Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 7 november 1988

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Klager werd volledig uitgesloten van de WW omdat hij ontslag had moeten
nemen bij zijn werkgever vanwege diefstal. Er waren echter vele
verzachtende omstandigheden, o.a. prive-omstandigheden, het betrof diefstal
van zeer geringe bedragen welke ook al weer terug betaald waren, geen
voorgeschiedenis, de oude werkgever achtte recidive onwaarschijnlijk, klager
heeft weer nieuw vast werk gevonden, mede omdat de oude werkgever zich tegen
de nieuwe werkgever positief over klager heeft uitgelaten

De Raad overweegt dat het in de nieuwe WW neergelegde systeem van
sanctietoepassing met zich meebrengt dat een keuze moet worden gemaakt uit de
in de wet aangegeven sancties. Deze varieren van licht tot zwaar. Bij
het maken van zodanige keuze moet rekening worden gehouden met de ernst van de
verweten gedragingen en de mate van verwijtbaarheid. Verzachtende
omstandigheden kunnen daarbij een rol spelen. Alleen op deze wijze wordt
recht gedaan aan de omstandigheid dat het nieuwe WW-systeem een combinatie is
van de oude WW (geen recht op uitkering bij onvrijwillige werkloosheid) en van
de WWV (verlaging van en/of uitsluiting bij bepaalde gedragingen, waaronder
het door eigen schuld verliezen van de arbeid, waarbij in aanmerking genomen
moet worden of en in hoeverre een betrokkene van die gedragingen
redelijkerwijs een verwijt gemaakt kan worden). Bovendien dient bij het
opleggen van een sanctie ook betrokken te worden wat het effect daarvan voor
een betrokkene zal zijn. Nu de uitkeringsduur van de nieuwe WW immers niet
voor iedere verzekerde gelijk is, kan dezelfde sanctie in een bepaald geval
veel zwaarder uitvallen dan in andere, in beginsel vergelijkbare, gevallen

De Raad is van oordeel dat verweerder ten onrechte geen (relevant)
gewicht heeft toegekend aan het geheel van feiten en omstandigheden zoals
boven weergegeven, waardoor die beslissing in strijd komt met het algemeen
rechtsbeginsel inhoudende dat er geen aperte onevenredigheid bestaat tussen de
ernst van de verweten gedraging en de mate van de verwijtbaarheid enerzijds,
en de zwaarte van de toegepaste sanctie anderzijds

Voorts ziet de Raad niet in dat, gelet op de ernst en de omvang van de
door klager begane misstappen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden
alsmede zijn houding en gedrag nadien, deze gedragingen qua ernst c.q. omvang
en mate van verwijtbaarheid op een lijn kunnen worden gesteld met bijvoorbeeld
zware en/of herhaalde fraude, gedragingen welke in de, door verweerder grosso
modo als beleidslijn gevolgde, sanctienotitie van de Federatie van
Bedrijfsverenigingen leiden tot een blijvende gehele weigering van uitkering

De beslissing van verweerder kan niet in stand blijven en hierdoor komt
de grondslag voor terugvordering van de reeds uitgekeerde voorschotten te
vervallen

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Rechtbank Almelo, 2 november 1988

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


De moeder heeft de voogdij gekregen over de twee minderjarige kinderen
R. en S. Omtrent de omgangsregeling wordt als volgt beslist door de
Rechtbank. De omgangsregeling tussen vader en zoon wordt afgewezen omdat de
moeder geen enkel vertrouwen in de vader heeft. Dit wordt (mede) ingegeven
door het feit dat de vader door deze rechtbank onherroepelijk veroordeeld is
wegens incest met de dochter R. Dit zou ten dele zijn gebeurd in het
bijzijn van zoon S. Weliswaar ontkent de vader bovenstaande, doch voor het
in het belang van de kinderen goed functioneren van een omgangsregeling is in
ieder geval vereist dat de ouders elkaar enigszins vertrouwen. (Vader is
ook geen toeziend voogd geworden over dochter R)

Volledige tekst

Rechters

Mr. G. van Eerden, Lid van voormelde Enkelvoudige Kamer, tevensKinderrechter

Instantie: President Rechtbank Groningen, 26 oktober 1988

Instantie

President Rechtbank Groningen

Samenvatting


Eiser wil in kort geding laten verbieden dat 1. zijn vriendin een
abortus laat uitvoeren, subsidiair dat de STIMEZO de abortus uitvoert,
op straffe van een dwangsom. De vordering wordt door de President
afgewezen. Ter beoordeling van de rechter staan niet de motieven van de
vrouw, doch slechts de vraag of de besluitvorming conform de in de Wet
afbreking zwangerschap gestelde eisen heeft plaatsgevonden. Een beroep
op artikel 8 lid 1 EVRM kan niet slagen, omdat er voor de geboorte van
het kind geen family life kan bestaan tussen de verwekker en het kind.

Een beroep op het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht om een
gezin te stichting (artikel 12 EVRM) slaagt evenmin, aangezien deze
rechten dienen te wijken voor het recht van de vrouw om binnen de
grenzen van de Wet afbreking zwangerschap over het eigen lichaam te
beschikken.

Volledige tekst

PROCESGANG

Eiser heeft gedaagden met verlof van de president van deze rechtbank op
26 oktober 1988 gedagvaard om diezelfde dag, des avonds te 19.00 uur, te
verschijnen in kort geding, teneinde te horen eisen:

dat het de president behage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de
minuut en op alle dagen en uren:

1. gedaagde sub 1 te verbieden tot uitvoering over te gaan van haar
voornemen de ongeboren vrucht, waarvan eiser verwekker is, te laten
wegnemen c.q. weghalen, en haar zwangerschap aldus af te breken;

2. gedaagde sub 2 te verbieden uitvoering te geven aan het verzoek van
gedaagde sub 1 haar ongeboren vrucht te laten wegnemen en aldus haar
zwangerschap af te breken;

3. gedaagden ieder voor zich en/of gezamenlijk te veroordelen tot een
onmiddellijk opeisbare dwangsom ten bedrage van ƒ 100.00,– indien zij
in gebreke blijven het gevorderde sub 1 en 2 na te komen;

4. gedaagden ieder voor zich en/of gezamenlijk te veroordelen in de
kosten van dit geding.

De zaak is in de avond van 26 oktober 1988 te 19.00 uur behandeld. Eiser
verscheen met zijn raadsman mr. Bouwman. Gedaagden verschenen niet. Het
was niet gelukt de dagvaarding tijdig aan hen te betekenen.

Eiser concludeerde conform de dagvaarding van eis, gaf een nadere
toelichting, legde producties over en vroeg vonnis.

Vervolgens deed de president terstond mondeling uitspraak.

MOTIVERING

Gedaagden konden vanwege de korte spanne tijds tussen het uitbrengen van
de dagvaarding en de zitting niet behoorlijk worden gedagvaard. Er kan
geen verstek tegen hen worden verleend. Niettemin is er, gelet op het
belang van de zaak en de spoedeisendheid daarvan, aanleiding om op de
zaak zelf in te gaan. De aard en het geding – een summiere en informele
procedure – laat dat toe.

Voorshands wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen eiser in de
alinea’s 1 tot en met 3 in de dagvaarding aanvoert. Derhalve wordt er
voorshands van uit gegaan dat eiser sinds lange tijd een duurzame
samenlevingsrelatie met gedaagde sub 1, verder te noemen de vrouw,
onderhoudt, dat de vrouw op 7 oktober 1988 heeft medegedeeld dat zij
sedert acht weken zwanger was en dat eiser de verwekker van het kind was
en dat zij, zoals zij op 22 oktober 1988 aan eiser had meegedeeld, op
donderdag 27 oktober 1988 door een arts verbonden aan gedaagde sub 2
(hierna te noemen STIMEZO) de zwangerschap via een abortieve ingreep wil
doen afbreken.

Tevens acht de president op grond van de mededelingen van eiser
aannemelijk, dat eiser er meermalen, in ieder geval op 20, 22 en 24
oktober 1988, bij de vrouw op heeft aangedrongen om de abortus niet te
doen plaatsvinden, doch dat de vrouw steeds bij haar voornemen is
gebleven.

