Brief aan minister Asscher over adviescommissie huishoudelijk personeel (27/1/2013)

Aan de minister van sociale zaken en werkgelegenheid
Mr. Dr. L.F. Asscher
Postbus 90801
2509 LV Den Haag

Leiden, 27 januari 2013

Geachte heer Asscher,

In het dagblad Trouw van 11 januari 2013 zag de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) een positief bericht over de positie van huishoudelijke werkers. Blijkens dit bericht heeft het kabinet op 19 december 2012 met sociale partners afgesproken een commissie in te stellen die gaat adviseren over een mogelijke verbetering van de positie van huishoudelijke werkers en de gevolgen van eventuele ratificatie van ILO verdrag 189 (Domestic Workers Convention).

De VVR is hierover zeer verheugd. Zoals u wellicht bekend is, besteedt de VVR al geruime tijd aandacht aan dit onderwerp. Op basis van uitgebreid (juridisch) onderzoek heeft de VVR in 2010 het boek Een baan als alle andere?! De rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel (Leiden 2010) uitgegeven. De auteurs van dit boek zijn: mr. Eva Cremers-Hartman en drs. Leontine Bijleveld. De VVR brengt dit boek graag onder uw persoonlijke aandacht en voegt het hierbij.

Binnenkort beslist u over de instelling en de samenstelling van genoemde adviescommissie. De VVR stelt u voor om vanwege hun deskundigheid (een van) de auteurs van dit boek te laten deelnemen in deze commissie. Leontine Bijleveld heeft ruime ervaring in het bi- en tripartiete overleg van sociale partners.

Tot slot heeft de VVR nog een belangrijke vraag. In uw brief aan de Tweede Kamer over de uitkomsten van het overleg tussen Kabinet en Stichting van de Arbeid (Kamerstukken II  29544  nr. 425) is niet opgenomen of de commissie ook andere internationale verdragen in zijn advies zal betrekken.

De VVR dringt er bij u op aan dat wel te doen. Zoals weergegeven in deel 4 van het boek Een baan als alle andere?! De rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel, bestaat er strijdigheid van de regeling Dienstverlening aan huis met het door Nederland geratificeerde ILO verdrag 175. Bovendien hebben zowel het CEDAW-Comité als het ESOCUL-Comité de regering inmiddels expliciet opgeroepen om huishoudelijk personeel dezelfde sociale rechten en bescherming toe te kennen als de andere werknemers. Het Comité dat toezicht houdt op de implementatie van ILO-verdragen (CEARC) heeft de regering opnieuw verzocht in de komende regeringsrapportage uit een te zetten hoe de regeling “Dienstverlening aan huis” te rijmen valt met ILO-Verdrag 175.

De algemene reacties die in het verleden hierop door de regering is gegeven voldoet niet. Dat is de reden waarom de VVR een dringend beroep op u doet om deze aspecten in de opdrachtverlening van de adviescommissie op te nemen.

Graag verneemt de VVR uw reactie hierop.

Met vriendelijke groet,

Mr. M.M. van der Burg,
voorzitter

Die toezegging van de SGP is niet genoeg. Mieke van der Burg en Anniek de Ruijter in NRC-Handelsblad 3 december 2012.

Goed dat de SGP nadenkt over vrouwen op de kieslijst. Maar de staat moet ook opletten, stellen Mieke van der Burg en Anniek de Ruijter.

Zou er binnenkort werkelijk een eind komen aan het al jaren durende gevecht tegen de weigering van de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) om vrouwen die dat willen op kieslijsten te plaatsen? De uitspraak van SGP-voorzitter Maarten van Leeuwen eerder deze week doet het vermoeden.

Toch zijn er redenen om te twijfelen. Voormalig minister Spies van Binnenlandse Zaken (CDA) zei afgelopen oktober nog het aan de SGP zelf over te laten „effectieve maatregelen” te nemen. Dat terwijl de Hoge Raad in zijn arrest van 9 april 2010, dat onlangs door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is bevestigd, maatregelen van de Staat had verlangd. Het hoofdbestuur van de SGP gaf minister Spies destijds te kennen dat er „een intern traject is gestart dat moet leiden tot het in overeenstemming brengen van de statuten en reglementen met het geldend recht”. Uiterlijk voor 1 december zou de minister meer over dit traject horen – dat is deze week gebeurd – en in de eerste helft van 2013 volgt besluitvorming hierover binnen de partij.

Natuurlijk is het positief dat er binnen de SGP wordt nagedacht. Maar aangezien de bindende en direct uitvoerbare uitspraak van de Hoge Raad al niet voldoende was voor de SGP om in beweging te komen, is het te voorbarig om het nu helemaal aan de SGP over te laten.

