Instantie: Hoge Raad, 23 september 1988

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Recht van ouders op keuze van geslachtsnaam voor kinderen. Recht van
biologische ouders op een door hen te kiezen geslachtsnaam voor hun kinderen
wordt door art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten van New York, 1966 (IVBPR) gewaarborgd, ook in geval van erkenning van
het kind door de vader. Gegeven de vele denkbare stelsels waarin een
dergelijke keuze mogelijk is, valt het buiten de rechtsvormende taak van de
rechter als bedoeld in HR 12 okt. 1984, NJ 1985, 230, en is het derhalve
slechts aan de wetgever, om te bepalen op welke wijze op het onderhavige
terrein het best aan het beginsel van art. 26 kan worden voldaan

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Snijders, Hermans, Haak, Boekman, Davids; A-G Moltmaker

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 23 september 1988

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Recht van ouders op keuze van geslachtsnaam voor kinderen. Recht van
biologische ouders op een door hen te kiezen geslachtsnaam voor hun
kinderen wordt door art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten van New York, 1966 (IVBPR) gewaarborgd, ook in geval
van erkenning van het kind door de vader. Gegeven de vele denkbare
stelsels waarin een dergelijke keuze mogelijk is, valt het buiten de
rechtsvormende taak van de rechter als bedoeld in HR 12 oktober 1984, NJ
1985, 230, en is het derhalve slechts aan de wetgever, om te bepalen op
welke wijze op het onderhavige terrein het best aan het beginsel van art.
26 kan worden voldaan.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 28 april 1986 gedateerd
verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie – verder te noemen Beukema
en Van Veen – zich gewend tot de Rechtbank te Utrecht met het – nadien
nader aangevulde verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente Utrecht te gelasten, dat het register van geboorten van de
gemeente Utrecht wordt aangevuld met een akte van aangifte van geboorte
met de volgende gegevens:

– plaats, dag en uur van geboorte van de tweeling, te weten Utrecht, 15
april 1986 te 12.00 uur;

– als geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en beroep van de moeder, Titia
Elsje Beukema, te Utrecht, beroep: personeelsfunctionaris;

– als geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en beroep van de (erkennende)
vader, Wouter Adrianus van Veen, te Utrecht, beroep: advocaat;

– als geslacht en voornamen van de tweeling Josje Agnes van het
vrouwelijke geslacht en Sander Piet van het mannelijke geslacht;

– als geslachtsnaam van de tweeling; Beukema.

Op 13 juni 1986 heeft de officier van Justitie in het Arrondissement
Utrecht schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Bij
beschikking van 25 februari 1987 heeft de Rechtbank het door Beukema en
Van Veen verzochte afgewezen. Tegen deze Beschikking hebben Beukema en Van
Veen hoger beroep ingesteld bij het Hof te Amsterdam. Bij beschikking van
26 oktober 1987 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof hebben Beukema
en Van Veen beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze
beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel Het gaat in deze zaak om het volgende.
Beukema is moeder van een op 15 april 1986 geboren tweeling, van wie Van
Veen de biologische vader is. De ouders voeren met de kinderen een
gemeenschappelijke huishouding en nemen beiden de verzorging en opvoeding
voor hun rekening. Van Veen is bereid tot erkenning van de tweeling over
te gaan waardoor hij tot die kinderen in familierechtelijke betrekking zou
komen te staan, een van de voorwaarden voor de door hen gewenste
gezamenlijke uitoefening van de ouderlijke macht. Hij heeft echter van
erkenning afgezien, omdat de kinderen daardoor de geslachtsnaam van de
vader verkrijgen, terwijl Beukema en Van Veen willen dat de kinderen de
geslachtsnaam van de moeder behouden. De ambtenaar van de burgerlijke
stand is ook niet bereid om in de geboorteakten te vermelden dat Van Veen
`vader’ van de tweeling is, zonder dat Van Veen de kinderen erkent.

Beukema en Van Veen hebben de rechtbank verzocht om de ambtenaar van de
burgerlijke stand te gelasten tot aanvulling van de geboorteakten over te
gaan, zoals onder 1 is weergegeven. Zij hebben aangevoerd dat de
Nederlandse wetgeving met betrekking tot de geslachtsnaam, te dezen art.
1:5 lid 2 BW, in strijd is met de artt. 8 en 14 EVRM en art. 26 BuPo. De
rechtbank heeft het door Beukema en Van Veen verzochte afgewezen. Het Hof
heeft die beschikking bekrachtigd. ’s Hofs oordeel komt er, kort gezegd,
op neer dat een recht van de ouders op een door hen te kiezen achternaam
voor hun kinderen niet wordt gewaarborgd door het EVRM of het IVBPR. Het
middel stelt dat die opvatting blijk geeft van een onjuiste
rechtsopvatting met betrekking tot de rechten die uit deze verdragen voor
Beukema en Van Veen voortvloeien.

Uitgangspunt moet zijn dat ’s Hofs opvatting in elk geval ten aanzien van
art. 26 IVBPR niet juist is. Ook bij dit uitgangspunt kan het middel
evenwel niet tot cassatie leiden. Het huidige Nederlandse recht bevat geen
aanknopingspunt voor enig stelsel van keuze door de ouders van de
achternaam van het kind. Er zijn vele verschillende stelsels denkbaar
waarin een dergelijke keuze in enigerlei vorm mogelijk is, waarvan dat
voorgesteld in het Voorontwerp voor een wet herziening van het naamrecht,
genoemd in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 2, er slechts
een is.

