Instantie: Rechtbank Haarlem, 28 juni 1988

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiser en alle andere Turken in Nederland mogen net zo goed met een
chartervlucht naar hun vaderland vliegen als Nederlanders. Volgens de
rechtbank mogen een Nederlandse touroperator en een Nederlandse
luchtvaartmaatschappij een Turk een goedkope reis naar Turkije niet weigeren
Zowel NBBS als Martinair, voor dat feit door Akel en het Inspraakorgaan
Turken gedagvaard, handelt volgens de rechtbank ongeoorloofd en onrechtmatig
Beide organisaties handelen in strijd met het discriminatie-artikel 429
quater van het Wetboek van strafrecht, artikel 12 van de Grondwet, artikel 1
van het Internationaal verdrag van New York (uitbanning van alle vormen van
rassendiscriminatie) en artikel 26 van dat laatste verdrag (burgerrechten en
politieke rechten)

NBBS had Akel bijna twee jaar geleden nooit een goedkoop ticket mogen
weigeren omdat de Utrechtse journalist de Turkse nationaliteit heeft. NBBS
deed dat wel, omdat Martinair destijds problemen verwachtte van de Turkse
autoriteiten, die liever niet hebben dat gastarbeiders op een charterstoel
naar hun vaderland komen vliegen

Volgens de rechtbank mogen NBBS en Martinair wel roepen dat zij zich
hebben te houden aan voorschriften van buitenlandse autoriteiten, maar
daarvoor kunnen zij nog geen internationaal vastgelegde discriminatieverboden
opzij zetten. De beide bedrijven mogen van de rechter ook aanvoeren dat zij
economische belangen hebben maar het middel dat ze daarbij hanteren is
ongeoorloofd

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Matthijsse, vice-president, Holtrop en Beyer-Lazonder, rechters

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 juni 1988

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting

Volledige tekst

Eiseres heeft bij exploot van 7 mei 1982 verweerster gedagvaard voor de
Rechtbank te Haarlem en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij
voorraad:

a. voor recht zal verklaren dat verweerster door in deze de wet op de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen te overtreden onrechtmatig heeft
gehandeld jegens Dekker;

b. verweerster zal veroordelen om aan Dekker vanaf 1 september 1981 een
schadevergoeding wegens gederfde inkomsten te betalen van ƒ 1.056,25 per
maand, voor iedere maand dat Dekker, na 1 september 1981 werkloos is,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de
inleidende dagvaarding

Deze vordering is bij vonnis van 10 januari 1984 door de Rechtbank
afgewezen. Het Hof heeft bij arrest van 15 mei 1986 het vonnis van de
Rechtbank bekrachtigd

Het betreft hier de vraag over uitleg van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen en het daarbij ingevoegde art. 1637 ij BW, in het bijzonder
van de eerste zin van het eerste lid van dat artikel, zulks met het oog op het
geval dat een werkgever weigert met een voor een bepaalde functie geschikt
bevonden kandidate een arbeidsovereenkomst aan te gaan met een beroep op de
omstandigheid dat zij zwanger is

Mevrouw Dekker solliciteert bij een Vormingscentrum voor Jong
Volwassenen (VJV), een onderwijsinstelling. Na enige gesprekken besluit de
sollicitatiecommissie Dekker als kandidaat voor te dragen aan het bestuur
Mevrouw Dekker had tijdens het tweede gesprek medegedeeld zwanger te
zijn. Het bestuur noemt Dekker uiteindelijk niet. De reden is dat de
voor het VJV toepasselijke ziekengeldregeling van de Stichting Risicofonds
Sociale Voorzieningen Bijzonder Onderwijs bepaalt dat de zwangerschap- en
bevallingsuitkering kan worden geweigerd als de zwangerschap reeds aanwezig is
bij het indiensttreden. Als het risicofonds deze uitkering inderdaad zou
weigeren diende VJV zelf voor de kosten van de uitkering op te draaien zodat
er geen financiele ruimte meer zou zijn om gedurende het
zwangerschaps/bevallingsverlof iemand ander tijdelijk aan te trekken. Dit
zou weer kunnen meebrengen dat het aantal formatieplaatsen in het jaar daarop,
die worden berekend naar de werkelijke personele bezetting van het
voorafgaande jaar, definitief kleiner zou worden. Dit betekende
uiteindelijk verlies aan werkgelegenheid en bedreiging van de continuiteit van
het werk bij VJV. De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen de volgende vragen te beantwoorden:

1. Handelt een werkgever, hetzij direkt, hetzij indirekt, in strijd met
het in art. 2 lid 1 en 3 lid 1 van de richtlijn bedoelde beginsel van gelijke
behandeling, wanneer hij weigert met een door hem geschikt bevonden
sollicitante een arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond van de nadelige
gevolgen die voor hem van haar bij die sollicitatie bestaande zwangerschap
zijn te verwachten in verband met een regeling van de overheid betreffende
arbeidsongeschiktheid, waarin met verhindering om dienst te verrichten wegens
ziekte wordt gelijk gesteld verhindering in verband met zwangerschap en
bevalling

2. Maakt het daarbij verschil of mannelijke sollicitanten ontbraken

3. Is het verenigbaar met de artikelen 2 en 3

a. dat, wanneer vaststaat dat het beginsel van gelijke behandeling
jegens de afgewezen sollicitante is geschonden, daarnaast voor toewijzing van
een op die schending gegronde vordering als de onderhavige nog schuld van de
werkgever vereist is; of

b. dat bij vaststaan van een zodanige schending de werkgever zijnerzijds
nog een beroep op een rechtvaardigingsgrond kan doen, zonder dat zich een van
de gevallen van art. 2 leden 2-4 voordoet

4. Indien schuld als bedoeld onder 3 mag worden geeist dan wel
rechtvaardigingsgronden kunnen worden ingeroepen, is dan voor het ontbreken
van schuld, onderscheidenlijk de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond
voldoende dat de werkgever risico’s loopt als onder de feiten weergegeven, of
moeten de artikelen 2 en 3 aldus worden uitgelegd dat hij deze risico’s heeft
te dragen, behoudens de situatie dat hij zich volledige zekerheid heeft
verschaft dat de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid wordt geweigerd,
onderscheidenlijk dat het verlies aan formatieplaatsen wordt geleden, en hij
al het mogelijke heeft gedaan om zulks te voorkomen

De Hoge Raad houdt de verdere beslissing aan totdat het Hof van Justitie
deze vragen zal hebben beantwoord

Rechters

Vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Van de Blink, DeGroot, Hermans en Bloembergen

Instantie: Europese Hof voor de Rechten van de Mens, 21 juni 1988

Instantie

Europese Hof voor de Rechten van de Mens

Samenvatting


In de onderhavige zaak acht het Hof (de toepassing van) het Nederlandse
vreemdelingenbeleid in casu in strijd met artikel 8 EVRM. Uitzetting van
een gezinslid kan een inbreuk op het gezinsleven van betrokkenen vormen, en
bij het bepalen van de gerechtvaardigheid van die inbreuk moet nagegaan worden
of het nastreven van een legitiem doel opweegt tegen de ernst van de inbreuk
op het gezinsleven

