpassing en dan wel voor de bewuste dag in maart
1988, had moeten bemerken. Dat de kliniek al eerder wist dat het met WvdS
niet echt goed ging, is niet gesteld of gebleken. In de tweede plaats is
onvoldoende gesteld voor de conclusie dat, waren de twijfels over de
ontwikkeling van WvdS tevoren bekend geweest aan de kliniek, toestemming voor
(onbegeleid) verlof op die bewuste, noodlottige dag niet was en niet had
mogen worden, gegeven

8. De Rechtbank wenst te benadrukken dat zij met eiseres van oordeel is
dat de Staat in zorg tekortgeschoten is in de controle op de besteding van
het onbegeleid verlof. Namens de Staat is gesteld dat, anders dan bij
begeleid en semi-onbegeleid verlof, aan het onbegeleid verlof inherent is dat
de controle op betrokkene daarbij enigszins wegvalt. De betrokkene dient wel
op te geven waar hij zijn onbegeleid verlof zal doorbrengen, doch controle op
de juistheid daarvan wordt tijdens dat verlof niet uitgeoefend. Namens de
Staat is voorts gesteld dat de opgegeven bezoekadressen wel vooraf door de
maatschappelijk werker worden bezocht en dat achteraf steekproefsgewijs wordt
gecontroleerd of de betrokkene het opgegeven adres daadwerkelijk heeft
bezocht en of het verlof zonder problemen is verlopen. De Staat heeft bij
conclusie van antwoord een overzicht in het geding gebracht van de door WvdS
tussen juli 1987 en 10 maart 1988 opgegeven bezoekadressen

Eiseres heeft bij pleidooi aangevoerd dat bij onderzoek gebleken is dat
WvdS tijdens zijn onbegeleid verlof met name in de periode kort voor 10 maart
1988 veelvuldig niet op die door hem opgegeven adressen is geweest, voorts
dat in elk geval een aantal van de op die lijst voorkomende personen in het
kader van het aan WvdS te verlenen onbegeleid verlof nimmer bezoek van de
maatschappelijk werker hebben gehad en dat bij hen evenmin ooit gecontroleerd
is of WvdS daadwerkelijk zijn verlof op dat opgegeven adres had doorgebracht

Ter adstructie daarvan heeft eiseres bij pleidooi een aantal
verklaringen van contactpersonen overgelegd waarin zulks wordt bevestigd.
Eiseres heeft op grond daarvan aangevoerd dat de Staat geen althans veel te
weinig controle op de onbegeleide verloven van WvdS heeft uitgevoerd

De Staat heeft de juistheid van deze stellingen van eiseres niet,
althans niet gemotiveerd betwist zodat de Rechtbank deze als tussen partijen
vaststaand beschouwt. De Staat heeft door veel te weinig controle uit te
oefenen op de besteding van zijn verlof door WvdS in strijd met het door
hemzelf aangegeven beleid en naar het oordeel van de Rechtbank ook afgezien
van dat beleid onzorgvuldig gehandeld. Door dit gebrek aan toezicht ontneemt
de kliniek zich de kans om de ontwikkelingen van de betrokkene ook buiten het
verband van de verpleegafdeling te volgen en wordt de kans op ontsporingen
onnodig vergroot. Gezien enerzijds de voorgeschiedenis van WvdS in de periode
gedurende welke hij TBR-gesteld was geweest en daarvoor anderzijds het doel
van de verloven – het verkrijgen van inzicht of goede voortgang blijft
bestaan – en de taak van de Staat om de veiligheid van de maatschappij zoveel
mogelijk te waarborgen, mocht de Staat immers in redelijkheid niet zonder
enige controle vertrouwen op de juistheid van de mededelingen van WvdS
omtrent de besteding van zijn onbegeleide verloven en had de Staat de
controle daarop veel effectiever en nauwkeuriger moeten verrichten

9. Ook de zojuist gesignaleerde onzorgvuldigheid van de Staat kan echter
niet leiden tot toewijzing van de vordering sub a. Een juridisch relevant
oorzakelijk verband tussen onzorgvuldige wijze van controleren van de handel
en wandel van WvdS buiten de kliniek en de vreselijke gebeurtenissen die
tijdens het onbegeleid verlof op 10 maart 1988 hebben plaatsgevonden is niet
komen vast te staan

10. De afwijzing van de vordering sub a. leidt ook tot afwijzing van de
vordering sub b. Daarbij zou het ook nog de vraag zijn geweest, bij het
aannemen van een onrechtmatige daad van de Staat, op welke grond eiseres
toewijzing van deze vordering door de Rechter zou kunnen verlangen.
Overigens wenst de Rechtbank nog alsvolgt te overwegen. Blijkens productie 12
van eiseres en blijkens niet betwiste mededelingen van de raadsman van de
Staat bij pleidooi heeft de Staat inmiddels een onderzoek ingesteld naar
eventuele aanknopingspunten om het inzicht in de risico’s van verlofverlening
aan plegers van seksuele geweldsdelicten te vergroten en zal, indien de
resultaten van dat onderzoek daartoe aanleiding geven, het beleid van de
Staat ten aanzien van de behandeling van en verlofverlening aan TBR-gestelden
als hier bedoeld worden bijgesteld. Dit onderzoek is nog in volle gang

De Staat heeft inmiddels onderzocht welke cursussen als door eiseres
bedoeld bestaan op het gebied van hulpverlening aan en behandeling van wegens
seksuele delicten TBR-gestelden. Behoudens een door aan TBR-inrichtingen
verbonden docenten gegeven cursus blijken andere cursussen niet te bestaan.
Naar eiseres zelf gesteld heeft is inmiddels wel reeds een – naar de Rechtbank
begrijpt nieuws – training voor hulpverleners aan seksuele
geweldsdelinkwenten georganiseerd, welke training ook openstaat voor
hulpverleners aan zodanige TBR-gestelden. Voorts staat op de komende
TBR-themadagen het onderwerp van behandeling van wegens seksueel geweld
TBR-gestelden centraal

