Instantie: President van de Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage, 26 augustus 1988

Instantie

President van de Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Tot januari 1980 hadden gehuwde vrouwen bij arbeidsongeschiktheid geen
recht op een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW)

Per 1 januari 1980 kwamen gehuwde vrouwen hier wel voor in aanmerking,
op dezelfde voorwaarden als gehuwde mannen en alleenstaanden. Deze nieuwe
regeling gold voor gehuwde vrouwen die na 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
zijn geworden. Voor gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 al
arbeidsongeschikt waren, werd een overgangsregeling getroffen. Deze
overgangsregeling stelt als eis dat de vrouwen een recht hebben op een
AAW-uitkering, mits zij in het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid
een bepaald inkomen hebben verworven. Deze zogenaamde inkomenseis werd
alleen gesteld aan gehuwde vrouwen

In januari 1988 besliste de Centrale Raad van Beroep dat de
overgangsregeling in strijd is met het discriminatieverbod van art. 26
Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Het gevolg
hiervan was dat gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
waren geworden, allemaal in aanmerking kwamen voor AAW. De inkomenseis
mocht niet worden gesteld. De regering overwoog vervolgens het verdrag op
te zeggen, uit vrees voor de financiele consequenties van deze uitspraak.
Zover kwam het niet, maar in juni 1988 werd bij de Tweede Kamer een
wetsontwerp ingediend waarin werd bepaald dat de vrouwen die voor 1 januari
1979 arbeidsongeschikt waren geworden, alleen in aanmerking kwamen voor een
AAW-uitkering als zij de uitkering hebben aangevraagd voor de datum van de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, 5 januari 1988

Rechtenvrouw heeft zich naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale
Raad en de reactie van de regering daarop, tesamen met het Landelijke
WAO-overleg, de Stichting Landelijke Ombudsvrouw, het Breed Platform en enkele
buro’s voor rechtshulp georganiseerd in het Comite Gelijke Rechten Nu. Het
Comite vorderde in 1988 in kort geding een gebod aan de staat om bijvoorbeeld
via Postbus 51 aan arbeidsongeschikte vrouwen voorlichting te geven over hun
verkregen rechten. Deze vordering werd afgewezen omdat volgens de rechter
de staat niet verplicht was voorlichting te geven over de gevolgen van
rechterlijke uitspraken. In mei 1989 kwam het Comite opnieuw in actie toen
de Tweede Nota van Wijziging bij de Tweede Kamer werd ingediend, waarin werd
bepaald dat de AAW-uitkering moest zijn aangevraagd voor de inwerkingtreding
van de wijzigingswet. Nadat het wetsontwerp door het parlement was aanvaard
spande het Comite Gelijke Rechten Nu een tweede kort geding aan waarin uitstel
van de bekrachtiging van de reparatiewet werd gevorderd. Voordat de wet in
werking zou treden moest, volgens het Comite, eerst uitgebreide voorlichting
gegeven worden. De President van de Rechtbank wees de vordering opnieuw af
Nu het wetsvoorstel door beide kamers was aanvaard en op de dag na het
kort geding in het Staatsblad werd gepubliceerd, was ingrijpen in het
wetgevingsproces door de rechter niet op zijn plaats en had publiciteit geen
zin meer, aldus de President

Jaarverslag 1988 no. 35

Volledige tekst

1. De feiten

Tot 1 januari 1980 hadden gehuwde vrouwen bij arbeidsongeschiktheid geen
recht op een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)

Per 1 januari 1980 verkregen gehuwde vrouwen die na 1 januari 1980
arbeidsongeschikt zijn geworden op dezelfde voorwaarden als gehuwde mannen en
alleenstaanden recht op een AAW-uitkering bij arbeidsongeschiktheid

Er werd een overgangsregeling vastgesteld voor gehuwde vrouwen die voor
1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden. Die overgangsregeling houdt
in:

a) dat gehuwde vrouwen die voor 1 oktober 1975 arbeidsongeschikt zijn
geworden geen recht hebben op een AAW-uitkering en

b) dat gehuwde vrouwen die tussen 1 oktober 1975 en 1 januari 1979
arbeidsongeschikt zijn geworden slechts recht hebben op een AAW-uitkering
indien zij in het jaar voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid een bepaald inkomen hebben verworven

De eis dat sprake moet zijn van een reele inkomensderving om in in
aanmerking te komen voor een AAW-uitkering wordt aan anderen dan gehuwde
vrouwen slechts gesteld indien zij na 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn
geworden

