Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 12 mei 1987

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


K ervaart kort na haar in dienst treden dat haar baas haar lastig valt met
het tonen van naaktfoto’s en het doen van uitnodigingen tot seksueel contact.
Nadat hij op een personeelsfeest handtastelijk is geworden en zij luidruchtig
te kennen heeft gegeven daar niet van te zijn gediend, wordt zij op staande
voet ontslagen. Dit ontslag wordt later ingetrokken. K meldt zich ziek en
verzoekt om ontbinding. De kantonrechter overweegt dat een werkneemster niet
behoeft te aanvaarden dat een werkgever haar benadert op een manier welke
redelijkerwijs door die werkneemster als ongewenste inbreuk op haar
persoonlijke integriteit kan worden aangemerkt, zeker niet wanneer zodanige
gedraging een door die werkneemster ongewenst fysiek contact meebrengt. Een
dergelijke benadering zal in het algemeen als een voldoende gewichtige reden
moeten worden aangemerkt om niet alleen ontbinding van de arbeidsovereenkomst
maar ook om toekenning van een schadevergoeding te verzoeken. Er is weliswaar
geen sluitend bewijs geleverd, maar de kantonrechter acht het toch
aannemelijk dat er sprake is geweest van ongewenste intimiteiten. Daarbij
baseert hij zich op `de mening c.q. het gevoelen welke wij op grond van
hetgeen namens partijen is gesteld, maar vooral ook de wijze waarop partijen
zelf zich hieromtrent hebben uitgelaten, op basis van onze ervaring hebben
verkregen.’ Een vergoeding van de inkomensschade wordt billijk geacht. Er is
geen plaats voor vergoeding van de immateriële schade, omdat de kantonrechter
er niet van overtuigd is dat de gedragingen van X een zo ernstige inbreuk
voor K vormden dat daarop de term aanranding van toepassing is. Hoewel K pas
twee maanden in dienst was krijgt zij een vrij lange netto/netto aanvulling
omdat zij een goede baan had achtergelaten om bij deze werkgever te gaan
werken.
Verzoek: ontbinding wegens gewichtige redenen onder toekenning van een
netto/netto aanvulling op de uitkering gedurende een half jaar en immateriële
schadevergoeding van ƒ 8.000.
Beslissing: Ontbinding, aanvulling op uitkering of elders verdiend salaris
gedurende zeven maanden.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift strekt tot ontbinding van de tussen partijen gesloten
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 1639w
van het Burgerlijk Wetboek.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Ter terechtzitting van 6 mei 1987 heeft de mondelinge behandeling
plaatsgevonden.
Gehoord zijn partijen.

Gronden van de beslissing

Tussen partijen staat het volgende vast.
Verzoekster, die 26 jaar oud is, is op 17 november 1986 in dienst van
verweerder getreden.
Haar functie is kapster.
Het salaris bedraagt ƒ 1.900 netto per maand.

Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert
verzoekster aan een verandering in de omstandigheden, welke van dien aard is
dat de dienstbetrekking zo spoedig mogelijk behoort te eindigen.

Hiertoe heeft verzoekster aangevoerd dat verweerder verzoekster verschillende
malen op ongepaste wijze heeft benaderd doordien verweerder verzoekster tegen
verzoeksters zin heeft betast, getracht heeft haar te kussen en er gedurig op
aan te dringen dat verzoekster met verweerder uit zou gaan; verzoekster heeft
Ons verzocht niet alleen de arbeidsovereenkomst te ontbinden doch haar tevens
deswege een vergoeding toe te kennen in de vorm van een aanvulling van haar
sociale uitkering gedurende zes maanden en een bedrag ineens van ƒ 8.000;

Verweerder heeft de hem door verweerster gemaakte verwijten uitdrukkelijk
betwist, zich gerefereerd aan Ons oordeel ten aanzien van de verzochte
ontbinding en Ons verzocht hem terzake van die ontbinding op grond van de
onjuiste verwijten van verzoekster en de negatieve consequenties daarvan voor
verweerder een vergoeding ten laste van verzoekster toe te kennen;

Op grond van de referte van verweerder en Onze overtuiging dat een
voortzetting van het dienstverband niet zinvol kan zijn zullen Wij de
verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitspreken.

Wij stellen voorts voorop dat een werkneemster niet behoeft te aanvaarden dat
haar werkgever inbreuk maakt op een manier welke redelijkerwijs door die
werkneemster als een ongepaste inbreuk op haar persoonlijke integriteit kan
worden aangemerkt, zeker niet indien zodanige gedraging een door die
werkneemster ongewenst feestweek contact medebrengt. Een dergelijke
benadering van de werkgeefster door de werknemer zal – daargelaten of de
werkneemster daaraan andere juridische consequenties zou kunnen verbinden –
in het algemeen als een voldoende gewichtige reden voor die werkneemster
moeten worden aangemerkt om niet alleen ontbinding van de arbeidsovereenkomst
doch ook – in beginsel althans – toekenning van een vergoeding deswege te
verzoeken;

Tevens moeten Wij vaststellen dat – zoals onvermijdelijk gezien de aard van
dergelijke voorvallen tussen werkgever en werkneemster meestal het geval zal
zijn – ook in dit geval niet uit de door partijen aangelegde verklaringen van
derden noch uit de door hem gesteld feiten en omstandigheden af kan worden
geleid dat enig sluitend bewijs omtrent de lezing van ieder der partijen over
het tussen partijen voorgevallen en kan worden voorgebracht, zodat Wij Ons
oordeel zullen moeten baseren op de mening c.q. het gevoelen welke Wij op
grond van hetgeen namens partijen is gesteld maar vooral ook de wijze waarop
partijen zelf zich hieromtrent hebben uitgelaten op basis van Onze ervaring
hebben verkregen. Deze mening is dat Wij het enerzijds voldoende aannemelijk
achten dat verweerder zich jegens verzoekster heeft gedragen op een wijze
welke zij als een ongepaste inbreuk op haar persoonlijke inbreuk op haar
persoonlijke integriteit kon en mocht ervaren zodat een vergoeding terzake
van de ontbinding in beginsel billijk is doch anderzijds zij Wij er niet van
overtuigd dat de gedragingen van verweerder een zo ernstige inbreuk van die
aard zijn geweest, laat staan dat daarop de door verzoekster gebezigde
uitdrukking ‘aanranding’ van toepassing zou zijn dat deze vergoeding een
vergoeding voor immateriële schade als door verzoekster gevorderd zou moeten
impliceren, zodat Wij als volgt beslissen:

Beslissing

I. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juni 1987.

Aan verzoekster wordt een vergoeding toegekend ten laste van verweerder ten
bedrage van een aanvulling van verzoeksters uitkering uit hoofde van de
Sociale wetgeving tot 100% van haar laatstgenoten salaris gedurende een
periode van zeven maanden vanaf voormelde ontbindingsdatum.

Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding.

Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, tot deze
uitspraak aan de zijde van de wederpartij begroot op
ƒ 400, waarvan te voldoen:
ƒ 25 aan verzoekster als door haar voldaan griffierecht,
ƒ 75 aan de griffier van het Kantongerecht te Amsterdam voor het in debet
gestelde griffierecht,
ƒ 300 aan de griffier van het Kantongerecht te Amsterdam als salaris voor de
gemachtigde van verzoekster.

II. Het onder I. gestelde geldt niet indien het verzoek wordt ingetrokken
uiterlijk op 31 mei 1987 voor welk geval de proceskosten worden
gecompenseerd.

Rechters

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 12 mei 1987

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


K ervaart kort na haar in dienst treden dat haar baas haar lastig valt met
het tonen van naaktfoto’s en het doen van uitnodigingen tot seksueel contact.
Nadat hij op een personeelsfeest handtastelijk is geworden en zij luidruchtig
te kennen heeft gegeven daar niet van te zijn gediend, wordt zij op staande
voet ontslagen. Dit ontslag wordt later ingetrokken. K meldt zich ziek en
verzoekt om ontbinding. De kantonrechter overweegt dat een werkneemster niet
behoeft te aanvaarden dat een werkgever haar benadert op een manier welke
redelijkerwijs door die werkneemster als ongewenste inbreuk op haar
persoonlijke integriteit kan worden aangemerkt, zeker niet wanneer zodanige
gedraging een door die werkneemster ongewenst fysiek contact meebrengt. Een
dergelijke benadering zal in het algemeen als een voldoende gewichtige reden
moeten worden aangemerkt om niet alleen ontbinding van de arbeidsovereenkomst
maar ook om toekenning van een schadevergoeding te verzoeken. Er is weliswaar
geen sluitend bewijs geleverd, maar de kantonrechter acht het toch
aannemelijk dat er sprake is geweest van ongewenste intimiteiten. Daarbij
baseert hij zich op `de mening c.q. het gevoelen welke wij op grond van
hetgeen namens partijen is gesteld, maar vooral ook de wijze waarop partijen
zelf zich hieromtrent hebben uitgelaten, op basis van onze ervaring hebben
verkregen.’ Een vergoeding van de inkomensschade wordt billijk geacht. Er is
geen plaats voor vergoeding van de immateriële schade, omdat de kantonrechter
er niet van overtuigd is dat de gedragingen van X een zo ernstige inbreuk
voor K vormden dat daarop de term aanranding van toepassing is. Hoewel K pas
twee maanden in dienst was krijgt zij een vrij lange netto/netto aanvulling
omdat zij een goede baan had achtergelaten om bij deze werkgever te gaan
werken.
Verzoek: ontbinding wegens gewichtige redenen onder toekenning van een
netto/netto aanvulling op de uitkering gedurende een half jaar en immateriële
schadevergoeding van ƒ 8.000.
Beslissing: Ontbinding, aanvulling op uitkering of elders verdiend salaris
gedurende zeven maanden.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift strekt tot ontbinding van de tussen partijen gesloten
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 1639w
van het Burgerlijk Wetboek.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Ter terechtzitting van 6 mei 1987 heeft de mondelinge behandeling
plaatsgevonden.
Gehoord zijn partijen.