Ook gezien deze feiten kan niet geoordeeld worden dat in afwachting van
de resultaten van voormeld onderzoek niet reeds de nodige aandacht aan de
opleidingsmogelijkheden van hulpverleners als door eiseres bedoeld wordt
besteed en zou de Rechtbank geen aanleiding zien om de Staat een gebod als
door eiseres gevorderd op te leggen

Daarbij komt dat in de vordering sub b ook niet vermeld is op welke
opleiding het door eiseres gevorderde gebod betrekking zou moeten hebben en
dat is ook bij pleidooi door eiseres niet nader aangegeven

Het gevorderde gebod is derhalve ook te vaag om voor toewijzing vatbaar
te zijn

II. Omdat eisers voor het merendeel in het ongelijk zijn gesteld, zullen
zij in de proceskosten worden verwezen

Rechtdoende, verklaart eiser sub 1 in zijn vorderingen
niet-ontvankelijk; wijst de vorderingen van eiseres sub 2 af; veroordeelt
eisers in de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagde begroot op
ƒ 2.110,–

Rechters

Mr. J.S.W. Holtrop, mr. M.C. Govaerts en mr. H.M.A.de Groot

Instantie: Hof van Justitie EG, 26 februari 1989

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De CAO voor het bankbedrijf bepaalt de pensioengerechtigde leeftijd voor
vrouwen op 60 jaar, voor mannen op 65 jaar. Werkgever wil eiseres niet meer
toelaten op haar werk als zij 60 is geworden. De vordering van eiseres
wordt in KG afgewezen. Het Hof bekrachtigt dit. De Commissie Gelijke
Behandeling is van mening dat er direkt onderscheid wordt gemaakt. De H.R.
vraagt het Europese Hof een prejudiciele beslissing over de uitleg van
Richtlijn nr. 76/207 m.b.t. de mogelijkheid om een beding over beeindiging van
de arbeidsovereenkomst op grond van leeftijd, buiten beschouwing te laten
Het Europese Hof stelt dat die vrijheid er niet is op grond van art. 5
lid 1 van genoemde Richtlijn

Volledige tekst

Rechters

A.J. Mackenzie Stuart, U. Everling, K. Bahlmann, G. Bosco, T. Koopmans,O. Due en T.F. O’Higgins

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 24 februari 1989

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Geintimeerde is in zijn verzoek om een omgangsregeling te treffen door
de Kinderrechter ontvankelijk verklaard . Appellante is tegen deze
beschikking in hoger beroep gegaan

De bestreden beschikking wordt bekrachtigd omdat zijn verzoek steunt op
een betrekking tot het kind welke als ‘gezinsleven’ kan worden aangemerkt
Zo’n betrekking bestaat tussen een biologische vader en zijn kind

Volledige tekst

1. Het Hof verwijst naar de stukken, waaronder het proces-verbaal van de
terechtzitting in hoger beroep op 1 februari 1989 en de bestreden beschikking
van 25 oktober 1988 van de Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te
‘s-Gravenhage

2. Bij die beschikking is geintimeerde ontvankelijk verklaard in zijn
verzoek om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en het uit zijn
verhouding met appellante op 20 november 1982 geboren kind E., tegen welke
verzoek appellante verweer heeft gevoerd. Tevens is bij die bestreden
beschikking de behandeling aangehouden voor rapport en advies van de Raad voor
de Kinderbescherming te ‘s-Gravenhage

Bij beroepschrift dat op 15 november 1988 ter griffie van het Hof is
ingekomen, heeft appellante verzocht de beschikking van de Rechtbank te
vernietigen en geintimeerde alsnog in zijn verzoek zoals in eerste aanleg
gedaan niet-ontvankelijk te verklaren

Geintimeerde heeft tegen dit verzoek van appellante verweer gevoerd

3. Aan de orde is hier slechts de vraag of de Kinderrechter geintimeerde
terecht in zijn verzoek heeft ontvangen. Tussen partijen staat vast dat
geintimeerde de biologische vader van het kind is. Aangezien voor de
ontvankelijkheid van geintimeerde enkel vereist is, dat zijn verzoek steunt op
een betrekking tot het kind welke als “gezinsleven” in de zin van Artikel 8
Europees Verdrag mensenrechten kan worden aangemerkt en tussen een biologische
vader en zijn kind een dergelijke betrekking bestaat, heeft de Kinderrechter
geintimeerde terecht in zijn verzoek ontvankelijk verklaard

De bestreden beschikking dient derhalve, voorzover het hoger beroep
daartegen is gericht, te worden bekrachtigd

Beslissing

Het Hof bekrachtigt de beschikking van 25 oktober 1988 van de
Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage voor zover het
hoger beroep daartegen is gericht

CONCLUSIE PROCUREUR-GENERAAL MR. TEN KATE:

1. De kinderrechter in de Rechtbank te ‘s-Gravenhage verklaarde bij zijn
beschikking van 25 oktober 1988 de man (gerekwesteerde in cassatie)
ontvankelijk in diens verzoek om vaststelling van een omgangsregeling met het
minderjarige kind, waarvan hij de biologische vader is

2. De man en de vrouw (verzoekster tot cassatie) zijn nimmer gehuwd
geweest en hebben nimmer samengewoond blijkens deze beschikking

3. Voor wat betreft het verzoek zelf gaf de Kinderrechter bij genoemde
beschikking een opdracht aan de Raad voor de Kinderbescherming tot onderzoek
en advisering

4. De vrouw kwam tegen deze beschikking in appel, uitsluitend voor wat
betreft de vraag naar de ontvankelijkheid van de man in diens verzoek, zoals
het Hof te ‘s-Gravenhage in zijn thans tijdig in cassatie bestreden
beschikking van 24 februari 1989 vaststelde

5. Het Hof bekrachtigde echter de beschikking van de Kinderrechter op
dit punt:

“Aangezien voor de ontvankelijkheid van geintimeerde (de man; K.) enkel
vereist is, dat zijn verzoek steunt op een betrekking tot het kind welke als
‘gezinsleven’ in de zin van art. 8 EVRM kan worden aangemerkt en tussen een
biologische vader en zijn kind een dergelijke betrekking bestaat…….”