Zoals ook uit de toelichting op dit Voorontwerp en uit de na het bekend
worden van het Voorontwerp gevolgde discussie in de literatuur naar voren
komt, zijn bij de vraag welk stelsel hier de voorkeur verdient
uiteenlopende belangen van praktische en meer principiele aard betrokken,
die zowel het bestuur als de onderlinge verhouding tussen de burgers raken
en met het oog waarop ook uitwerking in administratieve
uitvoeringsmaatregelen vereist zal zijn. Daarvan uitgaande moet worden
aangenomen dat een voorziening als het middel verlangt, mede in aanmerking
genomen de aard van de daarbij betrokken belangen, valt buiten de
rechtsvormende taak van de rechter als bedoeld in HR 12 oktober 1984, NJ
1985, 230. Het is derhalve slechts aan de wetgever om te bepalen op welke
wijze op het onderhavige terrein het best aan het beginsel van art. 26 kan
worden voldaan.

4. Beslissing: de Hoge Raad verwerpt het beroep (…).

Rechters

Mrs. Snijders, Hermans, Haak, Boekman, Davids; A-G Moltmaker

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 21 september 1988

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Eiseres heeft op 2 november 1987 met gedaagde een arbeidsovereenkomst
gesloten voor de duur van een jaar onder voorbehoud van medische goedkeuring
en met een proeftijd van twee maanden. Eiseres zou met ingang van 1
december 1987 werkzaamheden bij gedaagde verrichten op het secretariaat van de
afdeling clientenbeheer

Eind november is eiseres door een medewerkster van gedaagde opgebeld
omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was ondertekend en aan gedaagde
teruggezonden. Eiseres heeft toen meegedeeld dat zij zwanger was geworden
Eiseres is niet op 1 december 1987 met de werkzaamheden bij gedaagde
aangevangen

Eiseres vordert primair betaling van het overeengekomen loon tot de dag
waarop de arbeidsverhouding tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geeindigd
vermeerderd met vakantietoeslag, gedeelte van een extra maandsalaris en
winstdelingsuitkering; subsidiair vordert zij ƒ 21.000 (eenentwintigduizend
gulden) bruto schadevergoeding over de tijd van 1 december 1987 tot 1 december
1988 alsmede ƒ 21.000 (eenentwintigduizend gulden) vergoeding voor
onstoffelijke schade

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is rechtsgeldig beeindigd. De
voor opzegging in acht te nemen bepalingen en termijnen hoefden in dit geval
niet in acht genomen te worden nu – ook al was er nog geen uitvoering gegeven
aan de arbeidsovereenkomst en de overeengekomen proeftijd op zich zelf nog
niet ingegaan – het systeem van de wet meebrengt, dat ook in dit geval zonder
meer kan worden opgezegd. Dit volgt onder meer uit de bewoordingen in
artikel 1639n BW, waarin staat dat als een proeftijd is bedongen, ieder der
partijen zolang die tijd niet is verstreken bevoegd is de dienstbetrekking
zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende
bepalingen te doen eindigen. Een andere opvatting zou het merkwaardige
gevolg hebben, dat de werkgever de werknemer moet toelaten op de
overeengekomen dag en laatstgenoemde na enkele minuten al rechtsgeldig zou
kunnen ontslaan. De belangen van de werknemer worden in het algemeen ook
niet bij een opzegging vlak voor het ingaan van de overeengekomen proeftijd en
voordat met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt aangevangen
geschaad

Nu de primaire vordering niet opgaat dient beoordeeld te worden of een
rechtsgeldige opzegging in verband met zwangerschap gedaan de werkgever
schadeplichtig maakt omdat hij daardoor onderscheid maakt tussen mannen en
vrouwen, ook als is deze opzegging tijdens of voor de proeftijd gedaan.
Eiseres beroept zich hiervoor op het vonnis van de Rechtbank Arnhem van 24
december 1987, Praktijkgids 1988, nr. 2886

Nu de wet geen sanctie op het verbod van artikel 1637ij lid 1 BW noemt,
en ook de regels van art. 1639o en volgende BW niet gelden in het geval van
een opzegging gedurende de proeftijd, moeten de algemene regels van het
verbintenissenrecht geacht worden te gelden in dergelijke gevallen en zou de
werkgever dus schadeplichtig kunnen zijn op grond van wanprestatie als bedoeld
in art. 1638x BW

In dit geval staat nog niet vast, of gedaagde heeft gehandeld in strijd
met art. 1637ij BW, nu zij op de eerste plaats aanvoert dat de
arbeidsovereenkomst is beeindigd met wederzijds goedvinden en op de tweede
plaats dat zij niet heeft opgezegd in verband met haar zwangerschap. De
feitelijke gang van zaken rond de beëindiging van de arbeidsovereenkomst staat
niet vast, zodat alvorens een oordeel omtrent een eventuele schadevergoeding
gegeven kan worden, eerst bewijs dient te worden bijgebracht. Dit moet
plaatsvinden op de zitting van 2 november 1988 om 11.00 uur