Eiser voert in de eerste plaats een principeel argument aan: het recht
op leven van de door hem verwekte ongeboren vrucht behoort te prevaleren
boven het recht van de aanstaande moeder om die vrucht te doden.

Echter, hoe respectabel dit standpunt ook is, wanneer dit standpunt in
strijd komt met de wet, heeft de wet (behalve voorzover deze in strijd
zou komen met verdragen, waarover hierna meer) voorrang. De wet is
immers onschendbaar en de rechter mag de innerlijke waarde daarvan niet
toetsen.

In casu heeft de wetgever gesproken, en wel in de Wet afbreking
zwangerschap. Deze wet schrijft voor, dat binnen de door de wet
getrokken grenzen de vrouw wel degelijk het recht heeft om de
zwangerschap af te breken. Het recht op leven van de ongeboren vrucht
dient dan te wijken. Aan dit woord van de wetgever moet de rechter zich
conformeren.

Het principiele argument van de eiser kan daarom niet slagen.

Dan voert eiser aan, dat de besluitvorming van de vrouw niet zorgvuldig
genoeg is geweest. Er zou daarom niet voldaan zijn aan de eisen van
artikel 5 van de Wet afbreking zwangerschap, waarin immers wordt
voorschreven dat iedere beslissing tot het afbreken van zwangerschap met
zorgvuldigheid wordt genomen.

In het onderhavige geval zijn de redelijke argumenten van eiser om het
kind te behouden naar het oordeel van eiser ten onrechte door de vrouw
afgewezen.

De Wet afbreking zwangerschap stelt blijkens de memorie van toelichting
voorop, dat het besluit als zodanig om de zwangerschap af te breken
dient te worden overgelaten aan de verantwoordelijkheid van hen, die
rechtstreeks bij de voorbereiding daarvan betrokken zijn, en verstaat
onder die rechtstreeks betrokkenen uitsluitend de vrouw en de arts die
de ingreep zal verrichten. De verwekker beslist niet mee. Als de vrouw
duurzaam met de verwekker samenleeft of heeft samengeleefd mag wel van
de vrouw verwacht worden, dat zij de argumenten van de verwekker
aanhoort en haar overwegingen betrekt en dat zij haar besluit niet
overijld neemt. Dat is in het onderhavige geval echter gebeurd: op 20
oktober 1988 deelde zij mee dat zij abortus wilde doen plaatsvinden en
hoorde zij de argumenten van eiser aan. Op 22 en 24 oktober 1988 heeft
zij eiser wederom de gelegenheid gegeven om zijn visie naar voren te
brengen doch is zij consequent bij haar besluit gebleven. Er is voorts
geen enkele aanwijzing dat de arts van de STIMEZO (een te goeder naam en
faam bekendstaande inrichting) niet conform de eisen van de wet
zorgvuldig de vrouw bij de besluitvorming heeft begeleid. Derhalve mag
worden aangenomen dat er een zorgvuldige besluitvorming heeft
plaatsgevonden en dat artikel 5 van de Wet afbreking zwangerschap niet
is geschonden.

Eigenlijk vindt eiser dat de vrouw bij haar afweging van de motieven om
wel of niet abortus provocatus te doen plaatsvinden een verkeerde keuze
doet. De innerlijke waarde van de motieven van de vrouw staat echter
niet ter beoordeling van de rechter. Ter beoordeling staat slechts, of
de wijze waarop de besluitvorming plaatsvond voldoende zorguldig, dat
wil zeggen niet overijld en na overleg met de arts en met inachtneming
van de door de Wet afbreking zwangerschap gestelde eisen, heeft
plaatsgevonden.

Tenslotte doet eiser een beroep op artikel 8 lid 1 van de Europese
Conventie ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden. Zijns inziens wordt, als de vrouw haar voornemen tot
uitvoering brengt, op het in artikel 8 beschermde recht op “family life”
inbreuk gemaakt.

Deze stelling van eiser gaat niet op. Vooreerst, omdat er voor de
geboorte van het kind nog geen family life in de zin van artikel 8 van
de conventie tussen de verwekker en het kind kan bestaan. Extensieve
interpretatie van het artikel – in die zin dat abortus provocatus met
artikel 8 in strijd is omdat het verhindert dat er in de toekomst
“family life” tussen de verwekker en het kind kan ontstaan – kan eiser
echter ook niet baten. In die visie zou dan het recht van eiser op
“family life” in botsing komen met het recht van de vrouw om binnen de
grenzen van de wet en conform medische indicatie zelf over het eigen
lichaam te beschikken. Wanneer aan de eisen van de Wet afbreking
zwangerschap voldaan is, moet aan dat recht van de vrouw voorrang worden
gegeven.

Ook overigens is er geen ongeoorloofde inbreuk op enig in de Europese
conventie beschermd recht. Voorzover het recht op leven (artikel 2) of
het recht om een gezin te stichten (artikel 12) in het geding zouden
zijn, dienen deze rechten te wijken voor het recht van de vrouw om
binnen de hierboven omschreven grenzen over het eigen lichaam te
beschikken.

4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom, dat de vordering moet worden
afgewezen, met veroordeling van eiser als de in het ongelijk gestelde
partij in de proceskosten.

BESLISSING

De president, rechtdoende in kort geding:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt in de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagden
tot op heden begroot op nihil.

Rechters

mr. Lampe

Instantie: Hof van Justitie EG, 25 oktober 1988

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft het Hof verzocht vast
te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de voorgeschreven termijn
alle nodige maatregelen te treffen voor een integrale en nauwkeurige
toepassing van richtlijn 76/207 van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van
de toegang tot het arbeidsproces, de krachtens het EEG-Verdrag op haar
rustende verplichtingen niet is nagekomen

Artikel L 123-2 van de Code du travail, houdt in dat op straffe van
nietigheid, in een collectieve overeenkomst of een collectief akkoord geen
clausules kunnen worden opgenomen waarbij aan loontrekkenden een voordeel
wordt toegekend op grond van hun geslacht, tenzij die clausules bedoeld zijn
ter uitvoering van de bepalingen inzake zwangerschap, borstvoeding of pre- of
postnatale rust. Artikel 19 van dezelfde wet bepaalt evenwel, dat
hogervermelde bepaling van de Code du travail niet in de weg staat aan op het
ogenblik van de afkondiging van deze wet geldende gebruiken, clausules in
arbeidsovereenkomsten, collectieve overeenkomsten of collectieve akkoorden,
die bijzondere rechten voor vrouwen inhouden

Volgens de Commissie leidt de in dit artikel vervatte afwijking tot de
instandhouding – voor onbepaalde tijd – van de ongelijke behandeling van
mannen en vrouwen, doordat de afschaffing ervan aan de sociale partners wordt
overgelaten en de wet geen enkel mechanisme bevat voor het geval de
collectieve onderhandelingen tot onbevredigende resultaten zouden leiden

Volgens de Franse regering verdragen bijzondere rechten voor vrouwen
zich met het gelijkheidsbeginsel, wanneer die bijzondere rechten voortvloeien
uit de bekommernis om vrouwen te beschermen

Volgens het Hof heeft de uitzondering van artikel 2, lid 4 van de
richtlijn een welomschreven en beperkt doel: zij wil maatregelen toelaten die
weliswaar discriminerend lijken, doch die in werkelijkheid feitelijke
ongelijkheden beogen op te heffen of te verzachten, die in het sociale leven
een realiteit kunnen zijn. Uit een aantal voorbeelden blijkt, dat de
gehandhaafde bijzondere rechten i.c. soms betrekking hebben op de bescherming
van de vrouwen in hun hoedanigheid van oudere werknemers of van ouders,
hoedanigheden die zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers kunnen hebben
Het hof is van mening dat i.c. niet de conclusie kan worden getrokken dat
de instandhouding in het algemeen van bijzondere rechten van vrouwen in
collectieve overeenkomsten met de in bovenvermelde bepaling bedoelde situatie
strookt

