Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 28 november 1985

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Vrouw eist in kort geding een volg-, aanspreek- en straatverbod tegen
haar verkrachter. Deze werd door de rechtbank ter beschikking van de
regering gesteld, maar door het hof op grond van een tweede met het eerste
strijdige psychiatrisch rapport, in voorlopige vrijheid gesteld

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord, dit straatverbod wordt geeist nadat de
strafrechter zich al over de zaak heeft uitgesproken

AFLOOP: kort geding werd gewonnen. De gevraagde verboden werden
toegewezen

Jaarverslag 1985 no. 21

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter zitting van 25 november 1985 heeft eiseres geconcludeerd en
gevorderd overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding
met dien verstande dat zij het gevraagde bedrag aan immateriele schade niet
als voorschot maar als definitieve vergoeding opgelegd wil zien. Gedaagde
heeft de vordering bestreden. Na verder debat hebben beide partijen de
stukken, waarop beiderzijde pleitaantekeningen met bijlagen voor
vonniswijzing overgelegd

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. Eiseres vordert in dit kort geding in de eerste plaats een verbod
tegen gedaagde om zich gedurende een jaar in haar directe woon- en
leefomgeving te vertonen en om haar te volgen of aan te spreken een en ander
als in de dagvaarding nader aangegeven

2. Zij baseert dit op de gebeurtenissen van 11 augustus 1984 toen zij
door gedaagde seksueel is mishandeld. Zij heeft hiervan lange tijd pijn
ondervonden en hierdoor psychisch een grote klap gekregen. Op 2 oktober 1985
heeft gedaagde getracht eiseres aan te spreken niettegenstaande dat aan
gedaagde bij zijn voorlopige vrijlating uit de preventieve hechtenis de
bijzondere voorwaarde was opgelegd, dat hij geen contact o.m. met eiseres
mocht opnemen. Zij voelt zich door gedaagdes gedrag niet langer veilig

Zij is weer herinnerd aan het gebeurde op 11 augustus 1984 en dien
tengevolge erg labiel

3. Gedaagde heeft een en ander ontkend, met name de gestelde
mishandeling en het op 2 oktober 1985 contact zoeken met eiseres. Volgens
hem bestaat er geen grond voor gevraagde maatregelen

4. De door eiseres geschilderde gebeurtenissen zijn op zichzelf zodanig
ernstig van aard en voor haar traumatiserend, dat haar verlangen dat gedaagde
uit haar buurt blijft en haar moet trachten te vermijden, gerechtvaardigd
lijkt. Gedaagdes optreden getuigt in de lezing van eiseres van een
aggressieve instelling en hij schroomt kennelijk niet geweld te gebruiken bij
de verwezenlijking van zijn afwijkende seksuele verlangens

5. In gevallen als deze, waarbij de gestelde misdragingen worden
ontkend, is de bewijslevering vaak problematisch, omdat slechts zelden derden
getuigen zijn van een en ander

Meestentijds resteert niet anders dan twee afwijkende lezingen van
bepaalde gebeurtenissen

6. In deze zaak is er echter een bijzondere omstandigheid, welke
aannemelijk maakt dat eiseresses lezing voor de juiste moet worden gehouden,
en wel deze, dat twee andere vrouwen, onafhankelijk van eiseres, aangifte
hebben gedaan van identieke mishandelingen door gedaagde. Voor een van deze
feiten is gedaagde inmiddels door de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch veroordeeld
tot een gevangenisstraf van drie jaar en ter beschikkingstelling van de
regering. Deze uitspraak is nog niet onherroepelijk. De zaak van eiseres en
de andere aangeefster zijn ad informandum gevoegd bij deze strafzaak. Het
bij de voorlopige invrijheidstelling opgelegde contactverbod betreft alle drie
de vrouwen, die aangifte hebben gedaan

7. Op grond hiervan wordt door Ons verder uitgegaan van de juistheid van
hetgeen eiseres met betrekking tot het gebeurde op 11 augustus 1984 heeft
gesteld. Deze gebeurtenissen rechtvaardigen het aan gedaagde opleggen van
zekere beperkingen ter bescherming van eiseresses leefomgeving. Hierbij kan
in het midden blijven of de ontmoeting op 2 oktober 1985 al dan niet een
opzettelijke was, omdat de ontmoeting op zichzelf eiseres zodanig uit haar
zich moeizaam herstellende gemoedsrust heeft kunnen brengen, dat het treffen
van een voorziening, welke meer in het bijzonder op het welzijn van eiseres is
gericht dan het eerder genoemde strafrechtelijke contactverbod, op zijn plaats
is

8. Anders dan eiseres meent is het opleggen van een definitieve
schadevergoeding in kort geding niet mogelijk, nu een beslissing in een
bodemgeschil altijd van rechtswege een in kort geding getroffen voorziening
doet vervallen

9. Ook voor het toekennen echter van een voorschot op geleden
immateriele schade bestaat in dit geding nog voldoende grond, waarbij een rol
speelt dat de strafprocedure ten aanzien van een soortgelijke zaak tegen
gedaagde nog niet definitief is afgerond, met name niet ten aanzien van de
vraag in hoeverre gedaagde als toerekeningsvatbaar zal hebben te gelden

10. Gelet op de relatie die partijen een aantal jaren geleden hebben
gehad, de aard van het geschil en de beperkte vorm waarin de voorziening
wordt toegewezen, bestaat er grond te gedingkosten tussen partijen te
compenseren

BESLISSING:

1. Verbiedt gedaagde om gedurende een jaar na betekening van dit vonnis
zich te begeven en/of zich te bevinden anders dan in een middel van openbaar
vervoer, binnen de blokken gevormd door de Churchilllaan, Amstelkade alsmede
de Scheldestraat, en door de Daalwijkdreef, Dolingadreef, Bijlmerdreef en
Elsrijkdreef, te Amsterdam, of om eiseres te volgen of aan te spreken, dit
alles op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,– voor iedere overtreding van
dit verbod en met machtiging op eiseres om aan iedere overtreding een einde
te maken met behulp van de sterke arm

2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

3. Compenseert de gedingkosten aldus dat elk partijen met de eigen
kosten belast blijft

4. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd

Rechters

Mr. R.C. Gisolf

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 17 oktober 1985

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Voor ontkenning van vaderschap bij KID zonder toestemming van de
echtgenoot geldt de wettelijk termijn van art. 1:203 BW. .

Tijdens huwelijk krijgt de vrouw een kind, verwekt door middel van
kunstmatige donor inseminatie. Bijna twee jaar na de geboorte stelt de man een
vordering in tot ontkenning van zijn vaderschap, stellende dat hij niet eerder
op de hoogte was van het feit dat zijn vrouw KID had toegepast. Ten processe
kan hij dit niet aannemelijk maken. De man wordt niet ontvankelijk verklaard
nu de vordering tot ontkenning bijna twee jaar na de geboorte van het kind is
ingesteld terwijl de wet (art. 1:203 BW) daarvoor een termijn van zes maanden
stelt. Voor ontkenning van vaderschap bij KID zonder toestemming van de
echtgenoot geldt derhalve ook de wettelijke termijn.

Volledige tekst

Rechtbank

(…)

Rechtsoverwegingen

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel onvoldoende
gemotiveerd weersproken, ten processe vast en blijkt deels mede uit de
overgelegde uittreksels het volgende:

– Eiser is gehuwd met gedaagde sub 2.

– Op 9 maart 1982 heeft bij gedaagde sub 2 kunstmatige donor-
inseminatie plaatsgevonden.

– Op 26 november 1982 is uit gedaagde sub 2 geboren kind Y.

– Eiser is onmiddellijk na de geboorte van voornoemd kind hiervan in
kennis gesteld.

Eiser stelt dat hij niet de vader van het kind kan zijn nu uit medisch
onderzoek is gebleken dat eiser onvruchtbaar althans verminderd vruchtbaar is,
terwijl hij eerst op 19 april 1984 van de behandelend gynaecoloog heeft
vernomen dat gedaagde sub 2 op 9 maart 1982 kunstmatig was geinsemineerd.

Tevens stelt eiser dat hij ten onrechte niet op de hoogte is geweest van
de kunstmatige inseminatie en dat artikel 203 lid 1 boek 1 Burgerlijk Wetboek
zodanig geinterpreteerd mag worden dat, nu hij binnen 6 maanden na vernomen te
hebben dat gedaagde sub 2 kunstmatig is geinsemineerd de vordering heeft
ingesteld, hij ontvankelijk is in deze vordering.