Verder leek minister Spies het voldoende te vinden dat de SGP enkel de statuten en reglementen aanpast. Dit is verrassend omdat al sinds 2006 sprake is van een sekseneutrale formulering in die statuten. De toezegging van de SGP lijkt dan ook geen garantie te bieden op het daadwerkelijk toelaten van vrouwen op kieslijsten voor politieke vertegenwoordigende organen, zoals gemeenteraden en Tweede Kamer. Dit is te meer een probleem omdat de Hoge Raad duidelijk heeft uitgesproken dat – mede op grond van het VN-Vrouwenverdrag – niet alleen de juridische belemmeringen moeten worden opgeheven, maar ook de feitelijke belemmeringen. De Hoge Raad overweegt niet voor niets dat het moet gaan om maatregelen die er echt toe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toekent. Dit veilig stellen is en blijft een verplichting van de Staat die noopt tot wetgeving. Maatregelen van de SGP doen niets af aan deze verplichting.

Nu wordt er vaak beweerd dat de SGP en de vrouwen ervan dit zelf moeten oplossen. Waar bemoeien andere (vrouwen)organisaties zich mee? Deze vrouwen zouden zich helemaal niet verkiesbaar willen stellen. Nog afgezien van het feit dat dit maar ten dele waar is – uit onderzoek blijkt immers dat bijna een derde van de SGP-leden en de helft van de SGP-jongeren het huidige discriminerende vrouwenstandpunt niet deelt – gaat het hier niet om het verplichten van de SGP-vrouwen zich verkiesbaar te stellen. Waar het om gaat is dat alle vrouwen, dus ook de vrouwen binnen de SGP, zich kandidaat moeten kunnen stellen voor een openbaar ambt.

In algemene zin gaat het dus om de verdediging van het passief kiesrecht tegen elke discriminerende inperking, in het belang van ons allemaal. Dit fundamentele recht is onlosmakelijk verbonden met een democratische rechtsstaat, zoals het Europese Hof in haar recente uitspraak heeft benadrukt. Het zou Nederland sieren wanneer dat net als in heel veel andere landen wettelijk geborgd wordt en niet wordt overgelaten aan de interne reglementen van partijen.

© 2012, NRC Handelsblad

Speech Leontine Bijleveld Public meeting about the implementation of the recommendations of the Committee on the Elimination of Discrimination against Women The Hague, 29 November 2012

Thank you Madam chair,

Dear Ms Neubauer and other distinguished guests, MP’s and their assistents, representatives of Ministries, representatives of NGOs.

I am speaking on behalf of the Dutch CEDAW Network, in which women’s rights organisations collaborate with individual gender and women’s rights experts.

The Dutch CEDAW Network coordinates the drafting and the submission of the shadow report on behalf of quite a few other Dutch women human rights organisations and NGOs – hundreds of contact addresses of organisations and committed individuals are in the mailing list.

The Network is monitoring the implementation of the CEDAW Convention in general as well as the Concluding Observations of the CEDAW Committee by the government.

Since January 2010, the constructive dialogue between CEDAW and a huge delegation about the 5th report of the Dutch government a lot of things have happened.
Whether much progress has been achieved with the implementation of the Concluding Observations, however, remains to be seen.
We understood from Ms Neubauer that the Committee was not satisfied with the follow-up report about the implementation with respect to Violence Against Women and trafficking.

So I will give you a more general picture.

Let me start with an anecdote.
The Network did sent the shadow-report to the follow-up report to our contact-person at the ministry of emancipation.
After enquiring whether he indeed had received it, the answer was: yes, and we will use it in the preparation of the next periodical report for CEDAW in 2014.
Thinking about implementation of CEDAW starts at the preparation of the next periodical report, so it seems.

He and his colleagues at the other ministries might be unpleasantly surprised by CEDAW’s last comments.
However, if he had read our shadow-report, which was, as always, evidence based, and shared it with his colleagues at the other ministries, Ms Neubauers message could have been expected.

The good news is that policy-intensification on both trafficking as well as domestic and other violence against women is included in the new coalition agreement.
This means that CEDAW’s recommendations can be immediately implemented in the new policy papers that have to be drawn up by early next year.

Providing additional information to the four recommendations related to violence against women and the four recommendations related to women’s victims of trafficking by July 2013 will be a piece of cake for the present ministry of Security and Justice that has the lead responsibility with regard to policies against Violence against Women and Trafficking.
State-secretary Teeven was invited for today’s meeting. He has sent his apologies as he had to be in parliament at this moment to discuss the Budget of the Ministry.

There is even more good news on the subject: mid November the Dutch government signed the Istanbul Convention – the Council of Europe Convention on prevention and combating violence against women and domestic violence. May the ratification follow soon!

Back to what happened with CEDAW’s other recommendations.
Soon after the publication of the Concluding Observations in February 2010, the coalition government broke up. Elections took place in June 2010.

