Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 28 april 1986

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Verzoekster wenst ontbinding van de arbeidsovereenkomst, wegens de
voorgevallen ongewenste intimiteiten en verzoekt een vergoeding van Smits
Sigarenmagazijn van ƒ 10.000,– (tienduizend gulden)

Bij tussenbeschikking is X. toegelaten tot het bewijs dat de directeur
van bovengenoemde B.V. avances tegen X. heeft gemaakt en haar herhaaldelijk
heeft lastig gevallen. Hiertoe zijn vier getuigen gehoord, en de B.V. heeft
twee getuigen in het tegenverhoor naar voren gebracht

Van de verklaringen afgelegd door de door X. voorgebrachte getuigen, kan
aan slechts een waarde worden toegekend. Deze levert niet het bewijs op van
datgene, wat X. mocht bewijzen, derhalve moet haar verzoek worden afgewezen

Duidelijk is dat dit verzoekschrift de verhouding tussen partijen
grondig verstoord heeft, daarom ook wordt de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst ontbonden. X. wordt veroordeeld in de kosten van dit
geding aan de zijde van Smits B.V

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.G. Schoonhoven, kantonrechter

Instantie: Hof van Justitie van de EG, 17 april 1986

Instantie

Hof van Justitie van de EG

Samenvatting


Het betreft een uitspraak over drie prejudiciele vragen die de Hoge Raad
heeft gesteld over de uitleg van art. 7 en 48 EEG-Verdrag en van art. 10
Verordening nr. 1612/68. De vragen zijn gerezen in een geschil over de
afwijzing van een verblijfsvergunning van een partner van een werknemer uit
een andere lidstaat. De uitspraak is dat art. 10 van de Verordening niet zo
kan worden uitgelegd dat een partner die een vaste relatie heeft met een
werknemer-onderdaan van een lidstaat moet worden gelijkgesteld met de
‘echtgenoot’ bedoeld in die bepaling. Het woord ‘echtgenoot’ doelt op een
op het huwelijk gebaseerde relatie, bij gebreke van enige aanwijzing omtrent
een algemene maatschappelijke ontwikkeling die een extensieve interpretatie
zou rechtvaardigen. De artt. 7 en 48 EEG-Verdrag verbieden discriminatie op
grond van nationaliteit. Een lidstaat maakt zich schuldig aan deze
discriminatie als onderdanen wel toestemming krijgen voor verblijf van een
ongehuwde partner en migrerende werknemers-onderdanen van andere lidstaten
niet

Volledige tekst

Rechters

Everling, Koopmans, Bahlmann, Joliet, kamerpresidenten, Due, Galmot,Kakouris, O’Higgins, Schockweiler, rechters

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 9 april 1986

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Gedaagde, toen zestien jaar oud, heeft in de periode maart/april 1984 het
meisje minstens vier maal meegenomen naar een ruimte achterin een winkel
en haar daar zijn geslachtsdelen laten zien en laten aanraken en ook het
meisje haar geslachtsdelen laten ontbloten, terwijl hij voorts het meisje
eenmaal zijn geslachtsdeel in haar mond heeft laten nemen. Toegewezen: ƒ
2.500,= ten behoeve van de minderjarige. Gevorderd: ƒ 5.000,= ten behoeve
van de minderjarige en ƒ 9.500,= ten behoeve van eiseres in haar
hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige. Er
moet worden aangenomen dat de met het meisje gepleegde ontucht psychisch
leed voor haar heeft meegebracht. Eisereses vordering van vergoeding van
immateriele schade wegens aan haar toegebracht psychisch leed, is niet
toewijsbaar. Gedaagde heeft zich, door bedoelde seksuele handelingen met
het meisje te plegen, schuldig gemaakt aan een misdrijf tegen de persoon
van laatstgenoemde en is mitsdien uit hoofde van het bepaalde in artikel
1407 BW aansprakelijk, doch uitsluitend jegens het meisje. Gelet op de
leeftijd van het meisje ten tijde van de gepleegde handelingen en omdat
geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat het aan het
meisje toegebrachte leed uitzonderlijk groot is, stelt de rechtbank
bedoelde immateriele schade vast op ƒ 2500,=. Eiseres vordert vergoeding
van materiele schade, zijnde de kosten van de in haar ogen noodzakelijk
geworden verhuizing. Niet toegewezen. De proceskosten worden
gecompenseerd.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis heeft eiseres van
gedaagde gevorderd betaling voor zich van ƒ 9.500,= en in haar
hoedanigheid als voornoemd van ƒ 5.000,= als schadevergoeding wegens door
F.O. gepleegde ontucht met haar dochter S.A.L.

Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde de vorderingen van eiseres
bestreden en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van
eiseres in de kosten. Bij nadien genomen akte heeft gedaagde een deel van
de grondslag van zijn verweer niet langer gehandhaafd.

Bij conclusie van repliek met bewijsstukken heeft eiseres haar stellingen
nader toegelicht en bij haar standpunt volhard.

Bij conclusie van dupliek heeft ook gedaagde zijn stellingen nader
toegelicht en bij zijn standpunt volhard.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor vonniswijzing overgelegd.
Daarbij bevindt zich een fotokopie van een afschrift van een beschikking
van de kantonrechter te Amsterdam van 7 januari 1985, waarbij eiseres is
gemachtigd de vordering ten behoeve van haar dochter S.A.L. tegen gedaagde
te stellen.

Gronden van beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende
weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van
de overgelegde bewijsstukken staat in deze procedure vast dat de
minderjarige F.O., toen 16 jaar, in de periode maart/april 1984 met de
dochter van eiseres S.A.L. voornoemd, toen 6 jaar oud, seksuele handelingen
heeft gepleegd als in punt 2 van de dagvaarding aldus omschreven:

“F.O. junior heeft S.A.L. meerdere malen, in ieder geval vier maal
meegenomen naar een ruimte achter de winkel en haar daar zijn
geslachtsdelen laten zien en aanraken en ook S.A.L. haar geslachtsdelen
laten ontbloten terwijl hij S.A.L. voorts eenmaal zijn geslachtsdeel in
haar mond heeft laten nemen.”

2. Eiseres stelt dat dit een onrechtmatige daad oplevert zowel tegenover
eiseres als tegenover S.A.L. Zij vordert voor zichzelf en voor S.A.L.
vergoeding van immateriele schade en voor zichzelf bovendien van materiele
schade, zijnde de kosten van de in haar ogen door de onder 1. genoemde
gebeurtenissen noodzakelijk geworden verhuizing.

3. De vorderingen ten behoeve van eiseres in persoon wegens immateriele
schade op grond van haar toegebrachte psychisch leed (zij stelt door het
gebeurde ernstig uit haar evenwicht te zijn geraakt) en wegens
verhuiskosten zijn niet toewijsbaar. F.O. heeft zich, door bedoelde
seksuele handelingen met S.A.L. te plegen, schuldig gemaakt aan een
misdrijf tegen de persoon van laatstgenoemde en is mitsdien uit hoofde van
het bepaalde in artikel 1407 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk,
doch uitsluitend jegens S.A.L.

4. De vordering wegens immateriele schade ten behoeve van S.A.L. zal
worden toegewezen. Als van algemene bekendheid moet worden aangenomen dat
de met S.A.L. gepleegde ontucht voor haar psychisch leed met zich heeft
meegebracht. Gelet op de leeftijd van F.O. ten tijde van de gepleegde
handelingen en omdat geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit
volgt dat het aan S.A.L. toegebrachte psychische leed uitzonderlijk groot
is, stelt de rechtbank bedoelde immateriele schade naar redelijkheid vast
op ƒ 2.500,=. Waar partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld
zal de rechtbank de proceskosten tussen hen verrekenen als na te melden.
Een en ander leidt tot de navolgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

-veroordeelt gedaagde om aan eiseres in haar hoedanigheid van wettelijk
vertegenwoordigster van S.A.L. te betalen ƒ 2.500,= (tweeduizend
vijfhonderd gulden) met de wettelijke rente vanaf 18 januari 1985 tot aan
deze betaling;

-verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

-verrekent de proceskosten tussen partijen zo, dat iedere partij de eigen
kosten draagt;

-wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Orobio de Castro, A.J. Beukenhorst en W.M. van den Bergh

Instantie: Hoge Raad, 21 maart 1986

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Nadat de Hoge Raad op 4 mei 1984 gezamenlijke ouderlijke macht voor
gescheiden ouders mogelijk heeft gemaakt, kunnen nu ook ongehuwde ouders, die
met het kind in familierechtelijke betrekking staan, met de gezamenlijke
ouderlijke macht worden bekleed.

De vrouw en de man wonen al geruime tijd samen. Wanneer zij op 21
september 1984 een zoon krijgen, blijven beiden 2 1/2 dag per week werken.
Wanneer de een buitenshuis werkt, verzorgt de ander het kind. Zij streven naar
een evenwichtige verdeling van de feitelijke verzorging van het kind.

De moeder is van rechtswege voogdes en de vader, die het kind heeft
erkend, is tot toeziend voogd benoemd. Zij verzoeken de kantonrechter bekleed
te worden met de gezamenlijke ouderlijke macht. De kantonrechter verklaart
zich onbevoegd en de rechtbank wijst in hoger beroep het verzoek af. Daarna
gaan beide ouders in cassatie.

Volledige tekst

De Hoge Raad

3. Beoordeling van het middel

3.1. De ouders die in dit geding wensen te worden bekleed met de
ouderlijke macht over hun minderjarige zoon, staan weliswaar beiden tot die
zoon in familierechtelijke betrekking, doch zijn met elkaar niet gehuwd, noch
gehuwd geweest. Hun verzoek stelt de vraag aan de orde of naar Nederlands
recht, zoals dat tegen de achtergrond van de artt. 8 en 14 EVRM valt te
verstaan, ouderlijke macht kan toekomen aan ouders die weliswaar tot hun
minderjarige kinderen in familierechtelijke betrekking staan, doch niet of
niet meer met elkaar zijn gehuwd.