Het Hof meent dat zelfs al is de stelling juist dat alleen collectieve
onderhandelingen het aangewezen middel zijn om tot afschaffing van de
betrokken bijzondere rechten te komen, zij geen rechtvaardiging kan vormen
voor een nationale wettelijke regeling die, vele jaren na het verstrijken van
de termijn voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn, het opheffen van
bepaalde ongelijkheden naar de sociale partners doorschuift, zonder daarbij
een termijn op te leggen waarbinnen dezen die verplichting dienen op te
volgen

Volledige tekst

Rechters

Voltallig Hof

Instantie: Nationale ombudsman, 14 oktober 1988

Instantie

Nationale ombudsman

Samenvatting


Verzoekster klaagt over het feit dat een ambtenaar van de
gemeentepolitie te Arnhem, bij meerdere gelegenheden en tegenover
uiteenlopende personen een negatief en sterk persoonlijk gekleurd beeld van
verzoeksters persoonlijkheid geeft, waarbij zij zich beroept op instanties die
ontkennen informatie te hebben gegeven. De betrokken ambtenaar wordt
bovendien verweten dat zij heeft voorkomen dat de krachtens rechterlijke
beslissing aan verzoekster toegewezen dochter weer bij de moeder terugkeerde;
voorts dat zij heeft voorkomen dat, zoals te doen gebruikelijk bij
verkrachtingszaken, de werkgroep slachtofferhulp werd ingeschakeld ten behoeve
van verzoekster

De ombudsman oordeelt dat de gedragingen waarover wordt geklaagd niet
behoorlijk zijn

Volledige tekst


3.4. Met betrekking tot het politie-optreden na de verkrachting en de
inschakeling van het slachtofferhulpproject houdt de opgestelde rapportage
onder meer het volgende in

3.4.1. De afdeling Jeugd- en Zedenpolitie was niet onmiddellijk
geinformeerd over de verkrachting. Pas op 13 januari 1986 werd de betrokken
ambtenaar daarvan in kennis gesteld. Doorgaans wordt er, wanneer er hulp is
gewenst, ten behoeve van slachtoffers van ernstige zedendelicten contact
opgenomen met professionele instellingen, zoals het Rutgershuis en de RIAGG.
Slechts een enkele maal wordt er beroep gedaan op het slachtofferhulpproject,
alwaar vrijwilligers met de uitvoering van de hulpverlening zijn belast. De
vrijwilligers vallen terug op professionele hulpverleners, wanneer de
problematiek waar zij op stuiten gecompliceerd en/of zwaar is. Verzoekster
had reeds contacten met de RIAGG, zodat het slachtofferhulpproject deze
hulpverlening slechts zou doorkruisen. Zij wendde zich uit eigen beweging
tot het slachtofferhulpproject om hulp. Doorgaans houden slachtoffers
contact met de behandelend rechercheur om te overleggen of en in welke mate
hulp is gewenst. Verzoekster had hier kennelijk geen behoefte aan gehad

3.4.2. De betrokken ambtenaar ontkende dat zij politiepersoneel had
verboden slachtofferhulp in te schakelen. Dat daarvan was afgezien vond
uitsluitend zijn reden in het feit dat verzoekster al contacten had met
professionele hulpverleningsinstanties. De reden van wetenschap daaromtrent
vermeldde de betrokken ambtenaar niet. In haar rapportage en de nadien
overgelegde stukken wordt ook niet nader ingegaan op de stelling van een
medewerkster van het project dat zou zijn gezegd dat “zij haar vrijwilligers
niet wilde opofferen aan deze gevaarlijke vrouw”. Evenmin is aangegeven dat
verzoekster haar – anders dan in haar ambtelijke hoedanigheid – heeft benaderd
dan wel bekend was

OVERWEGINGEN

1. Alvorens op de verschillende onderdelen van de klacht in te gaan
wordt het volgende overwogen

1.1. Niet is gebleken dat de ambtenaar anders dan in het kader van haar
functie contact met verzoekster heeft gehad

Voldoende aannemelijk is dat zij – gelet op haar verklaring als
referente voor de vader in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming
te Arnhem – van mening was dat verzoekster niet (behoorlijk) voor het
dochtertje kon zorgen

1.2. Evenmin is gebleken dat over de wijze van verzorging en opvoeding
is geklaagd op enig moment ten tijde van de echtscheidingsprocedure dan wel
bij de behandeling van de voorziening in de voogdij

Ook is niet gebleken dat na de voogdijvoorziening tot het moment waarop
verzoekster eind juli 1985 het ziekenhuis mocht verlaten bezwaar is gemaakt
tegen de wijze van verzorging en opvoeding

1.3. Door de betrokken ambtenaar is niet aangegeven waarom de door haar
gesignaleerde problemen met betrekking tot de persoon van verzoekster – die
overigens van die zijde zijn weersproken – op enigerlei wijze de verzorging
en opvoeding van het dochtertje nadelig zouden hebben beinvloed

2.1. Met betrekking tot de negatieve uitlatingen

2.1.1. Onvoldoende bestreden is dat de betrokken ambtenaar aan derden,
niet-justitiele personen voor niet-justitiele doeleinden, informatie over
verzoekster heeft verstrekt, die haar uit hoofde van haar functie bekend was
en mededeling heeft gedaan van haar daarop gebaseerde conclusie

Daartoe moet worden gerekend het informeren van de medewerkster van het
slachtofferhulpproject, en van het gemeenteraadslid, alsmede het optreden als
referente ten behoeve van de vader in diens positie van partij en een
privaatrechtelijke – want familierechtelijke – aangelegenheid. Het in die
hoedanigheid verstrekken van informatie is van geheel andere aard dan de
informatieverstrekking in een justitieel kader en in de hoedanigheid van
politie-ambtenaar aan de (secretaris van de) betrokken Raad voor de
Kinderbescherming met als doel die Raad als zodanig te informeren. 2.1.2.
Door de betrokken ambtenaar is gesteld dat de in de door verzoekster
overgelegde verklaringen weergegeven uitlatingen in een verkeerde context
waren geplaatst, dat woorden uit hun verband waren gerukt en dat sprake was
van onwaarheden. Niet aangegeven is echter op welke punten dat het geval zou
zijn. Die betreffende verklaringen, in onderling verband en samenhang gezien
met de door de functionaris als referente gegeven visie op verzoekster, maken
het voldoende aannemelijk dat die ambtenaar aan de betrokken personen (ook)
informatie heeft verstrekt van een aard als in die verklaringen is
weergegeven

2.1.3. De door de betrokken ambtenaar aan de genoemde derden verstrekte
informatie en de daaraan door haar verbonden conclusie moeten – gelet op de
omstandigheden waaronder en het moment waarop daarvan sprake was – worden
aangemerkt als een schending van de persoonlijke levenssfeer van verzoekster.
Niet is gebleken dat die schending op enig moment door de omstandigheden
werd gerechtvaardigd. Evenmin is aannemelijk dat de getrokken conclusie – zo
al sprake was van problemen als door de betrokken functionaris zijn
aangegeven – op enige andere grond dan het persoonlijk inzicht van die
ambtenaar was gebaseerd. Zij heeft immers ontkend bij de door verzoekster en
de door de getuigen genoemde personen en instanties inlichtingen te hebben
ingewonnen

Zo er al enige noodzaak was aan derden informatie te verschaffen had die
zakelijk moeten zijn en zonder de persoonlijke opvatting van die ambtenaar
over verzoekster kwaliteiten als moeder

De gebleken gang van zaken is onjuist en vormt een meer dan
noodzakelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verzoekster

2.1.4. Het verstrekken van (achter)grondinformatie aan de
rechtercommissaris in strafzaken op diens verzoek valt geheel binnen de taak
van de betrokken functionaris

Onvoldoende aannemelijk is geworden dat er door de betrokken ambtenaar
of personeelsleden van haar afdeling inlichtingen zouden zijn verstrekt aan
(de raadsman van) de verdachte van de verkrachting. Op die onderdelen is de
klacht ongegrond

2.2. Met betrekking tot de weigering medewerking te verlenen aan de
terugkeer van het dochtertje bij verzoekster

2.2.1. Uit de stukken blijkt de volgende gang van zaken:

Volgens de Raad Almelo had de vader daar op 31 juli 1985 gevraagd een
onderzoek te beginnen

