Instantie: Raad van Beroep Amsterdam, 1 februari 1989

Instantie

Raad van Beroep Amsterdam

Samenvatting


AWW-uitkering komt niet toe aan de ongehuwd samenwonende, waarvan de
partner overlijdt. Geen verboden onderscheid als bedoeld in art. 26
BuPo-Verdrag, aangezien het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden
gebaseerd is op redelijke en objectieve criteria. De beslissing om al dan niet
te trouwen ligt geheel en al bij de samenwonende personen.

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing(en)

Beslissing van verweerder d.d. 18 mei 1988, nr. JA/AOW 8155.

2. Ontstaan en loop van het geding.

Bij bovengenoemde beslissing heeft verweerder aan klaagster meegedeeld
dat zij geen recht heeft op een weduwenpensioen of tijdelijke weduwenuitkering
op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).

Verweerder heeft daarbij het volgende overwogen:

“U heeft geen recht op weduwenpensioen of een tijdelijke
weduwenuitkering, aangezien u niet voldoet aan de in de Algemene Weduwen- en
Wezenwet gestelde voorwaarden voor het recht op dit pensioen of deze
uitkering.

U wordt namelijk niet als weduwe beschouwd.

Deze beslissing is met name gebaseerd op de artikelen 8 en 13 van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet.”

Klaagster heeft tegen deze beslissing bij de Raad beroep ingesteld.

In het klaagschrift heeft zij aangegeven, waarom zij zich niet met de
bestreden beslissing kan verenigen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie
van de Raad ingezonden, alsmede van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 12 januari
1989.

Aldaar is klaagster niet in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich aldaar evenmin doen vertegenwoordigen.

3. Motivering

Voor de beslissing in het onderhavige geding gaat de Raad uit van de
navolgende uit de gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden.

Klaagster, die is geboren op 11 december 1935, is de levenspartner
geweest van H.J., geboren op 28 maart 1923 en overleden op 22 augustus 1987,
van Nederlandse nationaliteit. Van 7 maart 1977 tot het overlijden van
genoemde H.J. heeft deze niet-huwelijkse relatie geduurd.

Naar klaagster stelt, is het door allerlei omstandigheden, waaronder de
gezondheidstoestand van J., niet tot een huwelijk gekomen, hoewel beide
partners daartoe het voornemen hadden.

Verweerder heeft de bestreden beslissing gebaseerd op de overweging dat
klaagster niet kan worden beschouwd als weduwe in de zin van de AAW, aangezien
klaagster niet gehuwd was met J.

De Raad overweegt daartoe als volgt.

Onder weduwe in de zin van artikel 8 van de AWW is te verstaan de vrouw
met wie de verzekerde ten tijde van zijn overlijden gehuwd was en die als
gevolg van dit overlijden weduwe werd. Ten gevolge van recente jurisprudentie
van de Centrale Raad van Beroep kan met een weduwe in de zin van dit artikel
worden gelijkgesteld een weduwnaar.

In de AWW ontbreekt echter een gelijkstelling van gehuwden en ongehuwd
samenwonenden, zoals is opgenomen in artikel 1, lid 3 van de Algemene
Ouderdomswet.

Derhalve vindt geen uitbetaling van een weduwenpensioen of een
tijdelijke weduwenuitkering plaats aan de achtergebleven partner met wie de
overledene niet gehuwd is geweest.

Het maken van onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden, zoals in de AWW
voorkomt, levert naar het oordeel van de Raad ook geen verboden discriminatie
op als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten. Het onderscheid tussen gehuwden en
ongehuwden is immers gebaseerd op redelijke en objectieve criteria.

De beslissing om al dan niet de huwelijkse staat, waaraan zowel rechten
als verplichtingen zijn verbonden, te aanvaarden ligt geheel en al bij de
samenwonende personen.

Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat verweerder
op goede gronden aan klaagster uitkering heeft geweigerd.

Hoewel blijkens de adviesaanvrage van de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid aan onder andere de Sociaal Economische Raad wordt
overwogen een zelfde gelijkstelling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden als
in de AOW ook op te nemen in de AWW, is een dergelijk voornemen nog niet in
een wettelijke regeling vervat.

Gezien het vorenstaande moet worden beslist als volgt.

De Raad van Beroep te Amsterdam,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Noot

Op 2 februari 1989 beslist de Raad van Beroep Amsterdam dat een ongehuwd
samenwonende, waarvan de partner overlijdt, geen recht heeft op een
AWW-uitkering. Precies twee weken later beslist de Raad van Beroep Haarlem dat
de ongehuwd samenwonende, waarvan de partner overlijdt, wel recht heeft op een
AWW- uitkering (Nemesis 1989 nr. 3). Waar blijft de rechtsgelijkheid in
Nederland?

De motiveringen staan diametraal tegenover elkaar. Volgens de Raad van
Beroep Amsterdam is er geen sprake van een verboden onderscheid als bedoeld in
art. 26 BuPo-Verdrag, terwijl de Raad van Beroep Haarlem van mening is dat in
verband met hetzelfde artikel wel aanspraak bestaat op een AWW-uitkering.

De redenering van de Raad van Beroep Amsterdam doet gekunsteld aan: het
onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden is gebaseerd op redelijke en
objectieve criteria. De beslissing om al dan niet de huwelijkse staat, waaraan
zowel rechten als verplichtingen zijn verbonden, te aanvaarden ligt geheel en
al bij de samenwonende personen, aldus de Raad. Met andere woorden: het
onderscheid naar status zou dus altijd gerechtvaardigd zijn!

Vooropgesteld dat men inderdaad zelf mag uitmaken of men al dan niet
gehuwd gaat samenwonen, is dan dit onderscheid gerechtvaardigd? Volgens de
Raad van Beroep Haarlem geven de maatschappelijke ontwikkelingen een zodanig
beeld te zien dat ten aanzien van gehuwd samenwonenden enerzijds en duurzaam
samenwonenden anderzijds niet langer gesproken kan worden van ongelijke
gevallen. Bovendien zijn deze maatschappelijke ontwikkelingen door de overheid
tot norm verheven, aangezien in het kader van de stelselherziening in de
sociale zekerheid deze gelijkstelling in alle bij die stelselherziening
betrokken wetten van kracht is geworden, aldus de Raad van Beroep Haarlem. Of
we hiermee zo gelukkig moeten zijn, laat ik buiten beschouwing. Het ware mijns
inziens beter geweest als gehuwden steeds meer als ongehuwden werden
behandeld.

Welke rechtvaardiging is er dan voor het feit dat in slechts een wet het
onderscheid nog is blijven voortbestaan? In de Adviesaanvraag van 16 juli 1987
van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt voorgesteld
om ook dit onderscheid op te heffen. Kortom, er is geen rechtvaardiging voor
dit onderscheid.

Het feit dat dit voornemen nog niet in een wettelijke regeling is
vervat, zoals de Raad van Beroep Amsterdam stelt, miskent de werking van art.
26 van het BuPo-Verdrag, aangezien volgens art. 94 van de Grondwet wettelijke
voorschriften buiten werking moeten blijven als de toepassing niet verenigbaar
is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en volkenrechtelijke
organisaties.

De uitspraak van de Raad van Beroep Amsterdam illustreert nog eens dat
in het land van de gelijke behandeling veel duisternis heerst.

Len Andringa

Rechters

mr C.W. Rang, voorzitter, mrs F.G. Meijer en A.F. Wiegel, leden

Instantie: Kantonrechter Nijmegen, 27 januari 1989

Instantie

Kantonrechter Nijmegen

Samenvatting


X stelt dat zich ernstige spanningen hebben voorgedaan in de werkverhouding
tussen haar en de regiokantoorleider, veroorzaakt door seksuele dwang. X
heeft regelmatig te kennen gegeven daarvan niet te zijn gediend en heeft dit
per brief aan de betreffende persoon te kennen gegeven. Onder dreiging dat
haar tijdelijke contract niet zou worden omgezet in een vast dienstverband
heeft zij deze brief schriftelijk ingetrokken. Ongeveer een half jaar later
ontstonden opnieuw soortgelijke problemen. X heeft zich daarop ziek gemeld en
na haar ziekmelding de leiding van het bedrijf op de hoogte gebracht van de
seksuele intimidatie. Daarop hebben enkele gesprekken plaatsgevonden (onder
meer in het bijzijn van de regiokantoorleider), waarop X een andere functie
binnen de onderneming is aangeboden. Het verwijt van werkneemster dat geen
disciplinaire maatregelen zijn genomen tegen de regiokantoorleider is volgens
de kantonrechter onterecht. Alvorens dergelijke maatregelen te nemen dient
immers vast te staan dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten
handelingen, c.q. uitlatingen. Een bewijsopdracht zoals door verzoekster
verzocht is zinloos, omdat dit niets zou veranderen aan het feit dat van
verweerder niet kon worden verlangd uitsluitend op grond van de stellingen
van verzoekster disciplinaire maatregelen te nemen. Het verzoek om ontbinding
kan worden toegewezen wegens verstoorde arbeidsverhoudingen (wijziging in de
omstandigheden). Voor het toekennen van enige materiële – en immateriële
schadevergoeding zijn geen termen aanwezig. Dit omdat tweemaal en in ieder
geval onbetwist eenmaal een andere functie aan verzoekster is aangeboden en
niet is gebleken dat die mogelijkheid niet nog steeds bestaat, zodat voor
enige materiële schade ter zake van de ontbinding verweerder niet
aansprakelijk kan worden gehouden. De vergoeding van immateriële schade is
door verzoekster gebaseerd op de psychische benadeling en de psychische
ziekte van verzoekster, ontstaan tengevolge van de handelingen en het gedrag
van de regiokantoorleide
r. Deze vordering is derhalve gebaseerd op onrechtmatige daad en wel die van
een werknemer van verweerster tegenover verzoekster. Bovendien over een
periode voordat verweerster op de hoogte was gebracht van de klachten van
verzoekster. Een dergelijke vordering kan niet worden ingesteld in het kader
van een procedure ex artikel 1639w BW.
De rechter ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige reden zonder
schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure
Bij inleidend verzoekschrift is verzocht:
a. de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te
ontbinden, althans ontbonden te verklaren;
b. een vergoeding ten laste van verweerster en ten behoeve van verzoekster te
bepalen van ƒ 2347,77 bruto, zulks ten titel van de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst, alsmede een vergoeding ten laste van verweerster en ten
behoeve van verzoekster, groot ƒ 10.000 netto, zulks ter dekking van de
immateriële schade, die verzoekster heeft geleden en/of lijdt tengevolge van
de door haar in dienstverband bij verweerster ervaren ongewenste geestelijke
en lichamelijke intimiteiten, als ook strekkende tot herstel van de geleden
affectieschade en het overigens ervaren psychische leed, althans, in beide
gevallen, tot bepaling van een zodanige vergoeding als de kantonrechter in
goede justitie oordelend naar redelijkheid en billijkheid zal vermenen te
behoren;
c. veroordeling van verweerster in de kosten van het geding, (…).

2. De feiten
Verzoekster is op 27 oktober 1986 voor bepaalde tijd in dienst gestreden van
verweerster op het regiokantoor te Z.
De arbeidsovereenkomst is op 27 oktober 1987 omgezet in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Op 11 maart 1988 is verzoekster arbeidsongeschikt geworden.

