Leontine Bijleveld, Samenvatting Views CEDAW deel 2 – oktober 2012

Samenvatting Views van CEDAW deel 2 (18 t/m 32)

Samenvatting Views van CEDAW okt 2012 (in PDF)

door Leontine Bijleveld, vrouwenrechtenspecialist

oktober 2012

Communication No. 19/2008 – M.P.M. Cecilia Kell v. Canada

Datum: 24 februari 2012
Ontvankelijk verklaard: 15 oktober 2010
Betreft: art. 1, 2 (d en e), 14 lid 2 (h), 15 lid 1-4 en 16 lid 1 (h)
Trefwoorden: geweld tegen vrouwen, eigendomsrechten, multiple discriminatie

Indiening klacht: 24 juni 2008
Verzonden naar Staat: 28 augustus 2008
Verweer Staat: 6 januari 2009
Reactie klaagstel: 1 maart 2010
Nader verweer Staat: 13 april 2010 (nog steeds over ontvankelijkheid) en 25 mei 2011
Nadere reactie klaagster: 26 oktober 2011
Nadere reactie Staat: 22 december 2011

De klacht
Klaagster is een Aboriginal vrouw in de North West Territories in Canada, die als Aboriginal in 1991 huisvesting had toegewezen gekregen met haar niet-Aboriginal gewelddadige partner, die zelf geen recht op huisvesting had. Binnen een paar jaar slaagt partner er in klaagsters naam van de eigendomsakte verwijderd te krijgen. Klaagster vluchtte naar een opvangcentrum en startte een procedure bijgestaan door opeenvolgeden advocaten uit gefinancierde rechtshulp. Ex-partner blijft met nieuwe huisgenoot in huis achter, overlijdt en laat huis aan nieuwe huisgenoot. Opeenvolgende en langdurige procedures worden door klaagster verloren.
Staat bepleit niet-ontvankelijkheid op drie gronden en vraagt CEDAW om ontvankelijkheid te beoordelen alvorens op de merites in te gaan:
– situatie dateert van vóór inwerkingtreding en ratificatie OP
– klaagster heeft niet de hele nationale rechtsgang doorlopen
– de klacht is onvoldoende gedocumenteerd

Ontvankelijkheid
CEDAW besluit met één tegenstem tot ontvankelijkheid. Zelfs als aangenomen moest worden dat niet de gehele rechtsgang doorlopen zou zijn, dan was niet waarschijnlijk dat dit voor klaagster een effectieve remedie had opgeleverd.
De claim dateerde inderdaad al van voor ratificatie van het Protocol, maar de effecten duurden voort na die datum en daarom achtte CEDAW de ontvankelijkheid ratione temporis gerechtvaardigd.

De inhoud van de zaak
Na aanvullend verweer van de Staat over de inhoud van de klacht en re- en dupliek acht CEDAW de klacht in meerderheid gegrond. Er is één dissenting opinion, zowel aangaande de ontvankelijkheid als tegen de merites.
De Staat heeft ten onrechte geen adequate bescherming tegen discriminatie geboden en bovendien geen rekening gehouden met intersectionele karakter van de discriminatie. De eigendomsrechten van klaagster zijn geschonden en het valt de Staat ook te verwijten dat de gefinancierde rechtshulp niet adequaat de door klaagster ervaren discriminatie aan de kaak heeft gesteld.
CEDAW doet de aanbeveling om klaagster huisvesting te bieden kwalitatief, qua omvang en locatie vergelijkbaar met de huisvesting die ze was kwijtgeraakt en om klaagster te compenseren voor materiële en morele schade.
CEDAW doet de volgende algemene aanbevelingen:
A. meer Aboriginal vrouwen op te leiden om rechtshulp te verstrekken aan Aboriginal gemeenschappen, in het bijzonder ook inzake huiselijk geweld en eigendomsrechten;
B. de gefinancierde rechtshulp zodanig te veranderen dat Aboriginal vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld effectieve toegang tot het recht hebben.

Canada moet CEDAW’s view breed verspreiden en binnen zes maanden schriftelijk laten weten wat er met de aanbevelingen gebeurt.

Communication No. 20/2008 – Ms. V.K. (repr. by counsel) v. Bulgarije

Datum: 25 juli 2011
Betreft: Art. 1, 2, 5 en 16. Algemene Aanbeveling 19.
Trefwoorden: huiselijk geweld, gebrek aan opvangcapaciteit, huisverbod, echtscheiding

Indiening klacht: 15 oktober 2008
Verzonden naar Staat: 16 december 2008
Verzoek om interim maatregelen: 12 februari 2009
Verweer Staat: 12 juni 2009, zonder te reageren op verzoek tot interim maatregelen.
Herhaald verzoek CEDAW: 16 juni 2009.
Verweer Staat 1 juli 2009: al op 27 september 2007 bescherming geboden. Op dat moment niet meer, maar klaagster kan daar als gevaar dreigt weer om verzoeken. Reactie klaagster/counsel: 8 augustus 2009

De klacht
Klaagster is na jarenlange mishandeling met één kind naar opvang gevlucht. Eerst in Polen, verblijfsplaats vanwege werk echtgenoot, later nadat tweede kind ook opgepikt kon, in Bulgarije. Echtgenoot startte echtscheidingprocedure en claimde voogdij. Klaagster verzoekt via rechtbank om bescherming (opvang en huisverbod), maar krijgt slechts tijdelijke bescherming. Feitenrelaas is gedetailleerd en in de klacht wordt ook verwezen naar de Concluding Observations t.a.v. Bulgarije (1998), met name inzake huiselijk geweld.
Klaagster wil effectieve bescherming voor zichzelf en kinderen, ook in huis en kinderalimentatie. Verder wil ze compensatie voor het fysieke en mentaal kwaad dat haar is gedaan. Klaagster stelt ook algemene eisen: een betere bescherming tegen huiselijk geweld en verbeteringen van de wet.
Ontvankelijkheid
De Staat had slechts betoogd dat de klacht onvoldoende beargumenteerd was en heeft geen beroep gedaan op andere niet-ontvankelijkheids criteria.
CEDAW is het niet met de Staat eens en acht klaagster ontvankelijk.

De inhoud van de zaak
CEDAW vindt dat Bulgarije klaagster geen effectieve bescherming tegen huiselijk geweld heeft geboden en concludeert tot schending van art. 2 (c en e-g), in samenhang met art. 1, art 5 (a) en 16. Het Comité verwijst ook naar Algemene Aanbeveling 19 en stelt uitdrukkelijk dat de verplichtingen voor de Staat niet ophouden bij eigen handelen, maar ook betekenen dat de Staat moet zorgen dat anderen niet discrimineren, of discriminatie en geweld niet bestraffen en dat ze bescherming bieden en compensatie verstrekken.
CEDAW is van oordeel dat de betrokken regionale rechtbank en het gerechtshof de bedreigingen tegen klaagster te lichtzinnig ter zijde heeft geschoven en dat de Staat te weinig opvangplaatsen ter beschikking heeft gesteld.
CEDAW’s aanbeveling richting klaagster luidt dat de Staat haar adequate compensatie moet verschaffen.
Algemene aanbevelingen aan Bulgarije:
A. wijzig die wet die voorschrijft dat een verzoek om bescherming binnen één maand na plaats vinden van de vermeende mishandeling moet zijn gedaan;
B. wijzig die wet ook op het punt van de bewijslast ten gunste van het slachtoffer;
C. zorg voor uitbreiding van de opvangcapaciteit;
D. train rechters en handhavingfunctionarissen aangaande de relevante wetgeving betreffende huiselijk geweld, het VN-Vrouwenverdrag en Algemene Aanbeveling 19.
Tot besluit moet Bulgarije het oordeel van CEDAW vertalen, breed verspreiden en binnen zes maanden schriftelijk laten weten wat er gedaan is met de aanbevelingen.

21 – v. Italië

Behandeling is gestaakt door CEDAW omdat klaagster de zaak ook heeft voorgelegd aan het Europese Mensenrechtenhof.

Communication No. 22/2009 – T.P.F. (vertegenwoordigd door twee NGO’s op het terrein van seksuele en reproductieve rechten) v. Peru

Datum: 17 oktober 2011
Betreft: Art. 1, 2 (c en f), 3, 5, 12 en 16 (e)
Trefwoorden: therapeutische abortus, abortus indicatie bij seksueel geweld

Indiening klacht: 18 juni 2009
Verzonden naar Staat: 20 juli 2009
Verweer Staat inzake ontvankelijkheid: 18 september 2009
Reactie namens klaagster/counsel: 1 februari 2010
Verweer Staat op de inhoud: 20 januari 2010
Reactie namens klaagster: 15 april 2010 en 31 maart 2011 (legal opinion van International Commission of Jurists)

De klacht
Klaagster vertegenwoordigt haar minderjarige dochter, die vanaf haar 11de seksueel misbruikt werd door een man van in de dertig en zwanger raakte op haar 13de. Het slachtoffer probeerde zelfmoord te plegen en raakte daarbij zwaargewond aan haar rug. Een noodzakelijke spoedoperatie werd afgewezen vanwege de zwangerschap en een verzoek om therapeutische abortus vanwege ernstig risico voor de moeder ook. Na een spontane miskraam werd het slachtoffer alsnog geopereerd, maar dat was te laat: ze is blijvend zwaar invalide (verlamd vanaf de nek).

Ontvankelijkheid
De Staat claimt dat de nationale rechtsgang niet uitgeput was, maar klaagster wijst op de onmogelijkheid gezien de tijdsdruk (voor de abortus) enerzijds en het waarschijnlijke tijdsbeslag van een beroep anderzijds. Voorts wijst klaagster op internationale jurisprudentie. CEDAW concludeert tot ontvankelijkheid en reconstrueert daartoe de sequentie van handelingen.

De inhoud van de zaak
CEDAW stelt vast dat er een direct verband is tussen uitstel van de operatie en de zwangerschap. Daarnaast wijst het Comité op een leemte in de Peruviaanse wetgeving sinds de therapeutische abortus werd verbonden.
CEDAW vindt dat klaagster dochter toegang tot medische hulp onterecht is onthouden en vindt dit zeker gezien het seksueel misbruik waaraan ze bloot stond extra kwalijk.
Dat de bescherming van de foetus voorrang kreeg boven de gezondheid van de moeder acht CEDAW een schending van art. 5 (a). Ook schending van de andere artikel acht CEDAW aangetoond, met uitzondering van art. 16.
Aanbevelingen richting slachtoffer: adequate compensatie gezien de ernst van de schendingen opdat ze nog de best mogelijke kwaliteit van leven geniet.
Aan Peru beveelt CEDAW algemene aanbevelingen aan:
A. herziening van wetgeving opdat er toegang tot therapeutisch abortus is;
B. maatregelen om er voor te zorgen dat Algemene Aanbeveling 24 wordt uitgevoerd, inclusief training voor personeel in de gezondheidszorg
C. herziening van wetgeving om abortus mogelijk te maken na verkrachting en/of seksueel misbruik;
D. uitvoering van de Concluding Observations met betrekking tot herziening van de beperking van therapeutisch abortus
Peru moet de uitspraak breed verspreiden en binnen zes maanden schriftelijk laten weten hoe de aanbevelingen uitgevoerd worden.

Follow-up:
CEDAW heeft wel follow-up rapporteurs benoemd, maar er zijn verder nog geen mededelingen over de follow-up gedaan.

Communication No. 23/2009 – Inga Abramova (repr. by counsel) v. Belarus

Datum: 25 juli 2011
Betreft: art. 2 (a,b,d,e en f), art. 3 en art. 5 (a) in samenhang met art. 1
Trefwoorden: vrouwelijke gevangenen, seksuele intimidatie

Indiening klacht: 3 april 2009
Verweer Staat (note verbale): 25 maart 2010
Reactie klaagster: 4 februari 2011 en 17 maart 2011

De klacht
Klaagster is een journaliste en een mensenrechtenactiviste. Ze was opgepakt toen ze posters e.d. verspreidde die opriepen tot een demonstratie en in tijdelijke hechtenis geplaatst. Ze klaagt over (gebrek aan) de gevangenisfaciliteiten, de mannelijke bewakers, slechte gezondheidszorgvoorzieningen, de kou in de cellen en gebrek aan privacy. Ze stelt een onmenselijke en vernederende behandeling te hebben ondergaan.

Ontvankelijkheid
Staat bepleit niet-ontvankelijkheid wegens niet uitputten nationale rechtsgang. Klaagster heeft echter uitvoerig gedocumenteerd welke stappen zij en een parlementslid hadden ondernomen en dit was niet weersproken door de Staat. CEDAW verklaart de klacht ontvankelijk, want voldoende gedocumenteerd en niet in een andere internatonale onderzoeksprocedure betrokken.

De inhoud van de zaak
CEDAW is van oordeel dat de Staat de klacht als zodanig onvoldoende heeft weerlegd, maar slechts algemene informatie over gevangeniswezen, omvang van en voorzieningen in cellen en relevante wetgeving heeft verstrekt. Staat is evenmin ingegaan op vermeende seksediscriminatie. CEDAW wijst er op al in recente Concluding Observations zijn diepe zorg over de onmenselijke behandeling van vrouwelijke activisten tijdens detentie te hebben uitgesproken.
CEDAW refereert voorts niet alleen aan het VN-Vrouwenverdrag en Algemene Aanbeveling 19, maar ook aan andere VN-resoluties en normen betreffende het gevangeniswezen, alsmede aan General Comment No. 28 uit 2000 (gelijke rechten M/V van het Human Rights Committee en het rapport van de Speciale Rapporteur over geweld tegen vrouwen.
CEDAW concludeert dat Staat jegens klaagster haar verplichtingen wat betreft art. 2 en 5 (a) heeft geschonden en beveelt aan genoegdoening te verstrekken aan klaagster inclusief adequate compensatie die in verhouding staat tot de ernst van de schendingen.
Algemeen beveelt CEDAW aan:
A. Maatregelen te treffen die de waardigheid en privacy van vrouwelijke gevangenen en hun fysieke en psychologische veiligheid beschermen in alle detentie complexen, inclusief adequate voorzieningen voor de specifieke hygiënische behoeftes van vrouwen;
B. Vrouwelijke gevangenen toegang te verzekeringen tot gender specifieke gezondheidszorg;
C. Verzekeren dat klachten van vrouwelijke gevangenen over discriminatie, wreedheden en onmenselijke behandeling effectief onderzocht worden, met vervolging en straf voor daders;
D. Waarborgen te verschaffen om vrouwelijke gevangenen te beschermen tegen (gender specifiek) misbruik en er voor te zorgen dat ze bewaakt worden door getrainde vrouwelijke staf
E. Er voor te zorgen dat gevangenispersoneel getraind wordt in de mensenrechten van vrouwelijke gevangenen die voortvloeien uit het Vrouwenverdrag en de VN-regels over behandeling van vrouwelijke gevangenen (Bangkok Rules);
F. Beleid en programma’s te formuleren die waarborgen dat de waardigheid en de fundamentele mensenrechten van vrouwelijke gevangen worden gerespecteerd.
Belarus moet de uitspraak vertalen, breed verspreiden en binnen zes maanden schriftelijk laten weten hoe de aanbevelingen uitgevoerd worden.

Follow-up:
CEDAW heeft wel follow-up rapporteurs benoemd, maar er zijn verder nog geen mededelingen over de follow-up gedaan.

Communication No. 25/2010 – M.P.M. (repr.by counsel) v. Canada

Datum: 24 februari 2012
Betreft: Art. 2 (c en d), 3, 15 en 16
Trefwoorden: huiselijk geweld, asiel

Indiening klacht: 25 maart 2010
Verzonden naar Staat: 4 oktober 2010
Verweer Staat: 6 december 2010
Reactie klaagster/counsel: 16 juni 2011 en 6 juli 2011 (kort en niet ingaand op het verweer van de Staat).

De klacht
Klaagster is een Mexicaanse vrouw die mishandeld werd door haar ex-echtgenoot, een politiefunctionaris. Na een geweldsincident in 2006 besloot ze klachten tegen de ex-echtgenoot in te dienen, de publiciteit te zoeken en daarna met haar zoon naar Canada te vluchten. Ze claimde erkenning als vluchteling als slachtoffer van huiselijk geweld in Mexico. Canada wees verzoek om verblijfsstatus af, ook in beroep. Klaagster stelt dat door haar uit te zetten/te deporteren naar Mexico, zonder de risico’s die ze in Mexico loopt te onderkennen Canada de betreffende artikelen van het VN-Vrouwenverdrag schendt.

Ontvankelijkheid
CEDAW behandelt op verzoek van Staat ontvankelijkheid eerst.
Canada brengt vele argumenten voor niet-ontvankelijkheid naar voren. Als eerste dat elke grond ontbreekt omdat de Staat klaagster niet heeft uitgezet, maar dat zij zelf vrijwillig en op eigen kosten met haar zoon naar Mexico is teruggegaan. Dit argument wordt in de reacties van klaagsters advocaat niet weersproken en evenmin onderbouwt de advocaat zijn stelling dat klaagster zich in zeer moeilijke omstandigheden bevindt in Mexico. Ondanks herhaalde herinneringen volgt geen nader commentaar namens klaagster.
CEDAW oordeelt tot niet-ontvankelijkheid vanwege het feit dat klaagster zelf is teruggegaan, zonder enige uitleg aan het comité. CEDAW vindt het niet nodig om in te gaan op de andere argumenten van de Staat.

Communication No. 26/2010 – Guadalupe Herrera Rivera (repr. by counsel) v. Canada

Datum: 18 oktober 2011
Betreft: schending art. 1, art. 2 (a, b, c en d), art. 5 (a) en art. 24
Trefwoorden: huiselijk geweld, asiel

Indiening klacht: 15 september 2010, interim maatregelen verzocht
Verzoek tot interim maatregelen door CEDAW aan Canada: 4 oktober 2010 (toegewezen door Staat)
Verweer Staat: 6 december 2010
Reactie klaagster: 27 maart 2011

De klacht
Klaagster heeft de Mexicaanse nationaliteit. Ze zegt meer dan twaalf jaar slachtoffer te zijn van huiselijk geweld. Ze vluchtte in 2006 naar Canada met haar echtgenoot en twee kinderen. Asielaanvraag afgewezen begin 2008 – vluchtverhaal niet overtuigend. Beroep aangetekend, maar daarvoor al melding geweldsincident bij politie en toevlucht gezocht in opvangcentrum. Hernieuwde verzoeken tot verblijf met steun vrouwenorganisatie op gegrond van vrees voor dodelijke bedreiging door echtgenoot, resp. humanitaire gronden. Echtgenoot uitgezet naar Mexico begin 2009 en later in dat jaar scheiding uitgesproken. Als argument toegevoegd dat Mexico klaagster niet kan beschermen tegen het dreigende geweld. Beide verzoeken afgewezen, ook in beroep.

Ontvankelijkheid
Staat bepleit niet-ontvankelijkheid omdat klaagster zich eigenlijk tot Mexico had moeten wenden om bescherming tegen gewelddadige echtgenoot te verkrijgen. Staat stelt wel opvang en verblijf te bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld uit ander land, maar dat risico assessment negatief was uitgevallen en dat verzoek daarom was afgewezen. Staat voert ook aan dat klacht over discriminatie onvoldoende onderbouwd was en dat nationale rechtsgang nog niet was uitgeput.
CEDAW honoreert dit laatste argument gemotiveerd.

