Instantie: Raad van State, 21 februari 1985

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Verzoekster heeft verweerder gevraagd om met toepassing van politiedwang
het door verzoekster met artikel 56, eerste lid, van de Woningwet strijdig
geachte gebruik van het pand X. te beeindigen.

Dit pand wordt gebruikt als bordeel. Verweerder heeft dit verzoek
afgewezen en daarom heeft verzoekster een spoedprocedure bij de Raad van State
aanhangig gemaakt. Deze procedure wordt afgewezen.

Volledige tekst

Bij besluit van 24 januari 1985 hebben verweerders afwijzend beslist op
het verzoek van verzoekster om met toepassing van politiedwang het door
verzoekster met artikel 56, eerste lid, van de Woningwet strijdig geachte
gebruik van het pand X. te Breda te beeindigen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij schrijven gedateerd 30 januari
1985 een bezwaarschrift op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen ingediend bij verweerders.

Bij schrijven van gelijke datum heeft verzoekster Ons verzocht om
toepassing van artikel 80 van de Wet op de Raad van State ten aanzien van het
bestreden besluit.

Ter zitting van 21 februari 1985 hebben verzoekster en verweerders, bij
monde van hun vertegenwoordigers, hun standpunten nader toegelicht.

In rechte:

Ingevolge artikel 80 van de Wet op de Raad van State dient te worden
nagegaan, of de uitvoering van het besluit van verweerders voor verzoekster
een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een
onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit te dienen belang.

Verzoekster, die zich blijkens haar statuten onder meer ten doel stelt
het woon- en leefklimaat in de wijken S. West 1 en 2 in Breda te verbeteren,
heeft uiteengezet dat het onderwerpelijke pand wordt gebruikt als bordeel.

Naar haar oordeel is dit pand aldus in strijd met het bepaalde in
artikel 56, eerste lid, van de Woningwet aan de bestemming tot woning
onttrokken.

Verzoekster acht dit onaanvaardbaar en is van mening dat verweerders tot
toepassing van politiedwang ter zake van evenbedoelde overtreding behoren over
te gaan.

Bij vorenstaande heeft verzoekster naar voren gebracht dat het
betreffende bordeel onrust en overlast veroorzaakt en zodoende afbreuk doet
aan het woon- en leefmilieu ter plaatse.

Voorts heeft verzoekster erop gewezen dat het hier gaat om een
stadsvernieuwingsgebied en dat, blijkens onder meer de nota van burgemeester
en wethouders van 4 november 1980 met betrekking tot de sluiting van bordelen,
ook het gemeentelijk beleid erop is gericht de vestiging van bordelen in
zodanige gebieden tegen te gaan.

Blijkens het bestreden besluit en de daarop ter zitting gegeven
toelichting stellen verweerders zich op het standpunt dat niet boven twijfel
is verheven dat het onderhavige pand in strijd met het bepaalde in artikel 56,
eerste lid, van de Woningwet aan de bestemming tot woning is onttrokken.

Daartoe hebben zij in aanmerking genomen dat dit pand, blijkens het
bevolkingsregister, ook door vier personen wordt bewoond.

In verband hiermede achten verweerders het niet geraden om te dezen tot
toepassing van politiedwang ter zake van overtreding van het in evengenoemd
artikellid vervatte verbod over te gaan.

Wij overwegen het volgende.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Woningwet is het in gemeenten,
door de Kroon op grond van bestaande of te duchten woningnood aan te wijzen,
verboden zonder toestemming van burgemeester en wethouders een gebouw of een
gedeelte van een gebouw, dat op of na de datum van inwerkingtreding van het
besluit van de Kroon tot woning was bestemd, te slopen, te gebruiken voor een
ander doel of op andere wijze aan de bestemming tot woning te onttrekken of
onttrokken te houden.

Bij Koninklijk besluit van 18 juni 1976 (Ned. Stcrt. 1976, no. 118)
zoals dit is gehandhaafd bij Koninklijk besluit van 22 juli 1980 (Ned. Stcrt.
1980, no. 147) is onder meer de gemeente Breda aangewezen als gemeente, waar
genoemd artikel 56 van toepassing is.

