Instantie: Kantonrechter Den Haag, 3 juli 1987

Instantie

Kantonrechter Den Haag

Samenvatting


De kantonrechter kent zowel aan de minderjarige moeder als aan de
meerderjarige vader (met wie de moeder samenwoont) van haar kind de ouderlijke
macht toe

De kantonrechter overweegt dat is voldaan aan de vereisten als genoemd
in het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 1986, nr. 6952, RvdW nr. 62,
behalve de voorwaarde bevoegd tot voogdij, doch vindt dit in casu geen
beletsel

Volledige tekst

Rechters

Mr. A.J.M. de Groot

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 26 juni 1987

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


De vrouw wil de uitkering tot levensonderhoud die de man aan haar
verschuldigd is verhoogd zien. De vrouw voert als gronden voor het verzoek
aan:

1. De rechtbank heeft onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtengang
die tot deze beslissing heeft geleid

2. De vastgestelde bijdrage heeft van de aanvang af niet voldaan aan de
wettelijke maatstaven, omdat de man gelet op het fiscale voordeel zeer wel in
staat moet worden geacht een hogere alimentatie te betalen

3. Voorts zijn de omstandigheden waarin de vrouw verkeert zodanig dat
zij nog steeds behoefte heeft aan alimentatie voor zichzelf (wijziging
limitering)

Het motiveringsgebrek kan de vrouw niet baten

De verhoging van alimentatie moet worden afgewezen, omdat de man gezien
zijn financiele situatie, rekening houdend met de fiscale aspecten, naar de
wettelijke maatstaven niet in staat is aan de vrouw de bijdrage te betalen die
hij op grond van de thans aangevallen beschikking verschuldigd is

De rechtbank is gezien de feiten van oordeel dat de vrouw onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich sinds 1983 zodanig heeft ingezet om
geheel in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien dat dit thans een
voldoende zwaarwegende reden oplevert om wijziging in de limiteringsbeslissing
te brengen

Volledige tekst

Rechters

Mr. F.J.P. Veenhof, rechter, en A.D. Reiling, rechter-plaatsvervanger

Instantie: Hof van Justitie EG, 24 juni 1987

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


B. Clarke werd in april 1983 de toekenning van een niet op
premiebetaling berustend invaliditeitspensioen geweigerd op grond van een
voorwaarde betreffende haar geschiktheid om normale huishoudelijke
werkzaamheden te verrichten, welke voorwaarde niet gold voor mannen.
Bedoeld invaliditeitspensioen werd per 29 november 1984 afgeschaft en
vervangen door een nieuwe uitkering, de “severe disablement allowance”,
waarvoor mannen en vrouwen onder dezelfde voorwaarden in aanmerking komen
Wie in aanmerking kwam voor het vroegere NCIP, komt automatisch in
aanmerking voor de nieuwe uitkering, zonder te moeten aantonen dat hij of zij
aan de nieuwe voorwaarden voldoet. Daaruit volgt dus dat voor het
automatisch recht op de nieuwe uitkering krachtens deze overgangsbepalingen,
dezelfde criteria golden als voor het recht op het vroegere NCIP

Volgens B. Clarke bestendigen de overgangsbepalingen de discriminerende
grondslag voor het recht op het vroegere NCIP, aangezien een automatisch recht
bestaat op de nieuwe uitkering wegens ernstige invaliditeit

De Social Security Commissioner heeft een vraag gesteld die in wezen
ertoe strekt te vernemen of particulieren in een Lid-Staat met een beroep op
artikel 4, lid 1, van de richtlijn kunnen opkomen tegen voortzetting na 22
december 1984 – de in de richtlijn voorgeschreven uiterste datum – van de
gevolgen van een eerdere en met artikel 4, lid 1, onverenigbare nationale
bepaling, en, zo ja, of de betrokken vrouwen vanaf voormelde datum
uitkeringsgerechtigd zijn onder dezelfde voorwaarden als mannen

Artikel 4, lid 1 van de richtlijn kan vanaf 22 december 1984 door
particulieren voor de nationale rechter worden ingeroepen ten einde de
toepassing van iedere met dat artikel strijdige bepaling te beletten