Communication No. 27/2010 – Zhanna Mukhina v. Italy

Datum: 18 oktober 2011
Betreft: art. 16 (f)
Trefwoorden: voogdij

Indiening klacht: 5 maart 2010

De klacht
Klaagster, die de Russische nationaliteit heeft, werkte als huishoudelijke hulp in Italië voor iemand met Italiaanse nationaliteit. Ze beviel van een kind waarvan de werkgever de vermeende vader was. Die weigerde kind te erkennen en overleed niet veel later. Een paar jaar later verloor klaagster het ouderlijk gezag over haar zoon. Bezwaar en beroep leverden klaagster niets op. Een klacht bij het EVRM is in 2009 niet ontvankelijk verklaard.

Ontvankelijkheid
CEDAW is van oordeel dat klaagster niet of onvoldoende heeft gemotiveerd hoe haar rechten onder art. 16 (f) zijn geschonden en verklaart de klacht daarom niet ontvankelijk.

Communication No. 28/2010 – R.K.B. (repr.by counsel) v. Turkije

Datum 24 februari 2012
Betreft: schending art. 1, 2 (a en c), art. 5 (a), art. 11 lid 1 (a en d)
Trefwoorden: ontslag, seksestereotypes in juridische procedures

Indiening klacht: 14 juli 2009
Verzonden naar Staat: 28 oktober 2010
Verweer Staat: 28 april 2011
Reactie klaagster: 3 juni 2011
Aanvullend verweer Staat: 26 juli 2011 en op 25 oktober 2011 teksten arrest Labour Court en Hof van Cassatie in Turks en Engels

De klacht
Klaagster was op staande voet ontslagen door de kapsalon waar zij werkte omdat een klant over haar zou hebben geklaagd. De manager vroeg haar een verklaring te tekenen dat zij alle rechten had genoten onder bedreiging van het verspreiden van geruchten over vermeende buitenechtelijke escapades. Klaagster tekende niet en stapte naar de rechter. In zijn verweer voerde de werkgever en enige getuigen namens de werkgever aan dat klaagster relaties met de andere sekse in het bedrijf had. Klaagster diende een klacht wegens smaad in bij een andere rechtbank, die werd toegekend. De rechtbank oordeelde dat het ontslag op staande voet onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe, maar honoreerde niet het beroep (en de schadevergoeding van 4 maanden salaris) op seksediscriminatie, waarbij ook het VN-Vrouwenverdrag werd ingebracht. Hoger beroep hiertegen werd zonder opgaaf van redenen afgewezen.
Klaagster stelt schending van art. 2 (a) – rechtbank + hof passen antidiscriminatiewetwetgeving niet toe – en art. 2 (c) – Staat biedt geen bescherming tegen discriminatie. Voorts art. 5 (a) – rechters hanteren seksestereotypes – en art. 11 (a en d).

Ontvankelijkheid
Staat bepleit niet-ontvankelijkheid en stelt anti-discriminatiewetgeving te hebben ingevoerd. Ontslag van klaagster zou niets met seksediscriminatie te maken hebben. Bovendien zou klaagster schending van de betrokken artikelen VN-Vrouwenverdrag onvoldoende gemotiveerd hebben
Klaagster erkent dat innovatieve antidiscriminatie wetgeving door de Staat is ingevoerd, maar stelt dat deze niet uitgevoerd wordt.
CEDAW acht de klacht ontvankelijk, vindt dat klaagster voldoende feiten heeft aangevoerd om klacht op merites te beoordelen.

De inhoud van de zaak
CEDAW bespreekt de argumenten van partijen en de getuigenverklaringen, wijst er op dat de verschuiving van de bewijslast naar de werkgever niet is toegepast en concludeert dat rechtbank en hof ten onrechte niet de door klaagster ondervonden discriminatie in hun oordeel betrokken hebben. De rechtbank hanteerde een te beperkte opvatting van het principe van gelijke behandeling. CEDAW wijst ook op Algemene Aanbeveling 28. Daarnaast stelt CEDAW uitdrukkelijk dat lidstaten niet alleen directe en indirecte discriminatie moeten uitbannen en de positie van vrouwen de facto moeten verbeteren, maar ook genderstereotypen in de samenleving moet aanpakken en dat de rechtbank blijkt geeft van stereotype redeneringen.
Ook de schending van art. 11 (a en d) wordt door CEDAW onderkend.
Aanbevelingen: compensatie voor klaagster conform de Turkse antidiscriminatiewetwetgeving
A. Algemene aanbevelingen:
– maatregelen om er voor te zorgen dat de anti-discriminatiewetgeving wordt toegepast door rechtbanken en andere publieke organen zodat effectieve bescherming van vrouwen tegen discriminatie bij de arbeid plaats heeft.
B. passende en reguliere gender sensitieve training en informatie over het VN-Vrouwenverdrag voor rechters, advocaten en rechtshandhavers om er voor te zorgen dat stereotype vooroordelen en waarden de oordeelsvorming niet beïnvloeden
C. een schriftelijke reactie op deze aanbevelingen binnen zes maanden
Verder zoals gebruikelijk vertaling en brede verspreiding van deze views van CEDAW.

In een individuele opinie scherpt een CEDAW-lid het oordeel aan en geef een andere motivering van schending van art. 11 (a en d): ze wijst op het feit dat een bijna 40-jarige vrouw haar baan verloor, ondanks het oordeel van de rechtbank dat het ontslag onrechtmatig was. Turkije heeft gefaald in het garanderen van de ‘substantive equality’. Pramila Patten is het wel eens met de aanbevelingen van CEDAW.

Communication No. 32/2011, Isatou Jallow (repr. by counsel) – Bulgarije

Datum: 23 juli 2012

Betreft: schending art. 1, 2, 3, 5 en 16 lid 1 (c), (d), (f) en (g)
Trefwoorden: huiselijk geweld, zorgplicht Staat, bescherming tegen huiselijk geweld, informatie in het Engels

Indiening klacht: 15 november 2010
Doorgeleiding naar Staat: 5 mei 2011
Verweer Staat (niet-)ontvankelijkheid: 11 juli 2011
Verweer Staat inhoud: 7 november 2011
Reactie klaagster (ontvankelijkheid + inhoud): 24 november 2011 en aanvullende reactie op 5 januari 2012-10-15
Aanvullend verweer Staat: 27 januari 2012

De klacht
Klaagster komt uit Gambia, waar ze in 2006 een Bulgaarse zakenman ontmoette, waarmee ze in 2007 trouwde toen ze al zwanger was. In 2008 kwam ze met haar dochter naar Bulgarije. Huiselijk en seksueel geweld begon meteen en klaagster zocht herhaaldelijk opvang, maar wist niet hoe ze aangifte moest doen. Echtgenoot weigerde scheiding, claimde voogdij en deed aangifte van huiselijk geweld. Rechtbank vaardigde huisverbod voor klaagster uit, waarna echtgenoot zelf echtscheidingsprocedure begon. Uiteindelijk aanvaarde klaagster echtscheiding onder zeer ongunstige voorwaarden. Wel kreeg ze de voogdij over de dochter die ze acht maanden niet gezien had.
Klaagster stelt dat de genderneutrale formuleringen in de Bulgaarse wetgeving aangaande huiselijk geweld haar hebben benadeeld omdat politie en justitie haar echtgenoot eerder geloofden. Bovendien houdt wet en praktijk geen rekening met analfabete vrouwen die geen Bulgaars machtig zijn en voor verblijfsvergunning afhankelijk van echtgenoot.

Ontvankelijkheid
De Staat bepleit niet-ontvankelijkheid en wijst er op dat klaagster allerlei andere juridische wegen had kunnen bewandelen om meer bescherming te verkrijgen. Voor de gender-neutrale formuleringen verwijst de Staat naar de vereisten van de Europese Unie.
Klaagster stelt dat de Staat in zijn verweer niet op haar situatie ingaat en dat ze in haar zoektocht om hulp telkens geconfronteerd werd met het stereotype antwoord dat vaders gelijke rechten als ouder hebben. Geweld tegen klaagster is niet door de autoriteiten onderzocht. In de aanvullende reactie onderstreepte klaagster dat de wetgeving tegen huiselijk geweld geen rekening hield met slachtoffers met een afhankelijke verblijfsstatus.
CEDAW besluit tot ontvankelijkheid: Staat heeft niet aangetoond hoe andere juridische wegen een effectieve remedie voor klaagster hadden kunnen opleveren. Wettelijke termijnen van door echtgenoot gevoerde procedures bovendien overschreden.

De inhoud van de zaak
CEDAW acht de klacht gegrond. Het Comité onderscheidt verschillende momenten waarop overheidsinstanties niet de bescherming boden aan klaagster die ze hadden moeten bieden door voetstoots af te gaan op de verklaringen van de echtgenoot. Dat klaagster acht maanden geen bezoekrecht bij haar dochter had weegt CEDAW zwaar.
CEDAW beveelt adequate compensaties aan voor klaagster en haar dochter. Aan de Staat doet het Comité algemene aanbevelingen:
1). Tref maatregelen om er voor te zorgen dat slachtoffers van huiselijk geweld, met name migranten vrouwen effectieve toegang hebben tot voorzieningen en bescherming en zorg voor vertaling van relevante documenten. Bovendien moet de Staat er voor zorgen dat de wijze waarop rechtbanken de wet toepassen consistent is met de verplichtingen onder het VN-Vrouwenverdrag.
2). Zorg er voor via wetgeving of anderszins dat bij toewijzen van de voogdij en bezoekrecht van kinderen rekening wordt gehouden met geweldsincidenten.
3). Train politie en justitie en andere hulpverleners op het terrein van geweld tegen vrouwen in de verplichtingen onder het Vrouwenverdrag, Protocol en Algemene Aanbevelingen, met speciaal oog voor multiple discriminatie.
Bulgarije moet binnen zes maanden reageren, de uitspraak vertalen, breed verspreiden en dergelijke.

Leontine Bijleveld, Samenvatting Views CEDAW deel 1 – oktober 2012

Samenvatting Views van CEDAW – deel 1 (tot en met No. 18/2008)

door Leontine Bijleveld, vrouwenrechtenspecialist

Samenvatting Views van CEDAW okt 2012 (in PDF)

1 oktober 2012

Communication No. 1/2003, Ms. B.-J./ v. Duitsland

Datum: 14 juli 2004
Betreft: schending art. 1, 2 (a-f), 3, 5 (a en b) 15 (2) en 16 (1.c.d.g.h.)
Trefwoorden: alimentatie, verdeling vermogensgroei na echtscheiding, verlies verdiencapaciteit door zorgtaken

Indiening klacht: 20 augustus 2002, aanvullende informatie 10 april 2003
Verweer Staat: 26 september 2003
Reactie klaagster, aanvullende reactie Staat en aanvullende reactie klaagster – data onbekend.

De klacht
Klaagster is, op verzoek van haar echtgenoot, na 30 jaar huwelijk in 1999 gescheiden. Ze hebben drie kinderen. De wens van klaagster, van huis uit verpleegster, om na 15 jaar huwelijk haar opleiding te vervolgen, is destijds uitgesteld op verzoek van echtgenoot om hem te steunen.
Ex-echtgenoot betaalde alimentatie tijdens de echtscheidingsprocedure, maar nadien (aanvankelijk) niet – het echtscheidingsrecht kent slechts bepaalde groepen recht op alimentatie toe. Bovendien was er geen overeenstemming over de verdeling van de vermogensgroei tijdens het huwelijk. Klaagster betoogt dat het feit dat het Duitse echtscheidingsrecht geen rekening houdt met verlies aan verdiencapaciteit van de zorgende/niet betaald werkende partner discriminatie is. Ze lijdt nog steeds onder de consequenties van haar onderbedeling (ze heeft nauwelijks inkomen).

Ontvankelijkheid
De Staat bepleit zeer uitvoerig niet-ontvankelijkheid van klaagster op tal van gronden, waaronder dat een individuele klacht geen algemene herziening van het echtscheidingsrecht kan vorderen en dat een procedure tot onverenigbaarheid van een wet met de grondwet binnen een jaar na van kracht worden van die wet aangespannen moet zijn. Deze argumenten werden door CEDAW niet gehonoreerd, andere wel.
CEDAW beslist dat de klacht niet ontvankelijk is op twee gronden: de nationale rechtsmiddelen zijn niet uitgeput ((art. 4 lid 1) en de betwiste feiten vonden plaats voordat het Optioneel Protocol in werking trad en zetten zich niet voort nadien (art. 4 lid 2 (e)).
Twee CEDAW-leden hebben een afwijkende mening: ze vinden dat er wel ontvankelijkheid is voor het onderdeel alimentatie en toedeling vermogensgroei, omdat betrokkene nog steeds onder de effecten lijdt. Daarbij wordt tevens in acht genomen de lange duur van het huwelijk en daarmee de lange duur van de onbetaalde bijdrage van mevrouw aan de carrière van haar man, plus de zeer zwakke positie (daardoor) op de arbeidsmarkt.

Communication No. 2/2003, Ms. A.T. v. Hongarije

Datum: 26 januari 2005
Betreft: schending van art. 2 (a, b en e), 5 (a) en 16 en Algemene Aanbeveling 19.
Trefwoorden: geweld tegen vrouwen, gebrek aan opvangcapaciteit, bescherming tegen geweld, kinderalimentatie

Klacht ingediend: 10 oktober 2003
CEDAW: verzoek om interim maatregelen 20 oktober 2003 + corrigendum 17 november 2003. Deadline state: 20 december 2003
Aanvullende reactie klaagster: 2 januari 2004
Reactie Staat: 20 april 2004
Aanvullende reactie klaagster: 23 juni 2004
CEDAW: note verbale 13 juli 2004
Reactie Staat: 27 augustus 2004

De klacht
Klaagster werd regelmatig ernstig mishandeld en bedreigd door haar (ex-)echtgenoot. Ze kon niet terecht in een opvangvoorziening omdat een van haar twee kinderen ernstig gehandicapt is. Echtgenoot weigerde tevens kinderalimentatie te betalen.
Klaagster heeft een civiele procedure aangespannen over het gebruik van het appartement, zonder succes. Het ziekenhuis heeft strafrechtelijke stappen ondernomen (aangifte gedaan). De Staat heeft geen bescherming tegen de dader geboden.
Klaagster eist genoegdoening voor zichzelf en haar kinderen maar ook interventie van CEDAW in het algemeen wat betreft:
a. invoering van effectieve en onmiddellijke bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld
b. invoering van trainingprogramma’s over gendersensitiviteit en over Vrouwenverdrag voor rechters, politie, OM en advocaten.
c. Beschikbaarheid van gratis rechtsbijstand voor slachtoffers van gender based violence (incl. huiselijk geweld).
Tevens vraagt klaagster om interim maatregelen: bescherming tegen het geweld. CEDAW heeft de gevraagde interim maatregelen toegewezen en een vinger aan de pols gehouden. De Staat en lokale overheid reageerden traag. Uiteindelijk kreeg klaagster wel advocaat toegewezen en werden jeugdzorg en sociaal werk ingeschakeld. CEDAW beoordeelt uiteindelijk de interim maatregelen als onvoldoende (9.5)

Ontvankelijkheid
De Staat stelt dat nationale rechtswegen niet uitgeput waren, maar concludeert niet tot niet-ontvankelijkheid op deze grond. De Staat erkent dat de juridische mogelijkheden niet zouden kunnen leiden tot effectieve bescherming van het slachtoffer tegen mishandeling.
CEDAW oordeelt daarnaast expliciet dat voor zover de rechtswegen niet waren uitgeput aannemelijk is dat deze een onredelijk lange vertraging tot gevolg zouden hebben (art. 4 lid 1 Optioneel Protocol).

De inhoud van de zaak
De Staat stelt dat, mede in reactie op Concluding Observations van CEDAW (augustus 2002), al allerlei maatregelen ter verbetering bestrijding huiselijk geweld in gang zijn gezet.
De effectiviteit van die maatregelen is betwist door klaagster die bovendien stelt dat ze nog steeds geen effectieve bescherming kreeg. Daarnaast stelt ze dat onder het vigerende Hongaarse recht het niet mogelijk is voor slachtoffers het exclusieve recht op gebruik gezamenlijk eigendom (zoals appartement) te verkrijgen.
In tweede termijn geeft de Staat wel toe dat het wettelijke en institutionele kader nog niet voldoende is om effectieve bescherming voor slachtoffers te waarborgen.
CEDAW komt uiteindelijk tot de conclusie dat de Staat in gebreke is gebleven zowel met betrekking tot art. 2 als art. 5 in samenhang met 16. Daarbij wordt uitdrukkelijk ook naar de voorafgaande Concluding Observations verwezen en naar Algemene Aanbevelingen 19 en 21.
CEDAW doet specifieke aanbevelingen om de fysieke en geestelijke integriteit van klaagster en haar kinderen te waarborgen. Voorts om haar veilig onderdak te verschaffen, kinderbijslag en juridische bijstand en om compensatie te verschaffen die proportioneel is ten opzichte van de fysieke en geestelijke schade die ze heeft ondervonden en ten opzichte van de ernst van de schending van haar rechten.
Daarnaast doet CEDAW algemene aanbevelingen aan de Staat om mensenrechten van vrouwen te respecteren en te beschermen, waaronder het recht om gevrijwaard te zijn van alle vormen van huiselijk geweld, intimidatie en bedreiging. Meer concreet beveelt CEDAW aan om slachtoffers bescherming te bieden, waaronder opvangmogelijkheden, gratis juridisch bijstand, spoedige vervolging en hechtenis van daders, rehabilitatieprogramma’s voor slachtoffers en daders, training van rechters en handhavingofficials in CEDAW en onmiddellijk implementatie van de Concluding Observations aangaande geweld tegen vrouwen.

Follow up :
De Staat moest op 3 augustus 2005 rapporteren en deed dat op 5 augustus: de hulpverlening in het algemeen was verbeterd, wetgeving voor straat/huisverboden werd voorbereid, maar specifieke aanbevelingen voor klaagster waren niet uitgevoerd want mevrouw had waar ze recht op had en de rest was een privé-zaak.
Klaagster reageerde op 9 januari 2006 dat huisvestingsproblemen niet waren opgelost, dat er slechts beperkt huisverbod van kracht was en niet gerelateerd aan huiselijk geweld. Dat de wetgeving met betrekking tot definiëring van huiselijk geweld en stalking ontbrak. Verder dat er slechts beperkte hulpverlening voor mishandelde vrouwen bestond en bijna geen samenwerking met NGO’s.
Na een gesprek met de permanente missie van Hongarije bij de VN op 31 mei 2006 en een ‘note verbale’ van CEDAW ter bevestiging hiervan (6 juni 2006) kwam er aanvullende informatie van de Staat op 10 juli 2006. De wetgeving was van kracht geworden – zowel wat betreft gelijke behandeling als wat betreft huiselijk geweld en huisverboden. Er werd een nationale strategie over preventie en hanteren van huiselijk geweld geïmplementeerd. De huisvestingsproblemen van klaagster waren opgelost en ex-echtgenoot betaalde nu alimentatie.
In de 36ste sessie (7-25 augustus 2006) besloot CEDAW dat de follow-up actie voldoende was en dat het beleid aangaande geweld tegen vrouwen onder de reguliere rapportage cyclus verder aan de orde zou komen.

Communication No. 3/2004, Ms. Nguyen v. Staat der Nederlanden

Datum: 14 augustus 2006
Betreft: schending Art. 11, lid 2 (b)
Trefwoorden: zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen, beleidsvrijheid staat sociale zekerheid

Ingediend: 8 december 2003
Verweer Staat: 19 maart 2004
Van reactie klaagster, aanvullende reactie Staat, re- en dupliek geen data bekend.