(…)

3.6 Zoals reeds onder 3.4 is aangestipt, is voor het bekleden van ouders
die niet met elkaar zijn gehuwd, met de ouderlijke macht over hun kind een
beschikking van de rechter vereist.

Het wettelijk stelsel gaat er vanuit dat de kantonrechter de rechter is
die beslist over gezagsvoorzieningen met betrekking tot minderjarigen die niet
van rechtswege onder ouderlijke macht staan. Daarmede strookt aan te nemen dat
een verzoek tot het geven van een beschikking waarbij niet met elkaar gehuwde
ouders worden bekleed met de ouderlijke macht, op de voet van de artt. 1: 287
t/m 291 BW moet worden gericht tot de kantonrechter en door deze worden
behandeld met inachtneming van de bepalingen van de zevende Titel Boek III Rv,
meer in het bijzonder van de artt. 957 e.v. Rv.

Dit verzoek, dat door elk der ouders kan worden ingediend, kan slechts
worden toegewezen indien:

a. beide ouders tot het kind in familierechtelijke betrekking staan en
tot uitoefening van het gezag over dit kind bevoegd zijn;

b. blijkt dat beide ouders wensen met de ouderlijke macht te worden
bekleed;

c. aannemelijk is dat tussen de ouders de goede onderlinge
verstandhouding bestaat die vereist is voor gezamenlijke uitoefening van het
gezag, alsmede voor het in onderling overleg voorzien in de kosten van
verzorging en opvoeding van het kind, en

d. het belang van het kind zich niet daartegen verzet.

Wat de onder c bedoelde voorwaarde betreft, verdient aantekening dat als
de ouders ten tijde van het inleidend onderzoek samenwonen, in de regel valt
te veronderstellen dat zij is vervuld; wonen de ouders alsdan niet meer samen,
dan zal aannemelijk moeten worden dat zij niettemin is vervuld.

Wordt het verzoek toegewezen, dan wordt van dit rechtsfeit dat
betrekking heeft op het over de minderjarige uitgeoefende gezag – hij staat
als dan immers onder ouderlijke macht met alle daaraan in de wet verbonden
rechtsgevolgen – op de voet van art. 2 eerste lid onder a Besluit van 26 nov.
1969, Stb. 526 aantekening gehouden in het in art. 1:224 BW bedoelde
register.

Met het in gewijsde gaan van de beschikking waarbij aldus de ouderlijke
macht wordt verleend, verliest een voordien tegen een der ouders op de voet
van art. 1:406 BW uitgesproken beschikking haar werking.

Beide ouders kunnen op de voet van art. 1:291 BW intrekking vragen van
de beschikking waarbij zij aldus met de ouderlijke macht zijn bekleed. De
rechter voldoet aan dit verzoek, indien hem blijkt dat een van de hiervoor
onder c en d vermelde voorwaarden niet langer is vervuld. De rechter voorziet
alsdan met inachtneming van de artt. 289 en 290 in de voogdij en de toeziende
voogdij zoals hij het meest in het belang van het kind oordeelt.(…)

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Rechtbank
te Utrecht van 10 juli 1985 en verwijst het geding naar deze rechtbank ter
verdere behandeling en beslissing.

Rechters

Mrs. Ras, Snijders, Martens, De Groot, Boekman; A-G Moltmaker

Instantie: Hof van Justitie EG, 26 februari 1986

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Mevrouw Beets-Proper werkte sinds 1969 als secretaresse bij de bank
Vermeer & Co te Amsterdam en, na de fusie van deze instelling met de
rechtsvoorgangster van Van Lanschot in 1972, tot augustus 1982, bij deze
laatste bank. Op haar arbeidsverhouding was van toepassing de Colectieve
Arbeidsovereenkomst voor het Bankbedrijf 1980 en 1981 en de pensioenregeling,
zoals neergelegd in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds F.
van Lanschot. Artikel 3 van dit reglement bepaalt, dat de deelnemers aan de
pensioenregeling aanspraak hebben op pensioen “ingaande de pensioendatum”.
Deze datum wordt in artikel 1 van het reglement omschreven als “de eerste van
de maand volgend op die waarin de mannelijke deelnemer 65 jaar en de
vrouwelijke deelnemer 60 jaar wordt”. Mevrouw Beets-Proper bereikte in
augustus 1982 de zestigjarige leeftijd. Verweerste beschouwde het
dienstverband ingevolge een stilzwijgende beding tot beeindiging van de
arbeidsvoorwaarden van rechtswege geindigd op 1 september 1982, zonder dat
haar ontslag behoefde te worden aangezegd. Bij brief van 2 augustus 1982
deelde verweerster haar mee dat zij recht had op een ouderdomspensioen,
alsmede tot aan de leeftijd van 65 jaar op een aanvullend pensioen. Vanaf 1
september 1982 werd eiseres niet meer tot haar werk toegelaten. Reeds in mei
1981 had eiseres aan verweerster de wens te kennen gegeven om na de
pensioendatum de arbeidsverhouding voort te zetten, eventueel op basis van
gedeeltelijke werktijd. Verweerster deelde haar echter in november 1981 mee,
dat aan dit verlangen niet kon worden voldaan. Bij exploot van 16 september
1982 deed eiseres verweerster in kort geding dagvaarden voor de president van
de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam met de vordering, weer te worden
toegelaten tot haar werk als directie-secretaresse op verweersters kantoor en
tot betaling van haar salaris vanaf 1 september 1982, zulks totdat de
arbeidsovereenkomt rechtsgeldig zou zijn beeindigd. Eiseres wendde zich voorts
met een klacht tot de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid, ingesteld bij de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (Stb. 1975,
129). In haar naar aanleiding van deze klacht kenbaar gemaakte zienswijze van
14 februari 1983 kwam deze Commissie tot de conclusie “dat ten nadele van
aanvraagster direct onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen bij het
beeindigen van de arbeidsovereenkomst door het hanteren van verschillende
leeftijdsgrenzen. Nadat haar vordering door de president van de
Arrondissementsrechtbank was afgewezen, stelde verweerster hoger beroep in bij
het Gerechtshof te Amsterdam, dat bij arrest van 19 mei 1983 het vonnis
waarvan beroep bekrachtigde, daartoe onder meer overwegende “dat de
uitzondering bedoeld in artikel 1637ij, eerste lid, tweede zin, hier van
toepassing is”.

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft zich voor het bestaan van “het nauwe
verband tussen het einde van de arbeidsovereenkomst en de aanvang van het
pensioen” mede gebaseerd op het feit, dat vrouwelijke werknemers in dienst van
verweerster, die op 60-jarige leeftijd worden gepensioneerd, “het haar toe te
kennen premeivrije pensioen opbouwen met 2% van de grondslag jaarlijks,
terwijl daarentegen de mannelijke werknemers voor wie een 65-jarige
pensioengerechtigde leeftijd geldt slechts 1,75%….. in rekening zien
gebracht”.

Van dit arrest heeft eiseres beroep tot cassatie ingesteld bij de Hoge
Raad, die het Hof de volgende prejudiciele vraag heeft voorgelegd:

“Laat de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9
februari 1976 (76/207) aan de Lid-Staten de vrijheid om onder de
arbeidsvoorwaarden, ter zake waarvan krachtens die richtlijn gelijke
behandeling van mannen en vrouwen moet worden voorgeschreven, niet mede te
begrijpen een uitdrukkelijk of stilzwijgend beding inzake de beeindiging van
de arbeidsovereenkomst op grond van de door de werknemer bereikte leeftijd,
als dit abeding verband houdt met de leeftijd waarop de werknemer aanspraak
krijgt op een pensioenuitkering?

Het Hof verklaarde voor recht dat

“Artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 aldus moet worden verstaan dat
het de Lid-Staten niet de vrijheid laat, van het toepassingsgebied van het
beginsel van gelijke behandeling uit te sluiten een uitdrukkelijk of
stilzwijgend beding in een op basis van een collective overeenkomst gesloten
arbeidsovereenkomst, die tot gevolg heeft dat de arbeidsverhouding wordt
beeindigd op grond van de door de werknemer bereikte leeftijd, indien deze
leeftijd verband houdt met de -voor mannen en vrouwen verschillende- leeftijd
waarop de werknemer aanspraak krijgt op een pensioenuitkering”.

Volledige tekst

DECISION

1 By an order of 2 November 1984, which was received at the Court on 9
November 1984, the Hoge Raad der Nederlanden referred to the Court for a
preliminary ruling under Article 177 of the EEC Treaty a question concerning
the interpretation of Council Directive No 76/207 of 9 February 1976 on the
implementation of the principle of equal treatment for men and women as
regards access to eployment, vacational training and promotion, and working
conditions (Official Journal 1976, L 39, p. 40).

2 The question was raised in the course of proceedings between V.M.
Beets-Proper (herinafter referred to as ’the appellant’) and F. Van Lanschot
Bankers NV (herinafter referred to as ’the respondent’) concerning the
compatibility of the appellant’s dismissal with Article 1637ij of the
Netherlands Civil Code and with Community law.

3 The appellant worked as a secretary with Vermeer & Co. bankers of
Amsterdam, from 1969 until that company’s amalgamation in 1972 with the
respondent, and from then until the end of August 1982 with the latter. The
employment relationship between the parties was governed by the collective
labour agreement for the banking sector for the years 1980 and 1981 and the
pension scheme of the ‘F. Van Lanschot Pension Fund’.