Op 5 januari 1988 heeft de Centrale Raad van Beroep in een zestal
uitspraken beslist dat bovenvermelde overgangsregeling in strijd is met het
discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake
Burgerlijke en Politieke Rechten (het BuPo-verdrag). Het gevolg van deze
uitspraak is dat gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
zijn geworden alsnog in aanmerking komen voor een AAW-uitkering, zonder dat
daarbij de eis van een reele inkomensderving wordt gesteld

2. De vordering en het verweer

Eiseressen vorderen na wijziging van eis – zakelijk weergegeven – dat
gedaagde door middel van een folder en een tv-spotje voorlichting geeft over
de hierboven weergegeven wijziging in de rechtspositie van gehuwde vrouwen

Tevens vorderen zij – zakelijk weergegeven – dat gedaagde de
bedrijfsverenigingen aanbeveelt om de rechthebbenden op korte termijn alsnog
– zoveel mogelijk ambtshalve – een AAW-uitkering toe te kennen

Aan hun eerste vordering leggen eiseressen ten grondslag dat de overheid
een aktieve informatieplicht heeft op grond van artikel 2 van de Wet
Openbaarheid van Bestuur en de bestaande bestuurspraktijk en dat de weigering
van gedaagde de gevraagde voorlichting te geven in strijd is met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel en het
beginsel van de rechtszekerheid. Voorts zijn zij van mening dat gedaagde
onrechtmatig handelt door niet op de door hen voorgestane wijze voorlichting
te geven

Ten aanzien van de tweede vordering stellen eiseressen dat op grond van
artikel 16 van de Organisatiewet Sociale Verzekering voorzieningen kunnen
worden getroffen indien een bedrijfsvereniging haar taak niet naar behoren
vervult. Een dergelijke voorziening is volgens eiseressen nodig, aangezien
de Federatie van Bedrijfsverenigingen aan de bedrijfsverenigingen heeft
geadviseerd een terughoudend beleid te voeren bij het toekennen van
AAW-uitkeringen aan de vrouwen op wie de uitspraken van de Centrale Raad van
Beroep van toepassing zijn

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Artikel 2 van de Wet Openbaarheid van Bestuur heeft betrekking op
het door de overheid gevoerde beleid, de voorbereiding en de uitvoering
daarvan. Het bevat geen rechtsplicht voor de overheid informatie te
verstrekken op een wijze zoals door eiseressen is gevorderd. Volgens de
Memorie van Antwoord, blz. 33, is dit artikel richtinggevend voor
overheidsorganen, maar verschaft het de burger geen recht

3.2 Anders dan eiseressen stellen is niet aannemelijk dat de Staat een
beleid voert van voorlichting over de betekenis van rechterlijke uitspraken.
Aannemelijk is wel, dat op het terrein van Sociale zekerheid in het algemeen
voorlichting wordt gegeven. Die voorlichting betreft louter nieuwe wetgeving.
Het beroep op een bestaande bestuurspraktijk van voorlichting over
rechterlijke uitspraken gaat dus niet op

3.3 Volgens eiseressen bestaat sinds de uitspraken van de Centrale Raad
van Beroep verwarring en weten vrouwen niet of zij al dan niet een
AAW-uitkering moeten aanvragen. Daaraan knopen eiseressen het verwijt vast
dat de overheid – door het weigeren van de gevraagde voorlichting – zich
schuldig maakt aan schending van het gelijkheidsbeginsel. Dat verwijt is
echter ongegrond

3.4 Eiseressen stellen dat het thans aanhangige wetsontwerp, waarin een
nieuwe regeling wordt voorgesteld voor de uitkeringsrechten van degenen die
voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden, in strijd is met de
rechtszekerheid en met het discriminatieverbod van artikel 26 van het
BuPo-verdrag

Een en ander is voor de onderhavige vorderingen echter van geen belang
en kan derhalve in het midden blijven

3.5 Aannemelijk is dat in het verleden voorlichting is gegeven, die door
de recente uitspraken van de Centrale Raad momenteel als achterhaald moet
worden beschouwd

Zelfs als die voorlichting destijds afkomstig was van de Staat – en niet
van het Voorlichtingscentrum Sociale Verzekering (met andere woorden van de
gezamenlijke bedrijfsverenigingen) – dan nog brengt die enkele omstandigheid
mee, dat de Staat het voorlichtingsmateriaal moet rectificeren. Dat zou
slechts het geval kunnen zijn als het destijds gehanteerde
voorlichtingsmateriaal thans nog wordt verspreid. Maar daarvan is niets
gesteld of gebleken