Op 2 augustus 1985 had de betrokken politiefunctionaris die Raad laten
weten dat de vader de kinderpolitie had benaderd. Door die functionaris zou
toen zijn gezegd dat zij, gezien diens verhaal, niet bereid zou zijn
verzoekster assistentie te verlenen het dochtertje bij haar terug te brengen

Volgens de Raad Arnhem was het volgende gebeurd

Op 1 augustus 1985 had de betrokken ambtenaar laten weten dat
verzoekster bij de politie was geweest. Haar was aangeraden zelf contact met
de vader op te nemen

Op 2 augustus 1985 had de ambtenaar meegedeeld, op aandringen van
verzoekster zelf, contact met de vader te hebben opgenomen. Haar was daarbij
gebleken dat deze reeds contact had met de Raad Almelo. Daarop had zij
besloten de situatie te laten voor wat die was

2.2.2. Voldoende staat vast dat verzoekster in ieder geval de bedoeling
had de hulp van de politie in te roepen bij haar pogingen haar dochtertje bij
haar terug te krijgen. Wat er zij van de stellingen van de burgemeester op
dat punt, de betrokken ambtenaar spreekt zelf van “weer onder haar gezag
brengen”. Daarmee staat voldoende vast dat die ambtenaar de bedoeling van
verzoekster ook duidelijk was. Dat wellicht eerst is getracht in de
bemiddelende sfeer de zaak op te lossen doet aan een en ander niet af

2.2.3. Zoals hiervoor onder 1.2. al aangegeven is niet gebleken dat op
enig moment of bij enige daarvoor in aanmerking komende gelegenheid voor 31
juli 1985 verzoeksters kwaliteiten als moeder ter discussie zijn gesteld. De
betrokken ambtenaar geeft zelfs aan dat zij van de echtscheiding – en daarmee
de voogdijvoorziening – niet wist tot verzoekster op of omstreeks 2 augustus
1985 om hulp vroeg. Op dat moment had de vader ook (nog) geen verzoek tot
voogdijwijziging ingediend, terwijl het dochtertje sinds 12 juli 1985 bij hem
verbleef. Evenmin is gebleken dat hij tegen de eerdere voogdijbeschikking
hoger beroep had ingesteld

2.2.4. In beschikkingen van de rechter, waarbij in het gezag wordt
voorzien, wordt (van rechtswege) bevolen dat de betrokken minderjarige zal
worden afgegeven aan de met het gezag belaste persoon c.q. instelling

Deze bevelen kunnen met behulp van de sterke arm tenuitvoer worden
gelegd

Een rechterlijke beslissing betreffende de gezagsuitoefening over
minderjarigen verliest in het algemeen slechts vernietiging door een hogere
rechter of door wijziging door dezelfde rechter haar kracht

Bijzonder omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat aan een dergelijke
beslissing geen gevolg wordt gegeven totdat de rechter zich daarover
(opnieuw) heeft uitgesproken

2.2.5. Van dergelijke naar objectieve maatstaven gemeten bijzondere
omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. Indien daarvan immers sprake
zou zijn geweest bieden de ter zake toepasselijke (civielrechtelijke)
bepalingen voldoende ruimte om op korte termijn een rechterlijke uitspraak
ter zake te verkrijgen

Nu er geen gronden waren voor (het vragen van) een maatregel in dat
kader, en in aanmerking genomen de onder 3.2. van de bevindingen gegeven
omstandigheden, kon de betrokken ambtenaar in redelijkheid niet ervan afzien
verzoekster de gevraagde hulp te verlenen

Overigens wordt erop gewezen dat het enkele feit dat de rechter later in
eerste instantie besliste dat de staus-quo gehandhaafd zou blijven geen
erkenning van de juistheid van haar beslissing was. Het is immers aan de
rechter die beslissing te nemen en niet aan instanties die belast zijn met,
en bevoegd verklaard zijn tot, de tenuitvoerlegging van rechterlijke
beslissingen

2.2.6. Zo de betrokken ambtenaar geen aanleiding zag om in
strafrechtelijk kader tegen de vader op te treden – tot welke beslissing zij,
gelet op de aard van de zaak, in redelijkheid kon komen – had zij hem wel
moeten wijzen op de mogelijke gevolgen op grond van de gegeven
voogdijbeschikking. Zo de vader was gebleven bij zijn weigering tot afgifte
van de minderjarige, had zij het nodige moeten ondernemen om van de in
beschikking geboden bevoegdheid gebruik te kunnen maken

Onder de gebleken omstandigheden was het derhalve onjuist dat geen
gevolg werd gegeven aan het verzoek om hulp bij de terugkeer van het
dochtertje van verzoekster. Het was niet aan die functionaris de
rechterlijke beslissing op grond van haar persoonlijke opvatting buiten
werking te stellen

2.2.7. Uit het feit, dat de betrokken Raad zich “neutraal” opstelde kon
niet worden afgeleid dat deze daarmee ook instemde met het buiten werking
laten van de rechterlijke beslissing. Voor de Raad gold alleen dat er geen
omstandigheden waren op grond waarvan hij kon optreden enerzijds en
anderzijds de behoefte aanwezig was zoveel mogelijk onpartijdig te blijven in
geval de rechter een onderzoek zou gelasten

2.2.8. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de betrokken functionaris
aan de betrokken Raden onjuiste informatie zou hebben verschaft. Van de
zijde van verzoekster is niet nader aangegeven op grond waarvan zij tot die
conclusie kon komen. De klacht mist op dat punt feitelijke grondslag en is
daarmee ongegrond

3. Met betrekking tot de hulpverlening bij de verkrachting

3.1. Onvoldoende aannemelijk is dat de betrokken ambtenaar of iemand van
haar afdeling enige invloed heeft gehad op de wijze waarop de politie in de
avond van 10 op 11 januari 1986 is opgetreden tegen verzoekster

Naar onweersproken is gebleven werd die ambtenaar, althans haar
afdeling, pas op 13 januari 1986 over de verkrachting geinformeerd

In hoeverre de betrokken ambtenaar haar personeel zou hebben verboden
verzoekster naar het slachtofferhulpproject te verwijzen, is op grond van de
elkaar op dat punt tegensprekende verklaringen niet vast te stellen.
Daarentegen is onvoldoende aannemelijk dat die ambtenaar (medewerkers van)
het slachtofferhulpproject zou hebben verboden hulp en bijstand te verlenen
aan verzoekster

Vast staat dat (een medewerkster van) het slachtofferhulpproject
contacten met verzoekster heeft gehad. Op die onderdelen is de klacht dan
ook ongegrond

3.2. Wel staat voldoende vast dat die functionaris in haar hoedanigheid
van bestuurslid van het project de medewerkster tenminste heeft getracht van
(verdere) hulpverlening aan verzoekster af te houden op grond van haar
ervaringen met verzoekster in haar hoedanigheid van politie-ambtenaar.
Daarmee handelde zij in strijd met de zorgvuldigheid die van een
politie-ambtenaar mag worden verwacht

Het staat een politie-ambtenaar vrij aan maatschappelijke activiteiten
deel te nemen, maar hij of zij dient te waken voor een verstrengeling van
functies. Dit geldt des te meer waar het de privacy van burgers betreft

4. Met betrekking tot de klachtbehandeling

Een van de vereisten waar een klachtbehandelingsprocedure aan dient te
voldoen, is dat het onderzoek naar en de beoordeling van de gelaakte
gedraging is opgedragen aan een persoon of instantie die onafhankelijk is van
de te beoordelen ambtenaar. Dit vereiste van onafhankelijkheid is eveneens
neergelegd in de Arnhemse regeling voor de behandeling van klachten over
politie-ambtenaren. Het is derhalve onjuist dat in dit geval de ambtenaar
tegen wie de klacht was gericht, belast was met het onderzoek naar de klacht

Nu ook de minister van Justitie en de burgemeester van Arnhem zich bij
de beoordeling van de klacht grotendeels hebben verlaten op het door de
betrokken ambtenaar zelf opgestelde politierapport, kan niet worden gesproken
van een objectieve oordeelsvorming

