Instantie: Rechtbank Haarlem, 31 mei 1988

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


X. heeft de dader Y. die haar ‘mishandelde’ aansprakelijk gesteld
terzake van materiele- en immateriele schade. Zij liet op 6 januari 1986 ‘s
avonds om half 10 haar hond uit en werd door een man, die onder invloed van
alcohol verkeerde, aangesproken. Toen zij angstig reageerde kreeg hij
volgens zijn eigen verklaring tegenover de politie “zin om haar een beurt te
geven”. Zij moest mee. Toen zij dat niet wilde, dreigde hij haar met een
mes en heeft haar vervolgens gestoken. Eiseres heeft blijvende gevolgen aan
deze mishandeling overgehouden

Zij vordert ƒ 710,– (zevenhonderdentien gulen) aan materiele
schadevergoeding en ƒ 15.000– (vijftienduizend gulden) aan immateriele
schadevergoeding

Gedaagde erkent zijn aansprakelijkheid en is bereid de door eiseres
geleden materiele en immateriele schade te vergoeden. Hij betwist echter de
hoogte van de gevorderde immateriele schadevergoeding. Hij voert daartoe
aan:

– in gevallen van mishandeling als de onderhavige wordt in de regel niet
meer dan ƒ 1.000,– (duizend gulden) aan immateriele schadevergoeding
toegewezen;

– weliswaar doet eiseres een beroep op de nog bestaande psychische
schade, maar dit beroep is eerst bij nadere conclusie en dus tardief
aangevoerd en wordt door gedaagde betwist;

– voorts verzoekt gedaagde om matiging op grond van zijn draagkracht

Het tweede verweer wordt door de rechtbank verworpen omdat gedaagde
redelijkerwijs niet geacht kan worden in zijn verdediging te zijn geschaad
â
De rechtbank ziet verder geen grond tot matiging

De rechtbank is van oordeel dat, gelet enerzijds op de aan gedaagde toe
te rekenen psychische gevolgen van het gebeurde, anderzijds de niet zeer
ernstige lichamelijke gevolgen voor eiseres, toekenning van een immateriele
schadevergoeding van ƒ 5.000,– (vijfduizend gulden) redelijk en billijk is

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van Daalen, vice-president, Van Sandick en Mooij

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 25 mei 1988

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De arbeidsovereenkomst tussen mw. X. en haar werkgever is ontbonden
wegens een verstoorde verhouding, die het gevolg is van de door X. ten
opzichte van de directeur geuite beschuldigingen. Mw. X. beschuldigt de
directeur van ongewenste intimiteiten en er bestaat een conflict over de
verlofdagen. De verstoring van de arbeidsverhouding is in overwegende mate,
volgens de Detam, aan mw. X. te wijten, nu zij teneinde verandering te brengen
in de naar haar oordeel ontstane onwerkbare situatie, koos voor de weg van
ontbinding van de arbeidsovereenkomst door tussenkomst van de kantonrechter
De ingetreden werkloosheid mist dan ook het onvrijwillig karakter, op
welke grond geen recht op uitkering bestaat

Hiertegen heeft mw. X. beroep ingesteld. De Raad van Beroep te
Amsterdam heeft bij uitspraak van 2 maart 1987 het tegen voormelde beslissing
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertegen is eiseres in hoger beroep
gegaan

De Centrale Raad (verder Raad) is van oordeel dat de beeindiging van de
dienstbetrekking als niet onvrijwillig van aard moet worden beschouwd.
Werkloosheid die het gevolg is van een zelf genomen ontslag moet als regel het
onvrijwillig karakter worden ontzegd, tenzij van de betrokkene in redelijkheid
niet gevergd kon worden het dienstverband nog langer te laten voortduren.
Dit laatste is voor de Raad niet komen vast te staan. Eiseres werd door
haar werkgever benaderd op een wijze die zij als hinderlijk heeft ervaren en
dit is de reden voor haar geweest om haar dienstbetrekking te willen
beeindigen. Daarmee is volgens de Raad nog niet vastgesteld dat van eiseres
redelijkerwijs niet gevergd kon worden haar werkzaamheden voort te zetten
totdat zij er in geslaagd zou zijn elders passend werk te vinden

De Raad wil aannemen dat eiseres heeft omgezien naar een andere
werkkring (raadplegen van advertenties en het bezoeken van het GAB). Dat de
werkomstandigheden voor eiseres zo onhoudbaar werden dat zij dringend op ander
werk was aangewezen, daarvan heeft zij echter geen blijk gegeven. Ook van
ziekmeldingen in verband met voor haar te hoog opgelopen spanningen in de
werksfeer blijkt niet

Daarom ook komt de Raad tot de conclusie dat de in geding zijnde
werkloosheid door gedaagde terecht als niet onvrijwillig van aard is
aangemerkt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd

Volledige tekst

Rechters

Mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en Mr. M.I. ’t Hooft en Mr. G.B.J. vander Holst als leden