De klacht
Klaagster werkte in deeltijd als werknemer en daarnaast als meewerkend echtgenote. Tijdens haar zwangerschapsverloven kreeg ze geen zwangerschapsuitkering in de laatste hoedanigheid omdat deze lager was dan de uitkering die ze als werkneemster kreeg. Ze stelt dat art. 11, lid 2 (b) moet betekenen volledige compensatie van verlies aan inkomen tijdens het zwangerschapsverlof.

Ontvankelijkheid
Staat bepleit niet-ontvankelijkheid: het verlof vond plaats voor ratificatie. Wat betreft tweede verlof (na ratificatie): klaagster was nog niet uitgeprocedeerd.
CEDAW vindt de kwestie wel ontvankelijk. Beide verlofperioden mogen in aanmerking genomen worden. Stopzetten van tweede procedure na uitspraak Centrale Raad van Beroep (CRvB) is begrijpelijk, want andere uitspraak door CRvB onwaarschijnlijk. CEDAW constateert dat tweede verlofperiode (deels) na ratificatie lag en dat daarom ontvankelijkheid bestaat.

De inhoud van de zaak
Wat betreft de inhoud wijst de Staat op betekenis woord ‘pay’ – dit zou niet opgaan voor wisselende inkomsten van een zelfstandige. De Staat legt uitvoerig de ratio achter de anti-cumulatiebepaling uit: equivalentie beginsel (en suggereert ten onrechte dat de hoogte van de uitkering samenhangt met de betaalde premie). Wijst er voorts op dat omdat alleen vrouwen een zwangerschapsuitkering kunnen krijgen er geen sprake zou zijn van discriminatie. Verder claimt de Staat discretionaire bevoegdheid over de uitvoering van art. 11 lid 2 (b); dit zou op inspanningsverplichting wijzen, geen resultaatsverplichting. Ook zou dit artikel geen directe werking kennen.

CEDAW oordeelde de zaak niet gegrond: het doel van art. 11 lid 2 (b) is dat alle werkende vrouwen gevrijwaard worden van discriminatie op de grond van zwangerschap en bevalling. Verschillende regimes voor werknemers en zelfstandigen zijn echter toegestaan. Daarnaast is er beleidsvrijheid voor anti-cumulatie – wijzend op de beleidsvrijheid om rekening te houden met fluctuerend inkomen en daaraan gerelateerde premies.
CEDAW is dus mee gegaan in de discutabele redenering over het equivalentie beginsel!

Drie leden hebben een afwijkende opinie: omdat Art. 11 lid 2 niet “Full pay” noemt is er een zekere mate van discretionaire bevoegdheid voor de Staat inzake hoogte van de uitkering. Het anti-cumulatiebeginsel levert geen directe discriminatie op. Ze uiten echter zorg om het effect van het zogenaamde equivalentiebeginsel op deeltijders die daarnaast nog als meewerkende echtgenote werken als ze samen meer uren werken dan voltijds werkende werknemer die wel volledige uitkering krijgt. Mogelijk is hier sprake van indirecte discriminatie. Ze doen de aanbeveling aan de Staat om data verzamelen over aantallen vrouwen in deze situatie en als er inderdaad meer vrouwen worden getroffen de anti-cumulatiebepaling te herzien, de wetgeving waarin de uitkeringsrechten geregeld zijn te amenderen of een nieuwe regeling te maken.

Communication No. 4/2004, Ms. A.S. v. Hongarije

Datum: 14 augustus 2006
Betreft: schending Art. 10 (h), 12 en 16 lid 1 (e)
Trefwoorden: onvrijwillige sterilisatie, informatie over geboortenregeling

Klacht is op 12 februari 2004 ingediend door European Roma Rights Centre en the Legal Defence bureau for National and Ethnic Minorities, namens mevrouw A.S.
Verweer Staat 7 maart 2005
Reactie klaagster 6 mei 2005.
Reactie Staat: 22 juni 2006 (moet waarschijnlijk zijn 2005).
Reactie Klaagster 5 oktober 2005.
Nadere reactie Staat 2 november 2005.
Nadere reactie Klaagster 16 november 2005.

De klacht
Klaagster, moeder van drie kinderen, is onvrijwillig gesteriliseerd door de medische staf van een Hongaars staatsziekenhuis, na spoedopname wegens complicaties bij zwangerschap (dode foetus, verwijderd met keizersnee).
Ze stelt dat gedwongen sterilisatie een ernstige mensenrechtschending is en verwijst naar General Comment 28 over equality of rights M/V van het Human Rights Committee. Ze vindt voort dat art 10 (h)van het Vrouwenverdrag geschonden is want er is geen informatie verstrekt over de sterilisatie en family planning vlak voor de operatie noch in eerder stadium. Ook verwijst ze naar Algemene aanbeveling 21 (over gelijkheid in huwelijk en familierelaties) para 22 (over gedwongen zwangerschap, abortus en sterilisatie). Ze betoogt voorts dat art. 12 geschonden is (verwijzing Algemene Aanbeveling 24, para 20 en 22 – ze niet in staat gesteld tot geïnformeerde keuze voor behandeling), alsmede art. 16 lid 1 (e) wegens verminderde mogelijkheid tot reproductie. Ook verwijst ze naar Algemene Aanbeveling 19 (Geweld tegen vrouwen (para 22 en 24). De gebeurtenis vond plaats voor ratificatie Optioneel Protocol, maar effecten duren voort (art. 4 lid 2 (e)).

Ontvankelijkheid
De Staat doet een beroep op niet-ontvankelijkheid omdat er een specifieke procedure voor herziening van een oordeel bestaat die niet gebruikt is (Art. 4 lid 1) en wijst op mogelijkheid van een hersteloperatie (daarom zou art. 4 lid 2 (e) niet van toepassing zijn).
CEDAW oordeelt dat klacht wel ontvankelijk was en wijst het beroep van de Staat op onderuitputting nationale rechtsgang afgewezen (art. 4 lid 1) – niet alle argumenten van de klaagster zijn weersproken door de Staat. Ook het beroep van de Staat op de datum voorafgaande aan ratificatie afgewezen: de effecten van de sterilisatie duren voort en klaagster heeft overtuigend aangetoond dat de slaagkans van hersteloperaties laag is.

De inhoud van de zaak
De Staat bestrijdt gemotiveerd het beroep op art. 10 en 12. De Hongaarse Public Health Act staat artsen toe om zonder informatieverstrekking te steriliseren als het gezien de omstandigheden nodig is.
CEDAW oordeelt dat klacht gegrond is wat betreft de schending van alle aangehaalde artikelen van de conventie en doet aanbevelingen aan de Staat:
1. geef mevrouw A.S. compensatie
2. Algemeen:
A. zorg er voor dat de relevante artikelen uit het Vrouwenverdrag en de algemene aanbevelingen van CEDAW bekend zijn bij alle relevante medewerkers van publieke en particulieren zorginstellingen;
B. Wijzig de wetgeving die toelaat dat artsen steriliseren zonder informatieverstrekking;
C. Monitor de gezondheidscentra of ze inderdaad wel geïnformeerde toestemming verkrijgen voorafgaande aan de sterilisatie en zorg voor effectieve sancties als dat niet gebeurt.
De Staat moet binnen 6 maanden rapporteren aan CEDAW en CEDAW’s View vertalen in het Hongaars en breed verspreiden.

Follow up :
Hongarije had voor 22 februari 2007 moeten reageren. Pas op 12 april informeerde de Staat CEDAW dat er een interdepartementale werkgroep was opgezet en dat advies was gevraagd over compensatie van klaagster, dat amendering van de wetgeving niet nodig was en dat plannen voor monitoring werden ontwikkeld.
CEDAW’s Follow up rapporteurs hadden gesprek met vertegenwoordiger permanente missie in New York op 5 Juni 2007 en stuurden een dag later een verslag van dat gesprek met het verzoek om aanvullende informatie. Deze werd op 17 juli 2007 ingezonden: compensatie was volgens de Staat niet aan de orde, wijziging van wetgeving niet nodig, informatie was verstrekt aan alle ziekenhuizen en er waren nog enige informatieve activiteiten gepland.
Namens klaagster leverden de ondersteunende centra uitvoerig commentaar (31 juli 2007). Op 25 januari 2008 hadden de follow up rapporteurs een gesprek in
Genève met vertegenwoordigers van de permanente missie, die meldden dat er geconsulteerd werd over de vereiste compensatie. CEDAW stuurde op 31 januari 2008 een note verbale ter bevestiging. Het CEDAW secretariaat is vervolgens opnieuw contact gaan zoeken in juni 2008. Op 15 oktober 2008 volgde een nieuwe ontmoeting tussen rapporteurs en permanente missie: de Staat zou bezig zijn aan wettelijke framewerk voor compensatie. De rapporteurs meldden dat dit ook niet nodig was geacht in enige compensatiekwesties volgend op uitspraken van het EHRM, waarop de Staat om bewijs hiervan vroeg. Dit is geleverd met het verzoek om een update.

Volgens een persbericht van het European Roma Rights Centre d.d. 25 februari 2009 had de staatssecretaris van sociale zaken in antwoord op een mondelinge vraag van parlementariër geantwoord dat het ministerie financiële compensatie zou gaan uitbetalen. De Staat berichtte CEDAW op 20 juli 2009 een bedrag van 5,4 miljoen Forint ( ± € 28.000) te hebben betaald.
Klaagster’s advocaat bevestigde CEDAW op 20 november 2009 inderdaad de compensatie te hebben ontvangen. Daarnaast verwelkomde klaagster het feit dat de Staat belangrijke stappen had gezet om de Hongaarse wetgeving in overeenstemming met internationaal recht te brengen. De Public Health Act was echter nog niet geamendeerd op het punt van sterilisatie als een levensreddende interventie.
Bijna een jaar later besluit CEDAW niettemin het follow up dossier te sluiten.

Communication No. 5/2005 – Sahide Goekce (deceased) v. Oostenrijk

Datum: 6 augustus 2007
Betreft: schending art. 1, 2, 3 en 5
Trefwoorden: geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, plicht tot bescherming van slachtoffers

Klacht is ingediend door twee NGO’s namens de kinderen van de overledene. Het betreft het Vienna Intervention Centre against Domestic Violence en de Association for Women’s Access to Justice. De klacht is tegelijk met Communication No. 6/2005 ingediend op 21 juli 2004, met aanvullende informatie op 22 november 2004 en 10 december 2004
Verweer Staat: 4 mei 2005
Reactie namens klagers: 31 juli 2005
Aanvullende reactie Staat: 21 oktober 2005
CEDAW beslissing ontvankelijkheid: 27 januari 2006
Verzoek Staat tot herziening besluit ontvankelijkheid: 12 juni 2006
Reactie namens klagers: 30 november 2006
Aanvullende reactie Staat: 19 januari 2007

De klacht
De overledene, Sahide Goekce, was een Oostenrijkse burger van Turkse origine. Ze was een cliënt van het Vienna Intervention Centre against Domestic Violence.
Na frequente mishandeling gevolgd door huis- en straatverboden (die niet gehandhaafd werden) is de overledene vermoord door haar echtgenoot. Het OM had (preventieve) hechtenis geweigerd. De politie had geen actie ondernomen na geïnformeerd te zijn dat de man vuurwapengevaarlijk was.
De NGO’s stellen met uitvoerige toelichting dat de artikelen 1, 2, 3 en 5 geschonden zijn omdat de Staat niet actief alle geëigende maatregelen nam om overledene te beschermen. Ze wijzen er op dat Staat onvoldoende de verplichtingen uit Algemene Aanbevelingen 12, 18 en 21 is nagekomen, net als de Concluding Comments van CEDAW (juni 2000), verschillende resoluties van de VN over geweld tegen vrouwen en andere verdragen. De NGO’s vragen specifieke aanbevelingen aan de Staat voor effectievere bescherming van vrouwen, met name migrantenvrouwen en samenwerking van alle niveaus van het justitieel apparaat met relevante NGO’s.
De NGO’s stellen te hebben afgezien van een kostbare procedure tegen de Staat met inzet schadevergoeding voor de nabestaande kinderen omdat ze daarmee overledene niet terug krijgen. Ze willen erkenning dat Staat betere bescherming had moeten bieden.

Ontvankelijkheid
CEDAW verklaart de klacht ontvankelijk in een soort tussenvonnis en acht art. 4 lid 1 (geen of onvoldoende gebruik van nationale rechtsmiddelen) niet van toepassing. Het Comité specificeert dat de te gebruiken nationale rechtsmiddelen wel moeten voorzien in een effectieve remedie tegen de veronderstelde schending van haar rechten. In dit geval dus bescherming tegen de bedreigingen van de (ex-) echtgenoot. De door de Staat aangedragen procedures hadden deze effectieve bescherming niet kunnen bieden.
De Staat vraagt CEDAW om terug te komen op de ontvankelijkheid, maar slaagt daar niet in. Hoewel de NGO’s stellen dat heroverweging van de ontvankelijkheid op grond van nieuwe argumenten door de Staat ongepast is en niet in lijn met het Optioneel Protocol, beziet CEDAW wel opnieuw de ontvankelijkheid. Het Comité komt echter tot dezelfde conclusie Ook de nieuw aangedragen rechtsmiddelen zouden geen effectieve remedie hebben opgeleverd.

De inhoud van de zaak
De Staat ontkent onvoldoende bescherming te hebben geboden en wijst er op dat de overledene onvoldoende meewerkte aan vervolging van (ex-) echtgenoot. Ze had (net haar nabestaande kinderen) andere stappen kunnen ondernemen.
Een en ander wordt even gedetailleerd bestreden door de NGO’s die tevens het feitenrelaas van de Staat corrigeren. Zij wijzen er op dat het wettelijk vereiste van goedkeuring van vervolging van de daders door slachtoffers hen in een gevaarlijke positie brengt. Een slachtoffer is bovendien niet in de positie deze onjuiste wet juridisch ter discussie te stellen: de gewenste verbetering van de wetgeving kan niet op deze wijze tot stand komen.
In tweede instantie gaat de Staat opnieuw uitvoerig in op het vermeende falen van het slachtoffer zichzelf afdoende te beschermen. De betrokken NGO’s ontkrachten dit even gedetailleerd en wijzen bovendien op de tekortkomingen in de communicatie tussen de verschillende justitiële organen, bijvoorbeeld wat betreft informatie over wapenbezit van de dader.

CEDAW acht de klacht gegrond en wijst in een uitvoerige beschouwing op hetgeen het Comité in Algemene Aanbeveling 19 heeft gesteld over de verantwoordelijkheid van de Staat voor preventie van discriminatie of schending van rechten door non-staat actoren. CEDAW onderkent dat de Staat een omvattend model heeft om huiselijke geweld aan te pakken, maar wijst er op dat de individuele vrouwelijk slachtoffer afhankelijk is van de actieve meewerking van alle staat actoren. Dat is in het geval van dit slachtoffer onvoldoende gebeurd door politie en OM. Het Comité verwijst hier ook naar zijn View in 2/2003 (AT v. Hongarije). CEDAW vindt dat de Staat zijn verplichtingen onder art. 2 (a) en (c-f) en onder art. 3 in samenhang met art. 1 van het verdrag en algemene aanbeveling 19 heeft geschonden. De claim dat de Staat ook art. 1 (zelfstandig) en art. 5 heeft geschonden acht CEDAW onvoldoende onderbouwd.
Het Comité beveelt de Staat aan:
A. Versterk implementatie van wetgeving voor bescherming tegen geweld in het gezin en zorg voor sancties waar preventie faalt
B. Vervolg daders snel en doeltreffend zodat overtreders en publiek er van overtuigd raken dat huiselijk geweld maatschappelijk onaanvaardbaar is en dat strafrechtelijke en civiele remedies gebruikt worden in gevallen van ernstige bedreiging. De rechten van daders gaan niet boven de mensenrechten van vrouwen (recht op leven en veiligheid).
C. Verbeter de coördinatie tussen alle actoren in het justitieel apparaat en zorg voor doeltreffende samenwerking met relevante NGO’s.
D. Versterk de trainingprogramma’s inzake huiselijk geweld voor rechters, advocaten en politie en justitie (ook over het Vrouwenverdrag en algemene aanbeveling 19).
De Staat moet over 6 maanden rapporteren. Daarnaast moet het oordeel en de aanbevelingen van CEDAW vertaald worden in het Duits. Zie voor follow up Communcation No. 6/2005.

Communication No. 6/2005 – Fatima Yildirim (deceased) v. Oostenrijk

Datum: 6 augustus 2007
Betreft: schending art. 1, 2, 3 en 5
Trefwoorden: geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, plicht tot bescherming van slachtoffers

Klacht is ingediend door twee NGO’s namens de kinderen van de overledene. Het betreft het Vienna Intervention Centre against Domestic Violence en de Association for Women’s Access to Justice. De klacht is tegelijk met Communication No. 5/2005 ingediend en kent dezelfde data en grotendeels dezelfde inhoud van verweer en aanvullende reacties.
Ook het oordeel van CEDAW – ontvankelijk en gegrond – is gelijkluidend, net als de aanbevelingen aan de Staat.

De inhoud van de zaak
Net als in de vorige zaak was Fatma Yildirim een Oostenrijkse burger van Turkse oorsprong. Anders dan in de vorige zaak had Yildirim 3 kinderen uit een vorig huwelijk, waarvan twee volwassen waren.
De NGO’s volgen grotendeels dezelfde lijn van argumentatie als in de vorige zaak. Verschil is dat nu, net als in de Hongaarse zaak, wordt aangedrongen op interim maatregelen – CEDAW reageerde hier niet op. Een ander verschil is dat het minderjarige kind wel de Staat aansprakelijk heeft gesteld, teneinde geld voor psychologische begeleiding te krijgen. Dit is echter niet toegewezen. De rechter oordeelde dat het OM geen fouten had gemaakt. Dit werd in hoger beroep bevestigd.
Een andere verschil is dat de NGO’s er op wijzen dat de dader voor zijn verblijfsvergunning afhankelijk was van zijn echtgenote en zich daarom tegen de aanstaande echtscheiding te weer stelde. Dit wordt door CEDAW in zijn oordeel betrokken: de potentiële invloed van dit risico had onderkend moeten worden.
Ook hebben ze een latere uitspraak van de minister van justitie in een TV-interview aangehaald, waarin deze erkende dat met de kennis van nu het OM fout had gehandeld door de dader niet tijdig in verzekerde bewaring te stellen.

Follow-up :
De rapportage van de Staat d.d. 14 maart 2008, kwam enige weken na de deadline (20 februari 2008). De Staat informeerde CEDAW over het oprichten van interventiecentra, die over elke politieactie met betrekking tot huiselijk geweld geïnformeerd moeten worden. De Staat stelde aanzienlijk meer middelen ter beschikking van deze centra, die daarnaast samen met de universiteit van Wenen onderzoek deden.
De wetgeving was per 2008 veranderd en verdere verbeteringen werden in het vooruitzicht gesteld. Slachtoffers hebben nu recht op gratis psychosociale en juridische ondersteuning, recht op informatie over (de afloop van) sancties voor de dader. De procesgang is versneld en er waren speciale getrainde officieren van justitie aangesteld. En de training in geweld tegen vrouwen onder de diverse actoren was zeer uitgebreid. Veel informatie was verstrekt over de aanbevelingen van CEDAW, in een onofficiële vertaling. Melding werd gemaakt van een werkgroep en ronde tafel gesprekken voor betere samenwerking met de NGO’s.

