Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 21 december 1988

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Cliente en vader/niet erkenner werden door de Kantonrechter in Haarlem
op beider verzoek bekleed met de ouderlijke macht (19 mei 1988).
Niet-erkenning door de vader stond hieraan niet in de weg; de britse
nationaliteit van vader vormde het beletsel om te erkennen

De ouders hebben sinds augustus 1989 een gelijk aandeel in de feitelijke
verzorging en opvoeding van het kind. De goede verstandhouding is echter al
snel ver te zoeken; aangezien moeder niet meer met vader wenst te overleggen
over zaken als schoolkeuze etc. is een verzoekschrift ingediend tot intrekking
van de eerder genoemde beschikking. In zijn verweerschrift vraagt vader op
zijn beurt de voogdij (op grond van 288 boek I BW)

Het juridisch verweer van de zijde van de moeder hiertegen was, dat
vader niet in familierechtelijke betrekking staat tot zijn dochter, zodat hij
niet op grond van art. 288 boek I BW met de voogdij kan worden belast

De kantonrechter overweegt dat het bepaalde in art. 288 boek I BW aan
een voogdijopdracht aan verweerder in de weg staat daar ingevolge dit artikel
slechts aan de vader die tot het kind in familierechtelijke betrekking staat,
desverzocht de voogdij kan worden opgedragen. Ook al was dit anders, dan
ligt een voogdijopdracht aan verweerder niet voor de hand. Immers
verzoekster heeft vanaf het tijdstip waarop zij meerderjarig is geworden
totdat partijen met de ouderlijke macht werden bekleed de voogdij uitgeoefend
over het kind en verweerder met ingang van zijn benoeming op 2 december 1982
de toeziende voogdij. Toewijzing van de voogdij aan verweerder zou in feite
een voogdijwijziging betekenen, in die zin dat verzoekster daaruit zou worden
ontslagen en verweerder daarmee zou worden bekleed

Gezien het bovenoverwogene is de kantonrechter van oordeel dat bij
inwilliging van het verzoek van verzoekster het belang van het kind het meest
wordt gediend, daarom wordt haar verzoek toegewezen

Volledige tekst

Rechters

Mr. J. Gerritsen, kantonrechter

Instantie: Nationale ombudsman, 21 december 1988

Instantie

Nationale ombudsman

Samenvatting


Verzoekster klaagt erover dat de gemeente-politie te Vlaardingen geen
middelen ter beschikking stelt om tijdens haar verblijf op het politiebureau
in april 1988 in het kader van voorlopige hechtenis, moedermelk af te kolven
waarmee zij haar kind voedt en om zich in verband daarmee behoorlijk te wassen
en te verschonen

Verzoekster is bezocht door een arts; zij is naar het ziekenhuis
gebracht waar zij is afgekolfd. Zij is steeds in de gelegenheid geweest
zich te verzorgen, ze heeft er niet iedere keer gebruik van gemaakt

De door de burgemeester gegeven lezing van de feiten komt het meest
aannemelijk voor. De gedraging van de gemeente-politie Vlaardingen is
behoorlijk geweest

Volledige tekst

KLACHT

Op 22 april 1988 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van
mevrouw R. te Spijkenisse, ingediend door Mr. B. te Wijk bij Duurstede, met
een klacht over een gedraging van de gemeentepolitie te Vlaardingen

Gelet op het verzoek is naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als
een gedraging van de burgemeester van Vlaardingen, een onderzoek ingesteld

Op grond van de verstrekte gegevens is de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoekster klaagt erover dat de gemeentepolitie te Vlaardingen geen
middelen ter beschikking stelt om, tijdens haar verblijf op het politiebureau
in april 1988 in het kader van voorlopige hechtenis, moedermelk af te kolven
waarmee zij haar kind voedt en om zich in verband daarmee behoorlijk te
wassen en te verschonen

ONDERZOEK

In het kader van het onderzoek werd de burgemeester van Vlaardingen
verzocht te laten weten wat zijn standpunt over de klacht is. Tevens werd
gevraagd afschriften toe te zenden van de stukken die op de klacht betrekking
hebben. Vervolgens werd betrokkene in de gelegenheid gesteld op de
verstrekte inlichtingen te reageren

Het resultaat van het onderzoek is als verslag van bevindingen gestuurd
aan betrokkenen

Noch de burgemeester, noch verzoekster gaf binnen de gestelde termijn
een reactie

BEVINDINGEN

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

1. Verzoekster is op 15 april 1988 aangehouden en ingesloten in het
bureau van de gemeentepolitie te Vlaardingen en dezelfde dag in verzekering
gesteld. Op 19 april 1988 is zij voorgeleid voor de rechter-commissaris, die
haar bewaring gelastte. Daarna werd zij wederom ingesloten in het
politiebureau te Vlaardingen

2. Door verzoekster werd het volgende gesteld

Op 21 april 1988 is zij bezocht door haar raadsman. Tegenover hem
beklaagde zij zich over pijn in haar borsten tengevolge van stuwing. Zij was
gewoon haar eenjarig kind borstvoeding te geven, maar had dat al zes dagen
niet kunnen doen in verband met haar insluiting. Zij kolfde op het toilet de
melk af met haar hand