6. Aangezien dit oordeel juist te achten is, faalt het daartegen
gerichte cassatiemiddel. Zie: HR 22 februari 1985, NJ 1986, 3 (EAAL en
EAA), herhaald in HR 10 mei 1985, NJ 1986, 5 (WHH), HR 15 juli 1985, NJ 1986,
6 en HR 16 mei 1986, WJ 1986, 627

7. Met name in de laatste aangehaalde beschikking heeft Uw Raad nog eens
benadrukt dat na de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag (de betrokkene
moet zich tot de Rechter kunnen wenden) de verdere omstandigheden en
werkelijke situatie moet worden gewogen in verband met de beantwoording van de
vraag, of een omgangsregeling moet worden vastgesteld:

“De door het Hof vermelde kenmerken van de onderhavige betrekking tussen
vader en kind behoren tot de omstandigheden die passen bij de vraag of een
omgangsregeling op haar plaats is en, zo ja, van welke aard deze zou moeten
zijn, gewicht in de schaal leggen (HR 22 februari 1985, NJ 1986, 3). “

8. De kwestie, die volgens het cassatiemiddel in het kader van de ontvan
kelijkheidsvraag zou moeten worden beantwoord, komt bij het omgangsrecht (het
ligt in het Nederlandse recht bijv. bij de meer ingrijpende voogdijwijziging
anders; zie HR 12 juni 1987, NJ 1989, 98 m.n. EAA en EAAL) ingevolge deze
rechtspraak dus eerst aan de orde bij de beoordeling van de inhoudelijke
vraag, of zodanige regeling moet worden getroffen

9. Deze rechtspraak komt (dan) ook niet in strijd met de in het middel
ingeroepen beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 21
juni 1988, NJ 1988, 746 (EAA), welke beslissing overigens op andere feiten en
omstandigheden in een andere kwestie (weigering verblijfsvergunning en
uitzetting) reageerde

De conclusie strekt tot verwerping van het verzoek tot cassatie

Rechters

mr. Luteyn, jhr. mr. De Savornin Lohman en mr. Reinders-Cariot

Instantie: Hoge Raad, 24 februari 1989

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Geen gezamenlijke ouderlijke macht voor twee personen van hetzelfde
geslacht, waarvan er slechts een in familierechtelijke betrekking staat tot
het kind. Het verzoek bekleed te worden met de ouderlijke macht aan niet
met elkaar gehuwde ouders kan slechts worden voldaan als onder meer is voldaan
aan de voorwaarde dat beiden in familierechtelijke betrekking staan tot het
kind. Deze voorwaarde is niet in strijd met art. 8 EVRM en art. 14 EVRM

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Op 14 januari 1987 hebben verzoeksters tot cassatie, zich gewend tot de
Kantonrechter te Nijmegen met het verzoek hen beiden te belasten met de
ouderlijke macht over de uit verzoekster tot cassatie sub 1 geboren
minderjarige H

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 4 september 1987 het verzoek
afgewezen

Tegen deze beschikking hebben verzoeksters hoger beroep ingesteld bij de
Rechtbank te Arnhem

Bij beschikking van 25 februari 1988 heeft de Rechtbank de beschikking
van de Kantonrechter vernietigd en verzoeksters niet-ontvankelijk verklaard in
hun verzoek

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank hebben verzoeksters beroep in
cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en
maakt daarvan deel uit

De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping
van het beroep

3. De beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of, zoals de
Rechtbank heeft verwoord, “naar Nederlands recht, zoals dat tegen de
achtergrond van de art. 8 en 14 EVRM valt te verstaan, ouderlijke macht kan
toekomen aan twee personen van hetzelfde geslacht – die zichzelf beschouwen
als sociale ouders – waarvan er slechts een (de moeder van het kind) in
familierechtelijke betrekking staat tot het kind en die niet met elkander zijn
gehuwd, noch met elkander zijn gehuwd geweest en evenmin met elkander kunnen
huwen”

Die vraag is door de Rechtbank ontkennend beantwoord in rov. 4. Tegen
dat oordeel en de gronden waarop het berust, komt het uit twee onderdelen
bestaande middel op

3.2 Zoals de Hoge Raad in zijn beschikking van 21 maart 1986, NJ 1986,
585, heeft geoordeeld, kan een verzoek tot het geven van een beschikking
waarbij niet met elkaar gehuwde ouders worden bekleed met de ouderlijke macht,
slechts worden toegewezen als is voldaan onder meer aan de voorwaarde dat
beide ouders tot het kind in familierechtelijke betrekking staan. Deze
voorwaarde dient, zoals in rechtsoverweging 3.3 van die beschikking wordt
overwogen, te worden gesteld omdat aldus een met de art. 8 en 14 EVRM strokend
stelsel wordt verkregen waarin de ouderlijke macht door de ouders gezamenlijk
kan worden uitgeoefend in alle gevallen dat beide ouders tot het kind in
familierechtelijke betrekking staan, hetgeen enerzijds de verwachting
rechtvaardigt dat de relatie met beide ouders, ook al zijn zij niet gehuwd,
duurzaam zal zijn en anderzijds waarborgt dat het hier gaat om gevallen van
ouderschap die voldoende scherp omlijnd kunnen worden om deze uit een oogpunt
van over het kind uit te oefenen gezag in de voormelde omstandigheden met het
ouderschap van gehuwden gelijk te kunnen stellen zonder dat de rechtszekerheid
in het gedrang komt

In het geval waarop de beschikking van de Rechtbank betrekking heeft,
was aan de voormelde voorwaarde niet voldaan. Een voorwaarde van deze
strekking is, zoals de Rechtbank ook terecht heeft geoordeeld, niet
onverenigbaar met het bepaalde in de art. 8 en 14 EVRM, nu het hier gaat om
een inmenging die, naar in het voorafgaande besloten ligt, uit het Nederlandse
wettelijke stelsel betreffende de ouderlijke macht voortvloeit en die blijft
binnen de grenzen van hetgeen art. 8 lid 2 aan wettelijke voorzieningen
toelaat