CEDAW vroeg de NGO’s die de beide overleden vrouwen had vertegenwoordigd om nader commentaar. Die deden dat uitvoerig en gedetailleerd in een tevoren aangekondigde iets langere termijn dan de twee maanden die CEDAW aanvankelijk had gegeven. Uit dit commentaar werd duidelijk welke maatregelen al in gang waren gezet en welke nog in voorbereidend stadium waren. Tevens zijn suggesties voor verbetering voorgesteld.
In januari 2009 kwam de Staat met een vervolgrapportage en een reactie op de kanttekeningen van de NGO’s, waarop CEDAW besloot dat de dialoog ‘ongoing’ was.
Toen nadien echter bleek dat de NGO’s niet meer hebben gereageerd besloot CEDAW in januari 2010 het follow-up dossier te sluiten. Het Comité was tevreden met de wijze waarop de Staat uitvoering had gegeven aan de aanbevelingen van CEDAW.

Communication No. 7/2005 – Cristina Muños-Vargas y Sainz de Vicuña/Spanje

Datum: 9 augustus 2007
Betreft: schending art. 2 (c) en 2 (f)
Trefwoorden: naamsrecht, vererving adellijke titel

Indiening klacht: 30 juli 2004
Reactie Staat: 4 augustus 2005
Reactie klaagster: 25 oktober 2005
Aanvullende informatie klaagster: 20 juli 2006
Reactie Staat: 3 augustus 2006
Aanvullende reactie klaagster: 8 november 2006
Aanvullende reactie Staat: 16 november 2006

De klacht
Klaagster is oudste kind van graaf, maar erfde titel niet van vader omdat ze een jongere broer had (dood vader 1978, toekenning titel 1980).

Ontvankelijkheid
CEDAW was in meerderheid van oordeel dat de klacht niet ontvankelijk was want de gebeurtenissen vonden plaats voor ratificatie door Spanje van het Vrouwenverdrag en voor ratificatie van het Optioneel protocol (Art. 4 lid 2 (e).
Acht leden vonden klaagster ook niet ontvankelijk, maar om andere reden: overerving van titels valt niet onder Vrouwenverdrag (art. 4 lid 2 (b)). Ze betoogden dat een adellijke titel is puur symbolisch en honorair, heeft geen juridisch of materieel effect en daarom zou de gebeurtenis niet discriminerend zijn.
Eén lid had een andere afwijkende mening: ze vond de klacht wel ontvankelijk en gegrond. Het Vrouwenverdrag strekt zich wel uit tot adellijke titels en de situatie deed zich nog voor nadat verdrag en protocol van kracht werden. Dit lid gaat echter niet zover om toekenning van titel aan te bevelen. Ze hoopt dat klaagster zich voldoende gesteund vindt door het oordeel dat ze inderdaad gediscrimineerd werd.
Klaarblijkelijk was de werkgroep optioneel protocol van CEDAW niet helemaal tevreden met de wijze waarop een en ander zijn beslag had gekregen met betrekking tot deze klacht. Er wordt melding gemaakt van discussie in een volgende bijeenkomst om lessen te trekken uit de ervaringen. Mogelijk had de redenering van het ene CEDAW-lid wel meer navolging gevonden.

Communication No. 8/2005 – Rahime Kayhan/Turkije

Datum: 27 januari 2006
Betreft: schending art. 11
Trefwoorden: ontslag, hoofddoek, seksediscriminatie en godsdienstvrijheid

Indiening klacht: 20 augustus 2004
Doorgestuurd naar Staat: 10 februari 2005
Verweer Staat: 10 mei 2005
Van reactie klaagster en aanvullende reactie Staat zijn geen data bekend.

De klacht
Klaagster is docente godsdienst en ethiek, gehuwd en moeder van drie kinderen. Ze draagt sinds haar 16de een hoofddoek. Ze werkte vanaf 1991 (met hoofddoek) op een staatsschool, waar hoofddoeken verboden zijn. In 2000 zijn procedures tegen haar begonnen over het dragen van de hoofddoek en uiteindelijk is ze ontslagen Klaagster betoogt dat ontslag vanwege het dragen van een hoofddoek alleen vrouwen kan overkomen en dat het schending van haar recht op werk is (art. 11).

Ontvankelijkheid
De Staat bepleit niet-ontvankelijkheid: nog niet alle nationale rechtsmiddelen van klaagster waren uitgeput. Verder wijst de Staat er op dat soortgelijke klacht is behandeld door EHRM (uitspraak: geen schending van art. 9 – vrijheid van denken, geweten en religie – en dus geen noodzaak schending andere artikelen te onderzoeken). De Staat wijst ook op datum: het incident vond plaats voor ratificatie van het Optioneel Protocol. Als laatste wijst Staat er op dat kledingvoorschriften voor beide seksen gelden.
CEDAW vindt dat klaagster inderdaad niet ontvankelijk is, echter niet vanwege het feit dat een soortgelijke zaak bij EHMR is voorgelegd (art. 4 lid 2 (a)) of vanwege het feit dat het ontslag plaats vond vóór ratificatie (art. 4 lid 2 (e)), want effect duurt voort.
CEDAW wijst er op dat de nationale rechtsmiddelen nog niet uitgeput zijn (art. 4 lid 1): in de eerdere procedures in Turkije heeft klaagster zich niet beroepen op sekse-discriminatie (en dus niet op het Vrouwenverdrag). Dat moet klaagster eerst doen en als de gehele nationale rechtsgang doorlopen is kan de kwestie aan CEDAW worden voorgelegd.

9/2005 Haroetjoenian v. Staat der Nederlanden

Niet voortgezet wegens gebrek aan belang. Klaagster kreeg verblijfsvergunning.

Communication No. 10/2005 – Ms. N.S.F./Verenigd Koninkrijk

Datum: 30 mei 2007
Betreft: schending art. 2 en 3 (niet door klaagster naar voren gebracht, maar het vermoeden van schending van deze artikelen is door CEDAW geopperd).
Trefwoorden: geweld tegen vrouwen, vlucht wegens angst voor huiselijk geweld, asiel, verblijfsvergunning

Klacht ingediend: 21 september 2005, met aanvullende informatie op 16 oktober 2005 en 2 december 2005.
Doorgestuurd naar Staat: 8 maart 2006
Reactie Staat: 5 mei 2006
Reactie klaagster: 25 juli 2006
Aanvullende reactie Staat: 11 september 2006 (geen inhoudelijke reactie).

De klacht
Klaagster is een asielzoekster uit Pakistan, die ook namens haar twee zoons klaagt. Haar ex-man mishandelde haar, daarom moest ze met haar zoons vluchten van de ene plaats naar de andere. De politie bood geen bescherming. Nadat ex-echtgenoot met trawanten klaagster met wapens bedreigde besloot ze te vluchten naar het Verenigd Koninkrijk (via Egypte). Haar asielaanvraag werd afgewezen, ook in beroep, evenals haar verzoek tot verblijf uit humanitaire overwegingen.
Klaagster heeft volgens de Staat vóór finale afwijzing identieke zaak voorgelegd bij het Europese Mensenrechtenhof (EHMR) – hetgeen ze overigens ontkent – maar die is niet ontvankelijk bevonden.

Ontvankelijkheid
De Staat bepleit niet-ontvankelijkheid, want klaagster heeft de vermeende sekse-discriminatie en de strijdigheid met het Vrouwenverdrag niet in de procedures in de nationale rechtsgang naar voren gebracht. Andere argumenten van de Staat voor niet-ontvankelijkheid betreffen het feit dat beroep (in de humanitaire zaak) nog steeds mogelijk was.
CEDAW wijst er op dat deze klacht gaat over het issue van vrouwen die het land ontvluchten wegens vrees voor huiselijk geweld. Dat CEDAW in Algemene Aanbeveling 19 (geweld tegen vrouwen) heeft gesteld dat dit onder art. 1 van het valt. Aangezien klaagster zich echter niet op sekse-discriminatie (en op het Vrouwenverdrag) heeft beroepen in de nationale rechtsgang terwijl dat wel mogelijk was concludeert CEDAW echter wel tot niet-ontvankelijk wegens art. 4 lid 1 (niet uitputting nationale rechtsgang).

Communication No. 11/2006 – Ms Constance Ragan Salgado v. Verenigd Koninkrijk

Datum: 22 januari 2007
Betreft: art. 1, 2 (f) en 9 lid 2.
Trefwoorden: overdracht nationaliteit op kinderen

Klacht ingediend 11 april 2005.
Reactie Staat: 13 april 2006
Reactie klaagster: 29 mei 2006
Aanvullende reactie Staat: 21 juli 2006
Aanvullende reactie klaagster: 9 augustus 2006

De klacht
Klaagster heeft Verenigd Koninkrijk in 1954 verlaten om bij haar Columbiaanse echtgenoot in Columbia te gaan wonen. Haar in 1954 geboren zoon kreeg niet de Britse nationaliteit, terwijl een jongere zoon die wel kreeg na gewijzigde (reparatie) wetgeving in het VK.

Ontvankelijkheid
De Staat bepleit niet-ontvankelijkheid op basis van diverse argumenten in een uitvoerig betoog. De Staat wijst onder meer op de wetgeving die gewijzigd is voordat zij het Vrouwenverdrag ratificeerde (en ver voor ratificatie van het Optioneel Protocol). Die wetgeving kende rechten toe aan alle kinderen van Britse moeders die op moment van aankondiging van de wetswijziging minderjarig waren.
CEDAW concludeert inderdaad tot niet-ontvankelijkheid, op verschillende gronden. Klaagster is naar het oordeel van CEDAW geen slachtoffer: art. 4 lid 2 (e) is van toepassing omdat de discriminatie van de klaagster stopte op het moment dat haar oudste zoon meerderjarig werd – ruim vóór de datum van ratificatie. In het algemeen stopte de discriminatie met de aankondiging van de nieuwe wetgeving, ruim vóór het optioneel protocol. Daarnaast wijst CEDAW er op dat ook niet-ontvankelijkheid voortvloeit uit art. 4 lid 1, omdat niet is gebleken dat de klaagster ter zake ooit procedures tegen het Verenigd Koninkrijk heeft gevoerd en daarmee is de nationale rechtsgang niet uitgeput.

Communication No. 12/2007 – G.D. and S.F. v. Frankrijk

Datum: 4 augustus 2009
Betreft: art. 16, lid 1 (g)
Trefwoorden: naamsrecht, overdracht familienaam door vader en/of moeder

Datum indiening: 26 mei 2006
Voorgelegd aan Staat: 24 april 2007
Verweer Staat: 22 juni 2007
Reactie klaagsters: 19 augustus 2007
Nadere reactie Staat: 24 oktober 2007
Aanvullende informatie klaagsters: 16 oktober 2008
Interim beslissing CEDAW – uitnodiging te reageren op relatie art. 2, 5 en 16 (1) – 42ste sessie (20 oktober – 7 november 2007)
Reactie klaagster: 16 januari 2009
Reactie Staat: 24 april 2009

De klacht
Klaagsters worden vertegenwoordigd door een NGO: de Groupe d’Intérêt pour le Matronyme. Klaagster G.D. (28 jaar) heeft bij haar geboorte haar vaders achternaam gekregen. Haar ouders zijn gescheiden toen klaagster nog jong was. Er was sprake van geweld door de vader. Klaagster is geheel door haar moeder en moeders familie opgevoed en heeft geen contact met vader of zijn familie. Ze heeft altijd moeders familienaam gebruikt, maar staat officieel te boek onder de naam van de vader. Volgens de Franse wet is het mogelijk beide namen tegelijk te gebruiken. Dat doet ze dan ook, maar ze wenst alleen de naam van de moeder te dragen. Tweede klaagster S.F. (39 jaar) heeft een vergelijkbare geschiedenis en wenst ook alleen de naam van de moeder te gebruiken. Klaagsters vinden dat ze slachtoffer zijn van discriminatie, omdat het vrouwen niet was toegestaan op gelijke voet als mannen een familienaam te kiezen en over te dragen op hun kinderen. Per 2005 is de wet gewijzigd. Maar wie vóór dat jaar geboren is kan niet de naam van de moeder krijgen. Klaagsters beroepen zich ook nog op resoluties van de Raad van Europa en het EVRM.
Klaagsters onderkennen dat Frankrijk een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van art. 16 lid 1 (g) maar wijzen er op dat CEDAW in de meest recente Concluding Comments daarop heeft gereageerd. Wat betreft de uitputting van nationale rechtsmiddelen wijzen klaagsters er op dat de rechtsgang extreem lang duurt (tenminste 10 jaar) en een hele lage slaagkans heeft (onder verwijzing naar cijfers ter zake).

Ontvankelijkheid
De Staat bepleit niet-ontvankelijk vanwege het voorbehoud dat zij bij ratificatie van het Vrouwenverdrag maakte ten aanzien van art. 16 lid 1 (g) en acht klaagsters geen slachtoffers in de zin van art. 2 van het Optioneel Protocol. De Staat verwijst voorts naar Algemene Aanbeveling 21. Klaagsters zijn ongehuwd en hebben geen kinderen om hun naam aan door te geven. Het is geen seksediscriminatie van klaagsters dat ze hun vaders naam dragen. De Staat wijst er ook op dat de kwestie in de reguliere rapportagecyclus niet aan de orde is geweest.
Klaagsters brengen in een nadere reactie naar voren dat art. 16 lid 1 (g) breed geïnterpreteerd moet worden: alle leden van een gezin vallen er onder, niet alleen maar echtgenoten. De Franse wet is discriminatoir t.o.v. vrouwen en deze discriminatie treft zowel jongens als meisjes. Ze wijzen er op dat ook de gewijzigde wet nog discriminatoir is omdat in geval van verschil van mening de vader tegen de wil van de moeder het kind zijn naam kan geven. Op dit laatste gaat de Staat in een nadere reactie uitvoerig in, onder verwijzing naar het VN Kinderrechtenverdrag en het VN verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten en een uitspraak van het EHRM.
De Staat wijst ook op het feit dat klaagsters niet de gehele nationale rechtsgang hebben doorlopen.

CEDAW vraagt in een interim beslissing een nadere reactie van partijen op de verhouding tot art. 2, 5 en 16 lid 1 als geheel. Dit levert geen nieuwe argumenten op van de kant van klaagsters. De Staat tekent bezwaar aan tegen deze verbreding naar artikelen, waar zij geen voorbehoud heeft gemaakt, en heeft een uitvoerig betoog over de lex specialis. De Staat wijst er voorts op dat klaagsters onder art. 2 geen slachtoffer zijn van discriminatie.
CEDAW besluit inderdaad beoordeling te beperken tot art. 16 lid 1 (g). Het Comité is het eens met klaagsters dat de Franse wetgeving nog steeds discriminatoir is omdat het vaders een vetorecht geeft. CEDAW wijst ook op de negatieve impact op burgers geboren voor 2005 en herhaalt in dit opzicht zijn zorgen en aanbevelingen uit de Concluding Observations in 41ste sessie.
CEDAW uit ook zorgen over de langdurige procedure tot naamswijziging en zware eisen die gesteld worden. Daarom honoreert het Comité niet het bezwaar van de Staat dat de nationale rechtsgang nog niet was uitgeput.
In uitvoerige overwegingen besluit CEDAW echter dat klaagsters, zelfs met een brede interpretatie van art. 16 lid 1 (g), geen slachtoffer zijn van seksediscriminatie. Zij hebben de naam van hun vader gekregen onafhankelijk van hun eigen sekse. CEDAW erkent dat de moeder van de klaagsters succesvol hadden kunnen claimen slachtoffer te zijn. De klacht van de kinderen zelf wordt niet ontvankelijk verklaard, omdat ze geen slachtoffer zijn in de zin van art. 2 van het Optioneel Protocol.
Wel formuleert CEDAW uitdrukkelijk empathie met beide klaagsters die lijden onder de onmogelijkheid hun moeders naam te gebruiken. Het Comité sympathiseert met klaagsters vanwege de langdurige kostbare en vergeefse procedures.

Zes leden formeerden een uitvoerige afwijkende opinie: zij vinden de klacht wel ontvankelijk en zijn van mening dat de klaagsters slachtoffer zijn van discriminatie door de Staat onder de artikelen 2, 5 en 16 lid 1. Zij vinden dat de artikelen van het Vrouwenverdrag gelijke behandeling vereisen van de familienamen van mannen en vrouwen inclusief overdracht op kinderen. Zij achten klaagsters indirect slachtoffers van seksediscriminatie.
Zij onderschrijven het oordeel van CEDAW wat betreft de langdurige nationale rechtsgang. Ze zijn met klaagsters van oordeel dat de huidige Franse wet nog discriminerend is, maar achten dat niet relevant voor de voorliggende klacht. Wel onderschrijven ze CEDAW’s aanbeveling ter zake.

Communication No. 13/2007 – SOS Sexisme namens 7 vrouwen v. Frankrijk

Datum: 4 augustus 2009
Betreft: door klaagsters niet nader gespecificeerde artikelen. Later in de procedure noemen ze art. 2 (f).
Trefwoorden: naamsrecht, overdracht naam aan kind door vader en/of moeder

Datum indiening: 6 juli 2006
Verweer Staat: 25 mei 2007
Nadere reactie klaagsters: 12 juni 2007
Interim beslissing CEDAW – uitnodiging te reageren op relatie art. 2, 5 en 16 (1) – 42ste sessie (20 oktober – 7 november 2007)
Nadere reactie klaagsters: 12 januari 2009
Nadere reactie Staat: 24 april 2009

De klacht
SOS Sexisme vertegenwoordigt zeven Franse klaagsters – vijf met en twee zonder kinderen. De laatsten zijn ongehuwd; ze stellen kinderloos te zijn gebleven omdat zij hun eigen naam niet konden overdragen op hun kinderen. De andere vijf hebben allemaal, merendeels volwassen, kinderen en klagen dat zij hun naam volgens de nieuwe Franse wetgeving (ingaande per 2005) toch niet kunnen overdragen op hun kinderen omdat die kinderen te oud zijn. Drie klaagsters willen bovendien hun moeders naam hebben, maar die procedure zou volgens het Ministerie van Justitie niet succesvol zijn.
Klaagsters stellen dat de nieuwe Franse wet discriminatoir is omdat het vaders een vetorecht geeft, omdat als ouders niets specificeren de naam van de vader aan het kind gegeven wordt en omdat als voor beide namen gekozen wordt deze niet aan de volgende generatie doorgegeven kan worden. De meeste klaagsters hadden samen met anderen de zaak ook voorgelegd aan het EHRM, maar waren grotendeels niet ontvankelijk verklaard – gebrek aan belang (geen kinderen, geen huwelijk), resp. nationale rechtsgang niet (uitputtend) gevolgd. Wat dit laatste betreft wijzen klaagsters op de extreem lange duur van de procedure (onder verwijzing naar een uitspraak van het EHRM) en ook op het feit dat in een vergelijkbare zaak het verzoek is afgewezen omdat het slechts op emotionele gronden gedaan zou zijn. Overigens was de nieuwe wet nog niet van kracht ten tijde van die EVRM-procedures.