3.6 Ten aanzien van de tweede vordering wordt het volgende overwogen:

Op grond van artikel 16 van de Organisatiewet Sociale Verzekering kan
gedaagde voorzieningen treffen indien een bedrijfsvereniging haar taak niet
naar behoren vervult. Dit dient dan te geschieden bij algemene maatregel van
bestuur

Van aanbevelingen zoals door eiseressen gevorderd is in dat artikel geen
sprake. Overigens is gesteld noch gebleken dat de bedrijfsverenigingen hun
taak niet naar behoren vervullen. Uit het enkele feit dat de Federatie voor
Bedrijfsverenigingen tot terughoudendheid heeft geadviseerd bij het toekennen
van de betreffende AAW-uitkeringen is zulks niet af te leiden

3.7 Uit het bovenoverwogene volgt dat de vorderingen zullen worden
afgewezen, met veroordeling van eiseressen, als de in het ongelijk gestelde
partij, in de kosten van deze procedure

4. Beslissing

de President, wijst de vorderingen af

Veroordeelt eiseressen in de kosten van deze procedure, tot op deze
uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op ƒ 950,–

Rechters

Mr. M.R. Wijnholt

Instantie: Koninklijk Besluit van het Hoofd van de hoofdafdeling Privaatrecht vanhet Ministerie van Justitie, 19 augustus 1988

Instantie

Koninklijk Besluit van het Hoofd van de hoofdafdeling Privaatrecht vanhet Ministerie van Justitie

Samenvatting


X. verzoekt om naamswijziging na incest tussen haar en haar wettige,
maar niet biologische vader

Vanaf verzoeksters vierde levensjaar heeft haar stiefvader herhaaldelijk
seksuele toenaderingspogingen jegens haar ondernomen. Van haar dertiende tot
haar achttiende jaar werd verzoekster door haar stiefvader regelmatig
gedwongen tot gemeenschap met hem

De incest die plaats vond heeft geleid tot een echtscheiding tussen
verzoeksters moeder en haar stiefvader. Van belang is dat haar moeder op
grond van de Richtlijnen voor geslachtsnaamwijziging zal verzoeken de
geslachtsnaam van de dochter geboren uit het huwelijk van verzoeksters moeder
en haar stiefvader eveneens te wijzigingen

Verzoekster is op haar achttiende jaar een relatie aangegaan met wijlen
de heer Y., met wie zij later ook is gehuwd. Toen zij door de heer Y. onder
druk werd gezet om in zijn bordeel als prostituee te werken heeft zij het
huwelijk onmiddellijk laten ontbinden

Sinds augustus 1980 heeft verzoekster een stabiele relatie met een
gehuwde man, van wie zij sinds kort een kind heeft. Nu dit kind niet door
verwekker erkend kan worden draagt dit eveneens de naam van haar stiefvader
Verzoekster gebruikt thans in het dagelijks verkeer al gedurende enige
jaren de geslachtsnaam van haar moeder, aangezien de naam van haar stiefvader
haar voortdurend confronteert met haar traumatische verleden

Gezien bovenstaande is hier sprake van bijzondere redenen die wijziging
van verzoeksters geslachtsnaam en dientengevolge van haar kind rechtvaardigen
en daarom verzoekt verzoekster om toewijzing van de geslachtsnaam van haar
moeder

Voor inwilliging van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging in afwijking
van de richtlijnen kan aanleiding bestaan indien zich een bijzonder geval
voordoet. Van een bijzonder geval is sprake indien voor verzoekster
zodanige belangen op het spel staan dat het verzoek in redelijkheid niet kan
worden afgewezen

Een bijzonder geval zou kunnen zijn het feit dat iemand zodanig gebukt
gaat onder het dragen van zijn geslachtsnaam dat hij daar psychisch hinder van
ondervindt en daarvoor onder specialistische behandeling is

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat de verzoekster gebukt gaat
en erg lijdt onder het dragen van de naam van haar stiefvader. Daarom
worden de namen van verzoekster en haar kind gewijzigd in die van haar moeder

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Committee on the elimination of racial discrimination, 10 augustus 1988