Gedaagden voeren in de eerste plaats aan dat eiser in zijn vordering
niet ontvankelijk is nu hij deze niet binnen 6 maanden na kennisname van de
geboorte van het kind heeft ingesteld, zoals artikel 203 lid 1 boek 1
Burgerlijk Wetboek voorschrijft.

Gedaagden voeren daarnaast aan dat niet uitgesloten is dat eiser wel de
vader van het kind is.

Gedaagde sub 2 voert bovendien aan dat eiser wel toestemming voor
kunstmatige donor inseminatie heeft gegeven.

De rechtbank zal eerst het niet-ontvankelijkheidsverweer beoordelen als
het meest verstrekkende.

De termijn, genoemd in bovengenoemd wetsartikel, waarbinnen de man de
rechtsvordering tot ontkenning kan instellen, is in het belang van de openbare
orde dwingend voorgeschreven. Het staat partijen niet vrij om welke reden dan
ook daarvan af te wijken en de rechter zal deze zelfs ambtshalve moeten
handhaven.

Waar nu vaststaat dat de geboorte van het kind terstond ter kennis van
de man is gebracht, terwijl de vordering tot ontkenning eerst op 27 september
1984 is ingesteld, volgt uit een en ander dat de man niet meer kan worden
ontvangen in de ingestelde rechtsvordering.

Het betoog van de man, dat het tijdstip, waarop hij voor het eerst
kennis kreeg van de kunstmatige donor inseminatie, bepalend is voor de aanvang
van genoemde termijn, vindt geen steun in wet en jurisprudentie, nog
daargelaten dat hij – op de hoogte zijnde van zijn eigen verminderde
vruchtbaarheid althans onvruchtbaarheid – na een 12-jarig ongewenst-kinderloos
huwelijk op zijn minst enige argwaan had kunnen koesteren omtrent zijn
vaderschap, toen hij in april 1982 vernam dat zijn vrouw in verwachting was en
vervolgens in kennis werd gesteld van de geboorte van het kind.

De rechtbank verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Rechters

Mrs. Van Halsema, Pruiksma, Houwerzijl-Lindenbergh

Instantie: B en W Amsterdam, 4 oktober 1985

Instantie

B en W Amsterdam

Samenvatting


Vrouw krijgt geen RWW-uitkering omdat zij samenwoont

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord, omdat het aanvechten van de
kroonjurisprudentie met betrekking tot economische eenheden in het belang van
meerdere vrouwen is

AFLOOP: het bezwaarschrift bij B & W werd afgewezen, evenals beroep bij
gedeputeerde Staten en Kroon. Aanvankelijk was het de bedoeling om door
middel van een civiele procedure de kroonjurisprudentie onder druk te zetten,
nu het BW geen onderhoudsplicht kent als er geen sprake is van een huwelijk
Er werd uiteindelijk afgezien van een procedure omdat de vrouw inmiddels
een baan had en bovendien de zaak door wetswijzigingen iets anders is gaan
liggen

Jaarverslag 1985 no. 24, 1986 no. 46, 1987 no. 33

Volledige tekst

OVERWEGENDE:

dat bezwaarde zich niet kan verenigen met de beslissing d.d. 17 mei 1984
ingevolge de Algemene Bijstandswet, waarbij de aan haar verleende
bijstandsuitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers met
ingang van 1 november 1983 werd beeindigd, waarbij werd overwogen dat zij
samenwoont met de heer A.A. Snoek, geboren 11 januari 1959, onder
omstandigheden die in financieel-economisch opzicht niet wezenlijk
verschillen van de situatie in een gezin als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene Bijstandswet en dat volgens de terzake van samenwoning geldende
jurisprudentie de heer Snoek onder meer gehouden is haar te voorzien in de
noodzakelijke kosten van het bestaan;

dat bezwaarde sinds 1 oktober 1982 bijstand krachtens de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers ontving, aanvankelijk naar de norm
inwonend, vanaf 3 mei 1983 naar norm 18 jaar alleenstaand;

dat de uitkering met ingang van 1 november 1983 werd geblokkeerd, omdat
bezwaarde op 22 november 1983 op dat zij met ingang van 1 november 1983 was
gaan samenwonen met de heer Snoek en tegelijkertijd verzocht om voortzetting
van de bijstand gedurende een kennismakingsperiode van drie maanden;

dat de gemachtigde van bezwaarde in het bezwaarschrift verklaart dat zij
bestrijdt dat er in het geval van betrokkenen sprake is van een situatie als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene Bijstandswet, omdat zij als ongehuwd
samenwonende niet gekozen heeft voor een financieel-economische
lotsverbondenheid hetgeen moge blijken uit het feit dat zij geen aanspraak op
levensonderhoud geldend kan maken tegenover haar gehouden is en dat de
afwezigheid van een financiele-economische lotsverbondenheid mede ook hieruit
blijkt, namelijk, dat de heer Snoek op geen enkele wijze bijdraagt in de
noodzakelijke kosten van haar levensonderhoud en dat dan ook tot
bijstandsverlening dient te worden overgegaan daar zij zelf niet over de
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien
en dat verder wordt verwezen naar terzake relevante jurisprudentie, waaruit
blijkt dat zelfs ondanks een wettelijke onderhoudsplicht van de ouders jegens
hun kinderen toch aanleiding werd gevonden in de verworven zelfstandige
positie van een inwonend kind om zelfstandig bijstand te verlenen en dat, zo
er toch sprake zou zijn van een voor de bijstandverlening relevante
economische band met de heer Snoek (quod non), deze hoogstens kan worden
beschouwd als een economische belangengemeenschap, waarmee bij toekenning van
de bijstand eventueel rekening zou kunnen worden gehouden;

dat gemachtigde van bezwaarde in een nader onderhoud d.d. 17 december
1984 aan het bezwaarschrift niets heeft toegevoegd;

dat is komen vast te staan dat met inachtneming van de voortzetting van
de bijstand gedurende een kennismakingsperiode van 3 maanden, vanaf februari
1984 sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5 van de Algemene
Bijstandswet en dat bezwaarde en haar partner vanaf genoemde datum een
financieel-economische eenheid vormen;

dat, gelet op het inkomen van de heer Snoek, deze in staat wordt geacht
bezwaarde te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan en zo niet,
dat hij een beroep kan doen op de Algemene Bijstandswet;

dat de beeindiging van de bijstandverlening met ingang van 1 februari
1984 gerechtvaardigd is nu bezwaarde blijkens de stukken in november 1984 op
de hoogte was van de consequentie met betrekking tot haar uitkering, welke
haar samenwoning met de heer A.A. Snoek met zich meebracht en zij er derhalve
vanaf dat moment rekening mee kon houden;

BESLUITEN:

de beslissing d.d. 17 mei 1984 in die zin te herzien dat de
bijstandsuitkering met ingang van 1 februari 1984 wordt beeindigd

Afschrift van dit besluit zal worden gegeven aan de afdeling Sociale
Dienst (8 stuks)

Rechters

Voorstel van de Wethouder van Sociale Zaken

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 6 september 1985

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Opposante was exploitante van een bordeel. De Gemeente heeft haar
bevolen deze inrichting te sluiten. De Gemeente heeft met behulp van
politiedwang het pand gesloten. Opposante heeft bezwaar aangetekend tegen het
sluitingsbevel. De Raad van State heeft dit beroep verworpen. In dit geding
dient derhalve van de rechtmatigheid van dat besluit te worden uitgegaan.

De vordering dat opposante goed opposante wordt verklaard tegen het ten
processe bedoelde dwangbevel endat dit buiten werking zal worden gesteld,
wordt afgewezen.

Volledige tekst

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Bij conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding heeft W. gevorderd,
dat zij bij vonnis goed opposante zal worden verklaard tegen het ten processe
bedoelde dwangbevel en dat dit buiten werking zal worden gesteld, kosten
rechtens.

Onder overlegging van produkties heeft de Gemeente voor antwoord
geconcludeerd W. in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans
haar deze te ontzeggen, haar te dezer zake tot kwaad-opposante te verklaren en
haar te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Geen overlegging van produkties heeft W. gerepliceerd.

De Gemeente heeft gedupliceerd.