Ontvankelijkheid
Het uitvoerige verweer van de Staat is vergelijkbaar met de vorige klacht: een pleidooi voor niet-ontvankelijk vanwege het voorbehoud art. 16 lid 1 (g), een deel van de klaagsters is geen slachtoffer in de zin van art. 2 OP. De Staat bepleit voorts niet ontvankelijk vanwege niet het feit dat klaagsters niet de gehele nationale rechtsgang doorlopen hebben, ze betwist dat die onredelijk lang is en verwijst in dit kader naar uitspraken van het EHRM. De Staat verwijst verder naar Communication 11/2006: discriminatie eindigt op moment dat kinderen meerderjarig worden. Die data lagen bij de meeste kinderen vóór in werking treden Optioneel Protocol voor Frankrijk. Voor zover er wel minderjarige kinderen zijn is niet aannemelijk gemaakt dat die instemmen met naamswijziging.
Klaagsters reageren in algemene zin over de schending van art. 2, 5 en 16, met een historisch betoog en een uiteenzetting over het patriarchale karakter van hun conservatieve staat.
Het uitvoerige aanvullend verweer van de Staat is vergelijkbaar met dat in de vorige klachtprocedure.

CEDAW is het eens met de Staat dat de klaagsters die geen kinderen hebben en ongehuwd zijn geen slachtoffers zijn en verklaart hen niet ontvankelijk. Uitdrukkelijk vermeldt CEDAW wel dat ze het eens zijn met klaagsters dat de nieuwe Franse wet nog steeds discriminerend is.
CEDAW verklaart de klaagsters die hun moeders naam willen dragen niet ontvankelijk wegens niet bewandelen nationale rechtsgang én niet te hebben aangetoond slachtoffer van discriminatie te zijn (de naam die ze hebben gekregen is niet afhankelijk van hun sekse).
Onder verwijzing naar Communication 11/2006 stelt CEDAW dat de discriminatie ten aanzien van de overdracht van de naam aan de volwassen kinderen ophield op het moment van meerderjarigheid, dat gelegen was voordat het Optioneel Protocol van kracht werd. Dus niet-ontvankelijkheid op basis van art. 4 lid 2 (e) van het Optioneel Protocol.
Er rest dan nog één klaagster met een minderjarig kind. Die wordt niet ontvankelijk verklaard omdat de nationale rechtsgang niet bewandeld is – dus art. 4 lid 1 optioneel protocol.

Zeven CEDAW-leden hebben een uitvoerige afwijkende opinie (ten opzichte van Communication 12/2007 is er één lid bijgekomen): ze zijn het eens met de niet-ontvankelijkheid, maar zouden die willen baseren op art. 4 lid 1 (het niet uitputten van de nationale rechtsgang). Verder verklaren ze dat de Franse wetgeving nog niet spoort met het Vrouwenverdrag en herhalen de zorgen en aanbevelingen uit de Concluding Observations in de reguliere rapportagecyclus.
De zeven leden achten het onjuist dat de meerderheid van CEDAW de samenhang met art. 1, 2 en 5 negeert en focust op art. 16 lid 1 (g), maar geheel voorbij gaat aan het voorbehoud van de Franse Staat bij art. 16 lid 1 (g). Het artikel is echter niet relevant ten aanzien van de klaagsters die hun moeders naam willen dragen. Ze verwerpen tevens de redenering van de Staat over de lex specialis.
Ze stellen met nadruk dat de klaagsters die hun moeders naam niet kunnen krijgen het slachtoffer zijn van seksistische wetgeving. Ze hadden echter moeten proberen hun gelijk te halen via nationale procedures en dat hebben ze niet geprobeerd (dus niet ontvankelijk). Hetzelfde geldt voor de klagers die hun naam aan hun kinderen willen geven. Tot slot valt op te merken dat ze de redenering over de meerderjarige kinderen wel delen met de rest van CEDAW (en de Staat).

14/2007 Hu Li Ping v. Staat der Nederlanden

Niet voortgezet wegens gebrek aan belang (klaagster kreeg verblijfsvergunning).

Communication No. 15/2007 – Ms. Zhen Zhen Zheng v. Staat der Nederlanden Datum: 27 oktober 2008 (publicatie op 26 oktober 2009)

Betreft: art. 6
Trefwoorden: vrouwenhandel, asiel

Indiening klacht: 22 januari 2007
Aanvullende informatie klaagster: 12 maart 2007
Doorgeleiding naar Staat: 7 juni 2007
Verweer Staat: 7 augustus 2007
Reactie klaagster: 20 september 2007
Aanvullende reactie Staat: datum niet bekend.

De klacht
Klaagster stelt slachtoffer te zijn van vrouwenhandel in 2002. Hoewel klaagster (op moment van asielaanvraag zwanger) haar misbruik wel ter sprake bracht tijdens het verhoor en ook melding maakte van verkrachting en intimidatie is het asielverzoek geweigerd omdat ze geen details over de reis kon geven, geen identiteitspapieren had en acht maanden had gewacht met een asielaanvraag.

Ontvankelijkheid
Staat bepleit dat klacht niet ontvankelijk dient te zijn omdat nationale rechtsgang nog niet uitgeput is en de klacht onvoldoende onderbouwd is. Het beroep is afgewezen door de rechtbank. Een verzoek om verblijfsvergunning als minderjarige of als jonge moeder is eveneens afgewezen, bezwaar en beroep tot en met de Raad van State ook. Een specifiek verzoek om wegens humanitaire gronden verblijfsvergunning te krijgen is ook afgewezen. Beroepsprocedure in deze laatste zaak loopt nog.
De Staat wijst er op dat strijdigheid met Vrouwenverdrag niet aan de orde is gesteld in nationale procedures. Volgens de Staat is de asielaanvraag en het vermoeden vrouwenhandel onvoldoende onderbouwd. De Staat betoogt dat klaagster geen aangifte van vrouwenhandel heeft gedaan – haar toenmalige advocaat had haar op de mogelijkheid daartoe kunnen wijzen.
CEDAW oordeelt dat klaagster niet ontvankelijk is omdat de nationale rechtsgang niet is uitgeput. Het Comité verwijst naar Communications No.8/2005 en 10/2005 dat de vermeende schending van het Vrouwenverdrag in de nationale rechtsgang aan de orde moet zijn gesteld, opdat de rechters in den lande hierover kunnen oordelen. Bovendien is er nog steeds een beroepszaak hangende en niet is aangetoond dat dit onredelijk lang duurt of geen effect zal sorteren. CEDAW verwijst naar jurisprudentie van Human Rights Committee: twijfel aan de effectiviteit van de remedie (de rechtsgang) is onvoldoende om af te zien van de noodzaak tot uitputten van de nationale rechtsgang.
Anders dan de Staat heeft CEDAW wel begrip voor het onvermogen van klaagster uiteen te zetten hoe ze in Nederland terecht is gekomen, haar analfabetisme, het zware leven in Nederland etc. Dat is echter geen reden om tot ontvankelijk te oordelen.

Drie leden hebben een afwijkende opinie: zij vinden de klacht wel ontvankelijk, omdat die handelt over vrouwenhandel en de procedures die nog liepen of niet uitputtend afgerond waren niet daarover gingen. Anders dan de Staat zien ze wel aanknopingspunten in het relaas van klaagster conform het Palermo Protocol. Ze vinden dat de Staat informatie over de B-9 procedure had moeten verstrekken of anderszins voor opvang had moeten zorgen.
De drie leden doen een specifieke aanbeveling ten aanzien van klaagster: neem stappen om na te gaan of ze inderdaad slachtoffer van vrouwenhandel is en zo ja biedt bescherming. Meer algemeen doen ze ook nog aanbevelingen om politie en andere relevante functionarissen beter te equiperen in het herkennen van slachtoffers van vrouwenhandel en het verstrekken van relevante informatie aan slachtoffers.
Daarnaast wijzen ze de Staat er op dat de bedoeling van het Optioneel Protocol ook is na te gaan wat zwakke punten zijn in de procedures, waardoor vrouwen niet de bescherming krijgen die beoogd is.

16/2007 … v. Canada

Niet voortgezet na informatie van de Staat.

Communication No. 17/2008 – Maria Lourdes da Silva Pimentel v. Brazilië

Datum: 25 juli 2011
Betreft: art. 2 en 12
Trefwoorden: recht op leven en gezondheid, gebrekkige pre- en postnatale zorg

Indiening klacht: 30 november 2007
Verzonden naar Staat: 5 februari 2008
Verweer Staat: 13 augustus 2008
Reactie klaagster: 19 januari 2009

De klacht
Klaagster is de moeder van een Braziliaanse vrouw van Afrikaanse afkomst die is overleden als gevolg van gebrekkige pre- en postnatale zorg. Klaagster is bijgestaan door een Centrum voor reproductieve gezondheidszorg. De klacht presenteert een gedetailleerd feitenrelaas over de complicaties in de zwangerschap, het doorgeboren kind, de snel verslechterende gezondheid en de inadequate handelwijze van het gezondheidscentrum en publieke en particuliere ziekenhuizen.
Klaagster stelt dat het recht van haar dochter op veiligheid tijdens zwangerschap en bevalling is geschonden. Dat de Staat gehouden is praktische implementatie te realiseren van maatregelen die moeten beschermen tegen discriminatie. Verwezen wordt naar de opvattingen van CEDAW over de plicht van de Staat om discriminatie bij de toegang tot de gezondheidszorg te bestrijden, met speciale aandacht voor de rechten en gezondheidsbehoeften van kwetsbare groepen vrouwen.
Klaagster verwijst ook naar concrete indicatoren uit de richtlijnen uit 1997 voor moederschapzorg van Unicef, de WHO en de UNFPA en onderzoek naar moederschapsterfte in Brazilië.
De weduwnaar heeft wel een claim ingediend voor materiële en morele schade, maar die is na bijna vier jaar nog niet afgedaan. Met zo’n lange doorlooptijd kan volgens klaagster geen beroep worden gedaan op niet-ontvankelijkheid wegens niet doorlopen nationale rechtsgang.

Ontvankelijkheid
De Staat wijst er op dat de duur van de procedure in een gecompliceerde zaak als deze, met meerdere betrokkenen niet onredelijk lang is, maar doet geen uitgebreid beroep op niet-ontvankelijkheid om deze reden. Wel beargumenteert de Staat uitvoerig dat de klacht onvoldoende onderbouwd is en dat de oorzaak van overlijden niets te maken had met de zwangerschap en inadequate moederschapszorg. Klaagster weerlegt de argumentatie van de Staat uitputtend.
CEDAW acht de klacht ontvankelijk en vindt dat de Staat geen afdoende verklaring voor de lange duur van de schadeclaimprocedure heeft verstrekt. Verder acht CEDAW de klacht voldoende onderbouwd om tot ontvankelijkheid te concluderen.

De inhoud van de zaak
CEDAW gaat niet mee in de redenering van de Staat dat de dood niet aan de zwangerschap kan worden toegeschreven. Het feitenrelaas van klaagster, niet weersproken door de Staat, geeft hierbij de doorslag. Daarnaast is voldoende duidelijk geworden dat klaagsters dochter geen passende dienstverlening heeft gekregen in verband met haar zwangerschap. Wat betreft de claim van klaagster dat haar dochter multiple discriminatie heeft ervaren als vrouw van Afrikaanse afkomst en op basis van haar sociaaleconomische status, wijst CEDAW er op dat zij al in eerder concluding observations aandacht heeft gevraagd voor de de facto discriminatie van deze groepen vrouwen. Ook wijst CEDAW in dit verband op Algemene Aanbeveling 28.

CEDAW is van oordeel dat de Staat zijn verplichtingen onder art. 12 (in verband met toegang tot gezondheidszorg) en art. 2 (c) (in verband met toegang tot rechtsgang) en art. 2 (e) (in verband met verplichting te zorgen dat private gezondheidszorgaanbieders niet discrimineren) heeft geschonden.
CEDAW beveelt aan om de klaagster, de moeder van de overledene en haar gezin een adequate financiële compensatie te geven die in verhouding staat tot de ernst van de schending van rechten.
In het algemeen doet CEDAW zes concrete aanbevelingen:
A. het recht van vrouwen op veilige en toegankelijke pre- en post natale gezondheidszorg, inclusief spoedeisende gezondheidszorg te garanderen;
B. adequate training te organiseren voor personeel in de gezondheidszorg, met name aangaande de reproductieve gezondheidszorg van vrouwen, inclusief kwalitatieve medische zorg tijdens zwangerschap en bevalling, inclusief spoedeisende zorg;
C. toegang tot effectieve klachtenprocedures waar de rechten van vrouwen o reproductieve gezondheidszorg zijn geschonden en training voor de rechterlijke macht en handhavingsfunctionarissen;
D. er voor te zorgen dat private gezondheidszorginstellingen handelen in overeenstemming met relevante nationale en internationale normen aangaande reproductieve zorg;
E. er voor te zorgen dat er effectieve sancties zijn tegen zorgprofessionals die de reproductieve rechten van vrouwen schenden;
F. de moederschapssterfte te verminderen door een nationaal actieplan dat ook op gemeentelijk niveau geïmplementeerd wordt, inclusief het oprichten van moederschapssterfte-comité’s waar ze nog niet bestaan (onder verwijzing naar relevante concluding observations).
Daarnaast moet Brazilië de uitspraak vertalen en breed verspreiden en binnen zes maanden schriftelijk laten weten hoe het uitvoering heeft gegeven aan de aanbevelingen.

Follow-up:
CEDAW heeft twee follow-up rapporteurs benoemd, die wel een korte presentatie hebben gegeven aan de werkgroep optioneel protocol van CEDAW over de stappen die de Staat heeft gezet wat betreft het bekend maken van CEDAW’s View. Er is echter nog niet over formele follow-up gerapporteerd.

Communication No. 18/2008 – Karen Tayag Vertido v. The Philippines

Datum: 16 juli 2010
Betreft: schending art. 1 (in relatie tot Algemene Aanbeveling 19) en art. 2 (c, d en f) en art. 5 (a)
Trefwoorden: verkrachting, seksueel geweld tegen vrouwen, genderstereotypen

Indiening klacht: 29 november 2007
Verweer Staat: 7 juli 2008
Reactie klaagster over ontvankelijkheid: 26 september 2008
Besluit over ontvankelijkheid: 28 juli 2009
Aanvullend verweer Staat (na enige herinneringen): 1 juli 2010

De klacht
Klaagster, Mevrouw Karen Tayag Vertido, was directeur van een Kamer van Koophandel. Zij doet aangifte van verkrachting door de voorzitter van de Kamer van Koophandel (1996). Zij verliest haar baan. Het komt, na toekenning van haar klacht tegen de seponering door het openbaar ministerie, wel tot een rechtszaak, maar de vermeende dader wordt vrijgesproken in een procedure die 8 jaar duurde (1997-2005) en die veel publiciteit trok. Hierdoor voelde klaagster zich opnieuw slachtoffer met allerlei traumatische stress stoornissen.
Klaagster vertegenwoordigt zichzelf in de procedure bij CEDAW en stelt in haar klachtmotivering zeven genderstereotypen die in de procedure speelden aan de kaak en plaatst haar zaak beargumenteerd in een algemener perspectief. Ze analyseerde enerzijds andere verkrachtingsuitspraken in de Filipijnen en anderzijds betrok ze CEDAW’s aanbeveling 19 over geweld tegen vrouwen in haar klacht.

Ontvankelijkheid
De Staat gooit de niet-ontvankelijkheid helemaal over de boeg van het niet-doorlopen van de nationale rechtsgang, maar klaagster weet overtuigend te argumenteren dat hoger beroep aan het OM voorbehouden is en niet aan het slachtoffer.
Uiteraard overweegt CEDAW niet-ontvankelijkheid, omdat de Filipijnen pas in 2004 het Protocol ratificeerde, maar de lange duur van de procedure geeft de doorslag.

De inhoud van de zaak
CEDAW verklaart uitdrukkelijk zich niet uit te spreken over de eventuele strafbaarheid van de vermeende dader. Ook wil het comité zich niet uitspreken over de vermeende schending van art. 2 (d), dat ze minder relevant acht.
CEDAW oordeelt de duur van de procedures extreem lang en dat maakt klaagster opnieuw tot slachtoffer. Het Comité wijst er op dat de rechters in de uitspraken genderstereotypen en mythes over mannelijke en vrouwelijke seksualiteit hanteren en niet doorprikken zoals ze eigenlijk zouden moeten doen. CEDAW is voorts van mening dat in de definitie van verkrachting ten onrechte het gebrek aan wederzijdse instemming ontbreekt (onder verwijzing naar Algemene Aanbeveling 19).
CEDAW concludeert tot schending van art. 2 (c en e) en art. 5 (a) in relatie tot art. 1 (en Algemene Aanbeveling 19).
Aanbeveling ten aanzien van klaagster: verschaf adequate compensatie in verhouding tot de ernst van de schendingen van haar rechten.
Algemene aanbevelingen:
A. neem maatregelen om er voor te zorgen dat strafzaken als het om vermeende verkrachting gaat zonder vertraging afgehandeld worden;
B. pas de wetgeving, waarin verkrachting strafbaar wordt gesteld aan; plaats daarbij het ontbreken van instemming centraal in de definitie van verkrachting; verwijder de vereisten dat verkrachting en aanranding met fysiek geweld moet hebben plaatsgevonden en dat er bewijs van penetratie zijn;
C. zorg er voor dat vooroordelen en genderstereotypen geen rol spelen in verkrachtingszaken en andere seksuele misdaden. Hiertoe moet een breed scala aan maatregelen getroffen worden gericht op rechterlijke macht en opsporing- en handhavingsapparaat.
Hiervan worden er vervolgens verschillende genoemd, variërend van aan passing van de wet wat betreft de definitie van verkrachting tot training.
De Filipijnen moet de uitspraak vertalen en breed verspreiding en binnen zes maanden een schriftelijke reactie aan CEDAW zenden.
In een Individual Opinion benadrukt één CEDAW lid dat ze het niet eens is met klaagster dat de vermeende dader veroordeeld zou zijn als er geen gender mythes en stereotypen waren gehanteerd. Ze vindt dat geen taak van CEDAW. Ze is het eens met de kritiek op de lange duur van de procedures en ondersteunt de aanbeveling om de verkrachtingswetgeving aan te passen en gender-sensitieve training te organiseren. Ze ondersteunt ook de aanbeveling tot compensatie voor klaagster, gerechtvaardigd vanwege de lange duur van de procedures.

Follow-up:
De Staat informeert CEDAW binnen de gestelde termijn op 13 april 2011. Met een beroep op het niet uitputten van de nationale rechtsgang om schade te claimen weigert de Staat compensatie aan klaagster. De Staat wijst er ook op dat CEDAW’s aanbeveling tot compensatie niet gebaseerd is op een expliciete verplichting van de Staat onder het Verdrag.
De Staat verwerpt het oordeel dat de procedures mank gingen (vooroordelen of genderstereotyperingen), want de rechterlijke macht is onafhankelijk en onpartijdig. Inzake alle overige aanbevelingen stelt de Staat dit allemaal allang te doen, maar niettemin een proces in gang te hebben gezet om na te gaan of wetsaanpassing nodig is wat betreft de definitie van Verkrachting.
Klaagster stelt in haar reactie van 17 juni 2011 dat geen enkele aanbeveling van CEDAW is uitgevoerd en dat de Staat haar niet erkent als slachtoffer van schending van het Vrouwenverdrag. Het was haar niet om compensatie maar om rechtvaardigheid te doen. Ze wijst er op dat de procedures voor schadevergoeding waar de Staat mee aankomt van toepassing zijn als onderdeel van een strafrechtelijk proces.
Klaagster wijst er op dat er helemaal geen opvangcentra voor verkrachtingsslachtoffers zijn opgericht na totstandkoming van de “Rape Victim Assistance and Protection Act in 1998 wegens gebrek aan middelen. Pas in 2011 zijn twee voorzichtige pilots gestart.