Instantie

Committee on the elimination of racial discrimination

Samenvatting


Art. 14 IVUR. Individueel klachtrecht op grond van het IVUR
(Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van
rassendiscriminatie)

Erkenning van klacht van Turkse werkneemster dat, vanwege het ontbreken
van een rechtsgang tegen een discriminatoir ontslag, haar geen bescherming
werd geboden met betrekking tot het recht op arbeid

Zwangere Turkse werkneemster werd ontslagen. Haar werkgever had
verzocht tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder andere omdat het
ziekteverzuim van gehuwde buitenlandse werkneemsters hoog is

Noch de werkneemster noch het Comite konden uit de beschikking van de
Kantonrechter afleiden welke waarde de rechter aan de bewuste motivering en
het verweer daartegen had toegekend. Het Comite trekt de conclusie dat bij
de beslissing om de arbeidsovereenkomst te beeindigen onvoldoende met alle
omstandigheden rekening is gehouden

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 augustus 1988

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Het personeelsbeleid valt onder het beleidsterrein dat wordt bestreken
door de wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke
openbare dienst

De commissie heeft tot taak na te gaan of het emancipatiebeleid van de
UvA in strijd is met het bepaalde in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke
behandeling

Op grond van de huidige wettelijke bepalingen kan een
voorkeursbehandeling zowel ten aanzien van vrouwen als mannen worden
toegepast. De commissie wijst er echter op dat in het aanstellingsbeleid
van de rijksoverheid thans in versterkte mate uitvoering gegeven wordt aan het
beginsel dat bij gelijkwaardige kandidaten de voorkeur wordt gegeven aan een
vrouw. De mogelijkheid de voorkeursbehandeling ook ten gunste van mannen te
gebruiken wordt niet toegepast zolang er sprake is van een betekenende
achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt

Uit de aan de commissie overgelegde stukken blijkt, dat het
emancipatiebeleid van de UvA geacht kan worden aan door de commissie gestelde
vereisten te voldoen. Er is sprake van een aantoonbare, feitelijke
achterstand. De voorkeursbehandeling heeft een tijdelijk karakter. Er is
rekening gehouden met het gekwalificeerd aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt
en de samenstelling van het betreffende personeelsbestand. Op gezette
tijden zal worden onderzocht in hoeverre er nog sprake is van achterstand

De commissie is van oordeel dat het emancipatiebeleid van de UvA op dit
ogenblik niet in strijd is met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen, noch met artikel 1 lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen in de burgerlijke en openbare dienst

Volledige tekst

Rechters

A.M. Goudsmit (voorzitter), C.J.G. Olde Kalter (lid), H.J. Albersen(lid), J.J.G. Muller-van Santen(plv. lid), M.M. van den Brink (lid), F.J.M.Schaap (adj.-secretaris)

Instantie: Kantonrechter ‘s-Gravenhage, 28 juli 1988

Instantie

Kantonrechter ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Werknemer verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden
omdat hij weigert een keuze te maken tussen zijn baan en zijn relatie met een
secretaresse. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst voor een
vergoeding bestaat geen reden, gezien verzoekers leeftijd, het korte
dienstverband en de gebleken mogelijkheid andere passende arbeid te vinden.

Volledige tekst

Beoordeling van het geschil

Requestrant, hierna te noemen T: verzoekt de Kantonrechter de tussen hem
en gerequestreerde, hierna te noemen B. sedert 15 september 1986 vigerende
arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een gewichtige reden, gelegen in
verandering van omstandigheden met toekenning aan T. van een vergoeding van ƒ
80,000 bruto.

T. heeft daartoe gesteld -kort samengevat- dat B. plotsklaps eind maart
1988 aan T. mededeelde dat T. zijn ontslag diende te nemen gezien het feit dat
T. weigerde een keuze te maken tussen zijn baan enerzijds en zijn relatie met
een secretaresse bij B. anderzijds. Op 27 maart 1988 ontsloeg B. werknemer T.,
tegen welk ontslag T. protesteerde bij brief van 28 maart 1988.