Voorts blijkt uit eerdere arresten van het Hof dat ingevolge artikel 4,
lid 1, van de richtlijn vrouwen vanaf 22 december 1984 recht hebben op
dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in
een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan genoemde
richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader
blijft. In casu betekent dit dat de vrouw eveneens recht had op de nieuwe
invaliditeitsuitkering zonder te moeten voldoen aan een bijkomende voorwaarde
die voor die datum uitsluitend gold voor gehuwde vrouwen

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 juni 1987

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


(Barleus-zaak) De klager heeft zich tot de Commissie gewend met de
klacht dat het door de gemeente B. gevoerde emancipatorisch personeelsbeleid
discriminerend is ten opzichte van mannen. Klager verwijst daarbij naar een
brief van deze gemeente waarin onder andere is opgenomen:

– In het actieprogramma ten behoeve van de uitvoering van het
emancipatorisch personeelsbeleid (zie ook de Nota Een Haar Beter) is een
aantal aktiepunten opgenomen met betrekking tot de werving en selectie van
vrouwen

– Onder dit hoofdstuk onder punt 2.c., is door het College van
Burgemeester en Wethouders geformuleerd, dat ‘in principe alle vrouwen, die
aan de functie-eisen voldoen, uitgenodigd worden voor een
sollicitatiegesprek”

De uitgangspunten bij dit actiepunt is, dat, indien zich tussen de
gegadigden voldoende vrouwen bevinden die op basis van hun sollicitatiebrief
aan de in de advertentie genoemde functie-eisen voldoen, alleen deze vrouwen
uitgenodigd hoeven te worden voor een sollicitatie-gesprek

– Dit komt er derhalve op neer, dat, indien bij de gegadigden ook mannen
zijn die aan de eisen voldoen, deze niet meedoen aan de selectieprocedure, dus
niet voor een gesprek in aanmerking komen”

Er is een uitgebreid onderzoek verricht

Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag bij de behandeling van
de Wet GMV openbare dienst kan een voorkeursbehandeling worden goedgekeurd
wanneer er een ondervertegenwoordiging van mannen/vrouwen aanwezig is. De
voorkeursregeling kan dus zowel ten aanzien van vrouwen als mannen worden
toegepast

Op basis van het uitgevoerde onderzoek is de commissie van oordeel dat
het door de gemeente B. toegepaste wervings-en selectiebeleid voor functies
waarin vrouwen een aanzienlijke achterstand hebben niet in strijd is met
artikel 3 van de Wet GMV

Volledige tekst

Rechters

A.M. Goudsmit (voorzitter), C.J.G. Olde Kalter, J. Gremmee-Schaafsma,J.W. Wesenhagen, I.M. Kiebert

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 17 juni 1987

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Ingevolge afspraak tussen de ouders betreffende de kinderbijslag is de
man gehouden de aan hem uitbetaalde kinderbijslag aan de Raad van Arbeid terug
te betalen om te voorkomen dat de kinderbijslag, die over dezelfde periode aan
de vrouw is uitbetaald, door de Raad van Arbeid van de vrouw wordt
teruggevorderd

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Overwater, Wachter, Bod

Instantie: Hoge Raad, 16 juni 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Art. 242 Sr.; artt. 350 en 430 Sv. Zuivere vrijspraak van
verkrachting

De Hoge Raad legt in dit arrest verband tussen de relatie tussen de
verdachte en de vrouw en het seksuele contact. Bovendien stelt de Hoge Raad
het inzicht van de man in de wil van de vrouw centraal

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Bronkhorst, De Waard, Jeukens, Beekhuis, Keijzer; A-G Leijten

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 12 juni 1987

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Voogdijwijzigingsverzoek van biologische vader die het kind niet heeft
erkend niet-ontvankelijk. Voor ontvankelijkheid van een verzoek gebaseerd op
art. 1:288 BW is noodzakelijk dat tussen de vader en het kind een
familierechtelijke betrekking bestaat.

De gehuwde mevrouw Y krijgt in 1984 een kind uit een buitenhuwelijkse
relatie. Tijdens de echtscheidingsprocedure ontkent haar echtgenoot het
wettige vaderschap. De relatie van de vrouw met de biologische vader eindigt
vrij snel na de geboorte van het kind. In verband met persoonlijke problemen
van de moeder wordt het kind in juni 1985 onder toezicht gesteld. Vlak daarna
wordt de biologische vader benoemd tot toeziend- voogd.

