Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 30 november 1988

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Arrest gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de
arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 14 juli 1987

Aan de verdachte is ten laste gelegd incest en ontucht met een eigen
kind, beide meermalen gepleegd

De raadsman had aangevoerd dat de dagvaarding nietig verklaard moet
worden omdat onvoldoende duidelijk is met betrekking tot de tijd waarop en de
plaats waar de ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd

Het hof overweegt dat aan de verdachte zeer duidelijk omschreven feiten
zijn ten laste gelegd. De aard van deze feiten brengt mee dat het
slachtoffer in het algemeen vaak pas veel later, wanneer het in geestelijk en
materieel opzicht niet meer afhankelijk is van de ouders, in staat is aangifte
daarvan te doen. Daaruit volgt dat een reconstructie van tijd en plaats van
ondergaan van de bedoelde handelingen niet meer met nauwkeurigheid mogelijk
is. In het onderhavige geval doet deze omstandigheid zich in versterkte
mate voor omdat het slachtoffer niet alleen thuis woonde bij haar ouders maar
ook als enige haar vader hielp met het werk op het land, waardoor zij
gedurende langere periodes alleen in het gezelschap van haar vader verkeerde
Daarom is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde feiten, de
omschrijving van de periode waarin en de plaatsen waar deze zijn begaan
voldoende duidelijk is voor de verdachte om te weten welke feiten hem worden
verweten en voor het hof om deze te onderzoeken

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot
een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter

De raadsman van de verdachte voert aan dat de bekentenis van de
verdachte onder druk van de verbalisanten is afgelegd. Verbalisanten hebben
de verdachte voorgehouden dat zijn detentie voor 30 dagen verlengd zou worden
bij volharding in zijn ontkenning alsmede dat de verdachte met zijn gezin in
therapie zou kunnen gaan indien hij zou bekennen. Niet aannemelijk is
geworden, volgens het Hof, dat van het voorhouden van voornoemde mogelijkheden
een zodanige dwang is uitgegaan dat de bedoelde verklaring moet worden
aangemerkt als op onrechtmatige wijze te zijn verkregen

Het Hof overweegt dat verdachte zijn minderjarige dochter gedurende een
lange periode meermalen heeft verkracht en vanaf haar zeer jeugdige leeftijd
vele malen ontucht met haar heeft gepleegd. Aan de gevolgen van deze door
verdachte gepleegde ernstige inbreuken op haar lichamelijke integriteit lijdt
het slachtoffer nog steeds. Alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende
straf is een passende reactie op deze feiten. Anders dan de rechtbank ziet
het hof geen aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te
leggen

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 57, 242, 245 en 249 van
het Wetboek van Strafrecht

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd
van zes maanden

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Steenbergen, Drion-van Rooijen en Donner-Coeterier, in tegenwoordigheid van Bekker als griffier

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 30 november 1988

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd. De vrouw vordert
verrekening van de opgebouwde pensioenvoorziening. De man heeft hiertegen
geen verweer gevoerd. Daarom gaat de Rechtbank ervan uit dat deze vordering
toewijsbaar is

Volledige tekst

De Rechtbank heeft kennis genomen van de door partijen, hierna ook . en
. te noemen, ter vonniswijzing overgelegde gedingstukken, te weten:

– het exploit van dagvaarding d.d. 22 januari 1987 met de in dat exploit
genoemde en bij dat exploit betekende stukken betreffende een conservatoir
beslag op onroerend goed alsmede een conservatoir derdenbeslag

– de conclusie van eis

– de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met
producties, waaronder een viertal exploiten betreffende conservatoire
beslaglegging onder derden

– de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie,
tevens akte wijziging van eis met producties

– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie tevens
houdende wijzigingen van eis met producties

– de conclusie van dupliek in reconventie

– de nadere conclusie in conventie en in reconventie met producties van
Ochtman

– de nadere conclusie in conventie en in reconventie tevens inhoudende
vermindering en vermeerdering van eis van Mulder

De inhoud van voormelde gedingstukken geldt als hier overgenomen

RECHTSOVERWEGINGEN:

In conventie en in reconventie:

1. Bij de bespreking en beoordeling van hetgeen parijen over en weer
gevorderd hebben gaat de Rechtbank uit van een aantal feiten welke door
erkenning over en weer tussen parijen vaststaan

Partijen zijn gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 16 juli 1988 door
inschrijving van het echtscheidingsvonnis ontbonden. Voor hun
huwelijkssluiting hadden partijen huwelijksvoorwaarden doen opstellen. Deze
voorwaarden hielden in uitsluiting van iedere gemeenschap behoudens ten
aanzien van de inboedel. Deze gemeenschap van inboedel zou niet omvatten
(onder meer) voorwerpen welke van de familie van ieder der echtgenoten
afkomstig zijn en als familiegoed zijn te beschouwen

Krachtens die huwelijksvoorwaarden zouden de zuivere inkomsten van
partijen naar evenredigheid worden aangewend ter bestrijding van de kosten van
hun huishouding

Zouden die inkomsten daarvoor ontoereikend zijn, dan dienden partijen
naar evenredigheid van hun zuivere vermogens daartoe bij te dragen

Een eventueel overschot van de inkomsten van de man . diende aan het
einde van ieder kalenderjaar bij helfte tussen partijen te worden gedeeld
teneinde aan hun respectievelijke kapitalen te kunnen toevoegen

De voormalige echtelijke woning tenslotte behoorde partijen ieder voor
de onverdeelde helft in eigendom toe

2. In conventie vordert ., naast de vanwaardeverklaring van de gelegde
beslagen, van . betaling van een geldsom. Dit bedrag was oorspronkelijk
opgebouwd uit een vijftal posten. Deze posten zullen hieronder met hetgeen
. ten verwere daartegen heeft ingebracht besproken worden

3. Voortbouwend op haar verweer in conventie heeft Ochtman in
reconventie harerzijds een groot aantal vorderingen geformuleerd. Kort
samengevat vordert zij van . betaling van zekere bedragen, afgifte van
bepaalde goederen, het verstrekken van informatie en het afgeven van diverse
bescheiden het afleggen van rekening en verantwoording alsmede een groot
aantal verklaringen voor recht betreffende onder meer de eigendom van zekere
goederen, het gelden van bedingen en de afwikkeling van opgebouwde rechten en
vermogensposities. Daarnaast wil zij door haar gelegde beslagen vanwaarde
verklaard zien

4. Ter wille van de overzichtelijkheid zal de Rechtbank bij de
bespreking van de vorderingen en weren de indeling van partijen aanhouden

A. Flat in Portugal

5. Partijen zijn het er over eens geworden dat . aan . dient te
vergoeden de door deze in de flat geinvesteerde bedragen. Afgezien van de
hierna te bespreken investering in de inboedel van die flat komt dit neer op
betaling door . van een bedrag van ƒ 72.703,30

B. Inboedel van de flat in Portugal

6. Naast zekere inbouwgoederen alsmede een gedeelte van de inboedel,
waarvoor ., naar tussen partijen in confession is, een bedrag van ƒ 9.070,89
heeft uitgelegd, bestaat tussen partijen verschil van mening of . ten behoeve
van de verdere inrichting van de flat een bedrag van ƒ 20.000,- heeft
voldaan. . ontkent deze investering . Er zijn weliswaar contant enige
aankopen gedaan, doch deze zijn voor een niet onaanzienlijk deel door haar
betaald. Zij is bereid een post van ƒ 1.000,- als reeel te accepteren

7. Indien . zijn standpunt handhaaft dient hij ermee rekening te houde
n dat de bewijslast op hem rust. Het enkele feit dat naar zijn stellen, .
de middelen ontbraken voor een investering in inboedel laat zich namelijk
slecht rijmen zowel met hetgeen naar voren is gekomen omtrent het vermogen van
. en het inkomen daaruit, als ook met zijn eigen betoog omtrent de wijze
waarop . over bankrekeningen beschikte