Beide partijen hebben onder overlegging van de stukken vonnis verlangd.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet, althans niet
genoegzaam gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet
betwiste inhoud van de overgelegde produkties staat ten processe het volgende
tussen partijen vast:

a. W. is huurster en bewoonster van het pand A…straat te Rotterdam.

b. In evenvermeld pand was gevestigd een inrichting als bedoeld in
artikel 49 Algemene Politieverordening Rotterdam (bordeel), W. was exploitante
van deze inrichting.

c. Op 23 juni 1981 heeft de Gemeente W. bevolen meergenoemde inrichting
te sluiten. Na aanzegging van politiedwang heeft de Gemeente op 5 april 1982
een kamer op de tweede etage en een kamer op de derde etage van het
desbetreffende pand met hout dichtgetimmerd.

d. Nadat bleek dat het pand later toch weer voor prostitutie werd
gebruikt, is op 12 november 1982 op de zolderverdieping een aantal houten
schotten aangebracht, waardoor een aldaar geplaatst bed onbereikbaar werd.
Nadat bleek dat deze betimmering was weggenomen, is deze op 18 november 1982
nogmaals aangebracht met zwaarder materiaal. Tevens is daarbij een kamertje
afgesloten met een slot.

e. Bij brief van 23 november 1982 heeft de Gemeente W. verzocht de
kosten van de op 12 en 18 november genomen maatregelen te betalen. Daarbij is
W. een gespecificeerde factuur ad ƒ 3.609,10 toegezonden.

f. Op 20 december 1982 is door de Burgemeester van Rotterdam aan W. als
volgt bericht:

“Blijkens politierapportage is mij gebleken, dat u zich herhaalde malen
niet hebt gehouden aan het sluitingsbevel ten aanzien van het pand A. alhier.

Voorts is mij uit rapportage gebleken dat de van Gemeentewege
aangebrachte betimmering een aantal malen is weggenomen en dat
prositutie-activiteiten in het pand weer plaatsvinden. Ik wijs u er
nadrukkelijk op dat B & W in deze situatie niet zullen berusten en
verdergaande maatregelen overwegen, te weten maatregelen in de vorm van en
totale afdichting van het pand A.

Ik vertrouw erop dat het zover niet hoeft te komen en dat u deze
waarschuwing ter harte neemt en zich aan het sluitingsbevel zal houden”.

g. Aangezien deze waarschuwing geen effect sorteerde, is een deel van
het pand nadien met zwaar materiaal afgedicht en is uit een kamertje dat voor
prostitutie werd gebruikt de vloer verwijderd. Dit was het kamertje dat op 18
november met een slot was afgesloten. Dit slot bleek te zijn verwijderd.

h. Op 27 januari 1983 is een d.d. 24 december 1982 door B & W van de
Gemeente Rotterdam uitgevaardigd dwangbevel aan W. betekend.

i. W. heeft tegen het hiervoor sub c. bedoelde sluitingsbevel een
bezwaarschrift ingediend bij B & W van de Gemeente Rotterdam. Dit
bezwaarschrift is op 30 september 1981 ongegrond verklaard. Het hiertegen
ingestelde beroep bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State werd bij
beslissing d.d. 17 juni 1983 verworpen.

j. Op 16 februari 1984 heeft de Gemeenteraad van Rotterdam besloten in
de onderhavige procedure verweer te voeren.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert W. als hiervoor
in de overwegingen ten aanzien van de feiten is weergegeven. Zij heeft zich
daarbij op het standpunt gesteld, dat zij niet gehouden is de kosten van
onrechtmatig getroffen voorzieningen aan de Gemeente te vergoeden. In dit
verband heeft W. in de eerste plaat aangevoerd dat het sluitingsbevel ten
onrechte is genomen.

Dit betoog van W. dient te worden verworpen.

Immers, uitsluitend de administratieve rechter is bevoegd te beslissen
over de vraag, of de Gemeente al dan niet terecht op grond van artikel 49
Algemene Politieverordening de sluiting heeft bevolen van de inrichting van
W.

Nu de afdeling Rechtspraak van de Raad van State het beroep van W. tegen
het sluitingsbevel heeft verworpen, dient in het onderhavige geding van de
rechtmatigheid van dat besluit te worden uitgegaan.

W. heeft voorts aangevoerd, dat de uitvoering van het sluitingsbesluit
onrechtmatig is. Daartoe is door W. gesteld, dat de sluitingsbevoegdheid niet
inhoudt, dat de Gemeente vloeren uit de kamers mag halen. De bevoegdheid tot
sluiten brengt -aldus W.- niet mee dat de te sluiten ruimten onbruikbaar
worden gemaakt, alleen dat zij van buitenaf niet toegankelijk zijn.

Ook dit betoog kan W. niet baten. Niet valt in te zien immers, dat de
Gemeente de kosten van in november getroffen maatregelen niet meer zou kunnen
verhalen op de grond, dat zij in december (beweerdelijk) onrechtmatig jegens
W. zou hebben gehandeld.

W. heeft tenslotte de juistheid van het door de Gemeente in rekening
gebrachte bedrag betwist.

De Gemeente heeft gespecificeerd naar arbeidsloon, materiaal en
transportkosten aangegeven, welke kosten zij in verband met de 1e sluiting op
12 november 1982 en de 2e sluiting op 18 november 1982 heeft gemaakt.
Tegenover deze specificatie had het op de weg van W. gelegen nader aan te
geven op welk(e) punt(en) de door de Gemeente in rekening gebrachte bedragen
niet kloppen. Nu zij zulks heeft nagelaten, gaat de rechtbank aan haar
betwisting te dier zake als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

Het voorgaande voert tot de slotsom, dat de vordering van W. moet worden
afgewezen.

RECHTDOENDE:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt W. in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde
van de Gemeente begroot op f.150,- aan verschotten en op f.1.240,- aan salaris
voor de procureur.

Rechters

Mr. G.J. de Groot, president

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 1 augustus 1985

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Een schoonmaakbedrijf raakt een klant kwijt en brengt vervolgens
eenzijdig het aantal arbeidsuren van de werknemers terug. Door de wijze
waarop dit gebeurt en gezien ervaringen in het verleden besluit een groep van
vijfentwintig vrouwen hier niet mee in te stemmen. Zij protesteren
schriftelijk en vorderen loon. Een aangespannen kort geding wordt verloren
omdat volgens de van toepassing zijnde CAO arbeidscontracten eenzijdig
gewijzigd kunnen worden

De vrouwen zijn het hier niet mee eens en nemen een andere advocaat in
de arm. Deze wil, met een procedure bij de kantonrechter, ook weer via een
loonvordering, proberen er iets tegen te doen

Afloop: kantonrechter heeft het gevorderde afgewezen; de werkgever mocht
op grond van de geldende CAO en met de instemming van het personeel eenzijdig
het aantal arbeidsuren terugbrengen. Een van de overgebleven vrouwen is in
hoger beroep gegaan bij de rechtbank. Ook hier is zij in het ongelijk
gesteld. Na een negatief cassatie-advies is besloten af te zien van verder
procederen

Jaarverslag 1987 no. 15, 1988 no. 9

Volledige tekst

OVERWEGEND TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Eiseressen hebben gesteld en gevorderd zoals is vermeld in de hier als
ingevoegd te beschouwen en in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding

Ter terechtzitting is hun vordering nader toegelicht door hun procureur,
die ons pleitnotities met produkties heeft overhandigd

Gedaagde heeft de vordering van eiseressen bestreden bij monde van haar
procureur, die ons eveneens een pleitnotitie met produkties ter hand heeft
gesteld

Nadat partijen over en weer nogmaals het woord hadden doen voeren en bij
hun stellingen hadden volhard, hebben zij vonnis gevraagd

Drie van de eiseressen hebben een z.g. groepstoevoeging verkregen

De inhoud van alle voormelde stukken wordt geacht hier te zijn ingelast

OVERWEGEND TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken
en ten dele gestaafd door overgelegde niet betwiste producties staat tussen
partijen – voorzover te dezen van belang l het volgende vast:

Eiseressen zijn allen in deeltijd werkzaam in dienst c.q. zijn in dienst
geweest van gedaagde. Deze laatste houdt zich in Den Helder bezig met het
schoonmaken van marinegebouwen, zulks krachtens een met de marine (Ministerie
van Defensie) gesloten overeenkomst. In totaal heeft gedaagde in Den Helder
ruim honderd werkneemster/werknemers, vrijwel uitsluitend in deeltijd, in
dienst. Op der partijen rechtsverhouding is van toepassing de C.A.O. in het
schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, waarvan art. 4 lid 1, thans als volgt
luidt:

Bij aanvang van het dienstverband is de werkgever verplicht een
schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan met de werknemer, met als
grondslag deze collectieve arbeidsovereenkomst. De werkgever zal hierin
vermelden de bij aanvang van het dienstverband geldende: werktijden, het
(basis-) aantal uren en de loongroep waarin de werknemer wordt geplaatst, een
en ander onverminderd de, uit de kenmerken van de dienstverlening in de
branche voortkomende, wijzigingen, eventueel door te voeren tijdens de
looptijd van de arbeidsovereenkomst; de eventuele wijzigingen zullen alsdan
schriftelijk worden bevestigd

Met ingang van 1 januari 1985 is het aantal totaal te besteden
arbeidsuren terug gebracht van 1250 tot 700 per week, naar moet worden
aangenomen op grond van bezuinigingsmaatregelen van de overheid

Dit laatste stelde gedaagde voor de taak de gevolgen daarvan voor haar
personeel te Den Helder onder ogen te zien. In grote lijnen waren er twee
mogelijkheden: of een gedeelte van het personeel ontslaan, of de vermindering
van de uren uitsmeren over het gehele personeel

Na vooroverleg met enkele leden van de ondernemingsraad van gedaagde en
vertegenwoordigers van de vakbonden – waaronder zich overigens geen in Den
Helder werkzame personeelsleden van gedaagde bevonden – heeft gedaagde
besloten in beginsel voor het tweede alternatief te kiezen

In een op 12 december 1984 gehouden vergadering heeft het personeel zich
daarmede verenigd

Vervolgens heeft op 21 januari 1985 wederom een vergadering van het
personeel plaatsgevonden, alwaar de consequenties van de vermindering van de
uren zijn besproken en uiteindelijk door middel van een stemming onder het
personeel zijn aanvaard

Op beide vergaderingen was (vrijwel) het gehele personeel aanwezig. Ook
de ondernemingsraad heeft zich met de voorstellen verenigd

Gedaagde heeft vervolgens aan de genomen besluiten uitvoering gegeven

Daarna heeft een – geleidelijk in omvang slinkende – groep van
werkneemsters van haar ongenoegen over de gang van zaken en genomen besluit
en blijk gegeven

2. Eiseressen vorderen – althans zo lezen wij hun vordering – dat wij
gedaagde op straffe van een dwangsom zullen bevelen hun na 1 januari 1985
loon uit te betalen op basis van het aantal uren dat zij voor 1 januari 1985
hebben gewerkt

3. Gedaagde heeft deze vordering bestreden

4. Wij stellen voorop dat het boven geciteerde art. 4, lid 1 van de
C.A.O. in beginsel ruimte biedt tijdens de looptijd van de
arbeidsovereenkomst wijziging te brengen in het (basis) aantal uren

5. Bovendien is komen vast te staan dat, met uitzondering van hetgeen
ten aanzien van eiseres De Vries-Klos het geval is, de met de overige
eiseressen gesloten arbeidsovereenkomsten geen (basis) aantallen uren
vermelden, aangezien de C.A.O. die gold ten tijde van hun indiensttreding een
daartoe strekkende bepaling niet behelsde

6. Hieruit volgt dat eiseressen – met uitzondering van eiseres De
Vries-Klos – zich niet over een inbreuk op de geldende C.A.O. vermogen te
beklagen. Hetzelfde geldt overigens voor eiseres De Vries-Klos, aangezien
gedaagde onweersproken heeft gesteld dat in de arbeidsovereenkomst met deze
eiseres een werktijd van 8 1/2 uur per week is opgenomen en deze eiseres na 1
januari 1985 gemiddeld 10 uren per week heeft gewerkt

7. In het algemeen achten wij niet aannemelijk geworden dat gedaagde –
gezien de moeilijke situatie waarin zij buiten haar toedoen was komen te
verkeren – jegens eiseressen de geldende C.A.O. heeft nageleefd dan wel zich
overigens niet als een goed werkgeefster tegenover eiseressen heeft gedragen

8. Wij nemen daarbij mede in aanmerking dat ter terechtzitting is
gebleken dat gedaagde aan enkele eiseressen aanvullende uren heeft aangeboden
– zij wellicht op ander tijdstippen en op andere lokaties – en dat deze zijn
geweigerd. Op zichzelf kunnen zij daarvoor begrijpelijke en te respekteren
redenen hebben gehad, maar dat neemt niet weg dat het hun de gelegenheid zou
hebben geboden de financiele gevolgen van de getroffen maatregelen te
voorkomen of te verzachten

9. Samenvattend zijn wij van oordeel dat niet aannemelijk is geworden
dat de eiseressen in dit geding er rechtens aanspraak op kunnen maken dat hun
positie niet wordt bevroren en gehandhaafd in de toestand waarin zich deze
voor 1 januari 1985 bevond

10.Ter terechtzitting hebben eiseressen nog doen aanvoeren dat zij zich
in het bijzonder erover beklagen dat met hen over de te treffen maatregelen
geen overleg heeft plaatsgevonden

11. Gegeven het feit dat over de ingetreden situatie en de gevolgen
daarvan op 12 december 1984 en 1 januari 1985 vergaderingen met het (vrijwel)
voltallige personeel hebben plaatsgevonden en ook de ondernemingsraad is
geraadpleegd, achten wij dat verwijt onvoldoende gefundeerd

12. Uiteraard is niet slechts dan van “overleg” sprake indien dit leidt
tot een beslissing waarmede alle betrokkenen – meer dan honderd personen –
zich (laat staan: van ganser harte) kunnen verenigen

13. Uit het vorenoverwogene volgt dat de gevraagde voorzieningen – wat
daarvan overigens ook moge zijn – behoren te worden geweigerd met
veroordeling van eiseressen in de kosten van het geding

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:

Weigeren de gevraagde voorzieningen

Verwijzen eiseressen in de kosten van het geding, aan de zijde van
gedaagde tot heden begroot op ƒ 250,– aan verschotten en ƒ 1.100,– aan
salaris voor haar procureur

Rechters

Mr. T.W. Attema, president

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 4 juli 1985

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting


Vrouw solliciteerde als keuringslaborant. In een sollicitatiegesprek
bleek dat zij vanwege haar opleiding en werkervaring een goede kandidaat was
In hetzelfde gesprek werd haar echter voorgehouden dat zij incidenteel
zou moeten invallen op een plaats waar af en toe met zware blikken verf
gewerkt moest worden, reden waarom een vrouw voor deze functie niet geschikt
zou zijn. Dit laatste werd per brief bevestigd

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord want het betreft hier directe discrimin
atie van vrouwen

STAND VAN ZAKEN: Volgens de commissie gelijke behandeling heeft de
werkgever gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling
mannen en vrouwen. De vrouw voert een civiele procedure om schadevergoeding
te krijgen

Jaarverslag 1985 no. 4, 1986 no. 37

Volledige tekst

1. DE AANVRAAG

1.1 Op 21 februari 1985 heeft mw.mr. C. van Hoorm van het buro voor
rechtshulp in het arrondissement Haarlem namens M. uit Zaandam, verder te
noemen aanvraagster, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, verder te noemen de Commissie, verzocht haar zienswijze
kenbaar te maken ten aanzien van de vraag of door SBK Lakchemie BV, verder te
noemen werkgever, ten nadele van aanvraagster hetzij onmiddellijk hetzij
middellijk onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen dan wel
onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden als bedoeld in de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, nr. 86) (WGB)

1.2 Aanvraagster solliciteerde op een advertentie van werkgever (d.d.
22-12-1984) voor aankomend keuringslaborant. zij werd vervolgens uitgenodigd
voor een sollicitatiegesprek. In dit gesprek d.d. 10 januari 1985 kwam
volgens haar naar voren dat Zij vanwege haar opleiding en werkervaring in
principe een goede kandidate was voor de gevraagde functie. In hetzelfde
gesprek zou haar echter zijn voorgehouden dat zij incidenteel zou moeten
invallen op een plaats waar af en toe met zware blikken verf gewerkt moest
worden, reden waarom een vrouw voor deze functie niet geschikt zou zijn. Dit
laatste werd haar per brief d.d. 16 januari 1985 schriftelijk bevestigd

Op 7 februari 1985 is door werkgever opnieuw een advertentie terzake
geplaatst, met dien verstande dat ditmaal gesteld wordt: “Voor deze funktie
gaan onze gedachten uit naar een jongeman….”

