Instantie: Rechtbank Amsterdam, 4 mei 1988

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Appellanten hebben sinds een aantal jaren een duurzame relatie met
elkaar. Zij zijn niet met elkaar gehuwd en onderhouden een zogenaamde
LAT-relatie. Uit hun relatie is op 18 april 1987 een kind geboren.
Appellante is van rechtswegen voogdes over het kind dat niet door appellant,
de biologische vader, is erkend. Appellanten verzorgen het kind ieder voor
de helft. In onderling overleg is besloten dat het kind de naam van de
moeder voogdes zou moeten behouden omdat deze achternaam in de volgende
generatie uit de familie dreigt te verdwijnen

De rechtbank heeft appellanten beiden met de ouderlijke macht bekleed,
hoewel de vader het kind niet erkend heeft

Volledige tekst

Rechters

Mrs. M. Hartzuiker, voorzitter tevens kinderrechter, S.J. Bosma,rechter, H.J. Bunjes rechter-plaatsvervanger

Instantie: Raad van Beroep Zwolle, 3 mei 1988

Instantie

Raad van Beroep Zwolle

Samenvatting


Klaagster ontving al jaren een uitkering krachtens de AAW. Na het
overlijden van haar ex-echtgenoot ontving zij nog slechts en uitkering van de
algemene weduwen en wezenwet, nadat deze door haar was aangevraagd op
aandringen van een ambtenaar. Nu is beslist dat zij hetgeen zij voor 23
december 1984 heeft ontvangen, niet hoeft terug te betalen. Zij heeft
indertijd een tijd lang een dubbele uitkering, dus zowel van de AAW als van de
AWW ontvangen. Vanaf 23 december 1984 zal zij een AWW-uitkering ontvangen,
gesuppleerd met een AAW-uitkering. De AAW-uitkering die ze indertijd
ontving, was hoger dan de AWW-uitkering waar ze later recht op kreeg

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Rechtbank Roermond, 28 april 1988

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Door de samenwoning met een Nederlandse vrouw – i.c. gelijk te stellen
met een huwelijk – is na een jaar een – nieuwe – verblijfstitel ex art. 10 lid
2 Vreemdelingenwet ontstaan; deze kan niet verloren gaan door strafrechtelijke
veroordeling

De staat is in hoger beroep gegaan. Deze zaak is om twee redenen van
principieel belang:

– het gelijk stellen in het Vreemdelingenrecht van duurzame relaties met
huwelijken;

– de daaruit voortvloeiende bescherming tegen uitzetting na een
strafbaar feit

Volledige tekst

Rechters

Mr. Wind

Instantie: President van de Rechtbank Almelo in kort geding, 27 april 1988

Instantie

President van de Rechtbank Almelo in kort geding

Samenvatting


Stiefvader heeft met beide dochters ontucht gepleegd. Eiseressen
vorderen van hun stiefvader schadevergoeding van ƒ 5.000,– (vijfduizend
gulden) respectievelijk ƒ 10.000,– (tienduizend gulden immateriele schade)
Eiseressen hebben ook een contactverbod gevorderd

De President verbied de stiefvader gedurende een jaar contact op t
e nemen met eiseressen, en veroordeelt hem tot betaling van ƒ 4.000,–
(vierduizend gulden) aan eiseres X. en aan eiseres Y., als voorschot op de
door hen geleden immateriele schade

Volledige tekst

Rechters

Mr. Drewes, Vice-president

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 27 april 1988

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Van verzekering ingevolge art. 3 van de ZW kan eerst dan sprake zijn bij
het feitelijk bestaan van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Het vermoeden van een pretense werkgever over het sluiten van een
arbeidsovereenkomst moet onvoldoende worden geacht om verzekering ingevolge
art. 3 ZW aan te nemen, nu uitdrukkelijk is overeengekomen dat de werknemer
É
t aan een oproep gehoor behoeft te geven en er geen sprake is van een
doorlopende arbeidsovereenkomst

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 26 april 1988

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Kan de Aktiegroep Open Deur als rechtspersoonlijkheid bezittende
vereniging, die zich krachtens haar statuten ten doel stelt de belangen van
bepaalde (groepen van) personen, die discriminatie op grond van ras en/of
etnische afkomst ondervinden te behartigen, naast of in plaats van die
personen in rechte optreden