The outgoing government informed the Parliament in a letter about its opinion on the Concluding Observations after the House went into recess.
According to this letter the new government would have to decide how it would implement some recommendations of CEDAW that actually originated from the consideration of the previous report in 2007 – though this origin was not mentioned in the letter.
For example: the Law on Names, which continues to contravene the basic principle of the Convention regarding equality.
Another example is the discrimination against women by the SGP, the political party that continues to exclude women from the party’s posts.
To update you about this seemingly never-ending story: in April 2010 the Dutch Supreme Court ordered the government to take appropriate measures against this discrimination.
The government did nothing and hid behind the fact that the SGP appealed to the European Court of Human Rights.
Now that the European Court essentially has confirmed the judgement of the Supreme Court, the ball is again at the Ministry of Home Affairs.
The previous Minister expected that the SGP will adapt its internal rules early 2013. This is, however, not enough guarantee that the discrimination will end not only on paper but also in practice. So the new Minister of Home Affairs, has to take measure in order to comply with Convention and with the judgement of the Supreme Court. We have high expectations since in a previous government he was Minister of Emancipation, responsible for the implementation of CEDAW.

Back again to the implementation of CEDAW’s recommendations: the previous outgoing government placed in the letter to the parliament most on the table of the new government. To name only a few:

  • the continuation of the process of strengthening the national machinery for the advancement of women and to systematize assessment of the gender impact of legislation and policies and gender budget analysis among the various ministries.
  • To speed up the appointment of women as professors at the universities, in line with European targets and timetables;

Not all CEDAW’s recommendations had been mentioned in this letter. It negated for instance the recommendation to ensure that women domestic workers are duly provided with full social rights and that they are not deprived of social security and other labour benefits.

The new government, which is in the meantime another previous or outgoing government, did not take any effort to elaborate on the Concluding Observations of CEDAW. Not even on the subjects that had been explicitly placed on its agenda, as I explained earlier.

In a short paper with the outlines of the policies with regard to gay, lesbian and transgender rights as well as women’s rights (Hoofdlijnennotitie Emancipatie) the new Minister (coincidently the same person that signed the letter) limited herself to a general remark: “Het kabinet doet haar voordeel met de aanbevelingen van het Comité, betrekt deze bij de beleidsvorming” – The cabinet will take advantage of the recommendations of CEDAW and will take these into consideration while formulating policies. This attitude is insufficient and not appropriate under international law.

The parliamentary debate about this policy paper (and about eight other papers and reports) early June 2011 was dominated by gay issues – namely whether civil servants could refuse to cooperate with the so-called gay marriage. The parliament condoned the government’s policies to extend the support for gay, lesbian and transgender organisations and activities at the expense of the gender knowledge structure (including women’s rights, cross-cutting issues and diversity).

You might think: what is the point of telling all these procedural shortcomings of previous governments in implementation of CEDAW’s recommendations.
Well: women’s human rights are at stake.
The Netherlands is the State Party to CEDAW and other UN Human Rights Conventions, irrespective of the political colour or status of the government, whether it is outgoing or not is not relevant.

Human rights are universal and indivisible. So are women’s human rights. The Dutch government, irrespective of the parties that constitute the coalition, proclaims this time and time again in the United Nations and elsewhere, abroad.
It is time now to practice at home what we preach.

Though the ministry of Emancipation has the lead in the implementation of CEDAW’s Concluding Observations, many of the issues are the responsibility of other departments.
CEDAW and the Network understand the difficulties for the Minister of Emancipation and her civil servants to ensure that all other departments prioritise CEDAW as much as they do.
We all know the difficulties of gender mainstreaming in practice, despite the agreed commitments and the obligations according to international law.
But that is no excuse for ignoring CEDAW’s recommendations.

The overall picture though, is not as bleak as it might seem to you as listeners up till now.

Take for instance CEDAW’s recommendations with regard to Exploitation of prostitutes.
The Committee urged the State party to carefully conduct a risk assessment of the new law, including from the perspective of privacy, in consultation with concerned groups and relevant organizations before adopting it.
The government ignored this recommendation, but self-organisations of prostitutes, anti-trafficking NGO’s and organisations like the Association of Women and Law, felt encouraged by CEDAW.
In an unprecedented joint lobby-effort they booked results a few weeks ago: the Senate convinced the Minister of Security and Justice to withdraw the bill.

Another positive omen is the coalition agreement of the brand new government.
One paragraph reads as follows: “ Het kabinet bestrijdt alle vormen van onderdrukking van vrouwen.” – “The cabinet fights all forms of oppression of women.”
The similarities in the wording with the Convention on the elimination of all forms of discrimination against women are too strong to be coincidental.
The new Minister questioned in a previous position as MP the government about the implementation of CEDAW with respect to domestic workers in the home care – exactly one of CEDAW’s issues in the last concluding observations that was neglected by the outgoing government.

Whereas previous governments ignored CEDAW’s recommendations with respect to equal pay and women in top-positions both issues are included in the coalition agreement.

Often people and politicians assume that promoting women’s rights requires the allocation of enormous amounts of money, which is impossible in time of crises and budget cuts.