Uit het vorenstaande volgt dat onderdeel A van het middel faalt en dat
het tegen een door de Rechtbank ten overvloede gegeven overweging gerichte
onderdeel B buiten beschouwing kan blijven

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep

Rechters

Vice-president Snijders als voorzitter, raadsheren Hermans, Haak,Roelvink en Davids

Instantie: Hoge Raad, 24 februari 1989

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Geen gezamenlijke ouderlijke macht voor ongehuwde ouders, waarvan man
kind niet erkend heeft. Het verzoek bekleed te worden met de ouderlijke
macht aan ongehuwde ouders kan slechts worden voldaan als onder meer is
voldaan aan de voorwaarde dat de man het kind erkend heeft. Deze voorwaarde
is niet in strijd met art. 8 en art.14 EVRM

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

In de zaak waarop betrekking heeft de onder (1) vermelde beschikking,
zijn M.F.(vrouw) en G.W.(man) in hoger beroep gekomen van de beschikking van
de Kantonrechter te Amsterdam van 16 februari 1987, waarbij werd afgewezen hun
verzoek de bestaande gezagsvoorziening over het minderjarige kind M., uit M.F.
geboren op 22 maart 1985 te Amsterdam, in dier voege te wijzigen dat M.F. en
G.W. beiden worden bekleed met de ouderlijke macht over haar

In de zaak waarop betrekking heeft de onder (2) vermelde beschikking,
zijn D.F.(vrouw) en J.Z.(man) in hoger beroep gekomen van de beschikking van
de Kantonrechter te Amsterdam van 19 oktober 1987, waarbij werd afgewezen hun
verzoek de bestaande gezagsvoorziening over het minderjarige kind P., uit D.F.
geboren op 18 apri1 1987 te Amsterdam, in dier voege te wijzigen dat D.F. en
J.Z. beiden worden bekleed met de ouderlijke macht over haar

In deze zaken heeft de Rechtbank bij bovenvermelde beschikkingen de
beroepen beschikkingen van de Kantonrechter vernietigd en bepaald dat, met
intrekking van de voogdijopdracht aan de moeder ingevolge art. 1:287 lid 1 BW,
M.F. en G.W. gezamenlijk, onderscheidenlijk D.F. en J.Z. gezamenlijk, worden
bekleed met de ouderlijke macht over hun minderjarige dochter, alsmede
verstaan dat van die beslissing inzake het gezag aantekening zal worden gedaan
in het in art. 1:244 BW bedoelde register

De beschikkingen van de Rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van de Rechtbank heeft de Procureur-Generaal bij
de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De
desbetreffende voordracht en vordering is aan deze beschikking gehecht

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het cassatieberoep betreft beschikkingen, waarbij de Rechtbank de
moeder en de biologische vader die niet tot erkenning van het uit zijn relatie
met de moeder geboren kind wil overgaan in verband met de wens dat hun kind de
naam van de moeder zal blijven dragen, op hun verzoek beiden met de ouderlijke
macht heeft bekleed. De Rechtbank is op in rov. V vermelde gronden tot de
slotsom gekomen dat afwijzing van een verzoek tot het geven van een
beschikking, waarbij niet met elkaar gehuwde ouders met de ouderlijke macht
worden bekleed, enkel op de grond dat het kind niet door de vader is erkend,
een niet te rechtvaardigen en derhalve met art. 14 EVRM strijdig onderscheid
oplevert tussen overigens in gelijke omstandigheden verkerende ongehuwde
ouders in hun gezagsrelatie tot hun kinderen. Tegen die beslissing en de
gronden waarop zij rust, is het middel gericht

3.2 Zoals de Hoge Raad in zijn beschikking van 21 maart 1986, NJ 1986,
585, heeft geoordeeld kan een verzoek tot het geven van een beschikking
waarbij niet met elkaar gehuwde ouders worden bekleed met de ouderlijke macht,
slechts worden toegewezen als is voldaan onder meer aan de voorwaarde dat
beide ouders tot het kind in familierechtelijke betrekking staan. Deze
voorwaarde dient, zoals in rov. 3.3 van die beschikking wordt overwogen, te
worden gesteld omdat aldus een met de art. 8 en 14 EVRM strokend stelsel wordt
verkregen waarin de ouderlijke macht door de ouders gezamenlijk kan worden
uitgeoefend in alle gevallen dat beide ouders tot het kind in
familierechtelijke betrekking staan, hetgeen enerzijds de verwachting
rechtvaardigt dat de relatie met beide ouders, ook al zijn zij niet gehuwd,
duurzaam zal zijn en anderzijds waarborgt dat het hier gaat om gevallen van
ouderschap die voldoende scherp omlijnd kunnen worden om deze uit een oogpunt
van over het kind uit te oefenen gezag in de voormelde omstandigheden met het
ouderschap van gehuwden gelijk te kunnen stellen zonder dat de rechtszekerheid
in het gedrang komt

In de gevallen waarop de beschikkingen van de Rechtbank betrekking
hebben, was aan de voormelde voorwaarde niet voldaan. Anders dan de
Rechtbank heeft geoordeeld is een voorwaarde van deze strekking niet
onverenigbaar met het bepaalde in de art. 8 en 14 EVRM, nu het hier gaat om
een inmenging die, naar in het voorgaande besloten ligt, uit het Nederlandse
wettelijk stelsel betreffende de ouderlijke macht voortvloeit en die blijft
binnen de grenzen van hetgeen art. 8 lid 2 aan wettelijke voorzieningen
toelaat. De Rechtbank is derhalve uitgegaan van een onjuiste
rechtsopvatting, zodat het middel doel treft

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt in het belang der wet de beschikkingen van de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 4 mei 1987 en van 4 mei 1988 en
verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door
partijen verkregen