Het Hof acht Aktiegroep Open Deur in haar bedoelde vordering
ontvankelijk

Aktiegroep Open Deur stelt zich blijkens haar statuten ten doel alle
vormen van discriminatie op grond van ras en/of etnische afkomst te
bestrijden, met name in de regio Deventer

Slachtoffers van een dergelijke discriminatie hebben, indien kans op
herhaling daarvan niet uitgesloten moet worden geacht, een gemeenschappelijk
belang, dat zich veelal beter leent voor een gebundelde en gemeenschappelijke
behartiging dan voor behartiging door middel van individuele maatregelen.
Een gemeenschappelijke belangenbehartiging bevordert aldus een efficiente
rechtsbescherming en rechtsgelijkheid van slachtoffers van discriminatie op
grond van ras en/of etnische afkomst. Een civielrechtelijke procedure als
de onderhavige is daarbij een geeigend middel ter bereiking van dit doel

Het Hof beveelt M.J. de H. zich te onthouden van ieder onderscheid naar
ras en/of etnische herkomst bij het verhuren van woonruimte op straffe van een
aan Aktiegroep Open Deur te verbeuren dwangsom van ƒ 500,– (vijfhonderd
gulden) voor iedere overtreding van dat verbod, na betekening van dit arrest
aan haar met een maximum van ƒ 40.000,– (veertigduizend gulden)

Volledige tekst

Rechters

Mr. van Julsingha, president, Mrs Spoor en Bierman, Raadsheren

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 25 april 1988

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Partijen zijn elf jaar gehuwd geweest en zij hebben twee kinderen.
Partijen zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd

Vast staat dat de rolverdeling in het huwelijk de vrouw heeft afgehouden
van eigen directe inkomstenverwerving en dat mede die rolverdeling hem in
staat heeft gesteld het inkomen te verwerven waaruit hij de voorziening in
pensioen heeft kunnen treffen

De pensioenvoorziening valt onder de gemeenschappelijke goederen die
moeten worden verdeeld. Op verzoek van beide partijen zal de notaris dit
verder moeten afhandelen

Volledige tekst

Gezien de stukken van het geding

Overweegt ten aanzien van de feiten:

Blijkens authentieke bewijsstukken zijn partijen op 18 januari 1979 te
A. met elkaar gehuwd en hebben zij twee thans nog minderjarige kinderen

Bij zakelijk met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis heeft
de man op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk echtscheiding
subsidiair scheiding van tafel en bed gevorderd met een bijkomende vordering
tot scheiding en deling van de gemeenschappelijke goederen

De vrouw heeft zich bij conclusie van antwoord gerefereerd terzake van
de vorderingen van de man. In reconventie heeft zij een bijdrage tot het
levensonderhoud van haarzelf en de kinderen gevorderd van f.7.000,– per maand
en heeft zij gevorderd de man te veroordelen de contante waarde van zijn
ouderdomspensioen door bescheiden te staven en dit bij helfte af te rekenen
In conventie is de man bij zijn vorderingen gebleven. Bij antwoord in
reconventie heeft hij geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de
vrouw en heeft hij aangeboden gedurende maximaal zes jaar een bijdrage ten
behoeve van de vrouw te betalen van f.2.775,– per maand, met uitsluiting van
de wettelijke indexering. Na voortgezet debat zijn partijen zowel in
conventie als in reconventie bij hun standpunt gebleven en hebben zij bewijs
van hun stellingen aangeboden

Partijen hebben tenslotte de stukken overgelegd en vonnis gevraagd

Overweegt ten aanzien van het recht:

in conventie:

1. De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden
en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken
vordering tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is

2. Ook de bijkomende vorderingen kunnen als niet bestreden en op de wet
gegrond worden toegewezen

in reconventie:

3. Met betrekking tot de vordering tot levensonderhoud overweegt de
Rechtbank het volgende. De vrouw heeft een bijdrage gevorderd voor haarzelf
en de kinderen van f.7.000,– per maand

De man heeft hiertegen verweer gevoerd, stellende dat de vrouw in staat
moet worden geacht, althans gedeeltelijk, in haar eigen onderhoud te voorzien
en dat zijn draagkracht een dergelijke bijdrage niet toelaat