De Arnhemse klachtenprocedure vereist eveneens dat de
onderzoeksresultaten in de vorm van een ambtsedig rapport worden vastgesteld.
Het is tevens onjuist dat dit in de onderhavige zaak is nagelaten

OORDEEL

De onderzochte gedraging van de gemeentepolitie te Arnhem, die wordt
aangemerkt als een gedraging van de burgemeester van Arnhem, is niet
behoorlijk wat betreft het verstrekken van de informatie over verzoekster aan
niet-justitiele personen en instellingen voor niet-justitiele doeleinden, het
weigeren van hulp om de dochter weer onder het gezag van de moeder te stellen,
de wijze waarop is getracht de medewerkster van het slachtofferhulpproject
van (verdere) hulpverlening af te houden, en de klachtbehandeling

Rechters

Mr. drs. M. Oosting

Instantie: President van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam, 13 oktober 1988

Instantie

President van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres heeft gesteld en gevorderd dat de Staat wordt verboden haar uit
Nederland te (doen) verwijderen, totdat de Afdeling rechtspraak van de Raad
van State zal hebben beslist op het door haar ingediende beroepschrift

Feiten: Eiseres, bezit de Ghanese nationaliteit en verblijft als
vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 4 februari
1987 te Gent (Belgie) is eiseres in het huwelijk getreden met de Nederlander
H. Dezelfde dag is zij Nederland binnengereisd

Vervolgens heeft zij op 27 april 1987 bij het Hoofd van de plaatselijke
politie te Amsterdam een vergunning tot verblijf verzocht met als doel
verblijf bij Nederlandse echtgenoot H

Dit verzoek is op 19 november 1987 afgewezen omdat eiseres niet meer met
haar echtgenoot samenwoonde. Ook op het herzieningsverzoek is afwijzend
beslist. Aan het ingediende beroepschrift bij de Afdeling Rechtspraak van
de Raad van State is schorsende werking onthouden

Op 3 mei 1987 is uit eiseres geboren een dochtertje die de Nederlandse
nationaliteit heeft

Gronden van de beslissing:

In dit geding gaat het om de vraag of de Staatssecretaris van Justitie
in redelijkheid schorsende werking heeft kunnen onthouden aan het
beroepschrift

Ter beantwoording van deze vraag dient beoordeeld te worden of de
aanspraak van eiseres op verblijf in Nederland een redelijke kans van slagen
heeft

Gelet op de samenhang van de verblijfsrechtelijke positie van eiseres en
haar kind moet eiseres geacht worden als wettelijk vertegenwoordigster tevens
op te komen voor haar kind

Eiseres verzoekt om een verblijfsvergunning op grond van klemmende
redenen van humanitaire aard die bestaan hierin dat haar dochtertje in
Nederland verblijft en dat het voor haar vanwege haar lichamelijke en/of
geestelijke handicaps van het grootste belang is in Nederland te blijven

Volgens de President staat het geenszins vast dat er in Ghana
zorgvuldige medische begeleiding zal kunnen plaatsvinden

Dit leidt tot de slotsom dat de Staat eiseres haar dochtertje in verband
met haar gezondheidstoestand niet mag verwijderen. Daaruit vloeit voort dat
het dochtertje haar moeder niet kan volgen. Nu het kind een nog zo jonge
leeftijd heeft dat zij de verzorging van haar moeder behoeft dient bij
afweging van de verschillende belangen, in het licht van het bepaalde in art.
8 van het Verdrag van Rome (EVRM), met name nu niet kan worden gezegd dat op
voorhand vaststaat dat het verzoek van eiseres om een vergunning tot verblijf
kansloos is, het de Staat te worden verboden om eiseres uit Nederland te
(doen) verwijderen, zolang niet is beslist op het door eiseres ingediende
beroepschrift bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, met
veroordeling van de Staat in de kosten van het geding

Volledige tekst

Rechters

Vice-President mr. J.M. Vrakking

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 oktober 1988

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vervolg op HR 8 april 1988, RVR 1992, nr. 3. Het hof is van oordeel dat
de weigering van de moeder om toestemming voor erkenning te verlenen misbruik
van bevoegdheid oplevert. .

In het vervolg van de procedure blijkt dat de vrouw eerst gehuwd is
geweest. Uit dat huwelijk zijn in 1976 en 1978 twee kinderen geboren. In 1983
is de echtscheiding uitgesproken en is de vrouw tot voogdes benoemd. Op 20
juli 1984 wordt het kind geboren, waarover de onderhavige rechtsstrijd is
ontstaan. Dit is evenwel niet de enige strijd die de vrouw voert. Alledrie de
kinderen zijn namelijk door de kinderrechter op 8 juli 1985 onder toezicht
gesteld en met ingang van die datum uit huis geplaatst. De kinderen verblijven
bij een pleeggezin. De man die naast het pleeggezin woont, helpt bij de
verzorging van het jongste kind. Vervolgens is de vrouw op 29 februari 1988
uit de voogdij ontheven en is de stichting jeugd en gezin tot voogdes benoemd.
In overleg met de raad voor de kinderbescherming en de stichting jeugd en
gezin neemt de man het kind nu bij hem in huis.

Volledige tekst

(…)

3. De feiten en omstandigheden

Bij de mondeling behandeling en uit de stukken is o.m. het volgende
gebleken:

De vrouw is geboren op 13 okt. 1951. Uit een door inschrijving in de
registers van de burgerlijke stand op 18 juli 1983 van een
echtscheidingsvonnis van de Rb. te Alkmaar van 19 mei 1983 geeindigd huwelijk
van de vrouw en V. zijn twee kinderen geboren: F. en M. op 19 nov. 1987.

Op 20 juli 1984 is uit de vrouw het kind C. geboren.

Over genoemde drie kinderen is de vrouw benoemd tot voogdes. De man is
toeziend voogd over C.

Voormeld drie kinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter in de
Rb. te Alkmaar van 8 juli 1985 onder toezicht gesteld en met ingang van die
datum uit huis geplaatst. Sedert 30 maart 1985 verblijven F. en M. in het
pleeggezin P., terwijl C., weliswaar geplaatst in dit pleeggezin, feitelik
verblijft bij de man.

Bij beschikking van de kinderrechter in de Rb. te Zwolle van 29 febr.
1988 is de vrouw ontheven van de voogdij over voormelde drie kinderen en is de
Stichting Jeugd en Gezin te Alkmaar benoemd tot voogdes over hen.

De vrouw bestrijdt dat de man de vader is van C. Zij heeft – de laatste
jaren – als vader van C. steed diverse haar behandelende artsen aangewezen.
Aan een wetenschappelijk onderzoek teneinde de biologische relatie van de man
tot C. vast te stellen heeft de vrouw haar medewerking geweigerd. De vrouw
ontkent dat zij met de man heeft samengewoond. De vrouw is met tussenpozen
onder psychiatrische behandeling. Zij heeft al geruime tijd geen contact meer
met haar kinderen; de kinderen zoeken dit contact zelf niet en door een
psychiater wordt omgang van de kinderen met de vrouw schadelijk geacht voor de
kinderen.

De man is geboren op 18 juli 1933.

De man stelt de biologische vader te zijn van C. die zijn beide
voornamen draagt. Bij de geboorte van C. is de man in het ziekenhuis aanwezig
geweest, doch op verzoek van de gynaecoloog, vanwege medische complicaties
(tangverlossing) niet bij de bevalling zelf. De man stelt vanaf medio 1983 tot
medio 1985 een relatie gehad te hebben met de vrouw en gedurende die tijd met
haar en voormelde drie kinderen te hebben samengewoond.