De twee follow-up rapporteurs van CEDAW doen verschillende, tot nu toe vergeefse, pogingen in 2011 en 2012 een gesprek met de permanente missie te krijgen.

Gina de Graaff en Alinda Vermeer – De staat moet nu echt effectieve maatregelen nemen. Na het arrest van het Europese Hof is het tijd om op te treden tegen de SGP

Hier komt link

Individueel Klachtrecht CEDAW

Bijeenkomst 13 september 2012

Het Netwerk VN-Vrouwenverdrag organiseert in samenwerking met OXFAM Novib en Tiye International op donderdagmiddag 13 september 2012 een bijeenkomst over het Individueel Klachtrecht bij CEDAW. De bijeenkomst in Den Haag is bedoeld voor Nederlandse NGO’s met partners in het Zuiden, die een rol kunnen spelen bij het indienen van een klacht bij CEDAW tegen een van de Zuidelijke landen. Inmiddels hebben 104 landen het Optioneel Protocol bij het VN-Vrouwenverdrag ondertekend. CEDAW, het Comité dat toeziet op de uitvoering van het VN-Vrouwenverdrag, heeft tot nu toe 26 individuele klachten afgehandeld. De meeste van deze zaken komen uit geïndustrialiseerde landen, maar er zijn er ook al enige uit Zuidelijke landen. Leontine Bijleveld zal in een inleiding een overzicht geven van de jurisprudentie van CEDAW, het Verdragscomité. Hoe zit het juridisch in elkaar en kan het leiden tot beleidswijzigingen? Over welke vrouwenrechtenschendingen zijn klachten gegrond verklaard en wat leverde dat op voor betrokkenen en andere vrouwen? Wat is de rol van vrouwenorganisaties en waar moet je op letten bij het indienen van een klacht? Hellen Felter (Tiye International) is middagvoorzitter

Na aanmelding bij het Netwerk VN-vrouwenverdrag (schaduwrapportage@gmail.com) ontvangen deelnemers ter voorbereiding digitaal informatiemateriaal. Van de bijeenkomst wordt een verslag gemaakt.

Datum: donderdag 13 september 2012 Tijd: 14.00 – 16.30 uur (inloop 13.30 uur) Plaats: Oxfam Novib, Afrika zaal Mauritskade 9 2514 HD Den Haag

ALV en jaarcongres 2012

Sekseverschillen in gezondheidszorg discriminerend?

Lees verder →

Verslag themabijeenkomst rechtspositie van zzp’ers Amsterdam 21 juni 2012

De zelfstandige zonder personeel: het stiefkind van het arbeidsrecht

Verslag themabijeenkomst rechtspositie van zzp’ers Amsterdam 21 juni 2012

Aanwezig: een stuk of vijftien deelnemers, incl. spreker, voorzitter, discussiant.

Middagvoorzitter was mr. Diana de Wolff. Zij is advocaat arbeids- en socialezekerheidsrecht bij Stadhouders Advocaten te Utrecht en zat van 1999 tot 2007 voor Groen Links in de Eerste Kamer. De Wolff opent de bijeenkomst met te refereren aan de fabel van De la Fontaine over de krekel en de mier, die ook figureert in de oratie van professor Mies Westerveld: Het stiefkind van het arbeidsrecht. De complexe relatie van zelfstandige arbeid en sociale verzekering (december 2011). De krekel maakt kunst en zingt de hele zomer, terwijl de mier hard werkt om de winter door de komen. In de winter klopt de krekel te vergeefs bij de mier aan voor eten en onderdak. “Vinden we krekels eigenlijk slecht?” zo vraagt De Wolff zich af? Vervolgens schetst ze de politieke contouren van het zzp-schap: in Europa lijkt de aandacht voor het onderwerp een beetje te verslappen, maar afgaande op de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen lijkt er in Nederland wel verbetering van de sociale positie van zzp’ers in het verschiet. Om vervolgens Mies Westerveld naar de katheder uit te nodigen: “Zou je de politieke temperatuur van de rechtspositie van zzp’ers willen analyseren?”

Westerveld maakt twee opmerkingen voorafgaande aan haar presentatie De genderkant van zzp-arbeid. Op de eerste plaats wijst ze er op dat er nog een ander element zit in de fabel van De la Fontaine: de hardvochtigheid van de mier, die de van de honger stervende krekel aan de deur weigert. Op de tweede plaats, omdat Europa verder niet in haar presentatie voorkomt, legt ze hier uit dat het wat betreft Europa, vooral de Europese Commissie is die na haar Groenboek, De modernisering van het arbeidsrecht met het oog op de uitdagingen van de 21ste eeuw, uit 2006 en de reacties daarop, de discussie over het ‘nieuwe’ zelfstandig ondernemerschap heeft geparkeerd.

Westerveld begint haar presentatie met het benoemen een aantal thema’s in de discussie over zzp-arbeid. Om te beginnen de zogenaamd nieuwe zzp’er die tegenover de traditionele kleine zelfstandige wordt gezet. Bij de laatste moeten we denken aan de boer, de kleine winkelier en bij de eerste aan de consultant, de interimmer, maar ook degenen die noch duidelijk werknemer zijn, noch zelfstandige. Het ‘nieuwe’ van de zzp’er moet trouwens wel met een flinke korrel zout genomen worden – dat bestaat al zeker een jaar of vijftien en dat is toch niet zo nieuw meer. De ‘lichte en de donkere kant’ van zzp-arbeid zijn begrippen die uit het eerste rapport over de materie in Europees verband komen, het Sulpiot-rapport uit 1999. Het eerste doet een appèl op mensen om zelf iets neer te zetten en wordt vaak gepresenteerd als kans om vernieuwing in bedrijven op gang te helpen. De donkere kant duidt op het gebruik of misbruik van zelfstandige arbeid om werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt hun arbeidsrechtelijke bescherming te ontnemen. Dat leidt meteen tot het volgende begrippenpaar: de zzp’er als cowboy (girl) tegenover de zzp’er als slachtoffer. Aan de ene kant de goedgeschoolde voormalige werknemers die goed voor zichzelf hebben gezorgd en geen boodschap hebben aan solidariteit en aan de andere kant de schijnzelfstandige in de zorg of in de bouw, die zichzelf overigens niet alleen maar als slachtoffer zien. Sociale risico’s zijn een belangrijk thema in de discussie over zzp-arbeid, Westerveld wijdde er haar oratie aan: Het stiefkind van het arbeidsrecht. De complexe relatie van zelfstandige arbeid en sociale verzekering (december 2011). Alle referenties zijn hierin te vinden.

Om hoeveel mensen gaat het eigenlijk? De Nederlandse arbeidsmarkt in cijfers (2010):

-Werknemers in het grootbedrijf 2.000.000
-Werknemers in de (semi-) publieke sector 1.000.000
-Werknemers in het MKB 4.000.000
-Ondernemers in het MKB 480.000
-Zzp’ers 750.000
-Uitkeringsgerechtigden 1.200.000

Westerveld heeft de rest van haar presentatie aan de hand van een aantal stellingen opgebouwd.

Stelling 1 – zzp-arbeid is geen juridisch begrip
De meningen van de aanwezigen over deze aan Ruben Houweling ontleende stelling blijken lopen uiteen. Westerveld betoogt dat het van de definitie afhankelijk is of zzp-arbeid een juridisch begrip is. In de verschillende regelingen is sprake van een telkens andere duiding. In de WIA bijvoorbeeld wordt een zelfstandige gedefinieerd als iemand onder de 65, die voldoet aan de kenmerken van VAR WUO (Verklaring Arbeidsrelatie Winst uit Onderneming). Als vuistregels voor de VAR WUO gelden: minimaal drie opdrachtgevers, niet meer dan de helft van het inkomen via één opdrachtgever, aanwezigheid van debiteurenrisico, de manier van presentatie (als ondernemer). Om de fiscale zelfstandigenaftrek te verkrijgen moet men bovendien aan het urencriterium voldoen (minimumaal 1225 uur op jaarbasis direct of indirect aan onderneming te besteden). De arbowet definieert de zelfstandige als degene die geen werkgever en geen werknemer is. Westerveld stelt dat een goede definiëring vooral van belang is in situaties waar de zzp’er langdurige in het bedrijf werkt naast werknemers: de overheid verleent immers fiscale voordelen aan zelfstandigen die werknemers niet krijgen. Deze situaties zitten tussen de arbeidsovereenkomst en de opdrachtovereenkomst. Westerveld wil de volgende definitie in het BW opnemen: een opdrachtovereenkomst van arbeid is een overeenkomst waarin de ene partij, de zzp-werknemer, zich verbindt jegens de andere partij, de werkverstrekker, gedurende zekere tijd tegen vergoeding arbeid te verrichten. Centraal staat de werkverstrekker: je bent niet in dienst, maar verricht werkzaamheden jegens de werkverstrekker. Valkuil is wel dat de definitie dicht tegen de definitie van arbeidsovereenkomst zit. Op de vraag van De Wolff waarom de definitie van overeenkomst van opdracht niet voldoet antwoordt Westerveld dat deze in een ander wetboek staat en bovendien te ruim is. Of deze nieuwe definitie zal voldoen moet nader doorgedacht worden. Concluderend stelt Westerveld het dus niet eens te zijn met de stelling, maar wel te vinden dat de definiëring aangescherpt moet.

Stelling 2 – zzp-arbeid is kwetsbare arbeid
Aanwezigen zijn het merendeels niet eens met de stelling, waarmee niet gezegd is dat helemaal geen bescherming moet worden geboden, bijvoorbeeld in geval van zwangerschap (dit onderwerp komt later terug). Westerveld licht toe dat de formulering is ontleend aan het Engelstalige begrip ‘precarious work’. Ze acht zelf de stelling te absoluut, hoewel er zeker aardig wat kwetsbare arbeid schuil gaat achter zzp-arbeid. In Canadees onderzoek is een typologie gemaakt waarin zes types zzp-arbeid onderscheiden worden, van helemaal niet tot zeer kwetsbaar.

Stelling 3 – cijfers over zzp-arbeid zijn aanvechtbaar Hoewel soms de eerder genoemde VAR-WUO als onderscheidend voor zzp-arbeid wordt benoemd, blijkt maar 28 procent van de zzp’ers hierover te beschikken, volgens onderzoek van het EIM. Monique Aerts (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) wijst er op dat lang niet alle zzp’ers een VAR nodig hebben. Je vraagt pas een VAR aan als je opdrachtgevers er om vragen. Voornaamste functie van de VAR WUO is dat het de opdrachtgevers vrijwaart van het risico aangeduid te worden als (premieplichtige) werkgever. Na enige discussie zijn alle aanwezigen het eens met de stelling, die nog verder geïllustreerd werd met de discussie over zzp’ers in de zorg in de Tweede Kamer. Daar bleken zorgverleners zzp’er genoemd te worden terwijl ze een arbeidsovereenkomst hadden met hun particuliere budgethouders voor werk op minder dan vier dagen per week en onder de Regeling Dienstverlening aan huis vielen. Overeenkomst tussen alfahulpen en ander deeltijd huishoudelijk personeel enerzijds en zzp’ers anderzijds is dat ze geen sociale bescherming van de werknemersverzekeringen hebben. Verschil is echter dat zzp’ers wel de fiscale voordelen van het zelfstandig ondernemerschap kunnen genieten (MKB-winstvrijstelling en daarnaast de zelfstandigenaftrek als ze aan het urencriterium voldoen) en deeltijd huishoudelijk personeel niet. Een ander verschil is dat deeltijd huishoudelijk personeel wel enige sociale bescherming heeft (recht op het wettelijk minimumloon, doorbetaalde vakantie en vakantietoeslag, zes weken loondoorbetaling bij ziekte) en zzp’ers niet.
Een ander voorbeeld wordt gevormd door de gastouders die zelfs als ze ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel én over een VAR WUO beschikken door de gastouderbureaus slechts onder de Regeling Dienstverlening aan huis bemiddeld worden. Zo blijkt er dus ook nog een gender aspect aan de stelling te zitten.

Stelling 4 – zzp-arbeid is mannenarbeid
Westerveld licht de stelling toe: tweederde van de zzp’ers is man. De ongeveer 250.000 vrouwelijke zzp’ers zijn vooral te vinden in de handel en reparatie, de zakelijke dienstverlening, de overige dienstverlening (zorg/overheid/onderwijs). Qua winst verdienen die vrouwelijke zzp’ers nog niet de helft van wat de mannen verdienen, maar de reden daarvan is onbekend, aldus Westerveld die concludeert dat het een braakliggend terrein is en dat meer onderzoek gewenst is. Ze werd op haar wenken bediend: Het CBS meldt op 25 juni 2012 in een persbericht dat er het eerste kwartaal van 2012 bijna 750.000 zzp’ers waren, 265.000 vrouwen en 484.000 mannen. Er zijn grote inkomensverschillen: ook bij voltijdswerkende zzp’ers verdienen vrouwen een derde minder dan mannen. Vrouwen werken relatief vaak in sectoren die wat minder betalen: cultuur, recreatie en overige dienstverlening. Mannen vaker in de bouw en de zakelijke dienstverlening. Waar het gemiddelde inkomen bij mannen bij alle opleidingsniveaus ongeveer hetzelfde is, hebben hoogopgeleide vrouwen over het algemeen een hoger inkomen dan lager opgeleide vrouwen.

Stelling 5 – zzp’er zijn is een positieve keuze
De stelling is ontleend aan EIM-onderzoek uit 2008 waarin geïnterviewde zzp’ers het zzp-schap als positief benoemden. Het plaatst wel de kanttekening dat dit deels tegen de achtergrond van de hoge werkdruk in de zorg, leidend tot verschraling van kwaliteit geplaatst moet worden. Westerveld vindt zelf de stelling veel te algemeen. Het was een erg kleinschalig onderzoek. Volgens de SER is gedwongen zzp-schap geen marginale aangelegenheid. Alvorens door te gaan met de volgende stelling staat Westerveld eerst stil bij de:

Sociale risico’s van zzp-arbeid
-1. Het uitblijven van opdrachten (“werkloosheid”). Het opzetten van een eigen bedrijf is één ding, zorgen dat het blijft lopen is vers twee. Toch ziet de grote meerderheid van de zzp’ers niets in een werkloosheidsverzekering. Dat geldt ook voor het merendeel van de aanwezigen. Een enkeling vindt dat er toch meer moet worden nagedacht over het creëren van een vangnetvoorziening.

-2. Discriminatie bij de gunning van opdrachten. Als er gediscrimineerd wordt hebben vrouwelijke zzp’ers weinig aan de wetgeving tegen sekse-discriminatie: discriminatie zal moeilijk aannemelijk te maken zijn (dat is ook al vaak het probleem in de werkgever-werknemerrelatie). De nieuwe aanbestedingswet die in september in de Eerste Kamer behandeld wordt zal meer kansen bieden aan MKB en zzp’ers bij aanbestedingen en in die zin discriminatie naar bedrijfsomvang tegen gaan. Op zichzelf is discriminatie bij de gunning van opdrachten een mooi onderwerp voor nader onderzoek.

-3. Privé-omstandigheden kunnen resulteren in een belemmering tot het uitvoeren van opdrachten. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille: de flexibiliteit van zzp-arbeid is gunstig voor wie werk en zorg combineert, maar een eigen bedrijf zonder personeel is ook kwetsbaar voor veranderingen in de persoonlijke levenssfeer.

-4. Arbeidsongeschiktheid – in feite het meest besproken sociale risico van zzp-arbeid. Zie ook verderop bij stelling 6 en 7.

-5. Onvermogen tot reservering voor pensioen. Westerveld is hier kort over: sowieso is pensioen (én vrouwen en pensioen) een dramatisch dossier.

Stelling 6 – zzp en arbeidsongeschiktheid (1)
Westerveld stelt dat Nederland maar mondjesmaat voldoet aan de opdracht van de EU om een beetje lief te zijn voor zwangere vrouwen. De Wet Arbeid en Zorg heeft een heel strak kader voor het recht op een uitkering voor een zelfstandige. Schrijnend is dat zelfstandigen die een dood geboren kind ter wereld brengen geen uitkering krijgen. Dat komt doordat als doel van het verlof het welzijn van het kind is benoemd en niet de gezondheid en het welzijn van de moeder. Er zijn onlangs kamervragen over gesteld. Voor de iets hogere inkomens is het een probleem dat de hoogte van de uitkering beperkt is tot het wettelijk minimumloon. Willen zij tijdens het verlof een even hoog inkomen hebben als daarvoor dan moeten ze zich daarvoor privaat verzekeren. Sommige aanwezigen vinden dit logisch: de uitkering wordt immers betaald uit algemene middelen. Anderen daarentegen zien geen reden waarom werkneemsters wel een aan hun inkomen gerelateerde uitkering krijgen (althans tot het maximum dagloon) en zelfstandigen niet. Het werkloosheidsfonds waaruit de zwangerschapsuitkeringen voor werknemers worden bekostigd kan met enige goede wil toch ook als algemene middelen worden betiteld. Voorstanders van handhaving van de huidige uitkeringssystematiek wijze er op introductie van een inkomensgerelateerde uitkering een trendbreuk zou zijn, die veel extra gereken en controle gaat oproepen en daarmee administratieve lasten verhoogt. De anderen wijzen er op dat het gereken en de controle nu ook al plaatsvindt bij de zzp’ers met een laag inkomen. Aanwezigen worden het niet eens.

Stelling 7 – zzp en arbeidsongeschiktheid (2)
Het SER advies over zzp en arbo is een gemiste kans Volgens Westerveld is het SER advies ZZP’ers in beeld. Een integrale visie op zelfstandigen zonder personeel (Advies 2010/04) een mooi advies. Het vervolgadvies Zelfstandigen en arbeidsomstandigheden (Advies nr. 2011/02) is volgens haar een gemiste kans. De SER benadert het onderwerp alleen maar vanuit de gedachte dat arbo-beleid een enorme papierwinkel met zich meebrengt die verminderd moet worden. Zzp’ers moeten daarmee niet belast worden. Westerveld vindt dat de SER had moeten benadrukken dat veiligheid voor ingehuurde zzp’ers ook de verantwoordelijkheid is van de werkverstrekker. Er is immers vastgesteld in onderzoek dat zzp’ers meer risico lopen dan werknemers. Toch is meer dan 60 procent van de zzp’ers niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Voor hen is het recente Davelaar arrest van de Hoge Raad interessant, al gaat dat niet over arbeidsongeschiktheid maar over het recht op een veilige werkplek, ook voor zzp’ers. De Hoge Raad erkende onlangs de aansprakelijkheid van een opdrachtgever bij een bedrijfsongeval. Het gaat over de werkgeversaansprakelijkheid van artikel 7:658.4 BW: “Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 t/m 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.” Dit artikel biedt ook aanknopingspunten voor een veilige werkplek zonder seksuele intimidatie e.d. Westerveld besluit haar presentatie met de opmerking dat zij, toen zij benaderd werd om een presentatie te houden, aanvankelijk dacht niet zoveel te kunnen vertellen over gender-aspecten van zzp-arbeid. Dat blijkt bij nader inzien wel mee te vallen.