Volgens T. zou daarna nog via bemiddeling van de office-manager van B.
een tijdelijke oplossing getroffen zijn tussen hem en B. – een
afkoelingsperiode van drie weken met toezegging van T. (en de betreffende
secretaresse) dat de houding na die afkoelingsperiode 100% professioneel zou
zijn en B. zich zou onthouden van bemoeienis met het priv-leven van T. -doch
de heer B. wenste deze regeling niet na te komen blijkens een gesprek tussen
B. en T. op 17 april 1988. De heer B. deelde alstoen mede aan T.
respectievelijk dat T.’s carriere met B. was afgelopen, dat hij van de lijst
voor promoties was afgevoerd en dat hij geen bonus over het jaar 1987 zou
ontvangen. Als T. geen vrijwillig ontslag zou nemen dan zou geen gunstige
referentie van de kant van B. worden verstrekt.

T. ziet goede perspectieven (promotie tot senior-associate,
salarisverhoging per 1 oktober 1988) bij een succesvolle onderneming teloor
gaan.

De oorzaak van de verandering van omstandigheden ligt geheel bij B.
volgens T. Schadevergoeding is op zijn plaats omdat respectievelijk bij een
andere werkgever minder gaat verdienen, zijn uitgangspositie minder gunstig is
en T. salarisverhogingen misloopt. Voorts zou T. de bonus over 1987 ad ƒ 15
000 niet ontvangen, advocatenkosten hebben moeten maken en immateriele schade
lijden.

B. heeft zich verweerd en gesteld -kort samengevat- dat T. op 17 april
zijn ontslag heeft genomen en aan de heer B. heeft medegedeeld dat hij daags
daarna zij ontslagbrief zou verzenden. Partijen zouden een termijn van 90
dagen zijn overeengekomen als opzeggingstermijn zodat de arbeidsovereenkomst
zou eindigen per 15 juli 1988. Primair stelt dan ook B. dat T.
niet-ontvankelijk is in het aan de Kantonrechter gedane verzoek nu de
arbeidsverhouding per 15 juli 1988 is beeindigd.

Subsidiar stelt B. dat de arbeidsovereenkomst dient te worden beeindigd
zonder toekenning van enige schadevergoeding omdat zulks onbillijk zou zijn
gezien het feit dat T. ontbinding vraagt. Volgens B. zijn de door T. gevraagde
vergoedingen gebaseerd op onverifieerbare schadeposten en bovendien op
toekomstverwachtingen die T. zelfs bij gelijkblijvende omstandigheden bij B.
niet in rechte had kunnen afdwingen.

Het is de Kantonrechter gebleken dat het kantoor van B. te Wassenaar van
bescheiden omvang is met een niet al te groot personeelsbestand. Een relatie
tussen twee personeelsleden valt deswege moeilijk te verbergen. Het had dan
ook op de weg van T. gelegen om zijn werkgeefster van de relatie met de
secretaresse op de hoogte te stellen en een oplossing aan te dragen (wellicht
vertrek van de secretaresse).

In hoeverre de reactie van B. op het gebeuren een overtrokkene is
geweest valt voor de Kantonrechter uitsluitend te beoordelen aan de hand van
verklaringen van getuigen met betrekking tot het gedrag van T. in de periode
11 maart 1988 tot 25 maart 1988 (de datum waarop partijen voor het eerst met
betrekking tot deze kwestie hebben gesproken).

Uit proceseconomische en praktische overwegingen laat de Kantonrechter
na getuigen te horen omdat, in het geval zal komen vast te staan dat de
gedragingen van T. ongepast waren en hij deswege te weinig oog heeft gehad
voor de cultuur van zijn werkgeefster, en een schadevergoeding op zijn plaats
is en T. blij mag zijn dat B. zich niet eerder tot de Kantonrechter heeft
gewend om een ontbinding van de arbeidsverhouding te verkrijgen.

Indien zou komen vast te staan dat het gedrag van T. meevalt (en dus
reactie van B. overtrokken is geweest) dan nog is een schadevergoeding naar
het oordeel van de Kantonrechter niet op zijn plaats nu T. tot 15 augustus
1988 in dienst is gebleven c.q. zal blijven.

Het staat voor de Kantonrechter vast dat B.T. in de gelegenheid heeft
gesteld om elders arbeid te vinden en dat T. van die gelegenheid gebruik heeft
gemaakt.

Gezien de leeftijd van T., het korte dienstverband en de gebleken
mogelijkheden andere passende arbeid te vinden, acht de Kantonrechter bij een
ontbinding van het arbeidscontract op 15 augustus 1988 geen enkele vergoeding
(meer) op zijn plaats. Het minder-inkomen zal T. voor lief moeten nemen nu de
verandering van de omstandigheden betrekkelijk de arbeidsverhouding der
partijen -hoe ook de gedragingen van zowel T. als B. ten opzichte van elkaar
mogen worden gekwalificeerd- zijn oorzaak vindt in het gedrag van T.