Rechters

Raadsheren Hermans, Haak, Roelvink en Davids

Instantie: Hoge Raad, 24 februari 1989

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Cassatie in belang van de wet. De Rechtbank heeft verzoek van de moeder
en biologische vader tot bekleding met ouderlijke macht over hun
minderjarige dochters gehonoreerd. In verband met de wens dat hun kind de
naam van de moeder blijft dragen heeft de vader het kind niet erkend. Hoge
Raad oordeelt dat bekleding met de ouderlijke macht aan ouders die niet
met elkaar zijn gehuwd alleen kan als onder meer is voldaan aan de
voorwaarde dat beide ouders tot het kind in familierechtelijke betrekking
staan. Dat is hier niet het geval. Afwijzing van het verzoek is niet in
strijd met artikel 8 en artikel 14 EVRM.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties In de zaak waarop betrekkking heeft
de onder (1) vermelde beschikking, zijn F en W in hoger beroep gekomen van
de beschikking van de Kantonrechter te Amsterdam van 16 februari 1987,
waarbij werd afgewezen hun verzoek de bestaande gezagsvoorziening over het
minderjarige kind M, uit F geboren op 22 maart 1985 te Amsterdam, in dier
voege te wijzigen dat F en W beiden worden bekleed met de ouderlijke macht
over haar. In de zaak waarop betrekking heeft de onder (2) vermelde
beschikking, zijn Fe en Z in hoger beroep gekomen van de beschikking van
de kantonrechter te Amsterdam van 19 oktober 1987, waarbij werd afgewezen
hun verzoek de bestaande gezagsvoorziening over het minderjarige kind N
uit Fe geboren op 18 april 1987 te Amsterdam, in dier voege te wijzigen
dat Fe en Z beiden worden bekleed met de ouderlijke macht over haar. In
deze zaken heeft de Rechtbank bij bovenvermelde beschikkingen de beroepen
beschikkingen van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat, met
intrekking van de voogdijopdracht aan de moeder ingevolge art. 1:287 lid
1 BW, F en W gezamenlijk, onderscheidenlijk Fe en Z gezamenlijk, worden
bekleed met de ouderlijke macht over hun minderjarige dochter, alsmede
verstaan dat van die beslissing inzake het gezag aantekening zal worden
gedaan in het in art. 1:244 BW bedoelde register. De beschikkingen van de
Rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikkingen van de Rechtbank heeft
de Procureur- Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in
het belang der wet. De desbetreffende voordracht en vordering is aan deze
beschikking gehecht.

3. Beoordeling van het middel 3.1 Het cassatieberoep betreft
beschikkingen, waarbij de Rechtbank de moeder en de biologische vader, die
niet tot erkenning van het uit zijn relatie met de moeder geboren kind wil
overgaan in verband met de wens dat hun kind de naam van de moeder zal
blijven dragen, op hun verzoek beiden met de ouderlijke macht heeft
bekleed. De Rechtbank is op in rov. V vermelde gronden tot de slotsom
gekomen, dat afwijzing van een verzoek tot het geven van een beschikking,
waarbij niet met elkaar gehuwde ouders met de ouderlijke macht worden
bekleed, enkel op de grond dat het kind niet door de vader is erkend, een
niet te rechtvaardigen en derhalve met art. 14 EVRM strijdig onderscheid
oplevert tussen overigens in gelijke omstandigheden verkerende ongehuwde
ouders in hun gezagsrelatie tot hun kinderen. Tegen die beslissing en de
gronden waarop zij rust, is het middel gericht.

3.2 Zoals de Hoge Raad in zijn beschikking van 21 maart 1986, NJ 1986,
585, heeft geoordeeld, kan een verzoek tot het geven van een beschikking
waarbij niet met elkaar gehuwde ouders worden bekleed met de ouderlijke
macht, slechts worden toegewezen als is voldaan onder meer aan de
voorwaarde dat beide ouders tot het kind in familierechtelijke betrekking
staan. Deze voorwaarde dient, zoals in rechtsoverweging 3.3 van die
beschikking wordt overwogen, te worden gesteld omdat aldus een met de art.
8 en 14 EVRM strokend stelsel wordt verkregen waarin de ouderlijke macht
door de ouders gezamenlijk kan worden uitgeoefend in alle gevallen dat
beide ouders tot het kind in familierechtelijke betrekking staan, hetgeen
enerzijds de verwachting rechtvaardigt dat de relatie met beide ouder, ook
al zijn zij niet gehuwd, duurzaam zal zijn en anderzijds waarborgt dat het
hier gaat om gevallen van ouderschap die voldoende scherp omlijnd kunnen
worden om deze uit een oogpunt van over het kind uit te oefenen gezag in
de voormelde omstandigheden met het ouderschap van gehuwden gelijk te
kunnen stellen zonder dat de rechtszekerheid in het gedrang komt. In de
gevallen waarop de beschikkingen van de Rechtbank betrekking hebben, was
aan de voormelde voorwaarde niet voldaan. Anders dan de Rechtbank heeft
geoordeeld is een voorwaarde van deze strekking niet onverenigbaar met het
bepaald e in de art. 8 en 14 EVRM, nu het hier gaat om een inmenging die,
naar in het voorgaande besloten ligt, uit het Nederlandse wettelijk
stelsel betreffende de ouderlijke macht voortvloeit en die blijft binnen
de grenzen van hetgeen art. 8 lid 2 aan wettelijke voorzieningen toelaat.
De Rechtbank is derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, zodat
het middel doel treft.

4. Beslissing

De Hoge Raad: vernietigt in het belang der wet de beschikkingen van de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 4 mei 1988 en verstaat dat deze
vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.