Door verzoekster is niet aangetoond, dat er ten aanzien van dit pand
niet kan worden gesproken van bewoning, zoals door verweerders ter zitting is
gesteld.

Gelet op dit laatste en mede in aanmerking genomen het verhandelde ter
zitting kan naar Ons voorlopig oordeel niet worden gesteld dat met betrekking
tot het onderwerpelijke pand een met het bepaalde in artikel 56, eerste lid,
van de Woningwet strijdige situatie is ontstaan.

De opvatting van verzoekster dat het enkele feit dat het pand wordt
gebruikt als bordeel met zich brengt dat sprake is van onttrekking aan de
bestemming tot woning, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de
Woningwet, en dat daaraan niet afdoet dat dit pand tevens wordt bewoond,
kunnen wij voorshands, mede in aanmerking genomen de door verweerders gegeven
toelichting, niet delen.

Het vorenstaande leidt Ons tot het voorlopige oordeel dat verweerders
terecht het standpunt hebben ingenomen dat in dezen geen plaats is voor het
toepassen van politiedwang ter zake van overtreding van het in artikel 56,
eerste lid, van de Woningwet vervatte verbod.

Hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen.

Onder deze omstandigheden kan naar ons oordeel niet worden staande
gehouden dat onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit voor
verzoekster een onevenredig nadeel als bedoeld in artikel 80 van de Wet op de
Raad van State met zich brengt.

Mitsdien komt het verzoek om toepassing van dit artikel niet voor
inwilliging in aanmerking.

Uitspraak:

De waarnemend Voorzitter van de Afdeling rechtspraak;

Gezien de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen en de
Wet op de Raad van State;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 80 van de Wet op de Raad van
State af.

Rechters

Mr. C.J. van Zeben, waarnemend voorzitter

Instantie: Hoge Raad, 15 februari 1985

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Het verrekenbeding is niet volgens de letter nageleefd. Daarom brengen
redelijkheid en billijkheid mee dat de vrouw jegens de man het recht heeft
op de helft van de waarde van het vermogen dat door belegging van de
besparingen is verkregen.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie – verder te noemen de vrouw – heeft bij exploot
van 11 mei 1979 eiser tot cassatie – verder te noemen de man – gedagvaard
voor de Rechtbank te Dordrecht en gevorderd de man te veroordelen om aan
de vrouw tegen bewijs van kwijting te betalen de somma groot ƒ 235.000,=
met rente en kosten als volgens de wet. Nadat de man tegen die vordering
verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 28 januari
1981 een comparitie van partijen gelast tot het geven van inlichtingen en
tot het beproeven van een vereniging. Tegen dit tussenvonnis heeft de man
hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Bij arrest
van 15 juni 1983 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak
is voor partijen bepleit door hun advocaten. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft in rechtsoverweging 8 beslist dat tegen de achtergrond
van de in rechtsoverweging 6 vastgestelde strekking van het verrekenbeding
in de huwelijkse voorwaarden van partijen, en de in rechtsoverweging 7
vastgestelde feitelijke gang van zaken tijdens het huwelijk met betrekking
tot de in dat beding bedoelde besparingen, de redelijkheid en billijkheid
medebrengen dat de vrouw jegens de man aanspraak heeft op de helft van de
waarde van het vermogen dat door belegging van de eerder bedoelde
besparingen is verkregen.

3.2. De onderdelen 1 en 3 van het middel berusten op een andere lezing van
’s Hofs arrest en missen derhalve feitelijke grondslag. Onderdeel 2 mist
eveneens feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het Hof zou
hebben geoordeeld dat tussen partijen een – door de belegging van de
besparingen verkregen – gemeenschap van goederen zou bestaan. Ook voor het
overige faalt dit onderdeel, aangezien ’s Hofs beslissing juist is.

4. Beslissing: De Hoge Raad verwerpt het beroep; compenseert de kosten van
het geding in cassatie in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten
draagt.