Gezien het bepaalde in artikel 1639 W lid 10 BW geeft de Kantonrechter
T. een termijn om zijn verzoekschrift eventueel in te trekken.

De Kantonrechte acht termen aanwezig de proceskosten te compenseren.

Rechters

onbekend

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 26 juli 1988

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Artt. 242 en 250 ter Sr. De rechtbank veroordeelt S. tot 30 maanden
gevangenisstraf en tot ƒ 1.500,– (vijftienhonderd gulden) schadevergoeding
aan elk van de beledigde partijen. De rechtbank overweegt, dat de
vrouwenhandel en verkrachting wijzen op volledige ontkenning van en minachting
voor de betrokken vrouwen, en dat de verdachte en/of zijn mededaders de
Filippijnse vrouwen door misleiding en intimidatie in een van verdachte
afhankelijke positie brachten, waardoor geen andere keuze overbleef dan zich
te prostitueren

Zie ook over deze zaak Jos van Beurden in Vrouwenhandel, de veroordeling
van Jan S. in Nemesis 1988 nr. 6, p. 213 – 218

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Wegener Sleeswijk, voorzitter, van Gelder en Van der Neut

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 20 juli 1988

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Deze uitspraak is een vervolg op de uitspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 1988 (Rechtspraak Nemesis 1988 nr.
8, pag. 85) en betreft de aanpassingen van de WWV aan de EEG-richtlijn met
betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
de sociale zekerheid

Het kostwinnersvereiste in de WWV werd per 23 december 1984 afgeschaft,
behalve voor vrouwen die werkloos werden en de maximum WW-termijn bereikten
voor 23 december 1984. Het overgangsrecht bevatte hiermee discriminatie op
grond van het kostwinnersvereiste. Het Hof van Justitie bepaalde dat
dergelijke discriminatie niet is toegestaan

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid interpreteerde
in zijn circulaire van 5 mei 1988 de uitspraak van het Hof aldus dat het
voldoende zou zijn om gedupeerde vrouwen vanaf 23 december 1984 een beperkt
WWV-recht toe te kennen in plaats van de normale maximale uitkeringstermijn

De Raad van Beroep stelt zich op het standpunt dat de circulaire van de
staatssecretaris discriminerend is en strijdig met EG-recht, met uitspraken
van het Hof van Justitie van de EG en met het systeem van de WWV. Volgens
de Raad hebben gedupeerde vrouwen met ingang van 23 december 1984 recht op WWV
gedurende de normale maximale termijn

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.R. Huges-Borgerhoff Mulder als voorzitter, E.W.M. van Amerongen enJ.H. de Bes als leden

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 20 juli 1988

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Nadat klaagster laatstelijk van 10 januari 1983 tot en met 31 juli 1983
als onderwijzeres in dienstbetrekking werkzaam was geweest, ontving zij een
uitkering krachtens de werkloosheidswet (WW) tot en met 27 januari 1984. De
aangevraagde uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) werd op
8 september 1987 afgewezen

De Raad:

De werkloosheid van klaagster is ingetreden voor 23 december 1984, dus
op een tijdstip waarop de gewraakte kostwinnersbepaling nog gold en ongelijke
behandeling op grond van het communautaire recht nog niet verboden was

Een en ander betekent echter nog niet zonder meer dat bedoelde bepaling
vanaf 23 december 1984 (een nadeling) effect jegens klaagster kan sorteren

Immers, artikel 4, lid 1 van richtlijn 79/7, waarin is neergelegd het
beginsel van gelijke behandeling, heeft blijkens de arresten van het Hof van 4
december 1986 (zaak 71/85, FNV) en van 24 maart 1987 (zaak 286/85, Mc Dermott
en Cotter) rechtstreekse werking vanaf 23 december 1984

Uit het op 24 juni 1987 door het Hof gewezen arrest (zaak 384/85,
Clarke) moet worden afgeleid dat artikel 4, lid 1 van richtlijn 79/7 ook geen
discriminerende gevolgen van vroeger wetsbepalingen toestaat