Gronden van de beslissing

Tussen partijen staat het volgende vast.
Verzoekster, die 26 jaar oud is, is op 17 november 1986 in dienst van
verweerder getreden.
Haar functie is kapster.
Het salaris bedraagt f. 1.900 netto per maand.

Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert
verzoekster aan een verandering in de omstandigheden, welke van dien aard is
dat de dienstbetrekking zo spoedig mogelijk behoort te eindigen.

Hiertoe heeft verzoekster aangevoerd dat verweerder verzoekster verschillende
malen op ongepaste wijze heeft benaderd doordien verweerder verzoekster tegen
verzoeksters zin heeft betast, getracht heeft haar te kussen en er gedurig op
aan te dringen dat verzoekster met verweerder uit zou gaan; verzoekster heeft
Ons verzocht niet alleen de arbeidsovereenkomst te ontbinden doch haar tevens
deswege een vergoeding toe te kennen in de vorm van een aanvulling van haar
sociale uitkering gedurende zes maanden en een bedrag ineens van ƒ 8.000;

Verweerder heeft de hem door verweerster gemaakte verwijten uitdrukkelijk
betwist, zich gerefereerd aan Ons oordeel ten aanzien van de verzochte
ontbinding en Ons verzocht hem terzake van die ontbinding op grond van de
onjuiste verwijten van verzoekster en de negatieve consequenties daarvan voor
verweerder een vergoeding ten laste van verzoekster toe te kennen;

Op grond van de referte van verweerder en Onze overtuiging dat een
voortzetting van het dienstverband niet zinvol kan zijn zullen Wij de
verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitspreken.

Wij stellen voorts voorop dat een werkneemster niet behoeft te aanvaarden dat
haar werkgever inbreuk maakt op een manier welke redelijkerwijs door die
werkneemster als een ongepaste inbreuk op haar persoonlijke integriteit kan
worden aangemerkt, zeker niet indien zodanige gedraging een door die
werkneemster ongewenst physiek contact medebrengt. Een dergelijke benadering
van de werkgeefster door de werknemer zal – daargelaten of de werkneemster
daaraan andere juridische consequenties zou kunnen verbinden – in het
algemeen als een voldoende gewichtige reden voor die werkneemster moeten
worden aangemerkt om niet alleen ontbinding van de arbeidsovereenkomst doch
ook – in beginsel althans – toekenning van een vergoeding deswege te
verzoeken;

Tevens moeten Wij vaststellen dat – zoals onvermijdelijk gezien de aard van
dergelijke voorvallen tussen werkgever en werkneemster meestal het geval zal
zijn – ook in dit geval niet uit de door partijen aangelegde verklaringen van
derden noch uit de door hem gesteld feiten en omstandigheden af kan worden
geleid dat enig sluitend bewijs omtrent de lezing van ieder der partijen over
het tussen partijen voorgevallenen kan worden voorgebracht, zodat Wij Ons
oordeel zullen moeten baseren op de mening c.q. het gevoelen welke Wij op
grond van hetgeen namens partijen is gesteld maar vooral ook de wijze waarop
partijen zelf zich hieromtrent hebben uitgelaten op basis van Onze ervaring
hebben verkregen. Deze mening is dat Wij het enerzijds voldoende aannemelijk
achten dat verweerder zich jegens verzoekster heeft gedragen op een wijze
welke zij als een ongepaste inbreuk op haar persoonlijke inbreuk op haar
persoonlijke integriteit kon en mocht ervaren zodat een vergoeding terzake
van de ontbinding in beginsel billijk is doch anderzijds zij Wij er niet van
overtuigd dat de gedragingen van verweerder een zo ernstige inbreuk van die
aard zijn geweest, laat staan dat daarop de door verzoekster gebezigde
uitdrukking “aanranding” van toepassing zou zijn dat deze vergoeding een
vergoeding voor immateriële schade als door verzoekster gevorderd zou moeten
impliceren, zodat Wij als volgt beslissen:

Beslissing

I. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juni 1987.

Aan verzoekster wordt een vergoeding toegekend ten laste van verweerder ten
bedrage van een aanvulling van verzoeksters uitkering uit hoofde van de
Sociale wetgeving tot 100% van haar laatstgenoten salaris gedurende een
periode van zeven maanden vanaf voormelde ontbindingsdatum.

Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding.

Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, tot deze
uitspraak aan de zijde van de wederpartij begroot op ƒ 400, waarvan te
voldoen:
ƒ 25 aan verzoekster als door haar voldaan griffierecht,
ƒ 75 aan de griffier van het Kantongerecht te Amsterdam voor het in debet
gestelde griffierecht,
ƒ 300 aan de griffier van het Kantongerecht te Amsterdam als salaris voor de
gemachtigde van verzoekster.

II. Het onder I. gestelde geldt niet indien het verzoek wordt ingetrokken
uiterlijk op 31 mei 1987 voor welk geval de proceskosten worden
gecompenseerd.

Rechters

Instantie: Arrondissementsrechtbank Amsterdam, 4 mei 1987

Instantie

Arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


Appellanten hebben sinds een zevental jaren een duurzame relatie met
elkaar en voeren een duurzaam gemeenschappelijke huishouding zonder met elkaar
gehuwd te zijn. Uit deze relatie is een kind geboren (Mara), dat door
appellanten gezamenlijk wordt verzorgd en opgevoed. Appellante is als
moeder van rechtswege voogdes over het kind die niet door appellant als
biologische vader is erkend

Appellanten verzoeken de bestaande gezagsvoorziening te wijzigen en hen
beiden te bekleden met de ouderlijke macht

De kantonrechter te Amsterdam heeft op 16 februari 1987 dit verzoek
afgewezen omdat, nu de verzoeker de minderjarige niet heeft erkend, niet is
voldaan aan een van de voorwaarden, waaraan voor toewijzing van een verzoek
als het onderhavige dient te zijn voldaan ingevolge de beschikking van de Hoge
Raad van 21 maart 1986, nr. 6952 (RvdW 62), te weten, dat beide ouders tot de
minderjarige in familierechtelijke betrekking staan

De appellanten hebben verder geen steekhoudende argumenten aangevoerd
die de kantonrechter redenen geven af te wijken van de rechtspraak van de Hoge
Raad

Appellanten voeren twee grieven aan tegen de beschikking van de
kantonrechter, luidende als volgt: Door afwijzing van het verzoek van
appellanten, om reden dat het kind niet door de vader is erkend, heeft de
kantonrechter de artikelen 8 en 14 EVRM geschonden

Verzoekers hebben als reden voor het niet door de vader erkennen van het
kind opgegeven, dat zij in onderling overleg tot de slotsom zijn gekomen dat
hun kind de naam van de moeder-voogdes zou moeten behouden, aangezien deze
familienaam dan in ieder geval nog een generatie verder gedragen zal worden

De rechtbank concludeert dat afwijzing van het verzoek van appellanten
enkel op grond dat het kind niet door de vader is erkend een niet te
rechtvaardigen en derhalve met artikel 14 EVRM strijdig onderscheid oplevert
tussen overigens in gelijke omstandigheden verkerende ongehuwde ouders in hun
gezagsrelatie tot hun kinderen

De rechtbank vernietigt de beschikking van de kantonrechter Amsterdam

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 1 mei 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


De onderhavige zaak betreft een beroep op nietigheid op grond van art.
1503 BW, een koopovereenkomst tussen gehuwden. De nietigheid is terecht
ingeroepen. De eigendom is onverschuldigd overgedragen. S. moet die
prestatie ongedaan maken in de vorm van schadevergoeding

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Snijders, Van den Blink, De Groot, Bloembergen, Haak

Instantie: Ambtenarengerecht Amsterdam, 16 april 1987

Instantie

Ambtenarengerecht Amsterdam

Samenvatting


Vrouw is na een dienstverband van negen jaar bij een instelling op
verzoek overgeplaatst naar een andere (hogere) functie. Tot dan toe waren
er in die functie alleen maar mannen werkzaam. Na een jaar wordt zij,
tijdelijk, overgeplaatst naar een lagere functie omdat zij niet goed zou
functioneren

Volgens de vrouw is dit niet juist maar heeft het te maken met het feit
dat zij de enige vrouw is op die plek

BESLISSING RECHTENVROUW: het is in het belang van meerdere vrouwen dat
met name arbeidsplaatsen die van oudsher vrijwel uitsluitend door mannen
worden bezet nu ook toegankelijk worden en blijven voor vrouwen

Afloop: in 1984 is er een spoedvoorziening gevraagd aan de
ambtenarenrechter. Deze is afgewezen omdat er geen spoedeisend belang zou
zijn. Een zeer langdurige interne bezwaarprocedure heeft niet tot resultaat
gehad dat de vrouw werd teruggeplaatst. In 1987 heeft de ambtenarenrechter
in de bodemprocedure bepaald dat er niet onzorgvuldig of discriminerend is
gehandeld. Van hoger beroep is afgezien