This is a misunderstanding. Implementation of the recommendations with respect to the Law of Names and of the SGP, for instance, does not cost any money.

Research form the former Equal Treatment Commission, now the Netherlands Institute for Human Rights, proved that implementing proper equal pay mechanisms in hospitals could save a considerable amount of personel costs (5 – 10 percent of the total wages expenditure).

The implementation of the recommendation to introduce a consistent scheme for promoting equality in public contracts could have a huge impact with hardly any investment – gender training for public servants.

The motto of the coalition agreement is also promising: building bridges. The Network would like to envisage a bridge towards the NGOs to work jointly to implement the Convention and the recommendations of CEDAW.

And maybe even to co-organise next year or the year after a meeting like today with representatives of the government, NGOs, MP’s and a CEDAW-member, as we proposed earlier to the relevant parties.

Unfortunately the new minister of Emancipation was unable to join us here today, even for a short time. We still hope she will meet Ms Neubauer personally without public.

The good news however is that she started to work on a new policy plan on emancipation, that will be sent to parliament next spring. It is our expectation that ALL CEDAW’s recommendations will be addressed properly in this new plan. Noblesse oblige.

And that this can be included in the 6th periodic report that is due in 2014. With apologies for the delay.

Thank you.

 

 

3 december 2012 – Onvoldoende aanpak huiselijk geweld en te weinig bescherming voor…

Onvoldoende aanpak huiselijk geweld en te weinig bescherming voor slachtoffers van vrouwenhandel

3 december 2012

PERSBERICHT Netwerk VN-Vrouwenverdrag

Onvoldoende aanpak huiselijk geweld en te weinig bescherming voor slachtoffers van vrouwenhandel

Het Nederlandse beleid inzake huiselijk geweld en vrouwenhandel schiet te kort. De regering heeft onvoldoende uitvoering gegeven aan de dwingende aanbevelingen van het Vrouwenrechtencomité. Al in juli 2013 moet gerapporteerd worden welke verbeteringen in gang zijn gezet.
Dit was de boodschap van Violeta Neubauer, lid van het toezichthoudend Comité op het VN-Vrouwenverdrag, op een door het Netwerk VN-Vrouwenverdrag, Vluchtelingen-Organisaties Nederland en de Vereniging voor Vrouw en Recht georganiseerde publieksbijeenkomst in Nieuwspoort in Den Haag op 29 november.

Nederland moet elke vier jaar rapporteren over de uitvoering van het VN-Vrouwenverdrag. Het Verdragscomité heeft in 2010 diverse aanbevelingen ter verbetering geformuleerd en Nederland opgedragen tussentijds, in 2012, te rapporteren over het beleid inzake huiselijk geweld en vrouwenhandel. Dit heeft de Nederlandse regering in maart van dit jaar gedaan (Kamerstuk 28345 nr 123). Onlangs heeft het toezichthoudend Comité van het Vrouwen-verdrag de regeringsrapportage behandeld. Per brief is de regering van de bevindingen op de hoogte gesteld (Brief CEDAW aan Nederlandse regering november 2012).

Violeta Neubauer, lid van het Comité, gaf op de bijeenkomst een toelichting op de conclusies en de betekenis daarvan voor het Nederlandse beleid inzake huiselijk geweld en vrouwenhandel. De (voorgenomen) maatregelen vertonen te weinig samenhang en de formulering van een Nationaal Actieplan tegen Huiselijke Geweld laat veel te lang op zich wachten. Met betrekking tot bestrijding van vrouwenhandel stelt het regeringsbeleid opvangorganisaties onvoldoende in de gelegenheid slachtoffers van mensenhandel (o.a. in vreemdelingendetentie) te identificeren en te begeleiden. Alle slachtoffers moeten bescherming krijgen onafhankelijk van hun bereidheid mee te werken aan opsporing en vervolging van de daders.
Om te voorkomen dat de regering pas bij de volgende periodieke rapportage in 2014 gaat nadenken over uitvoering van de aanbevelingen heeft het Comité besloten tot het ongebruikelijke verzoek om een tweede tussenrapportage.
Het Netwerk VN-Vrouwenverdrag, een samenwerkingsverband van Nederlandse mensen-rechten- en vrouwenorganisaties, heeft de bewindspersonen Veiligheid en Justitie verzocht om nader overleg over de uitvoering van de aanbevelingen inzake huiselijk geweld en vrouwenhandel, waarvan beleidsintensifering is opgenomen in het regeeraccoord.
.
Meer informatie:
VN-Vrouwenverdrag, het verdragscomité en het Netwerk VN-Vrouwenverdrag: Leontine Bijleveld (voorzitter Netwerk VN-Vrouwenverdrag) 0517-579011
Het Nederlandse beleid huiselijk geweld: Nonja Meintser (MOVISIE) – n.meintser@movisie.nl
Het Nederlandse beleid vrouwenhandel: Machteld Busz (Fairwork) – m.busz@fairwork.nu