De Raad kan gelet op het systeem van de WWV tot geen andere conclusie
komen dan dat bij de vaststelling van de periode waarover de gehuwde vrouw
vanaf 23 december 1984 maximaal aanspraak heeft op uitkering niet (mede) in
aanmerking kan worden genomen de periode liggend tussen de 1e werkloosheidsdag
en 23 december 1984 aangezien in deze periode nu eenmaal geen uitkering is
genoten. Zulks zou immers leiden tot een ongeoorloofd discriminatoir
rechtsgevolg

Raad vernietigt de bestreden beslissing en bepaalt dat verweerder een
nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak
overwogene

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.R. Huges-Borgerhoff Mulder als voorzitter, E.W.M. van Amerongen enJ.H. de Bes als leden

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 18 juli 1988

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De man heeft alsnog stukken betreffen zijn inkomen, waaronder de
jaarstukken van zijn onderneming over de jaren 1986 en 1987, zijn
aangiftebiljetten inkomstenbelasting 1986 en 1987 overlegd

Op basis van de stukken is het hof van oordeel dat de man van 1 december
1986 tot 1 juli 1988 niet in staat is geweest enige bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen te betalen, doch dat de
vader met ingang van 1 juli 1988 voldoende draagkracht heeft om een bijdrage
te betalen van ƒ 100 per kind per maand

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Swens, Poell en Vermeijden, als leden van de Tweede Kamer

Instantie: Commissie van de Europese Gemeenschappen, 5 juli 1988

Instantie

Commissie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Klaagster heeft twaalf maanden voorafgaande aan haar
arbeidsongeschiktheid in deeltijd gewerkt en wel gemiddeld 18 uur per week
Gedurende de periode van de bedoelde werkzaamheden woonde klaagster samen
met haar echtgenoot met wie zij de zorg heeft voor haar minderjarige dochter

Klaagster kreeg met ingang van 1 januari 1985 een AAW-uitkering
toegekend ter hoogte van 80% van een voor klaagster vastgestelde grondslag van
ƒ 54,24 per dag. Hiertegen is door klaagster beroep ingesteld

Doel van de AAW is het garanderen van een bestaansminimum bij de afwezi
gheid van andere beroepsinkomsten teneinde aldus te vermijden dat zich
gevallen van behoeftigheid voordoen. Iedere verzekerde van 17 jaar of ouder
die arbeidsongeschikt wordt heeft recht op deze uitkering indien hij in het
jaar daaraan voorafgaand inkomen uit arbeid heeft verworven. Dit inkomen
moet minimaal 15% van het wettelijk minimumloon bedragen

Artikel 6, lid 3 van de AAW voorziet echter in een uitzondering op deze
beperking. Krachtens deze bepaling kan ten aanzien van bepaalde groepen
verzekerden, bij wijze van fictie, worden bepaald dat zij toch aan de gestelde
inkomenseis voldoen. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt in onder meer
de volgende gevallen:

– Voor full time werkende zelfstandigen en hun echtgenoten, die met hun
werk als zelfstandige niet het vereiste minimum inkomen hebben verworven;

– studerenden zonder inkomen;

– ongehuwden, werkzaam in de huishouding van ouders of ongehuwde broers
of zusters

Deze groepen kunnen bij arbeidsongeschiktheid dus wel een aanspraak op
een uitkering maken

De grondslagen worden berekend op basis van het wettelijk minimumloon en
zijn onder andere afhankelijk van de burgerlijke staat, ten laste komende
kinderen en inkomsten uit of in verband met arbeid. Deze grondslagen zijn
zo bepaald dat bij een maximale arbeidsongeschiktheid de netto-uitkering 75,
85 danwel 100% van het minimumloon bedraagt

Deze grondslagen op basis waarvan de uitkeringen wegens
arbeidsongeschiktheid berekend worden houden geen verband met de hoogte van
het inkomen dat voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid werd genoten.
Uitzondering vormt hierop artikel 10, lid 5, welke bepaling betrekking heeft
op deeltijdarbeid. In dit geval wordt de uitkering wegens
arbeidsongeschiktheid wel gerelateerd aan het vroegere verdiende loon. Om
dit artikel draait het onderhavige geschil

In het geval van klaagster is haar uitkering wegens
arbeidsongeschiktheid berekend op basis van de grondslag als voorzien in
artikel 10, lid 5 AAW. Zij is van mening dat deze bepaling een indirecte
discriminatie inhoudt ten nadele van vrouwen. Aangezien volgens de Raad van
Beroep ruim drie kwart van de deeltijdwerkenden uit vrouwen bestaat, welk
gegeven niet weersproken is, heeft dit tot gevolg dat artikel 10, lid 5 AAW
indirect voor vrouwen een ongunstiger effect heeft als voor mannen. Dit zou
in strijd zijn met richtlijn 79/7/EEG van de Raad welke ook indirecte
discriminatie verbiedt