Nadat de vrouw de relatie met de man had beeindigd heeft de man contact
onderhouden met voormelde fam. P., die in de nabijheid van de voormalige
gemeenschappelijke woning van de vrouw en de man woonachtig is. De man
onderhoudt ook thans nog intensief contact met de fam. P. o.m. over de
verzorging en opvoeding van de bij hen verblijvende F. en M. In overleg met
voormelde Raad en de Stichting Jeugd en Gezin te Alkmaar verblijft C. bij de
man, die voor zijn verzorging en opvoeding zorg draagt. De man voelt zich
sterk betrokken bij C. en wil hem als zijn zoon erkennen, door welke wettiging
de -juridische- positie van C. verbetert. Op grond van een door de man
verzocht bloedonderzoek, uitgevoerd op 7 april 1986 dor het centraal
laboratorium van de bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis,
waarvan een rapport met conclusie zich bij de stukken bevindt, -waaraan de man
en C., doch niet de vrouw, hebben meegewerkt- is de kans dat de man de
biologische vader van C. is groter dan 95%.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de P-G geconcludeerd tot
toewijzing van het verzoek van de man.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 Bij de beoordeling van het verzoek van de man gaat het hof ervan
uit dat een redelijke, met art. 8 EVRM rekening houdende uitleg van het
huidige recht – mede gezien het bij het parlement door de regering ingediende
wetsvoorstel ‘herziening van het afstammingsrecht’ – met zich meebrengt dat
ook al weigert de vrouw de voor erkenning vereiste toestemming toch een
rechtsgeldige erkenning tot stand kan komen wanneer de weigering van de vrouw
om toestemming tot erkenning te verlenen slechts kan worden opgevat als
misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1 aanhef en onder d BW
besloten ligt.

4.2 Voorts gaat het Hof ervan uit dat met name gelet op voormeld
rapport voldoende aannemelijk is geworden dat de man de biologische vader van
C is; dit op zichzelf brengt reeds mede dat tussen C en de man ‘family life’
bestaat.

4.3 De stelling van de man dat hij met C en de vrouw tot medio 1985
heeft samengewoond is door hem – tegenover de onvoldoende gemotiveerde
betwisting hiervan door de vrouw – voldoende aannemelijk gemaakt, terwijl de
man thans, naar niet weersproken is, C verzorgt en opvoedt. Zulks onderstreept
en maakt eens te meer duidelijk dat er ‘family life’ tussen de man en C
bestaan heeft en ook thans bestaat.

4.4 De vrouw stelt dat erkenning door de man van C als zijn zoon
inbreuk maakt op haar ‘family life’ met C. Het hof volgt de vrouw niet in dit
betoog. De vrouw heeft immers al geruime tijd geen contact meer met C. en zij
is van de voogdij over hem ontheven.

4.5 Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 3 vermelde feiten
en omstandigheden is het hof van oordeel dat de weigering van de vrouw om
toestemming te verlenen tot erkenning door de man van C als zijn zoon slechts
kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1
(en) onder d BW besloten ligt.

4.6 Nu niet gebleken of aannemelijk geworden is dat erkenning door de
man nadeel op zou leveren voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid van
C, dient het verzoek van de man te worden toegewezen.

5. Beslissing: het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep; en
opnieuw beschikkende: gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente Hoorn een akte van erkenning op te maken, waarbij de man het op 20
juli 1984 te Hoorn uit E geboren natuurlijk kind C erkent en deze akte op te
nemen in de daartoe bestemde registers.

Rechters

Mrs. van Gijn, Swens, Willems Morsink

Instantie: Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch, 5 oktober 1988

Instantie

Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Volgens de Raad van Beroep moet aan een dochter een overlijdensuitkering
worden toegekend op grond van de AOW, aangezien er een niet te rechtvaardigen
onderscheid wordt gemaakt tussen samenwonenden, die al dan niet bloedverwanten
zijn. In beide soort situaties zal de achterblijvende samenwonende met
begrafeniskosten en dergelijke worden geconfronteerd en is er inderdaad geen
redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid. De
uitspraak mag echter niet tot de conclusie leiden dat in zijn algemeenheid het
onderscheid tussen samenwonenden die al dan niet bloedverwant zijn niet
redelijk en objectief gerechtvaardigd zou zijn. In dat geval zouden al
diegenen die gezamenlijk een huishouding voeren financieel aan elkaar
gekoppeld worden.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Klaagster, die nooit gehuwd is geweest, woonde kennelijk gedurende jaren
samen met haar moeder. Klaagster had in 1987 een uitkering ingevolge de WAO
van ƒ 1369,63 netto per maand, terwijl haar moeder een pensioen krachtens de
AOW genoot van ƒ 1081,71 netto per maand. De kosten van levensonderhoud werden
door klaagster en haar moeder gezamenlijk gedragen.

Op 25 februari 1987 is klaagsters moeder overleden. Naar aanleiding
daarvan heeft klaagster bij het districtskantoor van de Sociale
Verzekeringsbank te X (hierna te noemen: verweerder) een zogenaamde
overlijdensuitkering aangevraagd, als bedoeld in art. 18 van de AOW (zoals die
wet luidt sedert 1 april 1985).

Bij de bestreden beslissing heeft verweerder die aanvraag afgewezen.
Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld en de raad verzocht te
bepalen dat bedoelde overlijdensuitkering haar alsnog wordt toegekend.

Desverzocht heeft verweerder zijn standpunt uitgebreid nader doen
toelichten.

II. Overwegingen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

Met verweerder is de raad van oordeel dat klaagster geen recht op
overlijdensuitkering kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 18, lid 1,
aanhef en onder b respectievelijk onder c van de AOW. Gelet op de voorhanden
zijnde gegevens van feitelijke aard doen de in die artikelonderdelen
omschreven situaties zich in casu namelijk niet voor.

De raad zal zich daarom hebben te buigen over de vraag of klaagster
recht op overlijdensuitkering kan ontlenen aan het bepaalde in art. 18, eerste
lid, aanhef en onder a, van de AOW.

Die bepaling luidt als volgt:

‘Na het overlijden van degene, aan wie een ouderdomspensioen is
toegekend, wordt het ouderdomspensioen, voor zover niet reeds uitbetaald, tot
en met de laatste dag van de tweede maand, volgende op die waarin het
overlijden plaatsvond, uitbetaald – voor zover mogelijk in een bedrag ineens
-:

a. aan de langstlevende echtgenoot.’

Voorts is in dit geding van belang het bepaalde in het derde en vierde
lid van art. 1 van de AOW, welke bepalingen luiden als volgt:

“3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden mede als
gehuwd of als echtgenoot aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het
betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat.

4. Van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid, kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.”

Tussen partijen is niet in geschil – en ook de raad neemt als
vaststaande aan – dat klaagster en haar moeder ten tijde hier van belang
duurzaam een gezamenlijke huishouding voerden, als bedoeld in het vierde lid
van art. 1 van de AOW. Volgens verweerder zou klaagster echter niet op grond
van het derde lid van dat artikel als (langstlevende) ‘echtgenoot’ kunnen
worden aangemerkt, daar er tussen haar en haar moeder bloedverwantschap in de
eerste of tweede graad bestond.

De raad stelt vast dat er aldus met het oog op de overlijdensuitkering
onderscheid wordt gemaakt tussen (duurzaam een gezamenlijke huishouding
voerende) partners tussen wie geen bloedverwantschap in de eerste of tweede
graad bestaat en (duurzaam een gezamenlijke huishouding voerende) partners
tussen wie wel een dergelijke bloedverwantschap bestaat. Naar aanleiding van
de dezerzijds opgeworpen vraag of dit onderscheid in strijd is met artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
(verder te noemen: het Bupo-verdrag) is van de kant van verweerder bij
genoemde brief van 7 maart 1988 onder meer het volgende opgemerkt:

“De ontstaansgeschiedenis van artikel 1 lid 3 AOW

Inleiding

In verband met de invoering in de AOW van de gelijkstelling van niet
gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten (alsmede invoering van de
een-oudernorm voor ongehuwde bejaarden met een kind jonger dan 18 jaar), is
deze wet met ingang van 1 januari 1987 in die zin gewijzigd dat aan artikel 1
de volgende leden zijn toegevoegd:

‘3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden mede als
gehuwd of als echtgenoot aangemerkt, niet gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het
betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat.

4. Van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid, kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

5. Onze Minister kan nadere regels stellen voor toepassing van het
vierde lid’.

Aan de invoering van de gelijkstelling van niet gehuwde personen met
gehuwden of echtgenoten in de sociale zekerheid zijn uitvoerige discussies
voorafgegaan, aangezien deze voor de onderhavige problematiek buitengewoon
belangrijk zijn, zullen wij nu eerst, hierop nader ingaan.