8. Alvorens echter een bewijsopdracht te formuleren acht de Rechtbank
het gewenst een comparitie van partijen te gelasten alwaar met name . nadere
informatie kan verschaffen over welke aanvullende bescheiden hij in deze
beschikt, terwijl partijen voorts, aan de hand van een door ieder van hen te
vervaardigen opstelling van de inboedelgoederen de Rechtbank een indicatie
kunnen geven van de waarde van die goederen

C. Aanzuivering debetsaldo bankrekening

9. Ofschoon ., gezien het gestelde in punt 5 van de conclusie van
dupliek in reconventie, zijn stelling dat hij tot een bedrag van ƒ 17.000,–
een tekort op de bankrekening van . (de met partijen te noemen Amro 437) heeft
aangezuiverd, welk tekort niet was veroorzaakt door uitgaven ten behoeve van
der partijen huishouding, zodat dit bedrag voor terugvordering in aanmerking
komt, lijkt te heben laten varen, valt uit punt 4 van zijn nadere conclusie op
te maken dat hij toch nog meer informatie van . wenst omtrent de aard van de
betalingen van die rekening

10. Ter comparitie zal de Rechtbank . vragen zich op dit punt nader te
verklaren

Teneinde zowel de gang van zaken ter comparitie als ook de afwikkeling
van deze procedure te bespoedigen lijkt het overigens wel wenselijk dat . aan
. een volledig beeld geeft van het betalingsverkeer met betrekking tot deze
rekening. Mochten hieraan kosten verbonden zijn, dan kan ter comparitie of
nadien worden uitgemaakt wie de kosten uiteindelijk zal moeten dragen

D. Verkoop echtelijke woning

11. Parijen verschillen van mening over de vraag hoe de opbrengsten van
de verkoop van de voormalige echtelijke woning tussen hen beiden verdeeld
dient te worden

Er zijn diverse geschilpunten

12. Volgens . zijn een tweetal rekeningen van . totaal belopend ƒ
16.291,91 te zijnen laste gekomen ofschoon die rekeningen, naar . heeft
aangetoond, van haar Amro 437-rekening zijn voldaan

Indien . bij zijn standpunt blijft, zal hij zijn stelling waar moeten
maken, bijvoorbeeld door te bewijzen dat hij ter uitvoering van deze
betalingen bedragen van zijn Amro-rekening (380) naar die van . heeft
overgemaakt

De Rechtbank zal dit punt echter eerst bij de comparitie aan de orde
stellen, temeer omdat hier ook een rol kan spelen de verdeelsleutel uit de
huwelijksvoorwaarden

13. De woning is gestoffeerd verkocht. Voorzover bij de verkoop
goederen voorkomende op de facturen van Gebr. de . en van . in de woning zijn
achtergebleven, komen daarmee corresponderende bedragen voor verrekening ten
gunste van . in aanmerking. Ter comparitie zal worden nagegaan welke
goederen zijn achtergebleven

14. Indien . blijft bij zijn stellingen dat nog meer verbonden kosten
dan de reeds opgevoerde bij de verrekening in aanmerking moeten worden
genomen, draagt hij van het bestaan van kosten alsmede het door hem betaald
zijn daarvan het bewijs. Ter comparitie zal aan de orde worden gesteld in
hoeverre bewijslevering mogelijk is. De Rechtbank wijst er nu reeds op dat
. in ieder geval ter comparitie bescheiden uit zijn administratie kan tonen,
waaruit blijkt dat hij nog andere dan de in het geding zijnde rekeningen aan
aannemersbedrijven etc. heeft voldaan

15. Voorlopig betreft het meest belangrijke geschilpunt de vraag of een
door de vader van . aan partijen verstrekte lening van ƒ 40.000,–, aangewend
bij de aanschaf van het huis, aan beiden is kwijtgescholden (het standpunt van
.) of alleen aan.

16. Nu de heer . in zijn brief van 11 september 1978 aan de Inspectie
der Registratie en Successie uitgaat van een lening aan zijn dochter . dit dus
in afwijking van hetgeen waarover partijen het eens zijn . komt aan zijn
mededeling dat die lening zijn dochter is kwijtgescholden voor het standpunt
van . geen bewijskracht toe

Ter comparitie zal . kunnen aangeven of zij op andere wijze op dit punt
bewijs kan bijbrengen

E. Inboedel

17. Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag wie de
eigenaar is van een 83-tal goederen, voorkomende op een ten processe
gehanteerde lijst

Behoudens de nummers 8, 23, 24, 25, 33, 34, 41, 45, 54, 55, 56, 59, 73,
74, 75, 76, 77, 78, 81 ten aanzien waarvan partijen het eens zijn, is het
standpunt van . dat de meeste goederen gemeenschappelijk zijn, terwijl .,
deels gedocumenteerd, betoogt dat het om goederen van haar gaat, veelal ook
afkomstig uit haar familie

18. Voor de beslechting van deze geschillen is in hoge mate van belang
hoe de in de huwelijksvoorwaarden voorkomende passages “voorwerpen, welke van
de familie van ieder der echtgenoten afkomstig zijn en als familiegoed zijn te
beschouwen” moet worden uitgelegd

. geeft aan het tweede deel van deze passage een verengde betekenis: de
betreffende voorwerpen moeten duidelijk (inscriptie, portretten) een bepaalde
familie toebehoren. Goederen welke voor een prix de famille uit de
nalatenschap van een familielid zijn verkregen zouden hier bijvoorbeeld niet
aan voldoen

19. De Rechtbank kan . slechts in zoverre in zijn gedachtengang volgen
dat het in de eerste plaats dient te gaan om voorwerpen afkomstig van
familieleden . aan welke omschrijving vrijwel alle nog in geschil zijnde
voorwerpen op de lijst voldoen . , terwijl die voorwerpen voorts op enigerlei
wijze met de familie verbonden dienen te zijn

Wat dit laatste betreft valt niet alleen te denken aan voorwerpen met
inscripties of sieraden, doch ook aan goederen die reeds langere tijd bezit
van de familie zijn dan wel goederen waarvan het betreffende familielid (of
erflater c.q. de erven of nabestaanden) niet wil dat deze aan vreemden, in de
zin van niet-familieleden zullen toevallen

20. De Rechtbank stelt zich voor tegen de achtergrond van dit criterium
aan de hand van door partijen te verschaffen inlichtingen de betreffende lijst
ter comparitie door te lopen

21. De Rechtbank begrijpt uit de veelheid van stellingen van partijen
dat zij op het punt van de wijnvoorraad (van .) en de resterende
inboedelgoederen (lijst 3 van . betreffende goederen die bij haar zijn
gebleven) tot een oplossing zijn gekomen in die zin dat deze posten tegen
elkaar wegvallen

Zij zal dit echter ter comparitie navragen, gelijk zij ook navraag zal
doen of partijen het thans eens zijn over de aan de caravan toe te kennen
waarde

E’. Hypothecaire geldlening / Amro-rekening 380

22. De Rechtbank begrijpt dat ., . voor de helft aansprakelijk acht voor
het debetsaldo van de 380-rekening, becijferd volgens de opstelling op blz. 11
en 12 van de conclusie van dupliek in reconventie

Die aansprakelijkheid zou voortvloeien uit het door . mede-ondertekenen
(los van het formele vereiste) van de hypotheekakte toen voor die schuld
hypothecaire zekerheid werd verlangd, hetwelk kan worden geduid als een door .
voldoen aan een natuurlijke verbintenis, gezien de oorzaak voor het ontstaan
van dit debetsaldo

23. Het enkele feit dat . de betreffende hypotheekakte ondertekende,
nodig vanwege het feit dat de echtelijke woning werd ondergezet, brengt niet
met zich dat kan worden gezegd dat . zich, ook niet bij wege van natuurlijke
verbintenis verbond het debet-saldo op meergenoemde rekening voor de helft
voor haar rekening te nemen. Indien . bij zijn in rechtsoverweging 22
weergegeven stelling blijft, zal hij dienen aan te tonen dat . zich gehouden
achtte tenminste de helft van de debetstand (eventueel uit
fatsoensoverwegingen) voor haar rekening te nemen