Het Hof constateert dat er sprake is van gezinsleven door eerst de
formele familieband vast te stellen en vervolgens het feit dat die band later
niet verbroken is. Samenleven is geen noodzakelijke voorwaarde

Het Hof oordeelt dat de mogelijkheid om vanuit Marokko de gezinsband vo
ort te zetten een theoretische is en dat er daarom sprake is van een inbreuk
op het recht op gezinsleven van betrokkenen. Daarbij wordt gewezen op de
problemen die de heer Berrehab gehad heeft om zijn dochter in Nederland te
bezoeken

Volledige tekst

Rechters

Mr. R. Ryssdal, president, Mr. Thir Vilhjalmsson, Mr. G. Lagergren, Mr.C. Russo, Mr. A. Spielmann, Mr. J. De Meyer, Mr. S.K. Martens, ad hoc judge

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 18 juni 1988

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


A. stelt op 29 juli 1986 een civiele vordering in tegen M. waarbij zij
een vergoeding voor geleden immateriele schade eist van ƒ 35.000,–
(vijfendertigduizend gulden). De Rechtbank Alkmaar wees in haar vonnis van
18 juni 1987 ‘slechts’ ƒ 10.000,– (tienduizend gulden) toe, daarbij
overwegende: ‘(…) gelet enerzijds op de aan gedaagde toe te rekenen
psychologische gevolgen, die het gebeurde voor eiseres hebben meegebracht,
anderzijds op de weinig riante financiele omstandigheden en vooruitzichten van
gedaagde, toekenning van een immateriele schadevergoeding ten belope van ƒ
10.000,– (tienduizend gulden) redelijk en billijk is’

Volledige tekst

OVERWEEGT TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Eiseres heeft bij conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding
gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tot
betaling aan eiseres van de somma van ƒ 35.000,– vermeerderd met de
wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der
voldoening, alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding

Eiseres heeft bovendien een productie overgelegd (welke de rechtbank in
het door eisers overgelegde procesdossier overigens niet heeft aangetroffen)

Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de
vordering, heeft bewijs aangeboden en heeft geconcludeerd tot
niet-ontvankelijkheidsverklaring van eiseres in haar vorderingen, althans tot
afwijzing daarvan, althans tot toewijzing van de vordering maar dan tot een
bedrag van ƒ 1.500,–; kosten rechtens

Partijen hebben vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd; eiseres heeft
daarbij, onder het aanbieden van bewijs, haar vordering nader toegelicht en
gehandhaafd, terwijl gedaagde onder nadere toelichting van zijn verweer
daarbij is gebleven, opnieuw bewijs heeft aangeboden en een productie heeft
overgelegd

Tenslotte hebben partijen hun procesdossiers, waarvan de inhoud als hier
herhaald en ingelast geldt, aan de rechtbank overgelegd en vonnis gevraagd

OVERWEEGT TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend, dan wel niet of niet voldoende
weersproken, alsmede op grond van de overgelegde producties, voor zover niet
bestreden, staat ten processe vast:

– Op 3 mei 1985 heeft gedaagde, nadat hij de woning van eiseres was
binnengedrongen en haar met een (alarm)pistool bedreigd had, eiseres
verkracht en gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen;

– Gedaagde is terzake in november 1985 strafrechtelijk veroordeeld;

– Na 3 mei 1985 hebben zich bij eiseres diverse, in de stukken nader
aangeduide psychische klachten geopenbaard, waarvoor zij reeds geruime tijd
in therapie is;

Eiseres vordert vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden
immateriele schade, bestaande in het psychische leed haar aldus door gedaagde
aangedaan, zulks ten bedrage van ƒ 35.000,–

Gedaagde, die zijn aansprakelijkheid in deze in beginsel erkent,
verweert zich tegen deze vordering, stellende

a. dat psychische schade slechts voor vergoeding in aanmerking komt,
voor zover een en ander een erkend ziektebeeld oplevert, zulks tengevolge van
het handelen van de schadeplichtige;

b. dat – gelet op het (vaststaande) feit, dat — strafrechtelijk gezien
— het gebeurde gedaagde slechts in verminderde mate kan worden toegerekend –
hij niet volledig voor eiseres’ schade verantwoordelijk zou zijn en/of dat
bij hem ten tijde van het gebeurde, het inzicht dat aldus schade zou kunnen
ontstaan, in mindere mate aanwezig was;

c. dat het door eiseres gevorderde bedrag, alle omstandigheden
(waaronder zijn geringe draagkracht) in aanmerking genomen, hetgeen redelijk
en billijk is verre te boven gaat;

De rechtbank overweegt te dezer zake allereerst, dat gedaagde de door
eiseres gestelde psychische klachten, die zich na 3 mei 1985 bij haar zijn
gaan voordoen, niet weersproken heeft en evenmin betwist heeft dat deze
klachten het – naar ook algemeen bekend is – logische en te verwachten gevolg
zijn (geweest) van hetgeen hij eiseres feitelijk heeft aangedaan

Aldus staat ten processe vast, dat sprake is van een niet onaanzienlijk
psychisch lijden van eiseres, veroorzaakt door schuld en onrechtmatig
handelen van gedaagde, dat voor vergoeding ingevolge artikel 1407 lid 3 B.W.
in aanmerking komt

Ad a: Nu vergoeding van immateriele schade ertoe strekt geleden pijn,
gederfde levensvreugde en dergelijke te compenseren, valt niet in te zien,
dat en waarom psychische pijn (en de daardoor c.q. aldus gederfde
levensvreugde) slechts voor vergoeding in aanmerking zou komen als een en
ander een “erkend ziektebeeld” zou opleveren

Voorzover deze eis in de (Nederlandse) rechtspraak en literatuur al ter
sprake komt, gebeurt dat in het kader van psychisch lijden als gevolg van het
uitblijven van schadevergoeding terzake van onrechtmatig toegebracht letsel,
niet in verband met de vraag of dat onrechtmatig toegebrachte (lichamelijk
en/of psychische) letsel als zodanig voor vergoeding in aanmerking komt

Ad b: Vergoeding van immateriele schade heeft – in elk geval naar
geldend recht – de functie niet op geld waardeerbare schade te compenseren

Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij niet tevens sprake van een
(civielrechtelijke) boetefunctie, zodat in het strafrecht relevante begrippen
– zoals bijvoorbeeld opzet en grove schuld – bij de bepaling van het
smartegeld geen rol behoren te spelen

De rechtbank is van oordeel dat datzelfde heeft te geleden ten aanzien
van de (overige) strafrechtelijke gradaties betreffende de schuld in de zin
van verwijtbaarheid, zoals die waarop gedaagde zich in casu beroept; dit
beginsel lijdt – naar gelden Nederlands recht – slechts dan uitzondering
indien en voorzover sprake zou zijn van volledige ontoerekeningsvatbaarheid,
hetgeen in casu niet het geval is