Zij droeg doeken in haar BH en haar blouse was nat. Verzoekster zei
zich niet behoorlijk te kunnen wassen en verschonen. Zij was van mening dat
de politie haar probleem onmiddellijk had moeten onderkennen vanwege de natte
plekken in haar blouse. Zij merkte nog op dat zij tijdens de bewaring in een
Huis van Bewaring had behoren te verblijven, waar de omstandigheden
aanzienlijk beter zouden zijn geweest

3. De burgemeester antwoordde in reactie op de klacht dat verzoekster
desgevraagd op 16 april 1988 door een arts van de GGD is bezocht. De arts
had niets bijzonders kunnen ontdekken. Ook op 21 april 1988 is op verzoek
van betrokkene een arts aan het bureau ontboden naar aanleiding van haar
klachten over onder andere pijn in de borst en buik. De arts had haar
onderzocht en medicijnen voorgeschreven, die door personeel van het korps bij
de apotheek zijn afgehaald

De volgende dag klaagde verzoekster weer over pijn in de borst. Zij
deelde toen mee dat zij een kind voedde, waarna zij – na inschakeling van de
GGD en rechtbank – overgebracht is naar het ziekenhuis. Daar is zij onder
medische begeleiding afgekolfd

Door de arts aldaar werd meegedeeld dat de hoeveelheid melk minimaal was
en dat zij zich in het vervolg zo nodig zelf diende af te kolven. Hiervoor
werd middels een apotheek een afkolfset beschikbaar gesteld, die op 23 april
1988 op betrokkenes verzoek werd afgehaald

Noch de arts in het ziekenhuis, noch de arts van de GGD hebben aan de
politie kenbaar gemaakt dat er medische redenen aanwezig waren op grond
waarvan verzoekster niet in een politiecel kon verblijven

De burgemeester legde de betreffende mutaties uit het dagrapport over.
De inhoud stemde overeen met hetgeen hiervoor is weergegeven

Ten aanzien van de klachten over de persoonlijke verzorging merkte de
burgemeester op dat arrestanten, die ingesloten zijn in het bureau van
gemeentepolitie te Vlaardingen, conform de geldende dienstvoorschriften
dagelijks in de gelegenheid worden gesteld zich lichamelijk te verzorgen,
wassen enz. Desgewenst is er gelegenheid tot douchen. Met betrekking tot
vrouwelijke arrestanten wordt, voor zover de personele bezetting dat toelaat,
getracht dit onder toezicht van een vrouwelijke politie-ambtenaar te laten
plaatsvinden. Indien deze niet aanwezig is, wordt de arrestante de
gelegenheid geboden zich buiten aanwezigheid van een mannelijke
politie-ambtenaar te verfrissen en eventueel te douchen. Binnen het korps is
24 uur per dag een politie-ambtenaar belast met de verzorging van ingesloten
arrestanten

In casu is volgens de burgemeester op de bovenomschreven manier
gehandeld. Verzoekster heeft, daarnaar gevraagd, enkele malen te kennen
gegeven geen prijs te stellen op gelegenheid tot douchen of uitgebreide
persoonlijke verzorging

De burgemeester heeft de ter zake geldende dienstvoorschriften
overgelegd

De burgemeester concludeerde dat in het onderhavige geval gehandeld is
conform de voor het korps Vlaardingen geldende dienstvoorschriften en de
mogelijkheden die er zijn binnen een bureau van politie met betrekking tot
langdurig verblijf van arrestanten

Dit liet volgens hem onverlet dat de faciliteiten binnen een
politiebureau over het algemeen slecht te vergelijken zijn met die van een
Huis van Bewaring

4. Verzoekster liet via haar raadsman in reactie op het antwoord van de
burgemeester weten dat het haar onbegrijpelijk voorkwam dat een arts heeft
vastgesteld – gezien de doeken in haar kleding – en de natte plekken – dat er
niets bijzonders aan de hand was

Op 21 april 1988 leek in ieder geval duidelijk dat zij een kind voedde.
Zij stelde niet te begrijpen waarom pas op 23 april 1988 daaraan iets gedaan
werd

OVERWEGINGEN

1. Vaststaat, dat verzoekster op 16 april 1988 (kort na haar insluiting)
en op 21 april 1988 op haar verzoek door een arts in het politiebureau te
Vlaardingen is bezocht en onderzocht. Ook staat vast, dat verzoekster op 22
april 1988 na klachten over pijn in de borst is overgebracht naar het
ziekenhuis, waar zij onder medische begeleiding is afgekolfd

2. Hieruit blijkt, dat de politie de klachten van verzoekster serieus
heeft genomen en in overeenstemming met de “Richtlijnen met betrekking tot de
behandeling van zich onder de zorg van de politie bevindende personen”,
Dir.pol. 500/587 21 oktober 1987, heeft gehandeld door er voor te zorgen, dat
aan verzoekster medische bijstand van een arts werd verleend

3. Er mag van worden uitgegaan, dat verzoekster haar klachten van
medische aard met de betrokken artsen heeft besproken. De politie heeft
vervolgens correct gehandeld door af te gaan op het oordeel van en zich te
houden aan de voorschriften van de artsen. Pas na het bezoek aan het
ziekenhuis is van medische zijde het advies gekomen, dat verzoekster zich zo
nodig zelf diende af te kolven. De politie heeft vervolgens op 23 april 1988
er voor gezorgd, dat verzoekster de beschikking kreeg over een afkolfset