In juli 1986 wordt het kind in een pleeggezin geplaatst. Een paar
maanden daarvoor heeft de vader de Kantonrechter Groningen verzocht hem – in
plaats van de moeder – tot voogd te benoemen over het kind. Hij baseert zijn
verzoek op art. 1:288 BW (verzoek tot voogdijwijziging van de erkenner) en op
art. 1:315 BW (verzoek tot voogdijwijziging van de toeziend voogd).

De kantonrechter oordeelt de man in zijn verzoek gebaseerd op art. 1:288
niet ontvankelijk. Het verzoek gebaseerd op art. 1:315 wordt afgewezen omdat
de situatie waarin de moeder verkeert niet van dien aard is, dat sprake is van
blijvende of tijdelijke ontstentenis van de moeder-voogdes.

De Rechtbank Groningen bekrachtigt de uitspraak van de kantonrechter. In
cassatie vecht de man alleen de niet- ontvankelijkheidsbeslissing aan.

Volledige tekst

Hoge Raad

3. Beoordeling van het middel

3.1. J, de biologische vader van een niet door hem erkend natuurlijk
kind waarover de moeder van rechtswege voogdes is, heeft de kantonrechter
verzocht hem tot voogd te benoemen. De kantonrechter heeft hem
niet-ontvankelijk verklaard ‘voorzover zijn verzoek zou zijn gebaseerd op art.
1:288 BW’. De rechtbank heeft die beschikking bekrachtigd.

Het middel strekt in hoofdzaak ten betoge dat art. 1:288 BW in het licht
van de artt. 8 en 14 EVRM aldus moet worden verstaan, dat voor de
ontvankelijkheid van het in art. 1:288 lid 1 bedoelde verzoek enkel vereist
is, dat de verzoeker daaraan een als gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM aan
te merken betrekking tot het natuurlijke kind ten grondslag legt en dat dus de
biologische vader, tussen wie en zijn kind een dergelijke betrekking bestaat,
in een zodanig verzoek ontvankelijk is. Dit betoog faalt.

3.2 Vooropgesteld moet worden dat krachtens de artt. 1:288 lid 1, in
verband met art. 1:221 en 222 alleen de vader tot wie een natuurlijk kind in
familierechtelijke betrekking staat de kantonrechter kan verzoeken hem tot
voogd te benoemen over dit kind. De eis van een familierechtelijke betrekking
past in het stelsel, zoals zich dat sedert de Wet van 6 febr. 1901, Stb. 62,
in wet en jurisprudentie heeft ontwikkeld, hierop neerkomende dat het gezag
over een minderjarige – of dit nu is de ouderlijke macht of de met deze
gezagsregeling op een lijn te stellen voogdij van een der ouders – in
beginsel toekomt aan de ouders of ouder tot wie het kind in familierechtelijke
betrekking staat.

Deze eis vindt haar rechtvaardiging hierin dat de familierechtelijke
betrekking enerzijds de verwachting wettigt dat de relatie tussen het kind en
de ouder duurzaam zal zijn en anderzijds waarborgt dat het gaat om gevallen
van ouderschap die voldoende scherp kunnen worden omlijnd om deze uit een
oogpunt van over het kind uit te oefenen gezag onder een noemer te brengen
zonder dat de rechtszekerheid in het gedrang komt. De beperking van de
mogelijkheid in art. 1:288 lid 1 tot een voogdijwijziging ten gunste van de
vader tot wie het kind in familierechtelijke betrekking staat – bij welke
regeling de bescherming van het belang van het kind voorop heeft gestaan –
komt niet in strijd met de bepalingen van het EVRM. In art 1:288 lid 1 gaat
het om gevallen waarin bij de beslissing ter zake van de voogdij een keus moet
worden gemaakt tussen de moeder en de – voor wat familierechtelijke
betrekking tot het kind betreft met de moeder op een lijn staande – vader. Het
EVRM dwingt niet ertoe anderen op grond van de enkele omstandigheid dat, zoals
bij de biologische vader het geval is, met het kind een als gezinsleven in de
zin van art. 8 aan te merken betrekking bestaat, op gelijke voet als de vader
tot wie het kind in familierechtelijke betrekking staat ontvankelijk te
oordelen in een voogdijverzoek als bedoeld in art. 1:288 lid 1.

De rechtbank heeft dus terecht beslist als onder 1 is weergegeven,
ongeacht de gronden van haar beslissing. Hierop stuit het middel in al zijn
onderdelen af.