Volledige tekst

Rechters

Mr. M.M. Ditzhuijzen, kantonrechter

Instantie: Politierechter Amsterdam, 19 september 1988

Instantie

Politierechter Amsterdam

Samenvatting


Twee jaar na de aangifte van aanranding en ongewenste intimiteiten bij
de Amsterdamse Zedenpolitie, is nu ook de strafzaak tegen deze
restauranthouder behandeld. Als bewijs werd tegen de ontkennende verdachte
een verklaring van een personeelslid dat gezien had dat de man steeds aan de
werkneemster zat gehanteerd en een verklaring van een ander personeelslid, dat
in het restaurant gewerkt had voor de aanranding plaatsvond en eveneens
ongewenste intimiteiten had zien plaatsvinden. De officier eiste wegens
feitelijke aanranding der eerbaarheid een gevangenisstraf van 6 maanden
voorwaardelijk en ƒ 5.000,– boete

De politierechter veroordeelde de restauranthouder tot 6 maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De geldboete legde hij niet
op, mede in aanmerking nemend dat aan de speciale preventie die zo’n geldboete
rechtvaardigt, al was voldaan doordat de man de schadevergoeding van ƒ
15.000,– (vijftienduizend gulden) aan de ex-werkneemster had moeten betalen

Deze uitspraak is niet op schrift gesteld omdat er geen appel is
ingesteld

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 13 september 1988

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een beschikking van de
Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 13 november 1987, waarbij het
bezwaarschrift van V. tegen de kennisgeving van verdere vervolging ongegrond
verklaard is en V. naar de terechtzitting is verwezen ter zake van het plegen
van ontucht

Het cassatiemiddel keert zich tegen de uitleg van het begrip “ontucht”
als bedoeld in art. 246 Sr. Ten onrechte hebben Rechtbank en Hof, volgens
verdachte, aangenomen dat het kussen op het gezicht en/of de mond een
ontuchtige handeling kan opleveren, zodat rekwirant in zoverre ten onrechte
terzake van het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven feit naar
de terechtzitting is verwezen

De Hoge Raad is van menig dat het oordeel van de Rechtbank en het Hof
(dat de in het middel bedoelde gedraging – het kussen op gezicht en/of mond –
onder omstandigheden ontuchtig kan zijn) niet onbegrijpelijk is en geen blijk
geeft van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van “ontuchtige
handelingen”

De Hoge Raad verwerpt het beroep

Conclusie A-G Remmelink is aanwezig

Volledige tekst

Rechters

Vice-president Van der Ven als voorzitter en de raadsheren Jeukens enDavids

Instantie: Raad van State, 9 september 1988

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Meneer Jansen wil graag een andere naam. Dit mag als het maar niet de
naam van zijn moeder is, want die komt al voor in Nederland

Volgens de richtlijnen kan aan een meerderjarig kind de naam van de
moeder slechts worden verleend, indien het huwelijk van de ouders is ontbonden
en vervolgens de moeder het kind gedurende drie jaar onmiddellijk voorafgaande
aan het bereiken van de 18-jarige leeftijd alleen heeft opgevoed en met het
verzoek instemt. Voor afwijking van de richtlijnen kan slechts aanleiding
bestaan indien zich een bijzonder geval voordoet. Dit is in casu niet het
geval

Volledige tekst

Rechters

Mr. W.M.G. Eekhof-de Vries, lid van de enkelvoudige kamer

Instantie: Nationale ombudsman, 8 september 1988

Instantie

Nationale ombudsman

Samenvatting


Verzoeker en zijn twee minderjarige dochters klagen over het feit dat
twee mannelijke politie-ambtenaren op 19 juni 1987 in het buurtcentrum Odeon
in Rotterdam de dochters hebben gefouilleerd en daarbij waren de
politie-ambtenaren onbetamelijk handtastelijk. Bovendien liet een van de
agenten zich sexistisch uit

De rapporteur (hoofdinspecteur) is van mening dat, gelet op de plaats
waar de fouillering plaatsvond, bij de hoofdingang van “Odeon”, dus in het
volle zicht en in aanwezigheid van tientallen anderen, zowel bezoekers, als
politie-ambtenaren, het niet waarschijnlijk is dat politiemensen zich aan het
verweten gedrag hebben schuldig gemaakt

De burgemeester is van mening dat slechts in extreme situaties,
waaronder hij de onderhavige gebeurtenis zeker niet rekent, vrouwen door
mannelijke politie-ambtenaren mogen worden gefouilleerd. Daarom had in dit
geval moeten worden gewacht op vrouwelijk politiepersoneel

Het is niet komen vast te staan dat de politie-mensen handtastelijk zijn
geweest en zich hebben bediend van sexistische of andere onoirbare
uitlatingen

Daarom wordt de klacht gegrond verklaard met betrekking tot de
fouillering als zodanig en niet gegrond met betrekking tot de wijze waarop de
politie zich daarbij heeft gedragen

Volledige tekst

KLACHT

Op 18 augustus 1987 ontving de Nationale Ombudsman een verzoekschrift
van de heer S. – mede namens zijn twee dochters – te Rotterdam ingediend door
het Justitieel Klachtenburo te Rotterdam, gedateerd 13 augustus 1987, met een
klacht over een gedraging van de gemeentepolitie te Rotterdam