24. . behoeft voorts in die debetstand in ieder geval niet bij te dragen
voorzover die stand is veroorzaakt door uitgaven welke elders in deze
procedure al tot verrekening zullen leiden

25. De Rechtbank kan voorshands partij . niet volgen in hetgeen zij
onder 65 en 66 van haar nadere conclusie stelt

Het wil de Rechtbank namelijk voorkomen dat . het debetsaldo, waarin .
zijns inziens zou moeten bijdragen, juist vermindert met de door haar, .
gelaakte posten

Ter comparitie zal . dit punt kunnen verduidelijken

26. De Rechtbank acht het niet uitgesloten dat het debetsaldo op de
380-rekening mede is ontstaan omdat . een groot deel van zijn inkomsten naar
zijn ondernemingsvermogen heeft laten vloeien (nadere conclusie onder punt
17). Mocht dit het geval zijn – de bewijslast ligt hier overigens in
principe bij . – dan lijkt het de Rechtbank niet denkbeeldig dat alsnog tot op
zekere hoogte verrekening tussen het aanwezige ondernemingsvermogen en de
debetstand zal moeten plaatsvinden. Verdere informatie daaromtrent kunnen
partijen de Rechtbank ter comparitie geven

F. Verrekenbeding

27. De tekst van de huwelijksvoorwaarden is voldoende duidelijk.
Hield de man, . dus, in enig jaar inkomsten over, dan kon en kan de vrouw, .,
aanspraak maken op de helft van het overschot

28. Van jaar tot jaar zal derhalve moeten worden bezien of de hiervoor
bedoelde situatie zich heeft voorgedaan

Ter comparitie zal de Rechtbank met partijen onder ogen zien in hoeverre
op dit punt deskundige hulp noodzakelijk is

De gevraagde verklaring voor recht kan overigens te zijner tijd worden
gegeven

G. Informatieplicht

29. . heeft erkend dat op hem een informatieplicht rust

Hij heeft zich voorts bereid verklaard . bepaalde bescheiden (conclusie
van dupliek in conventie punt 84) af te geven c.q. ter inzage te geven

Ter comparitie zal worden nagegaan welke bescheiden . nog behoeft en op
welke wijze . aan zijn informatieplicht kan voldoen

H. Wat moet verrekend worden?

30. Voor zover het vermogen van ., waarbij beide partijen voorshands
alleen reppen over het ondernemingsvermogen, is opgebouwd uit overschotten uit
inkomsten dient verrekening van dit vermogen plaats te vinden op basis van
hetgeen hiervan onder 27 en 28 is overwogen

31. Partijen zijn het er in ieder geval over eens dat op dit vermogen de
latente belasingverplichtingen van . in mindering moeten worden gebracht

Voor zover de rekening-courantschuld van . op de Amro 380-rekening is
ontstaan ten gevolge van uitgaven voor de huishouding en uitgaven voor . welke
nog niet elders zijn verrekend, lijkt het de Rechtbank in de rede liggen dat
ook deze uitgaven ter bepaling van het vermogen in aanmerking worden genomen

De Rechtbank zal dit punt met partijen ter comparitie onder ogen zien

De Rechtbank merkt nu reeds op dat het aan . is om te zijner tijd aan te
tonen dat de debetstand (mede) door hogergenoemde uitgaven is veroorzaakt

32. Op vorderingen van . met betrekking tot de opgebouwde
pensioenrechten is . niet verder ingegaan. De Rechtbank houdt het er dan
ook voor dat hij op dit punt geen verweer wenst te voeren, zodat deze
vorderingen te zijner tijd toewijsbaar zijn

I. Wat blijft buiten de verrekening?

33. Buiten de verrekening blijft hetgeen . aan vermogen heeft
aangebracht of geerfd c.q. geschonken heeft gekregen. Partijen zijn het
daarover eens

Weliswaar merkt . op zich terecht op dat op grond van de
huwelijksvoorwaarden . vermogen ook mocht worden aangewend voor de kosten van
de huishouding etc., doch tot welk bedrag zich deze omstandigheid heeft
voorgedaan is ten processe niet naar voren gekomen, zodat de Rechtbank aan dit
punt voorbijgaat

34. Beleggingen van ., gefinancieerd met “vreemd” vermogen, dienen op
gelijke wijze buiten beschouwing te blijven

35. De geldlening groot ƒ 40.000,– welke door de vader van . alleen
aan haar zou zijn kwijtgescholden is onder 15 en 16 hiervoor reeds aan de orde
gekomen

J. Rekening en verantwoording

36. Tegenover de vordering van . tot het doen van rekening en
verantwoording stelt . dat hij zich nimmer heeft bezig gehouden met het beheer
van haar vermogen, behoudens wellicht een enkele beheershandeling, in welke
handeling . echter is gekend

37. Sub. 85 in haar nadere conclusie somt . echter een vijftal punten op
waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat . wel degelijk met het beheer van,
voornamelijk, haar vermogen van doen heeft gehad

In zijn nadere conclusie is . op deze punten verder niet ingegaan,
ofschoon dit, gezien de verschafte documentatie, wel op zijn weg had gelegen

38. Ervan uitgaande dat in principe hier sprake kan zijn geweest van
beheer, zal de Rechtbank bij de comparitie nader ingaan op de vraag wat dit
beheer heeft omvat

Indien . erbij mocht blijven dat er van beheer geen sprake is geweest,
zodat voor rekening en verantwoording geen plaats is, zal hij er rekening mee
moeten houden dat op hem wel eens de bewijslast van deze stelling kan komen te
rusten

K. Vanwaardeverklaring beslagen

39. De Rechtbank heeft bij de gedingstukken niet aangetroffen het
verzoekschrift tot beslaglegging van . en het verlof van de President

Te gelegener tijd zal . deze stukken nog in het geding kunnen brengen

40. De Rechtbank zal ter comparitie nagaan of een (partiele) schikking
mogelijk is

RECHTDOENDE:

Er wordt een comparitie van partijen bevolen alwaar partijen in persoon,
desgewenst vergezeld van hun raadslieden, aanwezig dienen te zijn

Deze comparitie, gelast ter fine als hiervoor vermeld, zal worden
gehouden in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Juliana van
Stolberglaan 2 te ‘s-Gravenhage ten overstaan van de na te noemen rechter, die
dag en uur voor de comparitie zal bepalen nadat partijen hem voor 31 december
1988 de relevante verhinderdata hebben medegedeeld

Stukken waarvan partijen zich ter comparitie wensen te bedienen, dienen
zij tenminste veertien dagen voor de comparitiedatum in afschrift aan hun
wederpartij en genoemde rechter toe te zenden

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden

Rechters

mr. J.W. Westenberg, vice-president

Instantie: President van de Arrondissementsrechtbank Rotterdam, 28 november 1988

Instantie

President van de Arrondissementsrechtbank Rotterdam

Samenvatting


Eiseres vordert een straatverboden een contactverbod op verbeurte van
een dwangsom van ƒ 500,– (vijfhonderd gulden) per overtreding, alsmede dit
vonnis uitvoerbaar te verklaren bij lijfsdwang

De president in kort geding verbiedt gedaagde om eiseres telefonisch of
schriftelijk te benaderen of op andere wijze kontakt met haar te zoeken dan
wel- eiseres hinderlijk te volgen. Bovendien wordt een dwangsom opgelegd
van ƒ 100,– (honderd gulden) per overtreding met een maximum van ƒ
2.000,– (tweeduizend gulden)

Eiseres wordt gemachtigd om dit vonnis voor wat betreft de verboden, bij
lijfsdwang ten uitvoer te leggen, met dien verstande dat voor elke keer dat
gedaagde aan een verbod niet voldoet, gedaagde zeven dagen in gijzeling mag
worden gesteld en dat in het totaal niet meer dan drie maanden gijzeling is
toegestaan

Volledige tekst

Rechters

Mr. C.H.B. Boot, president

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 25 november 1988

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Uitsluiting van iedere gemeenschap bij huwelijkse voorwaarden.
Ongerechtvaardigde verrijking van de man door toeneming van diens vermogen als
gevolg van de onbetaalde werkzaamheden van de vrouw? Vergoeding op grond van
redelijkheid en billijkheid?