1.3 Aanvraagster is enerzijds van mening dat de advertenties d.d 22
december 1984 respectievelijk 7 februari 1985 in strijd met de WGB zijn,
aangezien uit de eerste onvoldoende blijkt dat zowel mannen als vrouwen
kunnen solliciteren terwijl in de laatste vermeld wordt dat de gedachten
uitgaan naar een jongeman. Bovendien is zij van mening dat het feit dat zij
is afgewezen vanwege haar geslacht strijd met de WGB oplevert

HET ONDERZOEK

2.1 De Commissie heeft het verzoek van aanvraagster in behandeling
genomen en ter zake een onderzoek ingesteld teneinde na te gaan of ten nadele
van aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

2.2 Artikel 3, eerste lid, WGB luidt:

Het is niet toegelaten in de advertentie waarin een betrekking
aangeboden wordt of bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, hetzij
onmiddellijk, hetzij middellijk door verwijzing naar de echtelijke staat of de
gezinsomstandigheden. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing in
die gevallen waarin het geslacht bepalend is

2.3 Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijk
inlichtingen verstrekt op 8 maart 1985

Dit was voor aanvraagster aanleiding voor een nadere reactie op 14 mei
1985. Werkgever heeft tenslotte op 24 mei 1985 aanvullende informatie
verstrekt

De Commissie heeft de aanvraag besproken in de vergadering van 29 mei
1985

3.RESULTAAT VAN HET ONDERZOEK

3.1 Werkgever deelt mee dat het i.c. gaat om een nieuwe functie binnen
het bedrijf. Op het moment dat de eerste advertentie werd geplaatst was bij
werkgever intern nog een discussie gaande m.b.t. de inhoud van deze functie.
In dit verband was met name aan de orde of (zwaar) fabriekswerk bij deze
functie ondergebracht zou worden. Nadien is besloten dat dit inderdaad
onderdeel zou zijn van de nieuwe functie. Werkgever tekent aan dat het
bedrijf zodanig van omvang is dat combinaties van diverse werkzaamheden over
het algemeen niet te vermijden zijn

Nadat besloten was dat het fabriekswerk onderdeel zou uitmaken van de
nieuwe functie viel een aantal reflectanten op de onderhavige advertentie af
op fysieke gronden, tot deze laatste categorie behoort aanvraagster, aldus
werkgever

Werkgever zegt bovendien dat de formulering in de afwijzingsbrief
ongelukkig gekozen was; i.p.v. een afwijzing op grond van geslacht had er
moeten staan dat aanvraagster was afgewezen op fysieke gronden

Van de 5 mannen en 3 vrouwen die op de eerste advertentie reageerden is
niemand aangenomen

Werkgever deelt voorts mede dat tijden het sollicitatiegesprek aan
aanvraagster is verteld dat enerzijds de voorkeur van de directie uitging
naar een vrouw en dat anderzijds indien het (zware) fabriekswerk onderdeel
zou worden, aanvraagster alleen al op grond daarvan zou worden afgewezen

3.2 Aanvraagster is van mening dat, nu de functie-inhoud op het moment
van plaatsing van de tweede advertentie blijkbaar vaststond en er na de
eerste advertentie kandidaten waren afgewezen op grond van het zware
fabriekswerk, het voor de hand had gelegen dit in de nieuwe advertentie
expliciet te vermelden

Bovendien bevreemdt het aanvraagster dat zij alleen al op grond van haar
fysieke capaciteiten zou zijn afgewezen, aangezien deze capaciteiten op geen
enkele wijze zijn getest en zij ook geen idee had wat er van haar verlangd
werd

Er zou slechts gesproken zijn over het (af en toe) tillen van zwaren
blikken verf, zonder dat gezegd is hoe zwaar deze waren. Wel zou er n.a.v.
dit tilwerk gezegd zijn: “dit kunnen wij een vrouw niet aandoen”

3.3 Tenslotte reageert werkgever op het voorgaande door onder meer het
volgende naar voren te brengen

De fysieke capaciteiten vormen slechts een van de criteria, het is z.i.
ondoenlijk alle criteria in een advertentie te vermelden. Hij van mening dat
het eerste, wederzijds orienterende gesprek daartoe betere gelegenheid biedt

Voorts deelt werkgever mee dat, aangezien de functie-inhoud op het
moment van onderhavige sollicitatie niet vaststond, de fysieke capaciteiten
destijds niet zijn getoetst evenmin als op ander gebied tijdens het eerste
gesprek tests zijn gedaan

Toen de functie-inhoud definitief was vastgesteld viel aanvraagster (en
met haar o.a. 5 mannen) af, op grond van een totaal-indruk, waarbij o.a. de
fysieke capaciteiten (ruw) zijn ingeschat, aldus werkgever

3.4 Op grond van de indruk van werkgever tijdens twee
sollicitatiegesprekken met twee mannelijke kandidaten meende hij dat het
verantwoord was deze mannen aan te nemen. Een andere toetsing van hen vindt
plaats tijdens de proeftijd (2 maanden) en gedurende het eerste jaar van het
dienstverband. Pas daarna zal sprake zijn van een dienstverband oor
onbepaalde tijd, aldus werkgever

4.OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 De Commissie is van mening dat uit de advertentie d.d. 22 december
1985 onvoldoende blijkt dat de betrekking open staat voor zowel mannen als
vrouwen. Hoewel in eerste instantie niet is gebleken dat tijdens de
sollicitatieprocedure onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen spreidde
werkgever een uitgesproken voorkeur voor een man ten toon toen de definitieve
inhoud van de functie bekend was

4.2 Uit de advertentie van 7 februari 1985 blijkt deze voorkeur voor
mannelijke kandidaten duidelijk

De WGB laat in een beperkt aantal gevallen onderscheid tussen mannen en
vrouwen toe, en wel

– indien het geslacht bepalend is voor de functie,

– indien de bescherming van de vrouw beoogd wordt (met name i.v.m.
zwangerschap en moederschap),

– indien beoogd wordt een feitelijke ongelijkheid op te heffen

De Commissie is met de Sociaal Economische Raad – in de nota “gelijke
behandeling mannen en vrouwen” van 19 juni 1981 – van oordeel dat een
werkgever die op een van deze gronden een voorkeur voor een man dan wel een
vrouw baseert, daarvan in de personeelsadvertentie blijk moet geven

In bedoelde advertentie is daarvan geen sprake, terwijl evenmin
aannemelijk is dat voor de vacante functie een van de uitzonderingen van
toepassing is

4.3 Zowel de afwijzingsbrief als toespelingen tijdens het
sollicitatiegesprek geven de Commissie aanleiding aan te nemen dat werkgever
(vanwege het zware fabriekswerk) de vacante functie niet geschikt acht voor
een vrouw

Hoewel werkgever zegt dat aanvraagster is afgewezen ondermeer op fysieke
gronden heeft hij de Commissie niet aannemelijk gemaakt dat aanvraagster een
reele kans is geboden op het vervullen van onderhavige functie

4.4 Dat sprake is van zwaar werk, kan geen grond vormen vrouwen bij
voorbaat (vrijwel) uit te sluiten (zoals bij de tweede advertentie is
geschied)

Er is geen reden om vrouwen die over voldoende lichaamskracht beschikken
en die dergelijk werk willen verrichten, de toegang tot dat werk te ontzeggen.
Er kan dan ook geen sprake zijn van een functie waarvoor het geslacht
bepalend is

5. OORDEEL VAN DE COMMISSIE

5.1 De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige parafen is
vermeld tot het oordeel dat door werkgever onjuist is gehandeld door in de
advertentie d.d. 17 februari 1985 zonder opgaaf van redenen een voorkeur voor
een mannelijke kandidaat uit te spreken. Bovendien is de Commissie van
mening dat (in tweede instantie) aanvraagster niet voldoende als reele
kandidaat is aangemerkt door werkgever, aangezien zij een vrouw is

5.2 De Commissie heeft vastgesteld dat door werkgever ten nadele van
aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