Article 3 of that scheme provides that the persons affiliated to it are
entitled to an old-age pension ‘from the date of retirement’. That date is
defined in Article 1 as ’the first day of the month following the month in
which a person affiliated to the scheme attains the age of 65 in the case of a
man and 60 is the case of a woman”.

Since the appellant reached the age of 60 in August 1982, the respondent
took the view that the employment relationship automatically ended on 1
September 1982 by virtue of an implied condition to that effect in the
contract of employment, without the need for any notice of dismissal. By a
letter dated 2 August 1982 the respondent informed the appellant that she was
entitled to an old-age pension together with a supplementary pension payable
until she attained the age of 65. She has not been admitted to work since 1
September 1982.

6 In May 1981 the appellant had expressed her wish to continue her
employment, possibly on a part-time basis, after the date on which she was due
to retire. In November 1981 the respondent had informed her that her wish
could not be satisfied.

7 By a writ of 16 September 1982 the appellant applied to the president
of the Arrondissementsrechtbank [District Court], Amsterdam, for an
interlocutory injunction requiring the respondent to allow her to resume her
work as an executive secretary in the respondent’s offices and to pay her
salary from 1 September 1982 until such time as the contract of employment
should be terminated in a legally valid manner.

8 The appellant also submitted a complaint to the Commissie Gelijke
Behandeling van Mannen en Vrouwen bij de Arbeid [Commission on Equal Treatment
of Men and Women in Employment at Work], established by the Wet gelijk loon
voor vrouwen en mannen [Law on equal pay for men and women] (Staatsblad 1975,
129). In its opinion of 14 February 1983 on that complaint, the Commission
concluded ’that a direct distinction is made, to the disadvantage of the
applicant, between men and women with regard to the termination of the
contract of employment by the application of different age limits’.

9 After the dismissal of the appellant’s application by the
Arrondissementsrechtbank she appealed to the Gerechtshof [Regional Court of
Appeal], Amsterdam, which, by judgment of 19 May 1983, confirmed the judgment
of the lower court on the ground ’that the exception referred to in the second
sentence of paragraph (1) of Article 1737ij [of the Civil Code] is applicable
in this case’.

10 Article 1637ij of the Netherlands Civil Code provides as follows:

‘(1) As regards the conclusion of a contract of employment, staff
training, the terms of employment, promotion and the termination of the
contract of employment, an employer may not make any distinction between men
and women, either directly or indirectly, for example by reference to marital
status or family circumstances. The terms of employment do not include
benefits or entitlements under pension schemes. The first sentence of this
paragraph shall not apply in those cases in which an employee’s sex is a
decisive factor.

(2) Any clause which is contrary to the first sentence of the paragraph
(1) shall be void.

(3) The first sentence of the paragraph (1) shall not apply as far as
concerns clauses relating to the protection of women, in particular in
connection with pregnancy and maternity.

(4) The first sentence of paragraph (1) shall not apply as far as
concerns clauses which are intended to place employees of a particular sex in
a privileged position in order to eliminate factual inequalities.

(5) The termination of a person’s employment on account of the fact that
ë

employee has invoked the provisions of paragraph (1), whether before a
court or otherwise, shall be void. An employee shall be entitled to invoke the
nullity of the termination of his employment during a period of two months
after he was given notice or after his employment was terminated if his
employer terminated it otherwise than by giving notice. He shall do so by
serving notice on the employer. The termination of employment referred to in
the first sentence of this paragraph shall not make the employer liable in
damages.

(6) When concluding or terminating a contract of employment, an employer
may not make any distinction between married and unmarried persons.’

11 The Gerechtshof, Amsterdam, based its judgment on the existence of a
‘close connection between the termination of the contract of employment and
the commencement of the pension’, and in particular on the fact that the
respondent’s female employees, who retire at the age of 60, acquire pension
rights, on a noncontributory basis, at a rate of 2% of the basic salary for
each year of service, whereas male employees, whose retirement age is fixed at
65, acquire such rights at the rate of 1.75%’.

12 The appellant brought an appeal on a point of law against that
judgment before the Hoge Raad der Nederlanden, which referred the following
question to the Court of Justice for a preliminary ruling:

‘Does Council Directive No 76/207/EEC of 9 February 1976 allow the
Member States the freedom not to include among the conditions of employment in
respect of which equal treatment for men and women must be laid down pursuant
to that directive an express or implied condition concerning the termination
of the contract of employment on the ground of the age attained by the
employee, where that condition relates to the age at which the employee
becomes entitled to a pension?’

Relevant legal provisions

13 Article 1 (1) of Directive No 76/207 provides as folows:

‘The purpose of this directive is to put into efeect in the Member
States the principle of equal treatment for men and women as regards access to
employment, including promotion, and to vocational training and as regards
working conditions and, on the conditions referred to in paragraph (2), social
security. This principle is herinafter referred to as “the principle of equal
treatment.”

12 Article 2 (1) of the directive provides that:

‘The principle of equal treatment shall mean that there shall be no
discrimination whatsover on grounds of sex either directly or indirectly by
reference in particular to marital or family status.”

15 Article 5 (1) of the directive provides that:

‘Application of the principle of equal treatment with regard to working
conditions, including the conditions governing dismissal, means that men and
women shall be guaranteed the same conditions without discrimination on
grounds of sex.’

16 Article 1 (2) of the directive provides that:

‘With a view to ensuring the progressive implementation of the principle
of equal treatment in matters of social security, the Council, acting on a
proposal from the Commission, will adopt provisions defining its substance,
its scope and the arrangements for its application.’

17 Pursuant to the last-mentioned provision, the Council adopted
Directive No 79/7/EEC of 19 December 1978 on the progressive implementation of
the principle of equal treatment for men and women in matters of social
security (Official Journal 1979, L 6, p. 24), which Member States were to
transpose into national law, according to Article 8 (1) thereof, within six
years of its notification.

The directive applies, according to Article 3 (1) thereof, to:

‘(a) statutory schemes which provide protection against the following
risks:

sickness,

invalidity,

old age,

accidents at work and occupational diseases,

– unemployment;

(b) social assistance, in so far as it is intended to supplement or
replace the schemes referred to in (a).’

18 According to Article 7 (1) thereof, the directive is to be:

‘without prejudice to the right of Member States to exclude from its
scope:

(a) determination of pensionable age for the purpose of granting old-age
and retirement pensions and the possible consequences thereof for other
benefits;

‘….. With regard to occupational social security schemes, Article 3 (3) of
the directive provides that with a view to ensuring implementation of the
principle of equal treatment in such schemes ’the Council, acting on a
proposal from the Commission, will adopt provisions defining its substance,
its scope and the arrangements for its application’. On 5 May 1983 the
Commission submitted to the Council a proposal for a directive on the
implementation of the principle of equal treatment for men and women in
occupational social security schemes (Official Journal 1983, C 134, p. 7). The
proposed directive would according to Article 2 (1) thereof, apply to
‘benefits intended to supplement the benefits provided by statutory social
security schemes or to replace them’. The Council has not yet responded to
that proposal.

20 It is evidentfrom the documents before the Court that Article 7 of
the Algemene Ouderdomswet [General Law on Old-Age] (for the version in force
at the material time, see Staatsblad 1956, 281; for the version now in force,
see Staatsblad 1985, 181) lays down a single pensionable age for persons of
either sex, namely 65.

21 Observations were submitted to the Court in this case by the
Government of the Kingdom of the Netherlands, the government of the Kingdom of
Denmark, the United Kingdom and the Commission, in addition to the appellant
and the respondent.

The question referred to the Court

22 The appellant, the Danish Government and the Commission considered
that the reply to the question must be in the negative.

23 In essence the appellant contends that the case before the Court
concerns a difference of treatment not with regard to the conditions for the
grant of an old-age and retirement pension, in respect of which an age
differential may be maintained provisionally under Article 1 (2) of Directive
No 76/207 and Article 7 (1) of Directive No 79/7, but with regard to the
conditions governing dismissal within the meaning of Article 5 (1) of
Directive No 76/207.

24 In the appellant’s view, since the Community legislature intended the
principle of equality of treatment for men and women to be applied as
extensively as possible in employment matters as a fundamental principle of
Community law, the expression ‘conditions of employment’ must be construed
widely so as to encompass the conditions on which a contract of employment is
terminated, whereas the exception to that principle must be interpreted
narrowly and extends to pension benefits only.

25 Accordingly to the appellant, an express or implied condition
concerning the termination of a contract of employment does not cease to be a
‘condition of employment’ because it relates to the age at which the employee
becomes entitled to an old-age pension, since a link between those two fields
is unknown to Community law. Furthermore, such a link may not be deduced from
the Court’s judgment of 16 February 1982 (Case 19/81 Burton v British Railways
Board [1982] ECR 555), which concerned the different questions of the
conditions of access to a voluntary redundancy scheme.

26 The Commission likewise contends that the termination of a contract
of employment, whether by way of dismissal or automatically, is included in
the concept ‘conditions of employment’ and does not fall within the exceptions
to the principle of equality of treatment referred to in Article 2 of
Directive No 76/207 or within the scope of Directive No 79/7. In that
connection it states that in the national legal systems termination of a
contract of employment also falls within the sphere of labour law rather than
of social security law. The fact that the termination of such a contract
coincides with the retirement age cannot have the effect of excluding it from
the scope of Directive No 76/207.

27 The Danish Government, which in essence shares that view, adds that
when implementing Directive No 76/207 in national law the Danish legislature
interpreted the prohibition of discrimination contained in Article 5 (1) of
the directive as meaning that the age at which a person’s contract of
employment terminates for the purposes of retirement can no longer vary
according to the employee’s sex.