3. Standpunten van partijen
Verzoekster stelt, dat begin september 1987 zich ernstige spanningen hebben
voorgedaan in de werkverhouding tussen de regiokantoorleider en verzoekster,
veroorzaakt door seksuele dwang, bestaande uit:
– het knijpen in de bovenbenen van verzoekster, gepaard gaande met
opmerkingen als: ‘lekkere stevige benen heb jij’;
– met regelmaat zonder noodzaak zeer nadrukkelijk over verzoekster
heenhangen;
– verzoekster de doorgang belemmeren door deze met zijn stoel op een
onoorbare en/of onbehoorlijke wijze te blokkeren;
– het bezigen van opmerkingen als: ‘kom even lekker bij me’,’wanneer doen wij
het nu eens een keer’, ‘indien ik niet getrouwd zou zijn en veel geld zou
hebben, zou je in dat geval wel met me naar bed willen?’.
Verzoekster heeft regelmatig kenbaar gemaakt van deze intimiteiten niet
gediend te zijn en heeft op 23 september 1987 deze regiokantoorleider een
brief geschreven. Op 14 oktober 1987 heeft zij opnieuw een brief geschreven
onder druk van de betrokkene, dat de arbeidsverhouding was genormaliseerd en
zij van haar eerdere brief geen gebruik zou maken. Dit onder dreiging, dat
anders de omzetting van de arbeidsovereenkomst in een voor onbepaalde tijd
door de regioleider zou worden tegengehouden.
In of omstreeks februari 1988 ontstonden nieuwe problemen van gelijksoortige
aard. Verzoekster is toen op 11 maart 1988 met ziekteverlof gegaan. Op 5
april heeft verzoekster een brief geschreven aan de directie van verweerster,
waarna verzoekster met brief van 7 april 1988 werd uitgenodigd voor een
gesprek op 11 april 1988. Hierna heeft verzoekster met brief van 14 april
1988 aan de regiokantoorleider deze een termijn gesteld tot 21 april om
gezamenlijk tot een oplossing te komen, op welke brief niet is gereageerd.
Vervolgens is wederom de directie van verweerster benaderd voor een gesprek,
dat op 3 mei 1988 heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de
regiokantoorleider.
Volgens verweerster heeft de betrokken regiokantoorleider ook in het verleden
met vrouwelijk personeel gewerkt, zijn nog nooit eerder klachten over hem
geuit en heeft deze de beschuldigingen van verzoekster van de hand gewezen.
Zowel bij het gesprek van 11 april als dat van 3 mei is aan verzoekster te
kennen gegeven, dat haar een andere functie binnen de onderneming ter
beschikking zou worden gesteld.
Met brief van 20 juni 1988 is aan verzoekster nogmaals een voorstel voor een
vervangende functie gedaan,i.c. als administratief medewerkster te A, een
gelijkwaardige functie als die zij ter Z vervult.
Dit aanbod en ook de eerder voorstellen zijn door verzoekster zonder
relevante argumentatie van de hand gewezen.

4. Beoordeling van het verzoek
Uit hetgeen boven is weergegeven is duidelijk, dat de directie van
verweerster voor het eerst heeft vernomen van de problemen op het kantoor Z
door de brief van 5 april 1988 van verzoekster.
Verzoekster stelt thans dat de arbeidsverhouding tussen partijen is
verstoord, doordat verweerster niet adequaat heeft gereageerd.
Daarmede bedoelt verzoekster, dat geen maatregelen zijn genomen tegen de
betreffende regiokantoorleider.
Verweerster heeft echter voldoende duidelijk gemaakt, laatstelijk bij de
mondelinge behandeling, dat, nu de betrokkenen alle beschuldigingen ontkende,
zij geen aanknopingspunten had om maatregelen tegen deze te nemen. Bij het
gesprek op 11 april 1988 werd een nadere toelichting van verzoekster gevraagd
en eerst na het tweede verzoek om een gesprek is de betrokkene gezamenlijk
tot een oplossing te komen.
Anderzijds heeft verweerster een andere functie elders in haar organisatie
aangeboden, waar verzoekster niet meer met deze regiokantoorleider te maken
zou hebben.
Het verwijt van verzoekster, dat geen disciplinaire maatregelen tegen de
betrokken regiokantoorleider zijn genomen, is onterecht.
Alvorens dergelijke maatregelen te nemen dient immers eerst vast te staan,
dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten handelingen c.q.
uitlatingen.
Zelfs als in het kader van deze procedure dit zou komen vast te staan,
verandert dit niets aan het feit, dat destijds van verweerster niet kon
worden verlangd, disciplinaire maatregelen te nemen uitsluitend op grond van
de stellingen van verzoekster.
Een bewijsopname, zoals door verzoekster is verzocht, is derhalve zinloos.
Voorzover de arbeidsverhouding verstoord zou blijken te zijn, kan verweerster
hiervoor geen verwijt treffen.
Verzoekster heeft gesteld, alle vertrouwen in de directie van verweerster te
hebben verloren en op grond van gewichtige redenen ontbinding van de
overeenkomst te wensen.
Objectief gezien heeft verzoekster – zoals boven reeds is uiteengezet –
hiertoe geen aanleiding.
Voorzover verzoekster op subjectieve gronden een einde aan de
arbeidsovereenkomst wenst, kan haar het recht daartoe niet worden ontzegd en
– hoewel deze gevoelens blijkbaar niet wederkerig zijn – heeft verweerster
met haar referte te kennen gegeven, aan een ontbinding van de
arbeidsovereenkomst op grond van gewijzigde omstandigheden niet in de weg te
willen staan.
Derhalve kan een ontbinding op die grond worden uitgesproken.
Voor het toekennen van enige vergoeding – zowel voor materiële als
immateriële schade – als gevorderd zijn echter geen termen aanwezig. Zulks te
minder, nu verweerster tweemaal en in ieder geval onbetwist eenmaal in juni
1988 aan verzoekster een andere functie heeft aangeboden en niet is gebleken,
dat die mogelijkheid niet nog steeds bestaat, zodat voor enige materiële
schade terzake van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, verweerster niet
aansprakelijk kan worden gehouden.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade is door verzoekster
gebaseerd op de psychische benadeling en de psychische ziekte van
verzoekster, ontstaan tengevolge van de handelingen en het gedrag van de
regiokantoorleider.
Dit is derhalve een vordering, gebaseerd op onrechtmatige daad en wel die van
een werknemer van verweerster tegenover verzoekster. Bovendien over een
periode, voordat verweerster op de hoogte was gebracht van de klachten van
verzoekster.
Immers een en ander speelt zich af, voordat verzoekster zich op 11 maart 1988
ziek meldde, terwijl haar brief aan de directie van verweerster dateert van 5
april 1988.
Daargelaten nog, dat de onrechtmatige handelingen op zichzelf niet vaststaan,
en, voorzover deze zouden vaststaan, nog de vraag is, of dan een
aansprakelijkheid van verweerster voor die handelingen zou bestaan, moet
worden geoordeeld, dat een dergelijke vordering uit onrechtmatige daad niet
kan worden ingesteld in het kader van een artikel 1639w procedure.

NB: Ontbinding per 28 februari 1989 met compensatie van kosten voor het geval
het verzoek niet door werkneemster wordt ingetrokken

Rechters

Mr. M.J. Litjens-Roessel

Instantie: Centraal medisch tuchtcollege, 12 januari 1989

Instantie

Centraal medisch tuchtcollege

Samenvatting


Arts was werkzaam als controlerend arts bij de
Districtsgezondheidsdienst. In deze hoedanigheid heeft hij klaagster begeleid.
Klaagster was ziek, zij was overspannen en had last van hartkloppingen. In
november 1984 is tussen partijen een liefdesrelatie ontstaan, die heeft
voortgeduurd tot de zomer van 1985. In juni 1985 bleek klaagster zwanger te
×
n en korte tijd later heeft zij abortus gepleegd

De klacht behelst, het verwijt dat de arts in de periode dat hij
bedrijfs arts was van klaagster en als zodanig haar in verband met haar ziekte
begeleidde, een seksuele relatie met haar heeft aangegaan

Het College vindt dat verweerder had moeten beseffen dat hij na het
ontstaan van de liefdesrelatie alle onderdelen van klaagster begeleiding
behoorde over te dragen aan een andere arts. Naar het oordeel van het college
is dit echter niet het belangrijkste aspect van verweerders handelen ten
opzichte van klaagster

Veel ernstiger acht het college dat hij de liefdesrelatie met haar heeft
aangeknoopt in de periode dat hij haar rechtstreeks begeleidde en terwijl hij
wist dat zij uiterst kwetsbaar was, doordat zij in een psychisch labiele
toestand verkeerde en te kampen had met seksuele problematiek. Verweerder
heeft wel aangevoerd dat klaagster het initiatief tot de relatie heeft genomen
en hem onaangekondigd thuis heeft opgezocht, doch aan verweerder moet worden
aangerekend dat hij in plaats van dit initiatief onmiddellijk af te wijzen
daarop is ingegaan, hoewel hij wist dat het niet in vrijheid was ontstaan.
Verweerder heeft ook onjuist gehandeld door aan klaagster de morning after pil
voor te schrijven zonder haar huisarts daarover in te lichten. Al is niet
gebleken dat verweerder in de strikte zin van dit woord misbruik heeft gemaakt
van klaagster situatie, het is wel zo dat hij door het onvoldoende
respecteren van de distantie die ook in de relatie bedrijfsarts – patient
behoort te bestaan, het vertrouwen in de stand der geneeskundigen heeft
ondermijnd en wel in zo ernstige mate dat niet volstaan kan worden met de
lichtste tuchtrechtelijke maatregel, doch een berisping moet worden opgelegd

Volledige tekst

Het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft het navolgende overwogen en
beslist op het door P., arts, ten tijde van het indienen van de klacht wonende
te A., thans wonende te S., ingestelde hoger beroep van de beslissing van het
Medisch Tuchtcollege te O. van 30 november 1987, waarbij hem ter zake van de
klacht van H., wonende te A., thans verblijvende te O. de maatregel van
berisping is opgelegd

1. Het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft de zaak behandeld ter
terechtzitting van 25 augustus 1988. Appellant was bij de behandeling
aanwezig. Zijn raadsman was met bericht verhinderd. Appellant heeft meegedeeld
dat zijn raadsman hem geadviseerd had tijdens diens afwezigheid geen
commentaar te geven

Het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft daarop de zaak aangehouden omdat
de belangen van appellant door een omstandigheid, die hem niet verweten kan
worden, geschaad zouden kunnen worden

2. De zaak is in verband met de gewijzigde samenstelling opnieuw
behandeld ter terechtzitting van 11 mei 1989. Appellant was aldaar aanwezig,
bijgestaan door zijn raadsman, Mr. T., advocaat te E.

3. Appellant was in de jaren 1984 en 1985 werkzaam bij de
Districtsgezondheidsdienst voor N., A. en omstreken. In die hoedanigheid
voerde hij controles uit bij ziekte van ambtenaren van de gemeente A. en
begeleidde hij die ambtenaren bij ziekte. Klaagster, geboren op 7 maart 1958,
was in 1984 werkzaam bij de gemeente A., aanvankelijk als zweminstructrice en
sedert september of oktober van dat jaar als telefoniste op het gemeentehuis.
Klaagster heeft zich op 25 januari 1984 schriftelijk ziek gemeld, waarbij zij
opgaf dat zij gespannen was en last had van hartkloppingen en braken. Daarvoor
was klaagster ook al herhaaldelijk ziek en overspannen geweest, waarbij zij
echter niet begeleid en gecontroleerd was door appellant, doch door andere
artsen van de districtsgezondheidsdienst. Op 6 februari 1984 heeft de arts
voor de eerste maal een spreekuurcontact met klaagster gehad

In de periode tot 19 oktober 1984 heeft hij klaagster nog achtmaal op
zijn spreekuur gezien. Ongeveer de helft van de spreekuurconsulten vond plaats
op haar verzoek. Klaagster had inmiddels ook regelmatige gesprekscontacten met
haar huisarts, diens echtgenote en een maatschappelijk werkster van de U.