Gelet op het verzoek is naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als
een gedraging van de burgemeester van Rotterdam, een onderzoek ingesteld

Op grond van de verstrekte gegevens is de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoeker en zijn twee minderjarige dochters klagen over het feit dat
twee mannelijke politie-ambtenaren op 19 juni 1987 in het buurtcentrum Odeon
in Rotterdam de dochters hebben gefouilleerd

De agenten waren ter plaatse, aangezien kort daarvoor een vechtpartij
had plaatsgevonden, waarbij een mes zou zijn gebruikt. Bij de fouillering
van de meisjes waren zij onbetamelijk handtastelijk; bovendien liet een van
de agenten zich sexistisch uit

WETTELIJK KADER

Artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering:

” – 1. De officier van Justitie of de hulpofficier, voor wien de
verdachte wordt geleid of die zelf den verdachte heeft aangehouden, kan, bij
het bestaan van ernstige bezwaren tegen dezen, bepalen dat hij aan zijn
lichaam of aan zijne kleeding zal worden onderzocht. (Sv. 154)

– 2. De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd den aangehoudene tegen
wien ernstige bezwaren bestaan, aan zijne kleeding te onderzoeken

– 3. Tijdens het gerechtelijk vooronderzeok geldt bovendien de bepaling
van artikel 195. (JSv. 95-2, 487-1)”

ONDERZOEK

In het kader van het onderzoek werd de burgemeester van Rotterdam
verzocht te laten weten wat zijn standpunt over de klacht is

Tevens werd gevraagd afschriften toe te zenden van de stukken die op de
klacht betrekking hebben. Vervolgens werd betrokkene in de gelegenheid
gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren

Het resultaat van het onderzoek is als verslag van bevindingen
toegestuurd aan betrokkenen

Verzoeker en de burgemeester van Rotterdam deelden mede zich met de
inhoud van het verslag te kunnen verenigen

BEVINDINGEN

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

Op 19 juni 1987, omstreeks 23.10 uur, werd door de beheerder van een
wijkgebouw te Rotterdam om politie-assistentie verzocht in verband met
onenigheid onder de bezoekers. Vier ter plaatse gekomen agenten stelden vast
dat een der mannelijke bezoekers met een mes was gestoken

Deze man werd door personeel van de GGD overgebracht naar het Academisch
Ziekenhuis Dijkzigt

Aangezien de toedracht van de vechtpartij niet duidelijk was, en omdat
zowel de dader(s) als het steekwapen onvindbaar bleken, besloten de betrokken
politie-ambtenaren alle bezoekers te fouilleren

Twee (hoofd)agenten stelden zich op bij de -uitgang van het gebouw en
verrichtten bij elke bezoeker een fouillering. Aangezien niet direct
vrouwelijk politiepersoneel beschikbaar was, werden de aanwezige vrouwelijke
bezoekers door de mannelijke politie-ambtenaren gefouilleerd

Verzoekers dochters hebben verklaard dat bij deze fouillering “bij veel
meisjes handtastelijkheden plaatsvonden”. Bij hen beiden werd het onderzoek
door twee politie-ambtenaren gelijktijdig uitgevoerd: “terwijl de een haar
borsten betastte, betastte de ander haar kruis”. Een van de agenten zou zich
sexistisch hebben uitgelaten en onder meer hebben gezegd: “je vindt het wel
lekker”

De fouillering bestond volgens de politie uit het kijken in tasjes, het
doorzoeken van jaszakken en het zeer oppervlakkig afkloppen van de zijkanten
æ
het lichaam. De politie verklaarde later dat een en ander in een
gemoedelijke sfeer plaatsvond en met de “grootst mogelijke omzichtigheid”
werd uitgevoerd

Voorts verklaarde de politie dat geen der bezoekers of bezoeksters
bezwaar maakte tegen de wijze waarop de fouillering werd verricht

Na enige tijd kwam bij dit onderzoek ook de die nacht als chef van
dienst fungerende hoofdinspecteur ter plaatse. Op dat moment bevonden zich
nog slechts enkele bezoekers in het pand

Hij verklaarde later over het gebeurde onder meer het volgende:

“…Ik, (…), zag dat de ontruiming kennelijk op een gemoedelijke wijze
geschiedde. Er werd gelachen door mensen die het gebouw hadden (moeten)
verlaten. Niets wees op een gespannen toestand tussen politie en publiek

Ik zag voorts dat door de politiemensen aan de uitgang van Odeon ook
vrouwelijke bezoekers werden gefouilleerd

Ik vond – en vind – dat niet gewenst doch besloot gelet op

– de sfeer ter plaatse,

– het feit dat zich nog slechts enkele bezoekers in het pand bevonden,

– het feit dat geen van de bezoekers bezwaar maakten tegen de
fouillering niet in te grijpen

Wel heb ik nauwlettend toegezien op de verdere ontruiming van het pand
en met name op de bejegening van vrouwelijke bezoekers door politiepersoneel

Ik zag daarbij dat een ieder op vriendelijke wijze te woord werd gestaan
en dat vrouwelijke bezoekers zeer omzichtig werden benaderd, zodanig zelfs
dat ik betwijfel of een mes zou zijn gevonden zo een der bezoeksters dat bij
zich had