Jaarverslag 1984 no. 1, 1985 no. 34, 1986 no. 48, 1987 no. 11

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Klaagster is sedert 1 september 1974 werkzaam als ambtenaar in dienst
van de P.T.T., post district Amsterdam en wel aanvankelijk als
loket-ambtenaar

Per 1 september 1983 is zij benoemd tot hoofdemploye 1e klasse der
P.T.T. in verband met haar aanstelling in de functie van reserve-ambtenaar
Opsporingsdienst waarvan zij op 19 september 1983 de werkzaamheden aanving

De functie van klaagster als postdeskundige bij de postale recherche
hield in hoofdzaak in het assisteren van politie-ambtenaren bij diverse
onderzoeken

De leiding van dergelijke onderzoeken berust bij de betreffende
politie-ambtenaar. Klaagster werkte in een koppel samen met een
politie-ambtenaar

De betreffende afdeling van de postale recherche postdistrict Amsterdam
bestaat uit 8 vaste koppels, 1 reservekoppel (waarvan klaagster deel
uitmaakte), de commandant en de plaatsvervangend commandant van de
betreffende politie-ambtenaren en de chef van de postale recherche alsmede een
C.I.D.-man

Klaagster was toen de enige vrouw op dit deel van de afdeling; de
administratie van de afdeling was destijds wel geheel in handen van vrouwen

Van september 1983 tot medio februari 1984 heeft zij een koppel gevormd
met de politieman Mollers welke samenwerking echter is mislukt

Daar de factor van persoonlijke disharmonie tussen klaagster en haar
eerste koppelgenoot Mollers niet uit te sluiten was, heeft de leiding van de
afdeling postale recherche klaagster, na een extra inwerkperiode door een
collega-postdeskundige gedurende 4 weken, in een ander koppel geplaatst,
ditmaal met de politie-ambtenaar de Wit

Bij de op 11 mei 1984 opgemaakte beoordeling van klaagster over het
tijdvak 26 september 1983 tot 1 maart 1984 is vastgesteld dat de verstreken
praktijkperiode van 6 maanden te kort was geweest om klaagster op alle punten
positief te kunnen beoordelen; de beoordeling van de functievervulling in
haar geheel kwam uit op een D (=voldeed niet geheel aan de eisen)

Als een van de punten die in het beoordelingsgesprek naar voren waren
gebracht is daarbij vermeld dat de beoordeelde speciale aandacht zou moeten
schenken aan het samenwerken met anderen, waarop klaagster meedeelde deze
opmerking goed ter harte te hebben genomen en ernaar te streven daarin te
slagen

Ook de samenwerking met de nieuwe koppelgenoot de Wit bleek echter
problemen mee te brengen, reden voor deze om te klagen bij de leiding van de
postale recherche over klaagster, waarbij onder meer werd gesteld dat haar
eigenzinnige manier van optreden irritatie opwekte en dat er sprake van een
verstoorde samenwerking was

Aan klaagster werd van een en ander mededeling gedaan door de leiding
van de afdeling op 18 september 1984 waarbij haar tevens werd medegedeeld dat
er een verzoek tot overplaatsing zou worden gedaan

Vervolgens is zij, na een gesprek op 24 september 1984, met bijzonder
verlof gezonden

Op 28 september 1984 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden, ditmaal
met het plaatsvervangend hoofd Personeelsdienst P.T.T. mevrouw Philipsen, een
ABVA-vertegenwoordiger en klaagster; onder meer werd toen onderzoek naar de
overplaatsing en een nieuwe beoordeling van haar functioneren aangezegd

Ingaande 8 oktober 1984 is zij overgeplaatst naar de centrale
administratie briefpost aan de Oosterdokskade te Amsterdam, dit op de voet
van artikel 58 ARAR, krachtens welke bepaling de ambtenaaar kan worden
verplicht tijdelijke andere werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij
gewoonlijk verricht mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden
opgedragen

Inmiddels is een tweede beoordeling van klaagster over de periode van 1
maart 1984 tot 24 september 1984 geentameerd die na gesprekken op 3 en 12
oktober 1984 op 22 oktober 1984 is vastgesteld met als beoordeling van de
funktievervulling in haar geheel een E (=voldeed duidelijk niet aan de eisen)

Klaagster heeft bezwaar aangetekend tegen die beoordeling; zij ontkent
dat zij niet kan samenwerken, benadrukt dat zij kwalitatief goed werk levert,
en stelt te menen dat deze negatieve beoordeling voortvloeit uit het feit dat
zij een vrouw is

Namens klaagster is naast een door haar tegen de overplaatsing ingesteld
beroep aan de voorzitter van het Gerecht op 22 oktober 1984 verzocht bij
wijze van voorziening bij voorraad de overplaatsing ongedaan te maken, welk
verzoek door de voorzitter op 16 november 1984, nadat op 12 november 1984 een
modelinge behandeling in Raadkamer had plaatsgevonden, is afgewezen

Van de zijde van verweerder werd bij die gelegenheid gesteld, dat de
toen in geding zijnde overplaatsing een tijdelijke maatregel was in
afwachting van de afronding van interne bezwarenprocedure tegen de tweede
beoordeling van klaagster, eerst waarna een definitieve maatregel zou worden
genomen

Klaagster had op de daarvoor aangegeven wijze bezwaar gemaakt tegen haar
beoordeling over de periode van 1 maart 1984 tot 24 september 1984, doch de
beoordelingsautoriteit vond, blijkens zijn schrijven van 28 december 1984 aan
klaagster, geen gronden om van de beoordeling af te wijken, waarna klaagster
heeft verzocht de beoordeling aan het bevoegd gezag voor te leggen

De betreffende bezwarenprocedure heeft echter zeer veel tijd in beslag
genomen, onder meer door het feit dat bij herhaling door klaagster daartoe
aangezochte personen geen zitting wilde nemen in de in te stellen
bezwarencommissie, waarin klaagster ook een lid mocht aanwijzen alsmede dat de
Commissie op verzoek van klaagster met diverse betrokkene personen en haar
raadsvrouw heeft gesproken, die niet allen steeds beschikbaar waren.
Tenslotte is op 27 maart 1986 vorenbedoelde bezwarencommissie tot een advies
aan verweerder gekomen, welk advies onder meer inhield:

“Advies

“T.a.v. de uitgebrachte beoordeling als zodanig is de commissie “van
mening dat zij niet in staat is hierover een afgerond “oordeel te vellen. De
specifieke werksfeer van de afdeling “Postale Recherche, alsmede het feit dat
mw. Bakker als eerste “vrouwelijke postdeskundige op deze afdeling benoemd
werd, “vormen omstandigheden die het commissie onmogelijk maken zich “een
oordeel te vormen over de situatie waarin de beoordeling “tot stand is
gekomen

“Wel wil de commissie hierbij aantekenen dat zij overtuigd is “van de
integriteit van beoordelaar waar het gaat om diens “oordeel over de
functievervulling van mw. Bakker over de “periode dat zij werkzaam was bij de
Postale Recherche

“De commissie heeft daarnaast vast moeten stellen dat mw. “Bakker
ondanks haar goede wil en inzet niet bereikt heeft een “voor haar werk
absoluut noodzakelijke goede samenwerking met “de haar toegewezen
politie-ambtenaren op te bouwen en in “stand te houden. Gegeven deze feiten
kan de commissie “instemmen met de door het bevoegd gezag in overleg met mw.
“Bakker genomen beslissing tot definitieve verplaatsing naar “een
gelijkwaardige functie binnen het postdistrict

“Gelet op deze beslissing van het bevoegd gezag acht de “commissie het
gewenst dat in het kader van een naar haar “opvatting volledige
conflictoplossing de aangevochten “beoordeling nietig wordt verklaard

“Wellicht ten overvloede tekent de commissie hierbij aan dat het “laten
opstellen van een nieuwe beoordeling gelet hetgeen door “de commissie in haar
advies is overwogen geen doel heeft en “derhalve achterwege zou moeten
blijven .”

Bij besluit van 6 mei 1986 heeft verweerder aan klaagster meegedeeld dat
door hem de beoordeling, die over de periode van 1 maart 1984 tot 24
september 1984 ten aanzien van haar functievervulling is opgemaakt,
ongewijzigd wordt vastgesteld, waarbij verweerder het volgende heeft
overwogen:

“Het advies d.d 27 maart 1986, uitgebracht door de commissie “ingesteld
in het kader van de Regeling Adviescommissie voor de “bezwaren-procedure bij
de beoordeling van de functie-“vervulling, geeft mij geen aanleiding de
opgemaakte “beoordeling te herzien. De commissie heeft zich zelf niet in
“staat geacht een inhoudelijk afgerond oordeel over de “uitgebrachte
beoordeling te vellen. Dit zo zijnde meen ik dat “zij zich van een advies om
de beoordeling nietig te verklaren “had dienen te onthouden, nog afgezien van
het feit dat “nietigverklaring niet tot mijn bevoegdheden behoort

“Ook uit de overige mij ter beschikking staande gegevens, “waaronder met
name de verslagen en rapportage uitgebracht door “mevrouw Helder alsmede de
rapportage van de “beoordelingsautoriteit, is mij niets gebleken van
“omstandigheden die aanpassing van de beoordeling “rechtvaardigen

Namens klaagster is tegen dit besluit tijdig beroep ingesteld, waarbij
met name het volgende is aangevoerd:

“Mw. Bakker is het niet eens met de beslissing van de PTT te “Amsterdam
wat betreft de over haar uitgebrachte beoordeling “over de periode 1 maart
1984 tot 24 september 1984 ongewijzigd “vast te stellen nu de adviescommissie
die op grond van de “Regeling Adviescommissie voor de bezwaren-procedure voor
de “beoordeling van de functievervulling is ingesteld, de directie “van de PTT
geadviseerd heeft de gegeven beoordeling nietig te “verklaren. Ten onrechte
stelt de PTT-directie dat haar niet “gebleken is van omstandigheden die
aanpassing van de “beoordeling rechtvaardigen. Uit het gegeven advies
waarvan “hier een afschrift is bijgevoegd, blijkt dat er in casu sprake “was
van bijzondere omstandigheden, namelijk van een vrouw die “als eerste
vrouwelijke post-deskundige aan een uit in “hoofdzaak mannen bestaand team
werd toegevoegd en die “onvoldoende werd ingewerkt voor haar zware functie.
De “commissie komt o.a. tot de conclusie dat het moment waarop en “de
omstandigheden waaronder de beoordeling is vastgesteld tot “een uiterst
betreurenswaardige en volstrekt nodeloze escalatie “van het geschil heeft
geleid

” “Door zonder nadere motivering, althans onvoldoende gemotiveerd “af te
wijken van het advies van de commissie, handelt de PTT “in strijd met de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur “met name in strijd met het
zorgvuldigheidsbeginsel en het “motiveringsbeginsel

“Ik verzoek u dan ook de beslissing van de PTT-directie van 6-“5-“1986
te vernietigen en te bepalen dat de PTT-directie een “nieuwe beslissing neemt
met inachtneming van uw uitspraak .”

Inmiddels was klaagster, na overleg tussen verweerder en klaagster en
haar raadsvrouw, per 15 augustus 1985 overgeplaatst naar de afdeling
Organisatie, Onderzoek en Ontwikkeling, waar zij overeenkomstig het
salarisniveau dat zij bij de Opsporingsdienst had (schaal 7) tewerkgesteld
werd in de functie van assistent-organisatie-analist

Naar aanleiding van de resultaten van de beoordeling van klaagster in
die laatste functie over de periode van 1 augustus 1985 tot 15 juli 1986 is
klaagster in oktober 1986 in een taak op niveau 6 geplaatst, tegen de
aanzegging waarvan klaagster aanvankelijk wederom in beroep is gekomen bij
het Gerecht, welk beroep zij nadien echter heeft ingetrokken

Volgens haar raadsvrouw was de eerdere functie op de afdeling
Organisatie voor klaagster te hoog gegrepen; volgens de gemachtigde van
verweerder deden zich hier dezelfde problemen met betrekking tot samenwerking
en werken in teamverband voor als bij de Opsporingsdienst, hoewel klaagster
ditmaal een afzonderlijke begeleiding door een vrouw heeft gekregen

Desgevraagd heeft klaagsters raadsvrouw aan de voorzitter van het
Gerecht te kennen gegeven dat weliswaar door het akkoord gaan met de
definitieve overplaatsing naar de afdeling Organisatie de mogelijkheid tot
terugplaatsing van klaagster naar de Opsporingsdienst was uitgesloten, doch
dat toch het beroep tegen het eerste besluit tot tijdelijke overplaatsing per
8 oktober 1984 bij het Gerecht bleef gehandhaafd

Zij verzoekt het Gerecht in een declaratoir vonnis de voorlopige
overplaatsing van klaagster ingaande 8 oktober 1984 in strijd met de wet en
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te verklaren en vast te stellen
dat klaagsters periodieke salarisverhoging ingaande 1 maart 1985 zal worden
uitbetaald, nu deze haar thans niet is gegeven in verband met de voorlopige
overplaatsing

Tenslotte heeft klaagster op 16 augustus 1985 het klaagschrift aldus
aangevuld dat zij verzoekt verweerder te veroordelen tot uitbetaling van een
maandelijkse auto-onkostenvergoeding, welke klaagster gemiddeld per maand zou
hebben ontvangen wanneer zij nog haar werk als postdeskundige had kunnen
doen, berekend over de periode 8 oktober 1984 tot 15 augustus 1985

Ter terechtzitting is namens klaagster nog aangevoerd dat
nietig-verklaring van het besluit tot haar tijdelijke overplaatsing ook een
rehabilitatie voor klaagster betekent

Tevens is een specificatie van klaagsters autokosten vanaf de datum van
overplaatsing tot 1 augustus 1985 overgelegd ter zitting

De beide beroepen zijn behandeld ter terechtzitting van het Gerecht op
25 maart 1987, alwaar klaagster in persoon is verschenen, bijgestaan door Mr.
G. van Driem, advocaat te Amsterdam, als haar raadsvrouw

Verweerder heeft zich aldaar in beide gedingen doen vertegenwoordigen
door Mr. H.J. Vissers, chef Arbeidsvoorwaarden Rechtspositieregelingen
Personeel bij het postdistrict Amsterdam, die als getuige had meegebracht
P.L. Hendriks, wonende te Middenbeemster, chef Opsporingsdienst van het
postdistrict Amsterdam

II Bewijsmiddelen

De gedingstukken, waaronder die betreffende de eerder gevraagde
voorzieningen bij voorraad, alsmede het verhandelde ter terechtzitting van 25
maart 1987 als ook het verhandelde in Raadkamer op 12 november 1984

III Overwegingen

Klaagster is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet 1929 (hierna te
noemen AW) en is door verweerders besluiten van begin oktober 1984 en 6 mei
1986, welke tegen haar persoonlijk als ambtenaar zijn genomen, rechtstreeks
in haar belang getroffen

Nu ook overigens van beletselen daartegen niet is gebleken kan zij in
haar beroep worden ontvangen

Het Gerecht dient thans te beoordelen of de bestreden besluiten kunnen
worden aangetast op een der gronden genoemd in artikel 58 van de AW

Allereerst zal het Gerecht zich buigen over het besluit van 6 mei 1986,
gezien de consequenties van de beoordeling daarvan voor de oordeelsvorming
ten aanzien van het besluit tot tijdelijke overplaatsing

Ten aanzien van verweerders besluit om de beoordeling van klaagster over
de periode 1 maart tot 24 september 1984, die van de 11 beoordelingspunten
slechts op 3 punten op voldoende uitkwam en met name op de punten:
samenwerken met anderen en gegevens begrijpen/situaties doorzien een E-score
voor klaagster opleverde, ongewijzigd (op een E-score als eindtotaal) vast te
stellen, overweegt het Gerecht het navolgende

Uit de voorhanden gegevens blijkt, dat de bezwarenprocedure tegen een
beoordeling, zoals deze is vervat in de regeling voor het beoordelen van de
functievervulling PTT 1973 (hierna te noemen RBF PTT 1973) een uitvoerige
procedure inhoudt met hoor en wederhoor van beoordeelde zijn zienswijze naar
voren te brengen bij een bezwarencommissie, waarin de beoordeelde een lid mag
aanwijzen, van welke commissie het bevoegde gezag advies inwint alvorens de
beoordeling vast te stellen

In casu heeft deze bezwarencommissie onder meer geconcludeerd, dat zij
niet om staat was een afgerond oordeel over de uitgebrachte beoordeling als
zodanig te vellen en heeft vervolgens tot nietigverklaring (kennelijk is
bedoeld: vervallenverklaring) van de beoordeling, zonder nieuwe beoordeling,
geadviseerd

Het bevoegd gezag heeft blijkens artikel 8 van het RBF PTT 1973 de
mogelijkheid een beoordeling vervallen te verklaren onder bepaling, dat een
nieuwe beoordeling wordt opgemaakt over een ander tijdvak. In klaagsters
geval was door de inmiddels geschiede definitieve overplaatsing naar de
afdeling Organisatie een nieuwe beoordeling over een ander tijdvak in geen
geval meer mogelijk

Tevens zij hierbij aangetekend, dat volgens de jurisprudentie voor een
advies tot vervallenverklaring van een beoordeling slechts in
uitzonderingsgevallen plaats is, ook omdat daarmede een materiele beslissing
over het geschil wordt vermeden

Zulks een beslissing was in klaagsters geval echter wel geboden, naar
verweerders gemachtigde ter terechtzitting heeft verklaard, nu klaagster
bezwaar bleef houden tegen de met de negatieve beoordeling samenhangende
tijdelijke overplaatsing

Verweerder heeft ten aanzien van klaagster besloten het advies van de
Bezwarencommissie niet te volgen, onder overweging dat de Bezwarencommissie
zich van een advies om de beoordeling nietig te verklaren, had dienen te
onthouden, nu deze zichzelf niet in staat heeft geacht een inhoudelijk
afgerond oordeel over de uitgebrachte beoordeling te vellen, waarmede
verweerder kennelijk heeft willen stellen, dat het betreffende advies
onvoldoende gemotiveerd was, welke zienswijze het Gerecht kan delen

Vervolgens heeft verweerder de beoordeling ongewijzigd vastgesteld,
gelet op de voorhanden gegevens, waaronder met name de verslagen en
rapportage uitgebracht door de medewerkster van verweerders afdeling
Personeelszaken en Loopbaanplanning J. Helder alsmede de rapportage van de
beoordelingsautoriteit

In een van die verslagen, getiteld: “Zienswijze op de beoordeling van
S.D. Bakker in de functie van postdeskundige” komt genoemde medewerkster tot
de volgende samenvatting:

“De wijze waarop e.e.a. is verlopen verdient m.i. procedureel “niet de
schoonheidsprijs

“De ongeschiktheid van Bakker voor de functie van “postdeskundige is
middels de beoordeling en de toelichting “daarop redelijk goed duidelijk
gemaakt

“Het begeleidingsaspekt is door het werken in koppelverband “wat in de
verdrukking gekomen. Bakker heeft uit eigen beweging “echter nooit aan de
bel getrokken

“In haar toelichting geeft ze aan dat ze in de toekomst (na
“terugplaatsing in haar functie van postdeskundige) wel “begeleiding wenst
van een V&T’er

“De door Bakker geuitte bezwaren en de toelichting daarop zijn “m.i.
niet steekhoudend genoeg om het door de OD geschapen “beeld te veranderen

“De beoordeling is een weergave van dat beeld

“Of de wijze waarop de “kruisjes zijn ingevuld” juist is (D of “E), is
voor mij moeilijk te beoordelen

“In ieder geval geven ze weer dat Bakker niet aan de gestelde “eisen
voldoet

“Tegen deze achtergrond ben ik van mening dat de beoordeling “een
redelijk juiste weergave is van Bakkers functioneren als “postdeskundige en
dat de mankementen in haar functievervulling “redelijk goed met argumenten
zijn onderbouwd .” Deze zienswijze wordt blijkens andere gedingstukken door
de beoordelingsautoriteit onderschreven

Uit verklaringen van klaagsters toenmalige chef Hendriks komt naar
voren, dat in klaagsters onvermogen tot samenwerking, een belangrijk vereiste
bij het werken in “koppels” op deze afdeling van de postale recherche, het
zwaartepunt van het disfunctioneren van klaagster was gelegen

Tenslotte stelt de Bezwarencommissie in zijn advies overtuigd te zijn
van de integriteit van de beoordelaar, waar het gaat om diens oordeel over de
functievervulling van klaagster over de periode, waarin zij werkzaam was bij
de postale recherche en merkt vervolgens op te hebben moeten vaststellen, dat
klaagster, ondanks haar goede wil en inzet niet bereikt heeft een voor haar
werk absoluut noodzakelijke goede samenwerking met de haar toegewezen
politie-ambtenaren op te bouwen en in stand te houden (redenen ook waarom de
commissie uitdrukkelijk instemde met de beslissing tot definitieve
overplaatsing van klaagster naar een gelijkwaardige functie binnen het
postdistrict!

Beziet men nu bovenstaande standpunten in samenhang met de overige over
klaagsters functioneren bij de postale recherche beschikbare gegevens, dan
kan slechts worden geconcludeerd dat de gegeven waarderingen (met als
eindoordeel een E-score inhoudend: “Voldeed duidelijk niet aan de eisen”)
zeker niet op onvoldoende gronden berusten en dat verweerders besluit tot
ongewijzigde vaststelling van deze beoordeling de rechterlijke toetsing
alleszins kan doorstaan

Nu ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit betreffende
de beoordeling kan worden aangetast op een der gronden als vervat in artikel
58 lid 1 van de AW moet het beroep tegen dit besluit ongegrond worden
verklaard

Vervolgens moet het Gerecht het besluit uit begin oktober 1984 tot
tijdelijke overplaatsing van klaagster naar de centrale administratie
briefpost beoordelen, welke overplaatsing geschiedde met toepassing van
artikel 58 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna te noemen: ARAR)

De voorzitter van het Gerecht heeft in de uitspraak bij voorraad d.d. 16
november 1984 reeds overwogen, dat niet aannemelijk is geworden, dat de
betreffende tijdelijke administratieve werkzaamheden klaagster redelijkerwijs
niet zouden zijn op te dragen, welk oordeel het Gerecht overneemt

Weliswaar heeft de tijdelijke tewerkstelling langer geduurd dan
aanvankelijk bedoeld en voorzien, doch dit is niet in overwegende mate aan
verweerder te wijten doch vloeit in niet mindere mate voort uit bij klaagster
gelegen factoren, zodat het Gerecht in de lange duur van de tijdelijke
overplaatsing geen grond acht gelegen om tot nietigverklaring van het
overplaatsingsbesluit te oordelen, zoals klaagsters raadsvrouw kennelijk
beoogt te vorderen, aan welke nietigverklaring zij tevens een schade
vergoeding wenst te koppelen

Overigens is het Gerecht, anders dan verweerders gemachtigde ter
terechtzitting heeft gesteld, van oordeel, dat klaagster, hoewel
terugplaatsing naar de afdeling Organisatie welke met instemming van
klaagster is geschied, niet meer mogelijk is, wel degelijk belang heeft bij
een uitspraak van het Gerecht over dit besluit tot tijdelijke overplaatsing,
reeds gezien de door haar over de autokostenvergoeding en de niet toegekende
periodieke salarisverhoging per 1 maart 1985 ingediende vorderingen, zodat
zij in haar beroep kan worden ontvangen

Het Gerecht overweegt voorts met betrekking tot evengenoemde besluit,
dat, zeker gelet op de in oktober 1984 vastgestelde beoordeling van klaagster
(die nadien in dezelfde negatieve zin ongewijzigd op alle punten door
verweerder bij diens besluit van 6 mei 1986 is vastgesteld), de daaraan
voorafgegane eerste beoordeling van klaagster in de functie bij de postale
recherche met een D-score, derhalve evenmin voldoende, alsmede de problemen,
die klaagsters functioneren bij de postale recherche met name in de gestrande
samenwerking met twee verschillende koppelgenoten met zich had gebracht,
verweerder in redelijkheid kon doen besluiten gebruik te maken van de hem in
artikel 58 van het ARAR gegeven mogelijkheid tot tijdelijke overplaatsing van
klaagster, zulks temeer daar door het weigeren van alle politie-ambtenaren
van de postale recherche om met klaagster samen te werken klaagsters positie
op die afdeling onhoudbaar was geworden

Van klaagsters zijde is bij herhaling benadrukt, dat zij als eerste
vrouw bij deze ‘mannen’-afdeling geen faire kans heeft gehad, onvoldoende is
ingewerkt en in het geheel niet is begeleid ondanks haar uitzonderingspositie
als vrouw, terwijl voorts door haar wordt gewezen op discriminerende
opmerkingen en gedrag van de zijde van haar mannelijke collega’s

In al hetgeen daarover door en namens klaagster is aangevoerd heeft het
Gerecht echter geen aanleiding gevonden om tot gegrondheid van klaagsters
stellingen op dit punt te kunnen geraken

Het Gerecht merkt hierover nog op de indruk te hebben dat de oorzaak van
de mislukte samenwerking veeleer in klaagster persoon en karakterstructuur is
gelegen, die haar voor zo’n ‘voortrekkersfunctie’ op emancipatiegebied minder
geschikt doen zijn. Het valt in dit verband ook op, dat klaagster bij
herhaling aandringt op speciale en extra begeleiding in een nieuwe functie in
verband met haar vrouw-zijn, hetgeen naar het oordeel van het Gerecht juist
niet gaat in het kader van een gelijke behandeling van vrouwen en mannen

Ook de omstandigheid dat thans 2 vrouwen werkzaam zijn op de betreffende
afdeling in een functie, zoals klaagster die destijds bekleedde, zonder dat
Ä
problemen in de samenwerkingssfeer of anderszins is gebleken kan niet
alleen worden verklaard door het feit, dat zij ongeveer tegelijkertijd op
deze afdeling kwamen te werken

Bovendien is ter terechtzitting nog naar voren gekomen, dat de tot deze
afdeling behorende administratie, die in een aangrenzende kamer is
gehuisvest, destijds uitsluitend uit vrouwen bestond (thans zijn daar ook 2
mannen werkzaam) met wie de overige leden van de afdelingen frequent contact
plegen te hebben zodat de positie van klaagster als vrouw op deze afdeling
toch iets minder uitzonderlijk was dan klaagsters stellingen zouden doen
vermoeden

Het Gerecht heeft voorts, ondanks klaagsters tegengestelde bewering,
geen reden te twijfelen aan de stellige verklaring van klaagsters toenmalige
chef Hendriks, dat hij -zij het niet in de vorm van een, toen ook nog niet
bestaand, geconstructureerd functioneringsgesprek- herhaaldelijk met
klaagster heeft gesproken over de problemen, die haar functioneren op deze
afdeling opriep

Het past echter in het beeld van klaagster, zoals dit uit alles naar
voren komt, dat zij deze op- en aanmerkingen van haar chef niet als zodanig
heeft herkend

Alles bijeengenomen kan ook het besluit tot tijdelijke overplaatsing
niet worden aangetast op een der gronden vermeld in artikel 58 lid 1 van de
AW, zodat ook dit beroep ongegrond moet worden verklaard

Voorts acht het Gerecht, reeds gezien evenvermeld oordeel, geen plaats
voor toewijzing van klaagsters vordering ten aanzien van de
autokostenvergoeding, die zij genoot ten tijde van haar functioneren bij de
postale recherche