5.3 Overeenkomstig artikel 6, eerste lid van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen heeft de Commissie haar zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever

Rechters

Mr. J.A. van den Ijssel en drs. M.J.M. van Randwijck-van de Poll

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 4 juli 1985

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting


Vrouw solliciteerde als keuringslaborant. In een sollicitatiegesprek
bleek dat zij vanwege haar opleiding en werkervaring een goede kandidaat was
In hetzelfde gesprek werd haar echter voorgehouden dat zij incidenteel
zou moeten invallen op een plaats waar af en toe met zware blikken verf
gewerkt moest worden, reden waarom een vrouw voor deze functie niet geschikt
zou zijn. Dit laatste werd per brief bevestigd

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord want het betreft hier directe discrimin
atie van vrouwen

STAND VAN ZAKEN: Volgens de commissie gelijke behandeling heeft de
werkgever gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling
mannen en vrouwen. De vrouw voert een civiele procedure om schadevergoeding
te krijgen

Jaarverslag 1985 no. 4, 1986 no. 37

Volledige tekst

1. DE AANVRAAG

1.1 Op 21 februari 1985 heeft mw.mr. C. van Hoorm van het buro voor
rechtshulp in het arrondissement Haarlem namens M. uit Zaandam, verder te
noemen aanvraagster, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, verder te noemen de Commissie, verzocht haar zienswijze
kenbaar te maken ten aanzien van de vraag of door SBK Lakchemie BV, verder te
noemen werkgever, ten nadele van aanvraagster hetzij onmiddellijk hetzij
middellijk onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen dan wel
onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden als bedoeld in de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, nr. 86) (WGB)

1.2 Aanvraagster solliciteerde op een advertentie van werkgever (d.d.
22-12-1984) voor aankomend keuringslaborant. zij werd vervolgens uitgenodigd
voor een sollicitatiegesprek. In dit gesprek d.d. 10 januari 1985 kwam
volgens haar naar voren dat Zij vanwege haar opleiding en werkervaring in
principe een goede kandidate was voor de gevraagde functie. In hetzelfde
gesprek zou haar echter zijn voorgehouden dat zij incidenteel zou moeten
invallen op een plaats waar af en toe met zware blikken verf gewerkt moest
worden, reden waarom een vrouw voor deze functie niet geschikt zou zijn. Dit
laatste werd haar per brief d.d. 16 januari 1985 schriftelijk bevestigd

Op 7 februari 1985 is door werkgever opnieuw een advertentie terzake
geplaatst, met dien verstande dat ditmaal gesteld wordt: “Voor deze funktie
gaan onze gedachten uit naar een jongeman….”

1.3 Aanvraagster is enerzijds van mening dat de advertenties d.d 22
december 1984 respectievelijk 7 februari 1985 in strijd met de WGB zijn,
aangezien uit de eerste onvoldoende blijkt dat zowel mannen als vrouwen
kunnen solliciteren terwijl in de laatste vermeld wordt dat de gedachten
uitgaan naar een jongeman. Bovendien is zij van mening dat het feit dat zij
is afgewezen vanwege haar geslacht strijd met de WGB oplevert

HET ONDERZOEK

2.1 De Commissie heeft het verzoek van aanvraagster in behandeling
genomen en ter zake een onderzoek ingesteld teneinde na te gaan of ten nadele
van aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

2.2 Artikel 3, eerste lid, WGB luidt:

Het is niet toegelaten in de advertentie waarin een betrekking
aangeboden wordt of bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, hetzij
onmiddellijk, hetzij middellijk door verwijzing naar de echtelijke staat of de
gezinsomstandigheden. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing in
die gevallen waarin het geslacht bepalend is

2.3 Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijk
inlichtingen verstrekt op 8 maart 1985

Dit was voor aanvraagster aanleiding voor een nadere reactie op 14 mei
1985. Werkgever heeft tenslotte op 24 mei 1985 aanvullende informatie
verstrekt

De Commissie heeft de aanvraag besproken in de vergadering van 29 mei
1985

3.RESULTAAT VAN HET ONDERZOEK

3.1 Werkgever deelt mee dat het i.c. gaat om een nieuwe functie binnen
het bedrijf. Op het moment dat de eerste advertentie werd geplaatst was bij
werkgever intern nog een discussie gaande m.b.t. de inhoud van deze functie.
In dit verband was met name aan de orde of (zwaar) fabriekswerk bij deze
functie ondergebracht zou worden. Nadien is besloten dat dit inderdaad
onderdeel zou zijn van de nieuwe functie. Werkgever tekent aan dat het
bedrijf zodanig van omvang is dat combinaties van diverse werkzaamheden over
het algemeen niet te vermijden zijn

Nadat besloten was dat het fabriekswerk onderdeel zou uitmaken van de
nieuwe functie viel een aantal reflectanten op de onderhavige advertentie af
op fysieke gronden, tot deze laatste categorie behoort aanvraagster, aldus
werkgever

Werkgever zegt bovendien dat de formulering in de afwijzingsbrief
ongelukkig gekozen was; i.p.v. een afwijzing op grond van geslacht had er
moeten staan dat aanvraagster was afgewezen op fysieke gronden

Van de 5 mannen en 3 vrouwen die op de eerste advertentie reageerden is
niemand aangenomen

Werkgever deelt voorts mede dat tijden het sollicitatiegesprek aan
aanvraagster is verteld dat enerzijds de voorkeur van de directie uitging
naar een vrouw en dat anderzijds indien het (zware) fabriekswerk onderdeel
zou worden, aanvraagster alleen al op grond daarvan zou worden afgewezen

3.2 Aanvraagster is van mening dat, nu de functie-inhoud op het moment
van plaatsing van de tweede advertentie blijkbaar vaststond en er na de
eerste advertentie kandidaten waren afgewezen op grond van het zware
fabriekswerk, het voor de hand had gelegen dit in de nieuwe advertentie
expliciet te vermelden

Bovendien bevreemdt het aanvraagster dat zij alleen al op grond van haar
fysieke capaciteiten zou zijn afgewezen, aangezien deze capaciteiten op geen
enkele wijze zijn getest en zij ook geen idee had wat er van haar verlangd
werd

Er zou slechts gesproken zijn over het (af en toe) tillen van zwaren
blikken verf, zonder dat gezegd is hoe zwaar deze waren. Wel zou er n.a.v.
dit tilwerk gezegd zijn: “dit kunnen wij een vrouw niet aandoen”

3.3 Tenslotte reageert werkgever op het voorgaande door onder meer het
volgende naar voren te brengen

De fysieke capaciteiten vormen slechts een van de criteria, het is z.i.
ondoenlijk alle criteria in een advertentie te vermelden. Hij van mening dat
het eerste, wederzijds orienterende gesprek daartoe betere gelegenheid biedt

Voorts deelt werkgever mee dat, aangezien de functie-inhoud op het
moment van onderhavige sollicitatie niet vaststond, de fysieke capaciteiten
destijds niet zijn getoetst evenmin als op ander gebied tijdens het eerste
gesprek tests zijn gedaan

Toen de functie-inhoud definitief was vastgesteld viel aanvraagster (en
met haar o.a. 5 mannen) af, op grond van een totaal-indruk, waarbij o.a. de
fysieke capaciteiten (ruw) zijn ingeschat, aldus werkgever

3.4 Op grond van de indruk van werkgever tijdens twee
sollicitatiegesprekken met twee mannelijke kandidaten meende hij dat het
verantwoord was deze mannen aan te nemen. Een andere toetsing van hen vindt
plaats tijdens de proeftijd (2 maanden) en gedurende het eerste jaar van het
dienstverband. Pas daarna zal sprake zijn van een dienstverband oor
onbepaalde tijd, aldus werkgever

4.OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 De Commissie is van mening dat uit de advertentie d.d. 22 december
1985 onvoldoende blijkt dat de betrekking open staat voor zowel mannen als
vrouwen. Hoewel in eerste instantie niet is gebleken dat tijdens de
sollicitatieprocedure onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen spreidde
werkgever een uitgesproken voorkeur voor een man ten toon toen de definitieve
inhoud van de functie bekend was

4.2 Uit de advertentie van 7 februari 1985 blijkt deze voorkeur voor
mannelijke kandidaten duidelijk

De WGB laat in een beperkt aantal gevallen onderscheid tussen mannen en
vrouwen toe, en wel