Rechters

Mrs. Ras, Martens, Hermans, Bloembergen, Boekman; A-G Moltmaker

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 14 februari 1985

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Man en vrouw, ongehuwd, samenwonend met hun kind, verzoeken om
gezamenlijke voogdij of ouderlijke macht. Het eerste wordt afgewezen.
Het tweede toegewezen, met verwijzing naar Hoge Raad 4 mei 1984: ouderlijke
macht is niet slechts gedurende een huwelijk mogelijk. Ook wordt verwezen
naar art. 8 EVRM. Belang van verzoekers en kind worden gediend. Het
einde van de samenwoning zal het einde van de ouderlijke macht betekenen
tenzij de rechter anders beslist

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.H.B.M. Saelman

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 31 januari 1985

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


A is werkzaam als leerling verpleegkundige. Naar aanleiding van
klachten van patiënten wordt hij ontslagen op grond van onbekwaamheid of
ongeschiktheid anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken. Nadat eerst een
notitie is opgesteld door het afdelingshoofd heeft het adjunct-hoofd van de
afdeling Personeelszaken een nader onderzoek ingesteld en over de bevindingen
daaruit een (tweede) notitie opgesteld.
De Raad stelt voorop dat, indien de in de tweede notitie vermelde gedragingen
en opmerkingen van A juist zijn, deze ook naar ’s Raads oordeel ruimschoots
voldoende zouden zijn om tot eisers ongeschiktheid voor de functie te
concluderen. De vraag rijst echter of de in de tweede notitie beschreven
toedracht in overeenstemming met de werkelijkheid is. Eiser ontkent de hem
verweten gedragingen en opmerkingen, althans in de laakbare vorm waarin ze
zijn beschreven. Eiser en het adjunct-hoofd personeelszaken (PZ) verschillen
voorts over de vraag wat in het gesprek precies is besproken en gezegd; een
objectieve verslaglegging van een en ander ontbreekt en enig aanvullend
onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden acht de Raad
de stelling dat het verslag in overeenstemming is met wat werkelijk is
gebeurd niet hecht genoeg. Gelet op het feit dat het in casu ging om een vrij
ernstige maatregel (ongeschiktheidsontslag) alsmede de ambiance waarin de
klachten ontstonden en zijn geformuleerd, had het Ziekenhuis de klachten c.q.
de beschrijving ervan niet zonder een nader objectiverend onderzoek als een
correcte weergave van de werkelijke toedracht mogen aannemen. De door genoemd
adjunct-hoofd PZ ter zitting gedane mededeling `dat hij zich niet kan
voorstellen dat een vrouw iets dergelijks uit haar duim zuigt’ is daartoe
ontoereikend.
Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand
gekomen en kan mitsdien niet worden gehandhaafd.

Volledige tekst

:I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser, ziekenverzorger en in opleiding voor verpleegkundige, was werkzaam bij
gedaagdes ziekenhuis, laatstelijk bij de afdeling Chirurgie. Bij besluit van
21 december 1982 heeft gedaagde eiser met ingang van 1 februari 1983
ontslagen wegens ongeschiktheid anders dan uit hoofde van ziekten of
gebreken.
Het Ambtenarengerecht te Amsterdam heeft eisers beroep tegen dit
ontslagbesluit bij uitspraak van 7 november 1983 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep doen instellen.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 10 januari 1985, waar eiser in
persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman Mr. E.P.M. ter Hark,
advocaat en procureur te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door Mr. B.R. ter Haar, advocaat te Amsterdam.