Concreet ten aanzien van de onderhavige klacht merk ik het volgende op:

– Ik heb niet gezien dat de twee in de klacht genoemde meisjes
onbetamelijk werden betast zoals omschreven werd in de klacht van het
Justitieel Klachtenbureau noch heb ik de daarin vermelde verbale uitlatingen
gehoord

– Uit niets ter plaatse bleek mij dat een dergelijke benadering zou
hebben plaatsgevonden. Ik verwijs hierbij naar het hiervoor vermelde t.a.v.
de sfeer ter plaatse

(…)

Voorts ben ik, rapporteur van mening dat, gelet op de plaats waar de
fouillering plaatsvond, bij de hoofdingang van “Odeon”, dus in het volle
zicht en in aanwezigheid van tientallen anderen, zowel bezoekers als
politie-ambtenaren, het niet waarschijnlijk is dat politiemensen zich aan het
verweten gedrag hebben schuldig gemaakt…”

De burgemeester deelde voorts mede dat ook een nader onderzoek onder de
beide betrokken politiefunctionarissen geen aanknopingspunten opleverde die
de lezing van verzoeker – c.q. van zijn dochter – met betrekking tot de
onderhavige klacht konden bevestigen

Hij vatte zijn reactie op deze klacht als volgt samen:

“…Ik constateer derhalve dat de verklaringen van de klager en de
verklaringen van de politie op essentiele punten uiteenlopen

In het algemeen ben ik van mening dat vrouwen nimmer door mannelijke
politie-ambtenaren mogen worden gefouilleerd. Slechts in extreme situaties,
waaronder ik de onderhavige gebeurtenis zeker niet reken, kan ik mij een
uitzondering op deze regel voorstellen

In het onderhavige geval had mijns inziens de komst van vrouwelijk
politiepersoneel moeten worden afgewacht. Voorts kan mijns inziens de vraag
worden gesteld of in casu voldoende juridische termen aanwezig waren om alle
aanwezigen aan een fouillering te onderwerpen. Artikel 56, tweede lid, van
het Wetboek van Strafvordering spreekt in dit verband nl. van het fouilleren
van de kleding van “den aangehoudene, tegen wien ernstige bezwaren bestaan”

Gelet op de aard van het voorgevallen delict acht ik adequaat
politieoptreden zoals in casu, op zichzelf begrijpelijk, doch op het punt van
fouillering van vrouwen afkeurenswaardig…”

In reactie op de voorgelegde informatie deelde het Justitieel
Klachtenburo onder meer mede dat de verklaringen van de politie onvoldoende
bewijs vormen “voor de stelling dat er ten aanzien van de meisjes geen
seksueel geweld zou hebben plaatsgevonden”

Voorts benadrukte het Justitieel Klachtenburo dat de meisjes hun
verklaring over het gebeurde later nog eens hadden bevestigd en dat deze
verklaring mede werd ondertekend door een getuige. Voor het overige werd de
klacht gehandhaafd

OVERWEGINGEN

De beslissing van de politie om een menigte mensen collectief en zonder
aanzien des persoons aan een fouillering te onderwerpen was louter gebaseerd
op de veronderstelling dat zich onder die menigte mogelijkerwijs de dader
bevond van een steekpartij die kort daarvoor had plaatsgevonden

Deze veronderstelling bood onder de gegeven feiten en omstandigheden
geen rechtvaardiging voor het toepassen van dit dwangmiddel

De fouillering vond jegens de afzonderlijke betrokkenen geen grondslag
in het Wetboek van Strafvordering, aangezien er geen sprake was van
aangehoudenen “tegen wie ernstige bezwaren bestaan” De verrichte handelingen
waren derhalve onrechtmatig, ook jegens de dochters van verzoeker

Het feit dat zij werden gefouilleerd door mannelijke
politiefunctionarissen was daarenboven in strijd met de algemeen aanvaarde
norm dat vrouwen – behoudens extreme uitzonderingssituaties, waarvan hier
geen sprake was – niet behoren te worden gefouilleerd door mannelijke
politie-ambtenaren

Op dit punt is de klacht van verzoeker – c.q. van zijn dochters gegrond

Feitelijk is niet vastgesteld of de betrokken politiefunctionarissen
zich onbetamelijk handtastelijk tegenover verzoekers dochters hebben gedragen.
Evenmin is feitelijk vastgesteld of zij zich daarbij hebben bediend van
sexistische of anderszins onoirbare uitlatingen

Gegeven echter de niet weersproken kalme sfeer waarin een en ander zich
heeft voltrokken, alsmede gezien het feit dat de fouillering werd verricht
“in het volle licht en in aanwezigheid van tientallen anderen, zowel
bezoekers als politie-ambtenaren”, is het niet aannemelijk dat de politie
zich op de door verzoekers dochters aangeduide wijze heeft misdragen

Op dit punt wordt de klacht derhalve niet gegrond geacht

OORDEEL

De onderzochte gedraging van de gemeentepolitie te Rotterdam, die wordt
aangemerkt als een gedraging van de burgemeester van Rotterdam, is niet
behoorlijk op het punt van de fouillering als zodanig en behoorlijk met
betrekking tot de wijze waarop de politie zich daarbij heeft gedragen

Rechters

mr. drs. M. Oosting

Instantie: President rechtbank Amsterdam, 8 september 1988

Instantie

President rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres is verkracht en gedaagde heeft tevens zonder haar toestemming een
tatoeage op haar buik aangebracht, alsmede foto’s en een videofilm
gemaakt. Gezien de ernstige psychische schade die eiseres door toedoen van
gedaagde heeft geleden en nog zal lijden, is een voorschot van ƒ 5.000,=
op zijn plaats. Ook de vordering tot afgifte van het foto- en
filmmateriaal wordt toegewezen, alsmede een verbod tot openbaarmaking van
het foto- en filmmateriaal.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 1 september 1988 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met
dien verstande dat zij, zonder bezwaar daartegen van gedaagde, haar eis
als volgt heeft vermeerderd:

e. Gedaagde te gebieden enig foto- of filmmateriaal, inclusie extra
afdrukken en negatieven, waarop eiseres staat afgebeeld en dat gedaagde
inmiddels aan derden ter hand gesteld heeft, terug te halen bij deze
derden en aan eiseres af te (doen) staan binnen twee dagen na betekening
van het in deze te wijzen vonnis;

f. Gedaagde te verbieden enig foto- of filmmateriaal, inclusief extra
afdrukken en negatieven, waarop eiseres staat afgebeeld aan derden te doen
toekomen of openbaar te maken;

g. Gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan eiseres van
ƒ 500,= voor iedere dag dat hij nalatig is om aan de onder a. en e.
gestelde geboden te voldoen en gedaagde te veroordelen tot betaling van
ƒ 500,= aan eiseres voor iedere keer dat of -naar keuze van eiseres- met
machtiging van eiseres om gedaagde in gijzeling te doen nemen tot gedaagde
aan de onder a. en e. gestelde geboden heeft voldaan en machtiging voor
eiseres om gedaagde gedurende 6 maanden in gijzeling te doen nemen voor
iedere keer dat hij het onder f. gestelde verbod overtreedt;

Gedaagde heeft de vordering bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van
de gevraagde voorzieningen. Na verder debat hebben partijen de stukken,
waaronder van weerszijden pleitnotities en tevens van de kant van eiseres
produkties, overgelegd voor vonniswijzing.

Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden:

a. Op 27 april 1987 heeft eiseres gedaagde bezocht in zijn woning alwaar
zij gemeenschap met hem heeft gehad. Gedaagde heeft bij die gelegenheid
zijn naam op de buik van eiseres getatoeeerd en naaktfoto’s en in ieder
geval een videofilm met een pornografisch karakter van haar gemaakt.

b. Op 18 juli 1988 is gedaagde door de Arrondissementsrechtbank te
Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens
verkrachting en het aan eiseres toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Gedaagde is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan waarop nog niet is
beslist.

c. Het foto- en filmmateriaal dat gedaagde op 27 april 1987 van eiseres
heeft vervaardigd heeft gedaagde, voorzover dit niet door de politie in
beslag is genomen of is vernietigd, in bewaring gegeven aan een vriendin
in Suriname met uitzondering van een foto die zich bij de procureur van
gedaagde bevindt.

d. Eiseres was tot 27 april 1987 werkzaam als danseres en heeft tengevolge
van de gebeurtenissen sindsdien niet meer haar werk kunnen hervatten. Haar
toekomstperspectieven als beroepsdanseres zijn, gezien haar leeftijd en
de langdurige onderbreking, somber.

e. Op 24 augustus 1988 is de door gedaagde aangebrachte tatoeage operatief
verwijderd.

f. Eiseres heeft tengevolge van de gebeurtenissen op 27 april 1987 nog
steeds last van angsten, concentratiestoornis, slapeloosheid, verwardheid
en depressiviteit. Zij is sedert mei 1987 onder behandeling van een
psycholoog die zij wekelijks bezoekt. De behandelend psycholoog verwacht
dat deze behandeling nog twee jaar zal moeten worden voortgezet.

g. Eiseres ontvangt een mimimum-uitkering.

2. Eiseres vordert thans -kort gezegd- veroordeling van gedaagde tot
betaling van ƒ 5.000,= als voorschot op de vergoeding van de door haar
tengevolge van het handelen van gedaagde geleden schade, alsmede afgifte
van het door gedaagde van haar gemaakte foto- en filmmateriaal en een
verbod van de verspreiding van dit materiaal. Zij stelt daartoe dat
gedaagde haar op 27 april 1987, nadat hij haar heeft bedwelmd, heeft
verkracht en zonder haar toestemming een tatoeage op haar buik heeft
aangebracht, alsmede foto’s en een videofilm heeft gemaakt. Eiseres meent
bij toewijzing van de vordering een spoedeisend belang te hebben nu een
voorschot op de schadevergoeding ertoe zou kunnen bijdragen dat zij de
gebeurtenissen sneller kan verwerken, omdat zij met een vergoeding in
staat zal zijn sociale activiteiten te ontplooien. Voorts heeft eiseres
gesteld dat de gedachte dat gedaagde nog de beschikking heeft over foto-
en filmmateriaal waarop zij is afgebeeld, een belemmering is bij de
verwerking van de gebeurtenissen.

3. Ter afwering van de vordering heeft gedaagde aangevoerd dat hij met
toestemming van eiseres heeft gehandeld. Op grond van met name de
overgelegde verklaringen die de getuige Van Nimwegen in de strafzaak tegen
gedaagde heeft afgelegd, alsmede het proces-verbaal van huiszoeking van
de gemeentepolitie te Amsterdam van 7 mei 1987 waaruit blijkt dat in de
woning van gedaagde een lege verpakking van een Rohypnol-pil is
aangetroffen, is echter voldoende aannemelijk geworden dat de weergave van
de gebeurtenissen door eiseres de juiste is. Deze toedracht is bovendien
door de strafrechter in eerste aanleg bewezen verklaard.

4. Gezien de ernstige psychische schade die eiseres door toedoen van
gedaagde heeft geleden en nog zal lijden, heeft zij een spoedeisend belang
om daarvoor een financiele genoegdoening te ontvangen, aangezien een
dergelijke genoegdoening ertoe kan bijdragen dat eiseres deze schade
sneller te boven komt. Dit geldt eveneens voor de gevraagde voorzieningen
met betrekking tot het foto- en filmmateriaal. Anders dan gedaagde meent
kan dan ook niet van eiseres worden gevergd dat zij de uitslag van het
hoger beroep in de strafzaak van gedaagde afwacht alvorens de onderhavige
vordering tegen gedaagde in te stellen.

5. Een voorschot van ƒ 5.000,=, ter nadere verrekening met hetgeen
gedaagde ten grond zal blijken schuldig te zijn, is gelet op de ernstige
inbreuk die gedaagde op de lichamelijke integriteit van eiseres heeft
gemaakt en de problemen die eiseres tengevolge daarvan ondervindt, op zijn
plaats.

6. Anders dan gedaagde meent brengt de omstandigheid, dat eiseres zich als
beledigde partij in de strafzaak van gedaagde had willen voegen maar dit
niet heeft gedaan omdat zij niet op de hoogte was van het tijdstip van de
behandeling daarvan, niet mee dat gedaagde thans slechts tot betaling van
een bedrag van maximaal ƒ 1500,= zou kunnen worden veroordeeld.

7. Ook de gevraagde voorzieningen met betrekking tot het foto- en
filmmateriaal zijn, als na te melden toewijsbaar. Het verweer van gedaagde
dat hij dit materiaal niet kan afgeven, omdat hij dit nodig heeft om zijn
onschuld aan te tonen bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger
beroep, wordt verworpen. Nog afgezien van het feit dat gedaagde geenszins
aannemelijk heeft gemaakt dat hij met het desbetreffende foto- en
filmmateriaal zijn onschuld zou kunnen aantonen, geeft dit belang gedaagde
niet het recht dit materiaal tot zijn beschikking te houden. Gedaagde had
immers zijn belang bij het foto- en filmmateriaal ook op een voor eiseres
minder grievende wijze kunnen verzekeren, bijvoorbeeld door dit materiaal
aan politie en justitie af te staan. Gedaagde handelt dan ook onrechtmatig
jegens eiseres door het foto- en filmmateriaal niet aan haar af te geven.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende

Beslissing:

1. Veroordeelt gedaagde om binnen dertig dagen na betekening van dit
vonnis alle door hem vervaardigde foto’s, eventuele extra afdrukken en
negatieven, en filmmateriaal, waarop eiseres staat afgebeeld aan de
raadsvrouwe van eiseres af te staan, op verbeurte van een dwangsom van ƒ
500,= voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling
te voldoen, dan wel, naar keuze van eiseres, met machtiging aan eiseres
om gedaagde gedurende zes maanden in gijzeling te doen nemen. 2. Verbiedt
gedaagde enig foto- of filmmateriaal, inclusief extra afdrukken en
negatieven, waarop eiseres staat afgebeeld, aan derden te doen toekomen
of openbaar te maken, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,= voor
iedere overtreding van dit gebod dan wel, naar keuze van eiseres, met
machtiging aan eiseres om gedaagde gedurende zes maanden in gijzeling te
doen nemen. 3. Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een
bedrag van ƒ 5.000,= (vijfduizend gulden). 4. Verklaart dit vonnis tot
zover uitvoerbaar bij voorraad. 5. Veroordeelt gedaagde in de kosten van
het geding aan de zijde van eiseres begroot op en te voldoen als volgt:
aan eiseres: -f 62,50 aan bij haar gevallen kosten van vastrecht; aan de
griffier van deze rechtbank: -f 187,50 aan overig vastrecht, -f 67,60 aan
exploitkosten, en -f 700,= aan procureurssalaris. 6. Wijst het meer of
anders gevorderde af.