Instantie: Arrondissementsrechtbank Amsterdam, 25 mei 1988

Instantie

Arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseressen stellen dat zij, toen hun moeders zwanger van hen waren,
blootgesteld zijn geweest aan het destijds door die moeders als geneesmiddel
ingenomen produkt DES en dat zich tengevolge daarvan vele jaren na hun
geboorte bij hen lichamelijke afwijkingen en aandoeningen hebben geopenbaard

Volgens eiseressen is de ernstige materiele en immateriele schade die
zij daardoor hebben geleden en nog zullen lijden het gevolg van de
onrechtmatige daad van gedaagden, die DES in de relevante periode -1953 tot
medio 1967- (onder meer) voor gebruik tijdens zwangerschap in het verkeer
brachten, terwijl de doeltreffendheid daarvan niet vaststond en zonder dat
voldoende onderzoek was verricht naar de eventuele schadelijke werking

Eiseressen vorderen dat ieder van gedaagden wordt veroordeeld tot
vergoeding van de gehele schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen
volgens de wet, alsmede in de proceskosten

In hun verweer hebben gedaagden aangevoerd dat niet alleen niet is komen
vast te staan dat de moeders van eiseressen tijdens hun zwangerschap het
preparaat DES gebruikt hebben en dat de aandoening waaraan eiseressen lijden
moet worden toegeschreven aan het gebruik van dit middel, maar dat bovendien
geen van gedaagden geidentificeerd kan worden als degene, die de
DES-tabletten, die de moeders van eiseressen mogelijkerwijs hebben geslikt, in
het verkeer heeft gebracht en evenmin kan worden vastgesteld dat de
betreffende DES-tabletten in ieder geval van een van de gedaagden afkomstig
zijn

Dit verweer slaagt. Nu geen van de gedaagden kan worden aangewezen
als leverancier van door de moeders van eiseressen ingenomen DES-tabletten en
evenmin zeker is dat de leverancier in ieder geval onder de gedaagden gezocht
moet worden, is de vordering van eiseressen niet toewijsbaar, omdat het
daarvoor vereiste causale verband tussen de aan gedaagden verweten gedraging
(het in het verkeer brengen van het produkt DES) en de door eiseressen geleden
schade ontbreekt

(pleitnota’s van zowel gedaagden als eiseressen zijn aanwezig)

Volledige tekst

Rechters

Mrs. G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwkoop, W. Tonkens-Gerkema en A.J.Beukenhorst

Instantie: President van de Arrondissementsrechtbank Haarlem, 17 mei 1988

Instantie

President van de Arrondissementsrechtbank Haarlem

Samenvatting


De zitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden. Eiseres heeft
gevorderd:

a. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een voorschot op
de immateriele schade van eiseres ad. ƒ 10.000,– (tienduizend gulden);

b. gedaagde te verbieden gedurende twee jaar na betekening van het te
wijzen vonnis zijn woning/praktijkhuis, te benaderen vanaf een bepaalde zijde,
alsmede hem te verbieden zich binnen een straal van 200 meter van de woning
van eiseres te bevinden, alsmede hem te verbieden op enigerlei wijze met
eiseres kontakt op te nemen;

c. met veroordeling van gedaagde tot betaling der wettelijke rente over
het sub a. gevorderde bedrag vanaf de dag van uitbrengen dezer dagvaarding tot
aan de dag van voldoening van dit bedrag aan eiseres;

d. onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,– (vijfhonderd gulden)
per keer, te betalen door gedaagde voor iedere keer dat hij het contactverbod
of straatverbod overtreedt

Gedaagde eist in reconventie een verbod tot verdere publicatie waarin
zijn naam in verband wordt gebracht met gepleegde ongewenste intimiteiten door
een fysiotherapeut op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,– (tienduizend
gulden)

Grondslag van het door eiseres gevorderde:

Eiseres is als patiente door gedaagde tijdens de uitoefening van zijn
beroep als fysiotherapeut aangerand, tengevolge waarvan zij ernstige
schadelijke gevolgen heeft ondervonden en nog steeds ondervindt. Eiseres
voelt zich door gedaagde ernstig aangetast in haar psychische en lichamelijke
integriteit

Eiseres begroot de door haar geleden immateriele schade op ƒ 30.000,–
(dertigduizend gulden) en stelt een spoedeisend belang te hebben bij
toekenning van een voorschot daarop, aangezien financiele genoegdoening een
positieve uitwerking zal hebben op haar herstel, mede omdat dit haar
mogelijkheden zal vergroten om sociale aktiviteiten te ondernemen in het kader
van haar therapie

De President oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang.
Met betrekking tot de zaak zelf dient evenwel als van beslissend belang voor
alles de tussen partijen omstreden vraag te worden beantwoord of gedaagde zich
heeft schuldig gemaakt aan de onrechtmatige gedragingen waarvan eiseres hem
beticht

Voor het geeiste in reconventie is van belang of eiseres of haar
advocaat toestemming hebben gegeven tot publicatie. Dit is door eiseres
voldoende gemotiveerd bestreden en daarom moet gedaagde als de in het ongelijk
gestelde partij de kosten van de procedure in reconventie dragen

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.F. van den Haak, President van de Arrondissementsrechtbank