II. Motivering
Gedaagdes oordeel omtrent eisers ongeschiktheid is gebaseerd op een tweetal
notities.
De eerste is van de hand van de eerste hoofdverpleegkundige A en maakt
melding van klachten van enkele patiënten over eisers gedragingen tegenover
enkele patiënten en over opmerkingen welke hij zich zou hebben gepermitteerd.
De notitie besluit met enkele opmerkingen over onder meer het ’terugfluiten’
van eiser, het voorkomen van herhaling en het eventueel instellen van een
onderzoek, maar bevat geen oordeel over eisers geschiktheid of
ongeschiktheid; zij geeft ook slechts klachten weer en berust niet op enig
nader onderzoek.
De tweede notitie is opgesteld door het adjuncthoofd van de afdeling
Personeelszaken, F. Deze heeft, na van de eerste notitie te hebben kennis
genomen, een drietal vrouwelijke patiënten gehoord en daarna de klachten van
deze patiënten met eiser besproken. Het is vooral deze tweede notitie, welke
gedaagde van eisers ongeschiktheid heeft overtuigd.
De Raad stelt voorop, dat, indien de in de tweede notitie vermelde
gedragingen en opmerkingen van eiser juist zijn, deze ook naar s’Raads
oordeel ruimschoots voldoende zouden zijn om tot eisers ongeschiktheid voor
zijn functie te concluderen. De vraag rijst echter of de in de tweede notitie
beschreven toedracht in overeenstemming met de werkelijkheid is.
Eiser ontkent de hem verweten gedragingen en opmerkingen, althans de laakbare
vorm waarin ze zijn beschreven. Eiser en genoemd adjunct-hoofd
Personeelszaken verschillen voorts van mening over hetgeen in hun eerder
vermelde gesprek precies is besproken en gezegd; een objectieve
verslaglegging van een en ander ontbreekt en enig aanvullend onderzoek heeft
niet plaats gevonden. Onder deze omstandigheden acht de Raad de grondslag van
de stelling, dat de bedoelde weergave van eisers gedrag met de werkelijkheid
in overeenstemming is, niet hecht genoeg. Gelet op het feit, dat het in casu
om een vrij ernstige maatregel -ongeschiktheidsontslag- ging, alsmede op de
ambiance waarin de genoemde klachten ontstonden en geformuleerd zijn, had
gedaagde naar ’s Raads oordeel deze klachten c.q. de beschrijving er van niet
zonder een nader en objectiverend onderzoek als een correcte weergave van de
werkelijke toedracht mogen aanmerken; de door genoemd adjunct-hoofd
Personeelszaken ter terechtzitting van het ambtenarengerecht gedane
mededeling, dat hij zich niet kan ‘voorstellen dat een vrouw iets dergelijks
uit haar duim zuigt’, is daartoe ontoereikend.
Van de zijde van gedaagde is nog aangevoerd, dat ook in eisers vorige
betrekking klachten over zijn taalgebruik bestonden. Aangezien te dien
aanzien ter terechtzitting geen enkele concretisering kon worden gegeven, kan
de Raad aan deze vaag gebleven mededeling geen gewicht toekennen.
Vorenstaande overwegingen hebben de Raad tot de slotsom gebracht, dat het
bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en
mitsdien niet kan worden gehandhaafd. Daaraan doet niet af, dat eisers
enigszins categorisch aandoende ontkenningen voor de Raad geen grote
overtuigingskracht bezitten, noch dat de Raad in hetgeen eiser ter
terechtzitting heeft voorgedragen alsmede in het uitvoerige betoog van eisers
raadsman weinig concrete argumenten met betrekking tot eisers geschiktheid of
ongeschiktheid heeft aangetroffen

III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende in naam der Koningin!
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het bestreden ontslagbesluit alsnog nietig.

Rechters

Mrs Schipper, Boesjes, Van der Heide

Instantie: Raad van State, 7 januari 1985

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Verweerders hebben verzoekers aangeschreven het gebruik van hun
flatwoningen als sexinrichting te beeindigen, anders worden de woningen
ontruimd. Verzoekers willen dat deze beslissing wordt geschorst. Dit verzoek
wordt door de voorzitter afgewezen.

Volledige tekst

Bij besluiten van 7 juni 1984 hebben verweerders verzoekers
aangeschreven het gebruik van de flatwoningen L. straat te Alkmaar
respectievelijk H. laan te Alkmaar als sexinrichting te doen beeindigen en
bedoelde panden binnen een termijn van een maand na de verzenddatum van de
aanschrijvingen weer geheel als woning beschikbaar te stelen overeenkomstig de
geldende regelingen.