4. Onder overlegging van de dienstvoorschriften op dit punt heeft de
burgemeester erop gewezen, dat verzoekster tijdens haar verblijf in het
politiebureau te Vlaardingen wel degelijk in gelegenheid is gesteld zich
lichamelijk te verzorgen, douchen, wassen en dergelijke. Voorts heeft de
burgemeester aangevoerd dat verzoekster daarnaar gevraagd enkele malen te
kennen heeft gegeven geen prijs te stellen op gelegenheid tot douchen of
uitgebreide persoonlijke verzorging

5. Geconfronteerd met deze voorstelling van zaken is namens verzoekster
– onder meer – betoogd, dat het onwaarschijnlijk lijkt, dat zij zich niet
wenste te douchen en dat zij zich onder geen voorwaarde zou hebben verschoond
in het bijzijn van een man. Onder deze omstandigheden komt de door de
burgemeester gegeven lezing het meest aannemelijk voor

OORDEEL

De onderzochte gedraging van de gemeentepolitie te Vlaardingen, die valt
onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester van Vlaardingen, is
behoorlijk

Rechters

mr. drs. M. Oosting

Instantie: Kantonrechter Nijmegen, 16 december 1988

Instantie

Kantonrechter Nijmegen

Samenvatting


Verzoekster heeft zich in september 1987 tot een bestuurslid gewend in
verband met ongewenste intimiteiten die zij stelde te hebben ondervonden van
een andere werknemer van verweerster. Dit bestuurslid heeft hiervan geen
melding gemaakt tegenover de rest van het bestuur. Verzoekster heeft het
bestuurslid benaderd om op deze manier het bestuur in kennis te stellen van
haar moeilijkheden.
De rechter acht het volkomen onaannemelijk dat verzoekster genoemd
bestuurslid benaderd zou hebben in de kwaliteit van pastor of vertrouwensman
waarop deze zich beroept om zijn geheimhouding te verklaren, maar is verder
van oordeel dat het in zulk een geval op de weg van dit bestuurslid had
gelegen om verzoekster er nadrukkelijk op te wijzen dat zij zich met klachten
over een andere werknemer tot de directeur moest wenden en eveneens met
klachten in dezelfde sfeer. Verweerster heeft daarom niet gehandeld zoals een
goed werkgever past.
Verweerster kan er zich daarom niet op beroepen dat zij pas eind november
1987 gehoord zou hebben over de klachten van verzoekster ten aanzien van de
ongewenste intimiteiten, dit temeer daar vast staat dat haar – toen nog in
dienst zijnde bedrijfsleider – wiens opvolger de door verzoekster
beschuldigde werknemer was – eveneens door verzoekster is ingelicht en wel
ongeveer in september 1987.
Daarbij waren er toen wel moeilijkheden tussen verweerster en de
bedrijfsleider. Deze is toen niet geschorst maar behoefde alleen niet te
werken zodat verweerster van hem had kunnen horen dat er iets aan de hand
was.
Verzoekster heeft, volgens de kantonrechter terecht, een bespreking met enige
bestuursleden geweigerd omdat zij een paar dagen tevoren namens de andere
medewerker van diens advocaat een brief had gekregen waarin werd gesteld dat
zij die andere medewerker publiekelijk had belasterd en van haar werd geëist,
dat zij zich daarvan zou onthouden.
Verweerster had aan verzoekster moeten laten weten, zoals het een goede
werkgever betaamt, waarom deze verder niets meer heeft ondernomen.
Ook heeft verzoekster verweerster verweten dat deze niet heeft voorkomen, dat
er bij haar een werksfeer ontstond waarbinnen al dan niet gewenste
intimiteiten normaal waren en dat zij, toen die sfeer eenmaal ontstaan was,
niet heeft gereageerd, waardoor gemakkelijk excessen konden voor komen.
Verweerster moet volgens de rechter bekend zijn geweest met deze losse sfeer
en zij heeft geen instructies gegeven om dit binnen de perken te houden ook
niet toen bleek dat verzoekster hier niet van gediend was.
Billijkheidshalve dient nu de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden op
grond van een verandering, ontstaan door tekortkomingen van verweerster.
Bovendien moet aan de ontbinding een vergoeding voor verzoekster (immateriële
schadevergoeding door het verloren gaan voor verzoekster van een overigens
voor haar prettige werkkring van ƒ 10.000 tienduizend gulden) ten laste van
verweerster worden verbonden.

Volledige tekst

(…)bepaalt de rechter:

A. hij ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1
januari 1989

B. hij kent daarbij aan verzoekster een vergoeding ten laste van verweerster
toe van ƒ 10.000 netto voor immateriële schade

C. hij geeft verzoekster de gelegenheid om het verzoek uiterlijk op 30
december 1988 in te trekken

D. hij veroordeelt verweerster in de kosten van de procedure en bepaalt die
op ƒ 200 verschotten en ƒ 500 salaris van gemachtigde van verzoekster,
waarvan te voldoen aan verzoekster ƒ 50 en het overige aan de griffier

E. hij wijst het verzoek voor het overige af.

Daarbij zijn de overwegingen:

1. bij de tussenbeschikking van 26 augustus 1988 hadden partijen de
gelegenheid gekregen om zich uit te laten en zij hebben dit gedaan bij
geschriften op 9 september en vervolgens bij geschriften van 23 september,
waarna de beschikking op vandaag is bepaald;

2. verweerster heeft nader aangevoerd dat partij G in 1981 in dienst is
getreden.