Klaagster heeft op 19 september 1984 gedeeltelijk en met ingang van 22
oktober 1984 volledig het werk hervat. Na 19 oktober 1984 heeft zij het
spreekuur van de arts niet meer bezocht. Wel heeft appellant toen regelmatig
over klaagster contact gehad met derden, te weten met behandelaars van
klaagster en functionarissen van de gemeente A.. Onder meer heeft de arts, als
bedrijfsarts, op 3 juni 1985 een brief geschreven aan het College van B. & W.
van A. over de arbeidstijdverkorting voor mevrouw H

In november 1984 is tussen partijen een liefdesrelatie ontstaan, die
heeft voortgeduurd tot de zomer van 1985. Partijen hadden in die tijd
regelmatig seksueel contact. In maart 1985 heeft de arts aan klaagster een
recept gegeven voor de morning after pil. In april 1985 heeft klaagster een
aanvang gemaakt met een behandeling in het dagcentrum van K. te Z.. In juni
1985 is zij wegens heftige angsten enige dagen opgenomen geweest in het
psychiatrisch centrum K.. Zij bleek toen zwanger te zijn. Korte tijd daarna is
abortus gepleegd

De klacht behelst, zakelijk weergegeven, het verwijt dat de arts in de
periode dat hij bedrijfsarts was van klaagster en als zodanig haar in verband
met haar ziekte begeleidde, een seksuele relatie met haar heeft aangegaan. Hij
maakte hierdoor misbruik van de psychisch zwakke toestand waarin zij
verkeerde

4. De klacht is tijdig ingediend

5. Het college van eerste aanleg heeft de maatregel van berisping
opgelegd en daartoe als volgt overwogen:

Te zijner verdediging heeft verweerder aangevoerd dat hij na het
ontstaan van de liefdesrelatie aan klaagster heeft gezegd dat hij niet meer
als haar bedrijfsarts kon optreden en dat hij sedertdien ook niet meer als
zodanig heeft gefunctioneerd. Dit verweer is feitelijk onjuist, daar, zoals
boven reeds is vastgesteld, verweerder ook na oktober 1984 zich als
bedrijfsarts nog herhaaldelijk heeft bezig gehouden met de gezondheidstoestand
van klaagster. Dat die bemoeiingen geen rechtstreekse contacten van
verweerder als bedrijfsarts met klaagster inhielden, is daarbij niet van
wezenlijk belang. Verweerder had moeten beseffen dat hij na het ontstaan van
de liefdesrelatie alle onderdelen van klaagster begeleiding behoorde over te
dragen aan een andere arts. Naar het oordeel van het college is dit echter
niet het belangrijke aspect van verweerders handelen ten opzichte van
klaagster

Veel ernstiger acht het college dat hij de liefdesrelatie met haar heeft
aangeknoopt in de periode dat hij haar rechtstreeks begeleidde en terwijl hij
wist dat zij uiterst kwetsbaar was, doordat zij in een psychisch labiele
toestand verkeerde en te kampen had met
seksuele problematiek. Verweerder heeft
wel aangevoerd dat klaagster het initiatief tot de relatie heeft genomen en
hem onaangekondigd thuis heeft opgezocht, doch aan verweerder moet worden
aangerekend dat hij in plaats van dit initiatief onmiddellijk af te wijzen
daarop is ingegaan, hoewel hij wist dat het niet in vrijheid was ontstaan.
Verweerder heeft ook onjuist gehandeld door aan klaagster de morning after pil
voor te schrijven zonder haar huisarts daarover in te lichten. Al is niet
gebleken dat verweerder in de strikte zin van dit woord misbruik heeft gemaakt
van klaagster situatie, het is wel zo dat hij door het onvoldoende
respecteren van de distantie die ook in de relatie bedrijfsarts – patient
behoort te bestaan, het vertrouwen in de stand der geneeskundigen heeft
ondermijnd en wel in zo ernstige mate dat niet volstaan kan worden met de
lichtste tuchtrechtelijke maatregel, doch een berisping moet worden opgelegd

6. De arts heeft tegen de beslissing de volgende grieven aangevoerd:

Daar klaagster haar klacht heeft ingetrokken, had het Medisch
Tuchtcollege op grond van de memorie van toelichting op artikel 10 lid 3 van
de Medische Tuchtwet geen andere onderwerpen bij de beoordeling van de klacht
mogen betrekken, dan die welke in de klacht zelf zijn verwoord

Hieruit volgt dat, nu het Medisch Tuchtcollege heeft overwogen dat de
arts niet in strikte zin van het woord misbruik heeft gemaakt van klaagsters
situatie, de grondslag van de klacht was weggevallen en de klacht ongegrond
verklaard had behoren te worden

Het Medisch Tuchtcollege overweegt ten onrechte dat de arts zich ook na
oktober 1984 herhaaldelijk met de gezondheids-toestand van klaagster heeft
beziggehouden

De arts heeft na oktober 1984 geen spreekkamercontact meer gehad met
klaagster en zich niet met haar gezondheidstoestand beziggehouden in een
arts/patient relatie. Klaagster was toen niet ziek, zij functioneerde goed en
leek ook niet psychisch labiel. De arts heeft slechts informatie aan derden
over haar verschaft over de perioden waarin hij nog wel als haar bedrijfsarts
functioneerde. De liefdesrelatie is in volle vrijheid ontstaan

Het zou corrector zijn geweest klaagsters huisarts te informeren over
het verstrekken van de morning after pil, doch het is niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar dat hij dit niet heeft gedaan

7. Het Centraal Medisch Tuchtcollege overweegt:

De inhoud van de oorspronkelijke klacht is niet beperkt tot de directe
arts/patient-relatie als in spreekkamercontact, doch ziet ook het gehele
complex van gebeurtenissen in de periode waarin de liefdesrelatie ontstond en
heeft bestaan en waarin appellant als haar bedrijfsarts functioneerde en
waarbij naar het gevoelen van klaagster een machtsonevenwicht bestond tussen
hen beide, waarin ze zich niet aan een liefdesrelatie kon onttrekken

Het Medisch Tuchtcollege is dan ook niet buiten het onderwerp van de
klacht getreden, door een oordeel te geven over de handelwijze van de arts in
die periode

De arts is na het ontstaan van de liefdesrelatie de belangen van
klaagster blijven behartigen door als arts in contact te treden met derden en
over aan hem als arts bekende feiten aan derden desgevraagd een oordeel te
geven. Hij heeft zo handelende geen einde gemaakt aan de arts/patient-relatie

Het was de arts, in ieder geval uit hoofde van zijn functie, bekend dat
bij klaagster problematiek bestond op het gebied van liefde en
seksualiteit. In
de gegeven omstandigheden had van hem als arts dan ook een aanmerkelijk
grotere zorgvuldigheid in de omgang met klaagster mogen worden verwacht. Hij
had moeten begrijpen dat het gevaar bestond van machts-onevenwicht, waardoor
bij klaagster de ‘vrijheid’ om met hem een liefdesrelatie aan te gaan beperkt
zou kunnen zijn. Hij had een duidelijk en volledig einde moeten maken aan
ieder optreden als arts ten aanzien van klaagster. Over het verschaffen van
de morning after pil had hij contact moeten opnemen met de huisarts van
klaagster

Het Centraal Medisch Tuchtcollege is met het College van eerste aanleg
van oordeel dat de arts door zijn handelwijze het vertrouwen in de stand der
geneeskundigen zodanig ondermijnt dat de maatregel van berisping behoort te
worden opgelegd

Het beroep dient om die reden te worden verworpen en de beslissing
waarvan beroep te worden bevestigd

8. Om redenen aan het algemeen belang ontleend acht het Centraal Medisch
Tuchtcollege bekendmaking van deze beslissing met in achtneming van het
bepaalde in artikel 13b, 1e lid van de Medische Tuchtwet op de hierna
aangewezen wijze geboden

9. Het Centraal Medisch tuchtcollege beslist mitsdien als volgt:

Rechtdoende in hoger beroep: verwerpt het beroep; bevestigt de
beslissing waarvan beroep; bepaalt dat deze beslissing met in achtneming van
artikel 13 b, 1e lid van het in de Medische Tuchtwet bepaalde wordt
bekendgemaakt door plaatsing in de Nederlandse Staatscourant en door
toezending aan Medische Contact en het tijdschrift voor Gezondheidsrecht met
verzoek tot plaatsing

Rechters

Mr. B. Pronk, voorzitter; Dr. C. Hermann, E.C.M. Plag, Prof. Dr.P.J.Jongerius, K.W. Woltering, leden-geneeskundigen en Mr. H.J.Sluyters-Hamburger, secretaris

Instantie: Rechtbank Roermond, 12 januari 1989

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 35.000,– schadevergoeding van haar broer wegens
incest gedurende 2 jaar. Ook een andere broer en de vader hadden een
incestueuze verhouding met eiseres gedurende respectievelijk 4 jaar en
10 jaar. Volgens de rechtbank moet het door eiseres opgelopen psychisch
letsel in hoofdzaak verweten worden aan deze laatste twee relaties. Het
causaal verband tussen gedaagdes handelen en de psychische schade die
bij eiseres daardoor is veroorzaakt, is derhalve geringer in verhouding
tot de twee oudere oorzaken. F. 4.000,– immateriele schadevergoeding
toegewezen.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure.

Eiseres heeft geconcludeerd van eis overeenkomstig de inleidende
dagvaarding.

Gedagde heeft geconcludeerd van antwoord.

Bij vonnis van 31 maart 1988 heeft de rechtbank een persoonlijke
verschijning van partijen bevolen. De zitting is gehouden op 23 april
1988, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

Eiseres heeft onder overlegging van een aantal produkties geconcludeerd
van repliek.

Gedaagde heeft geconcludeerd van dupliek.

Partijen hebben onder overlegging van de processtukken vonnis gevraagd.

Vaststaande feiten.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of ongenoegzaam betwist en
voorts blijkend uit de niet weersproken inhoud van het in het geding
gebracht proces-verbaal van politie en het schrijven van 16 oktober 1987
van het Riagg Oostelijk Zuid-Limburg staat het volgende tussen partijen
vast.

Eiseres en gedaagde zijn zus en broer van elkaar, terwijl gedaagde
ongeveer twee jaar ouder is dan eiseres.

Toen eiseres ongeveer 12 a 13 jaar oud was heeft gedaagde gedurende
ongeveer twee jaar seksueel contact gehad met eiseres in het ouderlijk
huis van hen beiden.

Aanvankelijk vond dit plaats bij een door partijen gespeeld spel op de
zolder; naderhand benaderde gedaagde het bed van eiseres en kroop bij
haar in bed.

Het seksueel contact van gedaagde met eiseres bestond in betasten,
bijten, manuaal en oraal aanraken der geslachtsorganen en volgens
gedaagde zelve in geslachtelijke omgang met elkaar.

Deze handelingen vonden al dan niet met tussenpozen meermalen per week
plaats. Bij het contact in bed met eiseres kwam gedaagde telkenmale tot
een zaadlozing.

Zonder dat gedaagde er weet van had, heeft er ook een incestueuze
verhouding bestaan tussen eiseres en haar vader gedurende ongeveer tien
jaar vanaf ongeveer haar zevende levensjaar en met een -ouder dan
gedaagde zijnde- broer van eiseres gedurende ongeveer vier jaar.

Uit het genoemd schrijven van het Riagg neemt de rechtbank de volgende
citaten over:

De vragen hebben betrekking op de schade die eiseres heeft opgelopen en
waar ze momenteel nog onder lijdt aangaande de incestueuze verhouding
met haar vader en twee broers (derde en vijfde broer uit het gezin).

Eiseres is sinds ongeveer anderhalf jaar in individuele psychotherapie.
Zij leed (lijdt) aan sterke depressieve stemmingen, suicidegedachten,
automulitatie en allerlei psychosomatische klachten.

Daarnaast een overmatig drank- en medicatiegebruik gedurende een aantal
jaren.

Veel van deze klachten en problemen zijn gaan spelen tijdens en na de
breuk met het ouderlijk gezin rond haar achttiende jaar, maar ook
voordien.

De aanleiding voor de breuk vormde de houding van moeder. Toen eiseres
voor het eerst iets over haar gedwongen relatie met vader en twee broers
vertelde. De houding van moeder was ongeloof en negeren.

Na de afwijzende reactie van moeder, voelde eiseres zich nog sterker
geisoleerd en ongeveer een half jaar later vertrok zij uit huis.

Tijdens de therapie wordt duidelijk hoe deze incestervaringen een
neurotische ontwikkelingsgang hebben ingezet met eveneens sterk
ontwikkelde afweermechanismen.

Dat wil zeggen genoemde traumatiserende ervaringen hebben de
identiteitsontwikkeling verstoord; zij heeft het gevoel slecht te zijn,
voelt zich schuldig en nietswaardig. Zij heeft uitermate sterke
insufficientegevoelens.

Daarnaast is er een ambivalentie omtrent haar sekse-identiteit ontstaan;
het gevoel dat eigen wensen en wil er nooit toe deden hebben eiseres het
onvermogen meegegeven om in persoonlijk contact de eigen grenzen te
bewaken.

Eiseres heeft de ervaring meegekregen willoos slachtoffer te zijn zonder
invloed te kunnen uitoefenen.

Emoties die door de incestervaringen werden opgeroepen moesten worden
verdragen. Door bedreiging werd het haar onmogelijk gemaakt woede en
angst te ventileren.

Eiseres leerde zich als het ware gevoelloos te maken en de clown te
spelen. Deze mechanismen hanteert ze nog steeds en ze zijn moeilijk te
doorbreken. Ze belemmeren zo persoonlijk contact en maakten onder meer
voortzetting van haar opleiding (B-verpleging) onmogelijk.

De psychische spanningen die bovengenoemde mechanismen met zich
meebrengen worden (werden) regelmatig gereguleerd via automutilatie en
gedachten aan verdere zelfdestructie. Bovengenoemde problemen, die tot
uiting komen en via de individuele psychotherapie worden onderzocht
staan in direct verband met de traumatische incestervaringen.

Pogingen om alsnog gehoor te vinden bij de ouders en de breuk in de band
met hen te herstellen, werden, zowel door vader als moeder afgewezen.
Vader is inmiddels (in 1986) overleden en moeder is ernstig ziek.

Stellingen en vordering eiseres.