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 16 mei 1988

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw is in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank
te Alkmaar van 27 november 1987 (rekestnummers 870/1987 en 1016/1987), waarbij
de door de verwerende partij, de vader, te betalen bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van hun twee kinderen met ingang van 1 december 1986
is bepaald op nihil

De vrouw betwist dat de man in 1986 een inkomen had van ƒ 2.100,– per
maand, zoals door de rechtbank is aangenomen, en voorts dat de vader weigert
op het verzoek van de moeder in te gaan om haar inzage te geven in de
jaarstukken van zijn onderneming

Het hof is van oordeel dat de rechtbank niet heeft gehandeld in strijd
met artikel 6 van het Europese Verdrag van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, nu de stukken waarop de rechtbank recht heeft gedaan,
met name het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, ook aan de moeder
bekend waren

Het hof oordeelt evenwel de overgelegde stukken waarop in hoger beroep
recht dient te worden gedaan onvoldoende en wenst op grond van artikel 828d
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat de vader door
bewijsstukken gestaafde gegevens nopens eigen inkomen zal overleggen, bij
welke bescheiden zich in ieder geval dienen te bevinden de jaarstukken van
zijn onderneming en zijn aangiftebiljetten inkomstenbelasting, alle
betreffende de jaren 1986 en 1987, en zijn aanslag inkomstenbelasting 1986

Derhalve wordt de behandeling van de zaak aangehouden

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Swens, Poell en Vermeijden als leden van voornoemde kamer

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 16 mei 1988

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


I. verzoekt de arbeidsovereenkomst met de NMB-Heller te ontbinden wegens
een verstoorde arbeidsverhouding

I. heeft de schriftelijke bevestiging van de arbeidsovereenkomst niet
teruggestuurd maar zij heeft telefonisch medegedeeld dat zij zwanger was.
Hierop reageerde de NMB-Heller met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst
dan niet doorging

NMB-Heller ontkent op de eerste plaats dat er een arbeidsovereenkomst
tussen partijen bestaat en op de tweede plaats betwist zij discriminerend te
zijn opgetreden. De reden van de beeindiging aan de zijde van NMB-Heller
was niet de zwangerschap van I. maar het feit dat zij de bevestiging van de
arbeidsovereenkomst niet had teruggestuurd en dat zij niet wist of ze nog
wilde komen

Zo de arbeidsovereenkomst nog mocht bestaan, verzet NMB-Heller zich niet
tegen een ontbinding, doch wel tegen de gevraagde vergoeding

De kantonrechter komt in het kader van deze procedure niet toe aan
beantwoording van de vraag, of er een arbeidsovereenkomst tussen partijen
bestaat, nu het verzoek mede voorwaardelijk is gedaan, voor het geval een
arbeidsovereenkomst bestaat

Nu beide partijen van mening zijn, dat de arbeidsovereenkomst – als deze
nog bestaat – beeindigd dient te worden, zal het verzoek van I. voorwaardelijk
worden toegewezen

Er zijn geen termen een vergoeding aan I. toe te kennen, nu zij nimmer
bij NMB-Heller heeft gewerkt en zij een loonvordering alsmede een vordering
tot vergoeding van onstoffelijke schade heeft ingesteld bij dit kantongerecht,
in welke zaak onder meer geoordeeld zal worden of al of niet een
arbeidsovereenkomst bestaat tussen partijen en of het in de risicosfeer van de
werkgever lag, dat nimmer arbeid voor NMB-Heller door I. is verricht

Volledige tekst

Rechters

Mr. M.M. van Ditzhuijzen, kantonrechter

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 10 mei 1988

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


X. verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een
verandering van omstandigheden in de zin van artikel 1639w BW, en wel
zodanige dat de dienstbetrekking billijkheidshalve na korte tijd behoort te
eindigen. Immers korte tijd na haar in diensttreding kreeg zij te maken met
ongewenste intimiteiten van haar werkgever R.J.N. De Kantonrechter
constateert dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. De vraag of er
een vergoeding aan X. moet worden toegekend blijft over.
Kantonrechter stelt voorop dat geen enkele werknemer zich ongewenste
intimiteiten van wie dan ook op het werk hoeft te laten welgevallen. Onder
ongewenste intimiteiten wordt verstaan een scala van situaties die variëren
van voortdurende opmerkingen op het uiterlijk tot aanranding of verkrachting
Het moet gaan om situaties waarin van dwang sprake is en waar het gaat om een
eenzijdig optreden tegen iemand die dit niet wenst.
Het is duidelijk dat de ongewenste intimiteiten er de oorzaak van zijn dat X.
niet meer bij N. wil en kan werken. Hiervan valt N. een verwijt te maken.
Daarom is een vergoeding aan X. redelijk en billijk.
De kantonrechter kent een immateriële schadevergoeding van ƒ 1.500
(vijftienhonderd gulden) toe en een vergoeding van ƒ 750
(zevenhonderdenvijftig gulden) netto als aanvulling op haar uitkering

Volledige tekst

strekkende tot ontbinding van de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst op een nader te bepalen tijdstip onder toekenning van een
vergoeding aan verzoekster van een nettobedrag van ƒ 1.500 als aanvulling op
haar RWW-uitkering en een immateriele schadevergoeding van ƒ 5.000 alles met
veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure.