Voor De Wolff, als voorzitter, de eerste discussiant het woord geeft vraagt ze Westerveld nog even kort in te gaan op de pensioenproblematiek voor zzp’ers. Die vindt dat ze daar op dit moment weinig over kan zeggen: “waar gaan we heen met ons pensioenstelsel? Het lijkt aan alle kanten te kraken.” Omdat er in Nederland, vergeleken met andere landen een redelijk inkomensonafhankelijk basispensioen is (de AOW) zijn de pensioenproblemen van zzp’ers bij ons wat minder groot dan elders in de EU. De mogelijkheden voor zzp’ers die uit loondienst komen om pensioenopbouw voort te zetten bij het oude pensioenfonds zijn verruimd, maar of dat verstandig is gezien de situatie waarin de meeste pensioenfondsen zich bevinden? Voor het overige zijn zzp’ers vooralsnog aangewezen op particuliere arrangementen. In dat verband komt de vraag op of het nog steeds zo is dat vrouwen benadeeld worden doordat bij de premiestelling rekening gehouden wordt met actuariële factoren. Vanuit de zaal wordt opgemerkt dat dit niet meer mag. Enkel in geval van een levensverzekering mag bij de berekening van de premie nog onderscheid worden gemaakt tussen mannen en vrouwen, voor zover het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen hieraan ten grondslag ligt (artikel 1, aanhef en onderdeel h, Besluit gelijke behandeling). Met de uitspraak van het HvJ EU in de zaak test-aankoop zal dit echter in de toekomst ook niet meer mogelijk zijn. In dit arrest heeft het Hof artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113/EG ongeldig verklaard met ingang van 21 december 2012. De ongeldig verklaarde richtlijn bepaling staat lidstaten toe om proportionele verschillen in premies en uitkeringen voor individuele personen te handhaven in de gevallen waarin sekse een bepalende factor is bij de beoordeling van het risico op basis van relevante en nauwkeurige actuariële en statistische gegevens.

Discussie Voorzitter De Wolff vraagt aan eerste discussiant Monique Aerts of er, gezien de politieke belangstelling waar ze eerder aan refereerde, interessante maatregelen voor zzp’ers in het vat zitten. Aerts is in 2007 gepromoveerd op het onderwerp ‘De zelfstandige in het sociaal recht’ en thans werkzaam als beleidsmedewerker bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Er wordt volgens Aerts gewerkt aan voorstellen om de sociaalrechtelijke positie van zzp’ers te verbeteren, bijvoorbeeld de uitbreiding van de Wet op het Minimumloon en aanpassingen van de arbowet. Er wordt niet nagedacht of zzp’ers zich verplicht zouden moeten verzekeren tegen het risico van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Dit wil men aan de markt laten. Wel wordt nagedacht of de fiscale voordelen voor zelfstandigen niet te royaal zijn. Uit de zaal wordt er op gewezen dat de zelfstandigenaftrek per 2012 al ten nadele van de zzp’ers met een laag inkomen is gewijzigd. Met een verwijzing naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad merkt Aerts op niet te verwachten dat er meer regels voor opdrachtgevers jegens zzp’ers die zij inhuren gaan gelden. Dan moet je ook moedige zelfstandigen hebben om te procederen en die zijn er niet zoveel, nog afgezien van het kostenaspect van het procederen. Aerts vindt dat zzp’ers behandeld worden als ondernemer, maar dat ze zich nog vaak als werknemer gedragen. Aerts ziet veel aanknopingspunten in de nieuwe definitie die Westerveld formuleerde. Ze ziet niet te veel overeenkomsten met de definitie van de arbeidsovereenkomst omdat de gezagsverhouding er in ontbreekt. Aan de andere kant bestaat er vaak wel een gezagsverhouding in het geval van zzp’ers die naast werknemers in bedrijven en instellingen werken.

De Wolff vraagt wat de aanwezigen vinden van het voorstel dat zzp’ers tenminste 150 procent van het wettelijk minimumloon zouden moeten verdienen, zoals de PvdA heeft voorgesteld. Dat zou schijnzelfstandigheid kunnen tegen gaan. Er lijkt weinig enthousiasme voor dit voorstel te zijn. Aerts wijst er op dat zzp’ers met minder dan drie opdrachtgevers in feite recht hebben op het wettelijk minimumloon en de ontslagbescherming. Als de zzp’er echter een VAR WUO heeft, dan kan die zzp’er geen aanspraak maken op de werknemersverzekeringen, zelfs als achteraf blijkt dat deze zzp’er werkzaam was als werknemer.

Uit de zaal wordt opgemerkt dat de freelance zorgverleners vaak moeten kiezen voor het zogenaamde opting in. Daarbij houdt de opdrachtverlener, of het bemiddelingsbureau, de verschuldigde belasting in. Dat gebeurt ook vaak met zorgverleners die onder de regeling Dienstverlening aan huis werken en die een arbeidsovereenkomst hebben. In deze gevallen komen ze niet in aanmerking voor de fiscale voordelen van zelfstandigen. Daaraan wordt, ook vanuit de zaal, toegevoegd dat er nog andere categorieën vrouwelijke werkenden zijn die door de Belastingdienst of door bemiddelingsbureaus in een vreemde positie worden gemanoeuvreerd. Sekswerkers mogen niet echt in loondienst zijn, maar worden door de Belastingdienst verplicht opting in door de exploitant te aanvaarden. Voor verplichte of vrijwillige verzekering voor de werknemersverzekeringen komen ze niet in aanmerking. De Belastingdienst heeft een coöperatie van sekswerkers, waarin ze als werknemer zouden werken, verboden. Gastouders en nanny’s die als zzp’er ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel worden door bemiddelingsbureaus niet bemiddeld. Die willen alleen maar via de regeling Dienstverlening aan huis bemiddelen. Om voor de kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moeten de ouders wel via een erkend gastouderbureau hun gastouder betrekken.

Uit de zaal wordt naar voren gebracht dat het onbegrijpelijk is dat de categorie zzp’ers zo helemaal buiten het arbeidsrecht vallen. Daarop komt de reactie dat er verschil is tussen zzp’ers die als echte ondernemers handelen en degenen die formeel wel drie opdrachtgevers hebben, maar eigenlijk werknemer zijn. Westerveld stelt dat het eigenlijk twee discussies zijn: zit er een weeffout in het sociaal recht, in het systeem of zit er op principieel niveau iets goed fout. Zij heeft de indruk dat de fiscale voordelen voor zelfstandigen gebruikt worden om discussie over een betere sociale bescherming tegen te houden. De Wolff memoreert de afschaffing van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Zelfstandigen (de WAZ). De zzp-organisaties wilden wel van de WAZ af, vanwege de vormgeving en de kosten, maar niet van een collectief arrangement, een andere vorm van sociale verzekering voor het arbeidsongeschiktheidsrisico.

Tot slot concludeert De Wolff dat men het er over eens is dat er inderdaad een tussencategorie is, schijnzelfstandigen die geen ondernemer zijn. Belangenorganisaties zouden belangen moeten bundelen en enige juridisch wegen kunnen bewandelen om de positie van schijnzelfstandigen te verbeteren. Bijvoorbeeld:
• Gebruik maken van het rechtsvermoeden dat er een arbeidsovereenkomst is;
• Opdrachtgevers aansprakelijk stellen, dus voortborduren op het Davelaar arrest;
• Art. 625 gebuiken om het incassorisico te beperken (de wettelijke verhoging bij te late loonbetaling);
• Handhaving van de Wet Minimumloon bij minder dan drie opdrachtgevers, eventueel gecombineerd met art. 625;
• Opdrachtgevers toch ook niet compleet vrijwaren van risico van naheffing loonbelasting en premies werknemersverzekeringen als een zzp’er over een VAR WUO beschikt. In feite zou er een soort modulair arbeidsrecht ontwikkeld moeten worden. Daar zijn we toch al op weg naartoe, beaamt Westerveld.

Voorts wordt geconcludeerd dat momenteel onvoldoende bekend is over de rechtspositie van, in het bijzonder de vrouwelijke in vergelijking tot de mannelijke zelfstandige om hieraan concrete conclusies te kunnen verbinden. Denk aan: onduidelijkheid over de definitie, het aantal zzp’ers (vergelijk stelling 3), of met name de vrouwen de kwetsbare positie innemen, de reden dat vrouwelijke zelfstandigen een stuk minder verdienen. De Wolff oppert dat mogelijk gevolg zou kunnen worden gegeven aan de bijeenkomst door een aantal artikelen te schrijven en te bundelen over de rechtspositie van (vrouwelijke) zelfstandigen.

3 juli 2012 – Online petitie tegen voorgenomen registratie sekswerkers

Online petitie tegen voorgenomen registratie sekswerkers

3 juli 2012

Sekswerkers, hulpverleners, gezondheidswerkers en andere betrokkenen maken zich grote zorgen over het wetsvoorstel dat sekswerkers verplicht zich als prostituee te registreren in een landelijk register en dat ongeregistreerde sekswerkers en hun klanten criminaliseert. Sekswerkers ervaren gedwongen registratie als vernederend en stigmatiserend en als een schending van hun privacy. Bovendien is nooit bewezen dat registratie van prostituees vrouwenhandel en andere misstanden helpt te bestrijden. Volgens onderzoek van de Vereniging Vrouw en Recht is registratie in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (zie de brief van de VVR naar de Tweede Kamer, januari 2011). Op de opiniepagina vindt u nog meer brieven van de VVR aan het parlement over dit onderwerp. Ook het CEDAW Comite heeft hierover kritische vragen aan de Nederlandse regering gesteld. U kunt sekswerkers steunen in hun strijd tegen gedwongen registratie door de petitie te ondertekenen die zij zijn begonnen. Meer informatie en een link naar de petitie.

Schaduwrapport van Nederlandse NGO’s op tussenrapportage van de regering aan CEDAW, juli 2012 (PDF)

Link naar PDF

Schaduwrapportage van NGO’s op tussenrapportage VN-Vrouwenverdrag Nederlandse regering, juli 2012

Shadow report of the Dutch NGOs on the response of the Kingdom of the Netherlands to the request of the Committee on the Elimination of Discrimination against Women in its Concluding Observations (CEDAW/C/NLD/CO/5, para 52) to provide, within two years, information on the steps undertaken to implement the recommendations in paragraphs 27 and 29.

53rd session 1-9 October 2012

Dutch CEDAW Network, Utrecht July 2012
contact adress: schaduwrapportage@gmail.com
This report is submitted by the Dutch CEDAW-Network on behalf of the following NGOs:

  • African Sky (organisation of African Women in the Netherlands)
  • Aletta E-Quality, Institute for Gender Equality and Women’s History
  • CoMensha/La Strada Nederland (Anti-trafficking Coordination Centre/La Strada Netherlands)
  • FairWork (prevention and fight against modern forms of slavery)
  • Femmes for Freedom (prevention and fight against the various forms of marital captivity)
  • Fier Fryslân (shelter organisation)
  • FNV Vrouwenbond (Women’s Union of the Nertherlands Confederation of Trade Unions)
  • MOVISIE – kennis en aanpak van sociale vraagstukken (MOVISIE – Netherlands centre for social development)
  • Nederlandse Vrouwen Raad (Netherlands Council of Women)
  • NJCM (Dutch section of the International Commission of Jurists)
  • Stichting de Rode Draad (Foundation The Red Thread, sex workers rights organisation)
  • Rights4Change (achieving change by using human rights)
  • Soa Aids Nederland and Aidsfonds (Sti Aids Netherlands and the Aidsfund)
  • Stichting Religieuzen Tegen Vrouwenhandel (Dutch Foundation of Religieuses against Trafficking in Women)
  • TAMPEP International Foundation, European Network for HIV/STI Prevention and Health Promotion among Migrant Sex Workers.
  • Tiye International (umbrella NGO of 21 national organisations of Black, Migrant and Refugee (BMR) women in the Netherlands)
  • Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (Association for Women and Law Clara Wichmann)
  • Vluchtelingen-Organisaties Nederland (Refugee Organisations in the Netherlands)
  • Vrouwen Tegen Uitzetting (Women Against Deportation)
  • WO=MEN Dutch gender platform

Shadow report of the Dutch NGOs on the follow-up report of the Kingdom of the Netherlands to the Concluding Observations of the Committee CEDAW/C/NLD/CO/5/Add.1

53rd session 1 – 9 October 2012

In their comments the NGOs follow the structure of the government report. They also discuss issues which the government fails to mention in its report, but which – in the view of the NGOs – should not be missing.

Introduction

Early 2012 the NGOs in the European territory of the Kingdom of The Netherlands were consulted during the preparation of The Netherlands follow-up report. They, however, only learned through the website of CEDAW that the follow-up report had been submitted. The NGOs note that many of their recommendation are not reflected in the report. As far as known, the NGOs in the Caribbean part of the Kingdom were not consulted at all, whereas no information is available about consultation of NGOs by the Dutch government in the ‘special municipalities’ Bonaire, Saba and St. Eustatius.
Unfortunately the NGOs in the European territory of the Kingdom were not able to establish contacts with NGOs in the overseas territories of The Netherlands, among other factors due to the severe financial constraints of the Dutch CEDAW-Network and other NGOs involved, and difficulties in finding the right contacts.

The NGOs suggest the Committee to recommend the government of Kingdom of the Netherlands to consult NGOs in both continents for its 6th report and to facilitate the process of shadow reporting.

Concluding Observation 27 Violence against Women

  1. The Committee urges the Netherlands Antilles and Aruba to promptly enact legislation providing for temporary restraining orders to be imposed on perpetrators of domestic violence. The Committee also calls upon Aruba to provide training to the police, law enforcement personnel and health personnel so that they may properly investigate and deal with domestic violence. The Committee urges the Netherlands to ensure that the specificities of domestic violence targeting women be fully taken into consideration in the formulation of the new plan of action against domestic violence starting in 2011. It also reiterates its call on the Netherlands to ensure without any further delay that free legal aid is provided to all victims of domestic violence. While acknowledging the need to respect the best interests of children, the Committee urges the State party not to use the joint plan for parenthood as a legal precondition for starting divorce proceedings and in no case to impose it on women victims of domestic violence.

1). The Committee urges the Netherlands Antilles and Aruba to promptly enact legislation providing for temporary restraining orders to be imposed on perpetrators of domestic violence. The Committee also calls upon Aruba to provide training to the police, law enforcement personnel and health personnel so that they may properly investigate and deal with domestic violence.

The Caribbean territory of the Kingdom lags behind

In the opinion of the NGOs the government indirectly acknowledges in para 4 and 5 that all islands in the Caribbean territory of the Kingdom lag behind with respect to an integrated policy to combat domestic violence.
Despite CEDAWs urgent request to promptly enact legislation providing for temporary restraining orders, no such steps have been taken. It is disappointing that the follow-up report limits itself to mentioning that victims of domestic violence can ask the court to impose a restraining order on the perpetrator. The fact that victims in practice hardly made use of this possibility was the very reason for the introduction of the legislation on temporary restraining orders in the European territory of the Kingdom. The ‘special municipalities’ Bonaire, St Eustatius and Saba need to be included in municipal policies on domestic violence on an equal footing with municipalities in the European territory of the Kingdom.

2). The Committee urges the Netherlands to ensure that the specificities of domestic violence targeting women be fully taken into consideration in the formulation of the new plan of action against domestic violence starting in 2011.

Achievements of the policies on domestic violence

In para 6 the Dutch government refers to the country-wide policy on combating domestic violence since 2002.
The NGOs acknowledge the fact that the Dutch government has achieved progress through the implementation of such country-wide policies, like the earlier identification of domestic violence, thus limiting the damage for the victims by allowing for interventions at an earlier stage.
Facts and figures show, however, that prevention of domestic violence is far from successful, due to limited resources and a lack of systematic, coherent and effective policy approaches. Prevention activities like information campaigns are taking place and may have some effects, but in order to achieve a substantial reduction of the number of victims of domestic violence a systematic and coherent approach is needed.

This is confirmed by the evaluation report on the national policy on domestic violence of the Ministry of Safety and Justice in 2011, to which the government refers: “At present, it is not possible to determine categorically whether the national policy to tackle domestic violence has been effective, because of a lack of research on the operation of some of the measures and a lack of monitoring of the policy’s results. As regards the policy theory and its plausibility, it can be concluded that the policy is founded on a coherent theory. Evidence has been found in the scientific literature for most of the assumptions, or at any rate indications that the assumptions are plausible. This warrants the conclusion that in theory the policy should be able to achieve the envisaged objectives”.

As to prevention the evaluation concludes: “few measures have been taken in the areas of prevention and avoiding intergenerational transmission of domestic violence” and “major consideration should be given to further development of measures for the prevention of domestic violence; prevention activities should focus on children and young people to ensure a lower prevalence of domestic violence among them than in the preceding generations.”

Lack of further development of knowledge

The evaluation report also points at another shortcoming of the policies on combating domestic violence: the lack of a nationally coordinated research and development programme.
The NGOs could not agree more! There is too much emphasis on temporary projects, concrete action, quick interventions and show off. And there is too little analysis, monitoring and evaluation, hardly use of academic research or good practices from other countries and almost no commissioning of researches. Some of the big municipalities, like Amsterdam and Rotterdam, try to fill this gap, but this is far from ideal from the perspective of efficiency and knowledge dissemination.

The Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence
The government of The Netherlands participated actively in the preparations and negotiations that resulted in the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence. The government’s report also mentions the intention to ratify the convention in 2012 before the summer.

Ratification requires the development of a comprehensive National Action Plan and the installation of an independent co-ordinating body. The convention prescribes the content of a National Action Plan (analysis, mission, plan of execution, resources, monitoring and evaluation) that ought to include prevention as well as protection and support. The Convention moreover requires the formulation of a gender-specific framework (an issue that has been raised by CEDAW several times) and to take into account social risk factors such as power inequalities between men and women and between adults and children. Also risk factors within families, like financial problems/unemployment, problems in upbringing, education and communication, divorce, and individual problems like addiction to alcohol and other drugs and other mental disorders must be considered.
Through the ratification process the Dutch government can address the gaps and shortcomings that have been pointed out by its policy evaluation, CEDAW and the NGOs.

The need of an integrated approach of policy and practice

The government report refers to a co-ordinated approach at national level. This suggests that all ministries involved (Safety & Justice, Health & Welfare, Internal Affairs, Education & Emancipation) share the same vision and implement a co-ordinated programme.
According to the NGOs this is not the case: there is no joint plan of action and no joint research programme. Each ministry has its own projects, which in itself also points to a lack of continuity. Municipalities and organisations in the field are being hampered by the lack of co-ordination at national level. For already a number of years the government has announced its intention to present an integrated National Action Plan, but up till now it has failed to do so.
Recently the government cancelled a consultation that was scheduled in the ratification process of the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, and postponed once more the development of a National Action Plan until after the elections and the formation of a new government. The NGOs are concerned about the postponement. In their view the formulation of a comprehensive policy on combating and preventing domestic violence should not be delayed.

The NGOs suggest CEDAW to urge the government to present a National Action Plan by the end of the year 2012 ultimately. The National Action Plan should entail both the European and the Caribbean territories of the Kingdom.

The roles of the municipalities and of the national government More and more responsibilities with regard to the implementation of policies on domestic violence are being transferred from the national level to the level of municipalities. The NGOs agree that to a certain extent policies need to be implemented at local level, for example the development of local prevention policies and practices and the management of local and regional cooperation in addressing actual cases of domestic violence.