Daarbij hebben zij de verzoekers gewaarschuwd dat, indien aan hun
lastgevingen geen gevolg wordt gegeven, een en ander op grond van artikel 152,
juncto artikel 210 van de gemeentewet van gemeentewege, doch op kosten van
verzoekers zal plaatsvinden.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers bij brieven gedateerd 29 juni
1984 bezwaarschriften op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen ingediend bij verweerders.

Bij besluiten van 21 augustus 1984, verzonden op 23 augustus 1984,
hebben verweerders de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemde besluiten hebben verzoekers bij brieven gedateerd
21 september 1984 beroep op grond van de Wet administratieve rechtspraak
overheidsbeschikkingen ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van
State.

Bij brieven gedateerd 4 december 1984 hebben zij zich voorts tot ons
gewend met het verzoek de bestreden besluiten te schorsen.

Ter zitting van 3 januari 1985 hebben verzoekers en verweerders, bij
monde van hun vertegenwoordigers, hun standpunten nader toegelicht.

Tevens is als belanghebbende gehoord de Bewonersbelangenvereniging
H.O.J. te Alkmaar, bij monde van Mevrouw H. en K., gemachtigden.

In rechte:

Ingevolge artikel 80 van de Wet op de Raad van State dient te worden
nagegaan, of de uitvoering van de besluiten van verweerders voor verzoekers
een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een
onmiddellijke uitvoering van bedoelde besluiten te dienen belang.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn verweerders van
mening dat de onderhavige flatwoningen in gebruik zijn als sexinrichtingen,
hetgeen in strijd is met het ter plaatse als bestemmingsplan geldende
uitbreidingsplan “De Hoef II”, zoals herzien bij besluit van 31 mei 1965.

Een dergelijk gebruik is, aldus verweerders, verboden ingevolge het
bepaalde in artikel 352, eerste lid, van de Bouwverordening der gemeente
Alkmaar.

In verband met de overheersende woonfunctie, die de betrokken wijk “De
Hoef” heeft, achten verweerders de vestiging van de sexhuizen ter plaatse uit
planologisch oogpunt onaanvaardbaar.

Verweerders hebben dan ook te kennen gegeven niet bereid te zijn gebruik
te maken van de hun in artikel 352, vierde lid, van de Bouwverordening
toegekende bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van het in het eerste lid
van bedoeld artikel omschreven verbod.

Daarnaast hebben verweerders gesteld dat de vestiging van de
sexinrichtingen in de onderwerpelijke woningen in strijd is met het bepaalde
in artikel 56, eerste lid, van de Woningwet.

Krachtens dit artikellid is toestemming van verweerders vereist voor het
onttrekken van een woning aan de woonbestemming, welke toestemming in de
onderhavige gevallen ontbreekt.

Ter zake van de toepassing van artikel 56, eerste lid, van de Woningwet
voeren verweerders, naar zij hebben getoogd, een beleid dat erop is gericht de
onttrekking van woonruimte aan de bestemming uit een oogpunt van
woningschaarste zoveel mogelijk tegen te gaan, met name indien het om goede en
betaalbare woonruimte gaat.

Aangezien de onderhavige woningen als goed en betaalbaar zijn aan te
merken, zijn verweerders niet van zins voor de legalisering van de
woningonttrekkingen toestemming te verlenen.

Verzoekers hebben ontkend in strijd met het bepaalde in artikel 352,
eerste lid, van de Bouwverordening te hebben gehandeld dan wel artikel 56,
eerste lid, van de Woningwet te hebben overtreden.

Daartoe hebben zij aangevoerd dat zij de betrokken woningen op grond van
een mondelinge huurovereenkomst overeenkomstig de woonbestemming hebben
verhuurd aan met name genoemde personen voor een huurprijs van ƒ 750,= per
maand respectievelijk ƒ 1.300,= per maand. Verzoeker is nimmer gebleken dat in
de door hen verhuurde woningen de gewraakte activiteiten plaatsvinden.

Mocht hiervan al sprake zijn, hetgeen verzoekers bij gebrek aan
wetenschap derhalve betwisten, dan zijn de in geding zijnde lastgevingen in de
ogen van verzoekers bovendien op willekeurige en onzorgvuldige wijze tot stand
gekomen.

In dit verband hebben verzoekers naar voren gebracht dat in de gemeente
Alkmaar reeds gedurende een aantal jaren in bepaalde straten van de wijk “De
Hoef” sexhuizen worden geexploiteerd zonder dat daartegen van gemeentewege
ooit eerder is opgetreden.

Bij de onderhavige lastgevingen zijn verzoekers aangeschreven een einde
te maken aan een toestand, die reeds een aantal jaren is gedoogd, waarbij hun
bovendien een termijn is gegund, die, gelet op de te ondernemen acties,
feitelijk gezien als onredelijk kort moet worden gekenschetst.

Namens de bewonersbelangenvereninging is ten slotte gewezen op de
hinder, die de omwonenden van de onderhavige sexhuizen ondervinden. Als gevolg
van de aantasting van het woon- en leefklimaat is een aantal bewoners van de
betrokken flatgebouwen reeds verhuisd; voor veel bewoners, waarbij het met
name kopers/eigenaren betreft, is een verhuizing in verband met de aangegane
financiele verplichtingen evenwel niet haalbaar.

Daar komt bij dat de verkoopwaarde van de desbetreffende flatwoningen
aanzienlijk is gedaald, welke daling grotendeels te wijten is aan de
aanwezigheid van de sexhuizen.

Wij overwegen ter zake als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, in het bijzonder
gelet op de ter zitting overgelegde advertenties uit plaatselijke dagbladen,
achten wij het voorshands geenszins onaannemelijk dat de onderhavige
flatwoningen in gebruik zijn als sexinrichtingen.

Voor zover van een dergelijk gebruik geen sprake zou zijn en de woningen
geheel overeenkomstig de woonbestemming zouden worden gebruikt, merken wij op
dat verzoekers bij inwilliging van hun verzoeken om schorsing van de bestreden
besluiten geen enkel belang hebben, omdat in zulk geval immers reeds met de
bestaande toestand aan de lastgevingen, zoals gehandhaafd bij de bestreden
besluiten, is voldaan.

Voor een tenuitvoerlegging van gemeentewege van de lastgevingen, waarbij
de kosten zullen worden verhaald op verzoekers, behoeft alsdan niet te worden
gevreesd.

Voor zover van de uitoefening van sexinrichtingen in de in geding zijnde
woningen daadwerkelijk sprake is -hetgeen wij vooralsnog derhalve niet
uigesloten achten- overwegen wij het volgende.

Naar ons is gebleken zijn de percelen – waarop de flatgebouwen, waarvan
de betrokken woningen deel uitmaken, zijn opgericht – ingevolge het ter
plaatse als betemmingsplan geldende uitbreidingsplan in onderdelen “De Hoef
II” bestemd voor “Meergezinshuizen, negen bouwlagen op een onderhuis” en
“Meergezinshuizen, winkels en bergruimten op de begane grond, waarboven 12
bouwlagen”.

Aangezien als vaststaand kan worden aangenomen dat van een
verwezenlijkte bestemming als bedoeld in artikel 352, eerste lid, van de
Ø

wverordening sprake is, is het gebruik van de woningen als sexinrichting op
grond van voornoemd artikellid verboden.

Voorts is ons gebleken dat de gemeente Alkmaar in verband met de binnen
die gemeente bestaande woningnood bij Koninklijk besluit van 23 september
1982, no. 18 (Stcr. 1982, 188) is aangewezen als gemeente waar het, voor zover
te dezen van belang, is verboden zonder toestemming van burgemeester en
wethouders een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat tot woning bestemd is
te gebruiken voor een ander doel dan bewoning of op een andere wijze aan de
bestemming tot woning te onttrekken of onttrokken te houden, als bedoeld in
artikel 56, eerste lid, van de Woningwet.

Aangezien een dergelijke toestemming in de onderhavige gevallen
ontbreekt, is het gebruik als thans in geding, anders dan voor woondoeleinden
op grond van laatstgenoemd artikellid eveneens verboden.