28 In contrast, the respondent contends that in order to resolve the
question whether or not the difference in treatment in question is
discriminatory, within the meaning of Directive No 76/207, it is necessary to
take into account, in accordance with the judgment in the Burton case, the
link which the respondent considers to exist between the contractual
provisions applicable in this case and the rule on pensionable age under the
occupational retirement scheme.

29 In that connection the respondent points out that its pension scheme
provides that members of the scheme become entitled to a pension at the age of
65 in the case of male employees and at the age of 60 in the case of female
employees and that the fixing of different ages for compulsory termination of
the contract of employment is directly linked to that difference in
pensionable age since, under Netherlands law, termination of the contract of
employment is the immediate and automatic consequence of the operation of the
pension scheme and the reaching of pensionable age. A contract of employment
for an unlimited period has a maximum term determined by reference to
pensionable age, so that it terminates automatically on the date at witch the
pension becomes payable; it is therefore unnecessary to include an express
term to that effect in the contract. Consequently, as long as pension schemes
provide for pensionable ages which are different for men and women, their
contracts of employment will terminate at different ages.

30 In the respondent’s opinion, it follows from the judgment in het
Burton case that, in view of that link between pensionable age and retirement
age, the difference of treatment accorded to men and women in this case does
not fall within the prohibition of discrimination contained in Directive No
76/207 but is compatible with Community law in so far as the Member States
retain the power, by virtue of the exception in favour of social security
matters contained in Article 1 (2) of Directive No 76/207, to fix different
retirement ages for men and women.

31 It is possible to conclude, in the respondent’s view, that Directive
No 76/207 leaves the Member States free not to include, among the conditions
of employment in respect of which equal treatment for men and women must be
laid down pursuant to that directive, an express or implied condition
concerning termination of the contract of employment on the ground of the age
attained by the employee where that condition is linked to the age at which
the employee becomes entitled to a pension.

32 The Government of the Netherlands and the United Kingdom are also of
the opinion that the difference in treatment in question is not contrary to
Community law in view of the link between termination of the contract of
employment and the retirement age fixed in the pension scheme and in view of
the fact that there is no directive providing that such an age differential in
occupational social security schemes is discriminatory.

33 The Netherlands Government also contends that in view of the close
relationship between the date of termination of the contract of employment, on
the one hand, and the date of retirement and the terms of pension scheme, on
the other, any other interpretation could have the effect of forcing employers
and pension funds in many cases to fix the terms of their pension schemes and
the retirement date according to their own perceptions.

34 The Court observes in the first place that the question of
interpretation referred to it does not concern access to a statutory or
occupational retirement scheme, that is to say the conditions for the payment
of an old-age or retirement pension, but fixing of an age limit with regard to
the termination of employment. That question concerns the conditions governing
dismissal and therefore falls to be considered under Directive No 76/207.

35 Article 5 (1) of Directive No 76/207 provides that application of the
principle of equal treatment with regard to working conditions, including the
conditions governing dismissal, means that men and women are to be guaranteed
the same conditions without discrimination on grounds of sex.

36 In its judgment in the Burton case the Court has already stated that
the word ‘dismissal’ contained in that provision must be given a wide meaning.
Consequently, an age limit for the compulsory dismissal of workers prusuant to
an employer’s general policy concerning retirement falls within the term
‘dismissal’ construed in that manner, even if the dismissal involves the grant
of a retirement pension.

37 As the Court emphasized in that judgment, Article 7 of Directive No
79/7 expressly provides that the directive does not prejudice the right of
Member States to exclude from its scope the determination of retirement age
for the purpose of granting old-age and retirement pensions and the possible
consequences thereof for other benefits falling within the statutory social
security schemes. The Court thus acknowledged that benefits linked to a
nationale scheme which lays down a different pensionable age for men and women
may lie outside the ambit of the aforementioned obligation.

38 However, in view of the fundamental importance of the principle of
eqaulity of treatment, which the Court has reaffirmed on numerous occccasions,
Article 1 (2) of Directive No 76/207, which excludes social security matters
from the scope of that directive, must be interpreted striclty. Consequently,
the exception to the prohibition of discrimination on grounds of sex contained
in Article 7 (1) (a) of Directive No 79/7 applies only to the determination of
pensionable age for the pruposes of granting old-age and retirement pensions
and to the consequences thereof for other social security benefits.

39 In that respect it must be emphasized that, whereas the exception
contained in Article 7 of Directive No 79/7 concerns the consequences which
pensionable age has for social security benefits, this case is concerned with
dismissal within the meaning of Article 5 of Directive No 76/207.

40 Consequently, the answer to the question referred to the court of
Justice by the Hoge Raad der Nederlanden must be that Article 5 (1) of
Directive No 76/207 must be interpreted as meaning that it does not allow the
Member States the freedom to exempt from the application of the principle of
equality of treatment an express or implied conditon in a contract of
employment concluded on the basis of a collective agreement, if that condition
has the effect of terminating the contract of employment on the ground of the
age attained by the employee and the relevant age is determined by the age –
which is different for men and women – at which the employee becomes entitled
to a retirement pension.

Costs

41 The costs incurred by Denmark, the Netherlands, the United Kingdom
and the Commission of the European Communities, which have submitted
observations to the Court, are not recoverable. As these proceedings are, in
so far as the parties to the main proceedings are concerned, in the nature of
a step in the action before the national court, the decision as to costs is a
matter for that court.

On those grounds,

THE COURT,

in answer to the question referred to it by the Hoge Raad der
Nederlanden by an order of 2 November 1984, herby rules:

Article 5 (1) of Directive No 76/207 must be interpreted as meaning that
it does not allow the Member States the freedom to exempt from the application
of the principle of equality of treatment an express or implied condition in a
contract of employment concluded on the basis of a collective wage agreement,
if that condition has the effect of terminating the contract of employment on
the ground of the age attained by the employee and the relevant age is
determined by the age – which is different for men and women – at which the
employee becomes entitled to a retirement pension.

Rechters

Mackenzie Stuart; Everling; Bahlmann; Bosco; Koopmans; Due; O’Higgins

Instantie: Hof van Justitie EG, 26 februari 1986

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Mevrouw Roberts was gedurende 28 jaar werkzaam in het magazijn van T & L
industries en werd op de leeftijd van 53 jaar, samen met andere werknemers
ontslagen in verband met de sluiting van het magazijn. Ze was aangesloten bij
de bedrijfspensioenregeling, die losstond van de wettelijke sociale
zekerheidsregeling. De bedrijfspensioenregeling werd deels gefinancierd door
de werknemers zelf en deels door de werkgever. .

De verplichte pensioneringsdatum voor vrouwen ligt op 60 jaar en die
voor mannen op 65 jaar. Mannen en vrouwen boven de 50 jaar konden, met
toestemming van de werkgever, met pensioen voordat zij die leeftijden bereikt
hebben. In dat geval hebben ze onmiddellijk recht op een verminderd pensioen.
ç

werknemer die gedurende tien jaar bij deze regeling aangesloten is
geweest, kan op elke willekeurig tijdstip gedurende vijf jaar voor het
bereiken van de normale pensioenleeftijd voor pensionering kiezen en ontvangt
dan het tot dat tijdstip opgebouwde pensioen. Er werd een afvloeiingsregeling
overeengekomen die erop neerkwam dat zowel mannen als vrouwen boven de 55 jaar
een onmiddellijk pensioen werd toegekend. Joan Roberts was 53 jaar en vocht de
regeling aan, omdat een mannelijke werknemer nu tien jaar voor de voor mannen
normale pensioenleeftijd recht had op een onmiddellijk ingaand pensioen en een
vrouw slechts vijf jaar voor de voor vrouwen normale pensioenleeftijd.

De lagere rechters wezen de vordering af en het E.A.T. beriep zich
daarbij op de uitzondering van de Sex Discrimination Act op het terrein van de
pensioenen.

Het Londense court of Appeal stelde twee prejudicile vragen:

1. Heeft de werkgever in strijd met de richtlijn gelijke behandeling van
mannen en vrouwen de werkneemster gediscrimineerd door de ontslagen mannelijke
werknemers tien jaar voor hun normale pensioenleeftijd van 65 jaar een
pensioen ten laste van het bedrijfspensioenfonds toe te kennen, terwijl de
ontslagen vrouwelijke werknemers pas vijf jaar voor hun normale
pensioenleeftijd van 60 jaar aanspraak konden maken op pensioen en zowel
mannen als vrouwen in de leeftijd van 55 jaar in aanmerking kwamen voor een
onmiddellijk pensioen?

2. Zo ja, kan verzoekster zich in de omstandigheden van het geval voor
de nationale rechter beroepen op de richtlijn gelijke behandeling, ondanks een
eventuele onverenigbaarheid met de richtlijn van Section 6 (4) van de Sex
discrimination Act 1975?

Het Hof verwees in zijn overwegingen naar het Burton-arrest. In dat
arrest had het Hof al aangegeven dat het begrip ‘ontslag’ in artikel 5 lid 1
van richtlijn 76/207 ruim moet worden opgevat. Het begrip omvat ook een
leeftijdsgrens voor het verplichte vertrek van werknemers in het kader van een
collectief ontslag, ook indien bij dat vertrek een vervroegd rustpensioen
wordt toegekend. Artikel 7 van de Richtlijn 79/7 bevat een
uitzonderingsmogelijkheid met betrekking tot de vaststelling van de
pensioengerechtigde leeftijd en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien
voor andere prestaties op het gebied van de wettelijke stelsels van sociale
zekerheid. Het Hof overwoog dat hij daarmee erkend had dat bij rpestaties
welke gekoppeld zijn aan nationale pensioenregelingen die verschillende
pensioengerechtigde leeftijden voor mannen vrouwen voorschrijven, van het
gelijkheidsbeginsel kan worden afgeweken. Vervolgens overwoog het Hof dat deze
uitzonderingsmogelijkheid strikt moet worden uitgelegd.