Rechters

Mrs Snijders, Hermans, Haak, Roelvink, Davids

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 23 februari 1989

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres vordert het VUT-fonds van de Bijenkorf te veroordelen haar toe
te laten treden tot de regeling omtrent het vrijwillig vervroegd uittreden uit
de KBB-VUT-CAO en haar op basis van die regeling een uitkering te verstrekken
Zij stelt daartoe allereerst dat de uitsluiting van hulpkrachten van de
toegang tot de VUT-regeling in strijd is met artikel 119 van het EEG verdrag,
nu in overwegende mate vrouwen door deze uitsluiting worden getroffen

Dit betoog faalt omdat het VUT-fonds onweersproken heeft aangevoerd dat
de groep hulpkrachten en parttimers overwegend uit vrouwen bestaat, terwijl
ook overigens de meeste werknemers die bij KBB een soortgelijke functie als
die van eiseres bekleden vrouwen zijn. Al zou er sprake zijn van
ongeoorloofde discriminatie dan nog is, volgens de rechtbank, voldoende
aannemelijk dat het openstellen van de VUT-regeling voor hulpkrachten
economisch niet haalbaar is, waardoor een eventueel gemaakt onderscheid zou
worden gerechtvaardigd

De rechtbank weigert de gevraagde voorziening

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 9 februari 1989 heeft eiseres, De Rijk, gesteld
en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte
dagvaarding

Gedaagde, het VUT-fonds, heeft verweer gevoerd met conclusie tot
weigering van de gevraagde voorziening

Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden
produkties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. De Rijk is werkzaam bij de Bijenkorf te Eindhoven. Zij heeft van 11
november 1977 tot en met december 1977 gewerkt als hulpkracht St. Nicolaas en
is met ingang van 1 januari 1978 voor onbepaalde tijd in dienst getreden als
oproepbare hulpkracht. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing verklaard
de “brochure arbeidsvoorwaarden hulpkrachten”, waarin de termen “hulpkracht”
en “oproepbare hulpkracht” als volgt worden gedefinieerd:

1. WAT IS EEN HULPKRACHT

Een hulpkracht is een werknemer die ofwel gedurende minder dan gemiddeld
12 uren per week arbeid verricht, ofwel een arbeidsovereenkomst heeft voor 8
weken of korter

2. WAT IS EEN OPROEPBARE HULPKRACHT

Of u tot de groep oproepbare hulpkrachten behoort is afhankelijk van de
afspraken die met u bij de aanstelling zijn gemaakt. Het staat vermeld in uw
arbeidsovereenkomst. Oproepbare hulpkracht betekent dat er met u geen vaste
afspraken t.a.v. uw werktijden zijn gemaakt

Afhankelijk van de behoefte van het bedrijf en uw eigen mogelijkheden
wordt u voor het werken in de Bijenkorf opgeroepen. Het gestelde in 1. geldt
in ieder geval ook voor deze kategorie

b. Met ingang van 1 januari 1980 is De Rijk parttime verkoopster
geworden. In het destijds geldende personeelsstatuut wordt de term parttimer
omschreven als “werknemer die voor de werkgever arbeid verricht gedurende
gemiddeld 12 uur of meer per week maar minder dan de normale wekelijkse
arbeidstijd, met een arbeidsovereenkomst voor meer dan 8 weken of voor
onbepaalde tijd”

c. In november 1983 is De Rijk opgenomen in het pensioenfonds van KBB.
Daarbij is haar meegedeeld dat de voor haar geldende wachttijd van vijf jaar
per 1 januari 1983 was verstreken

d. De Rijk heeft in november 1986 aan de bedrijfsdirectie van de
Bijenkorf in Eindhoven te kennen gegeven dat zij wenste toe te reden tot de
VUT regeling van KBB, hetgeen is geweigerd. Als reden is opgegeven dat De
Rijk pas op 1 januari 1980 is gaan behoren tot de categorie van parttimers,
waardoor zij niet voldoet aan de in artikel 6 van hoofdstuk IV van de
KBB-VUT-CAO gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van een onmiddellijk aan
de toetreding voorafgaande diensttijd van tenminste tien jaar als fulltimer
of parttimer

e. In de loop van 1987 heeft De Rijk zich met betrekking tot haar
toetreding achtereenvolgens -tevergeefs- gewend tot de directeur Sociale
Zaken van KBB, de Raad van Bestuur van KBB, de Centrale ondernemingsraad en
de Dienstenbond FNV

f. Op 3 mei 1988 heeft de Beroepscommissie KBB-CAO afwijzend beslist op
haar beroep

De Rijk vordert thans het VUT-fonds te veroordelen haar toe te laten
treden tot de regeling omtrent het vrijwillig vervroegd uittreden uit de
KBB-VUT-CAO en haar op basis van die regeling een uitkering te verstrekken.
Zij stelt daartoe allereerst dat de uitsluiting van hulpkrachten van de
toegang tot de VUT-regeling in strijd is met artikel 119 van het EEG verdrag,
nu in overwegende mate vrouwen door deze uitsluiting worden getroffen

3. Dit betoog faalt. In dit geding is aan de orde de vraag of het door
het VUT-fonds gemaakte onderscheid tussen hulpkrachten en parttimers een
ongeoorloofde discriminatie van vrouwelijke werknemers oplevert in de
hiervoor bedoelde zin. Deze vraag dient voorshands ontkennend te worden
beantwoord, in het VUT-fonds onweersproken heeft aangevoerd dat de groep
hulpkrachten, evenals die van parttimers, bij de warenhuizen van KBB
overwegend uit vrouwen bestaat, terwijl ook overigens de meeste werknemers
die bij KBB een soortgelijke functie als die van De Rijk bekleden vrouwen zijn.
Doch zelfs al zou dit anders zijn, dan nog is voldoende aannemelijk dat het
openstellen van de VUT-regeling voor hulpkrachten economisch niet haalbaar
is, waardoor een eventueel gemaakt onderscheid zou worden gerechtvaardigd

4. Aan het daarnaast door De Rijk gevoerde betoog dat zij feitelijk
vanaf mei 1978 geen hulpkracht meer was, omdat zij op grond van de gewerkte
uren in de loop van dat jaar is gaan voldoen aan de hierboven onder 1.b
weergegeven definitie van parttimer, dient eveneens te worden voorbijgegaan.
Het VUT-fonds heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overgang van
de ene op de andere categorie werknemers niet zonder meer op grond van het
aantal gewerkte uren kan geschieden, maar uitsluitend in overleg tussen
werknemer en werkgever