– indien het geslacht bepalend is voor de functie,

– indien de bescherming van de vrouw beoogd wordt (met name i.v.m.
zwangerschap en moederschap),

– indien beoogd wordt een feitelijke ongelijkheid op te heffen

De Commissie is met de Sociaal Economische Raad – in de nota “gelijke
behandeling mannen en vrouwen” van 19 juni 1981 – van oordeel dat een
werkgever die op een van deze gronden een voorkeur voor een man dan wel een
vrouw baseert, daarvan in de personeelsadvertentie blijk moet geven

In bedoelde advertentie is daarvan geen sprake, terwijl evenmin
aannemelijk is dat voor de vacante functie een van de uitzonderingen van
toepassing is

4.3 Zowel de afwijzingsbrief als toespelingen tijdens het
sollicitatiegesprek geven de Commissie aanleiding aan te nemen dat werkgever
(vanwege het zware fabriekswerk) de vacante functie niet geschikt acht voor
een vrouw

Hoewel werkgever zegt dat aanvraagster is afgewezen ondermeer op fysieke
gronden heeft hij de Commissie niet aannemelijk gemaakt dat aanvraagster een
reele kans is geboden op het vervullen van onderhavige functie

4.4 Dat sprake is van zwaar werk, kan geen grond vormen vrouwen bij
voorbaat (vrijwel) uit te sluiten (zoals bij de tweede advertentie is
geschied)

Er is geen reden om vrouwen die over voldoende lichaamskracht beschikken
en die dergelijk werk willen verrichten, de toegang tot dat werk te ontzeggen.
Er kan dan ook geen sprake zijn van een functie waarvoor het geslacht
bepalend is

5. OORDEEL VAN DE COMMISSIE

5.1 De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige parafen is
vermeld tot het oordeel dat door werkgever onjuist is gehandeld door in de
advertentie d.d. 17 februari 1985 zonder opgaaf van redenen een voorkeur voor
een mannelijke kandidaat uit te spreken. Bovendien is de Commissie van
mening dat (in tweede instantie) aanvraagster niet voldoende als reele
kandidaat is aangemerkt door werkgever, aangezien zij een vrouw is

5.2 De Commissie heeft vastgesteld dat door werkgever ten nadele van
aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

5.3 Overeenkomstig artikel 6, eerste lid van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen heeft de Commissie haar zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever

Rechters

Mr. J.A. van den Ijssel en drs. M.J.M. van Randwijck-van de Poll

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 juni 1985

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vrouw krijgt geen RWW-uitkering omdat zij samenwoont

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord, omdat het aanvechten van de
kroonjurisprudentie met betrekking tot economische eenheden in het belang van
meerdere vrouwen is

AFLOOP: het bezwaarschrift bij B & W werd afgewezen, evenals beroep bij
Gedeputeerde Staten en Kroon. Aanvankelijk was het de bedoeling om door
middel van een civiele procedure de kroonjurisprudentie onder druk te zetten,
nu het BW geen onderhoudsplicht kent als er geen sprake is van een huwelijk
Er werd uiteindelijk afgezien van een procedure omdat de vrouw inmiddels
een baan had en bovendien de zaak door wetswijzigingen iets anders is gaan
liggen

Jaarverslag 1985 no. 24, 1986 no. 46, 1987 no. 33

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

Appellant (verder te noemen Snoek) is bij dagvaarding van 4 december
1984 in hoger beroep gekomen bij het Hof van een door de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder rolnummer 84.3287 tussen partijen
gewezen en op 5 september 1984 uitgesproken vonnis

Bij memorie (met een productie) heeft hij een grief tegen genoemd vonnis
aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en
toewijzing van zijn in eerste aanleg gedane vordering

Geintimeerde – in zijn hoedanigheid van voogd over de minderjarige
Voorendt – heeft zich bij memorie van antwoord gerefereerd aan het oordeel
van het Hof

Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties
waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt, overgelegd aan het Hof voor het
wijzen van arrest

2. De feiten

Niet bestreden is de weergave op bladzijde 2 van het vonnis waarvan
beroep (onder 1 en 2) van de ten processe vaststaande feiten. Ook het Hof
gaat mitsdien van deze weergave der feiten uit

3. De Grief

De grief houdt het volgende in:

Ten onrechte heeft de Rechtbank geoordeeld dat Snoek niet voldoende
belang heeft bij de door hem gevraagde verklaring voor recht

4. Behandeling van de grief

4.1 Het Hof stelt het volgende voorop. Snoek vordert een verklaring
voor recht jegens Voorendt. Daarvoor is nodig dat Snoek bij het vaststellen
van de rechtsverhouding tussen hem en Voorendt een “dadelijk belang” heeft.
Dit houdt in dat de uitspraak aan Snoek baat moet brengen tegenover zijn
wederpartij in het geding, Voorendt

4.2 In zijn toelichting op de grief wijst Snoek er allereerst op dat
Voorendt een geschil heeft met de sociale dienst van de gemeente Amsterdam
omtrent de intrekking van haar bijstandsuitkering per 1 november 1983 en dat
hij, Snoek, bij dit geschil is betrokken door de wijze waarop bedoelde dienst
hem in haar beslissing betrekt, namelijk doordat Voorendt omtrent de inkomsten
van Snoek opgave aan bedoelde dienst moet doen, waardoor inbreuk wordt gemaakt
op privacy van Snoek. Dit brengt mee, aldus Snoek, dat hij belang heeft bij
de door hem gevorderde verklaring voor recht

4.3. Voorts is, naar Snoek stelt, zijn belang daarin gelegen dat, indien
vaststaat dat Voorendt jegens hem geen vordering tot uitkering aan Voorendt
zal overgaan waardoor Voorendt haar aandeel in de woonlasten kan voldoen en
hij, Snoek, niet meer in moeilijkheden geraakt tegenover de verhuurder

4.4. Tenslotte wijst Snoek erop dat een verklaring voor recht, zoals
door hem gevorderd, de positie van Voorendt in de door haar aangespannen
beroepsprocedure terzake van de intrekking van haar uitkering kan versterken,
waarbij Snoek nog opmerkt – onder aanvoering van diverse hier verder niet
terzake doende argumenten – dat de positie van Voorendt in bedoelde procedure
“zeker niet bij voorbaat kansloos moet worden geacht”

4.5. Uit het hier voor onder 4.2, 4.3, 4.4, overwogende volgt dat Snoek
volgens zijn eigen stellingen bij de gevorderde uitspraak geen belang heeft
jegens de wederpartij in het onderhavige geding, Voorendt, maar – hoogstens –
jegens eerder genoemde sociale dienst, die echter geen partij is in dit
geding

De gevorderde verklaring voor recht brengt Snoek geen baat jegens
Voorendt, maar, naar hij althans verwacht, jegens bedoelde sociale dienst.
Snoek heeft deze echter niet in het geding betrokken

4.6. De onderhavige procedure kan evenmin dienen om Voorendt een
voordeel te bezorgen in haar beroepsprocedure tegen meergenoemde sociale
dienst

4.7. Tenslotte is ook niet gebleken dat tussen Snoek en Voorendt zelf
een geschil bestaat (of dreigt te ontstaan) waardoor Snoek bij de
vaststelling van de rechtsverhouding tussen hem en Voorendt enig belang heeft

4.8. Het vorengaande brengt mee dat de Rechtbank terecht heeft
geoordeeld dat Snoek niet voldoende belang heeft de gevraagde verklaring voor
recht

4.9 De grief faalt mitsdien

3. Slotsom

Naar uit het vorenoverwogene volgt, moet het vonnis waarvan beroep
worden bekrachtigd. De kosten van het geding in hoger beroep zullen tussen
partijen worden gecompenseerd, nu enerzijds Snoek geen kostenveroordeling
heeft gevraagd en anderzijds geintimeerde zich aan het oordeel van het Hof
heeft gerefereerd

6. Beslissing

Het Hof:

1. bekrachtigd het vonnis waarvan beroep;

2. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen
aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt

Rechters

Mrs Ter Haar, vice-president, Veger en Swens, raadsheren

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 mei 1985

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Vrouw eist in kort geding dat haar aanrander verboden wordt zich in
bepaalde straten te begeven

Beslissing Rechtenvrouw: het is in het belang van vrouwen dat zij ook de
feitelijke bescherming van het civiele recht kunnen inroepen bij
tekortschieten van het strafrecht