Voor zover gedaagde in dit kader tevens bedoeld heeft te stellen, dat –
gelet op zijn geestestoestand ten tijde van het gebeurde – eiseres’ schade
niet voorzienbaar was, faalt dit verweer eveneens: meer nog dan ten aanzien
van het schuldbegrip in het kader van artikel 1401 en volgende B.W. het geval
is, is het “voorzienbaarheidsvereiste” een geobjectiveerd begrip, waaraan in
casu – zoals hiervoor reeds werd overwogen – geheel en al voldaan is

Ad c: Uitgaande van de hiervoor reeds in aanmerking genomen
compensatiefunctie van de immateriele schadevergoeding, dient naar het
oordeel van de rechtbank de aard van de onderhavige schadeveroorzaking als
zodanig geen rol te spelen bij de bepaling van het toe te kennen smartegeld.
Zulks geldt temeer, nu gedaagde terzake van het gebeurde strafrechtelijk
veroordeeld is, zodat ook om die reden van enigerlei “boetefunctie” geen
sprake kan en/of behoort te zijn

Het moge anderzijds waar zijn, dat smartegeld veelal (mede) een
symbolische functie heeft, doch dat rechtvaardigt naar het oordeel van de
rechtbank geenszins de door gedaagde daaraan verbonden conclusie dat dus
volstaan zou kunnen worden met de vaststelling van een symbolisch bedrag
terzake

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat
– gelet enerzijds op de aan gedaagde toe te rekenen psychische gevolgen, die
het gebeurde voor eiseres hebben meegebracht, anderzijds de weinig riante
financiele omstandigheden en vooruitzichten van gedaagde, toekenning van een
immateriele schadevergoeding ten belope van ƒ 10.000,– redelijk en billijk
is

De vordering van eiseres is dan ook tot dat bedrag toewijsbaar, waarbij
gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden verwezen in
de proceskosten

DOET RECHT ALS VOLGT:

Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van de somma van ƒ
10.000,– (TIEN DUIZEND GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente over het
bedrag vanaf 29 juli 1986 tot aan de dag der voldoening;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseres gevallen en begroot op ƒ 465,65 aan
verschotten (ƒ 400,– griffierecht, ƒ 19,40 uitroepgeld en ƒ 46,25 kosten
exploit), alsmede ƒ 1.600,– aan salaris procureur, derhalve totaal ƒ
2.065,65 door gedaagde rechtstreeks te betalen aan de griffier van deze
rechtbank; Wijst af het meer of anders gevorderde

Rechters

Mrs. G.A. Jansen op de Haar, voorzitter, F.O. Broekveldt-van Manen enM.C.D. Boon-Niks

Instantie: Hoge Raad, 17 juni 1988

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


De man die een kind heeft erkend van wie hij niet de biologische vader is
en met wie hij geen feitelijk gezinsleven heeft gehad krijgt geen
omgangsrecht. Man en vrouw blijven na echtscheiding nog enige tijd bij
elkaar wonen. De vrouw verbreekt de relatie nadat zij een kind heeft
gekregen. De man is niet de verwekker is van het kind maar het kind wordt
het wel door hem erkend. Volgens de moeder heeft de man haar toestemming
daarvoor min of meer afgedwongen. De man blijft proberen contact te
krijgen met de vrouw en het kind. De vrouw, die elk contact afwijst,
verhuist naar het noorden van het land, de man blijft haar echter
achtervolgen. In 1986 krijgt hij in kort geding een contactverbod
opgelegd: hij mag zich niet meer in de woonwijk van de vrouw ophouden,
haar of haar buren schriftelijk of telefonisch benaderen en haar
opwachten, volgen enz.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Op 25 maart 1987 heeft verzoeker
tot cassatie – hierna aan te duiden als: de man – zich gewend tot de
Kinderrechter in de Rechtbank te ‘s-Gravenhage met het verzoek te bepalen
dat tussen de man en de minderjarige Katja, geboren op 17 september 1981
te Leiden, natuurlijk kind van verweerster in cassatie – hierna aan te
duiden als: de vrouw – en erkend door de man, een omgangsregeling wordt
vastgesteld, in dier voege dat de man eenmaal per drie weken Katja in
Groningen bezoekt en alsdan 2 a 3 uur aldaar met haar gaat wandelen. Nadat
de vrouw tegen dat verzoek verweer had gevoerd en de man ter
terechtzitting zijn verzoek had gewijzigd in een verzoek strekkende tot
vaststelling van een omgangsregeling waarbij hij Katja twee keer per jaar
mag zien, heeft de Kinderrechter bij beschikking van 27 mei 1987 het
verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Bij beschikking van 18
september 1987 heeft het Hof de beschikking van de Kinderrechter
bekrachtigd. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal
Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De man heeft vaststelling verzocht van een omgangsregeling tussen hem
en het in 1981 uit zijn voormalige echtgenote geboren, door hem erkende
kind Z. Hij is niet de biologische vader van dit kind, heeft met dit kind
nimmer samengewoond, heeft het evenmin verzorgd en heeft het slechts
eenmaal, bij toeval op straat ontmoet. De kinderrechter heeft het verzoek
afgewezen. In appel heeft de man verzocht deze beschikking te vernietigen.
Daartegenover heeft de vrouw aangevoerd dat de man tot Z. niet in een
zodanige betrekking staat dat moet worden aangenomen dat hij met dit kind
een ‘gezinsleven’ in de zin van art. 8 EVRM heeft, en op die grond
verzocht de man alsnog in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren;
subsidiair heeft de vrouw verzocht ’s mans verzoek af te wijzen. Het Hof
heeft eerst de door de vrouw aan haar primaire verzoek ten grondslag
gelegde stelling onderzocht en gegrond geoordeeld. Niettemin heeft het Hof
de bestreden beschikking niet vernietigd en de man niet alsnog
niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft integendeel vervolgens het
standpunt van de man onderzocht en daarbij bevonden dat ‘de kinderrechter
( …) terecht het verzoek van de man afgewezen’ heeft. Daarop heeft het
Hof de bestreden beschikking bekrachtigd. Het moet derhalve ervoor worden
gehouden dat ’s Hofs aan de ontvankelijkheid van het verzoek gewijde
overweging in feite zijn beslissing niet draagt.