3. zij heeft ook nader gesteld dat zij vier directeuren heeft – waarvan er
een is L. – maar dat ‘materieel’ H als enige directeur optreedt en
verzoekster dit ook niet heeft bestreden;

4. van de kant van verweerster is dan ook onbetwist gebleven de stelling dat
verzoekster zich in september 1987 gewend heeft tot voormelde L. in verband
met de ongewenste intimiteiten die zij stelde te hebben ondervonden van een
andere werknemer van verweerster en dat die directeur daarna over hetgeen hij
van verzoekster had vernomen geen melding heeft gemaakt tegenover de rest van
het bestuur;

5. Verweerster voert dan aan dat verzoekster bedoeld bestuurslid benaderd
heeft als pastor en hem gevraagd heeft om geheimhouding, verzoekster stelt
dat zij niet katholiek is en dar haar door bedoeld bestuurslid is gevraagd om
de zaak stil t houden;

6. daarbij ontkent zij zeer nadrukkelijk dat zij bedoeld bestuurslid gevraagd
heeft om geheimhouding of hem benaderd heeft als pastor of vertrouwensman,
maar stelt dat zij dit juist heeft gedaan om het bestuur van verweerster
attent te maken op de moeilijkheden;

7. de rechter acht het volkomen onaannemelijk dat verzoekster genoemd
bestuurslid benaderd zou hebben in de kwaliteit waarop die zich beroept om
zijn geheimhouding te verklaren, maar is verder van oordeel dat het in zulk
een geval op de weg van dit bestuurslid had gelegen om verzoekster er
nadrukkelijk op te wijzen dat zij zich met klachten over een andere werknemer
tot genoemde directeur H moest wenden en eveneens met andere klachten in
dezelfde sfeer;

8. dat genoemd bestuurslid daarop zou hebben gewezen, is door verweerster
zelf niet gesteld;

9. daarmee heeft verweerster zelf tegenover verzoekster niet gehandeld zoals
een goed werkgever past;

10. verweerster kan er zich daarom niet op beroepen dat zij pas eind november
1987 gehoord zou hebben over de klachten van verzoekster ten aanzien van de
ongewenste intimiteiten, dit temeer daar vast staat dat haar – toen nog in
dienst zijnde – bedrijfsleider – wiens opvolger de door verzoekster
beschuldigde werknemer was – eveneens door verzoekster is ingelicht en wel
ongeveer in september 1987.

11. daarbij waren er toen wel moeilijkheden tussen verweerster en – de
rechter heeft diens dienstbetrekking bij verweerster met ingang van 1
februari 1988 ontbonden op grond van een verandering in de omstandigheden –
maar dit neemt niet weg dat die bedrijfsleider toen niet was geschorst maar
alleen niet behoefde te werken zodat verweerster van hem had kunnen horen dat
er iets aan de hand was;

12. verweerster stelt dan wel dat zij pas eind november 1987 heeft gehoord
van het gebeurde maar – voor zover blijkt – is haar enige reactie toen
geweest, dat zij heeft voorgesteld dat verzoekster op het kantoor van haar
advocaat een bespreking zou hebben met enige bestuursleden;

13. verzoekster heeft die bespreking geweigerd, omdat zij een paar dagen
tevoren namens de ander medewerker van dezelfde advocaat een brief had
gekregen waarin werd gesteld dat zij die andere medewerkster publiekelijk had
belasterd en van haar werd geëist, dat zij zich daarvan zou onthouden;

14. onder deze omstandigheden mocht verzoekster weigeren om deel ten nemen
aan die bespreking en vast staat, dat verweerster daarna de zaak gewoon op
haar beloop heeft gelaten;

15. zij zegt dan wel dat zij de resultaten van het politie-onderzoek wilde
afwachten, maar had toch tegenover verzoekster moeten laten blijken wat haar
beweegredenen in deze waren en om na – toch serieus te nemen –
beschuldigingen ten aanzien van een andere medewerker van iets meer interesse
tegenover verzoekster blijk te geven, vooral omdat die laatste zich het een
en ander zo had aangetrokken, dat zij ziek was geworden;

16. verweerster heeft ook in dit opzicht niet als een goed werkgever
gehandeld;

17. de rechter had daarbij begrepen dat verzoekster aan de andere partij
voornamelijk deze beide tekortkomingen verweet, maar bij haar geschrift van
23 september heeft verzoekster gevolg gegeven aan hetgeen in de tussen
beslissing is overwogen;

18. daaruit blijkt dat zij aan verweerster ook verwijt dat die niet heeft
voorkomen, dat er bij haar een ‘werksfeer’ ontstond
‘waarbinnen al dan niet gewenste intimiteiten normaal waren’ en dat zij –
toen die sfeer eenmaal ontstaan was – ‘niet heeft gereageerd, waardoor
gemakkelijk excessen konden voor komen’;

19. het laatste lag al besloten in hetgeen eerder door verzoekster was
gesteld, maar het eerste niet en een goede procesgang verzet er zich tegen dan
dit nu nog in de besluitvorming wordt betrokken;

20. uit de door verzoekster overgelegde stukken blijkt, dat er sinds jaren in
het bedrijf van verweerster een ‘losse’ sfeer was tussen mannen en vrouwen,
waarbij er werd gestoeid en op elkaars schoot en ook wel op elkaars schouders
werd gezeten;