De Raad legt de volgende prejudiciele vragen voor:

1. Is een stelsel van uitkeringsrechten voor de (niet werkloze)
beroepsbevolking bij arbeidsongeschiktheid, waarbij is voorzien in uitkeringen
op het niveau van het sociaal minimum behoudens in de gevallen, dat het
voordien door de uitkeringsgerechtigde ontvangen loon mede als gevolg van het
werken in deeltijd beneden dat sociaal minimum is gebleven, in overeenstemming
met artikel 4, lid 1 van Richtlijn 79/7?

2. Indien vraag 1. ontkennend wordt beantwoord: brengt de – alsdan
geschonden – communautaire norm dan met zich mede dat de
uitkeringsgerechtigden (van beiderlei geslacht) ook in de in die vraag
bedoelde (uitzonderings-) gevallen aanspraak hebben op een voorziening tot het
sociaal minimum

Indien deeltijdwerkers een zelfde beloning per uur ontvangen, maar hun
totale beloning per week of per maand minder is dan die van een voltijdwerker,
is er derhalve geen sprake van een verboden discriminatie in de zin van
artikel 119, zelfs indien de meerderheid van de deeltijdwerkers bestaat uit
vrouwen. Het verschil in beloning vloeit in een dergelijk geval alleen
voort uit het feit dat de deeltijdwerker minder arbeid verricht dan de
voltijdwerker

Het toekennen van de zelfde uitkeringen aan voltijd en deeltijdwerkers
in een systeem waarbij deze uitkeringen zijn gerelateerd aan het vooraf
genoten inkomen, zou neerkomen op een discriminatie ten nadele van de
voltijdwerkers

Uit het voorgaande vloeit voort dat het enkele feit dat artikel 10, lid
5 AAW een relatie aanbrengt tussen de hoogte van het voor de
arbeidsongeschiktheid verdiende inkomen en de uitkeringen uit hoofde van deze
wet, als zodanig geen schending inhoudt van het bestaande gemeenschapsrecht

Artikel 10, lid 5 AAW dient echter in zijn context te worden bezien
Het maakt deel uit van een wetgeving die voorziet in een algemeen systeem
voor de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, voor een ieder die voor zijn
bestaan afhankelijk is van een arbeidsinkomen, onafhankelijk van het niveau
van deze voorheen genoten inkomsten

In casu wordt op dit op een garantie voor een sociaal minimum gebaseerde
verzekeringssysteem voor een bepaalde groep ten aanzien van dezelfde uitkering
een uitzondering gemaakt

Dit leidt volgens de Commissie tot een discriminatie ten nadele van
deeltijdwerkers. Aangezien deze groep vooral uit vrouwen bestaat, in een
verhouding van 3 op 1, heeft dit onderscheid voor hen nadelige gevolgen.
Voor zover geen objectieve rechtvaardiging voor dit onderscheid aanwezig is,
is er derhalve sprake van een discriminatie in de zin van artikel 4, eerste
lid van richtlijn 79/7

Is het onderscheid objectief gerechtvaardigd?

Hiervoor moet zijn voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

1. Het onderscheid tussen de hoogte van de prestaties dient te
corresponderen met een daadwerkelijk verschil tussen de omstandigheden waarin
de benadeelde groep en de bevoordeelde groep zich bevindt

2. De maatregel waarop het verschil berust dient geschikt te zijn om het
nagestreefde doel te bereiken, welke doelstelling in dit geval voorrang dient
te hebben

3. De maatregel dient noodzakelijk te zijn om deze doelstelling te
bereiken

Naar de mening van de Commissie voldoet artikel 10, lid 5 AAW noch aan
de eerste noch aan de tweede eis

Ten aanzien van de tweede prejudiciele vraag kan gezegd worden dat de
commissie van mening is dat de betreffende bepaling geheel buiten toepassing
moet worden gelaten. De uitkeringen aan de groep van deeltijdwerkers moet
worden gerelateerd aan het sociale minimum zoals dit voortvloeit uit andere
bepalingen van de AAW

Volledige tekst

Rechters

Rene Barents en Julian Currall, leden van de Juridische Dienst van deCommissie