3.2 Daarom heeft het Hof zijn aan de toewijsbaarheid van het verzoek
gewijde overweging minder juist als ’ten overvloede’ aangemerkt en zal de
Hoge Raad eerst onderdeel 2 van het middel onderzoeken dat zich tegen deze
overweging keert. Het Hof, in dit verband kennelijk veronderstellenderwijs
ervan uitgaand dat op grond van het feit dat de man het kind heeft erkend,
moet worden aangenomen dat tussen hem en het kind een als ‘gezinsleven’
in de zin van art. 8 EVRM aan te merken betrekking bestaat, heeft
klaarblijkelijk geoordeeld dat die betrekking, gezien de overige hiervoor
onder 3.1 weergegeven omstandigheden van het geval, van dien aard is dat
de door de vrouw ingeroepen rechten welke zowel het kind, als zijzelve aan
die verdragsbepaling kunnen ontlenen, zwaarder wegen dan de voor de man
uit die betrekking in beginsel voortvloeiende aanspraak. Daarbij was voor
het Hof beslissend dat de man ‘een omgangsregeling kennelijk wil
aangrijpen om een verzoening te bewerkstelligen met de vrouw die geen
enkel contact met hem wil hebben’, waaruit het Hof heeft afgeleid dat het
opleggen van zulk een regeling in strijd zou zijn met het belang van het
kind. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en
zijn niet onbegrijpelijk. Zij zijn tegen de achtergrond van de
gedingstukken ook voldoende gemotiveerd. Met name behoefde het Hof niet
nader te motiveren waarom het geen aanleiding vond de Raad voor de
Kinderbescherming te Groningen ter zake een onderzoek te laten verrichten.
Zulks te minder nu het vermeldt dat de Raad voor de Kinderbescherming te
‘s-Gravenhage bij de behandeling voor het Hof heeft geadviseerd het
verzoek af te wijzen. Onderdeel 2 van het middel is mitsdien vergeefs
voorgesteld, hetgeen meebrengt dat onderdeel 1 belang ontbeert.

4. Beslissing: de Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Martens, Van den Blink, Hermans, Bloembergen, Roelvink; A-GMoltmaker

Instantie: Raad van Beroep Zwolle, 14 juni 1988

Instantie

Raad van Beroep Zwolle

Samenvatting


Klager is op 22 mei 1983 65 jaar geworden. Hij was gehuwd met S.
geboren op 1 mei 1921 en overleden op 18 april 1978. Klagers echtgenote
heeft in het verleden op grond van de Invaliditeitswet rentezegels geplakt tot
een totaalbedrag van ƒ 367,90. Op 20 oktober 1987 heeft klager zich tot
verweerder gewend met het verzoek om in aanmerking te worden gebracht voor een
afkoopsom voor de betreffende rentezegels. Dit is echter niet mogelijk
omdat een dergelijke afkoop alleen mogelijk zou zijn voor de echtgenoot van de
verzekerde, indien het bedrag aan ouderdomsrente op 65-jarige leeftijd minder
dan ƒ 60,– per jaar zou hebben bedragen

Klager kan ook geen aanspraak maken op een afkoopsom als bedoeld in art.
32 d Liquidatiewet Invaliditeitswetten (LIW) ter hoogte van de contante waarde
van de weduwenrente als bedoeld in art. 13 LIW, nu klager geen weduwe is

Klager stelt beroep in en beroept zich op art. 26 van het BuPo-Verdrag

Volgens de Raad moeten de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep
inzake art. 26 Bupo-verdrag op 14 mei 1987 (WUV ’84/82 en op 5 januari 1988,
inzake het overgangsrecht AAW als volgt worden begrepen. Art. 26 bevat een
zelfstandig materieel recht en heeft ook betekenis voor het sociaal
zekerheidsrecht. Het houdt weliswaar geen verplichting in tot regelgeving,
maar omvat wel de plicht om, voorzover zulks (ook op het gebied van de sociale
zekerheid) is geschied, de wetgeving of andere uitvoeringsmaatregelen door
middel waarvan dit heeft plaats gevonden, maar het in dat artikel bepaalde in
overeenstemming te doen zijn. Een andere vraag is of art. 26 Bupo
‘rechtstreekse werking’ heeft. In de uitspraken van 5 januari 1988 oordeelt
de Centrale Raad van Beroep dat de wetgever de kennelijke bedoeling heeft
gehad om de AAW-wetgeving per 1 januari 1980 in overeenstemming te doen zijn
met art. 26 BuPo-verdrag, zodat dit artikel ‘rechtstreekse werking’ heeft ten
aanzien van de AAW-wetgeving vanaf laatstgenoemde datum

De Raad meent uit het bovenstaande te moeten afleiden, dat de Centrale
Raad van Beroep een beroep op art. 26 BuPo-verdrag erkent vanaf 23 december
1984 bij regelingen die (waarschijnlijk) onder de Richtlijn vallen, welk
tijdstip vervroegd kan worden in geval het gaat om wetgeving (op het terrein
van de Richtlijn) die voor 23 december 1984 tot stand is gekomen met het
oogmerk gelijke behandeling tot stand te brengen

De Raad neemt overigens aan dat ook wetgeving op het terrein van de
sociale zekerheid die na de inwerkingtreding van het BuPo-verdrag -derhalve 11
maart 1979- tot stand is gebracht zonder het oogmerk om gelijke behandeling
tot stand te brengen, niet (meer) in strijd mag zijn met het
discriminatieverbod van art. 26 BuPo-verdrag

In het onderhavige geval is sprake van directe discriminatie, zodat de
vraag naar een eventuele aanwezige objectieve rechtvaardigingsgrond voor de
vorm van ongelijke behandeling niet eens aan de orde kan komen. De hier
gesignaleerde vorm van discriminatie behoeft echter nadere wetgeving om
opgeheven te worden. De Raad concludeert dat het tijdstip waarop art. 26
BuPo-verdrag ‘rechtstreekse werking’ ten aanzien van prestaties aan nagelaten
betrekkingen moet worden toegekend, nog niet is aangebroken

Het beroep is ongegrond verklaard

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 12 juni 1988

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Man en vrouw zijn in 1986 met elkaar gehuwd en in 1994 gescheiden. Uit dit
huwelijk is één zoon geboren. Partijen zijn in een echtscheidingsconvenant
overeengekomen dat zij over en weer aan elkaar geen alimentatie verschuldigd
zijn met uitzondering van hetgeen de man ten behoeve van de vrouw betaalt aan
woonlasten. Komen deze woonlasten te vervallen dan zal de man een vaste
periodieke kinderalimentatie voldoen. Er is een beding van niet wijziging
afgesproken.
De rechtbank heeft op 10 juni 1997 een kinderalimentatie van ƒ 350 opgelegd
en een alimentatie ten behoeve van de vrouw van ƒ 1.050 per maand.
Het hof interpreteert het convenant zodanig dat zij meent dat daaraan ten
grondslag ligt de verwachting dat de vrouw bij het betrachten van de uiterste
zorg zich zodanig inkomsten zou kunnen verwerven dat zij geen alimentatie
nodig zou hebben. Aannemelijk is volgens het hof dat de vrouw er buiten haar
schuld niet in is geslaagd eigen inkomsten te verwerven.
Het hof berekent opnieuw de alimentatie en komt op een bedrag van ƒ 1.700 ten
gunste van de vrouw en ƒ 260,54 ten gunste van het kind.