Volledige tekst

(…) 2. De feiten

In hoger beroep staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel
niet of onvoldoende betwist het volgende tussen pp. vast:

Pp. zijn op 25 maart 1974 met elkaar gehuwd buiten elke gemeenschap van
goederen, zulks ingevolge op 22 maart 1974 opgemaakte akte van huwelijkse
voorwaarden, verleden door notaris L.J. van der Linden te Hilversum

Bij vonnis van de Rb. te Amsterdam van 12 mei 1982 is echtscheiding
tussen pp. uitgesproken, welk vonnis op 17 juni 1982 in de registers van de
burgerlijke stand is ingeschreven

De vrouw en de man hebben in het caf “(.D.)” te A. werkzaamheden
verricht, de vrouw tot begin 1982. De man heeft later een caf (…)
gekocht

De vrouw heeft voor dat caf de snacks en soepen verzorgd

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie nog van belang, om
het volgende

Tijdens het huwelijk van partijen, die met uitsluiting van iedere
gemeenschap waren gehuwd, heeft de vrouw werkzaamheden verricht in een aan de
man toebehorend cafbedrijf, voor welke werkzaamheden zij geen vergoeding heeft
ontvangen. Over de omvang van die werkzaamheden verschillen partijen van
mening. De door de man over de jaren 1974-1981 met zijn onderneming
behaalde winst is voor een gedeelte groot ƒ 110.000,- fiscaal toegerekend aan
de vrouw; de daarover verschuldigde inkomstenbelasting ad ƒ 25.000,- is door
de man voldaan

Stellende dat haar arbeid in het bedrijf heeft geleid tot een
vermogenstoename aan de zijde van de man en dat de man haar naar redelijkheid
en billijkheid alsnog een vergoeding ten bedrage van ƒ 85.000,- verschuldigd
is, heeft de vrouw in rechte betaling van dat bedrag gevorderd nadat het
huwelijk van partijen door echtscheiding was ontbonden. De man heeft de
gestelde vermogenstoename ontkend en ook overigens de vordering betwist

De Rechtbank heeft de vordering afgewezen, overwegende dat geen beloning
was overeengekomen, dat het enkele feit dat een vergoeding redelijk en billijk
zou zijn geen betalingsverplichting van de man doet ontstaan en dat, voor
zover de vrouw haar aanspraken grondt op ongerechtvaardigde verrijking, het
Nederlandse recht zodanige rechtsgrond niet kent

Het Hof heeft blijkens rechtsoverweging 3.5 van het bestreden arrest de
door de vrouw tegen die afwijzing gerichte grief aldus opgevat dat de vrouw
als grondslag voor haar vordering aanvoert dat gezien de aard van de
overeenkomst van huwelijksvoorwaarden de billijkheid meebrengt dat – nu
partijen van echt gescheiden zijn – de man aan de vrouw in ieder geval dient
te betalen de toeneming van zijn vermogen voor zover deze is ontstaan door de
arbeidsinspanning van de vrouw. Het Hof heeft die grief verworpen op de in
zijn rechtsoverweging 3.6 vermelde gronden. Hiertegen richt zich het middel
van cassatie

3.2. Het Hof heeft in rechtsoverweging 3.6. niet geoordeeld dat, indien
uitsluiting van iedere gemeenschap is overeengekomen, aanspraken als de
onderhavige nimmer uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen
voortvloeien. Door te spreken van de “redelijkheid en billijkheid waarop de
vrouw zich beroept” heeft het Hof kennelijk slechts tot uitdrukking willen
brengen dat de door de vrouw ter ondersteuning van haar aanspraken gestelde
feiten en omstandigheden daartoe niet toereikend zijn

Dit oordeel is juist. Weliswaar is ook een krachtens een overeenkomst
van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk
voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid onaanvaardbaar is, maar de enkele omstandigheid dat door de
arbeidsinspanning van de vrouw het vermogen van de man is toegenomen, is niet
voldoende om een tussen partijen overeengekomen uitsluiting van iedere
gemeenschap niet toe te passen

Uit het voorgaande volgt dat het middel niet tot cassatie kan leiden

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij
haar eigen kosten draagt

Rechters

Mrs Martens, De Groot, Bloembergen, Verburgh, Roelvink;Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 24 november 1988

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


Angela C. heeft op 18 juni 1986 een verzoek om een vergunning tot
verblijf voor het verrichtten van arbeid als zelfstandige ingediend. Hierop
is op 1 juni 1987 afwijzend beslist. Op 21 augustus heeft de
Staatssecretaris van Justitie een verzoekschrift om herziening ontvangen

Voor wat betreft het toepasselijke recht:

artikel 91, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit
bepaalt dat als begunstigde EEG-onderdaan wordt beschouwd de vreemdeling die
onderdaan is van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap en die
verblijf houdt in of zich begeeft naar Nederland hetzij om er, al dan niet in
loondienst, werkzaamheden te verrichten, hetzij in de hoedanigheid van persoon
te wiens behoeve diensten worden verricht

De Staatssecretaris overweegt dat is gebleken, dat de Angela C. in
februari naar Nederland is gekomen en tot op heden door prostitutie in haar
levensonderhoud voorziet en dat derhalve de werkzaamheden van Angela C. niet
als louter marginaal en bijkomstig kunnen worden aangemerkt

Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan
Angela C. verblijf in Nederland kan worden geweigerd

Daarom is Angela C. aan te merken als begunstigde EEG-onderdaan en moet
zij in het bezit worden gesteld van een vergunning tot verblijf voor de duur
van vijf jaren

Volledige tekst

Rechters

Staatssecretaris van Justitie, w.g. J.L. Poot

Instantie: Rechtbank Arnhem, 24 november 1988

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Toewijzing vordering tot betaling materiele schadevergoeding nader
op te maken bij staat. Materiele schade betreft studievertraging, waardoor
studieschuld groter wordt en deelname aan arbeidsproces een jaar later zal
plaatsvinden. Toewijzing vordering tot betaling van ƒ 10.000,- als
immateriele schadevergoeding.

Volledige tekst

Gelet op het tegen de niet verschenen gedaagde verleende verstek;

Gezien de stukken;

Overwegende dat eiseres bij met de dagvaarding overeenstemmende conclusie
van eis stelt en vordert als is weergegeven in de hierna op te nemen
fotocopie van het exploit van dagvaarding;

Kosteloos ingevolge toevoeging nr. 563079 D, afgegeven door het Buro voor
Rechthulp te Arnhem d.d. 29 augustus 1988.

Vandaag, de een en dertigste augustus negentien honderd acht en tachtig;

heb ik, Warner Mink, wonende te Wijchen, deurwaarder bij de
Arrondissementsrechtbank te Arnhem en het Kantongerecht te Nijmegen en
aldaar kantoorhoudende aan de Nieuwstr. no. 12

op verzoek van D., wonende te Nijmegen, in deze zaak woonplaats kiezend
te Nijmegen aan de (…), ten kantore van het Vrouwenadvocatencollectief
aldaar, waarvan Mr. J.C.M. Kroon door haar tot procureur wordt gesteld,
alsmede woonplaats kiezend Arnhem aan de (…), ter griffie van de
Arrondissmentsrechtbank aldaar;

GEDAGVAARD

A., wonende te Nijmegen aan de (…) aldaar aan die gekozen woonplaats mijn
exploit doende en afschrift dezes latende aan:

Ik, deurwaarder, heb gedaagde gedagvaard om op donderdag, 15 september
negentien honderd acht en tachtig, ’s morgens om 9.30 uur (half tien), bij
procureur te verschijnen op de openbare terechtzitting van de
Arrondissementsrechtbank te Arnhem. Deze terechtzitting zal worden
gehouden in het Paleis van Justitie aan de (…) te Arnhem;

Op de terechtzitting zal eiseres, in de rest van dit stuk ook D. genaamd,
op de volgende gronden erna te noemen eis instellen tegen gedaagde, verder
ook A. te noemen;

D. is op 6 juli 1987 bijna door A. verkracht. Slechts omdat D. zich heftig
verzette, heeft A. zijn voornemen niet ten uitvoer kunnen brengen.