Gezien het op 29 februari 1988 ter griffie ontvangen verweerschrift.
Gehoord ter buitengewone terechtzitting d.d. 3 maart 1988 partijen in persoon
en hun gemachtigden; bij welke gelegenheid door de gemachtigde van
verzoekster pleitnotities werden overgelegd alsook een tweetal producties.

Gehoord ter buitengewone terechtzitting d.d. 30 maart 1988 vier op verzoek
van verzoekster en een op verzoek van verweerder voortgebrachte getuigen, van
de verklaringen is proces-verbaal opgemaakt.

Gezien de op 12 april 1988 ter griffie ontvangen brieven van de gemachtigden,
vergezeld van bijlagen.

Gezien de op 19 april 1988 ter griffie ontvangen brief van de gemachtigde van
verzoekster en de daarbij behorende bijlage.

Gezien de op 22 april 1988 ter griffie ontvangen brief van de gemachtigde van
verweerder.

Overwegende

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel
onvoldoende weersproken, deels blijkende uit de overgelegde bescheiden het
volgende vast.
Verzoekster, hierna te noemen B, is op 1 juni 1987 als dierenarts-assistente
voor onbepaalde tijd in dienst getreden van verweerder, hierna te noemen N.
N is dierenarts en voert zijn praktijk aan huis.
Het overeengekomen salaris bedroeg ƒ 800 netto bij een dienstverband van 20
uur per week. B is thans 36 jaar oud. Zij leeft gescheiden van haar
echtgenoot met wie zij in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld en zorgt
voor beider dochter.
Tegelijk met B trad ook mevrouw S als assistente in dienst van N. De beide
assistentes wisselden elkaar af.
Op een maandag in augustus – niet is met zekerheid vast te stellen of dit 24
augustus of 31 augustus 1987 is geweest – hebben partijen lichamelijk contact
met elkaar gehad in die zin dat er is gezoend. B heeft nadien bij N
doorgewerkt tot en met zaterdag 5 september 1987.
Op 7 september 1987 heeft zij zich ziek gemeld. Op 30 september 1987 schreef
B aan N dat zij na herstel niet meer terug zou komen om te werken, om een hem
bekende reden.
Op 7 oktober 1987 deed B aangifte van het plegen van handtastelijkheden door
N. Eveneens verscheen in het Haarlems Dagblad (regio 23 oktober 1987 en stad
26 oktober 1987) een artikel over ongewenste intimiteiten op h.t. werk; de
gegevens voor dit artikel waren verstrekt door B.
Op 16 oktober 1987 zond B haar jasschorten en de huis- en praktijksleutels
onder rembours terug aan N; deze weigerde de zending.
B is op 23 november 1987 weer arbeidsgeschikt verklaard; zij heeft haar
werkzaamheden echter niet hervat.
Volgens de verzekeringsdeskundige P van de bedrijfsvereniging voor de
gezondheid geestelijk en maatschappelijke belangen is B uitgevallen per 7
september 1987 in verband met psychische decompensatie na sexuele
aanzoekingen en handtastelijkheden van de werkgever waar ze ontslag zal
nemen.

2. B heeft haar verzoek gegrond op een verandering van omstandigheden in de
zin van artikel 1639w BW, en wel een zodanige dat de dienstbetrekking
billijkheidshalve na korte tijd behoort te eindigen.
Ter adstructie voert zij het volgende aan; reeds korte tijd na haar
indiensttreding kreeg zij te maken met ongewenste avances en intimiteiten van
N.
Deze bestonden uit:
– voortdurende op- en aanmerkingen over haar uiterlijk;
– dubbelzinnige opmerkingen;
– onnodig en ongewenst lichamelijk contact;
– de mededeling met haar naar bed te willen.
Op – naar B thans stelt – 24 augustus 1987 heeft N haar rechtstreeks seksueel
benaderd door zijn armen om haar heen te slaan en terwijl hij een erectie
had, zijn onderlichaam tegen haar aan te wrijven; N zou toen hebben gezegd
met haar naar bed te willen. Later op de dag heeft hij B gezoend en haar
linkerborst gegrepen onder haar blouse door.
B stelt dat zij nadien geprobeerd heeft om haar wek te blijven doen, mede
gezien de grote belangen die zij bij het hebben van een baan had, maar dat
zij door het gebeurde dermate van streek is geraakt dat het haar onmogelijk
is om nog langer bij N te blijven.
Dat zij haar arbeid niet meer kan uitoefenen is veroorzaakt door zijn
toedoen. Om die reden acht B het redelijk en billijk dat aan de ontbinding
een vergoeding ten behoeve van haar wordt vastgeknoopt die er op neer komt
dat haar RWW uitkering zal worden aangevuld met het maximale vrij te laten
bedrag per maand tot een maximum van ƒ 1.500 gulden.
Daarnaast stelt zij leed en spanningen ten gevolge van de handelswijze van N
te hebben ondervonden om welke redenen zij een immateriële vergoeding op haar
plaats acht ten bedrage van ƒ 5.000

3. N heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek
ingeroepen. Hij stelt dat met ingang van 23 november 1987 reeds een einde aan
het dienstverband is gekomen. Hij wijst in dit verband op de brief van B de
dato 30 september 1987 waarin zij duidelijk schrijft dat zij niet meer terug
komt om te werken, alsook op de omstandigheid dat zij toen weer hersteld was,
niet meer is teruggekeerd.