Afloop: het kort geding werd gewonnen; het hoger beroep aangespannen
door de tegenpartij werd door de vrouw verloren. Zij ging in cassatie bij
de HR en won: van de aanrander kan worden geeist dat hij actief moeite doet om
uit de buurt van zijn slachtoffer te blijven. De zaak werd terugverwezen
naar het Hof Den Haag, dat in overeenstemming met het arrest van de HR
besliste

Jaarverslag 1984 no.8, 1985 no.20, 1986 no. 44, 1987 no.23

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie – verder te noemen I. – heeft bij exploot van 27
juni 1984 verweerder in cassatie – verder te noemen J. – in kort geding
gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd

A. J. te verbieden zich te begeven en/of bevinden binnen een straal van
1000 meter van I.’s woning aan het Hortusplantsoen 14 hs te Amsterdam,
althans J. te verbieden zich te bevinden binnen de vijfhoek huizenblokken die
gevormd wordt door Nieuwe Herengracht, Weesperstraat, Nieuwe Keizersgracht,
Plantage Parklaan en Plantage Middenlaan

B. J. te veroordelen aan I. een voorschot op de door haar geleden
immateriele schade te betalen van ƒ 5.000,–

C. Een en ander op verbeurte van een dwangsom van ƒ 1000,– voor iedere
keer dat R. het verbod A. overtreedt, en een dwangsom van ƒ 1.000,– per
dag, voor iedere dag dat J. niet aan zijn veroordeling sub B. genoemd,
voldoet

I. heeft die vordering ter terechtzitting vermeerderd met een
`parkverbod’. Tegen die vermeerdering heeft J. zich niet verzet

Nadat J. tegen die vermeerderde vordering verweer had gevoerd, heeft de
President bij vonnis van 12 juli 1984 de vordering toegewezen, zoals in dat
vonnis omschreven

Tegen dit vonnis heeft J. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
Amsterdam

Bij arrest van 25 oktober 1984 heeft het Hof J. niet-ontvankelijk
verklaard in zijn hoger beroep wat betreft de in het dictum van het beroepen
vonnis sub 4 geformuleerde, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling,
en voor het overige het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de gevraagde
voorzieningen alsnog geweigerd

Het vonnis van de President en het arrest van het Hof zijn aan dit
arrest gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft I. beroep in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. J.
heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep

De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten

De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot verwerping van
het beroep

3. Beoordeling van het middel

3.1 Wat onderdeel I betreft geldt het volgende

I. heeft blijkens de bestreden uitspraak en de stukken van het geding
voor de President gevorderd: 1. een voorschot op geleden immateriele schade
en 2. een “straatverbod” en een “parkverbod”, zoals nader in de stukken
omschreven. Het Hof heeft het standpunt van I. met betrekking tot de onder 2
genoemde vordering kennelijk aldus begrepen dat deze is gebaseerd op de
stelling dat “een reele dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van de
kant van J. jegens I. aannemelijk is en dat ter kering van deze dreiging het
gevorderde verbod nodig is” (rechtsoverweging 8)

Uit het vorenstaande volgt dat het Hof de onder 2 bedoelde vordering
niet heeft opgevat als strekkende tot herstel van de door I. geleden schade
en dat in het bijzonder het Hof in de stellingen van I. niet heeft gelezen
een beroep op feiten en omstandigheden, dat het Hof noopte tot een
belangenafweging met het oog op de vraag of – in de woorden van onderdeel I,
slot – “herstel van de oude toestand ter relevascentie van I. op haar plaats”
was. Het betreft hier een vraag van uitlegging van de gedingstukken;
zodanige uitlegging is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
Het onderdeel klaagt – terecht – niet dat gemelde uitlegging onbegrijpelijk
is. Onderdeel I faalt dus

3.2 Onder IIA faalt eveneens. Het keert zich tegen ’s Hofs oordeel
(rechtsoverweging 9) dat “niet voldoende aannemelijk is geworden dat J.,
hoewel hij van meerdere aanrandingen beschuldigd wordt, zich opnieuw aan
soortgelijke handelingen zal schuldig maken en al zeker niet (…) dat hij
zich daaraan nu juist ten opzichte van I. zal schuldig maken”. Het betreft
hier een oordeel van feitelijke aard, dat niet onbegrijpelijk is en – mede in
aanmerking genomen dat het hier een kort geding betreft – nadere motivering
niet behoefde. De in het onderdeel bedoelde verklaringen hebben het Hof
kennelijk geen aanleiding gegeven tot een ander oordeel

3.3 Met betrekking tot onderdeel IIB wordt het volgende overwogen

De rechtsoverwegingen 12 en 14 van ’s Hofs arrest brengen blijkbaar een
tegenstelling tot uitdrukking, die daarop neerkomt dat naar ’s Hofs oordeel
J. wel onrechtmatig zou handelen indien hij de in rechtsoverweging 12
bedoelde gevoelens van I. niet zou willen ontzien door zich “welbewust” zo te
gedragen als in die rechtsoverweging is omschreven en in het bijzonder indien
hij “er op uit zou zijn I. te ontmoeten en haar aan een confrontatie met hem
bloot te stellen”, maar dat, buiten het geval van zulk een “er op uit zijn”,
in het “elkaar tegenkomen” geen onrechtmatig handelen van J. jegens I. kan
zijn gelegen. Dit oordeel – dat erop neerkomt dat in een situatie als de
onderhavige enig “vermijdingsgedrag” niet kan worden gevergd – kan niet als
juist worden aanvaard. De door het Hof blijkens rechtsoverweging II als
“niet weersproken en volstrekt aannemelijk” aangemerkte stellingen van I.,
weergegeven in rechtsoverweging 10, brengen mee dat van J. in beginsel mag
worden gevergd dat hij zich – zoals in het onderdeel wordt betoogd – “aktief
moeite geeft om uit de buurt van I. te blijven”. In zoverre is het onderdeel
gegrond, zodat ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven

De vraag echter wat dit “uit de buurt blijven” inhoudt – en in het
bijzonder of, gezien het van J. in redelijkheid te vergen
“vermijdingsgedrag”, een “straat- en parkverbod”, als door de President
opgelegd, op zijn plaats is – moet worden beantwoord aan de hand van de
omstandigheden van het geval en met inachtneming van de bij de beantwoording
van deze vraag betrokken belangen van beide partijen. Voor zover het
onderdeel strekt ten betoge dat zonder meer valt aan te nemen dat het
bedoelde “straat- en parkverbod” hier op zijn plaats is, faalt het derhalve

De rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zal vorenbedoelde vraag
alsnog hebben te beantwoorden. Daarbij dient te worden uitgegaan van de
omstandigheden zoals deze zich ten tijde van de door die rechter te geven
uitspraak voordoen, hetgeen medebrengt dat tevens moet worden bezien of te
dezen betekenis toekomt aan de tijd die alsdan is verstreken sedert de in
rechtsoverweging 10 bedoelde aanranding

4. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van
25 oktober 1984;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage;

veroordeelt verweerder in de kosten van het geding in cassatie, aan de
zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 2.462,60, op de voet
van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier

Rechters

Vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Royer, Martens, vanden Blink en Hermans

Instantie: Arbeidsbureau Maastricht, 23 mei 1985

Instantie

Arbeidsbureau Maastricht

Samenvatting


Weigering ontslag-aanvraag door direkteur Arbeidsbureau, noodzaak
onvoldoende aangetoond

Het betrof een reorganisatie bij de Montfort Stichting. Volgens de
Stichting is deze noodzakelijk omdat er onvoldoende gekwalificeerde krachten
zijn. De subsidie loopt gevaar. Tot nu toe hebben huishoudelijke
medewerksters ook pedagogische taken gehad. De Stichting vormt een
pedagogische dienst en andere functies, uit de uren van de huishoudelijke
hulpen. Negen vrouwen moeten volgens de Stichting ontslagen worden

Het Buro voor Rechtshulp verzoekt namens een van de vrouwen, de ontslag
-aanvraag niet te verlenen om de volgende redenen: alleen vrouwen worden
getroffen door ontslag, mannelijke collega’s zijn in een nieuwe dienst
geplaatst waar geen ontslagen vallen, de mannelijke medewerkers mochten een
opleiding volgen, de huidige situatie bestaat al jaren

Volledige tekst

Rechters

Directeur Arbeidsbureau