4. Beslissing: de Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Snijders, De Groot, Bloembergen, Haak, Roelvink; A-G Moltmaker

Instantie: Hoge Raad, 12 juni 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


In beginsel zijn vergoedingsrechten tussen in koude uitsluiting gehuwde
echtgenoten slechts nominaal. Uitzonderingen op grond van de eisen van
goede trouw zijn niet totaal uitgesloten.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie – verder te noemen de man – heeft bij exploot van
29 april 1983 eiseres tot cassatie – verder te noemen de vrouw – op
verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem en gevorderd dat
de Rechtbank de vrouw zal veroordelen om het woonhuis te Wijk aan Zee,
gemeente Beverwijk, alsmede de bijbehorende garage binnen twee dagen na
de betekening van het te dezen te wijzen vonnis te verlaten en te
ontruimen met al wie en al wat zich daarin van harentwege bevindt, met
afgifte van de sleutels aan de man. Nadat de vrouw tegen die vordering
verweer had gevoerd en in reconventie had gevorderd de man te veroordelen
om aan de vrouw te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag
van ƒ 153.267,= vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
31 mei 1983 tot aan de dag der algehele voldoening, heeft de Rechtbank bij
vonnis van 27 december 1983 in conventie de vordering toegewezen en het
meer of anders gevorderde afgewezen en in reconventie de man veroordeeeld
aan de vrouw tegen kwijting te betalen een bedrag van ƒ 39.000,=
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 1983 tot
aan de dag der algehele voldoening en het meer of anders gevorderde
afgewezen. Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 24 juni 1985 heeft het Hof het
vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit
arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is
voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot vernietiging van het
bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof
ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Partijen zijn in
1958 in het huwelijk getreden, zulks onder huwelijkse voorwaarden,
inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap. Zij hebben aanvankelijk
gewoond in een aan de vrouw toebehorende woning te Krommenie (de eerste
woning). Deze woning is in 1964 verkocht voor ƒ 39.000,=. Dit bedrag is
geheel gebruikt voor de aankoop in 1964 van de tweede echtelijke woning
te Heemskerk voor een bedrag van ƒ 43.000,=, welke woning bij het
transport eigendom werd van de man die de overige ƒ 4.000,= en de
transportkosten ad ƒ 4.000,= heeft bijgedragen. Deze woning is in 1976
verkocht voor ƒ 169.000,=. In 1976 is vervolgens de derde woning van
partijen te Wijk aan Zee gekocht voor een bedrag van ƒ 220.000,= welk
bedrag werd voldaan uit de opbrengst van de tweede woning, alsmede uit een
hypothecaire geldlening van ƒ 125.000,=. Ook deze woning werd bij het
transport eigendom van de man. Het huwelijk van partijen is op 10
september 1982 door echtscheiding ontbonden. Bij het betreffende
echtscheidingsvonnis werd aan de vrouw het recht toegekend de voormalige
echtelijke woning te Wijk aan Zee nog gedurende zes maanden na de
inschrijving van dit vonnis in de registers van de burgerlijke stand te
blijven bewonen.

In de onderhavige procedure heeft de man, nadat de vrouw deze termijn had
overschreden, in eerste aanleg in conventie ontruiming gevorderd, welke
vordering door de Rechtbank is toegewezen en thans niet meer aan de orde
is. De vrouw heeft in reconventie – voor zover thans nog van belang –
betaling gevorderd van een bedrag van ƒ 153.267,=, zijnde, kort
samengevat, het aandeel in de waardevermeerdering van de tweede en derde
woning, zoals zij dit heeft berekend naar hetgeen zij stelt te hebben
bijgedragen in de koopsommen die voor die woningen zijn betaald, doordat
de aankoop van de tweede woning grotendeels uit de opbrengst van de eerste
en de aankoop van de derde woning grotendeels uit de opbrengst van de
tweede is gefinancierd. De vrouw heeft haar vordering – kort samengevat
– gegrond op onverschuldigde betaling die door de man te kwader trouw zou
zijn ontvangen in de zin van art. 1398 BW, subsidiair op
ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair op de eisen van de goede
trouw die ook bij uitsluiting van elke gemeenschap door echtgenoten jegens
elkaar in acht moet worden genomen.