The national government, however, cannot withdraw itself from all responsibilities and must guarantee access to services country-wide. Victims do not always want to use recovery services in the same community where the violence occurred. Moreover, local governments are recently faced with huge budget cuts that may result in major differences in service levels between municipalities, and aggravate a situation in which it is not allowed to provide support to victims from other regions. It can also lead to a decrease in more complex prevention policies.
The national government even refrains from activities that should be done at national level, such as facilitating the development of knowledge about domestic violence, the further development of methods for prevention and intervention, innovation, monitoring, evaluation, etc.

The NGOs are concerned that the combination of decentralization and financial cuts will lead to a lower level of local services for victims. At national level the NGOs fear the deterioration of tasks that typically need to be co-ordinated and facilitated at national level, such as monitoring, knowledge development and the development of effective prevention programmes.

A general and gender-neutral approach replaces targeted approaches to violence

Until recently general policies on domestic violence, and policies targeted at specific groups of victims (like children and men) and at specific forms of violence (like sexual child abuse, FGM, honour-related violence and forced marriages) existed alongside each other.
Recently, however, the emphasis has shifted to general and gender-neutral policies, without assessing whether these are comprehensive enough to address specific forms of violence against women.
Apart from the loss of adequate services for victims of these specific forms of violence, this shift leads to a loss of knowledge and experience. Moreover, this general and gender-neutral policy undermines the notion that the majority of these forms of violence are a clear manifestation of discrimination against women. Yearly approximately 177.500 women are victims of a sexual offence, compared to 10.700 men.
The Governments gender-neutral approach is also reflected in its biennial report: “Safety Monitor” . The published data of victims of sexual offences are not segregated by gender, neither in 2009 nor in 2011.

The NGOs suggest that the Committee urges the Dutch government to apply gender sensitive policies and measures, and to publish gender segregated statistics on sexual offences.

Sexual violence

Domestic violence entails physical, psychological and sexual violence within the family. 3,4% of the sexual offences against women is committed by a spouse or a member of the family.
Domestic sexual violence is often not recognised by professionals in shelters, asylum centres or service organisations. They often do not have sufficient knowledge and experience to address the issue of sexual violence in intake sessions. An integrated policy to combat all forms of sexual violence, including rape and harassment by family friends and acquaintances, is non-existent up till now. Prevention policies seem to be limited to the inclusion of sexuality education in curricula and campaigns targeted at boys and girls.

The National Action Plan should include all forms of sexual violence, including domestic sexual violence, as well as prevention policies and measures.

Legal aid to victims of domestic violence

3). The Committee also reiterates its call on the Netherlands to ensure without any further delay that free legal aid is provided to all victims of domestic violence.

CEDAW’s call to ensure free legal aid to all victims of domestic violence is not met by the Victims’ Status (Legal Proceedings) Act as described in para 7 of the government report. Neither does the assistance provided by Victim Support Netherlands, which although very useful, cannot replace legal aid provided by specialised lawyers. Moreover, the legal assistance provided by the Act and by Victim Support Netherlands is limited to the criminal proceedings and restraining orders concerning the perpetrators.
Victims also need (free) legal assistance in other legal fields, like civil law and family law, immigration law, etc. Both Victim Support Netherlands and professionals in shelters and service organisations lack that kind of expertise. As a result the need for specialised legal assistance in these fields is not always recognised and victims are not timely referred to specialised lawyers.
In general there is a lot of pressure on cutting financial support for legal aid for low-income earners, but for victims of domestic violence this problem is even more pressing – sometimes they have to pay with their lives.

The NGOs suggest that all Domestic Violence Advice and Support Centres are equipped with the legal expertise in all relevant areas needed to provide comprehensive legal support to victims of domestic violence and to timely refer victims to specialised lawyers. Legal aid by lawyers should be free of charge.

4). While acknowledging the need to respect the best interests of children, the Committee urges the State party not to use the joint plan for parenthood as a legal precondition for starting divorce proceedings and in no case to impose it on women victims of domestic violence.

The NGOs share CEDAW’s concern about the possible misuse of the requirement of a joint plan for parenthood in cases of domestic violence. The evaluation taking place in 2012 should provide more insight in this matter.

The NGOs suggest that the Committee calls upon the Dutch government to provide information on the number of cases in which judges granted or refused a request for exemption from a joint plan for parenthood in its 6th report.

Other issues

Women imprisoned in their marriages

Until recently it was hardly known in the Netherlands that some women are forced to stay captive in their marriages, suffering from psychological and/or physical violence by their former husbands, as a result of religious laws. This phenomenon regards the situation of women who are divorced according to civil law, but not according to religious (mostly Islamic or Jewish) law, as well as the situation of women whose divorce is not acknowledged in the country of origin. Often the former husband refuses to collaborate in the religious divorce proceedings. This situation is a violation of Article 2 and 16 of the Convention.
The government has acknowledged the problem, but is not yet coping successfully with this form of violence in the areas of prevention, protection and persecution of perpetrators.

The NGOs suggest the Committee to urge the Dutch government to take any necessary legal and remedial action to combat this phenomenon and to report thereon in its next report.

Concluding Observation 29 Trafficking in Women and Forced Prostitution

The Committee urges the Netherlands Antilles to adopt without delay legislation criminalizing all forms of human trafficking. The Committee calls upon the Netherlands to ensure that relevant NGOs fully participate by integrating them into the task force created in 2008. The Committee also calls upon the Netherlands to improve the identification of victims of trafficking by associating relevant NGOs with the process and to ensure that trafficked women are not, in any circumstances, held in immigration detention or other forms of custody. The Committee further urges the Netherlands to comply with its obligations to provide protection to all victims of trafficking regardless of their willingness or ability to cooperate in legal proceedings.

1). The Committee urges the Netherlands Antilles and Aruba to adopt without delay legislation criminalising all forms of Trafficking.

The NGOs note that the Dutch Government refers to the relevant provisions in the Criminal Code of the Caribbean territory of the Netherlands, but does not provide insight in the scope and character of the problem. Nor does it pay attention to the availability of support and protection for victims.
The NGOs are concerned that the Dutch Parliament up till now has not paid attention to its special municipalities Bonaire, Saba en St. Eustatius (Parliamentary Debate 16 November 2011). The National Rapporteur on Trafficking in Human Beings has indicated to begin an inventory of the problem on these islands only in 2012. The NGOs have the impression that most of the available resources go to law enforcement and that there are hardly any resources for assistance and support of victims, let alone prevention. Several NGOs are willing and capable to further investigate the extent of the problem in this part of the Kingdom, but there is no funding available to do so.

2). The Committee calls upon the Netherlands to ensure that relevant NGOs are fully integrated into the membership of the anti-trafficking task force.

In response to the recommendations of CEDAW, Comensha has been granted official status within the anti-trafficking taskforce. However, the NGOs consider this to be not sufficient. Also organisations that provide direct assistance and support to victims, such as shelters, should be members of the taskforce. Moreover, there are no organisations with expertise on children represented in the taskforce.
In general, there is still a severe imbalance in the taskforce between representatives of the criminal justice system, and NGOs and service providers working from the perspective of the victims. This is the more serious given the persistent limited focus of the taskforce on the needs and interests of the victims.

The NGOs suggest the Committee to call upon the Dutch government to broaden the anti-trafficking task force’s perspective and focus, so that the needs and interests of the victims are fully looked after, by means of relevant membership of NGOs and service providers.

3). The Committee calls upon the Netherlands to improve the identification of victims of trafficking by associating relevant NGOs with the process.

The NGOs are not convinced by the argumentation of the government why it should not be possible to involve NGOs in the (formal) identification process of victims on a systematic basis.
If victims want to make use of the reflection period (in order to decide whether or not they want to cooperate with the authorities in the criminal investigation and prosecution), they have to report to the police. This is likely to be a deterrent for some victims. According to the NGOs, also relief organisations and lawyers, preferably coupled to shelters that are specialised in receiving trafficked women, should be authorised to identify (possible) victims and apply for the reflection period on behalf of the victim. In addition, methods to start a criminal investigation without a statement of the victim(s) should be further developed and implemented, in analogy to the Covenant on Child Abuse. This would benefit the safety of victims.
The NGOs further note that the government report lacks figures on the number of victims that applied for a temporary residence permit, the number of applications that was rejected and the number of cases in which a reflection period was granted.

4). The Committee calls upon the Netherlands to ensure that trafficked women are not, in any circumstances, held in immigration detention or other forms of custody.

The government report notes that (possible) victims of trafficking in immigration detention are informed by the NGO FairWork about their rights and the options for cooperation with the criminal justice authorities. FairWork, however, reports that there are still (possible) victims in immigration detention. They cannot reach all (possible) victims in detention as they have only limited access to detention centres and are dependent on signals of trafficking passed on by the staff of detention centres and others.
Prolonged efforts to improve the identification of (possible) victims in detention are therefore still needed. FairWork, moreover, reports that in some cases (possible) victims who went to the police for help were denied the right to file a report and subsequently put in immigration detention. In other cases (possible) victims in detention were denied the right to file a report. This is in clear violation of existing policies. It moreover appears to be difficult to submit a complaint against such practices.

The NGOs suggest the Committee to urge the Dutch government to take measures to ensure that (possible) victims are always given the opportunity to file a report, and that proper complaint procedures are in place.

5). The Committee urges the Netherlands to comply with its obligations to provide protection to all victims of trafficking regardless of their willingness or ability to cooperate in legal proceedings.

Access to protection

The report of the Dutch government notes that since January 1st 2011, victims of trafficking who are not able or willing to cooperate with the authorities may be entitled to a residence permit if the victim cannot be expected to cooperate because of serious threats from the trafficker and/or because of physical or mental disabilities.
The report, however, does not provide information on the number of applications submitted and granted under this new rule. The NGOs as well as the network of lawyers specialised in trafficking are not aware of any cases in which this new rule has been applied.

The NGOs suggest the Committee to urge the Dutch government to ensure that this new rule is properly published and to provide figures on the number of applications submitted, granted and rejected under this new rule in its next report.

The report also reiterates the possibility to apply for a residence permit on humanitarian grounds. This possibility, however, only applies to victims who have previously been granted a temporary residence permit on grounds of their cooperation with the police. It therefore does not provide relief to victims who are not willing or able to cooperate with the authorities (and thus not qualify for a temporary residence permit).

For victims who are not able or willing to cooperate with the authorities and who do not qualify for the new rule, the only remaining possibility is to call upon the discretionary power of the Minister of Immigration and Asylum . It is then up to the Minister to decide upon the application on a case-to-case basis. From 2010 onwards the Minister, however, has hardly used this instrument. NGOs, moreover, perceive this instrument as utterly problematic as it is unclear and unverifiable on what criteria decisions are based, thus risking creating inequality before for the law.

The NGOs therefore remain of the opinion that the government should change its official policy and provide all victims of trafficking adequate protection and assistance, independent of their capacity or willingness to cooperate with the authorities in the prosecution of their traffickers.

As to minor victims, according to both the Convention on the Rights of the Child and the 2011 EU Directive on preventing and combating trafficking in human beings and protecting its victims (Directive 2011/36/EU of 5 April 2011), any decision in regard to the granting of residence should be based on the interest of the child. In some cases it might be in the interest of the child to be granted permanent residence if (there is a serious suspicion that) the child is a victim of trafficking. In other cases it might be in the interest of the child to return to their family. In both cases, however, the actual circumstances of the minor should be leading and the decision should be independent of whether the child cooperates with the criminal justice authorities and/or the criminal proceedings.

Recent developments that negatively impact on the position of victims of trafficking

The NGOs are very concerned about three recent developments that undermine access of (possible) victims to assistance and protection.

The first is the recent Parliamentary debate on the alleged abuse of the B9-regulation (by persons who are supposed to falsely pretend to be victims of trafficking), and the measures taken by the government to counteract this alleged abuse, despite the fact that it could not be substantiated by any figures . Members of Parliament even suggested that a decision not to prosecute is proof of a false statement by the victim. This suggestion alarmingly conflates dismissal of a case because of evidence problems and dismissal because of abuse of the regulation. Victims of trafficking may withdraw or change their statement because of fear for their traffickers, or not being able to declare in a consistent and detailed way due to their being traumatised. As a result victims may not be believed and be considered as having made a ‘false’ declaration.
Moreover, due to their complex nature, trafficking cases are often difficult to proof: on an average only 68 % of the cases brought to court leads to a conviction for trafficking, whereas 23 % of the cases is dismissed before it comes to a trial . The NGOs consider this indeed as a reason for concern, which underlines the importance of (further) developing investigation methods that are less dependent on the statements of the victims.

The announced measures to combat the alleged abuse of the B9-regulation include 1) intensifying prosecution of victims for alleged false declarations, 2) revocation of the temporary staying permit as soon as the prosecutor drops the case, including abolishment of the possibility to remain legally in the country while submitting a complaint against the decision not to prosecute, and 3) the abolishment of the reflection period for victims who escaped the trafficking situation more than three months ago.
In the view of the NGOs, these measures heighten the threshold for access to assistance and protection, and reflect and stimulate a systematic attitude of distrust and suspicion towards (possible) victims of trafficking, which will have a direct negative impact on (possible) victims.
Moreover, abolishment of the reflection period for victims who escaped the trafficking situation more than three months ago, is in violation of Article 13 of the Council of Europe Convention on Action Against Trafficking, which prescribes State Parties to provide for a recovery and reflection period of at least 30 days, when there are reasonable grounds to believe that the person concerned is a victim.
Remarkably the Minister does not refer to the obligations of The Netherlands under CEDAW in his letter about the measures to sharpen the B9-regulation .

The NGOs suggest the Committee to urge the Dutch Government to reconsider these measures and to ensure that all (possible) victims have access to the reflection period and are allowed to remain in The Netherlands when they file a complaint against the decision not to prosecute.

Secondly, the recent criminalisation of illegal stay (when a previous entry ban has been issued) by the Implementation Act of the EU Directive on return of illegal immigrants (Directive 2008/115/EC of 16 December 2008), could dissuade undocumented victims of trafficking from reporting to the police. This threshold will most certainly be heightened when the new bill on criminalising all forms of illegal stay will be adopted by the Dutch Parliament.

Both above mentioned developments are closely connected to the current political climate in which restrictive immigration policies increasingly dominate over a human rights-based approach to trafficking. Remarkably enough systematic distrust of victims seems to play a lesser role in regard to victims of so called ‘loverboys’. This is probably due to the fact that combating this form of trafficking is less connected to immigration policies as most of the ‘loverboy’ victims are Dutch subjects. A human rights approach seems to be more accepted here.

The third point of concern is the bill that introduces mandatory registration of prostitutes and the criminalisation of unregistered prostitutes and their clients, while raising the allowed age for prostitutes to 21 and over . The NGOs note that the follow-up report does not pay attention to the bill, despite the fact that there is a clear relation with trafficking. By now, the bill has been adopted by the Second Chamber of Parliament and will be discussed by the Senate in October 2012.

NGOs fear that criminalising prostitutes who are not able or not willing to register themselves, will prevent these groups from turning to the police in case of trafficking or other abuses, and deter prostitute’s clients from reporting suspicions about trafficking to the police. This concern is justified by the experience of social workers that male sex workers only dare to ask for help after they have turned 18 because they (incorrectly ) think that before that age it is punishable to work in the sex industry.

Criminalisation of undocumented migrants and unregistered prostitutes will, moreover, give traffickers extra means to control their victims by threatening them that if they go to the police they themselves are punishable and will be imprisoned. Making an exception for victims of trafficking, as is proposed, does not solve the problem because victims can never fully rely upon application of the exception, for example because the police might not recognise them as victims of trafficking. Moreover, most victims will not be aware of such exception.

NGOs and health organizations are concerned that the proposed mandatory registration and criminalisation will increase the vulnerability of prostitutes for trafficking and other forms of violence, while adding to their stigmatization and undermining their right to privacy and family life. They also expect that traffickers will force their victims to register, as registration provides a semblance of legitimacy, whereas independently working prostitutes will avoid registration to protect their privacy. Moreover, the most vulnerable groups, i.e. undocumented prostitutes and those below the age of 21, are excluded from registration and therefore by definition criminally liable, as they are committing an offence when working as prostitutes.
A related problem is that at the same time as the very costly measure of registration is proposed, funding for outreach work has been cut.

The NGOs want to point out that the government did not take into account the recommendations of CEDAW in regard to the bill . As far as the NGOs are aware, no risk assessment has been made.

The NGOs suggest the Committee to urge the government to reconsider the mandatory registration of prostitutes and the criminalisation of unregistered prostitutes, and to at least carry out a proper risk assessment.

Other issues

The NGOs also want to point out a number of other problems in regard to the implementation of the B9-regulation and the assistance of victims.

EU citizens who are victims of trafficking

There is a lack of clarity in regard to the treatment of victims of trafficking from other EU countries. Although they strictly do not need the B9-regulation to legalise their stay, they equally are in need of shelter and assistance to which they are not automatically entitled as EU citizens. Although the B9-regulation notes that also victims from EU countries may make use of the B9-regulation, in practice this leads to confusion as formally the B9-regulation is part of the Aliens Act that regulates the position of non-EU citizens.

Reflection period

It is not allowed to work during the reflection period, which acts as an obstacle, especially for victims of trafficking in other industries than the sex industry.

Access to interpreters

Due to a change in legislation per January 1st 2012, there is uncertainty if and when victims of trafficking are entitled to a (free) interpreter. Victims who stay in the specialised & women shelters, for example, are entitled to an interpreter, but victims who do not stay in these shelters are not. The Ministry of Welfare is working to solve this problem, but did not manage to do so over the last half year. This has far reaching consequences. Many service providers, for example, hesitate or refuse to use an interpreter because they do not know if its costs will be reimbursed.

Access to shelter

There is still a shortage of shelters. At the moment of writing this shadow report, the coordinating organisation Comensha had a waiting list with 25 victims on it. This is not acceptable. The number of available places in shelters will be expanded per 15 June 2012 with 20 extra beds, but this will not solve the problem. The B9-regulation stipulates that victims are entitled to a shelter, but it is not elaborated how this right can be executed. Currently it depends on the will of the municipality and the shelter concerned if there is a place available.

The NGOs advocate for a national policy framework on the care of victims, including access to a shelter and a (free) interpreter, in which agreements are made between the State and the municipalities with corresponding funding.

Annex 1

Gender Perspective (Council of Europe Convention Against Violence against Women and Domestic Violence – CAHVIO))

Violence against women and domestic violence cannot be addressed without looking at gender equality issues. Women may be subjected to violence because of their gender. Certain types of violence, in particular domestic violence, affect women disproportionately. Consequently, the convention frames the eradication of violence against women and domestic violence in a context of achieving de jure and de facto equality. Its Preamble recognises the structural nature of such violence, which is both a cause and a consequence of unequal power relations between women and men and which limits the full advancement of women. To overcome inequality, the convention requires states to implement gender equality policies and to empower women. It is not about treating women as helpless victims but about making sure they can rebuild their lives.
While the focus of the convention is on all forms of violence against women, which includes domestic violence committed against women, the convention also recognises that there are other victims of domestic violence, such as boys and men. This may include gay men, transgender men or men that do not conform to what society considers to constitute appropriate behaviour. States can choose whether or not to apply the convention to these victims of domestic violence. Applying a gender perspective to these groups of victims is equally important.
Many forms of discrimination, harmful practices and gender stereotypes are the starting point for violent behaviour. For this reason, the convention specifically tackles gender stereotypes in the areas of awareness-raising, education, the media and the training of professionals. It also creates the obligation to ensure that both protective and support measures as well as investigations and judicial proceedings be based on a gendered understanding of violence.
The concept of gender is thus firmly embedded in the convention.