Eiseres stelt dat gedaagde het initiatief tot de ontuchtige handelingen
nam, terwijl eiseres deze passief onderging zonder het tonen van enige
gevoelens. Zij stelt voorts het volgende:

-dat eiseres jaren geleden haar ouderlijk huis heeft verlaten, geen
contact meer heeft met haar familie en sedert januari 1986 in therapie
is, teneinde te proberen haar traumatische ervaringen te verwerken;

-dat eiseres aanvankelijk werkzaam was in een psychiatrische inrichting,
doch in de loop van 1986 niet meer in staat bleek te zijn dit werk naar
behoren te vervullen, omdat zij haar gevoelens niet meer kon uiten en
geen gevoel kende van kwaad- en goedheid;

-dat eiseres bovendien langdurig ziek werd, welke ziekte ook van
psychische aard bleek te zijn, zodat zij tenslotte deze baan heeft
opgegeven;

-dat eiseres zich moeilijk in staat acht ooit in haar leven een seksuele
relatie met een man aan te gaan in verband met haar eerdere ervaringen;

-dat bij de onderhavige ontuchtige handelingen de psychische schade zo
mogelijk nog groter is, omdat de seksuele handelingen vaak op jeugdige
leeftijd beginnen en soms jaren lang kunnen voortduren, plaats vinden in
het eigen huis en gepleegd worden door de naaste familie- en/of
gezinsleden, hetgeen diep ingrijpt in de persoonlijkheidsvorming;

-dat men immers geen kant meer uit kan, indien zelf het eigen nest niet
meer veilig blijkt te zijn, zodat men dan als het ware met de rug tegen
de muur staat.

Op grnd van vorenvermelde redenen vordert eiseres betaling van gedaagde
van een immateriele schadevergoeding ten bedrage van ƒ 35.000,–.

Het verweer van gedaagde.

Het verweer van gedaagde valt in drie onderdelen uiteen, te weten:

-Het initiatief tot de seksuele omgang werd zowel door eiseres als
gedaagde genomen. Van gedwongen handelingen tussen partijen is nimmer
sprake geweest.

-Hetgeen eiseres na het verlaten van het ouderlijk huis is overkomen en
het door haar gesteld ziektebeeld is gedaagde onbekend.

-Het causaal verband tussen het contact tussen eisers en gedaagde en de
gestelde gevolgen zal door eiseres moeten worden aangetoond.

-De vordering is door eiseres ingesteld circa tien jaar na het
voorvallen der feiten. Dit levert op misbruik van recht op grond waarvan
eiseres niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Het oordeel van de rechtbank.

Dat eiseres jaar vordering tegen gedaagde jaren na het voorvallen van de
feitelijkheden heeft ingesteld is -gezien de aard van de aan gedaagde
verweten gedragingen- alleszins begrijpelijk.

Gedaagde is daardoor niet zozeer in een onmogelijke processuele positie
gemanoeuvreerd, dat eiseres door deze vordering thans in te stellen zich
schuldig zou maken aan misbruik van enig recht. De rechtbank acht
eiseres dan ook wel degelijk ontvankelijk in haar vordering tegen
gedaagde.

Voor het feit, dat er van geen gedwongen handelingen tussen partijen
sprake is geweest, beroept gedaagde zich op het proces-verbaal van
politie. Hieruit blijkt dat het seksuele contact tussen partijen is
begonnen bij een cowboy- en indianenspel op zolder van het ouderlijk
huis. De rechtbank begrijpt de stellingen van eiseres evenwel dat dit
spel niet zozeer wordt verweten aan gedaagde als wel wat zich nadien
heeft afgespeeld op de slaapkamer van eiseres.

Gedaagde heeft eiseres gedurende ongeveer twee jaar vele malen benaderd,
terwijl zij in bed lag. Eiseres heeft zich tegen deze benadering niet
verzet, hetgeen geheel iets anders is dan het toestemmen daarin.

In het bed van eiseres streelde en beet gedaagde eiseres, vond manuaal
en oraal aanraken der geslachtsorganen plaats en volgens gedaagde zelve
geslachtelijk verkeer met elkaar.

Gedaagde heeft dusdoende eiseres geconfronteerd met een overschrijding
van de grenzen van de lichamelijke integriteit en heeft niet
gerespecteerd het lichaam van eiseres op seksueel gebied.

Gedaagde ook op zijn toenmalige leeftijd had moeten en kunnen begrijpen,
dat seksuele omgang met zijn zus mede gezien de jeugdige leeftijd van
zijn zus tot vorenvermelde aantasting van de persoon van eiseres zou
leiden.

Het handelen van gedaagde is niet alleen strafrechtelijk te kwalificeren
als een overtreding van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht, maar
ook civielrechtelijk levert dit handelen op een onrechtmatige daad
jegens eiseres.

Gedaagde was tijdens het plegen van de hem verweten en te verwijten
feitelijkheden onkundig van het feit, dat zowel zijn vader als zijn
oudere broer eveneens een incestueuze relatie met eiseres hadden.

Het door eiseres opgelopen psychisch letsel als onder de vaststaande
feiten vermeld is derhalve mede veroorzaakt door twee andere personen
dan gedaagde.

Hier is sprake van gelijktijdig werkende oorzaken, hetgeen leidt tot de
problematiek van het causaal verband tussen elk der oorzaken en het
schadelijk gevolg. In het algemeen zal bij gelijktijdig werkende
oorzaken de schadeomvang, die vooraf niet te voorzien was, ten laste
gebracht kunnen worden van ieder der daders.

In dit geval is de rechtbank evenwel van oordeel, dat er een nader
onderscheid gemaakt dient te worden.

De relatie vader-dochter en de incestueuze verhouding binnen deze
relatie gedurende een periode van ongeveer tien jaar is een dermate
ingrijpende gebeurtenis voor eiseres en een aantasting van haar
persoonlijk integriteit dat deze zeer diep op haar moet hebben
ingewerkt. Ook de incestueuze relatie tussen eiseres en een oudere dan
gedaagde zijnde broer gedurende een periode van ongeveer vier jaar moet
diep ingrijpende sporen bij eiseres hebben nagelaten. Het door eiseres
psychisch opgelopen letsel moet dan ook in hoofdzaak verweten worden aan
deze laatste twee relaties. Het causaal verband tussen gedaagdes
handelen en de psychische schade bij eiseres daar door veroorzaakt moge
dan geringer zijn in verhouding tot de twee andere oorzaken, doch
anderzijds is dit toch niet zo gering dat er geen rekening mee gehouden
mag worden.

Onbekendheid van en onvoorzienbaarheid voor gedaagde van de door eiseres
gestelde en niet weersproken gevolgen, welke de incestueuze relaties
voor eiseres teweeg hebben gebracht, leidt gezien de te verwijten
gedragingen van gedaagde er niet toe, dat hij voor deze gevolgen niet
aansprakelijk gesteld zou kunnen worden. Gezien de aard van de
aansprakelijkheid en van de schade als gevolg van de gedragingen van
gedaagde kan de schade als gevolg van deze handelingen hem worden
toegerekend.

Immateriele schadevergoeding acht de rechtbank in deze mogelik, nu
eiseres in haar persoon is aangetast. Deze vergoeding heeft een dubbele
functie: enerzijds dient zij om, zij het op onvolmaakte wijze, het door
eiseres ondergane leed goed te maken, anderzijds kan het geschokte
rechtsgevoel van eiseres worden bevredigd doordat van gedaagde een
opoffering wordt verlangd.

Eiseres vordert van gedaagde betaling ten titel van immateriele
schadevergoeding een bedrag van ƒ 35.000,–.

Bij toekenning van deze schadevergoeding dient de rechtbank te letten op
alle omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de
tussen partijen bestaande verhouding en hun beider draagkracht.
Toekenning mag niet

leiden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen voor een van hen beiden. De
rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Zoals reeds overwogen is
gedaagde ten dele aansprakelijk ook voor wat de gevolgen betreft. De
leeftijd van gedaagde ten tijde van het voorvallen der gebeurtenissen
speelt een rol, nu gedaagde zelve op jeugdige leeftijd was toendertijd,
zodat hem geen attitude van een volwassene mag worden aangerekend. Het
tijdsverloop speelt een rol in die zin dat sindsdien vele omstandigheden
zijn gewijzigd. Gedaagde in inmiddels getrouwd en vader van twee
kinderen.

Vaststaat tussen partijen dat gedaagde nimmer lichamelijk geweld heeft
gebruikt of met geweld gedreigd heeft.

Bij zijn verhoor door de politie heeft gedaagde de feiten zonder meer
bekend. Gedaagde heeft thans een inkomen van ƒ 1.651,84, waaruit hij in
het levensonderhoud dient te voorzien van een gezin van twee volwassenen
en twee kinderen.

De rechtbank zal de hoogte van de schadevergoeding naar redelijkheid en
billijkheid bepalen met inachtneming van vorenvermelde omstandigheden.

Hiertoe overgaand acht de rechtbank een bedrag vanƒ 4.000,– in
overeenstemming met de maatstaven der wet. De rechtbank zal gedaagde tot
betaling van dit bedrag veroordelen en hem tevens als de in het ongelijk
gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

BESLISSING

Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van ƒ
4.000,– (VIERDUIZEND GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente
daarover vanaf 15 januari 1988 tot de dag der voldoening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van
eiseres gevallen, welke kosten tot heden worden begroot op f.2.017,95
(TWEEDUIZEND ZEVENTIEN GULDEN EN VIJFENNEGENTIG CENT).

Veroordeelt gedaagde van vorenstaande kostenveroordeling te voldoen aan
eiseres wegens griffierecht een bedrag vanf.400,–. Veroordeelt gedaagde
van vorenstaande kostenveroordeling te voldoen aan de griffier der
gerechten in het arrondissement Roermond (postrekening ….):

-wegens exploitkosten van deurwaarder M.J. Havenkamp ƒ 67,95 te
Venlo

-wegens salaris van de procureur van eiseres f.1.550,-
– __________

f.1.617,95
Ontzegt het meer gevorderde.

Rechters

Mr. Schrickx

Instantie: Rechtbank Haarlem, 10 januari 1989

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


De firma Storm had een advertentie geplaatst waarin gevraagd werd om te
solliciteren naar de functie voor aankomend laborant. Mw. X. heeft
gesolliciteerd en is uitgenodigd voor een gesprek. In de brieven die zij
van Storm ontvangen heeft stond als aanhef: geachte mevrouw X. Op 16
januari 1985 kreeg mw. X. een brief waarin werd medegedeeld dat zij niet werd
aangenomen omdat Storm voor deze functie geen vrouw kon aannemen

Daarna verscheen er weer een advertentie waarin uitdrukkelijk gevraagd
werd naar mannelijke sollicitanten

Wederom heeft mw. X. gesolliciteerd. Hierop heeft Storm niet
gereageerd

Hierover heeft mw. X. een klacht ingediend bij de commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. De commissie kwam tot het
oordeel dat door Storm onjuist is gehandeld door in de advertentie zonder
opgaaf van redenen een voorkeur voor een mannelijke kandidaat uit te spreken
De commissie is van mening dat mw. X. niet voldoende als reele kandidaat
is aangemerkt door Storm, aangezien zij een vrouw is

Mw. X. vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Storm
onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het plaatsen van beide
advertenties alsmede door X. af te wijzen als kandidaat voor de eerste
vacature. Voorts vordert X. dat Storm zal worden veroordeeld haar de
daardoor veroorzaakte materiele (ƒ 26.072,– zesentwintigduizend en
tweeennzeventig gulden) en immateriele (ƒ 5.000,– vijfduizend gulden)
schade te vergoeden met rente, kosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad

De rechtbank is van mening dat zij het oordeel van de commissie niet in
beginsel als juist hoeft aan te nemen. Zij zal dit oordeel wel bij haar
besluitvorming betrekken

De eerste advertentie is volgens de rechtbank voldoende neutraal gesteld
om niet in strijd te komen met artikel 3 lid 1 WGB. De tweede advertentie,
waarin uitdrukkelijk naar een jongeman wordt gevraagd, maakt een wettelijk
verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen en het plaatsen daarvan is
onrechtmatig

Wat betreft de behandeling van de sollicitatie van X. heeft Storm
onrechtmatig gehandeld. Er bestaat causaal verband tussen het onrechtmatig
handelen van Storm en eventuele schade van X

De rechtbank is nog niet in staat om de hoogte van de door X. geleden
inkomensschade vast te stellen, daarom wordt de zaak naar de rol verwezen en
verder bewijs moet dan worden geleverd

T.a.v. de immateriele schade oordeelt de rechtbank dat deze niet berust
op de wet, zodat haar vordering in zoverre moet worden afgewezen

Beslissing wordt aangehouden

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Ten Brink-van Imhoff, vice-president, du Pon en Bakels, rechters

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 5 januari 1989

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De feitelijke situatie op de Amsterdamse VWO- scholen met betrekking tot
de ondervertegenwoordiging van vrouwen rechtvaardigt de toepassing van een
voorkeursbeleid voor vrouwelijke kandidaten. Bij de keuze voor een
referentiekader dienen tevens de landelijke verhoudingen op de VWO-scholen
in aanmerking te worden genomen.