Uitvoering VN-­Vrouwenverdrag: Geweld tegen Vrouwen en Mensenhandel

Programma publieksbijeenkomst 29 november 2012

Uitvoering VN-Vrouwenverdrag: Geweld tegen Vrouwen en Mensenhandel

Perscentrum Nieuwspoort 29 november 2012 09.30‐12.30 uur

  • 09.30 ­‐ 10.00 inloop met koffie en thee
  • 10.00 – 10.05 Welkomstwoord door Fatma Özgümüş – directeur Vluchtelingen-­‐Organisaties Nederland
  • 10.05 ‐ 10.10 Inleiding en toelichting programma door de dagvoorzitter Domenica Ghidei Biidu -­‐ lid College voor de Rechten van de Mens
  • 10.10 ‐ 10.30 Rapportage beraadslagingen 53e sessie VN-­‐Vrouwenrechtencomité (okt. 2012) door Violeta Neubauer ­‐ lid VN‐Vrouwenrechten Comité
  • 10.30 ‐ 10.45 staatssecretaris Teeven neemt de aanbevelingen van het VN-Vrouwenrechtencomité in ontvangst en ontvouwt de plannen van het nieuwe kabinet over de prioriteiten geweld tegen vrouwen en mensenhandel
  • 10.45 ‐ 11.00 Tussen aanbeveling en actie. Inleiding door Leontine Bijleveld ‐ voorzitter Netwerk VN-­‐Vrouwenverdrag: Hoe geeft Nederland in de praktijk uitvoering aan de aanbevelingen van het VN-­‐Vrouwenrechten Comité.? Wat is tot nu toe gerealiseerd?
  • 11.00 – 12.15 Van aanbeveling naar actie: Paneldebat van Tweede en Eerste Kamerleden met Violeta Neubauer, Machteld Busz (projectleider FairWork) en Hilde de Haan (projectleider Movisie). Ook andere deskundigen in de zaal worden uitgenodigd aan het debat deel te nemen. Vragen die aan de orde komen zijn o.a. Wat gaat er mis bij de implementatie van het VN‐Vrouwenverdrag in het algemeen en specifiek de aanbevelingen van het Comité?
  • 12.15 ‐ 12.25 Samenvatting door de dagvoorzitter
  • 12.25 – 12.30 Afsluiting door Mieke van der Burg, voorzitter van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann N.b. De voertaal van deze bijeenkomst is Engels

Bijeenkomst Werkgroep Sociaal en Europees Recht

1 november 2012

Onderwerp: Vrouwen bij voorkeur: over quota en ander voorkeursbeleid

Datum: donderdag 1 november 2012

Tijd: 18.30 -20.30 (zaal open vanaf 18.00 uur)

Locatie: Hella Haasse-zaal Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) Oosterdokskade 143 1011 DL Amsterdam

Céline Vannieuwenhuysen houdt een lezing over vrouwenquota in de Belgische wetgeving en hoe zich dit verhoudt tot de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Het debat daarna gaat over mogelijkheden voor quota en andere voorkeursmaatregelen in Nederland. Wat kunnen we van België leren? Is het nodig de Nederlandse wetgeving op vergelijkbare manier te wijzigen om zo meer ruimte te creëren voor voorkeursbeleid voor vrouwen?

Céline Vannieuwenhuysen is werkzaam als advocaat. Zij is afgestudeerd aan de Universiteit Antwerpen en schreef een meesterproef met als titel “Vrouwen aan de top. Quota en positieve actie in het Belgisch en Europees geslachtsdiscriminatierecht”.

Aanmelden: Vriendelijk verzoek om uw komst tijdig aan te melden bij: evacremers@xs4all.nl

De OBA is enkele minuten lopen vanaf Amsterdam Centraal Station en bevindt zich aan de linkerkant van het station (als u met uw rug naar het station staat). U loopt voorbij de trams en langs het Double Tree By Hilton hotel. Aan het einde van de Oosterdokskade ziet u de Centrale Bibliotheek. Zie: www.oba.nl

Op deze locatie kunnen we geen broodjes verstrekken; wel wordt gezorgd voor koffie, thee e.d.

Verslag congres

VERSLAG Jaarcongres 11 oktober 2012

Thema: Sekseverschillen in de gezondheidszorg discriminerend?

Het congres wordt geopend door Mieke van der Burg, voorzitter van de VVR. Zij wijst de 30 deelnemers op de bijzondere locatie en zaal die zorgvuldig zijn uitgekozen vanwege het verband met Aletta Jacobs, feministe en de eerste Nederlandse vrouwelijke arts.