Volledige tekst

Het geding

Partijen zijn op 15 februari 1986 met elkander gehuwd. Tussen hen is op 27
april 1994 echtscheiding uitgesproken, welke op 8 juli 1994 is ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking heeft de
rechtbank te ‘s-Gravenhage de vrouw benoemd tot voogdes en de mand tot
toeziend voogd over de minderjarige C., geboren op 9 juli 1987.
Omtrent de alimentatie voor de vrouw zijn partijen in het
echtscheidingsconvenant overeengekomen dat zij over en weer aan elkaar geen
alimentatie verschuldigd zijn met uitzondering van hetgeen de man ten behoeve
van de vrouw betaalt aan woonlasten, zoals bedoeld in art. 2 van het
convenant. Omtrent de kinderalimentatie zijn partijen in het convenant
overeengekomen dat de man zoveel hij kan op vrijwillige basis zal bijdragen
in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van
partijen. Ten tijde van de opstelling van het convenant waren partijen van
mening dat de man geen draagkracht had om periodiek een vast bedrag aan
kinderalimentatie te betalen. Nadat voor de mand de in art. 2 van het
convenant bedoelde woonlasten zijn komen te vervallen, zal hij in beginsel na
daartoe strekkend goed onderling overleg met de vrouw wel een vaste
periodieke kinderalimentatie gaan voldoen.

Partijen zijn voorts overeengekomen dat het bepaalde in het convenant niet
bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een
wijziging van omstandigheden, een en ander behoudens hetgeen is bepaald in
artikel 1:160 BW. Partijen hebben tenslotte afstand gedaan van hun recht om
op grond van het bepaalde in de artikelen 6:265 BW e.v. ontbinding van de
overeenkomst te vorderen of in te roepen.

Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 10 juni 1997 is aan de
man met ingang van 1 februari 1997 een kinderalimentatie opgelegd van ƒ 350
per maand en een alimentatie ten behoeve van de vrouw van ƒ 1.050 per maand.

De man is tijdig in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 juni 1997
en heeft verzocht deze te vernietigen, en alsnog te bepalen dat het inleidend
verzoek van de vrouw tot vaststelling van alimentatie voor haarzelf, alsmede
tot verhoging van de kinderalimentatie, dient te worden afgewezen, althans
dat de door de rechtbank vastgestelde bedragen worden verlaagd tot een door
het hof in goede justitie te bepalen hoogte, in welk geval die (eventuele)
nader vast te stellen alimentatieverplichting van de man ingaat op de dag
waarop het hof een beschikking heeft gegeven, althans vanaf een door het hof
in goede justitie te bepalen moment na 1 februari 1997

De vrouw heeft tijdig een verweerschrift ingediend en in incidenteel hoger
beroep verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, de man in zijn beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans dit
beroep af te wijzen en voorts de beschikking van 10 juni 1997 te vernietigen
en de man te veroordelen om met ingang van 1 november 1996 een bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw te
voldoen van ƒ 350 per maand en aan de vrouw een bijdrage in de kosten van
haar levensonderhoud van ƒ 3.500 per maand, althans voornoemde bedragen en
ingangsdatum vast te stellen op zodanige bedragen en ingangsdatum als het hof
in goede justitie zal vermenen te behoren.

Op 19 februari 1998 is de zaak ter terechtzitting van het hof behandeld door
mr. Thomassen als raadsheer-commissaris.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP.

1. De man meent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is
van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de vrouw naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding over de
alimentatie mag worden gehouden.

2. Het hof is van oordeel dat art. 1 lid 1 van het convenant in het licht van
art. 1 lid 2 kennelijk zo moet worden geïnterpreteerd dat daaraan ten
grondslag ligt de verwachting dat de vrouw bij het betrachten van de uiterste
zorg zich zodanig inkomsten zou kunnen verwerven dat zij geen alimentatie
nodig zou hebben.

Aannemelijk is geworden dat de vrouw deze uiterste zorg heeft betracht, maar
door omstandigheden buiten haar schuld er niet in is geslaagd voldoende eigen
inkomsten te verwerven.

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank op dit punt gegeven motivering
en is met haar van oordeel dat de omstandigheid dat de vrouw er niet in is
geslaagd zich een eigen inkomen te verwerven een zodanig ingrijpende
wijziging van omstandigheden is, dat de vrouw naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet aan het beding betreffende de alimentatie
kan worden gehouden.

3. De man stelt voorts dat hij er ten tijde van de echtscheiding van is
uitgegaan dat hij na verloop van een periode van drie jaar, behoudens een
extreme uitzonderingssituatie, geen alimentatieverplichting meer jegens de
vrouw zou hebben. Hij meent dat op grond hiervan alle kosten die door hem
zijn opgevoerd voor bewoning in zijn draagkrachtloos inkomen moeten worden
meegewogen, temeer nu deze lasten voor hem niet fiscaal aftrekbaar zijn.

Omdat hij geen (relevante) inboedel had ontvangen, heeft de man na een
periode van drie jaar zijn huis moeten inrichten en stofferen. Hij meent dat
een bedrag van ƒ60.000 daarvoor niet onredelijk is. De man heeft, nu hij
telkens vier maanden vaart, waarna hij twee tot vier maanden thuis is, voor
kosten woon-werkverkeer de verzekeringspremie van zijn auto opgevoerd.

4. De vrouw heeft gesteld dat de door de mand opgevoerde woonlasten
exorbitant hoog zijn en dat slechts met redelijke lasten, te weten met ƒ
1.000 per maand, rekening gehouden dient te worden. Ter zitting heeft de
vrouw dit bedrag, nu de man geen belasting betaalt, op ƒ 2.000 per maand
gesteld. De vrouw heeft eveneens verweer gevoerd tegen de door de mand
opgevoerde kosten herinrichting en woon-werkverkeer. De vrouw meent voorts
dat de omgangkosten, gelet op de frequentie, slechts ƒ 50 per maand kunnen
bedragen.

5. Voorts stelt de man dat de vastgestelde bijdrage de behoefte van de vrouw
te boven gaat. De man heeft hiertoe aangevoerd dat de vrouw zich de eerste
drie jaar financieel heeft kunnen redden zonder dat hij aan haar een concrete
betaling deed. De man meent dat afweging van de belangen van de vrouw en C.
enerzijds en die van de man en zijn nieuwe partner en driejarige zoon
anderzijds in het voordeel van de laatstgenoemden dient uit te vallen en dat
bij handhaving van de beschikking van de rechtbank er sprake zou zijn van
disproportionaliteit.

6. De vrouw heeft hier tegenovergesteld dat het enkele feit dat zij thans op
bijstandsniveau leeft en partijen tijdens het huwelijk een inkomen hadden dat
ver boeven modaal was, tot de conclusie moet leiden dat zij behoefte heeft
aan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage.

7. Het hof is van oordeel dat de behoefte van de vrouw die 40 jaar oud is en
die het minderjarige kind van partijen bij zich in huis heeft en naast
incidentele inkomsten uit schoonheidsbehandelingen in het verleden een
(aanvullende) bijstandsuitkering had, vaststaat.

8. De man meent dat hij in redelijkheid niet behoefde te verwachten dat de
rechtbank alsnog een alimentatieverplichting zou vaststellen en vindt dat,
mede gelet op het lange tijdsverloop tussen zitting en uitspraak (15 april
1997 en 10 juni 1997) als ingangsdatum van de verplichting de dag van de
beschikking of een daarna gelegen datum dient te worden bepaald.