A. is door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem bij vonnis d.d. 28
oktober 1987 van poging tot verkrachting veroordeeld tot een
voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank besloot tot
deze straf “gezien het geweldadige en lafhartige karakter van het
bewezenverklaarde, alsmede de grote psychische schade, die het feit bij
het slachtoffer teweeg heeft gebracht”.

D. kent A.: ze heeft wel eens bij hem en zijn vriendin de haren geknipt.
A. lokte haar op 6 juli 1987 naar zijn woning met de smoes, dat bij hem
en zijn vriendin de haren geknipt moeten worden. De vriendin van A. blijkt
niet thuis te zijn. Wanneer D. haar kappersspullen bij elkaar zoekt, pakt
A. haar beet, gooit haar op bed, gaat bovenop haar zitten. Met zijn knieen
houdt hij haar klem. Hij drukt een kussen op haar gezicht wanneer ze gilt.
Zijn hand legt hij om haar keel, knijpt deze dicht om haar te doen stoppen
met gillen.

A. bedreigt haar: ze mag niets tegen de politie of haar ouders of wie dan
ook zeggen van het gebeurde. A. zal haar wel weten te vinden, zijn
mannetjes op haar afsturen. Ze zal niet veilig zijn.

D. doet wel aangifte. De politie houdt A. op 8 juli aan.

De arts die D. op 7 juli ziet, constateert bij haar: 2 blauwe plekken in
de hals, pijnlijke schouderspieren, blauwe plekken op de bovenarm, en
pijnlijke bovenarmspieren, kneuzingen aan ribben en linkerflank,
oppervlakkige krassen rechterbovenarm en linkerbovenbeen boven de knie.
Haar kettinkje blijkt op 2 plaatsen gebroken te zijn.

De gevolgen van dit seksueel geweld zijn voor D. zeer groot. Zij ziet nog
steeds beelden van het gebeurde voor zich, kan het niet van zich afzetten.
’s Nachts wordt ze huilend wakker. Ze is bang om alleen over straat te
gaan, bang om na school alleen van het station naar haar huis te moeten
gaan. Op school gaat het slecht: veel lessen mist ze omdat ze niet meer
naar school durft. Gaat ze wel naar school, dan heeft ze last van
concentratiestoornissen, ze kan haar aandacht niet bij de les houden. Als
gevolg hiervan zal ze het schooljaar 1987/1988 over moeten doen.

A. heeft onrechtmatig jegens D. gehandeld, door te proberen haar te
verkrachten. De schade die D. hierdoor lijdt, is een rechtstreeks gevolg
van de onrechtmatige handelingen en zal door A. vergoed moeten worden.

De schade bestaat uit 2 componenten:

-Materiele schade: o.a. bestaande uit: De vertraging in haar opleiding
heeft tot gevolg, dat D. met een jaar vertraging aan het arbeidsproces kan
deelnemen. Zij lijdt hierdoor schade, bestaande uit het verschil tussen
loon, dat zij had kunnen verdienen (f 1.163,63 bruto per maand) en de
studiebeurs, die zij nu heeft ƒ 634,- per maand. D. ontvangt tijdens haar
studie een studiebeurs met aanvullende lening. Door de studievertraging
wordt haar studieschuld 12 x ƒ 125,- = ƒ 1.500,- groter.

-Immateriele schade:

de psychische schade, die D. heeft geleden en nog zal lijden in de
toekomst, is aanzienlijk groot en uiteindelijk nooit volledig in geld uit
te drukken en te vergoeden.

D. acht een bedrag van ƒ 10.000,- een passende vergoeding voor het leed,
dat zij lijdt en heeft geleden.

Toewijzing van dit bedrag zal in ieder geval tot gevolg hebben, dat A.
jarenlang, al is het dan alleen in zijn portemonnaie, geconfronteerd zal
blijven met het feit, dat hij D. leed heeft aangedaan. D. zal het haar
leven lang met zich meedragen.

Eiseres biedt uitdrukkelijk bewijs aan van haar stellingen met alle
middelen rechtens.

Op grond van het bovenstaande verzoekt zij de rechtbank: a. bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tot het betalen van een
schadevergoeding van ƒ 10.000,- terzake van immateriele schade, verhoogd
met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

b. bij vonnis gedaagde te veroordelen tot het betalen van een
schadevergoeding terzake van materiele schade, deze schade nader op te
maken bij staat, met verhoging van het schadebedrag met de wettelijke
rente vanaf de dag der dagvaarding.

Dit alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

De kosten hiervan zijn voor de deurwaarder ƒ 72,95 in debet.

Overwegende dat de vordering de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond
voorkomt, zodat deze kan worden toegewezen;

RECHTDOENDE:

Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijke kwijting aan eiseres te betalen
de somma van ƒ 10.000,- (tienduizend gulden), terzake van immateriele
schade vermeerderd met de rente als gevorderd.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt gedaagde tot vergoeding aan eiseres van de in de dagvaarding
vermelde, door haar geleden en nog te lijden materiele schade, nader op
te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en vermeerderd met de
rente als gevorderd.

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van deze procedure, aan de zijde
van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 992,95, waarvan te
betalen aan de griffier van deze rechtbank ƒ 917,95, te weten:

– ƒ 225 wegens in debet gesteld griffierecht;

– ƒ 72,95 wegens uitbrengen exploiten en opmaken processenverbaal door de
deurwaarder(s);

– ƒ 620 wegens salaris procureur van eiseres,

en het restant ad ƒ 75 aan de procureur van eiseres.

Rechters

Mr. N. van Raalte

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 18 november 1988

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


N. heeft ontuchtige handelingen moeten dulden van H. nadat deze haar
van haar vrijheid had beroofd. H. is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld
o.g.v. art. 246 Sr. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen H. kan
worden aangerekend. De rechtbank kent N. ƒ 2.653,= materiele
schadevergoeding toe en ƒ 6.000,= immateriele schadevergoeding. De
immateriele schadevergoeding (eis ƒ 10,000,=) is gematigd in verband met
de stand en fortuin van partijen en op grond van billijkheid.

Volledige tekst

1. De procesgang.

Eiseres N. heeft gedaagde H. bij exploit d.d. 28 juli 1987 gedagvaard voor
deze rechtbank en gevorderd zijn veroordeling tot betaling van na te
noemen geldsom.

H. heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Partijen hebben bij re- en dupliek hun stellingen nader uiteengezet
waarbij N. twee en H. drie produkties in het geding bracht.

N. heeft vervolgens nog een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen vonnis op stukken verzocht.

2. Het geschil.

1. N. vordert de veroordeling van H. tot de betaling aan haar van ƒ
11.843,= en in de kosten van het geding.

2. Zij voert daartoe aan:

H. heeft jegens haar onrechtmatige daad gepleegd.

Hij heeft namelijk op 24 oktober 1986 te Waalre haar van haar vrijheid
beroofd en haar met geweld gedwongen ontuchtige handelingen te dulden. N.,
ter tijde 20 jaar en H.T.S.- scholiere, werd toen zij te ongeveer 11 uur
in de voormiddag huiswaarts keerde, op een eenzame weg door H. van haar
fiets gerukt. Hij voerde haar, na haar geblindoekt te hebben, het nabij
gelegen bos in, bond haar vast zodat zij los van de grond aan een boom
werd gehangen, ontkleedde en bedreigde haar en ontnam haar goederen,
waaronder een portemonnaie.