Hierna nodigt de congresvoorzitter, Leontine Bijleveld, na een korte introductie van het thema de eerste spreker, Brigit Toebes, uit om het juridisch kader over vrouwen en gezondheidsrechten te behandelen.
Ten eerste zijn mensenrechten universeel, voor iedereen geldend. Hierbij wordt nadruk gelegd op non-discriminatie en op bescherming van kwetsbare groepen. Het recht op gezondheid is een sociaal mensenrecht.
De kernbepaling is neergelegd in art. 12 IVESCR, het overkoepelende EU-Verdrag voor de grondrechten.
Art. 12 VN-Vrouwenverdrag legt de overheid de verplichting op de gezondheid van vrouwen te bevorderen en te beschermen. Het betekent niet recht op een goede gezondheid maar recht op toegang tot passende verantwoorde zorg. Determinanten: beschikbaarheid, toegankelijkheid (betaalbaar, bereikbaar) en goed van kwaliteit (AAAQ).
Het Vrouwenverdrag heeft meerwaarde doordat het de rechten van vrouwen in de publieke en privésfeer voorschrijft en discriminatie en ongelijkheid worden uitgebannen. In het bijzonder zijn artikel 12 lid 1 en lid 2 bepalend met betrekking tot het recht op gezondheid. De staten die partij zijn worden verplicht alle passende maatregelen te nemen om discriminatie van vrouwen op het gebied van de gezondheidszorg uit te bannen. Passende maatregelen zijn dan b.v. wet- en regelgeving, emanciperend beleid. Staten kunnen zich niet onttrekken aan deze bepaling met het argument van economische crisis. Het recht op gezondheid betekent volgens het VN-Vrouwenverdrag dat sekseverschillen in gezondheidstoestand en in maatschappelijke positie steeds in overweging moeten worden genomen bij het vaststellen en uitvoeren van beleid.
Het Vrouwenverdrag heeft bovendien meerwaarde, omdat: 1) het klassieke en sociale rechten bevat, 2) deze nageleefd moeten worden in zowel publieke als de privé-sfeer, 3) zij gelden bij directe en indirecte discriminatie en 4) zorgen voor formele en materiële gelijkheid. Wat betreft directe en indirecte discriminatie: een omstandigheid kan op het eerste gezicht niet discriminerend lijken, maar pakt in de praktijk nadelig uit voor vrouwen. Een voorbeeld is wanneer bij een verzekering voorbehoedsmiddelen niet meer verzekerd worden, waardoor deze voor bepaalde groepen vrouwen onbereikbaar worden.
Bij formele en materiële gelijkheid moet er rekening worden gehouden met verschillen in positie, bijvoorbeeld art. 11 lid 2b over bevallingsverlof met behoud van loon.
Op internationaal niveau is er elke vier jaar een Rapportageprocedure, de regeringsrapportage. De eerstvolgende regeringsrapportage van Nederland wordt verwacht in 2014.
Daarnaast publiceren NGO’s de zogenaamde schaduwrapportage. Het CEDAW gaat in dialoog met het rapporterende land en met de schaduwrapporteurs. Het is gebleken dat schaduwrapportages een gunstige invloed hebben op de kwaliteit van regeringsrapportages.
In twee views van het CEDAW, nl. over Hongarije en Oostenrijk schetst het Comité een kader om discriminatie van vrouwen in de gezondheidszorg tegen te gaan. Wellicht biedt dit kader ook een richting voor Nederland.
Ook is er het Facultatief Protocol met de klachtenprocedure. Wanneer sprake is van discriminatie van vrouwen kan een individuele burger, of een belangengroep, een klachtprocedure tegen de lidstaat aanhangig maken. Dit zijn echter geen bindende uitspraken.
Op nationaal niveau staan ook procedures open en kan een proefproces worden ingezet.

In lid 1 van art. 12 VN-Vrouwenverdrag staat dat de Staten die partij zijn bij dit verdrag, alle passende maatregelen nemen om discriminatie van vrouwen op het gebied van gezondheidszorg uit te bannen. Daarnaast ook verzekeren dat vrouwen, op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen gebruik kunnen maken van medische zorg.
Lid 2 van dit artikel meld dat de aangesloten Staten bij dit verdrag ook passende zo nodig kosteloze dienstverlening in verband met zwangerschap, bevalling en de hierop volgende perioden alsmede passende voeding gedurende de zwangerschap en de tijd waarin zij hun zuigeling voeden.
Het uitgangspunt van dit lid is het waarborgen van deze specifieke toegang.

Een aantal punten die veel besproken worden zijn de kwetsbare groepen, zoals ongedocumenteerden en ouderen. Waar je vandaan komt, bepaalt meestal hoe en of je behandeld wordt. 29% van de illegalen in Nederland krijgen niet de juiste zorg; er worden voornamelijk vrouwen geweigerd of de verkeerde kant op gestuurd.

Een vraag van een van de aanwezigen is of de staat is aan te klagen vanwege het niet vergoeden van tolken en vertalers in de gezondheidszorg. De toegang tot de huisarts e.a. wordt onmogelijk gemaakt, of de vrouw moet zich laten vergezellen door iemand uit haar naaste omgeving, meestal een man, hetzij de echtgenoot, zoon of ander familielid.