Ten overvloede wordt overwogen, dat niet is gebleken dat klaagster
verplicht is een nieuwe auto aan te schaffen, toen zij bij de postale
recherche ging werken. Zij diende, aldus verweerders gemachtigde, slechts
bereid te zijn de auto, die zij toen bezat, voor dienstzaken te gebruiken,
waarvoor dan een bepaalde kostenvergoeding wordt verstrekt. De extra kosten,
die door de aanschaf van een andere auto met financiering door klaagster
waren gemaakt, vloeiden dan ook niet voort uit haar aanstelling bij de
postale recherche zodat ook niet valt in te zien waarom verweerder na het
einde van haar werk aldaar door de tijdelijke overplaatsing de
autokostenvergoeding zou moeten doorbetalen. Bovendien zij er nog op gewezen
dat door de tijdelijke overplaatsing de autokosten ook lager waren geworden
nu het werk-gebruik was weggevallen. Voor een toewijzing van klaagsters
vordering op dit punt is te minder aanleiding nu zij blijkens haar verklaring
ter terechtzitting ook nadien deze, naar haar zeggen toch zo kostbare, auto
heeft behouden

Naar aanleiding van een desbetreffende opmerking van klaagsters
gemachtigde merkt het Gerecht overigens op dat uit het procesverbaal van de
Raadkamer-behandeling op 12 november 1984 op geen enkele wijze blijkt van een
zijdens verweerder gedane toezegging op dit punt van de autokostenvergoeding

Tenslotte moet het Gerecht nog oordelen over de vordering tot toekenning
per 1 maart 1985 van een salarisperiodiek, waarop klaagster stelt bij
voortzetting van haar werk bij de postale recherche aanspraak te hebben gehad

Met verweerder is het Gerecht van oordeel dat, nu het bestreden besluit
hierover niet handelt, klaagster in haar betreffende vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard

Ten overvloede zij opgemerkt dat, nu uit de beoordeling duidelijk blijkt
van een beneden de maat-functioneren van klaagster en het in zo’n geval
bestendig beleid is van verweerder op grond van artikel 9 van B.B.R.A. geen
periodieke salarisverhoging toe te kennen, klaagster geen aanspraak op een
periodiek kan maken

Al het vorenoverwogene leidt tot de volgende uitspraak

IV Beslissing

Het Ambtenarengerecht te Amsterdam, rechtdoende, verklaart het beroep
tegen de genoemde besluiten van verweerder ongegrond en verklaart dit beroep,
voorzover dit gericht is tegen het niet-toekennen van een periodieke
salarisverhoging per 1 maart 1985, niet-ontvankelijk

Rechters

Mr. I.A. van Berkel, als voorzitter, mr. A.J. Haakman en A. Visser,leden, in tegenwoordigheid van E. L. Koenders, als griffier

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 14 april 1987

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Het niet slagen van pogingen om eiseres in een passende functie bij de
universiteit te herplaatsen vormt op zich geen voldoende grond voor een
ontslag als waarvan in dit geding sprake is. Doorslaggevend is het antwoord
op de vraag of gedaagde zich redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat
eiseres in haar (oude) functie niet kon worden gehandhaafd. De motivering
van gedaagde is op de rechtzitting van de Raad aangevuld en feitelijk
onderbouwd. De Raad meent dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is
geschaad omdat zijzelf en haar raadsman er ook van overtuigd zijn dat
terugkeer in de oude functie niet meer mogelijk was omdat de onderlinge
verhoudingen te zeer waren verstoord. De aangevallen uitspraak (het
ontslag) komt niet voor nietig-verklaring in aanmerking omdat niet is gebleken
dat gedaagde niet in redelijkheid tot het ontslagbesluit kon komen. Ook is
niet gebleken dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met een algemeen
rechtsbeginsel of beginsel van behoorlijk bestuur. Met noot

Volledige tekst

Rechters

Mrs Boesjes, De Lange en van der Heide

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 9 april 1987

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Anticonceptionele middelen bij ter beschikking van de regering gestelde

Bezwaar van tbr-gestelde tegen toepassing van de prikpil door de
inrichting. Geen dwangmedicatie, wel dreigende aantasting van het recht op
lichamelijke integriteit. Alleen op grond van bijzondere omstandigheden
mocht worden voorbijgegaan aan de door betrokkene gekozen vorm van
anti-conceptie. Zij had in de gelegenheid moeten zijn gesteld aan te tonen
dat zij de van haar verlangde verantwoordelijkheid kon dragen. De Staat,
als toezichthouder op de gang van zaken in de inrichting, had moeten
ingrijpen

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Jansen, Swens-Donner, De Gooijer

Instantie: Human Rights Committee, 9 april 1987

Instantie

Human Rights Committee

Samenvatting


Mw. Broeks heeft een klacht ingediend omdat de Centrale Raad van Beroep
van mening was dat zij geen recht had op een WWV-uitkering zij was immers
kostwinner

Het Human Rights Committee meent dat art. 26 BuPo-verdrag rechtstreekse
werking heeft en de Nederlandse regering moet deze onjuiste beslissing
ongedaan maken

Volledige tekst


8.5 With reference to the Central Board of Appeal’s decision of 26 Novem
ber 1983, which the author criticizes, the State party contends that

“The Central Board of Appeal’s observation that the Covenants employ
different international control systems is highly relevant. Not only do
parties to the Covenants report to different United Nations bodies but, above
all, there is a major difference between the Covenants as regards the
possibility of complaints by States or individuals, which exists only under
the ICCPR. The Contracting Parties deliberately chose to make this
difference in international monitoring systems, because the nature and
substance of social, economic and cultural rights make them unsuitable for
judicial review of a complaint lodged by a State party or an individual.”

9.1 In her comments, dated 19 June 1986, the author reiterates that
“article 26 if the ICCPR is explicitly not confined to equal treatment with
reference to certain rights, but stipulates a general principle of equality.”

9.2 With regard to the State party’s argument that it would be incomp
atible with the aims of both the ICESCR and the ICCPR and the Optional
Protocol thereto that an individual complaint with respect to the rights of
social security as referred to in article 9 of the ICESCR could be dealt with
by the Human Rights Committee, the author contends that this argument is
ill-founded, because she is not complaining about the level of social security
or other issues relating to article 9 of the ICESCR, but rather she claims to
be a victim of unequal treatment prohibited by article 26 of the International
Covenant on Civil and Political Rights

9.3 The author further notes that the State party “seems to admit
implicitly that the provisions of the Unemployment Benefits Act were contrary
to article 26 at the time when (she) applied for unemployment benefits, by
stating that the provisions in question in the meantime have been amended in a
way compatible with article 26 of the ICCPR”

10. The Human Rights Committee has considered the present communication
in the light of all information made available to it by the parties, as
provided in article 5 (1) of the Optional Protocol. The facts of the case
are not in dispute

11. Article 26 of the Covenant on Civil and Political Rights provides:

“All persons are equal before the law and are entitled without any
discrimination to the equal protection of the law. In this repect, the law
shall prohibit any discrimination and guarantee to all persons equal and
effective protection against discrimination on any ground such as race,
colour, sex, language, religion, political or other opinion, national or
social origin, property, birth or other status. “

12.1 The State party contends that there is considerable overla
pping of the provisions of article 26 with the provisions of article 2 of the
International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights. The
Committee is of the view that the International Covenant on Civil and
Political Rights would still apply even if a particular subject matter is
referred to or covered in other international instruments, e.g., the
International Convention on the Elimination of All Forms of Racial
Discrimination, the Convention on the Elimination of All Forms of
Discrimination Against Women, or, as in the present case, the International
Covenant on Economic, Social and Cultural Rights. Notwithstanding the
interrelated drafting history of the two Covenants, it remains necessary for
the Committee to apply fully the terms of the International Covenant on Civil
and Political Rights. The Committee observes in this connection that the
provisions of article 2 of the International Covenant on Economic, Social and
Cultural Rights do not detract from the full application of article 26 of the
International Covenant on Civil and Political Rights

12.2 The Committee has also examined the contention of the State party
that article 26 of the International Covenant on Civil and Political Rights
cannot be invoked in respect of a right which is specifically provided for
under article 9 of the International Covenant on Economic, Social and Cultural
Rights (social security, including social insurance). In so doing, the
Committee has persued the relevant travaux preparatoires of the Covenant on
Civil and Political Rights, namely the summary records of the discussions that
took place in the Commission on Human Rights in 1948, 1949, 1950 and 1952 and
in the Third Committee of the General Assembly in 1961, which provide a
“supplementary means of interpretation” (article 32 of the Vienna Convention
on the Law of Treaties). The discussion, at the time of drafting,
concerning the question whether the scope of article 26 extended to rights not
otherwise guaranteed by the Covenant, were inconclusive and cannot alter the
conclusion arrived at by the ordinary means of interpretation reffered to in
paragraph 12.3 below

12.3 For the purpose of determining the scope of article 26, the
Committee has taken into account the “ordinary meaning” of each element of the
article in its context and in the light of its object and purpose (article 31
of the Vienna Convention on the Law of Treaties). The Committee begins by
noting that article 26 does not merely duplicate the guarantees already
provided for in article 2. Its basis stems from the principle of equal
protection of the law without discrimination, as contained in article 7 of the
Universal Declaration of Human Rights, which prohibits discrimination in law
or in practice in any field regulated and protected by public authorities

Article 26 is thus concerned with the obligations imposed on States in
regard to their legislation and the application thereof

12.4 Although article 26 requires that legislation should prohibit
discrimination, it does not of itself contain any obligation with respect to
the matters that may be provided for by legislation. Thus it does not, for
example, require any State to enact legislation to provide for social
security. However, when such legislation is adopted in the exercise of a
State’s sovereign power, then such legislation must comply with article 26 of
the Covenant

12.5 The Committee observes in this connection that what is at issue is
not whether or not social security should be progressively established in the
Netherlands but whether the legislation providing for social security violates
the prohibition against discrimination contained in article 26 of the
International Covenant on Civil and Political Rights and the guarantee given
therein to all persons regarding equal and effective protection against
discrimination

13. The right to equality before the law and to equal protection of the
law without any discrimination does not make all differences of treatment
discriminatory. A differentiation based on reasonable and objective
criteria does not amount to prohibited discrimination within the meaning of
article 26

14. It therefore remains for the Committee to determine whether the
differentiation in Dutch law at the time in question and as applied to Mrs.
Broeks constituted discrimination within the meaning of article 26. The
Committee notes that in Dutch law the provisions of articles 84 and 85 of the
Dutch Civil Code imposes equal rights and obligations on both spouses with
regard to their joint income. Under Section 13, subsection 1 (1) of the
Unemployment Benefits Act (WWV) a married woman, in order to receive WWV
benefits, had to prove that she was a “breadwinner” – a condition that did not
apply to married men. Thus a differentiation which appears on a level to be
one of status is in fact one of sex, placing married women at a disadvantage
as compared with married men. Such a differentiation is not reasonable; and
this seems to have been effectively acknowledged even by the State party by
the enactment of a change in the law on 29 April 1985, with retroactive effect
to 23 December 1984 (see para. 4.5 above)

15. The circumstances in which Mrs. Broeks found herself at the material
time and the application of the then valid Dutch law made her a victim of a
violation, based on sex of article 26 of the International Covenant on Civil
and Political Rights, because she was denied a social security benefit on
equal footing with men

16. The Committee notes that the State party had no intention to
discriminate against women and further notes with appreciation that the
discriminatory provisions in the law applied to Mrs. Broeks have,
subsequently, been eliminated. Although the State party has thus taken the
necessary measures to put an end to the kind of discrimination suffered by
Mrs. Broeks at the time complained of, the Committee is of the view that the
State party should offer Mrs. Broeks an appropriate remedy

Rechters

onbekend

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 31 maart 1987

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De Raad voor de Kinderbescherming is na echtscheiding belast met het
innen van de alimentatie bij de ex-echtgenoot ten behoeve van de kinderen
De vrouw eist dat de Raad voor de Kinderbescherming maatregelen neemt
zodat zij voortaan aan het begin van de maand over de alimentatie kan
beschikken. Als dat nodig is, moet de Raad voor de Kinderbescherming beslag
leggen op het salaris van de ex-man. Een achterstand in de
alimentatiebetaling moet eveneens door loonbeslag binnen twee maanden worden
weggewerkt

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord. De procedure is in het belang van
meerdere vrouwen. De Raad voor de Kinderbescherming komt, in het algemeen,
te weinig op voor de belangen van vrouwen

AFLOOP: in de uitspraak in kort geding wordt de eis afgewezen. Het
hof bekrachtigd in hoger beroep dit vonnis: het wettelijk systeem dat de
invorderingsbevoegdheid bij uitsluiting aan de Raad voor de Kinderbescherming
toekent, kan de rechter niet doorbreken

De aanvraag voor garantstelling voor cassatie wordt afgewezen gezien de
geringe kans van slagen en de zeer hoge kosten die hier aan verbonden zijn

Jaarverslag 1986 no. 30, 1987 no. 26

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van de feiten:

Bij exploit van 23 september 1986 is appellante, eiseres in eerste
aanleg, van dit vonnis – waarbij het door haar gevorderde is afgewezen – in
hoger beroep gekomen met dagvaarding van geintimeerde voor dit hof, waarna
zij onder wijziging van haar eis bij memorie van grieven acht grieven heeft
aangevoerd en toegelicht met conclusie dat het hof het beroepen vonnis zal
vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad en op de minuut

a. Geintimeerde zal veroordelen zodanige maatregelen te nemen, dat
appellante op de eerste dag van de maand, waarop de betalingsverplichting van
de heer D. ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van haar minderjarige kinderen ontstaat over deze bijdrage kan
beschikken, althans geintimeerde zal veroordelen om onmiddellijk zodra blijkt
dat appellante op de eerste van de maand niet over genoemde bijdrage kan
beschikken zodanige maatregelen te nemen dat appellante zo kort mogelijk na
genoemde vervaldag over het haar toekomende kan beschikken;

b. geintimeerde zal veroordelen zodanige maatregelen te nemen dat
appellante binnen twee weken na het in deze te wijzen arrest kan beschikken
over het bedrag, dat de heer D. achterstallig is over de jaren 1985 en 1986;

c. subsidiair geintimeerde zal veroordelen om appellante te machtigen om
terzake van de kosten van verzorging en opvoeding van haar minderjarige
kinderen alle maatregelen te treffen welke geintimeerde toekomen, niet alleen
voor zover het de maandelijkse bijdrage betreft maar tevens betreffende de
achterstand over de jaren 1985 en 1986;

d. geintimeerde zal veroordelen in de kosten van beide instanties

Geintimeerde heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en
geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep, met
veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep. Vervolgens
hebben partijen ieder nog een akte verzocht

Overwegende ten aanzien van het recht:

1. Appellante heeft als grieven tegen het beroepen vonnis aangevoerd dat
de president ten onrechte:

I. de vordering van appellante P. om de raad te veroordelen zodanige
maatregelen te nemen, dat P. voor het begin van iedere maand kan beschikken
over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van haar
minderjarige kinderen heeft afgewezen;

II. van mening is geweest, dat P. geen aanspraak kan maken op betaling
door D. voor het begin van iedere maand en dat haar aanspraak eerst ontstaat
op de eerste dag van de maand, waarop de betaling betrekking heeft;

III. de vordering van P. om de raad te veroordelen zodanige maatregelen
te nemen dat P. binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen
vonnis kan beschikken over het bedrag dat de heer D. achterstallig is te
betalen over de jaren 1985 en 1986 heeft afgewezen;

IV. heeft overwogen, dat door P. onvoldoende is bestreden de stelling
van de raad, dat de financiele draagkracht van D. niet toe zou laten, dat de
achterstand in bedoelde betalingen ineens zou worden ingelopen;

V. niet is ingegaan op de stelling van P., dat het niet aan de raad is
om te beslissen of de achterstand ineens of in termijnen dient te worden
ingehaald;

VI. niet is ingegaan op de stelling van P., dat de raad niet zelfstandig
had mogen beslissen over de hoogte van de aflossingstermijn, maar dit had
dienen te doen in overleg met P.;

VII. heeft geoordeeld, dat het betalingsgedrag van D. niet van dien aard
is, dat ingrijpen van de raad geboden is en dat dit niet ingrijpen geen
onrechtmatig handelen jegens appellante oplevert;

VIII. de vordering van P., om haar te machtigen om terzake van de kosten
van verzorging en opvoeding van haar minderjarige kinderen alle maatregelen
te treffen, welke de raad toekomen heeft afgewezen;

2.Het hof zal uitgaan van de feiten zoals de president deze in zijn
eerste rechtsoverweging op blz. 2 van het beroepen vonnis heeft vastgesteld,
aangezien tegen deze overweging geen grieven zijn aangevoerd

3. Het hof zal de grieven, welke het tussen partijen gerezen geschil in
volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen, gezamenlijk bespreken

Het geschil is ontstaan daar P. van oordeel is dat de raad voor de
kinderbescherming te Zutphen te weinig actief optreedt bij de incasso van de
door haar voormalige echtgenoot D. ten behoeve van zijn beide minderjarige
kinderen, van wie appellante moeder-voogdes is, verschuldigde
alimentatiebijdragen en ten onrechte buiten haar medeweten en goedvinden een
afbetalingsregeling heeft getroffen ten aanzien van in bovengenoemde
alimentatie ontstane achterstand. Volgens P. dient de raad thans de door
haar gewenste executiemaatregelen te treffen

4. In artikel 406, boek 1, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een
periodieke uitkering of som ineens tot voorziening in de kosten van
verzorging en opvoeding, waarvan het bedrag door de rechter is bepaald, ten
behoeve van het kind aan de raad voor de kinderbescherming moet worden
betaald

Hoewel de raad uiteraard de plicht heeft er zoveel mogelijk voor zorg te
dragen dat de alimentatiebijdragen door de alimentatieplichtige zoveel
mogelijk tijdig aan de raad – in casu uiterlijk op de eerste dag van iedere
maand – worden voldaan en dat een eventueel ontstaan achterstand zo snel
mogelijk wordt ingelopen, impliceert de invorderingsbevoegdheid van de raad,
naar ’s hofs voorlopig oordeel, dat deze ten aanzien van de incasso van
bovengenoemde alimentatiebijdragen een zelfstandige beslissingsbevoegdheid
heeft om in een bepaald geval al of niet (executie) maatregelen te nemen dan
wel een afbetalingsregeling met de alimentatieplichtige te treffen

De raad behoeft in deze, naar ’s hofs voorlopig oordeel, geen
instructies op te volgen, van degene, die de voogdij over de minderjarige
uitoefent, maar heeft in deze een autonome – uiteraard binnen redelijke
grenzen met inachtneming van de belangen van de ouder-voogd uit te oefenen –
taak

5. Het hof is voorshands van oordeel dat het niet mogelijk zal zijn dat
de alimentatiebijdragen steeds voor of op de eerste van de maand in het bezit
van de ouder-voogd zijn, daar rekening moet worden gehouden met de
noodzakelijke dubbele overboeking. nl van de alimentatieplichtige naar de
raad en van deze naar de ouder-voogd. Van de raad mag worden verlangd op
tijdige betaling toe te zien, maar niet dat hij aanstonds maatregelen neemt
bij een geringe vertraging

6. De achterstand in de alimentatiebijdragen is in het onderhavige geval
met name ontstaan doordat de aanvankelijk vastgestelde bijdrage ad ƒ 300,–
per kind per maand – later verhoogd tot maandelijks ƒ 430,55 voor het ene-
en op ƒ 445,55 voor het ander kind – door de rechtbank te Zutphen bij
beschikking van 11 februari 1986 is bepaald op ƒ 550,– per kind per maand,
ingaande 1 januari 1985

Het hof is voorshands van oordeel dat het de raad vrij stond, ook al had
de rechter in zijn beschikking geen termijnbetaling opgenomen, te dezer zake
met de alimentatieplichtige een betalingsregeling overeen te komen, zonder
dat P. daaraan haar goedkeuring had gehecht

7. Hoewel uiteindelijk alleen aan de rechter de beslissingsbevoegdheid
toekomt met betrekking tot een verhoging of verlaging van een
alimentatiebijdrage, mag de raad bij het treffen en uitvoeren van een
afbetalingsregeling wel rekening houden met nieuwe omstandigheden, zoals de
invoering per 1 oktober 1986 van de Wet Studiefinanciering

8. Voorshands is niet aannemelijk geworden dat de raad voor de
kinderbescherming te Zutphen zich in deze op evident onvoldoende wijze van
zijn taak heeft gekweten en/of een buiten redelijke grenzen liggende
afbetalingsregeling heeft getroffen, dan wel klaarblijkelijk ten onrechte
niet tot het nemen van executiemaatregelen is overgegaan

9. Het hof vermag het wettelijk systeem dat bij uitsluiting aan de raad
een invorderingsbevoegdheid toekent met betrekking tot de alimentatie ten
behoeve van minderjarigen niet te doorbreken, en aan P. kan dan ook geen
machtiging worden verleend om buiten de raad om de incasso van de
alimentatiebijdragen en de onstane achterstand zelfstandig ter hand te nemen

10. Daar de aangevoerde grieven niet tot het gewenste doel kunnen
leiden, dient het beroepen vonnis, onder veroordeling van appellante als de
in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de kant van
geintimeerde, te worden bekrachtigd

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep

Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde
van geintimeerde gevallen en tot op heden begroot op ƒ 1.450,-

Rechters

Mrs. Koole, president, Smilde en Spoor, raadsheren, in tegenwoordigheidvan Mooij als griffier

Instantie: Rechtbank Den Haag, 25 maart 1987

Instantie

Rechtbank Den Haag

Samenvatting


Gedaagde heeft in 1972/1973 zijn toen 13-jarige dochter door geweld
gedwongen meermalen vleselijke gemeenschap met hem te hebben. Eiseres
vordert ƒ 25.000,= immateriele schadevergoeding. De rechtbank stelt de
vergoeding vast op ƒ 10.000,= -daarbij in aanmerking nemende enerzijds:
de ernst van de gepleegde misdrijven, de langdurige periode tijdens welke
de misdrijven zijn gepleegd en de ernst van de psychische schade en
anderzijds: het lange tijdsverloop sedert het plegen van die misdrijven
en de inkomenspositie van gedaagde.

Volledige tekst

Overweegt ten aanzien van de feiten:

De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis werd overwogen.

Bij voormeld vonnis werd een comparitie van partijen bevolen, die is
gehouden op 4 februari 1986 en voortgezet op 22 april 1986. Authentieke
afschrift van de te dier zake opgemaakte processen-verbaal is onder de
stukken aanwezig.

Nadat de zaak weer naar de rol was verwezen, heeft eiseres een conclusie
van repliek met producties, tevens akte houdende wijziging van eis genomen
en heeft gedaagde een conclusie van dupliek genomen.

Onder overlegging van de stukken van het geding -waarvan de inhoud, voor
zover niet weergegeven, als hier ingelast moet worden beschouwd- hebben
partijen andermaal vonnis gevraagd.

Overweegt ten aanzien van het recht:

Ook hier neemt de rechtbank over hetgeen in voormeld vonnis werd
overwogen.

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan
wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de
overgelegde producties het navolgende vast:

(a) gedaagde heeft in de periode van 20 september 1972 tot en met 26
december 1973 meermalen door geweld zijn toen minderjarige dochter
-eiseres-, geboren op 18 februari 1959, gedwongen met hem vleselijke
gemeenschap te hebben, welk geweld erin heeft bestaan dat hij opzettelijk
gewelddadig de mond van zijn dochter met zijn handen heeft dichtgedrukt
en zijn handen om de keel van zijn dochter heeft gelegd en die keel heeft
dichtgedrukt;

(b) de rechtbank te ‘s-Gravenhage heeft gedaagde terzake van voormelde
misdrijven bij vonnis van 8 maart 1985 veroordeeld tot een voorwaardelijke
gevangenisstraf, welk vonnis door het hof te ‘s-Gravenhage bij arrest van
27 maart 1986 voor wat betreft de strafoplegging is vernietigd; het hof
heeft gedaagde gedeeltelijk een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
opgelegd;

(c) eiseres heeft tengevolge van de door gedaagde tegen haar gepleegde
misdrijven psychische en lichamelijke schade ondervonden en ondervindt ook
thans nog psychische schade daarvan;

(d) eiseres heeft in verband met de ondervonden schade maatschappelijke
hulp moeten inschakelen en zij is tevens in verband met de psychische
verwerking van het ondervonden leed actief betrokken geraakt bij
hulpverleningsorganisaties, die hulp verlenen aan slachtoffers van incest.

2. Op grond van voormelde vaststaande feiten vordert eiseres na wijziging
van haar eis, waartegen gedaagde zich niet heeft verzet, primair ƒ
25.042,50 te betalen in drie jaarlijkse termijnen waarvan de eerste
vervalt de eerste dag van de maand, volgend op die waarop het door de
rechtbank te wijzen vonnis in kracht van gewijsde zal gaan, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en
subsidiair hetzelfde bedrag (f 25.042,50), in een keer te betalen, te
vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank verstaat dat voormeld
bedrag van ƒ 25.402,50 is onderverdeeld in ƒ 402,50 voor materiele schade
en ƒ 25.000,= voor immateriele schade.

3. Gedaagde heeft, door in voege als voormeld eiseres te verkrachten en
geweld tegen haar te gebruiken, zich schuldig gemaakt aan misdrijven tegen
de persoon van eiseres en is mitsdien uit hoofde van het bepaalde in art.
1407 lid 3 BW gehouden de daaruit voor eiseres ontstane materiele en
immateriele schade te vergoeden.

4. De door eiseres gestelde materiele schade, bestaande uit ƒ 300,= voor
reis- en verblijfkosten in verband met de activiteiten van
hulporganisaties ter verwerking van de incestervaring en ƒ 102,50 voor
kosten in verband met achternaamswijziging, is door gedaagde niet
gemotiveerd weersproken. Deze schadeposten kunnen in redelijkheid als
gevolg van de onrechtmatige daad aan gedaagde worden toegerekend.

5. De rechtbank stelt de immateriele schade ex aequo et bono vast op ƒ
10.000,=. De rechtbank heeft daarbij enerzijds in aanmerking genomen de
ernst van de gepleegde misdrijven, die een grove inbreuk vormen op de
menselijke waardigheid en de seksuele integriteit van eiseres, de
langdurige periode tijdens welke die misdrijven zijn gepleegd en de ernst
van de psychische schade, die eisers daardoor heeft geleden en lijdt,
zoals deze kenbaar is uit de door eiseres overgelegde rapporten van
psychiater en maatschappelijk werkster. De rechtbank heeft anderzijds in
aanmerking genomen het lange tijdsverloop sedert het plegen van die
misdrijven en de inkomenspositie van gedaagde die naar zijn eigen
stellingen ƒ 1.645,16 netto per maand ontvangt en volgens de stellingen
van eiseres ƒ 2.500,= netto per maand. Ook indien het door eiseres
opgegeven bedrag van ƒ 2.500,= netto per maand het juiste zou zijn, meent
de rechtbank dat de immateriele schade niet op een hoger bedrag dient te
worden vastgesteld.

6. Overeenkomstig de primaire vordering van eiseres zal gedaagde worden
veroordeeld om de schadevergoeding in drie jaarlijkse termijnen te
betalen.

7. Als de in het ongelijk gesteld partij zal gedaagde in de kosten van dit
geding worden veroordeeld.

Rechtdoende:

Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen de som van ƒ 10.402,50 (tienduizend vierhonderdtwee gulden en
vijftig cent), te betalen in drie gelijke termijnen van ƒ 3.467,50
(drieduizend vierhonderd zevenenzestig gulden en vijftig cent), waarvan
de eerste termijn vervalt de eerste dag van de maand, volgend op die
waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, waarvan de
tweede termijn vervalt twaalf maanden na het vervallen van de eerste
termijn en waarvan de derde termijn vervalt twaalf maanden na het
vervallen van de tweede termijn, te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 17 september 1985;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad:

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding tot op deze uitspraak aan
de zijde van eiseres begroot op ƒ 2.660,50, aan de griffier deze rechtbank
te voldoen.

Rechters

Mr. P.N. Wakkie