5. Hierbij is mede van belang dat de overgang van De Rijk van hulpkracht
naar parttimer met ingang van 1 januari 1980 op initiatief van de Bijenkorf
heeft plaatsgevonden. De Rijk -die als oproepkracht een grote mate van
vrijheid genoot om al dan niet werk te verrichten- heeft hiertoe nooit een
verzoek ingediend en ook ten tijde van die overgang niet te kennen gegeven dat
zij op grond van het aantal gewerkte uren gedurende de jaren daarvoor op een
eerder tijdstip in aanmerking zou dienen te komen voor de status van
parttimer

6. Het argument van De Rijk dat het pensioenfonds KBB haar wel heeft
toegelaten en kennelijk de jaren waarin zij als hulpkracht heeft gewerkt
heeft meegeteld kan evenmin leiden tot verlening van de gevraagde
voorziening, nu genoemd pensioenfonds is ondergebracht in een andere
rechtspersoon en wordt beheerst door andere regels. Aan het feit dat de
administratie van de Bijenkorf uit doelmatigheidsoverwegingen in 1983 aan
parttimers die vijf jaar voordien als op de loonlijst stonden heeft laten
weten dat zij met ingang van 1 januari 1983 in het pensioenfonds waren
opgenomen kan De Rijk geen aanspraken jegens het VUT-fonds ontlenen

7. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de gevraagde voorziening
dient te worden geweigerd. De Rijk zal als de in het ongelijk gestelde
partij worden veroordeeld in de proceskosten

Rechters

Mr. J.M. Vrakking, vice-president

Instantie: Hoge Raad, 21 februari 1989

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Het Hof heeft in hoger beroep de inleidende dagvaarding geldig verklaard
en het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van de
verdachte

Verdachte is veroordeeld wegen seksueel misbruik van patientes tot een
jaar gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en
ontzetting van het recht om het beroep van geneeskundige uit te oefenen voor
de duur van vier jaren

Verdachte heeft subsidiair, voor het geval het Hof het verzoek tot
herhaalde oproeping van de getuigen zou afwijzen, verwijzing naar de
Rechter-Commissaris verzocht, ten einde de getuigen door deze te doen horen in
zijn kabinet, al dan niet in tegenwoordigheid van de verdachten en/of de
raadsman opdat zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan het zwaarwegende belang
van de verdachte dat hij in de gelegenheid wordt gesteld het voorgebrachte
bewijsmateriaal te (doen) controleren door middel van door of namens hem aan
de getuigen te stellen vragen

Uit het proces-verbaal ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof op dit
verzoek heeft beslist zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is
geschied. Voor zover het hierover klaagt is het middel terecht voorgesteld
en kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven

Conclusie A-G Fokkens ook aanwezig

Volledige tekst

Rechters

Vice-president Bronkhorst als voorzitter, de vice-president Van denBlink, en de raadsheren Beekhuis, Keijzer en Bleichrodt

Instantie: Raad van Beroep Haarlem, 16 februari 1989

Instantie

Raad van Beroep Haarlem

Samenvatting


Klaagster is op 1 oktober 1984 samen gaan wonen met Y.. In mei 1986
hebben klaagster en haar partner elkaar bij testament over en weer tot
erfgenaam benoemd. Op 4 september 1987 hebben klaagster en haar partner
aangifte bij de Burgerlijke Stand gedaan van hun voornemen om met elkaar een
huwelijk aan te gaan. Het huwelijk heeft niet door kunnen gaan omdat haar
partner na een ongeval is overleden

Klaagster heeft een AWW-uitkering aangevraagd. Deze is haar bij
beslissing d.d. 15 december 1987 geweigerd. Klaagster is tegen deze
beslissing in beroep gegaan, stellende dat zij gelijk gesteld dient te worden
met een vrouw die gehuwd is geweest gelet op de omstandigheden dat zij met
haar partner drie jaren heeft samengewoond, samen reeds in ondertrouw waren en
dat de zoon van haar partner een huwelijk op eerdere datum heeft
tegengehouden

Vastgesteld moet worden dat klaagster aan de nationale wetgeving geen
recht op een weduwenpensioen of -uitkering kan ontlenen

De raad heeft de bestreden beslissing daarna getoetst aan art. 26
BuPo-verdrag. Niet langer is in geding dat deze bepaling ook van betekenis
moet worden geacht voor een sociaal zekerheidsrecht als hier aan de orde.
De raad dient allereerst te onderzoeken of het in art. 26 vervatte
discriminatieverbod ook ziet op het onderscheid gehuwden en duurzaam
samenwonende ongehuwden

De raad acht van belang dat maatschappelijke ontwikkelingen en de als
gevolg daarvan in acht te nemen gelijkstelling, inmiddels ook door de overheid
tot norm is verheven, waar in het kader van de stelselherziening in de sociale
zekerheid deze gelijkstelling in alle bij die stelselherziening betrokken
wetten met ingang van 1 januari 1987 van kracht is geworden. Derhalve is
dit het tijdstip waarop, volgens de Raad, artikel 26 BuPo-verdrag ook met
betrekking tot de AWW rechtstreekse werking niet kan worden ontzegd

Aan het ontbreken van een notarieel samenlevingscontract wil de raad in
deze geen, voor klaagster negatieve gevolgen verbinden, aangezien de overheid
deze strikte eis immers in de overige sociale verzekeringswetten waarin de
gelijkstelling inmiddels wel is ingevoerd, ook niet stelt

Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond verklaard wordt en dat klaagster
uit hoofde van het overlijden van haar partner op 27 september 1987 in verband
met artikel 26 van het BuPo-verdrag aanspraak heeft op pensioen of uitkering
overeenkomstig de aanspraak die een weduwe onder gelijke omstandigheden op
grond van de AWW heeft