Een ander voorbeeld: de zaak van de zwangere zelfstandigen; deze ligt nog bij CEDAW; wel ontvankelijk verklaard. Er is nog geen uitspraak over gedaan.

Leontine geeft hierna het woord aan Toine Lagro-Janssen, hoogleraar aan UMCN. Zij bespreekt met ons genderverschillen bij ziekte en gezondheidsproblemen. Er zijn aantoonbare gezondheidsverschillen tussen mannen en vrouwen. Voor zij hieraan toe komt legt ze een aantal basisbegrippen uit: sekse, sekserollen, gender en genderverschillen. Vroeger gold was er geen sekse of gender en stond ‘de mens’, lees de man model binnen de geneeskunde. Overwegend mannen werden door overwegend mannelijke artsen onderzocht, dus de man was dus ‘’de mens’’.
Aan de hand van twee cases behandelt Lagro-Janssen het verschil tussen een mannelijke en een vrouwelijke patiënt. Er is een klacht van een man van middelbare leeftijd en een klacht van een meisje in de puberteit. Vervolgens toont zij het verschil aan tussen ‘’mannelijke’’ en ‘’vrouwelijk’’ aandoeningen. Vrouwen komen vaak voor anticonceptie, uitslag (huid) etc. Mannen komen vaak voor verwondingen, pijn.

De besmetting door SOA en Aids wordt veel makkelijker overgedragen van een man naar een vrouw dan van vrouw naar man. Daarnaast zijn vrouwen veel meer gaan roken; dit heeft de kans vergroot op hart- en vaatziektes (pijn op de borst). Ook hartritmestoornissen komen meer voor bij vrouwen.
Met een korte instructiefilm voor artsen laat Toine zien hoe een vrouw haar hartklacht presenteert. Vrouwen blijken op grond van onderzoek hun klachten te verbloemen met vage klachten over spanningen vanwege gebeurtenissen als de dood van een familielid. De arts moet door open vragen achterhalen of er een klacht achter de spanningsklacht zit, in dit geval blijkt het een probleem met het hart te zijn. De klachten bij hartfalen zijn anders dan bij mannen en vrouwen reageren anders op medicijnen, zoals aangetoond bij een onderzoek naar een eenvoudig middel als aspirine. Dit blijkt bij vrouwen minder effect te sorteren dan bij mannen. Vrouwen gaan ook anders met hun ziekte om (copinggedrag). Coping wordt ook beïnvloed door andere factoren als culturele achtergrond, leeftijd en opleiding, sociaal-economische status.