Het Hof verklaarde vervolgens voor recht:

“Artikel 5, lid 1, van richtlijn nr. 76/07 moet aldus worden uitgelegd,
dat een contractuele bepaling waarbij een gelijke leeftijd is vastgesteld voor
het ontslag van mannelijke en vrouwelijke werknemers, in het kader van een
collectief ontslag met toekenning van een vervroegd rustpensioen, zulks
terwijl de normale pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen verschillend is,
geen naar gemeenschapsrecht verboden discriminatie op grond van geslacht is.

Volledige tekst

1 By an order of 12 March 1984, which was received at the Court on 19
June 1984, the court of Appeal of England and Wales referred to the Court for
a preliminary ruling under Article 177 of the EEC Treaty two questions on the
interpretation of Council Directive No 76/207 EEF of February 1976 on the
implementation of the principle of equal treatment for men and women as
regards access to employment, vocational training and promotion, and working
conditions (Official Journal 1976, 39, p. 40).

2 The questions were raised in the course of proceedings between Joan
Roberts (herinafter referred to as ’the appelland’) and Tate & Lyle Industries
Limited, preciously Tate & Lyle Food and Distribution Limited, (herinafter
referred to as ’the respondents’) concerning the question whether the
appellant’s dismissal was in accordance with section 6 (4) of the Sex
Discrimination Act 1975 and with Community law.

3 The appellant was employed by the respondents at their Liverpool depot
for 28 years and, at the age of 53, was made redundant on 22 April 1981,
following the closure of the depot, together with other employees, under a
mass redundancy.

4 The appellant was a member of an occupational pension scheme, which
had been created in 1978 by the respondents for their employees and which was
contracted out of the State retirement pension scheme. That scheme is funded
partly by the respondents themselves and partly by voluntary contributions by
employees. It provides for compulsory retirement with a pension at the age of
65 for men and 60 for women. Nevertheless, men and women over the age of 50
may, with the respondents’ consent, retire before attaining the aforementioned
normal retirement age, in which case they are entitled to a reduced pension
immediately. An employee who has been a member of the scheme for 10 years may
choose to retire at any time up to five years before the normal retirement age
and receive the pension earned up to that date.

5 On the closure of the Liverpool depot the respondents agreed severance
terms with the trade union of which the appellant was a member. Under those
terms all employees made redundant were to be offered either a cash payment of
an early pension out of the pension scheme up to five years before the date of
their entitlement under the scheme. The pension was therefore payable
immediately to women over the age of 55 and men over the age of 60.
Nevertheless, as a result of representations made by male employees against
the allegedly discriminatory nature of those arrangements with regard to men
aged between 55 and 60, the respondents amended them by agreeing to grant an
immediate pension to both men and women over the age of 55, with the amount of
their cash payment reduced.

6 The appellant, who was aged 53 at the date of redundancy, brought
proceedings against the respondents before an Industrial Tribunal, claiming
that her dismissal constituted unlawful discrimination contrary to the Sex
Discrimination Act and to Community law, since under the new arrangements, a
male employee was entitled to receive an immediate pension 10 years before the
normal retirement age for men wheras a female employee was not so entitled
until five years before the normal retirement age for women.

7 After her case was dismissed by the Industrial Tribunal she appealed
to the Employment Appeal Tribunal, which held that, even if it was assumed
that the appellant had been treated in a discriminatory manner, the
respondents had not acted unlawfully since, in the first place, section 6 (4)
of the Sex Discrimination Act provided that the provisions of the Act
concerning the prohibition of discrimination on the basis of sex did not apply
to ‘provision in relation to death or retirement’, and, in the second place,
Directive no 76/207 was not directly applicable before the courts of the
United Kingdom.

8 The appellant appealed to the Court of Appeal which decided to refer
the following questions to the Court of Justice for a preliminary ruling:

‘(1) Whether or not the respondents discriminated against the appellant
contrary to the Equal Treatment Directive by arranging for male employees who
were made redundant to receive a pension from the occupational pension fund 10
years prior to their normal retirement age of 65 but arranging for female
employees (such as the appellant) who were made redundant to receive a pension
only five years prior to their normal retirement age of 60, thereby arranging
for both men and women to receive an immediate pension at the age of 55.

(2) If the answer to (1) above is in the affirmative, whether or not the
Equal Treatment Directive can be relied upon by the appellant in the
circumstances of the present case in national courts and tribunals
notwithstanding the inconsistency (if any) between the directive and section 6
(4) of the Sex Discrimination Act 1975.’

Relevant legal provisions

9 Article 1 (1) of Directive No 76/207 provides as follows:

‘The purpose of this directive is to put into effect in the Member
States the principle of equal treatment for men and women as regards access to
employment, including promotion, and vocational training and as regards
working conditions and, on the conditions referred to in paragraph (2), social
security. This principle is hereinafter referred to as “the principle of equal
treatment”.

10 Article 2 (1) of the directive provides that:

‘…the principle of equal treatment shall mean that there shall be no
discrimination whatsoever on grounds of sex either directly or indirectly by
reference in particular to marital or family status’.

11 Article 5 (1) of the directive provides that:

‘Application of the principle of equal treatment with regard to working
conditions, including the conditions governing dismissal, means that men and
women shall be guaranteed the same conditions without discrimination on
grounds of sex.’

12 Article 1 (2) of the directive provides that:

‘With a view to ensuring the progressive emplementation of the principle
of equal treatment in matters of social security, the Council, acting on a
proposal from the Commission, will adopt provisions defining its substance,
its scope and the arrangements for its application.’

13 Pursuant to the last-mentioned provisions, the Council adopted
Directive No 79/7/EEC of 19 December 1978 on the progressive implementation of
the principle of equal treatment for men and women in matters of social
security (Official Journal 1979, L 6, p. 24) which Member States were to
transpose into national law, according to Article 8 (1) thereof, within six
years of its notification. The directive applies, according to Article 3 (1)
thereof, to:

‘(a) statutory schemes which provide protection against the following
risks:

sickness

invalidity

old age

accidents at work and occupational diseases,

unemployment;

(b) social assistance, in so far as it is intended to supplement or
replace the schemes to in (a).’

14 According to Article 7 (1) thereof, the directive is to be:

‘without prejudice to the right of Member States to exclude from its
scope:

(a) the determination of pensionable age for the purpose of granting
old-age and retirement pensions and the possible consequences thereof for
other benefits; ……’

15 With regard to occupational social security schemes, Article 3 (3) of
the directive provides that with a view to ensuring implementations of the
principle of equal treatment in such schemes ’the Council, acting on a
proposal from the Commission, will adopt provisions defining ist substance,
its scope and the arrangements for its application’. On 5 May 1983 the
Commission submitted to the Council a proposal for a directive on the
implementation of the principle of equal treatment for men and women in
occupational social security schemes (Official Journal 1983, C 134, p. 7). The
proposed directive would, according to Article 2 (1) thereof, apply to
‘benefits intended to supplement the benefits provided by statutory social
security schemes or to replace them’. The Council has not yet responded to
that proposal.

16 The minimum qualifying age for a State retirement pension under
United Kingdom legislation is 60 for women and 65 for men.

17 Observations were submitted to the Court by the United Kingdom, the
Kingdom of Denmark and the Commission, in addition to the appellant and the
respondents.

The first question

18 By the first question the Court of Appeal seeks to ascertain whether
Aricle 5 (1) of Directive No 76/207 must be interpreted as meaning that a
contractual provision which lays down a single age for the dismissal of both
men and women under a mass redundancy involving the grant of an early
retirement pension, whereas the normal retirement age is different for men and
women, namely 65 for the former and 60 for the latter, constitutes
discrimination on grounds of sex contrary to that directive.

19 The appellant considers that the question must be answered in the
affirmative.

20 According to her the question falls to be considered, by virtue of
the Court’s judgment of 16 February 1982 (Case 19/81 Burton v British Railways
Board [1982] ECR 555), under Directive No 76/207. The terms ‘working
conditions’ and ‘conditions governing dismissal’ contained in that directive
also encompass the grant of an early retirement pension under a mass
redundancy.

21 The appellant claims that she suffered discrimination as a result of
the respondents’ failure to take into account the fact that its normal
retirement scheme it linked to the State retirement scheme, with provides for
a different normal retirement age for men and women. Although the first
variation of the respondents’ scheme adopted that age difference in respect of
access to early retirement, in accordance with the principle stated by the
court in het Burton case, those principles were not taken account of in the
second variation.

22 The appellant claims that she is entitled, according to the judgment
in the Burton case, to compare her treatment with that of a male employee who
is an equal number of years away from the normal retirement age. A scheme
which applies an age differential with regard to the retirement of men and of
women, and which departs from that differential in the case of a mass
redundancy in a manner less favourable to woman than to men, gives rise to
discrimination on grounds of sex, contrary to the provisions of the
directive.

23 In contrast, the respondents argue first of all that it is
unnecessary to reply to the first question in view of the fact that they
propose that the reply to the second question should be in the negative.

24 They contend that they did not, in any event, discriminate against
the appellant, because men and women of the same age (55) are treated in an
identical manner.

25 According to the respondents, a woman cannot demand to be treated
differently in all cases for the sole reason that there is a difference in
treatment with regard to the normal retirement age applied by the employer
under its occupational social security scheme. On the contrary, such a
difference of treatment should not be reflected in other matters prior to the
normal date of retirement.

26 The fact that the court held in its judgment in the Burton case that
a difference in the age which men and women must have attained for access to
voluntary retirement cannot be regarded as discrimination does not mean,
according to the respondents, that identical age conditions are neccessarily
discriminatory. In any event, the treatment applied in this case is justified
objectively by the need to ensure that all employees who are dismissed and are
over the age of 55 receive a pension.