9. De vrouw maakt voor zichzelf en voor het kind aanspraak op een bijdragen
vanaf het moment waarop de voormalige echtelijke woning verkocht is, te weten
1 november 1996 of in ieder geval vanaf het moment dat zij aan de man kenbaar
maakte aanspraak te maken op een bijdrage.

10. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de ingangsdatum
voor de alimentatiebetalingen heeft bepaald op 1 februari 1997, te weten de
eerste van de maand volgend op de indiening van het verzoek van de vrouw. De
man had er vanaf dat tijdstip op bedacht dienen te zijn dat de rechtbank een
alimentatieverplichting zou kunnen vaststellen en reserveringen voor dit doel
kunnen maken.

11. De vrouw stelt dat de draagkracht van de man een hogere bijdrage in haar
levensonderhoud toelaat dan de rechtbank heeft bepaald. Zij heeft hiertoe
aangevoerd dat het bruto jaarinkomen van de man in ieder geval ƒ 122.450
bedraagt en dat hij een onbelaste vaste en algemene onkostenvergoeding
ontvangt van ƒ 1.420. Voorts zou de man volgens de vrouw een eindejaarsbonus
ontvangen.

12. De man is 48 jaar oud. Hij is gezagvoerder aan voord van een cruiseschip.
Hij is telkens vier maanden op zee, waarna hij twee tot vier maanden thuis
is. De man heeft gesteld dat, als hij op zee is, hij ƒ 9,262,63 bruto per
maand verdient en als hij thuis is ƒ 5.836,50 bruto per maand. Volgens de man
ontvangt hij geen eindejaarsbonus. De man betaalt geen loon- of
inkomstenbelasting, alleen premies volksverzekeringen en
werknemersverzekeringen, welke samen ƒ 1.834,25 per maand bedragen. Hij is
gehuwd en heeft een kind van drie jaar uit dit huwelijk. Zijn echtgenote
heeft geen inkomsten. Voor rekening van de man komt per maand ƒ 3.664,71 aan
hypotheeklasten ( 1.047,00 (pond) tegen een koers van 1,0 (pond) = ƒ 3,50).
De hypotheekrente levert de man geen fiscaal voordeel op. Aan premie
ziektekostenverzekering betaalt hij maandelijks ƒ 151 aan de bond voor
zeevarenden ƒ 27 en aan een kapiteinsverzekering ƒ 40 voorts betaalt hij ƒ
964 per maand aan kosten herinrichting. Voor kosten woon-werkverkeer heeft de
man de verzekeringspremie van zijn auto opgevoerd. Aan kinderalimentatie voor
C. betaald de man thans op een verhaalsbeschikking van de gemeente Rijnwoude
ƒ 260,54 per maand en hij spaart ƒ 50 per maand voor deze minderjarige.

13. Het hof zal, nu de man ter zitting onbestreden heeft verklaard dat zijn
inkomen over 1997 ongeveer gelijks is geweest aan dat over 1996, bij het
bepalen van de draagkracht van de man uitgaan van zijn loon volgens de
jaaropgaaf 1996 ad ƒ 112.450, waarbij het hof geen rekening houd met de
onbelaste vaste en algemene onkostenvergoeding van ƒ 1.420 per jaar. Het hof
acht het aannemelijk dat deze vergoeding opgaat aan onkosten. Voorts houdt
het hof rekening met de maandelijkse lasten zoals door de rechtbank bepaald,
welke in hoger beroep niet zijn bestreden.

14. het hof houdt voorts rekening met een totale netto – want niet aftrekbaar
wat de rente betreft – hypotheeklast tot een bedrag van ƒ 2.000 per maand,
omdat het meerder, gelet op de middelen van de man en zijn
onderhoudsverplichting, het hof bovenmatig voorkomt.

15. Het hof zal met het gebruikelijk normbedrag ad ƒ 250 per maand rekening
houden voor kosten herinrichting, nu een bedrag ad ƒ 60.000 voor
herinrichting het hof exceptioneel hoog voorkomt.

16. De man stelt dat hij slechts de verzekeringspremie van zijn auto heeft
opgevoerd voor kosten woon-werkverkeer ondanks dat hij vele kolometers maakt
om de afmeerplaat van de boot te kunnen bereiken en om zijn ouders en C. in
Nederland te kunnen bezoeken. Het hof houdt geen rekening met de
verzekeringspremie van de auto nu, zo de man al geen kosten woon-werkverkeer
door zijn werkever vergoed zou krijgen, de auto van de man eveneens voor
privé-doeleinden wordt gebruikt en dergelijke kosten niet mogen drukken op
zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw en het kind. Eventueel zou de
man daarvoor zijn onbelaste en vaste en algemene onkostenvergoeding kunnen
aanwenden.

17. De betaling van “council-tax” wordt, als niet met bescheiden gestaafd,
buiten beschouwing gelaten.

18. Het hof acht een bedrag ad ƒ 100 per maand voor omgangskosten redelijk,
nu de man slechts omgang heeft met de minderjarige wanneer hij in Nederland
is, hetgeen, nu de man steeds vier maanden vaart en dan weer twee tot vier
maanden thuis is, niet zeer veelvuldig zal voorkomen, terwijl ter zitting is
gebleken dat het niet zo is dat de minderjarige regelmatig op bezoek gaat bij
de man in Engeland.

19. Het hof zal voor wat betreft de kinderbijdrage aansluiting zoeken bij de
door de gemeente bepaalde verhaalsbijdrage ad ƒ 260,54 per maand en voorts
rekening houden met het bedrag ad ƒ 50 per maand dat de man voor C. spaart.

20. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een alimentatie voor de
vrouw toelaat van ƒ 1.700 per maand, waaraan zij ook behoefte heeft, welke
alimentatie in overeenstemming is met de wettelijk maatstaven. Dit brengt mee
dat de bestreden beschikking dient te worden bernietigd en dat dient te
worden beslist als na te melden.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 10 juni 1997
en opnieuw beschikkende:
bepaalt de alimentatie voor de vrouw met ingang van 1 februari 1997 op ƒ
1.700 per maand en de kinderalimentatie op ƒ 269,54 per maand, wat de na
heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gezocht af.

Rechters

Mrs Thomassen, Koning en Van den Wildenberg.