Hierna neemt Dr. Marianne Schoevers het woord om te vertellen over de toegang tot de gezondheidszorg voor ongedocumenteerde vrouwen. Dit zijn vrouwen die zonder geldige verblijfsvergunning in ons land verblijven. Meestal hebben zij geen verblijfspapieren omdat ze familie van legale migranten zijn, afgewezen asielzoekers, arbeidsmigranten of slachtoffers van mensenhandel zijn.
Wereldwijd zijn er naar schatting 30 miljoen ongedocumenteerden, waarvan in Nederland ook weer volgens uiteenlopende schattingen: 75.000-185.000. Hiervan zijn 25.000-50.000 vrouwen. Het aantal baby’s die ieder jaar worden geboren ligt tussen 1200-2000, maar exacte cijfers zijn niet bekend. Vrouwen zijn bang dat zij teruggestuurd worden wanneer zij melding maken van een geboorte. Er zijn een aantal factoren die de gezondheidstoestand voor ongedocumenteerde vrouwen verslechteren, zoals: slechte huisvesting, uitbuiting door werkgevers, fysiek en seksueel geweld, prostitutie, afhankelijkheid van mannen, zorg voor kinderen en angst om opgepakt te worden.
Uit het promotieonderzoek van Schoevers onder 100 vrouwen is gebleken dat de gemiddelde leeftijd van de ongedocumenteerde vrouwen 36 jaar is, meestal woonachtig in Nijmegen, Den Bosch, Den Haag, Amsterdam en Rotterdam, van oorsprong afkomstig uit 32 verschillende landen en 73% van deze vrouwen heeft kinderen.
Het is opvallend dat vooral gynaecologische en psychologische klachten nooit spontaan gemeld worden; uit zichzelf melden ze gemiddeld 3 klachten. Onderwerpen zoals zwangerschap, anticonceptie en seksualiteit liggen nogal gevoelig bij deze groep. Het hoogste percentage klachten is het gevolg van geen of een gebrek aan zwangerschapscontroles. Daarnaast zijn abortus, anticonceptie en geslachtsziekten veel voorkomende klachten. Er is echter een opvallend verschil te zien bij het onderwerp seksueel misbruik. Dit wordt niet spontaan gemeld, hoogstwaarschijnlijk doordat vrouwen bij een huisartsbezoek vaak vergezeld worden door een man. Mede hierdoor en door schaamte voelen zij zich niet vrij om hierover te praten. Het abortuspercentage is relatief hoog in vergelijking met de Nederlandse vrouw. Als vrouwen contact hebben met een vrijwilligersorganisatie dan is de kans op contact met een huisarts groter (81 % wel bij organisatie en huisarts bekend tegenover 23 % niet). Marianne schrikt nogal eens van de onwetendheid bij artsen in opleiding. Zij weten niet op grond waarvan zij wel hulp kunnen verlenen aan ongedocumenteerden. Begrippen als zorgplicht en medisch-noodzakelijke behandeling blijken dan categorisch niet begrepen te worden. Zij besteedt daarom aandacht aan dit onderwerp in de huisartsenopleiding, ook aan de mogelijkheden voor vergoeding van de kosten; 80% van het consult kan worden vergoed door CVZ. Maar deze kennis zou in richtlijnen en in de opleidingen en nascholing structureel onder de aandacht gebracht moeten worden. Marianne wijst op de onduidelijkheid rond het begrip ‘medisch-noodzakelijke zorg’. Dit zou beter vervangen kunnen worden door het beter hanteerbare begrip: ‘passende en verantwoorde zorg’. Het recht op gezondheidszorg is niet gegarandeerd voor deze groep vrouwen, zo is overduidelijke de conclusie.
Aanbevelingen: beter en meer onderwijs over gezondheidsrecht, betere opsporing van deze ongedocumenteerde vrouwen en aanbieden van laagdrempelige zorg door (medische) hulpverlening; empowerment en versterken van vrijwilligersorganisaties.
In de discussie hierna over de grootste knelpunten worden de volgende opvallende punten besproken:
• psychische klachten van ongedocumenteerden zijn in het promotieonderzoek opgemerkt als een van de tien meest voorkomende klachten,veel vrouwen lijden aan posttraumatische stress en andere psychiatrische aandoeningen. Hulp wordt o.a. geboden door het Medische opvangproject Ongedocumenteerden te Amsterdam
• Kruispost is een medische post te Amsterdam bezet door vrijwilligers (artsen en verpleegkundigen) die iedereen helpen die geen toegang hebben tot de reguliere zorg. Bij de vrouwen die zich daar melden worden gynaecologische klachten geconstateerd. Er zouden meer van deze centra in Nederland moeten komen.
• Hoopvol is het stijgende aantal vrouwen in de medische opleidingen. De genderspecifieke kennis blijft noodzakelijk om met name vroegtijdig gynaecologische en cardio-vasculaire klachten op te sporen bij vrouwen.
• Nodig zijn meer specifieke centra voor ongedocumenteerde vrouwen.
• Meer en betere voorlichting door vrijwilligersorganisaties, huisartsen en GGD’en over de toegang tot de gezondheidszorg, ook voor ongedocumenteerden.

Brigit Toebes ziet mogelijkheden om op grond van het Vrouwenverdrag Nederland aan te klagen voor schending van art 12 wegens het niet toegankelijk maken van de gezondheidszorg voor ongedocumenteerde vrouwen. Nederland maakt ogenschijnlijk een goede indruk met de regelgeving, maar de praktijk is onvoldoende op orde. Materieel schiet de overheid te kort, ook al is het juridisch geregeld.
Opgemerkt wordt dat het al mis gaat bij de toelating van vrouwelijke vreemdelingen die met geweld en discriminatie in het land van herkomst te maken hebben. Ook hier in Nederland zijn deze vrouwen niet veilig. Ook de positie van slachtoffers (vrouwen en meisjes) van mensenhandel en gedwongen prostitutie moet absoluut worden verbeterd. Het CEDAW heeft dit meerdere keren aan Nederland laten weten in haar Concluding observations.

Gina de Graaff van het Proefprocessenfonds Clara Wichmann stelt voor een proefprocedure tegen de staat te beginnen, aan de hand van een of meer concrete cases. Brigit Toebes merkt op dat een dergelijk proces ook door een belangenorganisatie als collectieve actie ingezet kan worden (b.v. LOS).
Elif Söylemez e.a. stelt voor dat de werkgroep migratierecht in samenwerking met LOS en het proefprocessenfonds dit verder oppakken en uitdenken. Aldus wordt besloten.

Leontine Bijleveld sluit hierna de discussie met enkele concluderende opmerkingen:
• het afschaffen van de vergoeding van tolken levert mogelijk een schending van het recht op toegang tot de gezondheidszorg met name voor ongedocumenteerde vrouwen.
• Eerder is in de schaduwrapportage aandacht besteed aan de gebrekkige toegang tot anti-conceptiemiddelen als de abortuspil. Deze en andere knelpunten zouden geagendeerd moeten worden in de Tweede en Eerste Kamer.

Mieke van der Burg sluit hierna dit zeer boeiende congres af met een dankwoord aan de sprekers, de congresvoorzitter en aan de bestuursleden die de organisatie op zich hebben genomen.