4. De Rechtbank is van oordeel dat van de vrouw, hoewel zij in het
verleden aan het arbeidsproces heeft deelgenomen en in het bezit is van enkele
diploma’s, niet verlangd mag worden dat zij volledig in haar eigen onderhoud
voorziet, nu zij de zorg draagt voor twee kinderen in de leeftijd van een en
vijf jaar

De Rechtbank acht de vrouw wel in staat om een part-time functie van
beperkte omvang te vervullen. Nu niet gebleken is dat de vrouw momenteel
eigen inkomsten geniet, staat haar behoefte aan een bijdrage van de man vast

5. Het inkomen van de man bedroeg over 1986 f.151.183,– bruto per jaar
Bij de behandeling van de voorlopige voorzieningen is door de man niet
betwist dat dit salaris in juli 1987 met f.8.000,– bruto is verhoogd. De
door hem genoten onkostenvergoedingen zijn niet meer dan kostendekkend en
kunnen niet als inkomen worden gezien

Bij het berekenen van zijn netto besteedbaar inkomen zal de Rechtbank
uitgaan van het navolgende. De verwervingskosten van de man bedragen
f.7.348,– per jaar. Tevens zal worden rekening gehouden met de door hem
betaalde hypotheekrente. Met de rente op het continu-krediet zal slechts
gedeeltelijk rekening worden gehouden, aangezien niet gebleken is dat de
hoofdsom op het moment dat partijen uit elkaar gingen meer bedroeg dan de door
de vrouw bij voorlopige voorzieningen gestelde f.13.500,–. Het feit dat
het kredietplafond is verhoogd tot f.40.000,– en de verwachting van de man
dat hij genoodzaakt zal zijn om in de toekomst gelden tot een dergelijk bedrag
op te nemen leggen voor de berekening van zijn draagkracht op dit moment geen
gewicht in de schaal. Ook met de premies van de levensverzekeringen is
slechts ten dele rekening gehouden, en wel voorzover deze verzekeringen
bedoeld zijn als oudedagsvoorziening. Rekening houdend met het bovenstaande
resteert voor de man een netto maandinkomen van omstreeks f.8.150,–. De
man heeft de volgende kosten. Zijn woonkosten bedragen f.1.755,– per
maand. Dit betreft zowel de aflossing op de hypotheek voor zijn nieuwe
woning als die op de na verkoop van de echtelijke woning resterende schuld
Aan aflossing op het doorlopend krediet betaalt de man f.250,– per
maand. De premie van de levensverzekeringen bedraagt omstreeks f.573,– per
maand. Aan onroerend goedbelasting betaalt hij f.123,– per maand en zijn
verwervingskosten bedragen f.612,– per maand. De man heeft aangeboden ten
behoeve van zijn kinderen een bedrag van f.280,– per maand en per kind te
betalen. Deze bijdrage zal niet, zoals de vrouw wenst, thans worden
vastgesteld, maar bij het na te melden ouderverhoor

De vrouw heeft geen bijzondere kosten opgevoerd

6. Rekening houdend met al het bovenstaande acht de Rechtbank een door
de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van
f.3.500,– in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De Rechtbank
heeft hierbij tevens rekening gehouden met het fiscale voordeel dat de man als
gevolg van de betaling van de bijdrage kan verwerven. De Rechtbank is
voorts van oordeel dat onvoldoende is gebleken van feiten of omstandigheden
die zouden kunnen leiden tot maximering van de uitkeringsduur en tot
uitsluiting van de wettelijke indexering

7.1. Terzake van de berekening en de afrekening van het opgebouwde
pensioen overweegt de Rechtbank het volgende

7.2. De vrouw heeft gesteld dat deze pensioenrechten gezien moeten
worden als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide
partijen. Door haar inzet, in goed overleg met de man, voor het huishouden
en de kinderen, -waarvoor zij eigen inkomstenverwerving opgaf-, heeft zij de
man in staat gesteld een goed inkomen (voor het gezin) en een goed pensioen
(voor man en vrouw) te verwerven

7.3. De man heeft verrekening van het pensioen van de hand gewezen,
reeds omdat partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Hij acht
de vrouw in staat uit de door hem te betalen alimentatie en eventuele eigen
inkomsten zelf een pensioenvoorziening te treffen