Volledige tekst

President Rechtbank (29-11-1988) ( …) h. De gemeenteraad benoemt de
nieuwe rector op voordracht van B. en W. die volgens de Wet
Medezeggenschap Onderwijs en het Medezeggenschapsreglement Gemeentelijke
Scholen Amsterdam daarvoor eerst advies moeten vragen aan de MR. Ook de
conrectoren van de school (eisers sub 3) moeten worden gehoord. Art. 27,
lid 6, van het reglement schrijft B. en W. voor, indien zij het advies van
de MR niet of niet geheel overnemen, daarvoor de redenen op te geven. De
gemeente pleegt bij de benoeming van schoolhoofden een vaste gedragslijn
te volgen, vastgelegd door haar ambtenaren in een stuk, door eisers
overgelegd als prod. 16. Deze Leidraad is ter hand gesteld aan de leden
van de door de MR terzake van de benoeming van de nieuwe rector
samengestelde Benoemingsadviescommissie (BAC). Daarin staan onder F,
tweede alinea: ‘Het Bevoegd Gezag zal het advies van de MR over de
voorgestelde kandidaten zwaar laten wegen bij de uiteindelijke voordracht
aan de Gemeenteraad. Wel is het zo dat Burgemeester en Wethouders naast
het veranderen van de volgorde van de kandidaten op de voordracht ook
sollicitanten kunnen toevoegen aan of afvoeren van de concept-voordracht
van de Wethouder voor het Onderwijs’. ( …) Bij brief van 10 november
1988 aan de MR hebben B. en W. opgave gedaan van de redenen, waarom zij
het advies van de MR niet hebben gevolgd. Naar het inzicht van B. en W.,
dat zij schrijven te hebben verkregen uit het gesprek van de wethouder met
de beide kandidaten, hun referenties en de uitslag van de psychologische
test, voldoen dezen aan de functie-eisen en zijn zij geschikt voor de
functie.

2. De veranderde vordering strekt ertoe dat B. en W. wordt bevolen de
voordracht in te trekken, althans de gemeenteraad wordt verboden een van
beide kandidaten te benoemen, zodat een nieuwe sollicitatieronde kan
worden begonnen, waaraan ook mannen kunnen deelnemen. Meer subsidiair
verlangen eisers dat de MR nogmaals advies wordt gevraagd.

3. Voor de vaststelling dat vrouwen in functies als de onderhavige
ondervertegenwoordigd zijn, heeft de gemeente (uiteindelijk) slechts
gekeken naar 2 arbeidsplaatsen. Dat toetsingskader is van een zodanig
geringe omvang, dat daarop nimmer het oordeel kan worden gebaseerd dat
sprake is van een feitelijke ongelijkheid als bedoeld in het vierde lid,
onder c, van art. 1 WGBO. Beziet men echter de situatie op de 10
Amsterdamse scholen voor het VWO, zoals hiervoor onder 1a weergegeven, dan
is op het eerste gezicht wel degelijk sprake van een achterstand van
vrouwen die het voorkeursbeleid van de gemeente rechtvaardigt. Het lijkt
onjuist om, zoals de Commissie Gelijke Behandeling voorstaat, de
vergelijking te beperken tot die scholen, waarover de gemeente
rechtstreeks zeggenschap heeft. Eerder lijkt een ruimer kader aangewezen,
waarin de landelijke verhoudingen op de VWO-scholen mede in aanmerking
worden genomen. Partijen hebben zich in dit geding niet over andere
criteria uitgelaten. Feitelijke gegevens over de situatie buiten Amsterdam
ontbreken. Dit brengt mee dat er in dit geding vanuit moet worden gegaan
dat vrouwen in functies als die van rector van het Barlaeusgymnasium
ondervertegenwoordigd zijn.

4. Op de wijze, waarop de gemeente de achterstand wil opheffen, hebben
eisers kritiek uitgeoefend omdat zij menen dat de beste vrouwelijke
kandidaten niet zullen meedingen zolang zij zich niet tevens met mannen
kunnen meten, maar de WGBO en de verdragen inzake gelijke behandeling van
mannen en vrouwen laten de selectie van in eerste instantie alleen vrouwen
toe. De gemeente wil dit zware middel toepassen tot haar norm van 40 % is
gehaald. Dit percentage ligt onder het percentage vrouwelijke docenten op
de gemeentelijke scholen. Het standpunt van eisers dat het gekozen middel
in een wanverhouding staat tot het door de gemeente beoogde doel kan
daarom niet worden aanvaard.

5. De stelling van eisers dat de gemeente handelt in strijd met de
wettelijke regelingen en verdragen inzake de gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, gaat dus niet op.

6. Dat laat onverlet dat de gemeente een verkeerde maatstaf heeft gekozen
voor haar vaststelling dat een achterstandssituatie bestaat. De gemeente
heeft zich in het Kroonberoep op deze maatstaf vastgelegd en op grond
daarvan besloten de geschorste procedure te hervatten. Daaruit is de
voordracht voortgevloeid. Als bekend waren alleen vrouwen uitgenodigd te
solliciteren. Aan de beslissing de benoemingsprocedure te hervatten lag
dus een ondeugdelijke afweging ten grondslag. De voordracht die daarop is
gevolgd, is dan ook niet naar behoren voorbereid.

7. Ook in een tweede opzicht is de voordracht niet behoorlijk tot stand
gekomen. Weliswaar staat het B. en W. volgens de Wet Medezeggenschap
Onderwijs en het Medezeggenschapsreglement vrij naar believen af te wijken
van het advies van een MR inzake de aanstelling van een nieuw schoolhoofd,
maar B. en W. hebben zich door de uitgifte van de Leidraad aan de leden
van de BAC in die vrijheid beperkt. De onder 1 h hiervoor geciteerde
passage uit de Leidraad laat geen andere uitleg toe dan dat B. en W.
alleen in uitzonderlijke omstandigheden geheel en al aan het advies van
de MR voorbij kunnen gaan. Het voorschrift van art. 27, lid 6, van het
reglement eist dat in dat geval in de motivering waarom van het advies
wordt afgeweken van die uitzonderlijke omstandigheden blijkt. Daarvan is
geen sprake, hoewel B. en W. te dezen een geheel andere weg zijn
ingeslagen dan hen was geadviseerd.

8. Immers, op de werkwijze van de BAC (op de bevindingen van welke
commissie het advies van de MR was gebaseerd) hadden en hebben B. en W.
geen aanmerkingen. Hun waarnemers waren bij de besluitvorming van de BAC
betrokken. In hun brief van 10 november 1988 hebben zij geen feiten of
argumenten aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de BAC
zich zozeer heeft vergist dat haar standpunt onhoudbaar is. In de brief
staat niet meer dan dat de wethouder na een persoonlijk gesprek met de 2
sollicitanten en op basis van hun referenties en de uitslag van hun
psychologische test de beide kandidaten geschikt heeft geacht, terwijl hun
hiervoor onder 1 k vermelde kwalificaties niet wijzen op een
uitzonderlijke bekwaamheid.

9. Bovendien hadden B. en W. reeds in de gegeven omstandigheden – dus los
van het bepaalde in het reglement – aanleiding moeten zien om hun besluit,
deze kandidaten voor te dragen, van een motivering te voorzien die aan de
zwaarste eisen kan voldoen. Niet alleen de MR maar ook de Rijksinspecteur
en de conrectoren hebben immers als hun oordeel uitgesproken dat deze
kandidaten niet voor benoeming in aanmerking behoren te komen, terwijl de
als nummer 1 geplaatste kandidaat zelfs de tweede gespreksronde met de BAC
niet heeft gehaald.

10. In de benoemingsprocedure hebben B. en W. geen andere fouten gemaakt.
Eisers hebben hun standpunt dat aan de voordracht formele gebreken kleven
in zoverre gehandhaafd, dat volgens hen aan de MR alsnog advies over de
beide kandidaten zou moeten worden gevraagd. Dit standpunt vindt echter
geen steun in de wet of het reglement en het nogmaals horen van de MR is
ook zinloos, omdat de MR zich al over de kandidaten heeft uitgelaten en
zijn visie aan B. en W. bekend is.

11. De voordracht is dus in tweeerlei opzicht gebrekkig. Deze gebreken
zijn naar hun aard in beginsel te repareren. De voordracht is immers niet
voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Formele fouten, waardoor
aan de medezeggenschapsrechten van eisers te kort is gedaan, zijn niet
gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de gemeenteraad zal kunnen
beschikken over alle gegevens, vereist om rekening houdend met de bezwaren
van eisers tot een beslissing op de voordracht te komen.

12. Onder deze omstandigheden blijft het in de eerste plaats aan de
gemeenteraad voorbehouden om op de voordracht te beslissen. Het is immers
eveneens in de eerste plaats aan de gemeenteraad om te oordelen over de
daarbij gemaakte fouten. Over de vraag of tot een poging tot herstel
daarvan zal worden overgegaan, beslist alleen de gemeenteraad. Mocht de
raad de voordracht zonder meer overnemen, dan staat daartegen voor eisers
een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open. 13. Thans is
derhalve voor een ingrijpen Onzerzijds geen plaats. Eisers worden als de
in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

Beslissing: 1. Weigert de gevraagde voorziening ( …).

President Rechtbank (5-1-1989)

Verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 16 december 1988 hebben eisers gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met
dien verstande dat zij zonder bezwaar van gedaagde, de gemeente, aan het
onder I sub 2 van het petitium gevorderde hebben toegevoegd: “en de
gemeente te gebieden zodanige besluiten en zodanige handelingen, voor
zover reeds genomen of verricht, in te trekken en/of ongedaan te maken,
en/of: die besluiten en handelingen te schorsen en/of buiten effect te
stellen.” De gemeente heeft de aldus vermeerderde vordering bestreden. Als
informanten zijn gehoord J. Nabuurs, personeelsconulent verbonden aan de
Afdeling Onderwijs van de gemeente, en drs G.H.M. Kapteijns, conrector aan
het Barlaeusgymnasium. Daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt. Na verder
debat hebben partijen onder overlegging van stukken, waaronder weerszijden
pleitaantekeningen en produkties, vonnis gevraagd.

Gronden van de beslissing

1. Na Ons vonnis van 29 november 1988 (zie boven) hebben Burgemeesters en
Wethouders van Amsterdam hun voordracht aan de Gemeenteraad van Amsterdam
om mevrouw Drs L te benoemen tot rector van het Barlaeusgymnasium
gehandhaafd, zij het dat B&W daarbij een nadere notitie hebben gevoegd en
zij eiseres sub 1, verder de MR, op 30 november 1988 zowel mondeling als
schriftelijk een nadere uiteenzetting hebben gegeven om welke redenen zij
het advies van de MR niet hebben gevolgd. De gemeenteraad heeft vervolgens
op 30 november 1988 mevrouw L tot rector van de school benoemd, waarna B&W
hebben besloten dat de benoeming ingaat uiterlijk op 1 maart 1989. Het
vonnis van 29 november geldt als hier opgenomen; de notitie van B&W van
30 november en hun brief van die dag aan de MR zijn in fotokopie aan dit
vonnis gehecht.

2. Eisers achten de door B. en W. met de notitie en de brief ondernomen
poging de gebreken in de (totstandkoming van) de voordracht te herstellen
niet geslaagd. Zij menen bovendien dat de gebreken daarin nog steeds van
dien aard zijn dat de gemeenteraad de voordracht niet heeft mogen
overnemen. De benoeming achten zij daarom jegens hen onrechtmatig. Hun
vordering strekt ertoe dat de benoeming ongedaan wordt gemaakt, althans
dat daaraan geen uitvoering wordt gegeven. Zij vorderen daarnaast dat een
nieuwe sollicitatieronde in gang wordt gezet waaraan ook mannen zullen
kunnen deelnemen.