Notitie leefvormen

In de notitie leefvormen (Hand.TK, vergaderjaar 1985-1986, 19262, nr. 1,
par. 10.1) is bij bespreking van de uitgangspunten voor de gelijkstelling van
de ongehuwde partners met gehuwden gesteld dat ‘ongehuwden alleen met gehuwden
kunnen worden gelijkgesteld als hun situatie daarmee vergelijkbaar is. Of dit
het geval is kan worden afgeleid uit feitelijke omstandigheden die erop wijzen
dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, van een relatie van partners
en van een zekere duurzaamheid. Deze aspecten moeten in combinatie met elkaar
worden bezien.

Zo kan er sprake zijn van personen met een gezamenlijke huishouding, die
naar buiten toe geen gezamenlijke activiteiten ontplooien. Zij kunnen niet als
partners worden beschouwd en zullen zich zelf ook niet als zodanig beschouwen.
Het feit dat zij samen wonen, eten, huishoudelijk werk doen, e.d. is
onvoldoende om van een eenheid – dus zorg voor elkaar – uit te gaan.

Dit zal in het algemeen het geval zijn bij samenwonende verwanten’.

Aanleiding tot deze notitie was het verzoek van de TK aan de regering om
een nadere uiteenzetting over hantering van het begrip ‘economische eenheid’
op verschillende beleidsterreinen.

Deze notitie is tegelijk met de wetsvoorstellen inzake de
stelselherziening aan de kamer aangeboden.

Uit bovenstaande citaat valt reeds te concluderen dat er in de visie van
de regering enkel een gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden
diende plaats te vinden voorzover men in een vergelijkbare situatie verkeerde.
De categorie verwanten zag men duidelijk als apart “probleem”.

Maar laten we niet vooruit lopen op het betoog.

Wijziging van de AOW.

In het Voorstel van Wet tot wijziging van de AOW in verband met de
gelijkstelling van niet gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten (Hand.
TK, vergaderjaar 1985-1986, 19258, nr. 2) is bij het in de notitie leefvormen
gestelde nadrukkelijk aangesloten.

Voorgesteld werd nl. aan artikel 1 de volgende leden toe te voegen:

‘3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden mede als
gehuwd of als echtgenoot aangemerkt, niet gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, en van wie
de situatie ook overigens niet feitelijk verschilt van die van gehuwden of
echtgenoten.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld voor de toepassing van het derde lid’.

In de artikelsgewijze toelichting staat uitdrukkelijk vermeld dat onder
samenwonenden niet personen worden verstaan, die in familiale betrekking tot
elkaar staan (Hand.TK, 19258, nr. 3, MvT, p.4).

Ook de Raad van State was nadat hij eerst had aangedrongen op het
neerleggen van een objectief criterium in de AOW (en de Toeslagenwet, hierna
TW), nl. of er al of niet een duurzame gezamenlijke huishouding is, van
oordeel dat de regeling van de gelijke behandeling ‘als gehuwden’ terecht niet
van toepassing wordt geacht op verwanten (blz. 6 van de toelichting bij het
ABW wetsvoorstel), maar meent voorts dat ook samenwonenden die niet als
partners kunnen worden beschouwd niet als gehuwden moeten worden behandeld
(zie advies van de Raad van State, 19258, B, onder punt 2, 3 en 5; idem advies
van de Raad van State inzake wijziging Toeslagenwet, Hand. TK, vergaderjaar
1985-1986, 19257, B, onder punt 2, 3 en 5).

Bij Memorie van Toelichting op de Toeslagenwet bevat een uitvoeriger
uiteenzetting over de vraag in welke gevallen ongehuwd samenwonenden gelijk
behandeld dienen te worden met gehuwden; (Hand. TK, 19257, MvT, nr. 3, p.
12-16, Bijlage 1), waarna kortheidshalve verwezen zij.

Uit het gestelde op pagina 15 onderaan kan worden afgeleid dat hoewel
twee verwanten in de rechte lijn een gezamenlijke huishouding (kunnen) voeren,
zij desalniettemin niet te vergelijken zijn met een huwelijk, zodat er geen
aanleiding bestaat hen gelijk te behandelen met gehuwden.

Hoewel de verschillende wetsvoorstellen inzake de stelselherziening
gelijkluidende bepalingen terzake bevatten heeft de discussie over de
gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden m.n. plaatsgevonden in
het kader van de Toeslagenwet. Hiernaar zal dan ook veelvuldig worden
verwezen.

Naar aanleiding van de door de Kamer geuite wens of bij de
gelijkstelling niet enkel met objectieve criteris, als gezamenlijke
huishouding en duurzaamheid, volstaan zou kunnen worden, zodat er niet of
nauwelijks een subjectieve beoordeling aan te pas zou hoeven te komen, gaf de
regering in de Memorie van Antwoord de gevolgen aan van een dergelijke
systematiek (Hand. TK, vergaderjaar 1985-1986, 19257, Voorlopig Verslag, nr.
4, p.22-32; Memorie van Antwoord, nr. 5, p. 17-19, resp. Bijlage II en III).

Ook hier wordt wederom gewezen op het feit dat de regering juist met
behulp van de meer subjectieve aandachtspunten voorkomend in het wetsvoorstel
heeft willen voorkomen dat verwanten, alhoewel zij duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren, als partners kunnen worden aangemerkt (pagina 18
bovenaan).

Op de suggestie van de CDA fractie in ieder geval bij een algemene
toepassing van het begrip economische eenheid verwanten tot in de tweede graad
buiten beschouwing te laten werd niet gereageerd.

In de Nota naar aanleiding van het eindverslag gebeurde dit wel: een
uitzonderingsbepaling is mogelijk zowel in de kabinetsvoorstellen als in de in
het Voorlopig Verslag beschreven systematiek (19257, nr. 8, pagina 20).

Het is de wet dan wel algemene maatregel van bestuur verder in te vullen
van het subjectieve criterium ‘ook voor het overige feitelijk niet
verschillend van die van gehuwden’ (wens CDA), kwam de regering onwenselijk
voor.

Vooralsnog bleef de regering terzake, getuige het gewijzigd voorstel van
wet (19258, nr. 10) vasthouden aan het oorspronkelijke wetsvoorstel.

Door de heer Linschoten en mw. Kraaijeveld-Wouters is tijdens de
mondelinge behandeling in de Kamer evenwel een amendement ingediend dat ertoe
strekte de zinsnede ‘en van wie….echtgenoten’ te vervangen door ’tenzij het
betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de 1 of 2 graad bestaat’
(19258 nr. 11 Herdruk -Bijlage IV- de Toelichting, waarvoor verwezen wordt
naar 19259, nr. 10 Herdruk, is eveneens bijgevoegd).

Nadien is hieraan, wederom bij amendement, nog een 4 lid aan toegevoegd
waarin het begrip gezamenlijke huishouding nader is uitgewerkt (zie de
gewijzigde amendementen, 19258, nr. 16, Bijlage V).

Conclusie

Aangezien dit gewijzigd amendement van de heer Linschoten en Mw.
Kraaijeveld-Wouters is aangenomen is thans uitdrukkelijk in de wet op de
gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden de uitzondering voor
bloedverwanten in de 1 of 2 graad neergelegd.

Consequentie hiervan is dat hoewel door het amendement
Linschoten/Kraaijeveld-Wouters, de aard van de relatie niet langer bepalend
is, de genoemde categorieen bloedverwanten ook onder de nieuwe tekst niet als
gehuwden kunnen worden aangemerkt.

Uit het feit dat bloedverwanten uitdrukkelijk in genoemde bepaling van
de AOW worden uitgesloten, blijkt onzes inziens, dat de aard van de relatie
toch nog een zekere rol bijft spelen, hoewel objectieve criteria
doorslaggevend dienen te zijn bij de vraag of er sprake is van twee
samenwonenden die met gehuwden gelijkgesteld kunnen worden.