7.4. De Rechtbank kan de man daarin niet volgen

De uitsluiting van gemeenschap van goederen heeft ook in het standpunt
van de man, die met het oog daarop scheiding en deling heeft gevorderd, niet
verhinderd, dat partijen over gemeenschappelijke goederen beschikken

En de man ziet over het hoofd, dat het de vrouw niet gaat om de na de
echtscheiding op te bouwen voorzieningen, maar om hetgeen tot dan toe reeds is
opgebouwd

7.5. Door de man is niet betwist, dat de rolverdeling in het huwelijk de
vrouw heeft afgehouden van eigen directe inkomstenverwerving en dat mede die
rolverdeling hem in staat heeft gestelt het inkomen te verwerven waaruit hij
de voorziening in pensioen heeft kunnen treffen

Op deze wijze is mogelijk zowel het loon als de daaruit betaalde
pensioenvoorziening te beschouwen als de opbrengst niet slechts van de
arbeidsprestatie van de man, maar evenzeer van de hem tot die prestatie in
staat stellende ondersteuningsprestaties van de vrouw. Aldus zou de
besteding van een deel van ’s mans inkomsten in een pensioenvoorziening als
een belegging van de beloning van de prestaties van beide echtgenoten te
beschouwen zij en, gericht zijnde op beider behoeftevoorziening nadat de
arbeidsprestaties ten einde zijn gekomen, een bate kunnen vormen welke aan de
echtgenoten gemeenschappelijk toekomt, ondanks het ontbreken van een
huwelijksgoederengemeenschap

7.6. Dit zo zijnde, komt de Rechtbank niettemin niet tot toewijzing van
de vordering van de vrouw. Partijen zijn het er immers over eens, dat zij
gemeenschappelijke goederen hebben te scheiden en te delen; de vrouw heeft
zich gesteld achter de desbetreffende vordering van de man

Gelet daarop is een afrekening, nog wel bij helfte van (de contante
waarde van) een van die gemeenschappelijke goederen, zonder verband met de
scheiding en deling van wat partijen overigens gemeen hebben, thans niet op
haar plaats. De door partijen gekozen of anders bij dit vonnis aangewezen
notaris kan de verrekening betrekken bij hetgeen partijen overigens scheiden
en delen, zo bij de bepaling van wat gemeenschappelijk is, komt vast te staan
dat de pensioenvoorziening daaronder valt

in conventie voorts:

8. Alvorens over de gezagsvoorziening te beslissen, zal de Rechtbank een
verhoor van partijen bevelen. Iedere partij dient daartoe te worden
opgeroepen door haar eigen procureur

RECHTDOENDE:

in conventie:

Spreekt uit de echtscheiding tussen . en . gehuwd op 18 januari 1979 te
Alphen aan den Rijn

Beveelt de scheiding en deling van de gemeenschappelijke goederen,
voorzover aanwezig

Benoemt, voor het geval partijen het over de keuze van een notaris niet
eens worden, tot notaris ten overstaan van wie verdeling behoort te worden tot
stand gebracht:

mr. F.G. Struben, notaris te Alphen aan den Rijn, dan wel diens
plaatsvervanger

Benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de
verdeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet:

voor de man mr. W.M.A. Kalkman, kantoorhoudende te Leiden,

voor de vrouw mr. M.P. Roest, kantoorhoudende te Leiden

Bepaalt het verhoor van partijen ter voorziening in het gezag over hun
minderjarige kinderen:

—– geboren op 26 mei 1983 te —-

—– geboren op 27 januari 1987 te —-

en ter eventuele bepaling van een bijdrage in de kosten van verzorging
en opvoeding voor de Tweede Enkelvoudige Kamer van deze Rechtbank op:

donderdag 30 juni 1988 te 13.45 uur,

in het gebouw van het Kantongerecht te Leiden, Rapenburg 19

in reconventie:

Veroordeelt de man om van de dag dat het vonnis van echtscheiding zal
zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan
de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van f.3.500,– per
maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen

Wijst af het meer of anders gevorderde

in conventie en in reconventie:

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van dit proces zal dragen

Rechters

mr F.C.H.M. Robbers

Instantie: Hoge Raad, 15 april 1988

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Naast een (volledige) uitkering op grond van de Wet op de
Studiefinanciering is het mogelijk dat een meerderjarig kind nog behoefte
heeft aan een bijdrage van zijn ouder(s) in de kosten van levensonderhoud.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van 22 oktober 1985 heeft de rechtbank te Breda de
echtscheiding uitgesproken tussen verzoekster tot cassatie – hierna te
noemen de vrouw – en verweerder in cassatie – hierna te noemen de man –
Bij beschikking van 25 februari 1986 heeft de rechtbank de vrouw benoemd
tot voogdes over der pp. minderjarige kinderen K., geboren op 5 april
1966, en M., geboren op 2 januari 1969 en de man tot toeziend voogd. Bij
beschikking van 11 december 1986 heeft de rechtbank vervolgens de door de
man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
voornoemde kinderen bepaald op ƒ 440 per maand per kind tot 8 augustus
1986 en voorts met ingang van 8 augustus 1986 op ƒ 250 per maand per kind,
zulks met uitsluiting van de wettelijke indexering voor het gehele jaar
1987. Tegen laatstgenoemde beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld
bij het Hof te ‘s-Hertogenbosch, waarna de vrouw incidenteel hoger beroep
heeft ingesteld. Bij beschikking van 16 april 1987 heeft het Hof de vrouw
niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingesteld appel en in het
principaal appel de beschikking van de rechtbank vernietigd en de door de
man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van K. met ingang van 1
maart 1986 bepaald op ƒ 100 per maand tot 1 augustus 1986 en vanaf deze
laatste datum op nihil en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van M. met
ingang van 1 maart 1986 tot 1 augustus 1986 op ƒ 440 per maand en voor de
periode van 1 augustus 1986 tot 1 april 1987 op ƒ 160 per maand en met
ingang van 1 april 1987 op nihil. De beschikking van het Hof is aan deze
beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De
conclusie van de A-G Verburg strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om de door de man te betalen bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de twee uit het door echtscheiding
ontbonden huwelijk van pp. geboren minderjarige kinderen K. en M. die
beiden recht hebben op een toelage krachtens de Wet op de
studiefinanciering (Wet van 24 april 1986, Stb. 252) (WSF). Het Hof heeft
overwogen dat K. vanaf 1 oktober 1986 “een totale studiefinanciering”
ontving en dat M. vanaf 1 april 1987 “recht kan doen gelden op een
volledige studietoelage”. Op grond daarvan – “derhalve” – heeft het Hof
geoordeeld dat beide kinderen vanaf die tijdstippen geen behoefte meer
hebben aan een bijdrage van de man. Het middel bestrijdt dit oordeel van
het Hof in onderdeel 1 met een rechtsklacht en een motiveringsklacht,
welke klachten in de onderdelen 2, 3 en 4 nader worden uitgewerkt.

3.2 Onderdeel 2 mist feitelijke grondslag. Waar het Hof in r.o. 5.2.f. ten
aanzien van K. spreekt over een bijdrage “in zijn levensonderhoud” bedoelt
het Hof niets anders dan een bijdrage “in de kosten van verzorging en
opvoeding”, zoals dat in de overige aan K. gewijde overwegingen en in het
dictum van de beschikking wordt geformuleerd.

3.3 Voor het overige is het middel gegrond. ’s Hofs oordeel dat de enkele
omstandigheid dat de kinderen recht hebben op een volledige studietoelage
krachtens de WSF meebrengt dat zij geen behoefte hebben aan een bijdrage
van hun vader in de kosten van hun verzorging en opvoeding, geeft blijk
van een onjuiste rechtsopvatting. Het miskent dat de rechter in het kader
van een alimentatieprocedure de behoefte van minderjarigen dient te
beoordelen naar hun individuele omstandigheden en dat daarbij het bedrag
van een op algemene normen gebaseerde studietoelage niet zonder meer
bepalend is. Bovendien is ’s Hofs oordeel niet naar de eis der wet met
redenen omkleed doordat het zich in zoverre aan toetsing in cassatie
onttrekt dat uit hetgeen het Hof ter zake heeft overwogen niet valt op te
maken of, en zo ja in welke zin, het Hof rekening heeft gehouden met het
systeem van de WSF, waarbij een deel van een “volledige studietoelage”
wordt verstrekt als geldlening, dus een bedrag dat later moet worden
terugbetaald. Onderdeel 3 (in samenhang met onderdeel 1) slaagt derhalve.