H. is terzake -naast andere feiten jegens derden- door de rechtbank te
s’-Hertogenbosch bij vonnis van 12 februari 1987 wegens overtreding van
artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht strafrechtelijk veroordeeld tot
een gevangenisstraf van een jaar onvoorwaardelijk en tot de maatregel van
een voorwaardelijke terbeschikkingstelling van de regering.

Door dit handelen van H. heeft N. schade geleden:

-kleding vernield en weggenomen ƒ 790,–

-portemonnaie met geld en overige inhoud weggenomen ƒ 53,–

-buskosten wegens angst voor gebruik van de fiets bij woon-school verkeer
ƒ 1.000,–

immateriele schade door leed en blijvende angst ƒ 10.000,–

Totale kosten: ƒ 11.843,–

3. H. voert ten verwere aan:

Hij betwist de handeling en de strafrechtelijke veroordeling wegens
overtreding van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht niet. Maar hij
is terzake niet civielrechtelijk aansprakelijk omdat dit handelen hem niet
kan worden toegerekend door het ontbreken van schuld. Hij was ter tijde
van dit handelen sterk verminderd toerekeningsvatbaar, zoals ook de
psychiatrische deskundige in het strafgeding, dr. Corthals, in zijn
rapport heeft verklaard. H. was door een plotseling opgekomen
onweerstaanbare drang buiten staat anders te handelen dan hij heeft
gedaan.

Voorts betwist Van H. dat N. schade heeft geleden.

-van vernieling van kleding is geen sprake geweest;

-noodzaak tot het gebruik van openbaar vervoer was er niet en behoefde in
ieder geval niet tot de uitgave van ƒ 1000,– te leiden;

-van enige psychische schade is evenmin sprake en lichamelijk letsel is
niet toegebracht.

Indien wel schade wordt vastgesteld, maakt H. om aanspraak op matiging van
veroordeling daartoe en op spreiding van betaling wegens zijn geringe
betalingscapaciteit: hij ontvangt het minimum-loon.

4. N. heeft nog gerepliceerd dat ook bij verminderde
toerekeningsvatbaarheid een stuk daarvan resteert, zodat H. schuld heeft
en aansprakelijk is.

3. De beoordeling.

1. De onrechtmatige daad van H. jegens N. staat in dit geding vast. De
veroordeling van H. terzake artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht
biedt naast de erkenning extra bewijs. Er is hier sprake van een misdrijf
in de zin van artikel 1407, lid 3, Burgerlijk Wetboek.

2. Partijen twisten op de eerste plaats over de vraag of H. ook schuld
heeft aan dit handelen zodat hem dit kan worden toegerekend. H. doet voor
dit verweer een beroep op het in het strafgeding door de psychiater
gegeven advies, dat hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar moest worden
geacht.

Met N. is de rechtbank van oordeel dat die aldus verminderde
toerekeningsvatbaarheid niet verhinderd dat dit handelen civielrechtelijk
aan H. moet worden toegerekend. Ook in het strafgeding is de rechtbank tot
een veroordeling en een strafoplegging (een jaar gevangenis
onvoorwaardelijk voor dit en enkele andere feiten) gekomen. Zijn
geestelijke toestand ontnam H. kennelijk niet ieder besef van zijn
handelen en iedere vrijheid om anders te handelen dan hij deed; anders
hadden de deskundige en de rechtbank tot de oordelen: ontoerekenbaar en
respectievelijk plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis moeten komen.

H. is derhalve terzake aansprakelijk te achten.

3. Inzake de schade oordeelt de rechtbank mede aan de hand van het
overgelegde proces-verbaal van de politie als volgt:

-de kledingschade is in de gegeven omstandigheden

-N. vluchtte practisch ongekleed uit het bos- aannemelijk maar vraagt een
verrekening van nieuw voor oud en is daarom op grond van de billijkheid
te bepalen op ƒ 600,–

-portemonnaie ƒ 53,–

-buskosten aannemelijk en gerechtvaardigd aangezien N. schrik moet hebben
gehad om zich nogmaals per fiets over deze eenzame weg naar school te
begeven ƒ 1.000,–

-immateriele schade: leed en langdurige angst en onrust door zulk een
traumatisch ervaren ligt in de rede. Op grond van billijkheid en rekening
houdend met de stand en fortuin van partijen en met name ook H. ƒ
6.000,–

zodat het totaal wordt ƒ 8.653,–

Tegen welk totaal de betwisting van H. onvoldoende gemotiveerd is.

4. H. is de overwegend in het ongelijk gestelde partij en dient de
proceskosten te dragen.

4. De beslissing.

De rechtbank:

1. veroordeelt H. tot de betaling aan N. tegen deugdelijke kwijting van
de som van ƒ 8.5653,– (zegge achtduizendzeshonderddrieenvijftig gulden);

2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3. Wijst af het meer gevorderde;

4. Veroordeelt H. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van N. begroot op ƒ 1.385,75, waarvan ƒ 45,75
deurwaarderskosten (deurwaarderskantoor Velthuys te Eindhoven)

ƒ 300,– griffierechten

ƒ 1040,– salaris procureur

ƒ 50,– eigen bijdrage,

te voldoen aan de griffier dezer rechtbank binnen 14 dagen na het in
kracht van gewijsde gaan van dit vonnis op gironr. 1102300 ten name van
de gerechten in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch onder vermelding van:
rolnummer 2551/87.

Rechters

Mrs. Pinckaers, voorzitter, Bik en de Kok, leden, mr. Povel,vice-president

Instantie: President rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 16 november 1988

Instantie

President rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Marokkaanse meisjes worden wegens het dragen van hoofddoekjes de verdere
toegang tot de school ontzegd. President is van mening dat de door de school,
uit een oogpunt van veiligheid en hygiëne, voorgeschreven kledingeisen voor
de gym- en zwemlessen de toets van een redelijke kritiek kan doorstaan. Het
recht om godsdienst in vrijheid te belijden kan niet jegens een particuliere
instelling worden ingeroepen. De eis tot opnieuw toelating wordt afgewezen.

Volledige tekst

De procedure

Eisers hebben bij exploit van dagvaarding in kort geding gesteld en gevorderd
zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte fotocopie van de dagvaarding.

Gedaagde heeft ter terechtzitting verweer gevoerd tegen de vordering bij
monde van mr J.H.Th. Frissen, verbonden aan het Centraal Bureau voor het
katholieke Onderwijs te ‘s-Gravenhage. Deze heeft zijn betoog gehouden aan de
hand van de door hem overgelegde pleitnotities.

Vervolgens heeft de raadsman van eiseres mondeling de vordering toegelicht en
gereageerd op het zijdens gedaagde aangevoerde, zulks aan de hand van de door
hem overgelegde pleitnota.

Na gevoerd debat hebben partijen de processtukken overgelegd voor het wijzen
van vonnis.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, staan de
navolgende feiten vast.

De beide minderjarige dochters van eisers volgen sinds augustus 1988
onderwijs in de brugklas van de school voor Lager Economisch en
Administratief Onderwijs St. Joris te Helmond. Deze school staat onder het
gezag van gedaagde. In het onderwijsprogramma van deze school zijn onder meer
gym- en zwemlessen opgenomen, waaraan de leerlingen in de voorgeschreven
kleding dienen deel te nemen. De dochters van gedaagden hebben sedert het
begin van het schooljaar verzuimd aan deze lessen deel te nemen. Partijen
hebben hierover overleg gevoerd. Eisers, die hun dochters opvoeden volgens de
voorschriften van de Koran, hebben daarbij te kennen gegeven dat de Koran
niet toestaat, dat hun dochters, zichtbaar voor leden van het andere
geslacht, gekleed gaan in een korte (gym)broek en/of zwemkleding. Omdat men
niet tot een voor beide partijen bevredigende oplossing kon komen, heeft
gedaagde de beide dochters van eisers vervolgens niet meer tot de lessen
toegelaten.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen.