3. Uit de in de notitie opgenomen (en op zich door eisers niet betwiste)
cijfers blijkt dat landelijk gezien in het schooljaar 1986/1987 in het
algemeen voortgezet onderwijs (naast VWO ook HAVO en MAVO) meer dan 40 %
van de docenten een vrouw was; het percentage vrouwelijke directeuren van
die scholen bedroeg slechts 1,5. Geen van de rectores van de gymnasia was
een vrouw. Een uitsplitsing naar de landelijke verhoudingen op scholen
voor het VWO ontbreekt. De cijfers voor het VWO in Amsterdam zijn te
vinden in Ons vonnis van 29 november: 10 scholen met op 1 september 1987
7 mannelijke en 3 vrouwelijke directeuren, terwijl van de docenten
ongeveer de helft (naar uren 40 %) vrouw was.

4. De verhoudingen in Amsterdam zijn dus minder scheef dan in de rest van
het land. Daaraan valt echter niet een argument te ontlenen dat in
Amsterdam geen achterstand bestaat. Integendeel, het percentage vrouwen
dat als docent in het VWO in Amsterdam werkzaam is, overtreft naar alle
waarschijnlijkheid het landelijke percentage, terwijl in elk geval in
Amsterdam en waarschijnlijk ook landelijk gezien van een aan het
percentage vrouwelijke docenten op die scholen evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de directie daarvan geen sprake is.
Aangenomen kan daarom worden dat evenals in Amsterdam ook in de rest van
het land vrouwen tot op heden uit directiefuncties in het VWO worden
geweerd en dus in dat opzicht hun toegang tot de arbeidsmarkt wordt
belemmerd. De landelijke cijfers versterken dus het gemeentelijk standpunt
dat sprake is van een feitelijke ongelijkheid als bedoeld in de
uitzonderingsbepaling van de WGBO. De gemeente mag om die reden streven
naar een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding.
Zij mag daarbij ook de Amsterdamse openbare scholen die niet rechtstreeks
onder haar gezag vallen, meetellen, omdat zij grote invloed kan uitoefenen
op het benoemingsbeleid van de deelraden.

5. Met hun nadere notitie hebben B. en W. derhalve de selectie van louter
vrouwen voor de benoeming tot rector van het Barlaeusgymnasium alsnog van
een voldoende onderbouwing voorzien. De voordracht die daarop is gevolgd
kan thans wat dat betreft de toets der kritiek doorstaan, zodat het
raadsbesluit in zoverre eveneens zonder smet is.

6. B. en W. hebben – blijkens hun nadere uiteenzetting aan de MR van 30
november zoals ook te lezen valt in hun notitie aan de gemeenteraad – het
advies van de MR niet gevolgd, omdat naar hun inzicht de MR in zijn advies
niet heeft vastgehouden aan de voor de vervulling van de vacature
opgestelde en door de MR aanvaarde functie-eisen, maar zwaardere eisen
heeft gesteld. De school wenste namelijk volgens B. en W. – kort gezegd
– een kandidate die ‘een tien haalde’ en die bovendien kon bogen op
leidinggevende ervaring. Die eis was juist bij de vaststelling van de
functie-eisen vervangen door de eis dat de kandidaat in staat zou zijn
leiding te geven, omdat vrouwen als gevolg van hun achterstandspositie die
ervaring niet plegen te hebben.

7. De gemeente heeft de door een van haar waarnemers uitgeoefende kritiek
op het functioneren van de Benoemingsadviescommissie, welke kritiek
trouwens door eisers van de hand wordt gewezen, niet tot de hare willen
maken. Tot uitgangspunt dient dan ook dat de BAC zich op behoorlijke wijze
van haar taken heeft gekweten voor zover dit haar selectie van en haar
gesprekken met de kandidaten heeft betroffen. Resteert dus de vraag of uit
het advies van de MR moet worden afgeleid dat de MR of BAC zich bij hun
beoordeling van de kandidaten niet aan de functie-eisen hebben gehouden
danwel of B. en W. (en met B. en W. de gemeenteraad) dit in het advies van
de MR hebben kunnen lezen.

8. Het laatste onderdeel van die vraag moet bevestigend worden beantwoord.
Het bij het advies van de MR gevoegde verslag van de BAC wekt de sterke
indruk dat voor de BAC een belangrijk criterium bij de toetsing van de
kandidaten is geweest of de betrokkene leidinggevende ervaring had. Dit
criterium vindt men herhaaldelijk terug in de samenvattingen van haar
oordeel over de kandidaten met wie zij gesproken heeft. Illustratief is
dat, zoals in de aanhef van het verslag van de BAC staat, dit criterium
ook heeft gediend bij haar eerste selectie van de kandidaten. B. en W. en
de gemeenteraad hebben dan ook in het verslag van de BAC en dus in het
advies van de MR kunnen lezen dat een verkeerde maatstaf bij de toetsing
van de kandidaten door de daarvoor door de MR aangewezen commissie was
aangelegd.

9. De gemeente kan er zich derhalve op beroepen dat B. en W. en met hen
de gemeenteraad in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat sprake was van
een uitzonderlijke omstandigheid waarin B. en W. aanleiding hebben mogen
zien het advies van de MR niet te volgen. Ditzelfde geldt de adviezen van
de conrectoren en de rijksinspecteur die – onbestreden – veel gewicht
hebben toegekend aan het gebrek aan leidinggevende ervaring van mevrouw
D. Dit brengt mee dat B. en W. met hun nadere uiteenzetting aan de MR op
30 november ook het tweede gebrek in de voordracht hebben hersteld, zodat
ook in dat opzicht niet kan worden gezegd dat het raadsbesluit
onzorgvuldig tot stand is gekomen.

10. De slotsom moet zijn dat voor toewijzing van de gevraagde
voorzieningen geen grond bestaat. Eisers worden in de kosten verwezen.

Beslissing

1. Weigert de gevraagde voorziening. 2. Veroordeelt eisers in de kosten
van het geding, tot deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot
op ƒ 250,= aan vastrecht en op ƒ 1.800,= aan procureurssalaris.

Rechters

Mr. Asscher

Instantie: College van beroep studiefinanciering, 29 december 1988

Instantie

College van beroep studiefinanciering

Samenvatting


Klager, geboren 11 december 1969, heeft verzocht om een basisbeurs en
aanvullende financiering ten behoeve van zijn MTS-opleiding. Klagers moeder
heeft meegedeeld dat het adres van de natuurlijke vader hun onbekend is en dat
zij al gedurende 17 jaar geen contact met hem hebben gehad

Bij kennisgeving van de beslissing op klagers verzoek is namens
verweerder – wegens onvolledige gegevens van (een) der ouders – voor de
periode januari tot en met december 1988 slechts de basisbeurs toegekend

Op daartoe strekkende vragen van de voorzitter van het College heeft
klager meegedeeld dat zijn ouders in augustus 1971 zijn gescheiden en dat de
aan de vader opgelegde en door hem betaalde alimentatie ruim ƒ 62,– per
maand bedraagt. Namens verweerder is meegedeeld dat inmiddels via de
belastingdienst het inkomen van klagers vader is vastgesteld op ƒ 36.806,–
in 1986 en dat op grond van het feit dat de vader in 1986 was ingedeeld in
tariefgroep I een maandelijkse bijdrage is berekend van ƒ 609,48

In dit geding dient het College de vraag te beantwoorden of namens
verweerder bij de bestreden beslissing op goede gronden is geweigerd om met
toepassing van de hardheidsclausule aan klager aanvullende studiefinanciering,
onafhankelijk van het inkomen van zijn vader, toe te kennen

Aan het huidige beleid ligt naar het inzicht van het College ten
grondslag de opvatting van verweerder dat de aard van de relatie tussen een
studerende en zijn of haar ouders onder omstandigheden zodanig kan zijn, dat
het beginsel van de WSF – de hoogte van de aanspraak op studiefinanciering is
afhankelijk van de hoogte van het belastbare inkomen van de ouders, omdat de
ouders naar die maatstaf beoordeeld behoren bij te dragen in de kosten van de
studie van hun kinderen – te zeer in strijd komt met de maatschappelijke
werkelijkheid

Naar de opvatting van verweerder moet, voor de studerende van 21 jaar en
ouder, het in de WSF neergelegde beginsel van de ouderafhankelijkheid onder
omstandigheden wijken voor de maatschappelijke realiteit. Die
omstandigheden betreffen, aldus verweerder, die situaties waarin sprake is van
hetzij een ernstig, onverzoenlijk, niet op financiele motieven gestoeld
conflict waardoor de band tussen ouders en studerende is verbroken; hetzij het
ten gevolge van een echtscheiding ontbreken van een ouder-kind relatie tussen
de studerende en een gescheiden, niet verzorgende ouder

Voor wat betreft de studerende van 21 jaar of ouder geldt kennelijk als
vooronderstelling dat als die ouders slechts een deel van de ouderlijke
bijdrage betalen, de band tussen die ouders en de studerende niet geheel is
doorgesneden en dat dan in het algemeen niet tot ontkoppeling wordt
overgegaan, mede om oneigenlijk gebruik van de regeling tegen te gaan

Met betrekking tot ontkoppeling blijkt verweerder voor een beperkte
groep van studerenden van onder 21-jarigen als beslissend criterium te
hanteren – niet de aard van de relatie met de ouders en evenmin de hoogte van
een (ooit) door de civiele rechter vastgesteld bedrag aan alimentatie, maar
uitsluitend – de vraag of de alimentatie door de rechter op nihil is
vastgesteld. De civiele rechter stelt echter de aanspraak op alimentatie
vast aan de hand van normen waarbij wordt uitgegaan van het besteedbaar
inkomen van de ouder en van de behoeften van het kind en dus niet van het
belastbaar inkomen van de ouder

Het huidige beleid kan echter de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel
niet doorstaan

Dat betekent met name dat voor zover op grond van dat beleid de
vaststelling van studiefinanciering voor studerende jonger dan 21 jaar los van
het ouderlijk inkomen categorisch wordt geweigerd vanwege het bestaan van
enigerlei afgedwongen financiele bijdrage van de ouders, een zodanige
beslissing niet in stand kan blijven. In het onderhavige geval dient de
bestreden beslissing derhalve te worden vernietigd

Volledige tekst

Rechters

Mr. N.M. van Riessen-Traas als voorzitter alsmede mr. E.H. de Jong enmr. B.L.M. Timmermans-Koch als leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Albrondaals secretaris

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 23 december 1988

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Partijen zijn op 30 september 1955 gehuwd in algehele gemeenschap van
goederen. Met ingang van 1 oktober 1978 is de man ontslagen en kreeg hij
recht op een invaliditeitspensioen. Het huwelijk van partijen is op 12
februari 1981 ontbonden. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zowel het
invaliditeitspensioen, als het herberekende invaliditeitspensioen (dat tot
uitkering komt na het 65-ste jaar van de man) tot de huwelijksgemeenschap
behoort en dus voor verrekening in aanmerking zou komen. Zij claimt uit
dien hoofde de helft van het bruto-maandbedrag van deze uitkering. De man
betwist deze stellingen van de vrouw

De rechtbank oordeelde dat uit het arrest Boon/Van Loon moet worden
afgeleid dat het invaliditeitspensioen, inclusief aanvulling en vergoeding
weliswaar in de algehele gemeenschap valt maar niet voor verrekening in
aanmerking kan komen omdat het te zeer verknocht is met de persoon van de man
Voor zover hij na het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht krijgt op
een herberekend invaliditeitspensioen vervalt deze bijzondere verknochtheid en
is verrekening van waarde wel op haar plaats

Het hof komt in hoger beroep tot eenzelfde uitkomst maar op grond van
een andere redenering

A-G Hartkamp concludeert tot verwerping van het beroep

De Hoge Raad erkent dat er omstandigheden zijn die pleiten voor het
standpunt van de vrouw, zoals het feit dat de premies zijn voldaan uit gelden
van de gemeenschap en het feit dat een invaliditeitspensioen gedurende het
huwelijk voorziet in de behoeften van beiden echtgenoten. Deze
omstandigheden wegen echter in de ogen van de Raad niet op tegen het feit dat
een invaliditeitspensioen naar zijn aard moet worden beschouwd als een strikt
persoonlijk recht van degene die door invaliditeit wordt getroffen

Conclusie A-G Hartkamp en noot van Wendelien Elzinga aanwezig

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Snijders, De Groot, Bloembergen, Verburgh, Roelvink; A-G Hartkamp

Instantie: President Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 23 december 1988

Instantie

President Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Het toedienen van dwangmedicatie is alleen dan geoorloofd wanneer een
noodtoestand tengevolge van de geestvermogens van de patient dit vereist.
In casu was het geoorloofd onder dwang de prikpil toe te dienen.