21. daarbij was van de medewerker, die verzoekster beschuldigt van ongewenste
intimiteiten tegenover haar, bekend dat hij ‘zijn handen los had zitten ten
opzichte van vrouwen’ en dat hij een enkele maal ook wel een medewerkster
‘bij de borsten’ pakte;

22. zelf heeft die medewerkster tegenover de politie verklaard, dat het wel
voorkwam dat hij een medewerkster ‘op haar achterste sloeg’, dat dit binnen
het bedrijf van verweerster ‘gewoon was geworden’ en dat er ook weleens –
blijkbaar opzettelijk – tegen elkaar werd gebotst’;

23. dat deze ‘sfeer’ bestond, moet het bestuur van verweerster welk bekend
zijn geweest en zij stelt niet, dat zij instructies heeft gegeven om dit
binnen de perken te houden en verweerster is ook in dit opzicht tekort
geschoten;

24. nu verzoekster – blijkbaar – van een en ander niet gediend was en
verweerster geen maatregelen heeft genomen, ontstond er een zodanige
verandering in omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst in verband daarmee
billijkheidshalve dient te worden ontbonden;

25. geheel afgezien van de beantwoording van de vraag, welke verwijten in
deze aan de andere medewerker van verweerster zijn te maken, brengt het feit
dat op grond van een verandering, ontstaan door tekortkomingen van
verweerster, de overeenkomst dient te eindigen mee, dat aan de ontbinding een
vergoeding ten last van verweerster en voor verzoekster wordt verbonden;

26. de rechter is van oordeel dat die vergoeding – die geheel bestaat uit
betering van immateriële schade door de ontbinding namelijk het verloren gaan
voor verzoekster van overigens voor haar prettige werkkring – dient te worden
gesteld op ƒ 10.000;

27. in die vergoeding kan niet worden opgenomen een vergoeding voor materiele
schade wegens loonderving gedurende de tijd dat verzoekster niet heeft kunnen
werken bij verweerster want, ofwel had zij recht op ziekengeld (met
aanvulling) ofwel op loon, maar geen van beide kan zij in een procedure als
de onderhavige vragen (wel in een geding).

Rechters

Mr. J.H.M. Petri

Instantie: Rechtbank Maastricht, 12 december 1988

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


De moeder verzoekt de kinderrechter om nakoming van de omgangsregeling
door middel van een dwangsom. De kinderrechter wijst dit verzoek af omdat
aan de niet met het gezag belaste partij geen verplichting is opgelegd om van
de geboden omgangsregeling gebruik te maken. Uit een door de rechter
getroffen omgangsregeling vloeit de verplichting voort voor de partij die met
het gezag is bekleed, om de partij die niet met het gezag is belast in de
gelegenheid te stellen omgang te hebben

Volledige tekst

De kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht,
rechtdoende in burgerlijke zaken;

gezien het verzoekschrift, ingediend door Mr R.A. Haverhoek, namens de
moeder tot het treffen van een omgangsregeling tussen de vader en hun bij de
moeder-voogdes verblijvende kinderen, te weten:

– Gonnie Christel, geboren te Geleen op 9 november 1974, en

– Suzanne Mathea, geboren te Geleen op 9 november 1974;

gelet op het op 28 november 1988 gevoerde verweer door Mr E.H.J.M.
Dohmen namens de vader;

gelet op het op 28 november 1988 gehouden verhoor, blijkens daarvan
afzonderlijk opgemaakt proces-verbaal;

overwegende dat verzoekster beoogt door middel van een dwangsom nakoming
af te dwingen van de omgangsregeling vastgelegd bij Onze beschikking d.d. 30
september 1985, aangezien de vader door zich niet aan deze regeling te houden
— hij slaat soms maanden over en beperkt de omgang tot een enkel uur — de
tweeling te kort doet;

overwegende dat ten onrechte verzoekster zich beroept op publicaties in
NJ 1983, nrs. 610, 611, 613 en 614, aangezien de daarin vermelde uitspraken
alle betrekking hebben op de toepasbaarheid van de Eenvormige Wet op
veroordelingen tot nakoming van een verplichting;

overwegende dat bij een conform — onder andere — art. 161 van het BW
getroffen omgangsregeling er immers alleen sprake is van een door de rechter
opgelegde verplichting ten aanzien van een der partijen en wel die partij die
met het gezag over het kind is belast, in het onderhavige geval verzoekster;

overwegende dat ook uit de gebruikelijke door de rechter getroffen
omgangsregelingen, althans uit de bewoordingen van Onze beschikking d.d. 30
september 1985, niet anders valt op te maken dan dat de gezagsdrager de
verplichting heeft om iets te doen en wel de ouder die niet met het gezag
belast is in de gelegenheid te stellen omgang te hebben;

overwegende dat al het overige in het dictum van voormelde
beschikkingen, althans de beschikking van 30 september 1985, geen andere
strekking heeft dan van voormelde verplichting de omvang te bepalen onder meer
door het stellen van voorwaarden omtrent plaats, tijd en eventuele andere
beperkingen;

overwegende dat, voor zover er al sprake is van verplichtingen
voortvloeiende uit de beschikking voor de partij die niet met het gezag is
belast, deze alleen betekenen dat indien deze partij gebruik maakt van de
geboden gelegenheid tot omgang, daarbij de voormelde voorwaarden in acht
genomen dienen te worden;

overwegende dat nu de bewoordingen van de beschikking niet toelaten te
veronderstellen dat aan de niet met het gezag belaste partij een verplichting
is opgelegd om van de geboden gelegenheid tot omgang gebruik te maken, niet
alsnog de nakoming door middel van een dwangsom verzocht kan worden en
mitsdien verzoekster niet ontvangen wordt in haar verzoek;