4. Subsidiair verweert N zich op alle onderdelen tegen de stellingen van B.
Hij bestrijdt dat hij opmerkingen over haar kleding heeft gemaakt die zouden
kunnen worden opgevat als intimiteiten of avances. Hetzelfde geldt voor de
dubbelzinnige opmerkingen die hij gemaakt zou hebben; N stelt dat hij niet
meer van dit soort opmerkingen maakt dan de gemiddelde Nederlander zal doen.
Met klem wordt door hem bestreden dat hij bewust heeft aangestuurd op
lichamelijk contact; wat er op de bewuste dag in augustus 1987 is gebeurd
wordt als volgt door hem geschetst: B had net een telefoontje gekregen van
haar advocaat dat zij de alimentatieprocedure had verloren.
Zij was daarvan zo onder de indruk dat zij naar hem toeliep en zich tegen hem
aandrukte. Daarop is er door partijen gezoend waartoe B het initiatief nam.
Meer is er niet gebeurd. N voelt zich zeer gegriefd door de stellingname van
B; hij stelt dat hij het slachtoffer is geworden van haar antipathie tegen
mannen.
Hij heeft dan ook geen bezwaar tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst
doch meent dat de omstandigheden niet het toekennen van enige vergoeding
rechtvaardigen.

5. De Kantonrechter zal eerst ingaan op het gedane beroep op de
niet-ontvankelijkheid van het verzoek.
Daartoe zal de inhoud van de brief de dato 30 september 1987 geïnterpreteerd
moeten worden in die zin dat nagegaan moet worden of B met dit schrijven
heeft beoogd de dienstbetrekking op te zeggen tegen het tijdstip waarop zij
weer arbeidsgeschikt zou zijn. Letterlijk schrijft B:
Hierbij deel ik U mede, dat ik niet meer bij U terugkom om te werken, na mijn
herstel. De reden is U bekend. Maar voor de goede orde zal ik deze nog eens
schriftelijk herhalen. Van Uw handtastelijkheden was ik niet gediend en heb
dat volgens mij op een heel diplomatieke manier laten blijken
…
Echter, en dat heb ik ook gezegd, kan ik nu niet meer ongedwongen met U
werken.
….
Naar het oordeel van de Kantonrechter geeft B met dit schrijven niet de wens
te kennen om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te geraken en kan
dit niet gelezen worden als een vrijwillige ontslagname.
Het feit dat B zo duidelijk omschrijft wat voor haar de reden is om niet meer
te komen werken is veeleer een aanwijzing dat zij deze reden zal aangrijpen
om na haar ziekte een beëindiging, in welk juridisch vat dan ook te gieten,
te bewerkstelligen dan wel om doorbetaling van het loon te claimen nu het
gedrag van de werkgever er toe heeft geleid dat zij niet in staat is de
bedongen werkzaamheden te verrichten.
Het feit dat de getuige W in haar schriftelijke verklaring meldt dat B
ontslag nam, welke verklaring berust op hetgeen deze getuige van B zelf heeft
gehoord wil nog niet zeggen dat deze terminologie die juridische draagwijdte
heeft gehad welke N thans aan deze mededeling wenst toe te kennen. Het beroep
op de niet-ontvankelijkheid dient dan ook te worden verworpen.

6. De Kantonrechter heeft geconstateerd dat beide partijen het er in wezen
over eens zijn dat de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk ontbonden dient
te worden. In zoverre is het verzoek van B dan ook voor toewijzing vatbaar.
De vraag die ter beantwoording overblijft is of met het oog op de
omstandigheden een vergoeding aan B moet worden toegekend.

7. Bij de beantwoording van deze vraag zij het volgende in zijn algemeenheid
voorop gesteld. Geen enkele werknemer behoeft zich ongewenste intimiteiten
van wie dan ook op het werk te laten welgevallen; niet van collega’s, niet
van superieuren en niet van de persoon van de werkgever. Degenen die zich
laten verleiden tot het plegen van handtastelijkheden tegen de zin van
betrokkene dienen te beseffen dat zulks objectief beschouwd als laakbaar is
aan te merken en het is een goede zaak van de vrouwenbeweging dat zij een
aanzet heeft gegeven tot een discussie over het verschijnsel dat tegenwoordig
alom wordt aangeduid als ‘ongewenste intimiteiten op het werk’, alsook tot de
bestrijding daarvan.
Onder ongewenste intimiteiten wordt (zie de door B overgelegde brochure ‘dat
is geen werk’ uit februari 1983 van de FNV Werkgroep Ongewenste Intimiteiten)
een scala van situaties begrepen die variëren van voortdurende opmerkingen op
h.t. uiterlijk tot aanranding of verkrachting. Duidelijk geeft de werkgroep
aan dat het moet gaan om situaties waarin van dwang sprake is waar het gaat
om een eenzijdig optreden tegen iemand die dit niet wenst.
In dit laatste criterium echter ligt de ongrijpbaarheid besloten van menige
situatie waarin een dubbelzinnig grapje, een opmerking over het uiterlijk,
gemaakt wordt of een knipoog gegeven of een (terloopse) aanraking plaats
vindt.
De grensoverschrijding naar een ongewenste intimiteit kan heel geleidelijk
aan plaats hebben en terwijl de enen partij denkt dat hij een goede sier maakt
bij de ander, kan die ander intussen er schoon genoeg van hebben en in haar
optiek (gemakshalve zal deze problematiek in deze procedure vanuit de vrouw
benaderd worden; er zijn uiteraard ook andere situaties denkbaar) ook
duidelijk gemaakt hebben dat zij er niet van gediend is.
De betrokkenen ervaren aldus een totaal verschillende beleving van dezelfde
feiten.

8. Het ziet er naar uit dat in zulks in het onderhavige geval ook is gebeurd.
Het staat vast dat op 24 dan wel 31 augustus 1987 (de Kantonrechter houdt het
ervoor dat het 24 augustus is geweest en dat de getuige van B. zich in de dag
heeft vergist) een incident in seksueel-intieme aard heeft plaats gehad.
Dat wordt door N. erkend, zij het dat hij het initiatief van dit gebeuren
neerlegt bij B.
In de periode voorafgaande aan dit incident werden door N wel grapjes gemaakt
die gaandeweg door B als seksistisch werden ervaren, hoewel zij er
aanvankelijk niets achter zocht. Daarmee wordt naar het oordeel van de
Kantonrechter bevestigd hoe moeilijk het is om de grens tussen grappen met
een seksueel tintje en ongewenste intimiteiten te bepalen.
Hoewel N heeft ontkend dat hij op- of aanmerkingen op de kleding van B heeft
gemaakt en dubbelzinnig opmerkingen plaatste, is voldoende aannemelijk
geworden dat hij opmerkingen heeft geplaatst die niet bij alle vrouwen in
even goede aarde vallen. De Kantonrechter doelt hier op de opmerkingen met
betrekking tot het ’tennisvriendje’ van B die door hem niet zijn weersproken.
Ook de verklaring van de getuige B geeft aan dat hij wel eens dubbelzinnige
grapjes maakte bijvoorbeeld over hormoonpillen die niet door een man gebruikt
moesten worden, waarbij dan geïnsinueerd werd dat deze pillen van negatieve
invloed op diens potentie zouden zijn, zonder dat dit gezegd werd. Overigens
bleek deze getuige deze grapjes geheel niet als storend of seksistisch doch
hooguit als uitgekauwd te ervaren en zij heeft nooit gemerkt dat klanten daar
niet van gediend waren.

9. Wat de gebeurtenis op 24 augustus 1987 betreft is de kantonrechter van
oordeel dat, hoewel iemand getuige daarvan is geweest, door B aannemelijk is
gemaakt dat het hier om door haar niet gewenste intimiteiten ging. Het feit
dat zij er, blijkens de getuigenverklaringen zo overstuur van is geweest en
zelfs over aanranding sprak, geeft zulks voldoende aan.
Hoewel geheel niet uitgesloten is dat B door het gebruik van een in de
strafrechtsleer gelegen kwalificatie achteraf de gebeurtenis zwaarder heeft
overtrokken dan gerechtvaardigd was, is het verhaal dat zij aan de getuigen
en ook aan de politie c.q. in het door haar aan de Kantonrechter overgelegde
verslag consistent en telkens gelijkluidende, waar tegenover staat dat N in
zijn verweerschrift een — in de nuancesfeer– andere versie geeft van het
gebeurde dan hij eerder aan de getuige B heeft gegeven. In het verweerschrift
wordt immers gesteld dat B naar hem toeliep en zich tegen hem aandrukte
terwijl de getuige B heeft verklaard dat N haar vertelde dat, toen B het
bewuste telefoontje van haar advocaat kreeg, hij iets zei in de trant van:
heb je een sterke schouder nodig?, waarna B haar omhelsde.

10. De Kantonrechter is er niet van overtuigd dat N heeft besefd dat het
gebeurde door B niet gewenst werd, met andere woorden dat hij dit emotioneel
heel anders heeft ervaren dat B; in dit verband wordt verwezen naar pagina 2
laatste zin van het proces-verbaal van de gemeentepolitie van Haarlemmermeer
waarin B meedeelt dat hij zich uit de armen van N heeft losgemaakt en hem bij
de hand gepakt heeft en hem zo heeft ‘mee geloodst’ naar een apart kamertje
waar zich te behandelen dieren bevonden die daar toen ook behandeld zijn.
Kort daarna zouden de andere handtastelijkheden plaats gehad hebben. Het mee
loodsen is misschien wel kordaat maar kan door N ook verkeerd begrepen zijn.

11. Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat B een bejegening
heeft ondergaan die niet door haar gewenst was en dat N dat zo niet heeft
ervaren. Echter, in de onderhavige situatie was hij de werkgever en, dus de
superieur van B, die zich in grote privé problemen bevond. Dit laatste was
bekend aan N. Op alle fronten verkeerde B dus in een kwetsbare positie, die N
niet uit het oog had mogen verliezen. Zelfs als zijn visie op het gebeurde de
juiste is dan nog had het op zijn weg gelegen om te voorkomen dat zulk een
gebeurtenis, welke naar in ieder geval achteraf gebleken is, B diep gekwetst
heeft, zich zou voordoen.

12. Het is duidelijk dat de litigieuze gebeurtenis er de oorzaak van is dat B
niet meer bij N wil en kan werken. Zoals uit het hierboven onder 11. gelezen
kan worden valt N daarvan een verwijt te maken. De Kantonrechter is van
oordeel dat onder de gegeven omstandigheden een vergoeding aan B redelijk en
billijk is.

13. Bij het bepalen van de hoogte daarvan worden naast het bovenoverwogene de
navolgende omstandigheden in aanmerking genomen:
– voor B was het gezien haar situatie van groot belang om een baan te hebben
– B derft thans het naast haar uitkering uit arbeidsinkomsten vrij te laten
bedrag
– zij is in feite zeer kort werkzaam geweest voor N
– laatstgenoemde heeft door de onderhavige geschiedenis evenzeer schade
geleden nu B uitvoerig haar verhaal aan de plaatselijke pers heeft verteld en
dit ook is gepubliceerd; weliswaar werd de naam van N niet genoemd noch zijn
beroep maar het behoeft geen betoog dat deze publicatie voor hemzelf en zijn
gezinsleden zeer belastend is, nog daargelaten de vraag in hoeverre in een
gemeenschap als Hoofddorp de naam van de werkgever onbekend zal blijven.

14. Met het oog op voornoemde factoren zal de Kantonrechter aan B een
vergoeding van ƒ 750 netto toekennen als aanvulling op de thans door haar te
ontvangen uitkering en daarnaast een immateriële vergoeding van ƒ 1.500, het
een en ander uit te keren binnen veertien dagen na het tijdstip waarop de
arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden zal zijn.

15. De Kantonrechter stelt partijen in kennis van haar voornemen om de tussen
bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden te verklaren met ingang van 24 mei
1988 onder toekenning van een vergoeding aan B als bovenvermeld en stelt met
inachtneming van het bepaalde in artikel 1639w lid 10 BW de laatste in de
gelegenheid om haar verzoek tot uiterlijk 20 mei in te trekken.

16. Voor het geval het verzoekschrift niet wordt ingetrokken maakt de
Kantonrechter reeds nu bekend dat zij, gezien de aard van de procedure en
gelet op de omstandigheid dat B slecht een gedeelte van de door haar
gevraagde vergoeding krijgt toegewezen, de proceskosten op de gebruikelijke
wijze zal compenseren.

BESCHIKKENDE

Stelt de afloop van de termijn binnen welke B haar verzoek kan intrekken,
vast op 20 mei 1988;
en voorts, voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

Verklaart de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 24 mei
ontbonden.

Kent aan B ten laste van N een vergoeding toe van ƒ 750 netto als aanvulling
op de door haar te ontvangen uitkering en een immateriële schadevergoeding
ten bedrage van ƒ 1.500, beide bedragen te voldoen binnen veertien dagen na
24 mei 1988.

Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten
draagt.

Wijst het meer of ander verzochte af.

Rechters

Mr. M.A.J. Tabingh Suermondt-Oostvogel

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 10 mei 1988

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De vader heeft primair aan het Hof verzocht te bepalen dat hij voogd zal
zijn over Hans Paul, onder gelijktijdige benoeming van de moeder tot toeziend
voogdes. De moeder heeft aan het Hof verzocht de bestreden beschikking,
waarin zij tot voogdes wordt benoemd, te bekrachtigen en de man te bevelen het
paspoort van het kind aan de vrouw te geven

De moeder heeft in mei 1987 de echtelijke woning verlaten en verblijft
sindsdien met haar kinderen uit een eerdere relatie en het kind van partijen
Hans Paul in een opvanghuis. Zij voert aan dat zij in Nederland niet kan
aarden en heimwee heeft. Zij wenst met de kinderen terug te keren naar haar
geboorteland Nicaragua

De moeder heeft tot nu de de verzorging en opvoeding nagenoeg geheel op
haar genomen omdat de vader veelal in het buitenland verbleef voor
werkzaamheden

De vader verblijft in de echtelijke woning en is thans werkzaam als
administratief medewerker in Wageningen. Hij voert aan ook over
mogelijkheden te gaan beschikken om thuis te gaan werken, zodat hij de
verzorging en opvoeding van Hans Paul op zich kan nemen

Het hof ziet met de Raad voor de kinderbescherming geen wezenlijk
verschil in de mogelijkheden die beide ouders hebben om Hans Paul te verzorgen
en op te voeden, nu gebleken is dat beide ouders, wel of niet werkzaam zijnde,
aangewezen zullen zijn op hulp van familieleden