Steun voor deze opvatting menen wij te vinden in het feit dat tijdens de
mondelinge behandeling, genoemde amendementen slechts met argumenten
verbandhoudend met de noodzaak objectieve criteria in de wet neer te leggen
zijn verdedigd, terwijl nergens uit blijkt dat de opstellers van de
betreffende amendementen de bedoeling hebben gehad de uitgangspunten van het
wetsvoorstel te wijzigen in die zin dat de beoogde gelijkstelling zich ook zou
uitstrekken tot -in het algemeen- personen die een gezamenlijke huishouding
voeren, waarvan de situatie feitelijk wel verschilt van die van gehuwden, met
als enig mogelijke uitzondering hierop de bloedverwanten.

Een en ander betekent dat bloedverwanten op grond van hun samenwoning
met elkaar, geen aanspraak kunnen maken op een toeslag in de zin van artikel 8
van de AOW.

Ook zullen zij niet in aanmerking komen voor de zogenaamde
overlijdensuitkering, behoudens in de onder b en c van artikel 18 lid 1 AOW
genoemde gevallen, aangezien zij niet als echtgenoot in de zin van het onder a
van artikel 18 gestelde (in samenhang met artikel 1 lid 3) kunnen worden
aangemerkt.

De rechtvaardigingsgrond voor het maken van genoemde uitzondering voor
bloedverwanten is derhalve onzes inziens gelegen in het feit dat men van
oordeel is dat bij ongehuwd samenwonende bloedverwanten niet van eenzelfde
situatie sprake is als bij gehuwden of echtgenoten.

Men beschouwt beide gevallen in feite als ongelijk.”;

en:

“Zo er nl. al sprake is van discriminatie in de zin van artikel 26 BuPo,
hetgeen betwijfeld kan worden, gelet op het feit dat het hier in feite een
ongelijke behandeling betreft van ongelijke gevallen (wat geen discriminatie
is), dan nog zijn wij van mening dat er voor de ongelijke behandeling
redelijke en objectieve gronden zijn aan te voeren.

De rechtvaardigingsgrond is naar onze mening nl. hierin gelegen dat
ongehuwd samenwonenden, die een gezamenlijke huishouding voeren, slechts
gelijk gesteld dienen te worden met gehuwden of echtgenoten voorzover hun
situatie overeenkomt met die van gehuwden.

Bij bloedverwanten in de 1 of 2 graad kan hiervan naar onze mening nooit
sprake zijn.

Een en ander levert een redelijke en objectieve grond in de zin van
genoemde jurisprudentie op voor de ongelijke behandeling tussen ongehuwd
samenwonenden, die duurzaam een gezamenlijke huishouding, en samenwonende
bloedverwanten in 1 of 2 graad”.

Met verweerder is de raad van oordeel dat uit de wetsgeschiedenis
duidelijk blijkt dat het van meet af aan de bedoeling van de wetgever is
geweest om de gelijkstelling van niet gehuwde samenwonende personen met
gehuwden geen betrekking te laten hebben op (niet gehuwde) personen van wie de
situatie feitelijk zou verschillen van die van gehuwde personen. Ook kan de
raad volledig instemmen met verweerders conclusie dat genoemd (gewijzigd)
amendement van de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal Linschoten en
Kraaijeveld-Wouters (Tweede Kamer, 1985-1986, 19258, nummers 11 en 16) aan die
bedoeling in beginsel geen afbreuk deed; met dat amendement werd kennelijk
slechts beoogd een beter hanteerbaar criterium in te voeren ter afbakening van
de groep samenwonenden waarvan de situatie feitelijk zou verschillen van die
van gehuwden.

De raad kan verweerder echter niet volgen in diens mening dat er te
dezen sprake zou zijn van ongelijke gevallen, welke dientengevolge dan ook
ongelijk zou mogen worden bejegend. In dit verband merkt de raad op dat bij de
beantwoording van de vraag of er sprake is van (een ongelijke behandeling van)
gelijke gevallen niet alle aspecten van de betrokken gevallen in ogenschouw
moeten worden genomen. Het gaat slechts om die aspecten die relevant zijn te
achten met het oog op het doel van de regeling binnen het kader waarvan het
onderscheid is gemaakt.

Aldus spitst dit geding zich toe op de vraag of de situatie van twee
samenwonende (duurzaam een gezamenlijke huishouding voerende) bloedverwanten
in de eerste of tweede graad met het oog op het doel van een wet als de AOW
(en in het bijzonder: de daarin geregelde, hierboven genoemde
overlijdensuitkering) ten aanzien van een of meer relevante aspecten verschilt
van die van andere (duurzaam een gezamenlijke huishouding voerende)
samenwonenden respectievelijk gehuwden. De raad beantwoordt die vraag
ontkennend. De raad is geen enkel verschil bekend tussen de twee zojuist
omschreven groepen dat relevant zou kunnen worden geacht in het kader van een
– veiligstelling van een bepaalde inkomenspositie beogende – sociale
zekerheidsregeling. Ook in de op de totstandkoming van de betrokken
(wijzigingen van) sociale zekerheidsregelingen betrekking hebbende stukken
heeft de raad geen relevant te achten verschil vermogen te ontwaren. De aard
van de tussen de betrokken personen bestaande relatie – wat daarmee ook moge
zijn bedoeld – is hier niet relevant.

Voorzover dit punt bij een direct onderscheid tussen gelijke gevallen al
aan de orde zou kunnen komen, merkt de raad voorts nog op dat hem niet is
gebleken dat voor het hier gemaakte onderscheid een redelijke en objectieve
rechtvaardigingsgrond aanwezig zou zijn.

Het vorenstaande voert tot de conclusie dat er te dezen sprake is van
een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, welke dient te worden
aangemerkt als een verboden discriminatie op grond van ‘geboorte of andere
status’ als bedoeld in art. 26 van het BuPo- verdrag.

Gelet op art. 93 en 94 van de Grondwet dient art. 1, derde lid, van de
AOW, dan ook buiten toepassing te blijven voor zover daarin bij de
gelijkstelling van bepaalde niet gehuwde personen met gehuwden een
uitzondering is gemaakt voor personen tussen wie bloedverwantschap in de
eerste of tweede graad bestaat.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat verweerder ten onrechte heeft
geweigerd aan klaagster op grond van het bepaalde in art. 18, eerste lid,
aanhef en onder a (juncto art. 1, derde en vierde lid), van de AOW een
overlijdensuitkering toe te kennen in verband met het overlijden van haar
moeder. De bestreden beslissing komt mitsdien voor vernietiging in
aanmerking.

Gezien het vorenoverwogene moet worden beslist als volgt.

6. De beslissing.

De raad van beroep te ‘s-Hertogenbosch.

Recht doende:

Vernietigt de bestreden beslissing.

Bepaalt dat verweerder een nadere beslissing dient te nemen met
inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Rechters

Mr. A.W. Govers als voorzitter; drs. P.M. Speijer en R.W. Vlietman alsleden

Instantie: Rechtbank Zutphen, 4 oktober 1988

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Wijziging van voornaam -toepasselijke wet- pluralisme in het Nederlandse
recht. Rechtsmacht Nederlandse rechter

Verzoekers zijn van Chinese nationaliteit en verzoeken om naamswijziging
van hun minderjarige kind. Verzoekers hebben een redelijk belang bij de
verzochte naamsverandering, het openbaar belang verzet zich er niet tegen en
de verzochte voornamen komen de rechtbank niet ongeoorloofd voor. Daarom
worden de voornamen van Kuen Lung gewijzigd in de voornamen Kin Luen

Volledige tekst

Rechters

Mr. Bellaart

Instantie: Rechtbank Almelo, 26 september 1988

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


De moeder is tot voogdes over de minderjarige Nathalie benoemd en de
vader tot toeziend voogd. Middels deze kennisgeving (als bedoeld in art.
913 Rv) wordt nu W. tot toeziend voogd benoemd. Dit omdat er zich
omstandigheden hebben voorgedaan (incest), waarmede de rechter, die voormelde
beschikking heeft gegeven, geen rekening heeft kunnen houden. Nu de vader
behoorlijk is opgeroepen en hij geen verweerschrift heeft ingediend, acht de
rechtbank termen aanwezig het verzoek toe te wijzen, nu het verzoek het meest
in het belang van de minderjarige moet worden geacht

Volledige tekst

Rechters

Mr. Olthof, Lid van de Enkelvoudige kamer, tevens Kinderrechter