Beschikkend

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk;

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad

Rechters

Mr. R.O.E.W. van der Pol, kinderrechter

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 9 december 1988

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Appellante eist dat het op 10 januari 1986 gegeven ontslag nietig zal
worden verklaard en dat Van Lieshout zal worden veroordeeld om aan haar te
betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag ad ƒ 210,–
(tweehonderdentien gulden) bruto per week, vermeerderd met de vakantietoeslag
ad 8% vanaf 9 januari 1986 tot het moment waarop de dienstbetrekking
rechtsgeldig zal zijn geeindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging
van 50% als bedoeld in artikel 1638q BW, alsmede met de wettelijke rente over
vorenbedoelde bedragen te rekenen vanaf 31 januari 1986, althans vanaf de dag
waarop elk loon betaald moet worden; alles met veroordeling van Van Lieshout
in de kosten van het geding

Appellante werkte als afroepcontractante. De kantonrechter is van
mening dat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst is tot stand gekomen
Dit wordt door appellante betwist

Volgens de rechtbank staat vast dat er op 7 juli 1983 tussen partijen ee
n schriftelijke overeenkomst is gesloten met de volgende inhoud:

“Hierbij verklaart W. geheel vrijblijvend inpakwerkzaamheden te
verrichten bij v. Lieshout Vleeswaren B.V. te Helmond, wanneer laatstgenoemde
B.V. haar hiertoe op eveneens vrijblijvende basis oproept. Het salaris
bedraagt ƒ 4,08 per uur bruto(intussen verhoogd tot 8,75). Wederzijds
geldt geen enkele verplichting ten aanzien van de tijdsduur der werkzaamheden
Bij brief d.d. 9 januari 1986 heeft Van Lieshout aan W. bericht dat zij
met ingang van 9 januari 1986 geen gebruik meer wenst te maken van de
mogelijkheid W. op te roepen tot werkzaamheden. Hiervoor is geen
toestemming van de directeur GAB verkregen. W. heeft de nietigheid van dit
ontslag ingeroepen

De rechtbank is het met Van Lieshout eens dat de overeenkomst van juli
1983 niet kan worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst, doch dient te
worden aangemerkt als een voorovereenkomst op grond waarvan partijen steeds
opnieuw contracteerden. De op grond daarvan door partijen gesloten
overeenkomsten waren ieder voor zich echter wel arbeidsovereenkomsten

Ten tijde van haar ontslag had W. een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd omdat W. langer dan een jaar in dienst was en de
dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd geacht worden een niet onderbroken
dienstbetrekking te vormen nu zij hebben bestaan met tussenpozen van niet meer
dan 31 dagen (art. 1639k BW) Mede gelet op de frequentie van de werkzaamheden
en op het feit dat deze volgens een wekelijks door Van Lieshout vast te
stellen schema plaats vonden, is er geen sprake van losse ongeregelde arbeid,
en wordt voor ontslag toestemming van de directeur GAB vereist. In casu
ontbrak deze toestemming

De rechtbank verklaart het op 10 januari 1986 gegeven ontslag nietig en
gelast een comparitie der partijen (op 14 februari 1989) aangezien zij niet
uit het schema van W. over 1984 en 1985 kan opmaken dat zij gemiddeld 24 uur
per week zou hebben gewerkt

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Thijsen, voorzitter, Aarts en Asselbergs leden

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 7 december 1988

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde heeft na het overlijden van zijn echtgenote op 6 april 1986 een
aanvraag voor toekenning van een uitkering op grond van de AWW ingediend.
Hierop is negatief beslist omdat hij niet voldoet aan de in de wet gestelde
voorwaarden voor het recht op weduwenpensioen en tijdelijke weduwenuitkering
omdat hij geen weduwe is

In het licht van artikel 26 BuPo-Verdrag heeft de eerste rechter
geconcludeerd dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat aan
gedaagde een pensioen of uitkering ingevolge de bepalingen van de AWW toekomt

Gedaagde, die is geboren op 21 januari 1946, is gehuwd op 12 mei 1978
met J.D. Uit dit huwelijk zijn op respectievelijk 1 oktober 1978 en 3
januari 1981 geboren de kinderen H. en T

Gedaagde betoogt dat de AWW een ongeoorloofde discriminatie met zich
meebrengt tussen mannen en vrouwen en dan ook te dezen in strijd is met
verdragen waarbij Nederland partij is en die een discriminatieverbod behelzen
waarop burgers rechtstreeks een beroep op kunnen doen

In het geding in hoger beroep zijn partijen het er niet over eens of
gedaagde, ondanks het feit dat hij geen weduwe in de zin van de AWW doch
weduwnaar is, als gevolg van de rechtswerking van artikel 26 van het
BuPo-Verdrag aanspraak heeft op een pensioen overeenkomstig de aanspraak die
een weduwe in dezelfde voor de beoordeling van de aanspraak op weduwenpensioen
relevante omstandigheden aan de AWW kan ontlenen. De Raad is van mening dat
de beperking in de AWW tot weduwen zich niet verdraagt met artikel 26
BuPo-Verdrag