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 10 juni 1988

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Op 10 juni 1988 zijn vijf Tamilvluchtelingen op het vliegtuig naar Sri
Lanka gezet, voordat de rechter in Kort Geding zich kon uitspreken over hun
zaak. Het toestel vertrok tien minuten nadat de uitspraak openbaar was
Korte van Hemel erkende, dat de landsadvocaat drie kwartier eerder door
de secretaresse van de rechtbankpresident op de hoogte was gesteld van de
uitslag. De advocaat had een dag tevoren de rechtbank om deze service
verzocht. Volgens Korte is dat ‘niet behoorlijk’

Drie van de bij deze zaak betrokken Tamils waren vrouwen. Alle drie
hadden concrete verhalen over seksueel geweld, over leden van de Indiase
vredesmacht die Tamilvrouwen met auto’s ophaalden en naar kampen brachten om
ze daar te verkrachten. De strekking van de berichten van deze vrouwen werd
onlangs nog bevestigd door Amnesty International. Een van de drie vrouwen
was zelf gevangene geweest van Indiase soldaten, door hen mishandeld met een
scheermes, uitgekleed en met verkrachting bedreigd. Familieleden van deze
vrouwen werden verdacht van banden met de Tamil Tijgers. Alle drie
gevluchte vrouwen vreesden (weer) slachtoffer te worden van dergelijk geweld
bij terugkeer naar Sri Lanka

De rechter in deze zaak bevestigde dat, gezien de algemene situatie in
Sri Lanka, het ‘helaas niet uitzonderlijk (is) dat vrouwen slachtoffer worden
van seksueel geweld’. Merkwaardig is dat aan het begin van hetzelfde vonnis
deze rechter tot de conclusie kwam dat de situatie van de Tamilbevolking niet
‘dermate gewelddadig en bedreigend is dat eiseres op die grond niet zou kunnen
worden teruggezonden naar Sri Lanka’. Valt verkrachting volgens deze
rechter niet onder de categorie ‘gewelddadig en bedreigend’, of meent hij dat
de gevaren die Tamil vrouwen lopen niet hoeven te worden gerekend tot de
algemene situatie waarin de Tamilbevolking verkeert? Kennelijk het laatste,
want als de rechter het heeft over de algemene situatie van Tamils in Sri
Lanka, heeft hij het voortdurend over ‘jeugdige mannelijke Tamils’. De
vrees van de vrouw voor verkrachting wordt slechts behandeld als een van de
‘individueel-persoonlijk rakende feiten en omstandigheden’ die zouden kunnen
leiden tot de vluchtelingenstatus. Immers, de algemene situatie van de
(mannelijke) Tamilbevolking viel volgens de rechter wel mee. Maar omdat
alle vrouwen gevaar liepen verkracht te worden, kon de situatie van deze vrouw
niet als uitzonderlijk worden beschouwd, en gaf dus ook geen grond voor het
verlenen van de vluchtelingenstatus op grond van individuele omstandigheden

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.F. van den Haak

Instantie: Kantonrechter Nijmegen, 10 juni 1988

Instantie

Kantonrechter Nijmegen

Samenvatting


Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 30 juni 1988. De reden voor
de ontbinding lag in de verstoring van de arbeidsverhouding. Mevrouw L.
klaagde over ongewenste intimiteiten. De werkgeefster heeft een onderzoek
daarnaar ingesteld, op grond waarvan zij vaststelde, dat de klacht ongegrond
was. De kantonrechter kwam tot de conclusie, dat er wel degelijk ongewenste
intimiteiten hadden plaatsgevonden en verweet de werkgeefster, dat zij het
hoofd van de verpleging, die pleger was van dit laakbare gedrag, de hand
boven het hoofd hield, waardoor de verstoring van de arbeidsverhouding tussen
de werkgeefster en mevrouw
L. meer toe te schrijven viel aan de werkgeefster dan aan mevrouw L. en dat de
werkgeefster dienaangaande een verwijt treft.
De kantonrechter meent dat het niet redelijk is, aan verweerster, die thans
bijna negen jaar bij verzoekster in dienst is, generlei vergoeding toe te
kennen, nu haar duidelijk geen verwijt treft voor de verstoring van de
arbeidsverhouding en anderzijds verzoekster wel. Deze vergoeding zal bestaan
uit een aanvulling op het loon c.q. een sociale uitkering gedurende negen
maanden tot honderd procent van het laatst verdiende loon.
Anderzijds bestaat voor het toekennen van een vergoeding voor immateriële
schade – ontstaan door het gedrag van de heer W. – geen aanleiding, nu
verzoekster hiervan pas op de hoogte is gebracht nadat verweerster haar
actieve dienst wegens arbeidsongeschiktheid had beëindigd en de emotionele en
psychische gevolgen voor verweerster zich toen al hadden gemanifesteerd. Er
bestaat zo gezien generlei causaal verband tussen handelen en/of nalaten van
verzoekster en deze emotionele problemen

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

Verzoekster heeft bij inleidend verzoekschrift verzocht de
arbeidsovereenkomst met verweerster zo spoedig mogelijk te ontbinden wegens
gewichtige rede, bestaande in veranderingen van omstandigheden. Verweerster
heeft bij verweerschrift hiertegen verweer gevoerd en een tegenverzoek
ingediend. Vervolgens hebben partijen ieder nog een conclusie genomen. Hierna
is een mondelinge behandeling gehouden, waarna beschikking is gevraagd.

2. Standpunten van partijen

Verzoekster baseert haar verzoek op twee gronden: verweerster zou een
onterechte klacht hebben geuit over de heer W, stagebegeleider bij
verzoekster, waardoor de arbeidsverhouding ernstig verstoord is geraakt en
bovendien is verzoekster, nadat zij in december 1986 arbeidsongeschikt werd,
met ingang van 1 maart 1988 minder dan 15% arbeidsongeschikt verklaard, zodat
zij – bij een andere werkgever – passende werkzaamheden kan hervatten. Dit
houdt in, dat verweerster niet haar werkzaamheden bij verzoekster kan
hervatten.

Verweerster, die sinds 1 augustus 1979 in dienst is van verzoekster, stelt
dat de klacht, die zij over de stagebegeleider heeft geuit, niet onterecht
was, doch dat zij ook de arbeidsverhouding verstoord acht, harerzijds, omdat
verzoekster een onvoldoende onderzoek heeft ingesteld en de heer W de hand
boven het hoofd houdt.
Zij verzoekt eveneens ontbinding van de arbeidsovereenkomst en verlangt een
vergoeding bij ontbinding in de vorm van een aanvulling gedurende 2 jaar op
het loon/uitkering tot 100% van het laatst verdiende loon, alsmede een
vergoeding van ƒ 15.000 voor immateriële schade. Deze immateriële schade
wordt door haar als volgt omschreven: zij heeft een algemene afkeer van
mannen ontwikkeld. Zo ernstig dat haar echtgenoot haar moet vergezellen zodra
ze alleen is in een ruimte waar een of meerdere mannen zijn, is op dit moment
voor haar uitgesloten’.

3. Beoordeling van het verzoek en tegenverzoek

Beide partijen zijn het erover eens, dat de arbeidsverhouding verstoord is,
ieder echter om een andere reden, welke redenen echter wel samenhangen.

Verzoekster stelt, dat de door verweerster geuite klacht – zoals uit de
stukken mag worden opgemaakt bij de Provinciaal Inspecteur voor de
Verzorgingstehuizen – onterecht is gebleken. Zij baseert zich daarbij op het
rapport van deze Inspecteur van 22 oktober 1987. Dit rapport vermeldt onder
meer: ‘Er zou sprake zijn van seksuele toenadering, ook van stagiaires,
terwijl hij (W) bij hen, tijdens het verstrekken van informatie over hygiëne
van ouderen, in woord en gebaar te ver zou zijn gegaan. Uit het ingestelde
onderzoek is, kortheidshalve, niet gebleken, dat de heer W zich aan het
bovengenoemde heeft schuldig gemaakt …’.