3.4 Onderdeel 4 in samenhang met onderdeel 1 slaagt ook. In het licht van
het systeem van de WSF is niet begrijpelijk hoe het Hof is kunnen komen
tot zijn eerdergenoemde vaststelling dat de “studiefinanciering”, resp.
“studietoelage” van de kinderen “totaal” of “volledig” was. Een volledige
toelage krachtens die wet bestaat immers niet enkel uit een
“ouderonafhankelijke” basisbeurs, maar daarnaast uit een op een
maandbudget gebaseerde aanvullende financiering die “ouderafhankelijk” is
in die zin dat daarop een “Korting wegens bijdrage van een ouder” – aldus
het opschrift van Titel 3, par. 2 van de Wet – wordt toegepast. De
studiefinanciering waarop ieder van de kinderen recht heeft kan niet
zonder meer worden vastgesteld op het veronderstelde voor hen geldende
maximum bedrag, zoals het Hof klaarblijkelijk heeft gedaan, nu omtrent de
“ouderbijdrage” van de zijde van de man krachtens de WSF niets vaststaat.

4. Beslissing

De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Hof te ‘s-Hertogenbosch
van 16 april 1987 voor zover in het principaal appel gegeven; verwijst de
zaak naar het Hof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie des dat iedere partij
haar eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Ras, Martens, Hermans, Bloembergen, Boekman; A-G Verburg

Instantie: President van de Rechtbank Amsterdam rechtsprekende in kort geding, 14 april 1988

Instantie

President van de Rechtbank Amsterdam rechtsprekende in kort geding

Samenvatting


Vonnis bij het ten tweede male vragen van een straat- en contactverbod
tegen dezelfde gedaagde. De President wees het straatverbod af omdat
eiseres te dicht in de buurt van gedaagde was gaan wonen (nota bene voor haar
eigen veiligheid, namelijk biven het politiebureau). Er werd echter een
contactverbod in de meest uitgebreide zin des woords toegewezen met als
sanctie dat bij iedere overtreding van dit verbod eiseres de keuze heeft om
hetzij een dwangsom van ƒ 500,– (vijfhonderd gulden) te innen, hetzij
gedaagde voor de duur van drie maal 24 uur in gijzeling te nemen

In deze zaak zijn anonieme getuigenverklaringen overgelegd als bewijs
van het feit dat gedaagde het eerder opgelegde contactverbod had overtreden,
aangevuld met het aanbod om eiseres als partijgetuige te horen. De
President deed over de toelaatbaarheid hiervan geen uitspraak, doch hij zei
ook niet dat het niet kan. Hij merkt op dat “voldoende aannemelijk is
geworden dat gedaagde het eerder opgelegde contactverbod heeft overtreden”

In dit geval was het in het belang van de getuigen om anoniem te blijven
gezien hun angst voor gedaagde. Overigens zijn de overtredingen van het
contactverbod, ook met behulp van die anonieme getuigenverklaringen, betekent
aan gedaagde. Ook hierop kwam geen commentaar

Volledige tekst

Rechters

Vice-president mr. H. van Breda

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 12 april 1988

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Verzoeker is sedert 16 mei 1979 gehuwd met mevrouw Z. en op 23 september
1987 is de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Sinds 1986 woont
verzoeker samen met mevrouw Y., uit deze relatie is op 21 februari 1988 een
kind geboren

Verzoeker wil dit kind graag erkennen, maar de Ambtenaar van de
Burgerlijke Stand heeft bij brief van 18 november 1987 verzoeker meegedeeld
hem niet te kunnen toelaten tot erkenning van dit kind

De rechtbank gelast de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Amsterdam
het register van geboorten aan te vullen met een akte houdende erkenning.
Artikel 224 lid 1 onder b van boek 1 BW moet in dit geval dus als strijdig met
artikel 8 van het EVRM buiten toepassing blijven

Volledige tekst

Rechters

Mrs J.A. Schreeder, voorzitter, C. von Meyenfeldt en M.E. vanZandwijk-Hillebrands, rechters