Volgens de Raad heeft artikel 26 BuPo-Verdrag rechtstreekse werking en
deze wordt niet (extra) opgeschort uit hoofde van het ontbreken van een
EG-richtlijn te dezen

Derhalve concludeert de Raad dat gedaagde uit hoofde van en met het
overlijden van zijn echtgenote op 6 april 1986 in verband met artikel 26
BuPo-Verdrag aanspraak heeft op pensioen overeenkomstig de aanspraak die een
weduwe onder gelijke omstandigheden op grond van de AWW heeft

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.H. van der Veen als voorzitter en Mr. J. Boesjes en Mr. J.W.Verduin als leden

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 december 1988

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de maand december 1988 is een vrouwelijke sollicitant afgewezen voor
de functie van coerdinator opleidingen bij een werkgeversorganisatie. Dit
was het gevolg van het feit dat de sollicitante aan de werkgever in spe had
verteld dat zij zwanger was. Na inschakeling van de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is de vrouw alsnog aangenomen

De vrouw had al een aanstellingsbrief waarin de indiensttreding alleen
nog afhankelijk werd gesteld van het resultaat van een medische keuring. De
vrouw werd medisch goedgekeurd. De keuringsarts vroeg aan de vrouw in
kwestie of zij zelf aan de werkgever wilde zeggen dat zij zwanger was. Dit
deed zij, waarna de werkgever haar afwees voor de functie

De vrouwelijke sollicitant heeft vervolgens een adviesaanvraag ingediend
bij de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.
De Commissie heeft de adviesaanvraag door middel van een spoedprocedure in
behandeling genomen en de werkgever verzocht om de sollicitatieprocedure op te
schorten totdat de commissie haar zienswijze heeft kenbaar gemaakt

De werkgever heeft de vrouwelijke sollicitant enige dagen later
meegedeeld dat zij alsnog was aangenomen. Betrokkene heeft inmiddels haar
adviesaanvraag ingetrokken

Volledige tekst

Rechters

geen

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 6 december 1988

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Vader en moeder hebben van eind 1980 tot ongeveer medio 1985
samengewoond. In die tijd zijn uit hun relatie (erkend wordt dat B. de
biologische vader is) de beide kinderen geboren waar het om gaat. Over deze
kinderen is de vader toeziend voogd

In de tijd dat partijen samenwoonden was de vader naast de moeder bij de
verzorging en opvoeding van de kinderen betrokken

Nadat partijen uiteen waren gegaan en de kinderen bij de moeder zijn
gebleven, is tussen de kinderen en de vader in de vorm van een in onderling
overleg getroffen omgangsregeling regelmatig contact blijven bestaan. In de
omgangsregeling is tevens betrokken een uit een eerdere relatie van de moeder
geboren dochtertje van nu rond 11 jaar. Alle betrokkenen, ook de moeder,
staan positief tegenover het contact tussen de kinderen en de vader

De vader heeft verzocht aan de rechtbank om de ambtenaar van de
burgerlijke stand te gelasten het register van de burgerlijke stand aan te
vullen met de akte tot erkenning van zijn twee kinderen, ondanks de weigering
tot toestemming voor erkenning van de moeder (rekestnummer 2411/1987) en de
rechtbank heeft op 2 februari 1988 (Rechtspraak Nemesis 1988 nr. 13) beslist
dat de ambtenaar dit moet doen

De moeder is van deze beslissing in hoger beroep gegaan

Sedert de rechtbank op 4 februari 1988 de beschikking waarvan beroep
heeft gegeven, heeft de Hoge Raad op 8 april 1988 onder nr. 7272 (RvdW 1988,
nr. 73) in een soortgelijk geval beslist. Het hof neemt de beschikking van
de Hoge Raad tot richtsnoer. De Hoge Raad heeft beslist dat een redelijke,
met artikel 8 EVRM rekening houdende uitleg van het huidige recht meebrengt
dat, ook al weigert de moeder de voor erkenning door de vader vereiste
toestemming, deze kan worden vervangen door een rechterlijke uitspraak,
waardoor een rechtsgeldige erkenning tot stand kan komen, wanneer de weigering
van de moeder om toestemming tot erkenning te verlenen slechts kan worden
opgevat als misbruik van de bevoegdheid die de moeder aan artikel 224 lid 1
aanhef en onder d BW kan ontlenen

De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat tussen vader en de
kinderen in kwestie, van wie hij de biologische vader is, vanaf hun geboorte
en tot het uiteengaan van partijen een relatie heeft bestaan, welke relatie
ook nadien en tot nu toe is bestendigd gebleven, zij het op aan de veranderde
omstandigheden aangepaste wijze, die als familylife moet worden aangemerkt
Ingevolge de beschikking van de Hoge Raad brengt dat met zich mee, dat de
kinderen en de vader er in beginsel aanspraak op hebben, dat hun relatie
rechtens wordt erkend als familierechtelijke rechtsbetrekking

In hetgeen de moeder heeft aangevoerd (ten aanzien van eerder gemaakte
afspraken met betrekking tot de kinderen, het naamsgevolg, het eindigen van de
relatie, de onmogelijkheid van erkenning door een nieuwe relatie van de moeder
en de mogelijkheid van eventuele voogdijwijziging) vermag het hof geen zodanig
klemmende argumenten te onderkennen, dat aan het beginsel in dit geval geen
toepassing zou moeten worden gegeven