Verweerster heeft beroep gedaan op een eerdere klacht van twee stagiaires in
september 1986, die gelijksoortige ervaringen had opgedaan als verweerster
bij de aanvang van de dienstbetrekking, in 1979, bij de ‘voorlichting’ door
de heer W.

Er is een verklaring in het geding gebracht door verzoekster, waarin dit
wordt bevestigd. Eveneens blijkt uit die verklaring, dat de directeur
vervolgens een gesprek heeft gehad zowel met de heer W als met de stagiaires.
Bij de mondelinge behandeling heeft de directeur verklaard: ‘W heeft toen
gezegd dat de gebezigde voorbeelden misschien verkeerd zijn geweest, de
intentie evenwel niet. Ik heb gevraagd of men de voorkeur gaf aan een andere
stagebegeleider, dat bleek niet het geval: de stagiaires hebben hun stage
normaal afgemaakt’.

Hieruit blijkt, dat de door verweerster gewraakte uitlatingen wel degelijk
door de heer W zijn gedaan, dat deze ook aan anderen dan aan verweerster
aanstoot hebben gegeven en dat derhalve de klacht van verzoekster niet
onterecht was. De conclusie van de Inspecteur voor de Verzorgingstehuizen is
dan ofwel gebaseerd op onvoldoende informatie ofwel moet toegeschreven worden
aan een zijnerzijds subjectieve waardering van de gewraakte uitlatingen van
de heer W.

Eveneens moet worden vastgesteld, dat het verwijt van verweerster, dat
verzoekster de heer W de hand boven het hoofd houdt, een kern van waarheid
bevat.

Het verstoord zijn van de arbeidsverhouding is derhalve meer aan de houding
van verzoekster toe te schrijven dan aan die van verweerster.

Het feit, dat verweerster haar werkzaamheden niet bij verzoekster kan
hervatten is voor een groot deel waarschijnlijk hierop terug te voeren,
hoewel mede een oorzaak blijkt te zijn, dat in een conflict met een bewoner
van het tehuis verweerster zich niet door verzoekster gesteund heeft gevoeld.
Daar betrof het een financiële kwestie, die echter zeer verweven bleek te
zijn met een klacht van verweerster over handtastelijkheden van deze bewoner.
Met betrekking tot deze ongewenste intimiteiten heeft verzoekster, nadat de
betreffende bewoner deze had ontkend, niet meer ondernomen, hoewel, zoals
verweerster stelt, zij gedurende drie weken niet meer alleen niet meer naar
diens kamer behoefde te gaan en er iemand mee ging. Nadien kreeg zij te
horen, dat zij aan het gedrag van die bewoner niet zo zwaar moest tillen. Ook
hier moet derhalve verzoekster ervan uit zijn gegaan, dat een kern van
waarheid schol in de door verweerster geuite klacht.

Verweerster is vervolgens in december 1986 arbeidsongeschikt geworden en
heeft in januari 1987 de klacht bij de Provinciale Inspecteur gedeponeerd. De
directie van verzoekster heeft vervolgens alle medewerking verleend aan het
door de inspecteur bij medewerkers en stagiaires ingesteld onderzoek en
stelt, dat zij ook zelf een onderzoek heeft ingesteld.

Verzoekster heeft derhalve op de klacht op adequate wijze gereageerd, zodat
haar terzake van het onderzoek geen verwijt kan worden gemaakt. Wel echter,
zoals boven reeds overwogen, van de sindsdien aangenomen houding, die heeft
geresulteerd in het onderhavige verzoek.

Op grond van een en ander is wel te constateren, dat een dusdanige
verandering van omstandigheden is ingetreden, dat de arbeidsverhouding dient
te worden beëindigd. Niet redelijk zou echter zijn, aan verweerster, die
thans bijna 9 jaar bij verzoekster in dienst is, generlei vergoeding toe te
kennen, nu haar duidelijk geen verwijt treft voor de verstoring van de
arbeidsverhouding en anderzijds verzoekster wel.
Deze vergoeding zal bestaan uit een aanvulling op het loon c.q. een sociale
uitkering gedurende 9 maanden tot 100% van het laatst verdiende loon.

Anderzijds bestaat voor het toekennen van een vergoeding voor immateriële
schade – ontstaan door het gedrag van de heer W – geen aanleiding, nu
verzoekster hiervan pas op de hoogte is gebracht nadat verweerster haar
actieve dienst wegens arbeidsongeschiktheid had beëindigd en de emotionele en
psychische gevolgen voor verweerster zich toen al hadden gemanifesteerd. Er
bestaat zo gezien generlei causaal verband tussen handelen en/of nalaten van
verzoekster en deze emotionele problemen.

Er zijn termen aanwezig, de proceskosten tussen partijen te compenseren.

4 Beslissing

Geeft zowel aan verzoekster als aan verweerster de gelegenheid om het verzoek
uiterlijk op 24 juni 1988 in te trekken;

Indien een van beide partijen het verzoek niet intrekt wordt als volgt
beslist:

I. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 juni 1988;

II. kent aan verweerster een vergoeding toe ten laste van verzoekster,
bestaande uit een aanvulling op een sociale uitkering, die verweerster zal
ontvangen respectievelijk loon, dat zij zal verdienen, gedurende negen
maanden vanaf de datum van de ontbinding, aldus, dat verweerster in totaal
zal ontvangen 100% van haar laatst verdiende netto-salaris per maand;

III. compenseert de proceskosten tussen partijen des dat iedere partij de
eigen kosten draagt;

IV. wijst voor zover nodig de verzoeken voor het overige af;

Indien beide partijen het verzoek intrekken geldt hetgeen hierboven sub II is
beslist.

Rechters

Mr. M.I. Litjens-Roessel

Instantie: Raad van State afdeling rechtspraak, 1 juni 1988

Instantie

Raad van State afdeling rechtspraak

Samenvatting


Onderhavige zaak is een van de “proef-procedures”, die in overleg tussen
de Minister van Binnenlandse Zaken en de vier Centrales van Ambtenaren worden
gevoerd omtrent de zogenaamde BOPA-regeling. De andere procedures worden
gevoerd bij verschillende Ambtenarengerechten en Kantongerechten

Het verzoek van appellante aan de Minister strekt er toe te
bewerkstelligen, dat de premie AOW/AWW, die ingevolge de toepassing van BOPA I
en II niet is overgenomen en afgedragen aan de belastingdienst, alsnog aan die
dienst wordt afgedragen, en in ieder geval aan appellante ten goede komt.
Voor zover dat er toe zou moeten leiden, dat daarmee de vanaf 1973 t/m 1984
t.a.v. appellante genomen besluiten tot toepassing van BOPA I en II moeten
worden herzien, strekt het verzoek mede daartoe.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters