Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 17 mei 1985

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Gedaagde is terzake van verkrachting van de 17-jarige dochter van eiseres
strafrechtelijk veroordeeld. De rechtbank wijst de vordering van eiseres
ad ƒ 15.000,= immateriele schadevergoeding toe.

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van de feiten:

Bij conclusie van eis, welke naar de dagvaarding verwijst en daarmede
overeenstemt, heeft eiseres in haar gemelde hoedanigheid gesteld en
gevorderd zoals is weergegeven in de aan dit vonnis gehechte fotokopie van
de dagvaarding. Bij akte ter rolle bracht eiseres een gewaarmerkt
afschrift in het geding van de beschikking van de kantonrechter te ‘s-
Hertogenbosch van 25 september 1984, houdende de wettelijk vereiste
procesmachtiging.

Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde verweer gevoerd zoals is
weergegeven in de aan dit vonnis gehechte fotokopie van die conclusie.

Eiseres, q.q. repliceerde onder overlegging van een proces- verbaal van
gemeentepolitie ‘s-Hertogenbosch nr 9/83 d.d. 13 januari 1983. Gedaagde
dupliceerde.

Tenslotte hebben partijen de gedingstukken aan de rechtbank overgelegd en
vonnis gevraagd. De inhoud van de stukken moet als hier ingelast worden
beschouwd.

Overwegende ten aanzien van het recht:

Eiseres vordert in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van
haar minderjarig dochter van gedaagde betaling van ƒ 15.250,=, vermeerderd
met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 1983, zijnde de
dag waartegen de rente is aangezegd. Aan deze vordering heeft zij, kort
weergegeven, ten grondslag gelegd dat haar genoemde dochter op 8 januari
1983 door gedaagde is verkracht. Gedaagde is bij vonnis van deze rechtbank
van 28 april 1983 terzake verkrachting veroordeeld. De schade die haar
dochter door deze onrechtmatige daad van gedaagde heeft geleden beloopt
ƒ 250,= aan vervanging van beschadigde kleding en ƒ 15.000,= aan
smartegeld. Voorzover de kleding die zij op 6 januari 1983 droeg niet
beschadigd is, was vervanging om emotionele reden toch noodzakelijk. Voor
wat het smartegeld betreft is van belang dat het hier om een 17-jarig
meisje zonder seksuele ervaring ging dat door het gebeurde lange tijd zeer
angstig is geweest, zij voelt zich vaak onveilig en seksualiteit heeft voor
haar een negatieve lading gekregen, aldus eiseres.

Gedaagde voert, na een aanvankelijke algehele betwisting te hebben laten
varen, nog het verweer dat het weliswaar op 8 januari 1983 tot
intimiteiten is gekomen, maar dat de dochter van eiseres vrijwillig op
zijn, gedaagdes, avances is ingegaan. Zijn verklaring in het overgelegde
proces-verbaal is afgelegd onder druk der omstandigheden. Van druk of
dwang van gedaagde jegens de dochter van eiseres is geen sprake geweest.
Subsidiair betwist gedaagde dat de kleding van deze dochter beschadigd zou
zijn. Het gevorderde bedrag aan smartegeld is onvoldoende gefundeerd en
schade te dezen niet aangetoond. Tenslotte is voor de waardering der
schade van belang dat gedaagde door het voorval zijn gezin en betrekking
heeft verloren en nu moet rondkomen van een uitkering ingevolge de
Algemene Bijstandswet, aldus gedaagde.

Gedaagde is bij strafvonnis van deze rechtbank d.d. 28 april 1983 terzake
verkrachting (artikel 242 W.v.Sr) veroordeeld en eiseres heeft zich op dit
vonnis beroepen. Weliswaar heeft zij niet met zoveel woorden gesteld dat
dit strafvonnis onherroepelijk geworden is, maar raadpleging van het
desbetreffende openbare register leert dat dit strafvonnis inderdaad op
14 mei 1983 onherroepelijk is geworden. Hiermede staat vast dat gedaagde
zich aan verkrachting schuldig heeft gemaakt, nu gedaagde ook geen bewijs
van het tegendeel heeft aangeboden. Dit levert een onrechtmatige daad
jegens de dochter van eiseres op.

De schade ad ƒ 250,= kan niet worden toegewezen. Bij de aangifte bij de
politie heeft deze dochter opgegeven dat haar kleding niet was beschadigd
en noch uit het proces-verbaal noch elders blijkt van het tegendeel.
Voorzover vervanging van de op die dag gedragen kleding nodig was om
emotionele redenen, moet deze post geacht worden begrepen te zijn in de
vergoeding van immateriele schade als hieronder te vermelden.

Gelet op de wederzijdse stand en fortuin der partijen, voorzover uit de
gedingstukken en het overgelegde politie- proces-verbaal blijken, en gelet
op de omstandigheden waaronder het gebeurde plaatsvond, acht de rechtbank
het gevorderde bedrag aan immateriele schade voor toewijzing vatbaar.
Hierbij is mede in aanmerking genomen dat gedaagde kennelijk, gezien zijn
stellingname in dit geding, geen initiatief heeft genomen om tot enige
wedergoedmaking te komen.

Gedaagde, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, dient de
proceskosten te dragen.

Rechtdoende: in naam der koningin!

Veroordeelt gedaagde om aan eiseres in haar gemelde hoedanigheid te
betalen het bedrag van ƒ 15.000,= (vijftienduizend gulden), vermeerderd
met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 1983 tot de dag
der algehele voldoening;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Ontzegt het meer of anders gevorderde;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde van eisers,
q.q. gevallen en tot op heden begroot op ƒ 1.583,75, waarvan; ƒ 43,75
kosten deurwaarder F.J.W.C.M. Lautenslager te s’-Hertogenbosch; ƒ 225,=
in debet gesteld recht, ƒ 75,= door eiseres betaald vast recht, ƒ
1.240,= salaris procureur, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank
binnen 14 dagen na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis.

Rechters

Mrs. Pinckaers, Thijsen, Langemeijer

Instantie: Kantonrechter Sittard, 10 mei 1985

Instantie

Kantonrechter Sittard

Samenvatting


Twee vrouwen werden ontslagen als cursusleidster ten gevolge van
reorganisatie. Zij waren aangenomen op voorrangsplaatsen voor vrouwen en de
enige vrouwen werkzaam bij de stichting voor vormingswerk. De cursussen
worden vrijwel alleen door meisjes gevolgd. Ontslag vond plaats omdat zij
als laatsten werden aangenomen

AFLOOP: In een kantongerechtsprocedure werd de prejudiciele vraag aan
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voorgelegd, in hoeverre het
gebruik van het ancienniteitsbeginsel bij ontslag discriminerend is voor
vrouwen. De vrouwen verloren de kantongerechtsprocedure. Zij stelden
vervolgens hoger beroep in, met steun van Rechtenvrouw. Ook in hoger beroep
werd de zaak verloren. Na een negatief cassatie-advies wordt dossier
gesloten

Jaarverslag 1984 no.11, 1985 no.13, 1986 no.43, 1987 no.2, 1988 no. 2

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van de feiten:

eiseressen hebben bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie
van Ons Kantongerecht op 9 oktober 1984, primair gesteld, dat het hen per 30
april 1984 aangezegde ontslag op grond van economische redenen nietig is in
verband met het bepaalde in de artikelen 1637 ij lid 5 jo. artikel 1637 ij
lid 1 B.W. en subsidiair dat dit ontslag is gegeven in strijd met artikel 1637
ij lid 1, artikel 1 van de Wet Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen en
met artikel 5 van de EEG-richtlijn 76/206, zodat het ten eerste kennelijk
onredelijk te achten is en ten tweede leidt tot schadeplichtheid in verband
met het bepaalde in artikel 1639 o B.W. en ten derde in strijd is met artikel
1638 z B.W.;

op grond van dit alles hebben eiseressen Ons verzocht de behandeling aan
te houden totdat de Commissie Gelijke Behandeling haar zienswijze heeft
gegeven en de navolgende prejudiciele vraag voor te leggen aan het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen: “Verbiedt het in artikel 5
EEG-richtlijn 76/207 neergelegde diskriminatieverbod in het algemeen het
hanteren van het ancienniteitsbeginsel bij ontslag? Zo nee, verbiedt het
bovengenoemd diskriminatieverbod onder bepaalde omstandigheden het hanteren
van het ancienniteitsbeginsel bij ontslag? Zo ja, onder welke
omstandigheden?;

Zij hebben Ons daarom verzocht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

Wormdael te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon en
vakantiegeld en doorbetaling hiervan, totdat de dienstbetrekking op wettige
wijze zal zijn beeindigd, het loon te vermeerderen met de vertragingsrente ex
artikel 1638 q B.W. en met de wettelijke rente en

subsidiair:

Wormdael te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, gelijk aan
het loon vanaf de ontslagdatum tot aan de datum dat de arbeidsovereenkomsten
op regelmatige wijze beeindigd hadden kunnen worden op grond van de
omstandigheid dat de gegeven ontslagen kennelijk onredelijk zijn en/of op
grond van het bepaalde in artikel 1638 o B.W. en/of op grond van wanprestatie
aan de zijde van Wormdael;

eiseressen hebben ter terechtzitting van 26 oktober 1984 geconcludeerd
voor eis conform het inleidend verzoekschrift, terwijl gedaagde ter
terechtzitting van 21 december 1984 heeft geconcludeerd voor antwoord en
hierbij niet alleen de vorderingen van eiseressen heeft betwist, doch
eveneens bezwaren heeft gemaakt tegen het aanhouden van een beslissing in de
onderhavige procedure, totdat de Commissie Gelijke Behandeling haar
zienswijze zou hebben gegeven en tegen het voorleggen aan de door eiseressen
vermelde prejudiciele vraag aan het hof van justitie van de Europese
Gemeenschappen;

eiseressen hebben hierna gerepliceerd, terwijl gedaagde nog heeft
gedupliceerd en vonnis heeft verzocht, waarvan Wij de uitspraak aanvankelijk
hebben bepaald op 12 april 1985; bij brief van 3 april 1985 heeft de
gemachtigde van gedaagde heropening der debatten verzocht in verband met het
feit, dat de Commissie Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid uitspraak heeft gedaan en hij alsnog een kopie van de zienswijze van
de Commissie in het geding wil brengen;

bedoeld verzoek hebben Wij ingewilligd en gedaagde ter terechtstelling
van 12 april 1985 bedoeld stuk overgelegd; hierna hebben Wij de uitspraak van
het vonnis bepaald op heden;

Overwegende ten aanzien van het recht:

In verband met de aard van het geschil achten Wij geen termen aanwezig
de door eiseressen genoemde prejudiciele vraag voor te leggen aan het
Europese Hof, temeer nu uit de overgelegde zienswijze van de Commissie blijkt
dat deze van oordeel is, dat in casu van discriminatie geen sprake is;

ten processe is komen vast te staan, dat eiseres Snoek op 1 mei 1980
voor onbepaalde tijd in dienst is getreden bij gedaagde, terwijl eiseres
Otten op 1 juli 1982 in dienst is getreden; beide eiseressen zijn bij brieven
van 29 februari 1984 per 30 april 1984 ontslagen op grond van economische
redenen, voor welk ontslag door de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau
toestemming was verleend;

eiseressen hebben aangevoerd, dat in de loop van de behandeling bij de
directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau is gebleken, dat de economische
noodzaak, op grond waarvan de ontslagvergunning is gegeven, niet aanwezig
was, nu een vacature is ontstaan en deze door gedaagde niet is opgevuld;

door gedaagde is aangetoond, dat, ondanks het niet opvullen van bedoelde
vacature, de economische noodzaak is blijven bestaan, met welke zienswijze
Wij Ons geheel kunnen verenigen; Wij kunnen hieraan nog toevoegen, dat het
aan het beleid van het bestuur van een instelling of een stichting moet
worden overgelaten om te beoordelen of in een bepaalde situatie de economische
omstandigheden van dien aard zijn, dat al niet een ontstane vacature wordt
opgevuld;

uit de in casu overgelegde cijfers is gebleken, dat de zogenaamde
reserve die het bestuur heeft gekregen door het niet opvullen van de
opengevallen vacature, dermate klein is dat de economische noodzaak wel
degelijk is blijven bestaan;

uit de ten processe gewisselde stukken is gebleken, dat bij het ontslag
van eiseressen het ancienniteitsbeginsel als vermeld in de op de
rechtsverhouding van partijen van toepassing zijnde C.A.O. is toegepast; door
eiseressen is nu wel aangevoerd, dat hierdoor indirekte diskriminatie heeft
plaatsgehad, doch Wij delen dit standpunt niet nu in het geheel niet is
gebleken, dat eiseressen ontslag is verleend omdat zij van het vrouwelijk
geslacht zijn, doch enkel en alleen omdat zij – gezien voormeld beginsel –
voor ontslag in aanmerking kwamen; indien gedaagde van dit beginsel zou zijn
afgeweken zou zij in strijd hebben gehandeld met de betreffende C.A.O. en
zouden de mannelijke werknemers, die dan wel voor ontslag in aanmerking
gekomen zouden zijn, met een beroep op deze C.A.O. het ontslag hebben kunnen
aanvechten; ofschoon de mogelijkheid is uitgesloten dat door het ontslag van
eiseressen alle vrouwen uit de kursusstaf zijn verdwenen, dient het aan het
beleid van het bestuur te worden overgelaten om te beoordelen op welke wijze
en of de kursusstaf, doordat hierin geen vrouwen meer zitting hebben, nog op
adequate wijze zal kunnen functioneren;

omdat Wij dan ook van oordeel zijn dat eiseressen terecht door gedaagde
zijn ontslagen en gedaagde bij dit ontslag niet in strijd heeft gehandeld met
enig wettelijk voorschrift, kunnen de door eiseressen ingestelde vorderingen
niet worden toegewezen en zullen zij als de in het ongelijk gestelde partij
de kosten van deze procedure moeten dragen; daarom zal als volgt worden
beslist;

RECHTDOENDE:

Ontzeggen eiseressen hun vorderingen

Veroordelen hen in de proceskosten, deze tot de uitspraak van dit vonnis
aan de zijde van gedaagde door Ons begroot op ƒ 1000 voor salaris van
haar gemachtigde

Rechters

Mr. H.H. Engelen, kantonrechter

Instantie: Kantonrechter Sittard, 10 mei 1985

Instantie

Kantonrechter Sittard

Samenvatting


Twee vrouwen vechten een ontslag aan bij een Vormingscentrum op grond
van de Wet gelijke behandeling, de artt. 1637ij lid 5 en lid 1. Het ontslag
is gegeven om economische redenen. Toegepast is het anciënniteitsbeginsel
zoals geregeld in de CAO

Eiseressen voeren aan dat alle vrouwen uit de cursusstaf verdwijnen, dat
de cursisten voor 80% meisjes zijn, dat zij werk doen dat niet door mannen
overgenomen kan worden

De kantonrechter is van mening dat het ontslag terecht is, geen strijd
met een wettelijk voorschrift

Er is ook een uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling van 27
maart 1985 over deze zaak. De commissie is van mening dat het
anciënniteitsbeginsel geen onmiddellijk en ook geen middellijk onderscheid
oplevert omdat in de welzijnssektor meer vrouwen werkzaam zijn dan in veel
andere sektoren. De commissie vindt afwijking van de CAO niet noodzakelijk
De wet legt de werkgever geen plicht op tot voorkeursbehandeling

Pleitnotities aanwezig

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.H. Engelen

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 10 mei 1985

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Tussen een man en het door hem verwekte kind bestaat gezinsleven op
grond van het enkele feit van biologische verwantschap. Het verzoek van de man
tot het treffen van een omgangsregeling is alleen op die grond reeds
ontvankelijk.

De vrouw die met de man samenwoont krijgt in december 1981 een dochter.
De man erkent het kind niet omdat dat ongunstig is voor een door hem bij de
Raad van State aanhangig gemaakte procedure; wel is hij tot toeziend voogd
benoemd.

De relatie tussen de man en de moeder verloopt moeizaam. Met tussenpozen
wonen ze wel samen maar wanneer het kind 2 1/2 jaar oud is wordt de relatie in
mei 1984 definitief verbroken.

Twee maanden later wendt de man zich tot de kinderrechter ‘s-
Gravenhage met het verzoek een omgangsregeling tussen hem en het kind vast te
stellen. De moeder stelt in de procedure dat de man niet de verwekker van haar
kind is.

Het verzoek van de man wordt door de kinderrechter en in hoger beroep
door het hof niet ontvankelijk verklaard omdat de man niet de wettige vader is
van het kind en het kind ook niet heeft erkend. De man gaat in cassatie en
voert onder andere aan dat art. 1:161 lid 5 wel analogisch toegepast dient te
worden (middel I) en doet tevens een beroep op de artt. 8 en 14 EVRM (middel
III). De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad
volgt de A-G niet.

Volledige tekst

Conclusie A-G Biegman-Hartogh

3. Middel I bevat als eerste de klacht dat het hof ten onrechte
feitelijke gronden heeft aangevuld: waar het hier ging om de vraag of het
onderhavige geval zoveel gelijkenis vertoont met de situatie waarvoor art.
1:161 lid 5 BW is geschreven dat deze bepaling ook hier van toepassing kan
zijn, en de moeder niet heeft betwist dat er gelijkenis is, had het hof niet
mogen vaststellen dat er van een dergelijke situatie geen sprake is.

(…)

6. Het criterium of de verzoeker het kind heeft erkend, lijkt aldus van
welhaast doorslaggevend belang, en dat komt mij juist voor. Indien een man
geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die de wet hem biedt om – ook
buiten huwelijk – rechtens als de vader van het kind te worden aangemerkt, dan
dient hij er zich niet over te beklagen dat hij in rechte geen bezoekregeling
kan afdwingen. Dit kan alleen dan anders zijn indien het voor hem onmogelijk
is het kind te erkennen, bijv. omdat de moeder haar toestemming weigert.(…)

Zo’n geval doet zich i.c. echter niet voor: het was verzoeker zelf die
meende door een erkenning van het kind zijn kansen in een procedure ongunstig
te beinvloeden.

Middel I acht ik ongegrond.

(…)

9. In middel III doet verzoeker een beroep op de artt. 8 en 14 EVRM en
op art. 24 BuPo.

Verzoeker heeft echter noch in eerste aanleg noch bij het hof een beroep
op genoemde verdragsbepalingen gedaan: hij heeft zijn verzoek uitsluitend
gegrond op (analogische toepassing van) bepalingen van Boek 1 BW. Het schijnt
mij toe dat hij een dergelijk beroep niet met vrucht voor het eerst in
cassatie kan doen: de genoemde bepalingen behoren niet tot die normen die de
rechter ambtshalve behoort toe te passen, zelfs indien er door partijen geen
beroep op is gedaan, terwijl de vraag of in dit geval toewijzing van de
verzochte omgangsregeling op grond van deze bepalingen mogelijk was, een nader
onderzoek van feitelijke aard vergt, zowel naar de aard van de gezinsband die
tussen verzoeker en het kind heeft bestaan als naar de vraag of wellicht het
prive- en gezinsleven (van de moeder en) van het kind zelf zich op grond van
art. 8 lid 2 EVRM tegen toewijzing van het verzoek zou verzetten.

(…).

11. Daar ik de aangevoerde middelen ongegrond acht, concludeer ik tot
verwerping van het beroep.

Hoge Raad

3. Beoordeling van de middelen

Het gaat in dit geding om een tot de kinderrechter gericht verzoek tot
het vaststellen van een omgangsregeling tussen een kind en de verzoeker, die
niet de wettige vader van dat kind is noch het kind heeft erkend. Ten
grondslag aan dat verzoek heeft de verzoeker gesteld, voor zover in cassatie
van belang, dat hij de biologische vader van het kind is. Het hof heeft,
evenals de kinderrechter, geoordeeld dat de verzoeker niet-ontvankelijk is in
zijn verzoek. Dit oordeel berust op de gedachte dat een zodanig verzoek
slechts kan worden ontvangen indien hetzij de artt. 1:161 lid 5 of 1:170 lid 4
BW rechtstreeks van toepassing zijn, hetzij tenminste sprake is van een
situatie welke met die waarvoor deze bepalingen geschreven zijn, zoveel
gelijkenis vertoont dat het gerechtvaardigd is daarop die bepalingen mede van
toepassing te achten.

Tegen dit oordeel komt middel III, met een beroep op art. 8 EVRM,
terecht op. Gelijk de Hoge Raad in zijn beschikking van 22 februari 1985 (NJ
1986, 3; m.n. EAAL en EAA), heeft geoordeeld, is – buiten de gevallen in
voormelde bepalingen bedoeld – voor de ontvankelijkheid van een verzoek tot
het vaststellen van een omgangsregeling tussen de verzoeker en een kind enkel
vereist dat eerstgenoemde aan dat verzoek een als ‘gezinsleven’ in de zin van
genoemde verdragsbepaling aan te merken betrekking tot dat kind ten grondslag
legt, en bestaat tussen de biologische vader en zijn kind een dergelijke
betrekking.

De bestreden beschikking kan dus niet in stand blijven, terwijl de
overige middelen geen behandeling behoeven.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking van het
hof; verwijst de zaak ter verdere behandeling en ter beslissing naar dat hof.

Rechters

Mrs. Ras, Snijders, Royer, Martens, Van den Blink; A-G Biegman-Hartogh

Instantie: Raad van Beroep Groningen, 2 mei 1985

Instantie

Raad van Beroep Groningen

Samenvatting


Vraag is of de AAW uitkering die klaagster sinds 1978 heeft (zij werd
arbeidsongeschikt in 1971) terecht is ingetrokken door de Bedrijfsvereniging
in 1981 op grond van haar huwelijk in dat jaar. De Bedrijfsvereniging
baseert zich op overgangsartt. IV en VI in de Wet Invoering Gelijke
Uitkeringsrechten Stb. 1979, 708, de zgn. Wijzigingswet. Volgens verweerder
gaat het recht op AAW van ongehuwde vrouwen die voor 1 okt. 1975
arbeidsongeschikt werden verloren als zij huwen na 1 jan. 1979. De Raad is
van mening dat dit niet het geval is en voert daarvoor verschillende gronden
aan:

De wijzigingswet moet worden gezien in het kader van uitbanning van
ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid. Dit sluit
aan bij goedgekeurde internationale verdragen en EG-Richtlijn.. Deze
impliceren dat de wetgever geen nieuwe vormen van discriminatie mag invoeren
De AAW kent geen bepaling die intrekking bij huwelijk voorschrijft, een
bedoeling van de wetgever blijkt niet. Er is sprake van ongelijke
behandeling zonder objektieve rechtvaardigingsgrond. De wetsuitleg van
verweerder vormt een inbreuk op het gesloten systeem van beeindigingsgronden
Beroep gegrond

Volledige tekst

Rechters

Mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter, G.H. Minck en K. Balsters als leden

Instantie: Gemeente Leeuwarden, 23 april 1985

Instantie

Gemeente Leeuwarden

Samenvatting


De gemeente Leeuwarden discrimineert bij het toekennen van subsidie ten
behoeve van aanschafkosten van boeken bij het Lesbisch Archief. De
leestafel van de openbare bibliotheek ontvangt hiervoor wel subsidie

BESLISSING RECHTENVROUW: het gaat hier om discriminatie van vrouwen
Het feit dat het om een Lesbisch Archief ging, speelde mee in de
subsidieafwijzing

AFLOOP: het bezwaarschrift is door de gemeente ongegrond verklaard.
Beroep bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State leek onhaalbaar en is
niet ingesteld

Jaarverslag 1984 no. 10, 1985 no. 29

Volledige tekst

DE RAAD DER GEMEENTE LEEUWARDEN;

gelezen het AROB-bezwaarschrift van de Stichting Lesbisch Archief
Leeuwarden d.d. 15 februari 1985, tegen het besluit van de Raad d.d. 19
november 1984 tot vaststelling van het Programma Sociaal-Cultureel Werk 1985,
o.m. inhoudende de toekenning van een subsidiebedrag van ƒ 6.185,– aan de
Stichting Lesbisch Archief Leeuwarden, waarvan door Burgemeester en Wethouders
aan de stichting mededeling is gedaan bij brief van 18 januari 1985, kenmerk
Wz. nr. 1454;

overwegende, dat ingevolge de Procedureverordening Raadsadviescommissie
voor de beroeps en bezwaarschriften het bezwaarschrift om advies in handen is
gesteld van de Raadsadviescommissie voor de beroep- en bezwaarschriften;

3 dat de commissie in haar advies d.d. 23 april 1985, bijlagenr. 172,
adviseert het bezwaarschrift ongegrond te verklaren;

dat hij zich met de overwegingen en het advies van de commissie kan
verenigen;

gelet op de Wet Arob en de Procedureverordening Raadsadviescommissie
voor de beroep- en bezwaarschriften;

Besluit: het bezwaarschrift van de Stichting Lesbisch archief Leeuwarden
ongegrond te verklaren

Rechters

onbekend

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 maart 1985

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Twee vrouwen werden ontslagen als cursusleidster ten gevolge van
reorganisatie. Zij waren aangenomen op voorrangsplaatsen voor vrouwen en de
enige vrouwen werkzaam bij de stichting voor vormingswerk. De cursussen
worden vrijwel alleen door meisjes gevolgd. Ontslag vond plaats omdat zij als
laatsten werden aangenomen

AFLOOP: In een kantongerechtsprocedure werd de prejudiciele vraag aan
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voorgelegd, in hoeverre het
gebruik van het anciënniteitsbeginsel bij ontslag discriminerend is voor
vrouwen. De vrouwen verloren de kantongerechtsprocedure. Zij stelden
vervolgens hoger beroep in, met steun van Rechtenvrouw. Ook in hoger beroep
werd de zaak verloren. Na een negatief cassatie-advies wordt dossier gesloten

Jaarverslag 1984 no.11, 1985 no.13, 1986 no.43, 1987 no.2, 1988 no. 2

Volledige tekst

1. AANVRAAG

1.1 Op 9 januari 1984 heeft het steunpunt Vrouw en Werk Heerlen uit
Heerlen namens mevrouw T. Otte uit Maastricht, verder te noemen
aanvraagster, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, verder te noemen de Commissie, verzocht haar zienswijze kenbaar te
maken ten aanzien van de vraag of door de stichting Vormingscentrum voor
jeugdigen “Wormdael” te Sittard, verder te noemen werkgever, ten nadele van
aanvraagster hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk onderscheid is gemaakt
tussen mannen en vrouwen dan wel onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden als
bedoeld in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, nr.
86) (WGB)

1.2 Werkgever kent een cursusstaf bestaande uit 6 personen, 4 mannen en
2 vrouwen, waaronder aanvraagster. Beide vrouwen zouden ontslagen worden op
grond van verwachte subsidievermindering voor 1984

De cursusstaf is verantwoordelijk voor de inhoud en uitvoering van de
vormingsprogramma’s. Het grootste deel van de cursisten op Wormdael is
meisjes; in 1983 was dat 80%

De twee vrouwelijke cursusleidsters hebben het afgelopen jaar een
provinciale steunfunctie ontwikkeld voor het sociaal cultureel werk met
meisjes, het zo genaamde “meidenwerk”

Deze steunfunctie en de huns inziens noodzakelijke inbreng van vrouwen
bij de ontwikkeling en uitvoering van vormingsprogramma’s, vallen weg wanneer
de vrouwen ontslagen worden. Door werkgever zou erkend zijn dat het werk van
de beide cursusleidster waardevol is, gezien de maatschappelijke
ontwikkelingen, maar men vindt het onvoldoende om af te wijken van de
vastgestelde ontslagvolgorde die op anciënniteit gebaseerd is. Met het oog op
de kwaliteit en de kwantiteit van het werk en met het oog op de
werkgelegenheid van vrouwen is werkgever gevraagd te bekijken of de
ontslagvolgorde niet zo gemaakt kon worden dat de verhouding tussen mannen en
vrouwen in de cursusstaf gehandhaafd bleef. Werkgever zou hier echter niet op
in gegaan zijn

1.3 Aanvraagster is van oordeel dat het onverkort vasthouden aan de
ontslag volgorde leidt tot benadeling van vrouwen en om die reden in strijd
met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen is

1.4 Aanvraagster wijst erop dat in het algemeen vrouwen:

– minder opleiding hebben dan mannen;

– veelal opleidingen hebben genoten in “specifieke vrouwenberoepen”;

– minder dienstjaren hebben;

– op latere leeftijd hun opleiding hebben voltooid;

– last hebben gehad van een aannamebeleid dat in het voordeel van mannen
werkte

2. HET ONDERZOEK

2.1 De Commissie heeft het verzoek van aanvraagster in behandeling
genomen en ter zake een onderzoek ingesteld ten einde na te gaan of ten
nadele van aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in het bij
artikel 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen ingevoerde
artikel 1637 ij, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek

2.2 Artikel 1637 ij , eerste lid, BW, luidt:

De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij
onmiddellijk, hetzij middellijk bij voorbeeld door verwijzing naar de
echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst, het verstrekken van onderricht aan de arbeider, in de
arbeidsvoorwaarden, bij de bevordering en bij de beeindiging van de arbeids
overeenkomst

Niet onder de arbeidsvoorwaarden zijn begrepen uitkeringen of aanspraken
in gevolge pensioenregelingen. Het in de eerste zin van dit artikel bepaalde
is niet van toepassing in die gevallen waarin het geslacht bepalend is

2.3 Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijk
inlichtingen verstrekt op 14 februari 1984

Dit was voor aanvraagster aanleiding voor een nadere reactie op 15 mei
1984

Werkgever heeft tenslotte op 27 november 1984 aanvullende informatie
verstrekt

Tevens zijn inlichtingen ingewonnen bij de Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur, de Minister van Onderwijs en Wetenschappen en het
Centraal Bureau voor de Statistiek

De Commissie heeft de aanvraag besproken in de vergadering van 8 maart
1985

3. RESULTAAT VAN HET ONDERZOEK

3.1 Aanvraagster is op 1 juli 1982 binnen het kader van de zogenaamde
Perspectieven Nota Limburg voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij
werkgever in de functie van agogisch medewerkster/cursusleidster

Om verschillende redenen zag werkgever geen andere mogelijkheid om de
begroting van 1984 sluitend te krijgen dan door bezuinigingen in de sfeer van
personele kosten middels gedwongen ontslag

Daartoe is een ontslagvolgorde opgesteld met toepassing van het
anciënniteitsbeginsel als bedoeld in artikel 46, lid 3 sub b cao-welzijnswerk

In concreto is besloten dat voor 3 personen uit de staf
ontslagvergunning zou worden aangevraagd, hetgeen neerkwam op 2 vrouwen en 1
man

Ondermeer ten behoeve van aanvraagster is in november 1983 een
ontslagvergunning aangevraagd bij de directeur van het Gewestelijk
Arbeidsbureau

Tegen het voorgenomen ontslag heeft aanvraagster verweer gevoerd alsmede
de kwestie voorgelegd aan de Commissie geschillen van het Overleg
Arbeidsvoorwaarden Welzijnswerk. Op 21 februari 1984 heeft deze Commissie het
verzoek om uit te spreken dat de ingediende ontslagaanvraag onredelijk en
onrechtvaardig is en in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen, afgewezen

Vervolgens is op 29 februari 1984 door de directeur GAB een
ontslagvergunning verleend, overwegende dat de “economische redenen noodzaken
tot personeelsinkrimping”

3.2 Naar aanvraagster eerst later bleek ontstond er per 1 april 1984 een
vacature in de cursusstaf, die echter niet zou worden opgevuld

Volgens werkgever kan deze plaats om financiele redenen niet worden
opgevuld, met name omdat het ontslag van aanvraagster en haar collega niet op
1 januari 1984 heeft kunnen plaatsvinden, doch pas op 1 mei 1984

3.3 Ten aanzien van de toepassing van de anciënniteitsregeling verklaart
werkgever, dat wel is bekeken of er gronden aanwezig waren op van deze
regeling af te wijken

Ondermeer het voorstel van aanvraagster om een mannelijk staflid te
ontslaan en diens functie over de beide vrouwelijke stafleden te verdelen, is
bezien doch afgewezen omdat daardoor een mannelijke collega zou worden
gediscrimineerd en bovendien en splitsing van de funktie ongewenst werd
geacht bezien vanuit de continuiteit

3.4 De in de cao-welzijn vastgelegde anciënniteitsregeling gaat uit van
de duur van de dienstbetrekking ongeacht het geslacht van de werknemer

Toepassing van de regeling heeft er in casu toe geleid dat 2 vrouwelijke
stafleden en 1 mannelijk staflid het veld moeten ruimen. Het effect van de
neutrale regeling is derhalve nadelig voor vrouwen

Nagegaan dient te worden of voor de toepassing van de
anciënniteitsregeling een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. Door
aanvraagster en werkgever zijn producties overgelegd waarop de Commissie zich
bij haar oordeel mede heeft gebaseerd

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 De vraag of er een noodzaak bestaat tot ontslag van een of meer
stafleden staat niet ter beoordeling van de Commissie

De Commissie dient na te gaan of bij de selectie van werknemers die voor
ontslag zijn voorgedragen de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in
acht is genomen

4.2 Vaststaat dat aanvraagster op grond van het anciënniteitsbeginsel
voor ontslag in aanmerking kwam. Als enig criterium hiervoor geldt de duur
van het dienstverband, ongeacht het geslacht. Toepassing van het
anciënniteitsbeginsel levert derhalve geen onmiddellijk onderscheid op tussen
mannen en vrouwen

In casu zijn het twee vrouwelijke stafleden en 1 mannelijk staflid die
door ontslag worden getroffen, de Commissie is echter niet van mening dat
sprake is van middellijk onderscheid

In de welzijnssector zijn van oudsher relatief meer vrouwen werkzaam dan
in veel andere sectoren. In andere sectoren zijn het vaak de vrouwen die als
laatste zijn aangesteld en zij dreigen ten gevolge van het
anciënniteitsbeginsel weer uit het arbeidsproces te verdwijnen. Daardoor
ontstaat een situatie waarin de achterstandspositie van vrouwen wordt
versterkt

In de welzijnssector leidt het ontslag op grond van het
anciënniteitsbeginsel in zijn algemeenheid minder tot een benadeling van
juist de vrouwelijke werknemers

4.3 In de welzijnssector geldt een cao en in deze cao is het
anciënniteitsbeginsel neergelegd. Het feit dat in een concreet geval
toepassing leidt tot ontslag van twee vrouwelijke werknemers acht de
Commissie niet zwaarwegend genoeg om afwijking van het bepaalde in de cao
zonder meer redelijk te achten. Immers daardoor wordt de rechtszekerheid voor
al diegenen die onder de werking van de cao vallen en daar hun rechten en
plichten aan ontlenen, ondermijnd

De Commissie acht om die reden voldoende objectieve
rechtvaardigingsgrond aangevoerd voor de toepassing van het
anciënniteitsbeginsel ondanks het nadelige gevolg daarvan voor aanvraagster

De Commissie acht geen middellijk onderscheid aanwezig

4.4 Aanvraagster beroept zich op de in de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen opgenomen mogelijkheid van een voorkeursbehandeling

Artikel 1637 ij, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat
bedingen die werknemers van een bepaald geslacht in een bevoorrechte positie
beogen te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen niet in
strijd zijn met het eerste lid van dit artikel

De Wet legt de werkgever geen verplichting op voor het opstellen van
dergelijke bedingen

Het is niet aan de Commissie te oordelen over de vraag of in een
concreet geval een voorkeursbehandeling had dienen te worden toegepast; zij
kan in deze slechts adviserend optreden

5. OORDEEL VAN DE COMMISSIE

5.1 De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige paragrafen is
vermeld en de in deze zaak overgelegde stukken tot het oordeel dat werkgever
bij de selectie van werknemers die voor ontslag zouden worden voorgedragen
het anciënniteitsbeginsel heeft toegepast en derhalve geen onmiddellijk
onderscheid heeft gemaakt

5.2 Toepassing van het anciënniteitsbeginsel heeft ertoe geleid dat meer
vrouwelijke dan mannelijke stafleden werden ontslagen

Werkgever heeft echter voldoende aangetoond dat het belang van een
correcte toepassing van de cao zwaarder moet wegen dan het belang van
aanvraagster bij een afwijking van de cao

De Commissie komt dan ook tot het oordeel dat in casu evenmin sprake is
van middellijk onderscheid tussen mannen en vrouwen

5.3 Werkgever kan niet worden verplicht een voorkeursbehandeling als
bedoeld in artikel 1637 ij, BW toe te passen. De Commissie kan ten aanzien
van het niet toepassen dan ook geen oordeel uitspreken

5.4 De Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat door werkgever ten
nadele van aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in het bij artikel
1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen ingevoerde artikel
1637 ij, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek

5.5 Overeenkomstig artikel 6, eerste lid van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen heeft de Commissie haar zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever

Rechters

Mr. J.A. van den IJssel, voorzitter en drs. M.J.M. van Randwijck-van dePoll, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 maart 1985

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De vrouw was aangenomen als logopediste bij een school. Ze ontving
haar arbeidsovereenkomst en ontslagbrief op dezelfde datum gedateerd. Dit
wegens haar zwangerschap

BESLISSING RECHTENVROUW: het gaat hier om een belemmering tot het
toetreden van de arbeidsmarkt die alleen vrouwen treft. Bovendien kent de
wet een ontslagverbod voor zwangere vrouwen

AFLOOP: volgens het advies van de Commissie gelijke behandeling is het
ontslag wegens zwangerschap het maken van direct onderscheid tussen mannen en
vrouwen en zonder meer in strijd met artikel 1637ij BW. De
kantongerechtsprocedure werd gewonnen; er werd ondermeer een schadevergoeding
van F 13.000,- toegekend. De stichting ging in hoger beroep. De
rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd

Jaarverslag 1984 no. 14, 1985 no. 8, 1986 no. 38, 1987 no. 3

Volledige tekst

1. DE AANVRAAG

1.1 Op 19 september 1984 heeft mevrouw S. uit Nijmegen, verder te noemen
aanvraagster, de Commissie Gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, verder te noemen de Commissie, verzocht haar zienswijze kenbaar te
maken ten aanzien van de vraag of door het bestuur van de Roelant Stichting,
verder te noemen werkgever, ten nadele van aanvraagster hetzij onmiddellijk,
het zij middellijk onderscheid is gemaakt tussen mannen en vrouwen dan wel
tussen gehuwden en ongehuwden als bedoeld in de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (Stb. 1980, nr. 86) (WGB)

1.2 Op 18 april 1984 bericht werkgever aanvraagster schriftelijk dat zij
per 1 augustus is benoemd als logopediste voor 10,6 uur per week. Het
betreft een tijdelijke benoeming van een jaar

De dag dat zij met haar werk begon, heeft zij het hoofd van de school op
de hoogte gebracht van haar zwangerschap (zij was toen E 3 maanden zwanger)

Op 29 augustus 1984 kreeg zij haar arbeidsovereenkomst onder ogen die op
30 augustus 1984 door het bestuur is ondertekend, gelijktijdig met de akte
van ontslag. Dit ontslag is verleend tijdens de proeftijd

Aanvraagster stuurt 5-9-1984 een aangetekend schrijven aan werkgever
waarin staat dat zij gehoord heeft dat het ontslag is geschied i.v.m. haar
zwangerschap, waartegen zij, gezien wettelijke bepalingen, protesteert

Tevens vernam zij tijdens een gesprek met het hoofd van de school, d.d.
4 september 1984 dat het bestuur vragen had gesteld over het feit of zij al
dan niet gehuwd was (zij is niet gehuwd). Vervolgens zou het bestuur
allerlei vragen hebben gesteld over “hoe het dan moest met de baby” en “wat
het voor de school zou betekenen als zij na 6 weken zwangerschapsverlof
misschien niet terug zou komen”

Bovendien zou het bestuur hebben gevraagd of al aan aanvraagster te zien
was dat ze zwanger was

Tenslotte werd het duidelijk voor aanvraagster dat het bestuur niets
voelde voor vervanging gedurende haar zwangerschapsverlof daar het teveel
tijd zou vergen de nieuwe kracht in te werken, hetgeen schade zou berokkenen
aan de kinderen wat de logopedie betreft

2. HET ONDERZOEK

De Commissie heeft het verzoek van aanvraagster in behandeling genomen
en ter zake een onderzoek ingesteld ten einde na te gaan of ten nadele van
aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in het bij artikel 1 van de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, ingevoerde artikel 1637ij,
eerste en zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)

2.3 Artikel 1637ij, eerste lid, BW luidt:

De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij
onmiddellijk, hetzij middellijk bij voorbeeld door verwijzing naar de
echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst, het verstrekken van onderricht aan de arbeider, in de
arbeidsvoorwaarden, bij de bevordering en bij de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst. Niet onder de arbeidsvoorwaarden zijn begrepen
uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen. Het in de eerste zin
van dit artikel bepaalde is niet van toepassing in die gevallen waarin het
geslacht bepalend is

Het zesde lid luidt:

De werkgever mag geen onderscheid maken tussen gehuwden en ongehuwden
bij het aangaan en bij de beeindigen van de arbeidsovereenkomst

2.3 Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijk
inlichtingen verstrekt op 9 oktober 1984

Dit was voor aanvraagster aanleiding voor een nadere reactie op 24
oktober 1984

Werkgever heeft tenslotte op 27 november aanvullende informatie
verstrekt

De Commissie heeft de aanvraag besproken in de vergadering van 11
december 1984 en 24 januari 1985

3. RESULTAAT VAN HET ONDERZOEK

3.1 Werkgever deelt in zijn schrijven d.d. 5 oktober 1984 mee dat de
“dienstbetrekking” is beeindigd met toepassing van artikel 1639n van het
Burgerlijk Wetboek

De beeindiging is aangezegd door het hoofd van de school en door de
secretaris namens het bestuur van werkgever schriftelijk bevestigd
Het bestuur is in zijn vergadering van 30 augustus 1984 tot zijn besluit
tot ontslag gekomen na ampele afweging van de belangen van de kinderen op de
school van werkgever bij een zoveel mogelijk ongestoorde logopedische
behandeling en de belangen van aanvraagster, aldus werkgever

Bij werkgever zijn 9 vrouwen en 3 mannen in dienst; van de vrouwen zijn
er 5 gehuwd en 4 niet; alle mannen zijn gehuwd

3.2 Aanvraagster stelt in haar brief d.d. 23 oktober 1984 dat het
onmogelijk is dat het bestuur haar belangen heeft afgewogen, aangezien zij
haar nooit hadden gezien of gehoord

Bovendien heeft het hoofd der school haar verteld dat het erg moeilijk
zou zijn een gesprek met het voltallig bestuur te krijgen. Hooguit zou het
mogelijk zijn met de secretaris van het bestuur te spreken

3.3 Het bestuur van werkgever deelt mee dat hem niet is gebleken dat
aanvraagster ooit een poging heeft gedaan de secretaris te bereiken. Als hij
niet onmiddellijk bereikbaar is, is er steeds de mogelijkheid om een
boodschap te laten doorgeven

Desgevraagd deelt werkgever in zijn schrijven d.d. 23 november 1984 mee
dat het bezwaar van het bestuur (uiteraard) niet de zwangerschap betreft,
maar de daarmee samenhangende voorzienbare afwezigheid gedurende langere tijd
in het lopende schooljaar. Het bestuur zou niet anders hebben gehandeld
indien een mannelijke werknemer zou hebben gezegd langere tijd afwezig te
zijn

“Het bezwaar tegen tijdelijke vervangers vloeit voort uit de aard van de
(meerderheid der) kinderen die de school bezoeken. De school heeft zich in
de loop der jaren gespecialiseerd in de opvang van kinderen met “minimal
brain damage” en kinderen die een gedragspatroon vertonen dat overeenkomt met
dat van m.b.d. kinderen

Wetenschappelijk bestaat op dit terrein nog veel meningsverschil en
onzekerheid”

“De kinderen zijn in het algemeen zeer concentratiezwak en
“ruisgevoelig”. Iedere verstoring van de vaste regelmaat geeft problemen.
Zo ook wisseling van personeel. Personeel moet wennen aan dit volkje en
omgekeerd, met alle incidenten en tijdverlies die daarbij horen

Met niet teveel overdrijving stel ik dat rampzalig is te noemen dat deze
kinderen, die logopedie hard nodig hebben, dit jaar op dit punt te kort
zullen komen

Aldus een deel uit het schrijven d.d. 23 november 1984

3.4 Op een vraag van de Commissie wat de belangen zijn geweest van
aanvraagster die werkgever heeft laten meespelen antwoordt deze:

“Het bestuur hoeft aanvraagster niet zelf te zien om zich ervan bewust
te zijn dat iemand die solliciteert naar een vacante functie, kennelijk
belang heeft bij die functie en dat in deze tijd van werkloosheid de
beeindiging van een arbeidscontract in de proeftijd een teleurstelling en een
tegenslag kan betekenen .”

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 Ten aanzien van de proeftijd merkt de Commissie het volgende op

Het is weliswaar ieder der partijen, zolang de proeftijd niet is
verstreken, toegestaan de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder
inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te doen eindigen, maar
door het hanteren van deze bevoegdheid mogen geen bepalingen worden ontdoken
die zo fundamenteel zijn dat door die ontduiking de openbare orde zou worden
verstoord. De Commissie is van mening dat artikel 1637ij, BW zo’n bepaling
is. Het verbod om bij ondermeer selectie en aanstelling onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen als bedoeld in de WGB mag niet omzeild worden door
een overeenkomstig deze wet geselecteerde en aangestelde werknemer, tijdens
de proeftijd alsnog te ontslaan. Het verbod onderscheid te maken bij
aanstelling en selectie zou iedere betekenis ontberen, wanneer de effecten
van dat verbod door hantering van artikel 1639n, BW teniet gedaan zouden
kunnen worden. Tenslotte merkt de Commissie op, dat het geenszins vaststaat
dat artikel 1637ij, BW een “voor opzegging geldende bepaling” is, als bedoeld
in artikel 1639n, BW en dat de mogelijkheid bestaat dat dus wel degelijk ook
bij ontslag tijdens de proeftijd rekening moet worden gehouden met artikel
1637ij, BW

4.2 De vraag doet zich derhalve voor of hier van een ontslag in strijd
met de WGB sprake is

Vooropgesteld staat ten tijde van de sollicitatie aanvraagster nog niet
zwanger was

Uit de verklaring van werkgever d.d. 23 november 1984 kan de Commissie
niet naders afleiden dan dat indien aanvraagster ten tijde van de
sollicitatieprocedure reeds had geweten dat zij tijdens haar dienstverband
recht zou hebben op zwangerschaps- en bevallingsverlof en dit had
medegedeeld, zij in het geheel niet in aanmerking zou zijn gekomen voor de
vacature, dit vanwege het vereiste van regelmaat en continuiteit in het werk

Het is derhalve aannemelijk dat aanvraagster vanwege haar zwangerschap
is ontslagen

Ten aanzien van de verwijzing naar zwangerschap en bevalling overweegt
de Commissie het volgende

De WGB verbiedt zowel in artikel 1 als in artikel 3 het maken van
onderscheid tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk,
bijvoorbeeld door verwijzing naar de echtelijke staat of de
gezinsomstandigheden. Onder onmiddellijk onderscheid moet verstaan worden een
onderscheid dat rechtstreeks verband houdt met het geslacht van een persoon.
Een verwijzing naar zwangerschaps wordt derhalve aangemerkt als onmiddellijk,
direct onderscheid tussen mannen en vrouwen

Het niet aannemen van een vrouwelijke kandidaat omdat zij zwanger is, is
gelet op het vorenstaande in strijd met de WGB te achten

5. OORDEEL VAN DE COMMISSIE

5.1 De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige paragrafen is
vermeld tot het oordeel dat werkgever de zwangerschap van aanvraagster als
reden voor het beeindigen van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd
heeft gehanteerd

Een verwijzing naar zwangerschap is een directe verwijzing naar het
geslacht. De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen verbiedt het
maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen, direct hetzij indirect, bij
ondermeer het beeindigen van de arbeidsovereenkomst

5.3 De Commissie stelt vast dat door werkgever ten nadele van
aanvraagster onderscheid tussen mannen en vrouwen is gemaakt als bedoeld in
het bij artikel 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
ingevoerde artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek

5.4 Overeenkomst artikel 6, eerste lid van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen heeft de Commissie haar zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever

Rechters

Mr. J.A. van IJssel, voorzitter, drs. M.J.M. van Randwijck-van de Poll

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 13 maart 1985

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Hoger beroep van een vonnis in Kort Geding van de Rechtbank Den Haag
In het Kort Geding was de eis van de FNV ingewilligd om de Staat te
bevelen de WWV te wijzigen voor 1 maart l985 op grond van onrechtmatigheid ten
opzichte van vrouwen in verband met gelijke behandeling. De datum was
gebaseerd op Richtlijn 79/7/EEG die stelt dat binnen 6 jaar voldaan moet
worden aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de
sociale zekerheid. Het hof vernietigt het vonnis in principaal appel omdat
de Grondwet de rechter niet de bevoegdheid geeft om de formele wetgever een
opdracht tot wetgeving te geven. De FNV is wel ontvankelijk. Zij heeft
voldoende belang om op te treden namens haar leden. In het hoger beroep
heeft de FNV haar vordering gewijzigd en verzocht de Staat te gebieden art. 13
lid 1 WWV voor wat betreft de eis van kostwinnerschap buiten werking te
stellen wegens strijd met Richtlijn 79/7. De staatssecretaris heeft in een
circulaire van 21 december 1984 aan de gemeenten laten weten dat de bepaling
wel moest worden toegepast. Het Hof overweegt dat als art. 4 van de
Richtlijn rechtstreekse werking heeft de Staat in beginsel onrechtmatig
handelt. Het Hof verzoekt daarom het Hof van justitie van de EEG uitspraak
te doen onder andere over de rechtstreekse werking van Richtlijn 79/7 sinds 23
december 1984 en het gevolg hiervan voor art. 13 lid 1 WWV

Pleitnota’s van FNV en Staat aanwezig

Volledige tekst

Rechters

Mrs Ellis, vice-president, Kok en Neleman

Instantie: Kantonrechter Arnhem, 28 februari 1985

Instantie

Kantonrechter Arnhem

Samenvatting


Tussen partijen staat vast, dat:

Eiseres in november 1976 op basis van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd in dienst is getreden van W. als winkelbediende;

W. eiseres op 3 april 1984 op staande voet heeft ontslagen tegen welk
ontslag eiseres heeft geprotesteerd en tegelijkertijd daar de nietigheid van
heeft ingeroepen

Eiseres baseert haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
op de stelling, dat de arbeidsverhouding tussen haar en W. verstoord is
geraakt, doordat W. herhaaldelijk handtastelijk is geweest tegenover eiseres
en zich door middel van dubbelzinnige opmerkingen beledigend over eiseres
heeft uitgelaten, een en ander terwijl eiseres steeds te kennen heeft gegeven
hiervan niet gediend te zijn

Op 24 september 1984 wordt W. ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex art. 1639w BW. De kantonrechter
beveelt haar bovenstaande beweringen te bewijzen

Volgens de kantonrechter d.d. 15 februari 1985 is Nikkels niet geslaagd
in het haar opgedragen bewijs. Weliswaar bevestigen de door eiseres naar
voren gebrachte getuigen eiseres haar verhaal maar de verklaringen van de
getuigen bevatten enkel feiten rechtstreeks afkomstig van eiseres en geen
feiten gebaseerd op eigen waarnemingen van die getuigen of op datgene wat
andere personen dan eiseres tegen die getuigen hebben gezegd

Wel wordt het voorwaardelijk gedane verzoek van W., ontbinding van de
tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, toegewezen omdat de
arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat dit een ontbinding rechtvaardigd
Deze verstoring is te wijten aan eiseres en daarom zijn er termen
aanwezig aan W. een vergoeding ten laste van eiseres toe te kennen en wel ten
bedrage van ƒ 1200,-

Op 28 februari 1985 wordt bovenstaand interlocutoir vonnis nogmaals
bevestigd

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.P.G. Poell