27 The United Kingdom is also of the opinion that there is no
discrimination, either direct or indirect, in this case. It considers that the
normal way to ensure equality of treatment is to base the right to benefits
linked to employment on the same age requirement for men and women and that
the Burton judgment is not relevant to this case.

28 The Commission also maintains that there is no discrimination in this
case and that the reply to the question is to be found in Article 5 of the
Directive No 76/207 and in an analysis of the Court’s judgment in the Burton
case. In that judgment the Court recognized the existance of a link between
access to voluntary redundancy and national social security schemes.

29 According to the Commission, Article 7 (1) of Directive No 79/7 does
not aim to entrench the difference between the pensionable ages for men and
women but merely creates an exception in a case where national law provides
for such a difference. In the absence of a provision to that effect national
provisions imposing such a difference might be incompatible with the
directive. The position might be the same with regard to Article 9 (1) (a) of
the proposed directive concerning ocupational social security schemes.

30 The Court observes in the first place that the question of
intepretation which has been referred to it does not concern the conditions
for the grant of the normal old-age or retirement pension but the termination
of employment in connection with a mass redundancy caused by the closure of
part of an undertaking’s plant. The question therefore concerns the conditions
governing dismissal and falls to be considered under Directive No 76/207.

31 Article 5 (1) of Directive 76/207 provides that application of the
principle of equal treatment with regard to working conditions, including the
conditions governing dismissal, means that men and women are to be guaranteed
the same conditions without discrimination on grounds of sex.

32 In its judgment in the Burton case the Court has already stated that
the term ‘dismissal’ contained in that provision must be given a wide meaning.
Consequently, an age limit for the compulsory redundancy of workers as part of
a mass redundancy of workers as part of a mass redundancy falls within the
term ‘dismissal’ construed in that manner, even if the redundancy involves the
grant of an early retirement pension.

33 Even though the retirement scheme at issue does not prima facie
discriminate between men and women with regard to the conditions for
dismissal, it is still necessary to consider whether the fixing of the same
sum for the grant of an early pension nevertheless constitutes discrimination
on grounds of sex in view of the fact that under the United Kingdom statutory
social security scheme the pensionable age for men and women is different.
Under United Kingdom legislation the minimum qualifying age for a State
retirement pension is 60 for women and 65 for men.

34 As the court emphasized in its jugment in the Burton case, Article 7
of Directive No 79/7 expressly provides that the directive does not prejudice
the right of Member States to exclude from its scope the determination of
pensionable age for the purpose of granting old-age and retirement pensions
and the possible consequences thereof for other benefits falling within the
statutory social security schemes. The Court thus acknowledged that benefits
linked to a national scheme which lays down a different minimum pensionable
age for men and women may lie outside the ambit of the aforementioned
obligation.

35 However, in view of the fundamental importance of the principle of
equality of treatment, which the Court has reaffirmed on numerous occasions,
Article 1 (2) of Directive No 76/207, which excludes social security matters
from the scope of that directive, must be interpreted strictly. Consequently,
the exception to the prohibition of discrimination on grounds of sex provided
for in Article 7 (1) (a) of Directive No 79/7 applies only to the
determination of pensionable age for the purpose of granting old-age and
retirement pensions and to the conseuences thereof for other social security
benefits.

36 In that respect it must be emphasized that, whereas the exception
contained in Article 7 of Directive No 79/7 concerns the consequences which
pensionable age has for social security benefits, this case is concerned with
dismissal within the meaning of Article 5 of Directive No 76/207. In those
circumstances the grant of a pension to persons of the same age who are made
redundant amounts merely to a collective measure adopted irrespective of the
sex of those persons in order to guarantee them all the same rights.

37 Consequently, the answer to the first question referred to the Court
of Appeal must be that Article 5 (1) of Directive No 76/207 must be
interpreted as meaning that a contractual provision which lays down a single
age for the dismissal of men and women under a mass redundancy involving the
grant of an early retirement pension, whereas the normal retirement age is
different for men and women, does not constitute discrimination on grounds of
sex, contrary to Community law.

The second question

38 Since the second question is contigent upon the reply to the first
question being in the affirmative, it is not necessary to give a reply to it.

Costs

39 The costs incurred by Denmark, the United Kingdom and the Commission
of the European Communities, which have submitted observations to the Court,
are not recoverable. As these proceedings are, in so far as the parties to the
main proceedings are concerned, in the nature of a step in the action before
the national court, the decision as to costs is a matter for that court.

On those grounds,

THE COURT

in answer to the questions referred to it by the Court of Appeal by an
order of 12 March 1984, herby rules:

Article 5 (1) of Directive No 76/207 must be interpreted as meaning that
a contractual provision which lays down a single age for the dismissal of men
and women under a mass redundancy involving the grant of an early retirement
pension, whereas the normal retirement age is different for men and women,
does not constitute discrimination on grounds of sex, contrary to Community
law.

Rechters

Mackenzie Stuart; Everling; Bahlmann; Bosco; Koopmans; Due; O’Higgins

Instantie: Rechtbank Arnhem, 6 februari 1986

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Een vrouw solliciteerde naar een baan in sociaal-cultureel werk.
Mondeling was de aanstelling al beklonken, toen zij vertelde dat zij zwanger
was. Daarop draaide de Stichting de aanstelling terug omdat de vrouw hen
voor “onoverkomelijke organisatorische en financiele problemen zou stellen.”
Een aangespannen kort geding werd verloren. Voor de bodemprocedure
bij de rechtbank werd eerst advies bij de Commissie Gelijke Behandeling
gevraagd

BESLISSING RECHTENVROUW: het gaat hier om een belemmering tot het
toetreden van de arbeidsmarkt die alleen vrouwen treft. Het niet aannemen
van zwangere vrouwen is discriminerend tegenover vrouwen

AFLOOP: de Commissie Gelijke Behandeling oordeelde negatief voor de
vrouw, zij was van oordeel dat er van onderscheid geen sprake was

Jaarverslag 1984 no. 6, 1985 no. 35

Volledige tekst

1. DE AANVRAAG

1.1 Op 6 maart 1984 heeft mw. mr. D. de Wolff, advocate, uit Arnhem
namens mw. P. de Haan uit Arnhem, verder te noemen aanvraagster, de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, verder te noemen de
Commissie, verzocht haar zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de vraag
of door de Stichting Samenlevingsopbouw te Wageningen, verder te noemen
werkgever, ten nadele van aanvraagster hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk
onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen dan wel onderscheid tussen
gehuwden en ongehuwden als bedoeld in de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (Stb. 1980, nr. 86)

1.2 Aanvraagster heeft gesolliciteerd op een advertentie in de Nieuwe
Krant, waarin namens werkgever sollicitanten opgeroepen worden voor de
functie van sociaal-cultureel werk(st)er in een buurthuis in Wageningen.
Aanvraagster is na twee sollicitatiegesprekken (resp. 2 februari en 6
februari 1984), samen met een andere sollicitant aangenomen, zo deelt
aanvraagster mede, in de betreffende functie

1.3 Direct na (de vermeende) aanstelling deelde aanvraagster aan de
sollicitatiecommissie mede in verband met haar bevalling van 3 maart tot 4
juni 1984 niet op haar werk te zullen verschijnen

1.4 Naar aanvraagster zegt is in verband met dit gegeven toen op
instigatie van de sollicitatiecommissie besloten dat cliente haar
werkzaamheden pas op 4 juni 1984 zou beginnen. Tot die tijd zou de andere
nieuw aangeworven kracht fulltime werken. Vier dagen nadat deze afspraak werd
gemaakt werd aanvraagster telefonisch door de voorzitter van de wijkraad (het
orgaan dat het buurthuis beheert) op de hoogte gebracht van het feit dat zij
alsnog afgewezen zou zijn

Volgens aanvraagster kan deze afwijzing juridisch niet anders geduid
worden dan een opzegging en wel een die in strijd is met artt. 1637 ij, 1639
h, 1639 o, 1639 s BW en art. 6 jo 9 BBA en met de CAO voor het Welzijnswerk

1.5 Werkgever deelde mee dat de aanstelling nog niet rond was en dat
derhalve niet gesproken kan worden van opzegging doch slechts van afwijzing

2. HET ONDERZOEK

2.1 De Commissie heeft het verzoek van aanvraagster in behandeling
genomen en ter zake een onderzoek ingesteld ten einde na te gaan of ten
nadele van aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in het bij artikel
1 van de Wet gelijk behandeling van mannen en vrouwen ingevoerde artikel 1637
ij, eerste en zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dan wel als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

2.2 Artikel 1637 ij, eerste lid, BW luidt:

De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij
onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar echtelijke
staat of de gezinsomstandigheden, bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst,
het verstrekken van onderricht aan de arbeider, in de arbeidsvoorwaarden, bij
de bevordering en bij de beeindiging van de arbeidsovereenkomst

Niet onder de arbeidsvoorwaarden zijn begrepen uitkeringen of aanspraken
ingevolge pensioenregelingen. Het in de eerste zin van dit artikel bepaalde
is niet van toepassing in die gevallen waarin het geslacht bepalend is

Het zesde lid luidt:

De werkgever mag geen onderscheid maken tussen gehuwden en ongehuwden
bij het aangaan en bij de beeindiging van de arbeidsovereenkomst

2.3 Artikel 3, eerste lid, WGB luidt:

Het is niet toegelaten in de advertentie waarin een betrekking
aangeboden wordt of bij de vervulling van een openstaande betrekking
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, het zij
middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar echtelijke staat of de
gezinsomstandigheden. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing in
die gevallen waarin het geslacht bepalend is

2.4 Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijke
inlichtingen verstrekt op 18 april 1984