Rechters

mr. Asscher

Instantie: Ambtenarengerecht Amsterdam, 30 augustus 1988

Instantie

Ambtenarengerecht Amsterdam

Samenvatting


Het Gerecht stelt voorop dat de gemeenteraad van Amsterdam op 23 januari
1985 heeft besloten om accoord te gaan met de maatregelen voorgesteld in de
nota over het personeelsbeleid en vrouwenemancipatie, getiteld: A’dam en Eva
In voornoemde nota wordt voorgesteld de reeds bestaande
voorkeursbehandeling van vrouwen, inhoudende dat bij gelijkwaardige kandidaten
in functies waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn een vrouw de voorkeur
heeft, een verdergaande inhoud te geven. De voorkeursbehandeling houdt
vanaf voornoemde datum in, dat aan een vrouw de voorkeur wordt gegeven, mits
zij aan de functie-eisen voldoet

Ondanks dat klaagster niet aan de functievereisten voldeed is zij
opgeroepen voor een gesprek omdat zij de functie al geruime tijd waarnam en op
grond van het gestelde in de nota A’dam en Eva. Na de gesprekken bleven
twee kandidaten over te weten de heer A. en klaagster. Bij de uiteindelijke
keuze voor de heer A. is het voorkeursbeleid van verweerder voor vrouwen niet
aan de orde geweest

Klaagsters beroep op het voorkeursbeleid inhoudende dat aan een vrouw de
voorkeur wordt gegeven als zij aan de functie-eisen voldoet, kan derhalve niet
slagen nu klaagster niet aan voornoemde functie-eis voldoet

Ook is gebleken dat de andere kandidaat strikt genomen evenmin aan de
functie-eis voldeed

Het Gerecht is van oordeel dat in casu de vergelijking tussen de
opleidingsniveaus van klaagster en A. onvoldoende is geschied nu verweerder
heeft aangenomen dat A. wel aan de functie-eisen voldeed

Nu klaagster strikt genomen niet aan de functie-eisen voldeed, ziet het
Gerecht zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of klaagster ten
opzichte van A. een gelijkwaardige kandidaat was. Het Gerecht is van
oordeel dat deze vraag op grond van de thans bekende gegevens bevestigend
beantwoord moet worden. Daarbij is overwogen dat drie leden van de
sollicitatiecommissie klaagster als gelijkwaardige kandidaat hebben
aangemerkt

Nu in casu sprake was van gelijkwaardige kandidaten, moet geconcludeerd
worden dat verweerder bij de uiteindelijke keuze tussen de twee kandidaten,
ten onrechte is afgeweken van het hiervoor genoemde voorkeursbeleid. Het
bestreden besluit is derhalve in strijd met met de beginselen der
rechtszekerheid en der zorgvuldigheid tot stand gekomen. Zulks temeer nu
verweerder bij de uiteindelijke keuze het voorkeursbeleid geenszins in de
overwegingen heeft betrokken. Het bestreden besluit kan niet in stand
blijven. Op grond van de thans bekende gegevens is het Gerecht van oordeel
dat verweerder bij een zorgvuldige sollicitatieprocedure en met inachtneming
van het voorkeursbeleid voor vrouwen klaagster ten onrechte niet heeft benoemd
in de functie van eerste medewerker WBO, zodat in beginsel gedektverklaring
met een schadevergoeding mogelijk is

Volledige tekst

Rechters

Mr. T.L. de Vries, als voorzitter, Prof. Mr. L. Prakke en Mr. J.Gerretsen als leden

Instantie: Ambtenarengerecht Amsterdam, 30 augustus 1988

Instantie

Ambtenarengerecht Amsterdam

Samenvatting


Een man, lid van een etnische minderheid, werkte vanaf mei 1985 als
waarnemend chef op een afdeling van de G.S.D., welke functie hij tot volle
tevredenheid verrichte en waarin hij ook een goede beoordeling kreeg

Toen de vacature formeel vrijkwam solliciteerde hij, doch werd
gepasseerd door een witte man. Deze man had hij zelf opgeleid; de man had
tot aan dat moment onder hem gewerkt en beschikte naar zijn mening over lagere
kwalificaties

Hij stelde derhalve beroep in bij het Ambtenarengerecht te Amsterdam

Personeelsbeleid van de gemeente Amsterdam

Het personeelsbeleid van de gemeente Amsterdam ten aanzien van etnische
minderheden vanaf 1985, zoals o.a. neergelegd in de nota ‘Samen Leven, Samen
Werken’ luidt als volgt: leden van etnische minderheden genieten de voorkeur
indien zij aan de functie-eisen voldoen. Indien een lid van een etnische
minderheid een gelijkwaardige kandidaat is, dient zij/hij eveneens te worden
aangenomen

De gemeente stelde dat de man niet aan de functie-eisen voldeed en
daarom niet benoemd was. Hij beschikte over minder relevante kennis dan de
benoemde kandidaat en zij stelde dat zij juist aan het personeelsbeleid hadden
voldaan door hem toch uit te nodigen voor de sollicitatieprocedure. Het
Ambtenarengerecht maakte hiermee korte metten. Zij oordeelde dat de man
strikt genomen inderdaad niet aan de functie-eisen voldeed, doch dat ook de
benoemde kandidaat hieraan niet voldeed! In deze situatie had derhalve de wel
benoemde kandidaat niet eens uitgenodigd mogen worden voor de procedure omdat
hij geen recht had op een voorkeursbehandeling!

Het Ambtenarengerecht vond het vervolgens opmerkelijk dat de man zeer
goede beoordelingen had als waarnemend chef en dat de gemeente desalniettemin
bleef beweren dat de man niet over voldoende kennis voor de baan zou
beschikken

De beslissing werd vervolgens vernietigd omdat de gemeente het
voorkeursbeleid onzorgvuldig had toegepast

Volledige tekst

Rechters

Mr. T.L. de Vriens, als voorzitter, Prof. Mr. L. Prakke en Mr. J.Gerretsen, als leden