Volledige tekst

De procedure

1.1 Eiseres heeft bij exploit van dagvaarding in kort geding gesteld en
gevorderd zoals verderop in dit vonnis is weergegeven.

1.2 De procureur van eiseres heeft de vordering ter terechtzitting
mondeling toegelicht aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota met
produkties.

1.3 De procureur van gedaagde heeft mondeling verweer gevoerd tegen de
vordering aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota met
produkties.

1.4 Partijen hebben over en weer hun standpunt nog nader toegelicht en/of
doen toelichten, waarna zij de processtukken hebben overgelegd voor
vonnis.

De feiten

2. Eiseres is krachtens een rechterlijke machtiging opgenomen in het
psychiatrische ziekenhuis van gedaagde, waar zij op of omstreeks 12
november 1988 in een separeercel werd geplaatst. Tevens werden eiseres een
aantal beperkingen opgelegd. Eiseres heeft via haar
patientenvertrouwenspersoon op 19 oktober 1988 te kennen gegeven dat zij
de prikpil, die gedaagde haar wenst toe te dienen, zal weigeren. Voorts
heeft zij gedaagde bij schrijven van 14 november 1988 verzocht haar
afzondering in de separeercel zo spoedig mogelijk te beeindigen en de haar
opgelegde beperkingen op te heffen. Gedaagde heeft evenwel niet gereageerd
op eiseresses verzoeken en sommaties.

De vordering

3. Eiseres vordert -kort gezegd- dat gedaagde na betekening van dit vonnis
wordt verboden om op eiseres dwangmedicatie toe te passen anders dan in
een acute noodsituatie en dan uitsluitend met een kort werkend medicijn,
juist voldoende om die noodsituatie op te heffen, alsmede dat gedaagde
wordt gelast met onmiddellijke ingang eiseres uit de isolatie te ontslaan
en nimmer meer isolatie toe te passen anders dan in door gedaagde aan te
tonen noodsituaties en de haar opgelegde beperkingen op te heffen en deze
nimmer meer toe te passen, een en ander op straffe van verbeurte van een
dwangsom.

Het geschil

4.1 Eiseres heeft een aantal grieven tegen gedaagde die zich als volgt
laten samenvatten: 1. Gedaagde heeft een ten aanzien van haar, eiseres,
geldende behandelplan opgesteld zonder haar enige inspraak te gunnen en
zonder met haar te overleggen, terwijl zij goed in staat is haar wil te
bepalen; 2. Gedaagde heeft haar in een separeercel geplaatst en de
isolatie ook toen er al lang geen sprake meer was van een acute
noodsituatie gecontinueerd; 3. Gedaagde heeft haar zonder goede redenen
een aantal zeer ingrijpende beperkingen opgelegd; 4. Gedaagde is
voornemens haar tegen haar wil de prikpil toe te dienen.

Ten aanzien van de haar opgelegde beperkingen, te weten de afwezigheid van
meubilair in de isolatiekamer anders dan een bed en een po-emmer, het
slechts in nachtgoed gekleed mogen zijn, het niet in eigen beheer mogen
bewaren van haar post, het niet mogen schrijven van brieven en het niet
in afzondering kunnen telefoneren met haar raadsman, het slechts tweemaal
per week mogen bellen gedurende 5 minuten, het niet zelf kunnen ontvangen
van telefoongesprekken en de afwezigheid van lectuur in de isolatiekamer,
merkt eiseres op dat deze beperkingen lijnrecht in strijd zijn met de
bescherming van de privacy zoals neergelegd in artikel 10 van de
Grondwet. Zij stelt dat, nu zij haar post niet in eigen beheer mag houden,
schending van het briefgeheim zoals beschermd in artikel 13 van de
Grondwet is te vrezen.

Voorts is zij van oordeel dat de prikpil als dwangmedicatie geldt en dat
het zonder haar instemming toedienen daarvan in strijd moet worden geacht
met artikel 11 van de Grondwet zolang de huidige Krankzinnigenwet geen
voorziening ten aanzien van dwangmedicatie biedt, terwijl het wetsvoorstel
BOPZ dat daaromtrent wel een regeling geeft nog niet in werking is
getreden. Eiseres stelt zich op het standpunt dat, nu er geen sprake is
van een acute noodsituatie – van de aanwezigheid van onaanvaardbare
risico’s voor de lichamelijk integriteit van haar of van anderen is immers
geen sprake – het onder dwang toedienen van een langdurig werkend medicijn
als de prikpil tevens als een dwangbehandeling dient te worden aangemerkt.
Als redenen die haar hebben doen besluiten de prikpil te weigeren, noemt
eiseres het feit dat dit anti- conceptiemiddel het bioritme aangaande de
menstruatie verstoort, zodat haar als gevolg van het toedienen daarvan een
essentieel deel van haar vrouw-zijn zal worden ontnomen, het feit dat zij
niet van zins is met wie dan ook seksueel contact te hebben en het feit dat
de prikpil als bijwerking gewichtstoename veroorzaakt. Eiseres acht de
gehele gang van zaken in strijd met de rechtspositie in psychiatrische
ziekenhuizen, zoals verwoordt in de nota van de Geneeskundige
Hoofdinspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid, augustus 1988.

4.2 Gedaagde acht eiseres niet ontvankelijk in haar vordering nu zij
krachtens een rechterlijke machtiging in een ziekenhuis is opgenomen en
mitsdien ingevolge artikel 32 van de Krankzinnigenwet handelingsonbekwaam
is. Ten aanzien van de door eiseres geuite grieven merkt gedaagde het
navolgende op: Er is vooroverleg geweest met eiseres over het behandelplan
en de uitslag is met eiseres doorgesproken. Het behandelplan wordt zo
mogelijk in overleg met de patient opgesteld, doch het komt voor dat de
patient door de aard van zijn of haar aandoening geen adequate
gesprekspartner is. Ingevolge artikel 4, laatste alinea van de
Krankzinnigenwet is het toepassen van dwangmiddelen op een verpleegde
mogelijk; ook dwangmedicatie is een geoorloofd dwangmiddel in de zin van
de Krankzinnigenwet. Algemeen beleid van X – en van alle andere zogenaamde
s.g.a.-klinieken – is, dat zwangerschappen bij de patienten dienen te
worden voorkomen omdat de kliniek, noch het behandelteam is ingesteld op
de begeleiding van zwangerschap en bevalling en omdat de geboorte van
baby’s uit behandeloogpunt uitermate nadelig is. Een en ander brengt met
zich dat vrouwelijke patienten anti-conceptiva dienen te gebruiken, veelal
de pil, doch indien de patiente niet met orale anti-conceptie overweg kan,
of terzake niet is te vertrouwen, wordt de prikpil toegediend.

Eiseres, die weinig ‘medicijntrouw’ vertoond, is absoluut niet in staat
zelf de verantwoordelijkheid te dragen voor het dagelijks gebruik van
orale anti-conceptiva; mede gelet op eiseresses promiscue habitus heeft
X mitsdien geen andere keuze dan haar, zo nodig onder dwang, de prikpil
toe te dienen, hetgeen alleen onrechtmatig zou zijn indien niet bij
voorbaat zou zijn uitgesloten dat eiseres bereid en in staat is zelf orale
anti- conceptiva te gebruiken, quod non. Ten aanzien van de aan eiseres
opgelegde beperkingen merkt gedaagde op dat eiseres in het verleden
herhaaldelijk gedrag heeft vertoond dat gevaarlijk is voor haarzelf en
voor haar medeverpleegden; het is ondermeer gebleken dat eiseres lucifers
of een aansteker tracht mee te smokkelen tussen post en/of paperassen om
vervolgens brand te stichten. Om voormelde reden mag eiseres haar post
niet in eigen beheer houden of brieven schrijven. Uit
veiligheidsoverwegingen (suicidemogelijkheden) mag eiseres tijdens de
separatie – die overigens een onderdeel is van haar behandelplan – vaak
slechts nachtgoed dragen. De po-emmer is slechts aanwezig voor
‘noodgevallen’; er is niet voortdurend personeel bereikbaar om begeleid
naar het toilet te gaan. De sanitaire unit, die bereikbaar is vanuit de
isoleerkamer, moet dikwijls – eveneens uit veiligheidsoverwegingen –
worden afgesloten omdat in die unit ondermeer een normale glazen spiegel
is aangebracht waarmee de patient zich kan verwonden. De telefoon op de
afdeling is primair bedoeld voor de bereikbaarheid van het dienstdoende
personeel.

Niet alleen eiseres, doch ook de andere patienten mogen van die telefoon
slechts twee maal per week gebruik maken. Op het terrein bevindt zich
weliswaar een telefooncel, doch voor het gebruik daarvan is een begeleider
nodig. Inkomende telefoongesprekken worden normaliter afgehandeld door de
boodschap aan de betrokken patient door te geven of door een afspraak te
maken over terugbellen. Het niet verstrekken van lectuur aan eiseres heeft
als doel de ruimte waarin eisers zich tijdens isolatie bevindt
overzichtelijk te houden. Gedaagde concludeert dat eiseresses vordering
ongegrond is.

De beoordeling van de vordering

5.1 Een ieder die krachtens een rechterlijke machtiging is opgenomen in
een psychiatrisch ziekenhuis kan overeenkomstig artikel 29 van de
Krankzinnigenwet zelfstandig een verzoek tot ontslag uit de inrichting
indienen. Niet in te zien valt dan ook waarom de op grond van een
rechterlijke machtiging in een psychiatrische kliniek verpleegde patient
de mogelijkheid dient te worden onthouden om in kort geding zelfstandig
een minder verstrekkende vordering met betrekking tot de opname en de
behandeling in de kliniek aanhangig te maken. De president acht eiseres
dan ook ontvankelijk in haar vordering.

5.2 Centraal in dit kort geding staat de vraag of gedaagde onder de
vigerende omstandigheden gerechtigd is op eiseres dwangmedicatie in de
vorm van de prikpil toe te passen en aan eiseres beperkingen die haar
persoonlijke vrijheid ingrijpend beknotten, op te leggen. De rechten en
plichten van een met een rechterlijke machtiging opgenomen patient zoals
eiseres worden niet ontleend aan een behandelingsovereenkomst, doch rusten
op de bij of krachtens de wet geldende bepalingen, zoals met name de
Krankzinnigenwet en de nota rechtspositie patienten in psychiatrische
ziekenhuizen van de Geneeskundige Hoofdinspectie voor de Geestelijke
Volksgezondheid van augustus 1988.

5.3 Separatie, het toedienen van medicatie onder dwang of het opleggen van
beperkingen – anders dan die welke een gevolg zijn van de naleving van de
voor alle patienten zonder aanzien des persoons geldende huisregels – is
slechts geoorloofd wanneer een noodtoestand tengevolge van de
geestvermogens van de patient dit vereist en geen mogelijkheid bestaat de
noodtoestand zonder toepassing van dergelijke middelen en/of maatregelen
op te heffen. Onder het begrip ‘noodtoestand’ dient te worden verstaan een
situatie waarin het gedrag van de patient onaanvaardbare risico’s voor de
lichamelijke integriteit van de patient of van anderen met zich meebrengt.

5.4 In casu is voldoende aannemelijk geworden dat eiseres als gevolg van
haar psychische toestand niet in staat is zelf de verantwoording te dragen
voor het dagelijks toepassen van orale anti-conceptiva, terwijl – gelet
op de sterke promiscuiteit van eiseres die een gevolg is van haar
psychische problemen – gegronde vrees bestaat dat, indien haar geen
anti-conceptiva worden toegediend, een zwangerschap niet kan worden
vermeden. De president is dan ook van oordeel dat, ter opheffing van
onaanvaardbaar risico voor haar lichamelijke integriteit, het zo nodig
onder dwang toedienen van de prikpil aan eiseres in casu gerechtvaardigd
is. Voorts is voldoende gebleken dat een aantal van de aan eiseres
opgelegde beperkingen, te weten het slechts in nachtgoed gekleed mogen
zijn, het niet in eigen beheer mogen bewaren van post, het niet mogen
schrijven van brieven en de afwezigheid van lectuur in de isolatiekamer
werden gerechtvaardigd door een noodtoestand, namelijk suicidegevaar en
het gevaar van brandstichting door eiseres; als onweersproken staat immers
vast dat eiseres in het verleden lucifers en/of een aansteker in post of
paperassen heeft meegesmokkeld teneinde brand te veroorzaken, hetgeen
gevaar opleverde zowel voor haar zelf als voor medepatienten en
dienstdoend personeel. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat aan
eiseres ten aanzien van het actief en passief telefoongebruik geen
strengere beperkingen zijn opgelegd dan de beperkingen die overeenkomstig
de huisregels ook gelden voor andere patienten. Ten aanzien van de
langdurige separatie van eiseres dient het navolgende te worden opgemerkt:

Als niet, althans onvoldoende weersproken staat ten processe vast dat
eiseresses separatie enige tijd heeft voortgeduurd ook toen er geen sprake
meer was van een acute noodtoestand in verband met suicidegevaar, gevaar
voor zelfverwonding of verwonding van derden. Inmiddels vindt separatie,
die nodig is mede omdat de prikpil niet is toegediend, slechts gedurende
bepaalde gedeelten van de dag plaats en neemt eiseres gedurende de overige
tijd aan bepaalde programma’s deel. Naar het oordeel van de president is
thans dan ook een zodanige situatie aanwezig dat geen aanleiding bestaat
voor enige voorziening als door eiseres gevorderd. Wat de toekomst betreft
gaat de president er wel van uit dat gedaagde zich ten aanzien van iedere
aan eiseres op te leggen maatregel blijft afvragen of deze geindiceerd is
uit therapeutisch oogpunt, dan wel onvermijdelijk is. Zo zal het onthouden
van de mogelijkheid een sigaret te roken nimmer louter als strafmaatregel
mogen worden gebezigd.