Eisers vorderen -kort gezegd- dat gedaagde wordt bevolen hun beide dochters
weer toe te laten op voornoemde school, met bepaling dat gedaagde zich zal
onthouden van het geven van voorschriften aan deze meisjes met betrekking tot
het bijwonen van de gym- en zwemlessen tezamen met leden van het mannelijk
geslacht, in met de islamitische geloofsovertuiging strijdige kleding;
althans op een met de islamitische geloofsovertuiging niet verenigbare wijze.
Eisers beroepen zich daarbij op het in artikel 6, eerste lid van de Grondwet,
alsmede in een aantal door eisers aangehaalde verdragsbepalingen, neergelegde
recht op vrijheid van godsdienst. Nu gedaagde in de visie van eisers dit
recht niet (voldoende) respecteert, handelt zij onrechtmatig jegens eisers en
hun dochters. Gedaagde voert hiertegen aan dat zij, zoveel als
redelijkerwijze in haar vermogen ligt, rekening houdt met de
geloofsovertuiging van haar leerlingen. Zo geeft zij aan leerlingen met de
islamitische geloofsovertuiging vrijstelling van het volgen van lessen op
erkende islamitische feestdagen. Tegemoetkomen aan de wensen van eisers zou
in de praktijk betekenen dat de dochters van eisers niet aan de lessen
lichamelijke opvoeding zouden kunnen deelnemen. Een reële mogelijkheid om
islamitische meisjes afzonderlijk gym- en zwemlessen te geven is gelet op de
problemen van roostertechnische aard niet aanwezig.
Het toelaten van de meisjes tot de gymles in voor hun ouders acceptabele
kleding is uit een oogpunt van hygiëne en veiligheid niet aanvaardbaar. Die
kleding zal er veelvuldig toe leiden dat bepaalde oefeningen niet naar
behoren kunnen worden uitgevoerd: onder omstandigheden -bijvoorbeeld indien
met toestellen wordt gewerkt- zal door het dragen van andere dan de
voorgeschreven kleding ook de kans op ongevallen vergroot worden.
Overigens staan de thans door eisers geuite wensen haaks op het beleid van de
school dat is gericht op emancipatie en integratie van meisjes uit culturele
en etnische minderheden. Dit beleid is ook succesvol getuige het feit dat
enige tientallen andere islamitische meisjes zonder problemen van het totale
onderwijspakket gebruik maken. Gedaagde volhardt dan ook bij het standpunt,
dat alle leerlingen van de onder haar gezag staande school in principe
gehouden zijn alle verplichte lessen te volgen, voor wat betreft de gym- en
zwemlessen in de voorgeschreven kleding; en dat zij, gedaagde, indien
leerlingen weigeren aan deze eisen te voldoen, gerechtigd is deze niet langer
tot de lessen toe te laten.
Gedaagde heeft dit standpunt ook van meet af aan ingenomen.

De beoordeling

Eisers zijn tijdig op de hoogte gebracht van de eisen die gedaagde stelt aan
leerlingen voor wat betreft het volgen van verplichte lessen, zoals gym- en
zwemles, en aan de daarbij uit het oogpunt van veiligheid en hygiëne te
dragen kleding. Deze eisen kunnen de toets van een redelijke kritiek
doorstaan. Het is verder alleszins aannemelijk dat het voor gedaagde op
onoverkomelijke praktische en organisatorische bezwaren zou stuiten om haar
lessen lichamelijke opvoeding zodanig aan te passen of in het lesrooster in
te passen dat aan de voorwaarden waarop eisers hun dochters aan die lessen
willen laten deelnemen voldaan wordt.
Het is geenszins onbegrijpelijk en evenmin onredelijk dat gedaagde niet
bereid is voor de dochters van eisers een uitzondering op het door haar
gevoerde beleid te maken in die zin dat die dochters de vrijheid zou worden
gelaten om de lessen lichamelijke opvoeding al dan niet te volgen. De
vordering van eisers zal dan ook worden afgewezen. Hieraan doet niet af het
door eisers gedane beroep op het recht hun godsdienst in vrijheid te
belijden. Het gaat hierbij immers om een recht waaraan wel aanspraken jegens
de Staat maar niet jegens een particuliere instelling als gedaagde kunnen
worden ontleend.
Overigens verdient nog opmerking dat door gedaagde onbetwist is aangevoerd
dat in Helmond de mogelijkheid bestaat om onderwijs dat overeenstemt met het
door haar gebodene, te volgen aan een instelling die niet zwemles als
onderdeel van de lessen lichamelijke opvoeding kent en waar de lessen
voornamelijk door meisjes worden gevolgd zodat daar wellicht wel met de
wensen van eisers rekening kan worden gehouden.

Eisers dienen, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld
in de kosten van dit kort geding.

De beslissing

De president:
wijst de vordering af.

Veroordeelt eisers in de kosten van dit kort geding aan de zijde van
gedaagde, tot op heden begroot op ƒ 250.

Rechters

mr Van Delden

Instantie: Ambtenarengerecht Amsterdam, 14 november 1988

Instantie

Ambtenarengerecht Amsterdam

Samenvatting


Klaagster is als ambtenaar in vaste dienst werkzaam bij de Universiteit
van Amsterdam. Klaagster’s echtgenoot is eveneens als ambtenaar in
overheidsdienst werkzaam. Gedurende de jaren 1973-1985 is voor klaagster
door verweerder geen premie betaald ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de
Algemene Weduwen-en Wezenwet daar reeds bij klaagsters echtgenoot het maximum
was ingehouden. Klaagster acht dit in strijd met artikel 119 van het
EEG-Verdrag en verzocht verweerder de niet ingehouden premie alsnog aan haar
te doen toekomen of deze alsnog af te dragen. Hierop heeft verweerder
afwijzend beslist

De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin is overwogen dat de
eerder bedoelde regeling verbindende kracht mist wegens strijd met artikel 119
van het EEG-verdrag is voor klaagster aanleiding om alsnog meer dan de door
haar verschuldigde premie over te nemen of af te dragen, dan wel rechtstreeks
aan haar uit te betalen. Deze uitspraak bevat volgens verweerder een minder
juiste uitwerking van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen van 18 september 1984 en zou leiden tot een ongelijke beloning
in de netto sfeer die het Hof niet kan hebben beoogd

Verder meent verweerder dat zij in redelijkheid niet veplicht is het
verzoek van klaagster te honoreren. De besluiten om niet tot (meer)
premie-afdracht over te gaan waren voor klaagster in ieder geval kenbaar uit
de verstrekte jaaroverzichten. Tegen deze besluiten heeft zij nooit beroep
ingesteld, zodat zij in rechte onaantastbaar is geworden. Gelet op het
grote tijdsverloop en op de financiele en organisatorische consequenties die
een ander standpunt met zich mee zou brengen, meent verweerster in
redelijkheid thans niet meer verplicht te zijn tot het honoreren van
klaagsters verzoek

Klaagster heeft beroep ingesteld bij schrijven d.d. 5 oktober 1987

In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 1981
(gepubliceerd in TAR 1981/408) heeft de Raad uitgesproken dat de regeling
beperking AOW/AWW niet in strijd was met artikel 119 EEG-Verdrag. Na jaren
is de Centrale Raad van Beroep (TAR 1986/186) tot een ander standpunt gekomen
Deze nieuwe opvatting is mede tot stand gekomen naar aanleiding van aan
het Hof gestelde prejudiciele vragen

Het gerecht stelt vast dat de impliciete besluiten van verweerder,
inhoudende de weigering inzake overneming en afdracht van premie AOW/AWW in
rechte onaantastbaar is geworden, nu klaagster geen beroep heeft ingesteld
Immers eerst eind 1983 heeft klaagster te kennen gegeven dat zij het
oneens is met de ingehouden bedragen over het jaar 1982. Dit heeft echter
niet geleid tot het instellen van verder beroep. Klaagsters mening dat
zulks geen zin had gezien de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit
1981 kan het Gerecht niet delen, daar de klaagster uit 1986 ondanks de reeds
voorhanden zijnde jurisprudentie zich tot het Ambtenarengerecht en de Centrale
Raad van Beroep heeft gewend