Dit was voor aanvraagster geen aanleiding voor een nadere reactie

Op 20 juni verstrekte werkgever alsnog enige informatie. Werkgever
verstrekte op verzoek van de Commissie nadere inlichtingen op 5 juli 1984

Aanvraagster reageerde hier tenslotte op in haar brief d.d. 6 augustus
1984

3 oktober 1984 kwam nog een reactie van aanvraagster waarop een reactie
van werkgever binnenkwam op 9 oktober 1984

De commissie heeft de aanvraag besproken in de vergaderingen van
28-6-1984 en 12-10-1984

3. RESULTAAT VAN HET ONDERZOEK

3.1 Aanvraagster heeft gesolliciteerd naar een betrekking bij werkgever.
Het bestuur van de werkgever heeft de daadwerkelijke selectiewerkzaamheden
“uitbesteed” aan een sollicitatiecommissie, welke aan het bestuur een
voordracht kon doen ten aanzien van eventueel door het bestuur aan te nemen
kandidaten

3.2 In een eerste gesprek -“waarin onder meer duidelijk werd gemaakt dat
degene(n) die uiteindelijk aan de slag zou(den) gaan, ook zo snel mogelijk
zou(den) moeten beginnen en dat van die perso(o)n(en) verwacht werd dat er
fors ’tegen-aan-zou-moeten-worden-gegaan’, bij welke punten door aanvraagster
geen enkel voorbehoud is gemaakt” – maakte aanvraagster geen enkel voorbehoud,
“ze was onmiddellijk beschikbaar en kon er gedurende de rest van het jaar vol
tegenaan”, aldus werkgever

Na dit eerste gesprek is aanvraagster uitgenodigd voor een tweede
gesprek, dat mede ten doel had de beide resterende kandidates met elkaar
kennis te laten maken, ondermeer om te bezien of zij goed accordeerden

Bij deze tweede bespreking is door aanvraagster medegedeeld dat zij op 8
februari 1984 haar werkzaamheden zou kunnen beginnen, doch dat zij vanaf 3
maart met zwangerschapsverlof zou zijn

3.3 Werkgever merkt overigens op, dit in tegenstelling tot hetgeen
aanvraagster zegt, dat er geen sprake is geweest van het reeds aangenomen
zijn van aanvraagster;

de sollicitatiecommissie had immers slechts de bevoegdheid een
voordracht te doen aan het bestuur, welke de uiteindelijke
beslissingsbevoegdheid heeft. Het is niet goed na te gaan of dit ook
duidelijk aan aanvraagster is medegedeeld

3.4 De overwegingen van de sollicitatiecommissie om aanvraagster niet op
voordracht te plaatsen waren volgens informatie van de werkgever:

– de te vervullen vacature diende reeds een jaar vervuld te worden.
(Het betrof werkzaamheden van een medewerker van werkgever welke
arbeidsongeschikt was geworden en reeds een jaar afwezig was);

– de vacature had een (in beginsel) tijdelijk karakter, te weten tot 1
januari 1985;

– aanvraagster zou haar werkzaamheden eerst effectief kunnen beginnen in
de maand juni, een periode waarin werkgever weinig te doen heeft in verband
met de vakantieperiode;

– gezien het vorenstaande zou het “effectieve” dienstverband van
aanvraagster slechts zijn van september (einde vakantieperiode) tot 1 januari
1985

Indien aanvraagster onmiddellijk melding gemaakt had van het feit dat
zij in de maand april een baby verwachtte, was zij zonder meer direkt
afgewezen in verband met het vereiste van onmiddellijke en voortdurende
inzetbaarheid, zo stelt werkgever. Bovendien gaat het om een tijdelijke
functie die, gezien de beperkingen welke de gemeentelijke overheden op
financieel gebied worden opgelegd, naar de mening van de advocaat van
werkgever niet gecontinueerd zal kunnen worden na 1 januari 1985. Dit
vermoeden wordt nog versterkt, daar uit de begrotingsbehandeling van de
gemeente Wageningen een zodanig tekort is voortgekomen dat op alle fronten
bezuinigd wordt, aldus werkgever

Aanvraagster stelt in haar brief d.d. 2 oktober 1984 dat de gemeente die
de functie subsidieert in beginsel geen andere dan tijdelijke
arbeidsovereenkomsten toelaat, doch dat verlenging van het onderhavige
dienstverband waarschijnlijk is. Het gaat – aldus aanvraagster – in casu om
twee part-time banen in een recentelijk opgericht buurthuis. Deze twee banen
zijn de enige betaalde functies in dat buurthuis. Aanvraagster acht het
ondenkbaar dat de functie op korte termijn zou komen te vervallen dan wel dat
zij t.z.t. door anderen, eerder in dienst getreden medewerkers bij werkgever,
zou worden vervuld. Werkgever schrijft als reactie d.d. 5 oktober 1984 op het
vorenstaande dat het voorgenomen subsidiebeleid van betrokken gemeente
inmiddels bekend is geworden in een conceptnota. Hierin maakt de gemeente,
aldus werkgever, als beleidsvoornemen bekend dat de arbeidsovereenkomsten met
de parttime krachten in het buurthuis in kwestie niet verlengd zullen worden
en dat een andere medewerker van werkgever (met een hogere ancientiteit) de
opengevallen plaats dient te gaan bezetten

3.5 Werkgever stelt dat er “in casu geen sprake is geweest van
discriminatie op grond van geslacht; hij zou ook niet overgegaan zijn tot het
uitnodigen van een mannelijke sollicitant die medegedeeld zou hebben vanaf
september 1984 in militaire dienst te moeten of van wie na het inleidende
eerste gesprek duidelijk werd dat dit het geval zou zijn. “Er is eenvoudigweg
gekeken naar de inzetbaarheid”, aldus werkgever

3.6 Werkgever en aanvraagster zijn het niet eens over de vraag of met
aanvraagster een afspraak zou zijn gemaakt eerst op 4 juni haar werkzaamheden
aan te vangen. Werkgever deelt mee dat dit slechts een suggestie was van de
“medekandidate” van aanvraagster, gedaan tijdens de tweede bespreking

Een dergelijke toezegging zou niet door de sollicitatiecommissie zijn
gedaan of zelfs maar kunnen worden gedaan, zo deelt werkgever mede. De
commissie zou slechts een en ander aan het bestuur ter kennis brengen en
heeft aanvraagster nadien medegedeeld dat zij niet op de voordracht was
geplaatst

3.7 In een kort geding ter zake is volgend werkgever door aanvraagster
verklaard dat zij haar zwangerschap had verzwegen teneinde haar kansen op
aanstelling te vergroten. Zij heeft van haar zwangerschap eerst melding
gemaakt op het moment dat zij meende te zijn aangenomen, aldus werkgever

In kort geding heeft de President van de Rechtbank de vordering te
weten:

primair afgeven van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, subsidiair
schadevergoeding, van aanvraagster van de hand gewezen omdat vooralsnog niet
was komen vast te staan dat sprake was geweest van het aangaan van een
dienstverband

3.8 In de brief van 4 juli 1984, namens werkgever, staat tenslotte
vermeld dat aanvraagster haar stelling dat sprake is van een tot stand
gekomen dienstverband heeft laten varen; “zij heeft inmiddels in een
procedure uit hoofde van onrechtmatige daad zich op het standpunt gesteld dat
zij in de sollicitatieprocedure gediscrimineerd is uit hoofde van haar
zwangerschap, hetgeen zij beschouwt als sekse-gebonden”. Aanvraagster stelt
echter in haar brief d.d. 6-8-1984 dat zij nog steeds van mening is dat van
een arbeidsovereenkomst sprake was

3.9 Uiteindelijk zijn zowel een man als een vrouw voor de functie
aangenomen

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 De Commissie overweegt ten aanzien van hetgeen in de vorige
paragrafen is vermeld het volgende:

Gebleken is dat er tussen aanvraagster en werkgever onenigheid
bestaat/bestond ten aanzien van de vraag of er al dan niet sprake is geweest
van een arbeidsovereenkomst

De Commissie beschikt niet over de middelen vast te stellen of al dan
niet een arbeidsovereenkomst is gesloten

4.2 Of er al niet sprake is geweest van het reeds sluiten van een
arbeidsovereenkomst, in beide gevallen geldt het volgende:

Dit de verklaring van de werkgever d.d. 16 april 1984 en d.d. 20 juni
1984 kan de Commissie niet anders afleiden dan dat indien aanvraagster direct
had medegedeeld zwanger te zijn, zij in het geheel niet in aanmerking zou
zijn gekomen, zelfs niet voor een eerste gesprek, dit vanwege het aan
zwangerschap verbonden zwangerschaps- en bevallingsverlof en het vereiste van
onmiddellijke en voortdurende inzetbaarheid

Men zou zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat aanvraagster
vanwege haar zwangerschap is afgewezen

Ten aanzien van de verwijzing naar zwangerschap en bevalling overweegt
de Commissie het volgende:

De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen verbiedt zowel in art.
1 als in art. 3 het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen, hetzij
onmiddellijk, hetzij middellijk, bijvoorbeeld door verwijzing naar de
echtelijke staat of de gezinsomstandigheden. Onder onmiddellijk onderscheid
moet verstaan worden een onderscheid dat rechtstreeks verband houdt met het
geslacht van een persoon

Een verwijzing naar zwangerschap wordt derhalve aangemerkt als
onmiddellijk, direct onderscheid tussen mannen en vrouwen

Het niet aannemen van een vrouwelijke kandidaat omdat zij zwanger is, is
gelet op het vorenstaande in strijd met de Wet gelijk behandeling van mannen
en vrouwen te achten

De Commissie is echter van mening dat geconcludeerd moet worden, mede
gezien de overwegingen van de sollicitatiecommissie als beschreven in 3.4
en het feit dat voortdurende inzetbaarheid vereist was, dat met name de
beperkte inzetbaarheid van aanvraagster (weliswaar veroorzaakt door haar
zwangerschap) het hoofdargument was om haar niet aan te nemen c.q. het
dienstverband met haar te beeindigen. Aanvraagster is een deel van het
dienstverband niet beschikbaar gezien haar zwangerschaps- en bevallingsverlof

De reden voor het niet aannemen van c.q. het beeindigen van het
dienstverband met aanvraagster is dus indirect gelegen in het feit dat zij
zwanger is

Ten aanzien van indirect (middellijk) onderscheid overweegt de Commissie
het volgende

Er is sprake van indirect onderscheid wanneer een verwijzing naar een
hoedanigheid wordt gemaakt die niet gebonden is aan een bepaald geslacht,
maar die tot effect heeft, dat in het bijzonder personen van een bepaald
geslacht worden benadeeld. Een dergelijk onderscheid is alleen dan
geoorloofd, indien degene die het onderscheid maakt, aantoont dat de in
principe discriminerende verwijzing een objectieve rechtvaardiging heeft, met
andere woorden dat het discriminatieverbod niet opweegt tegen het doel dat
beoogd wordt

De bewijslast berust derhalve bij degene die het onderscheid maakt en
niet bij de benadeelde

4.3 In casu is een verwijzing gemaakt naar de beperkte inzetbaarheid van
aanvraagster, veroorzaakt door haar zwangerschap. In principe is er derhalve
in het onderhavige geval sprake van indirect onderscheid. De commissie is
echter van mening dat de opmerkingen van werkgever betreffende de bijzondere
gevolgen die de beperkte inzetbaarheid in dit geval zou hebben, aangemerkt
kunnen worden als objectieve rechtvaardigingsgronden

De Commissie acht het daarbij van belang dat, of de onderhavige
arbeidsovereenkomst nu al dan niet verlengd kan worden, de functie waarvoor
aanvraagster in aanmerking zou zijn gekomen c.q. kwam, in beginsel slechts
beperkt was tot 1 januari 1985, mede gezien de grote onzekere factor m.b.t. de
subsidieverlening

Van de werkgever kon in casu niet verwacht worden dat hij ten tijde van
het aanbieden van de functie kon overzien hoe de situatie met betrekking tot
de ongelijke personeelsbezetting per 1 januari 1985 zou zijn

De Commissie acht het in casu gerechtvaardigd, gezien te tijdelijkheid
en de korte duur van het dienstverband, dat werkgever aanvraagster, waarvan
bekend is dat zij een aanzienlijk deel van die periode niet inzetbaar is,
niet voor de vacante functie aanneemt

4.4 Tenslotte merkt de Commissie op dat uiteindelijk een vrouw zowel als
een man zijn aangenomen, hetgeen erop duidt dat de werkgever in zijn
algemeenheid niet afwijzend tegenover vrouwen staat wanneer het gaat om het
vervullen van een vacature

5. OORDEEL VAN DE COMMISSIE

5.1 De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige paragrafen is
vermeld tot het oordeel dat werkgever de beperkte inzetbaarheid van
aanvraagster (als gevolg van haar zwangerschap) als reden voor het
niet-aanstellen c.q. het beeindigen van het dienstverband heeft gehanteerd en
er derhalve geen direct onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen

5.2 Toepassing van het criterium inzetbaarheid leidt in zijn
algemeenheid – gezien het feit dat vrouwen zwanger kunnen worden en dan recht
hebben op zwangerschaps- en bevallingsverlof – tot benadeling van met name
vrouwen en is om die reden in beginsel in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen

De werkgever heeft naar het oordeel van de Commissie echter aangetoond
dat er in casu een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat op grond waarvan
de Commissie tot het gevoel komt dat het door werkgever beoogde doel zwaarder
moet wegen dan het verbod om onderscheid te maken

5.3 De Commissie komt tot het oordeel dat door werkgever ten nadele van
aanvraagster geen onderscheid tussen mannen en vrouwen is gemaakt als bedoeld
in artikel 3, lid 1, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen,
dan wel als bedoeld in artikel 1637 ij, lid 1, BW

5.4 Overeenkomstig artikel 6, eerste lid van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen heeft de Commissie haar zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever

Rechters

Jhr. mr. P.R. Feith, vice-president, voorzitter, mrs. M.L. Drabbe enE.M. Struijk, rechters

Instantie: Rechtbank Middelburg, 7 januari 1986

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


De rechter in Kort Geding acht het niet onmogelijk dat bij afweging van
wederzijdse belangen de kantonrechter het ontslag van de arbeidskontraktant
onredelijk zal vinden. Het kontrakt is herhaaldelijk verlengd. Het betrof
vervanging in verband met ziekte. De gemeente wil dat de werknemer plaats
maakt voor personeel van de gemeente waarvan de arbeidsplaats wordt opgeheven
Uitspraak: de gemeente moet de kontraktant weer te werk stellen tot de
kantonrechter heeft beslist of het hier een kennelijk onredelijk ontslag
betreft. Het is redelijk om van een ‘kennelijk onredelijk’ ontslag te
spreken als het ontslag wordt verleend in aanmerkelijke afwijking van de
maatstaven die de direkteur van het GAB in een soortgelijk geval pleegt te
hanteren

Volledige tekst

Rechters

Mr. A. de la Porte

Instantie: Raad van Beroep Roermond, 2 januari 1986

Instantie

Raad van Beroep Roermond

Samenvatting


Beroep tegen beslissing van B en W om geen WWV te verlenen op grond van
art. 9 lid 1 WWV. B en W was van mening dat de man niet werkloos was omdat
hij zorgde voor zijn zoon en huishoudelijk werk deed. Hij stelde zich
beschikbaar voor de arbeidsmarkt. De Raad van Beroep vernietigt de
beslissing van B en W. Huishoudelijk werk is in principe produktieve
arbeid. Dit betekent niet dat art. 9 WWV steeds van toepassing is. Gelet
moet worden op de omstandigheden, zoals aard en omvang van de werkzaamheden
In dit geval is niet aannemelijk dat sprake is van rolwisseling, dan zou
het oordeel van de Raad anders zijn geweest

Volledige tekst

Rechters

Instantie: President Rechtbank Maastricht, 19 december 1985

Instantie

President Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Bij een reorganisatie werden alle vrouwen ontslagen, terwijl de mannen
wel in dienst konden blijven omdat zij tijdens hun werk bijscholing hadden
genoten. Aan de vrouwen werd dat destijds geweigerd

Stand van zaken: uit angst voor gerechtelijke procedures werden de ontsl
agen ongedaan gemaakt. In 1986 werd een kort geding aangespannen waarin ook
studiefaciliteiten en juiste inschaling wat betreft loon werd geeist. Dit
werd verloren. Ook het ingestelde hoger beroep werd verloren. Er werd
cassatie ingesteld, maar het cassatieverzoek werd weer ingetrokken nadat
partijen tot een schikking waren gekomen

Er is advies gevraagd bij de Commissie gelijke behandeling

Jaarverslag 1985 no. 10, 1986 no. 40, 1987 no. 6

Volledige tekst

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

Eiseressen hebben krachtens mondeling door Ons verstrekte last gedaagde
doen dagvaarden ter Onzer terechtzitting van 12 december 1985 en ten dienden
dage, onder overlegging van producties geconcludeerd voor eis overeenkomstig
de inhoud van de hierna in fotocopie opgenomen dagvaarding en vervolgens de
stellingen der dagvaarding doen toelichten overeenkomstig de inhoud van de
hierna in fotocopie opgenomen pleitnota, waarna gedaagde onder overlegging
van producties heeft geconcludeerd voor antwoord overeenkomstig de inhoud van
de mede hierna in fotocopie opgenomen conclusie van antwoord

Partijen hebben vervolgens ieder haar respectieve standpunten nader
toegelicht, waarna Wij de uitspraak van het vonnis hebben bepaald op heden

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Voor hetgeen eiseressen vorderen hetgeen zij daaraan ten grondslag
leggen, wijzen Wij naar de hierboven in fotocopie opgenomen dagvaarding

Eiseressen stellen zich in dezen – kort samengevat – op het standpunt
dat gedaagde de op 5 juli 1985 tussen haar en – onder anderen – eiseressen
gemaakte afspraken met betrekking tot het functioneren van dezen niet is
nagekomen en dat zij ten detrimente van eiseressen heeft gehandeld en blijft
handelen in strijd zowel met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen,
als met artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek en zich dusdoende ten opzichte van
eiseressen schuldig maakt aan wanprestatie en onrechtmatige daad

De feiten en omstandigheden die eiseressen ter adstructie van deze
stellingen hebben aangevoerd, zijn echter, gelet ook op hetgeen gedaagde ter
bestrijding daarvan, ten aanzien van de juistheid van die feiten en
omstandigheden en omtrent de weergave daarvan door eiseressen heeft betoogd,
van zodanige ingewikkeldheid gebleken, dat Wij Ons van de beoordeling daarvan
en – mitsdien – van de daarop gebaseerde vorderingen, in kort geding menen te
moeten onthouden, te meer nog waar hiervoor bedoelde complexiteit Ons belet
de gevolgen van een door Ons te geven voorziening voldoende te overzien. De
gevraagde voorziening dient derhalve te worden geweigerd

Wij zullen de proceskosten compenseren, nu partijen hebben te kennen
gegeven geen bezwaar te hebben

Rechtdoende in kort geding, wijzen de vorderingen van eiseressen af,
compenseren de kosten van dit geding aldus, dat iedere partij haar eigen
kosten drage

Rechters

Mr. Eliens, president