5.5 Eiseresses vorderingen zullen worden afgewezen. Nu ook gedaagde enig
verwijt treft, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd
als na te melden.

De beslissing

De president: wijst de vorderingen af; compenseert de proceskosten tussen
partijen aldus, dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Rechters

Mr Van Delden

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 22 december 1988

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het staat vast dat R. op 3 mei 1985 de woning van B. is binnengedrongen,
haar met een (alarm)pistool heeft bedreigd, haar heeft verkracht en heeft
gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen. R. is ter zake in
november 1985 strafrechtelijke veroordeeld. Na 3 mei 1985 hebben zich bij
B. verschillende psychische klachten geopenbaard, waarvoor zij geruime tijd in
therapie is. Voorts staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel
niet voldoende gemotiveerd weersproken vast dat B. ten gevolge van het door R.
gepleegde misdrijf onder andere niet meer alleen durft te wonen, zich onveilig
voelt, niet meer durft te gaan slapen en dat sprake is van ernstige psychische
schade, aangezien zij zich doordat het misdrijf is gepleegd lichamelijk en
geestelijk vernederd voelt. De psychische klachten die zich bij haar hebben
geopenbaard zijn niet van voorbijgaande aard

De stelling van R. dat hij ter zake van het misdrijf is veroordeeld tot
een gevangenisstraf van twee jaren en ter beschikking van de regering is
gesteld, een groot deel van zijn vrienden, zijn werk en zijn gezin heeft
verloren en dat B. aldus genoegdoening heeft gekregen voor hetgeen hij haar
heeft aangedaan, moet worden verworpen. In verband met de aantasting van de
lichamelijke en geestelijke integriteit en de als gevolg daarvan opgetreden
psychische klachten bij B., kan zij recht doen gelden op vergoeding van
immateriele schade, hetgeen niet kan worden verhinderd door de door R.
genoemde door hem ondervonden gevolgen van het plegen van het misdrijf. Op
deze wijze heeft de vergoeding van immateriele schade in elk geval mede de
functie, niet op geld waardeerbare schade te compenseren

Het feit dat R. verminderd toerekeningsvatbaar is verklaard wil niet
zeggen dat hij de immateriele schade niet hoeft te vergoeden

R. valt de hoogte van de toegewezen immateriele schade aan (fl.
10.000,– tienduizend gulden), echter zonder succes

Het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd en R. moet aan B. ƒ
10.000,– (tienduizend gulden) immateriele schade vergoeden en tevens wordt
hij veroordeeld in de kosten van het appel

Volledige tekst

1. De procedure in hoger beroep

Bij dagvaarding van 14 september 1987 is appellant, R. in hoger beroep
gekomen van een op 18 juni 1987 uitgesproken vonnis van de Rechtbank te
Alkmaar, gewezen in de zaak met het rolnummer 1639/1986 tussen R. als
gedaagde en geintimeerde, L., als eiseres. R. kondigde aan te zullen vorderen
dat het vonnis zal worden vernietigd en dat bij arrest, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, B. alsnog niet ontvankelijk zal worden verklaard in
haar vorderingen, althans dat deze aan haar geheel of ten dele zullen worden
ontzegd, met veroordeling van B. in de kosten van het geding in beide
instanties

Bij memorie heeft R. vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en
geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en voorts – bij arrest, voor
zover mogelijk verklaring van B. in haar vordering, dan wel tot ontzegging
daarvan, althans tot toewijzing van die vordering voor niet meer dan ƒ
1.500,– en tot veroordeling van B., in de kosten van het geding in beide
instanties dan wel tot bepaling dat ieder van partijen de eigen kosten in
beide instanties draagt

Bij memorie van antwoord heeft B. het appel bestreden en geconcludeerd
tot bekrachtiging van het vonnis, verwerping van de grieven en veroordeling
van R. in de kosten van het geding

2. De grieven

De grieven houden het volgende in

Grief 1

Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen dat ten gevolge van de
psychische klachten die naar voren zijn gebracht door B., er bij B. sprake is
van een niet onaanzienlijk psychisch lijden dat voor vergoeding ingevolge
artikel 1407 lid 3 BW in aanmerking komt;

Grief 2

Ten onrechte overweegt de Rechtbank dat vergoeding van immateriele
schade de functie heeft niet op geld waardeerbare schade te compenseren;

Grief 3

Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen dat door de psychiater in de
strafzaak geconstateerde geringe psychische toerekenbaarheid van R. niet van
belang is bij de mate waarin R. verantwoordelijk kan worden gesteld voor de
schade van B.;

Grief 4

Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen dat gelet op de psychische
gevolgen van het gebeurde voor B. en de weinig riante financiele
omstandigheden en vooruitzichten van R. een immateriele schadevergoeding van
ƒ 10.000,– redelijk en billijk is en ten onrechte heeft de Rechtbank R.
daartoe veroordeeld

3. Vaststaande feiten

De grieven zijn niet gericht tegen de vaststelling van de feiten die is
vermeld op de tweede bladzijde van het vonnis, zodat ook het Hof van die
vaststelling zal uitgaan. De aldaar vermelde psychische klachten komen
hierna aan de orde

4. Bespreking van de grieven

4.1 Blijkens de toelichting voert R. door middel van de eerste grief aan
dat zonder psychiatrische rapportage met betrekking tot de door B. gestelde
psychische klachten geen oordeel kan worden gegeven omtrent de aard en ernst
van die klachten en omtrent de hoogte van de schadevergoeding en voorts dat
slechts tot vergoeding van schade van B. behoort te worden overgegaan indien
bij haar sprake is van een erkend ziektebeeld

4.2 Deze grief faalt. Het staat vast dat R. op 3 mei 1985 de woning van
B. is binnengedrongen, haar met een (alarm)pistool heeft bedreigd, haar heeft
verkracht en heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen. R.
is ter zake in november 1985 strafrechtelijk veroordeeld. Na 3 mei 1985
hebben zich bij B. verschillende psychische klachten geopenbaard, waarvoor zij
geruime tijd in therapie is

4.3 Voorts staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel niet
voldoende gemotiveerd weersproken vast dat B. ten gevolge van het door R.
gepleegde midrijf onder andere niet meer alleen durft te wonen, zich onveilig
voelt, niet meer durft te gaan slapen en dat sprake is van psychische schade,
aangezien zij zich doordat het misdrijf is gepleegd lichamelijk en geestelijk
vernederd voelt. De psychische klachten die zich bij haar hebben geopenbaard
zijn niet van voorbijgaande aard

4.4 R. heeft onvoldoende gesteld waaruit zou kunnen volgen dat hetgeen
in de voorgaande rechtsoverwegingen is vermeld niet juist zou zijn, dan wel
dat de door B. genoemde aard en omvang van haar klachten minder ernstig
zouden zijn. Het had op de weg van R. gelegen de inhoud van hetgeen hij door
middel van de grief aan de orde wil stellen nader te motiveren, aangezien de
ernst van het door hem gepleegde misdrijf meebrengt dat daarvan de door B.
genoemde klachten het gevolg zullen zijn in de omstandigheden van dit geval.
De stelling van R. – die niet door voldoende argumenten wordt ondersteund en
in strijd is met het voorgaande – dat psychiatrische rapportage nodig is met
betrekking tot de door B. ondervonden psychische klachten, is derhalve
onjuist. Evenmin is juist zijn opmerking dat een “erkend ziektebeeld”
aanwezig moet zijn. Indien immers deze door R. gebezigde term al enige
betekenis zou hebben in het onderhavige geval, moet op grond van het
voorgaande en in verband met het ontbreken van voldoende concrete gegevens in
het betoog van R., worden aangenomen dat op grond van de vaststaande
omstandigheden het door B. ondervonden psychische leed toewijzing van de
vordering zoals hierna zal worden vermeld, rechtvaardigt

4.5 De tweede en de derde grief lenen zich voor een gezamenlijke
behandeling. De stelling van R. dat hij ter zake van het misdrijf is
veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en ter beschikking van de
regering is gesteld, een groot deel van zijn vrienden, zijn werk en zijn heeft
gezin verloren en dat B. aldus genoegdoening heeft gekregen voor hetgeen hij
haar heeft aangedaan, moet worden verworpen. In verband met de aantasting
van de lichamelijke en geestelijke integriteit en de als gevolg daarvan
opgetreden psychische klachten bij B., kan zij recht doen gelden op vergoeding
van immateriele schade, hetgeen niet worden verhinderd door de door R.
genoemde door hem ondervonden gevolgen van het plegen van het misdrijf. Op
deze wijze heeft de vergoeding van immateriele schade in elk geval mede de
functie, niet op geld waardeerbare schade te compenseren

4.6 Voorts kan niet worden aanvaard – anders dan R. betoogt – dat de
omstandigheid dat R. in verband met de genoemde strafzaak psychiatrisch is
onderzocht en dat daarbij is gebleken dat R. weliswaar de ongeoorloofdheid
van zijn daad heeft kunnen inzien, maar in mindere mate dan de gemiddelde
normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid te bepalen, meebrengt
dat hij in de onderhavige civiele procedure niet de immateriele schade die
door B. is ondervonden, zou behoeven te vergoeden. R. stelt dienaangaande
dat, nu het niet mogelijk is op het ter zake in het NBW bepaalde te
anticiperen en de schadevergoeding te matigen, de door hem genoemde
verminderde toerekeningsvatbaarheid moet leiden tot verminderde
aansprakelijkheid. Wat er van dit betoog overigens zij, de verminderde
toerekeningsvatbaarheid van R. – waaromtrent in het onderhavige geding
onvoldoende is komen vast te staan en waaromtrent niet concreet te bewijzen
is aangeboden welke aard en omvang deze had – heeft in deze niet tot gevolg
dat de door R. te betalen ideele schadevergoeding op een lager bedrag behoort
te worden vastgesteld dan hierna wordt aangegeven. De tweede en de derde
grief falen derhalve

4.7 Door middel van de vierde grief voert R. aan dat niet een bedrag aan
immateriele schadevergoeding van ƒ 10.000,– had moeten worden toegewezen –
zoals in het vonnis is geschied – maar ten hoogste een bedrag van ƒ 1.500,–

Dit standpunt van R. moet worden verworpen. Met name in verband met de
ernst van de gevolgen voor B. van het door R. tegenover haar gepleegde
misdrijf – onder andere de hierboven onder 4.2 en 4.3 genoemde gevolgen, die
niet van voorbijgaande aard zijn en die grote geestelijke schade inhouden –
en voorts in verband met de betrekkelijke geringe financiele draagkracht van
B., welke omstandigheden krachtens artikel 1407 BW in deze van belang zijn,
behoort een bedrag van ƒ 10.000,– aan immateriele schadevergoeding door R.
aan B. te worden voldaan. Ook de vierde grief wordt derhalve ten onrechte
voorgedragen

4.8 Aan het door R. gedane algemene bewijsaanbod moet worden
voorbijgegaan, aangezien dit te vaag is

4.9 Nu de grieven falen moet het vonnis worden bekrachtigd

R. wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten
van het appel

5 Beslissing

Het Hof bekrachtigd het bestreden vonnis;

veroordeelt appellant, R, in de kosten van het hoger beroep, tot op
heden aan de zijde van de wederpartij begroot op ƒ 1.300,– aan salaris en
verschotten

Rechters

Mrs. Veger, Aaftink, en Verspijck Mijnsen