Uit al het voorgaande vloeit voort dat naar het oordeel van het hof,
erkenning van de kinderen door de vader ook geen zodanige inbreuk maakt op het
recht van de moeder op haar familylife, dat op die grond het verzoek zou
dienen te worden afgewezen

Het hof bekrachtigt de beschikking op 4 februari 1988 door de rechtbank
Arnhem in deze zaak tussen partijen gegeven

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Huber, Smilde en Hammerstein

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 5 december 1988

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Hendrika heeft een verzoekschrift ingediend ertoe strekkende te
verklaren dat de in het verzoekschrift genoemde stukken, door haar ter hand
gesteld aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Ridderkerk
en daarmee de hoedanigheden, genoegzaam zijn om tot afkondiging en voltrekking
van haar voornemen in het huwelijk te treden met Jeannette over te gaan.
Het Openbaar Ministerie te Rotterdam heeft dit verzoek afgewezen

Volgens de rechtbank is het juist dat de Nederlandse wet het huwelijk
tussen personen van gelijk geslacht niet uitdrukkelijk verbiedt. Zij
overweegt echter dat uit het stelsel van de Nederlandse wet volgt dat een
huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht onmogelijk is. De wetgever
heeft bedoeld het huwelijk slechts mogelijk te maken voor personen van
verschillend geslacht

Volgens de rechtbank is de onmogelijkheid om in een wettig huwelijk te
treden geen inbreuk op het priveleven van verzoekster (zij wordt de
mogelijkheid en de vrijheid gelaten om haar relatie met haar levenspartner in
haar priveleven de vorm en inhoud te geven die zij wenst) en is er derhalve
geen strijd met artikel 8 ECRM

De rechtbank is van oordeel dat nu het Europees Hof artikel 12 ECRM
interpreteert (in de zaak Rees, d.d. 17 oktober 1986) in de zin dat het recht
te huwen alleen gegarandeerd wordt voor paren van verschillend geslacht, de
onmogelijkheid naar Nederlands recht, voor verzoekster om in het huwelijk te
treden met een partner van hetzelfde geslacht, geen strijd kan opleveren met
artikel 12 ECRM

Gezien de hiervoor weergegeven interpretatie door het Hof van artikel 12
kan het stelsel van de Nederlandse wet, waarbij alleen het huwelijk mogelijk
is tussen personen van verschillend geslacht, in de gedachtengang van het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens geen schending van artikel 14 ECRM
opleveren

Artikel 23 lid 4 BuPo-verdrag heeft blijkens haar bewoordingen geen
rechtstreekse werking

Nog daargelaten dat aan verzoekster slechts een beroep toekomt op
artikel 2 van het BuPo-verdrag nu dat artikel geschreven is voor de
bescherming van rechten die in het verdrag zelf zijn gegeven en artikel 26
BuPo-verdrag toe ziet op bescherming van de rechten die niet uitdrukkelijk in
het verdrag zijn omschreven wijst de rechtbank op het feit dat ook het
BuPo-verdrag in artikel 23 (geen rechtstreekse werking) uitgaat van de
gedachte dat het huwelijk mogelijk moet worden gemaakt en beschermd moet
worden, omdat het huwelijk verbonden wordt aan de gedachte van gezinsvorming
Ook het verdrag gaat derhalve uit van het regelen van het
afstammingsrecht, als achterliggende gedachte voor het huwelijk, zodat het
Nederlandse rechtssysteem geen ongelijke behandeling van verzoekster oplevert
in de zin van artikel 2 BuPo-verdrag

Op grond van bovenvermelde is de rechtbank van oordeel dat het verzoek
dient te worden afgewezen

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van Heuven Goedhart, voorzitter, mrs. Nouwt en Hartogs, rechters

Instantie: Rechtbank Roermond, 30 november 1988

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Gedaagde heeft eiseres in haar woning verkracht. Hij is voor deze
verkrachting strafrechtelijk veroordeeld en het vonnis is onherroepelijk
geworden

Eiseres vordert de veroordeling van gedaagde, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een materiele schadevergoeding ad
ƒ 222,95 en een immateriele schadevergoeding ad ƒ 35.000,–
(vijfendertigduizend gulden)

De rechtbank is van oordeel dat gedaagde door zijn gedrag in ernstige
mate inbreuk heeft gemaakt op en op generlei wijze enig respect heeft getoond
voor de lichamelijke integriteit van eiseres. Dit levert een onrechtmatige
daad op. Immateriele schadevergoeding acht de rechtbank in deze mogelijk nu
eiseres in haar persoon is aangetast. Deze vergoeding heeft een dubbele
functie: enerzijds dient zij om op onvolmaakte wijze het door eiseres
ondergane leed goed te maken, anderzijds kan het geschokte rechtsgevoel van
eiseres langs civielrechtelijke weg worden bevredigd doordat van gedaagde een
opoffering wordt verlangd

Bij toekenning van deze schadevergoeding dient de rechtbank te letten op
alle omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de
omstandigheden waaronder het gebeuren plaatsvond en de draagkracht van
partijen. De rechtbank acht dan toekenning van een immateriele
schadevergoeding van ƒ 10.000,– (tienduizend gulden) redelijk en billijk
De vordering tot vergoeding van de materiele schade ad ƒ 229,95 acht de
rechtbank, nu eiseres dit erkent, voor toewijzing vatbaar

Volledige tekst

Rechters

ONBEKEND