Voor een wijziging in de thans bestaande situatie, verzorging en
opvoeding van Hans Paul door de moeder, in het belang van het kind wel zeer
zwaarwegende redenen aanwezig te zijn. Het hof is van oordeel dat de door
de vader aangevoerde redenen met betrekking tot het vertrek van Hans Paul naar
Nicaragua niet opwegen tegen het bezwaar van het verbreken van de hechtere
band met het gezin van de moeder

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 1
februari 1988

Met bijlagen

Volledige tekst

Rechters

Mr. Trijbits, vice-president, voorzitter, mrs. Van der Grinten enVerkade, raadsheren

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 10 mei 1988

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De vrouw deed een verzoek om alimentatie tijdens huwelijk op grond van
art. 81 boek 1 BW. Dit werd afgewezen bij beschikking van de Rechtbank
Zutphen van 6 januari 1987 (bijgevoegd), omdat zij de concrete relatie tussen
het door haar verzochte (ƒ 2.250,–) en haar behoefte in noodzakelijk
verband niet voldoende heeft kunnen duidelijk maken

In hoger beroep werd door het Gerechtshof te Arnhem op 12 mei 1987 ƒ
1.850,– per maand toegekend, uiteraard voor zo lang als artikel 81 boek 1 BW
op de verhouding tussen partijen van toepassing is

Bij wijzigingsbeschikking van 10 mei 1988 is dit alimentatiebedrag van
ƒ 1.850,– gehandhaafd op grond van de financiele omstandigheden van de man,
waarbij rekening is gehouden met de voor de man uit de alimentatiebetaling
voortvloeiende besparing aan belasting en premies

Volledige tekst

Rechters

Mr. R. Besse, rechter

Instantie: Procureur Generaal bij de Hoge Raad, 6 mei 1988

Instantie

Procureur Generaal bij de Hoge Raad

Samenvatting


Eiseres van cassatie, Dekker heeft schriftelijk gesolliciteerd op een
advertentie van VJV, verweerster in cassatie, voor de functie van
vormingswerker voor 30 uur per week. Ook heeft zij nog twee
sollicitatiegesprekken gevoerd met de commissie. Tijdens het tweede
sollicitatiegesprek heeft zij aan de commissie medegedeeld drie maanden
zwanger te zijn. Na dat tweede gesprek heeft de commissie aan Dekker
medegedeeld dat deze laatste aan het bestuur voor de functie zou worden
voorgedragen

Bij brief van 10 juli 1981 heeft het bestuur van VJV aan Dekker
medegedeeld tot zijn spijt van aanstelling van Dekker te moeten afzien.
Personeel in dienst van VJV valt onder De Algemene Burgerlijke Pensioenwet
Dit brengt mee dat de Ziektewet, ingevolge art. 6, lid 1 onder a,
daarvan, op het personeel van VJV niet van toepassing is. In haar vorige
betrekking was Dekker wel verzekerd op grond van de Ziektewet. Het VJV is
aangesloten bij de Stichting Risicofonds Sociale Voorzieningen Bijzonder
Onderwijs. Bij dit fonds heeft de VJV geinformeerd of Dekker in geval van
aanstelling, gedurende haar zwangerschapsverlof aanspraak zou hebben op een
uitkering van ziekengeld. Het Risicofonds heeft geantwoord dat dit niet het
geval is. Voor deze afwijzing heeft het bestuur financiele redenen
opgegeven, erop neerkomend dat VJV, indien de stichting Dekker zou benoemen,
gedurende het zwangerschapsverlof van deze laatste niet in de gelegenheid zou
zijn een vervangster aan te stellen

Dekker heeft na ontvangst van deze brief een klacht ingediend bij de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. Deze
Commissie heeft laten weten de handelwijze van VJV in strijd te achten met
art. 3 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) en met art.
1637ij, lid 1, BW

De Rechtbank is van oordeel dat VJV mocht beslissen dat zij, gezien het
risico dat zij loopt op niet uitbetaling, Dekker niet in dienst wilde nemen,
zodat niet gezegd kan worden dat VJV daarbij jegens Dekker onrechtmatig heeft
gehandeld

Dekker stelt hoger beroep in en dat wordt afgewezen

Dekker heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld
Het middel strekt, kort samengevat, ten betoge dat de beslissing van het
hof, volgens welke het gedrag van VJV in beginsel weliswaar onrechtmatig was,
maar in concreto geen onrechtmatige daad jegens Dekker opleverde, onjuist is

VJV heeft incidenteel cassatieberoep doen instellen. Het aangevoerde
middel keert zich tegen de beslissing van het hof volgens welke het niet
aannemen van Dekker in verband met haar zwangerschap in beginsel onrechtmatig
jegens haar, want in strijd met VJV’s rechtsplicht, was

De Procureur-Generaal concludeert tot verwerping van het principaal
beroep alsmede tot het buiten beschouwing laten van het incidenteel beroep

Volledige tekst

Rechters