Volledige tekst

Rechters

Mr. M. Zijp als voorzitter, H.J. Visser en J. Kieft als leden

Instantie: Arrondissementsrechtbank Amsterdam, 3 februari 1989

Instantie

Arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


Verweerster heeft zich in april 1986 kunstmatig laten insemineren met
door verzoeker ter beschikking gesteld zaad. De kunstmatige inseminatie
resulteerde in de zwangerschap van verweerster. Het kind werd op 6 januari
1987 geboren

Verzoeker heeft aan de ontvankelijkheid van zijn verzoek tot omgang met
eerdergenoemd minderjarig kind ten grondslag gelegd dat er sprake is van
‘gezinsleven’ tussen verzoeker en het kind in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM,
allereerst omdat hij de biologische vader van het kind is, en bovendien
stellend dat dit biologisch vaderschap nog versterkt is door de feitelijke
omgang met het kind

Een zaaddonor kan, volgens de kinderrechter, niet worden beschouwd als
biologische vader, omdat hij niet voldoet aan het criterium van artikel 394
lid 3, I van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het biologisch
vaderschap

De relatie tussen een zaaddonor en het kind dat via kunstmatige
inseminatie met zijn zaad is verwekt, verschilt evenwel niet wezenlijk van de
relatie tussen de biologische vader en het kind dat via geslachtsgemeenschap
met zijn zaad is verwekt, omdat die verschillen bepaald worden door feitelijke
omstandigheden en niet door genetische afkomst
ç
In die zin dient de zaaddonor dan ook op een lijn gesteld te worden met
de biologische vader. Als zodanig kan derhalve door verzoeker met vrucht
een beroep gedaan worden op het bestaan van “gezinsleven” in de zin van
artikel 8, lid 1 EVRM, nu volgens de rechtspraak van de Hoge Raad de
genetische afstamming op zich voldoende is uit te gaan van “gezinsleven”

Niet aan de orde is thans dat door verzoeker naast de met biologisch
vaderschap op een lijn te stellen genetische band ook nog een beroep gedaan is
op het bestaan van een andere – emotionele – band op grond waarvan tot
“gezinsleven in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM geconcludeerd zou moeten
worden

Zulks is thans niet het geval, omdat verzoeker reeds op grond van de
genetische band tussen hem en het kind kan worden ontvangen in zijn verzoek,
maar ook omdat de omstandigheden van de onderhavige betrekking tussen
verzoeker en het kind behoren tot de omstandigheden die pas bij de vraag ef
een omgangsregeling op zijn plaats is, en zo ja, in welke vorm, van belang
zijn. De verzoeker wordt ontvankelijk verklaard in zijn verzoek

Volledige tekst

Gelet op het verhoor ter terechtzitting met gesloten deuren van 24
januari 1989, blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal;

Gehoord de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam ter
terechtzitting van 24 januari 1989;

Overwegende ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek:

Uit de stukken en ter terechtzitting is het volgende gebleken:

– Partijen zijn met elkaar in contact gekomen middels een door
verweerster geplaatste advertentie, waarin zij een – niet anonieme-zaaddonor
– zocht;

– Verweerster heeft zich in april 1986 kunstmatig laten insemineren met
door verzoeker ter beschikking gesteld zaad. De kunstmatige inseminatie
resulteerde in de zwangerschap van verweerster. Het kind werd op 6 januari
1987 geboren

Verzoeker heeft aan de ontvankelijkheid van zijn verzoek tot omgang met
eerdergenoemd minderjarig kind ten grondslag gelegd dat er sprake is van
“gezinsleven” tussen verzoeker en het kind in de zin van artikel 8 lid 1
EVRM, allereerst omdat hij de biologische vader van het kind is, en bovendien
stellend dat dit biologisch vaderschap nog versterkt is door de feitelijke
omgang met het kind

Als onjuist wordt verworpen de stelling van verzoekster dat hij als
donor van het zaad waarmee het kind verwekt is, de biologische vader van het
kind is

Een zaaddonor kan niet worden beschouwd als biologische vader, omdat hij
niet voldoet aan het criterium van artikel 394 lid 3, I van het Burgerlijk
Wetboek met betrekking tot het biologisch vaderschap

De relatie tussen een zaaddonor en het kind dat via kunstmatige
inseminatie met zijn zaad is verwekt, verschilt evenwel niet wezenlijk van de
relatie tussen de biologische vader en het kind dat via geslachtsgemeenschap
met zijn zaad is verwekt, omdat die verschillen bepaald worden door
feitelijke omstandigheden en niet door genetische afkomst

In die zin dient de zaaddonor dan ook op een lijn gesteld te worden met
de biologische vader. Als zodanig kan derhalve door verzoeker met vrucht een
beroep gedaan worden op het bestaan van “gezinsleven” in de zin van artikel
8, lid 1 EVRM, nu volgens de rechtspraak van de Hoge Raad de genetische
afstamming op zich voldoende is uit te gaan van “gezinsleven”

Niet aan de orde is thans dat door verzoeker naast de met biologisch
vaderschap op een lijn te stellen genetische band ook nog een beroep gedaan
is op het bestaan van een andere – emotionele – band op grond waarvan tot
“gezinsleven” in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM geconcludeerd zou moeten
worden

Zulks is niet alleen het geval, omdat verzoekster reeds op grond van de
genetische band tussen hem en het kind kan worden ontvangen in zijn verzoek,
maar ook omdat de omstandigheden van de onderhavige betrekking tussen
verzoeker en het kind behoren tot de omstandigheden die pas bij de vraag if
een omgangsregeling op zijn plaats is, en zo ja, in welke vorm, van belang
zijn

Met betrekking tot de vraag of een omgangsregeling onder de gegeven
omstandigheden in het belang van het kind is te achten, dient een nadere
behandeling plaats te vinden

Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing:

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek

Bepaalt dat de voortzetting van de behandeling zal plaatsvinden ter
zitting van de kinderrechter in deze Rechtbank van 3 april 1989 te 10.00 uur

Rechters

Mr. C.M.Th. Eradus, kinderrechter