3.2 De rechtbank heeft de vordering op de subsidiaire grondslag van
ongerechtvaardigde verrijking voor een bedrag van ƒ 39.000,= toegewezen,
doch geoordeeld dat er geen plaats is voor toewijzing van enige vordering
ter zake van waardevermeerdering. Het door de vrouw ingestelde hoger
beroep strekte ertoe om dit laatste oordeel opnieuw aan het oordeel van
het Hof te onderwerpen. Het Hof heeft de betreffende vordering evenmin
toewijsbaar geacht. Daartegen richten zich de verschillende onderdelen van
het middel.

3.3. Voorop moet worden gesteld dat tussen echtgenoten die bij hun
huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten,
vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat de goederen die gedurende het
huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld
van de ander zijn gefinancierd, evenals blijkens de art. 1:95 lid 2, 1:96
lid 2 en 1:127 BW bij een tussen echtgenoten bestaande gemeenschap ook
vergoedingsrechten ten bate en ten laste van deze gemeenschap kunnen
ontstaan. Zodanige rechten strekken, naar strookt met de rechtszekerheid,
in beginsel tot vergoeding van een gelijk bedrag als destijds door de
andere echtgenoot is verschaft, zonder vergoeding van rente, zolang niet
aan de eisen van art. 1286 BW is voldaan, en zonder verrekening van de
waardevermeerdering of waardevermindering die de gefinancierde goederen
bij het einde van het huwelijk wellicht blijken te hebben ondergaan, dit
laatste behoudens de eventuele werking van de eisen van de goede trouw,
die hierna onder 3.4. nog aan de orde komen. In dit stelsel kan een
waardevermeerdering of rente als evenbedoeld evenmin worden gevorderd door
aan die vordering, zoals de vrouw in dit geding heeft gedaan,
onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag
te leggen. Het voorgaande brengt mee dat het eerste onderdeel van het
middel betreffende de primaire grondslag van de vordering faalt en dat de
onderdelen 2-5, die zich richten tegen ’s Hofs behandeling van de
appelgrieven II, IV, V, niet tot cassatie kunnen leiden, voor zover die
behandeling door het Hof is betrokken op de subsidiaire grondslag van de
vordering, gelegen in ongerechtvaardigde verrijking. Nu onderdeel 2 daarop
geheel betrokken is, faalt dit dan ook geheel.

3.4. Tenslotte komt aan de orde de meer subsidiaire grondslag van de
vordering, gelegen in de eisen van de goede trouw. Deze grondslag is door
het Hof behandeld in verband met grief VI. De verwerping van die grief
heeft het Hof in de eerste plaats gegrond op hetgeen het Hof reeds ten
aanzien van de grieven II, IV, en V had overwogen. In dit kader behoeven
de onderdelen 3-5 van het middel derhalve behandeling. Daarbij, en bij de
behandeling van onderdeel 6, dient het volgende tot uitgangspunt te worden
genomen. Zoals hiervoor onder 3.3. is overwogen, strekt een
vergoedingsrecht als daar bedoeld in beginsel tot terugbetaling van een
gelijk bedrag als destijds ten laste van de ene echtgenoot voor de
financiering van het goed op naam van de andere echtgenoot is gebezigd.
Uitzonderingen op grond van de eisen van de goede trouw zijn evenwel niet
geheel uitgesloten. In het bijzonder kan, voor zover voor de onderhavige
zaak van belang, een uitzondering op haar plaats zijn in een geval waarin
de betreffende gelden zijn gebruikt voor de aankoop van de echtelijk
woning en vervolgens door ten tijde van die aankoop niet voorziene
omstandigheden, zoals de ontwikkeling van de Nederlandse onroerend
goed-markt sedert die aankoop, een zo aanzienlijke waardevermeerdering van
die woning heeft plaatsgevonden dat bij gebreke van enige correctie het
gevolg daarvan zou zijn dat bij het uiteengaan van partijen als gevolg van
echtscheiding het evenwicht tussen de vordering van de ene partij tot
terugbetaling van de destijds verschafte, nadien in koopkracht verminderde
geldsom en het uitzonderlijk gunstige resultaat van de belegging daarvan,
dat aan de andere partij ten goede komt, geheel zou zijn verbroken.

Daarbij zal het aankomen op de vraag of de betreffende onvoorziene
omstandigheden van dien aard zijn dat de echtgenoot op wiens naam het huis
staat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten
dat hij met de enkele teruggave van het destijds ter beschikking gestelde
bedrag zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de woning
kan volstaan.