Door het instellen van dit beroep is een geleidelijke ontwikkeling in de
heersende rechtsopvatting de oorzaak geweest van een wijziging van het
standpunt van de Centrale Raad van Beroep

Klaagsters thans ingestelde beroep dient dan ook naar het oordeel van
het Gerecht opgevat te worden als een verzoek om terug te komen op een eerder
onaantastbaar geworden besluit. Een administratief orgaan, zoals verweerder
is naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep bevoegd, doch
geenszins verplicht om terug te komen op een reeds eerder ten aanzien van een
ambtenaar genomen en onaantastbaar geworden besluit. Dit is een
discretionaire bevoegdheid, en deze mag door de rechter slechts marginaal
getoetst worden. Het aangevallen besluit kan deze marginale toetsing
volgens het Gerecht doorstaan. Daarom moet het ingestelde beroep ongegrond
worden verklaard

Volledige tekst

Rechters

Mr. E.H. de Jong-van Dooijweert, als voorzitter, Mr. E.A.G. Brautigam enMr. J.R. Glasz als leden

Instantie: Rechtbank Utrecht, 8 november 1988

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


X. verzoekt om een regeling inzake de omgang tussen hem en de
minderjarige.., natuurlijk kind van Y, voogdes van rechtswegen, van welke
minderjarige verzoeker als spermadonor de biologische vader is

Op 8 november heeft de kinderrechter vastgesteld dat het enkele feit van
levering van sperma geen gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM,
vestigt tussen donor en kind. Ook de afspraken die tussen partijen zijn
gemaakt zijn irrelevant daar het in ons rechtssysteem niet past bij
overeenkomst te beschikking over bevoegdheden en verplichtingen de
persoonlijke levenssfeer en familiebanden betreffende. Overeenkomsten over
een kind zijn nietig

Ook donorschap in combinatie met gemaakt afspraken cq. gesloten
overeenkomsten over een uit donorschap geboren kind leidt derhalve niet tot
ontvankelijkheid van een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling.
De man kan op grond van de wekelijkse bezoeken in combinatie met zijn
donorschap in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling worden
ontvangen

De partner van de moeder die als sociaal ouder, tevens toeziend voogdes,
het kind mee opvoedt, moet in casu als belanghebbende worden aangemerkt

Op 14 december overweegt de kinderrechter dat wanneer omgang niet in
harmonie kan plaatsvinden een omgangsregeling een verstoring van een
gezinssituatie met zich meebrengt. De rechter zal steeds af moeten wegen of
deze verstoring in een bepaald geval opweegt tegen het belang dat kind en
volwassene hebben bij het behouden van een bestaande band dan wel in geval van
echtscheiding of daarmee gelijk te stellen situaties met het alsnog opbouwen
van een band met de niet verzorgende ouder

Volgens de kinderrechter vertoont de situatie van het met zaad van een
bekende donor verwekte kind de meeste overeenkomst met die van het adoptief
kind ten opzichte van zijn biologische ouders. Het uitgangspunt dient
daarbij dan ook te zijn: geen omgangsregeling met de donor tenzij er sprake is
van bijzondere omstandigheden die omgang in het kennelijk belang van het kind
doen zijn

In casu is duidelijk geworden dat de meningsverschillen van ideologische
aard, die verzoeker en gerequesteerden verdeeld houden, uitgegroeid zijn tot
dermate grote persoonlijke conflicten dat het niet in het belang van de
minderjarige moet worden geacht in die sfeer tegen de zin van beide sociale
ouders omgang te hebben met de donor

Volledige tekst

Gezien het verzoekschrift van X., wonende te (…), procureur mr. G.C.
van Kalmthout-Daniels, strekkende tot het vaststellen van een regeling inzake
de omgang tussen verzoeker en de minderjarige (…), natuurlijk kind van Y.,
voogdes van rechtswege, van welke minderjarige verzoeker als spermadonor de
biologische vader is;

Gezien het verweerschrift van Y., wonende te (…), procureur mr W.
Zeijlstra, advocaat mr A. Willems, strekkende tot niet-ontvankelijk
verklaring van verzoeker in zijn verzoek, althans tot afwijzing van zijn
verzoek als zijnde ongegrond;

Gezien het verweerschrift van Z. (vriendin van de moeder), wonende te
(…), procureur mr W. Zeijlstra, advocaat mr A. Willems, strekkende tot
niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn verzoek, althans tot
afwijzing van zijn verzoek als zijnde ongegrond;

Gezien het nader verzoekschrift van X., strekkende tot niet-ontvankelijk
verklaring van verweerster in haar verweer;

Gelet op de overige stukken in het dossier, waaronder het advies van de
Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht;

Gelet op het op 25 oktober 1988 gehouden verhoor, blijkens daarvan
opgemaakt proces-verbaal;

Overweegt:

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek:

De man heeft zijn verzoek primair gebaseerd op het feit dat hij, als
donor van het zaad waarmee het kind is verwekt, de biologische vader van het
kind is en alleen al daarom een als gezinsleven aan te merken betrekking met
dit kind heeft

Deze stelling is als strijdig met het wezen van het donorschap onjuist.
Door sperma beschikbaar te stellen langs de weg van donorschap, geeft de
donor te kennen niet als vader aangemerkt te willen worden. Er ontstaat door
donorschap geen gezinsleven als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM

De man heeft voorts aan zijn verzoek ten grondslag gelegd de afspraken
die tussen partijen zouden zijn gemaakt over de omgang tussen de donor en het
te verwekken kind. Over de inhoud van die afspraken verschillen partijen van
mening

Een en ander doet echter niet ter zake daar het in ons rechtssysteem
niet past bij overeenkomst te beschikken over bevoegdheden en verplichtingen
de persoonlijke levenssfeer en familiebanden betreffende

Overeenkomsten over een kind zijn nietig

Ook donorschap in combinatie met gemaakte afspraken cq. gesloten
overeenkomsten over een uit donorschap geboren kind leidt derhalve niet tot
ontvankelijkheid van een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling

De man heeft tenslotte zijn verzoek gegrond op het feit dat tussen hem
en het kind een emotionele band is ontstaan doordat hij de eerste acht
maanden na de geboorte iedere week omgang met het kind heeft gehad waardoor
tussen hem en het kind een als gezinsleven in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM
aan te merken relatie is ontstaan

De man kan op grond van deze wekelijkse bezoeken in combinatie met zijn
donorschap in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling worden
ontvangen

Ten aanzien van het nadere verzoekschrift van de man, strekkende tot
niet-ontvankelijk verklaring in haar verweer van de partner van de moeder:

Op de procedure tot het vaststellen van een omgangsregeling op grond van
artikel 8 EVRM moeten primair de bepalingen van boek III, titel 7 RV., van
toepassing worden geacht. Voorzover deze titel geen regeling geeft zijn de
algemene regels voor verzoekschriftprocedures, zoals vervat in boek I titel
12 RV., van toepassing. Daar in boek III, titel 7, niet is bepaald wie een
verweerschrift kan indienen, is artikel 429h RV. toepasselijk. Hierin wordt
aan iedere belanghebbende het recht gegeven een verweerschrift in te dienen

De partner van de moeder die als sociaal ouder, tevens toeziend voogdes,
het kind mee opvoedt, moet in casu als belanghebbende worden aangemerkt

Met betrekking tot de vraag of een omgangsregeling onder de gegeven
omstandigheden in het belang van het kind is te achten, dient een nadere
behandeling plaats te vinden

BESCHIKT:

Verklaart rekwestrant ontvankelijk in zijn verzoek

Verklaart mevrouw Z., als belanghebbende, ontvankelijk in haar verweer

Bepaalt dat de voortzetting van de behandeling zal plaatsvinden ter
zitting van de kinderrechter in deze rechtbank van donderdag 1 december 1988
te 10.00

Rechters

Mr. A.C. Quik-Schuijt, kinderrechter