3.5. Onderdeel 3 klaagt er in het licht van het voorgaande terecht over
dat zonder nadere redengeving, niet begrijpelijk is waarom reeds het
enkele feit dat de vrouw in 1964 er in zou hebben toegestemd dat de
grotendeels met een geldbedrag van de vrouw gefinancierde tweede
echtelijke woning in eigendom aan de man zou worden geleverd, meebrengt
‘dat niet valt in te zien op welke grond de vrouw thans jegens de man
aanspraak kan maken boven terugbetaling van dat bedrag ook nog op
….. een aandeel in de waardevermeerdering van die ’tweede’ woning en
daardoor in die van de ‘derde’ woning, nu geen enkel beding van die
strekking tussen hen was gemaakt’. Onderdeel 5 klaagt er voorts terecht
over dat zonder nadere redengeving niet begrijpelijk is het oordeel van
het Hof dat ‘de vrouw de mening heeft doen postvatten, dat zij
tezijnertijd geen andere aanspraak terzake van het door haar te
verschaffen bedrag zou geldend maken dan tot terugbetaling ervan’, nu dit
oordeel berust op de enkele grond dat de vrouw in 1976 bij de aankoop van
de derde woning heeft nagelaten op waardevermeerdering aanspraak te maken
of op dit punt tenminste enig voorbehoud te maken. Daarbij is – zoals het
onderdeel terecht aanstipt – van belang dat het Hof noch heeft vastgesteld
dat de man door dit enkele nalaten van de vrouw in een nadeliger positie
is geraakt, noch ook dat in 1976 tussen partijen al huwelijksmoeilijkheden
bestonden die tot het geldend maken van aanspraken of voorbehouden
aanleiding konden geven.

3.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat ook onderdeel 6 doel treft, voor
zover het erover klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de
goede trouw die tussen (gewezen) echtgenoten betaamt, niet alleen niet
medebrengt, maar zich er ook tegen verzet dat de man na verloop van 18
jaar alsnog een vergoeding voor de bijdrage in de huisvestingskosten van
het voormalige gezin aan de vrouw zou moeten betalen in de vorm van een
aandeel in de waardevermeerdering van de ‘derde’ woning. Dit oordeel
berust immers op een rechtsopvatting die blijkens het onder 3.4.
overwogene in haar algemeenheid onjuist is. De overige klachten van dit
onderdeel falen aangezien zij berusten op feiten die in de feitelijke
instanties niet zijn ingeroepen en niet voor het eerst in cassatie aan de
orde kunnen worden gesteld. Hetzelfde geldt voor onderdeel 4, dat berust
op een voor het eerst in cassatie aan de orde gestelde feitelijke uitleg
van der partijen huwelijkse voorwaarden.

3.7. Het voorgaande brengt mee dat ’s Hofs arrest niet in stand kan
blijven en dat na verwijzing de vordering op de meer subsidiaire
grondslag, uitgaande van het bestaande hoger beroep, opnieuw moet worden
bezien.

4. Beslissing: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Gerechtshof te
Amsterdam van 24 juni 1985; verwijst de zaak naar het Gerechtshof te
‘s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de kosten
van het geding aldus dat elke partij de hare draagt.

Rechters

Mrs. Snijders, Van den Blink, De Groot, Hermans, Boekman; A-GBiegman-Hartogh

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 29 mei 1987

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De wijze van geloofsverkondiging wordt in casu niet beledigend geacht
De grenzen van de vrijheid van meningsuiting worden overschreden als de
geloofsverkondiging zou zijn geschied op een wijze die als beledigend,
derhalve als nodeloos grievend en kwetsend, moet worden gekwalificeerd.

De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van Slooten, Sinia, Dijkstra

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 22 mei 1987

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Hoger beroep van de vrouw tegen het vonnis van de Rechtbank waarbij de
man gelegenheid is gegeven de achterstand in alimentatie in maandelijks
termijnen af te lossen. De vrouw wil dat de man veroordeeld wordt tot
betaling van alle achterstallige vorderingen binnen 14 dagen na de uitspraak
Het Hof verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar beroep omdat
blijkens art. 598g lid 2 Rv geen hoger beroep is toegelaten

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van der Veen, Neleman, Hamaker