Mitsdien waren verweerder bevoegd de beeindiging van de met artikel 352,
eerste lid, van de Bouwverordening en artikel 56, eerste lid, van de Woningwet
strijdige activiteiten te gelasten onder aanzegging van politiedwang.

Met betrekking tot de vraag of verweerders in redelijkheid van deze
bevoegdheid gebruik hebben kunnen maken, merken wij in de eerste plaats op dat
verweerders naar ons voorlopig oordeel voldoende aannemelijk hebben gemaakt
dat aan de handhaving van de geldende planologische regeling ter plaatse een
zwaarwegende betekenis moet worden toegekend, gegeven de hinder, die het
exploiteren van een sexinrichting in de onderhavige woningen voor tal van
omwonenden onmiskenbaar met zich brengt.

Gelet op de grote behoefte aan woningen als de onderhavige in de
gemeente Alkmaar, achten wij het voorts alleszins aanvaarbaar dat verweerders
niet bereid zijn toe te staan dat de onderhavige woningen aan hun bestemming
worden onttrokken.

Onder deze omstandigheden zien wij dan ook voorshands geen grond voor
het oordeel dat verweerders na afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid hebben kunnen besluiten tot toepassing van politiedwang.

Daarbij nemen wij mede in aanmerking dat ons ter zitting is gebleken dat
aan de omstreden lastgevingen een bepaald beleid ten grondslag ligt, inhoudend
dat tegen alle sexinrichtingen, die worden uitgeoefend in woningen, gelegen in
woonwijken en waar een ongestoorde woonfunctie door de aanwezigheid van die
sexhuizen wordt bedreigd, zal worden opgetreden.

Ter uitvoering van dit beleid zijn in de eerste plaats die sexhuizen
aangeschreven, waartegen op grond van de gebruiksvoorschriften van een
bestemmingsplan casu quo de Bouwverordening dan wel op grond van de bepalingen
van de Woningwet kon worden opgetreden.

Tegen de aanwezigheid van de overige sexhuizen als bovenbedoeld zal
eveneens daadwerkelijk worden opgetreden, aldus heeft de vertegenwoordiger van
verweerders ter zitting verzekerd.

Daarenboven is de nadere termijnstelling, die verweerders verzoekers na
de beslissingen op de bezwaarschriften hebben gegund, naar ons voorlopig
oordeel niet onredelijk kort te achten.

Afgezien van het vorenstaande, hebben wij vooralsnog enige bedenkingen
tegen de formulering van de onderwerpelijke lastgevingen – zoals bij de
bestreden besluiten gehandhaafd – voor zover daarbij althans is gesteld dat de
aangeschrevenen het huidige gebruik van de woningen als sexinrichting dienen
“te doen beeindigen” zonder dat in concreto is aangegeven wat gedaan of
nagelaten moet worden om te voorkomen dat van gemeentewege dwangmaatregelen
zullen worden genomen.

Naar de vertegenwoordiger van verweerders dienaangaande ter zitting
heeft verklaard, is voor deze weinig concrete formulering destijds gekozen
omdat verweerders in het geheel niet op de hoogte waren van de juridische
situatie in de betrokken gevallen en welke hoedanigheid verzoekers daarbij
toekwam.

Wat hiervan zij, zulks neemt niet weg dat het, naar wij voorshands,
menen op weg van verweerders had gelegen bij het nemen van de bestreden
besluiten, ten tijde waarvan zij ermee bekend waren dat aan de juridische
situatie huurovereenkomsten ten grondslag lagen, meer duidelijkheid te
verschaffen over de in concreto te nemen maatregelen.

Aangezien de vertegenwoordiger van verweerders ter zitting evenwel
uitdrukkelijk heeft gesteld dat de lastgevingen niet verder strekken dan tot
het nemen van die maatregelen, die in de gegeven juridische situatie van een
eigenaar/verhuurder redelijkerwijs verwacht mogen worden, zien wij in het
gesignaleerde gebrek geen aanleiding om op grond daarvan toepassing te geven
aan artikel 80 van de Wet op de Raad van State.

Gelet op de geschetste omstandigheden, zijn wij van oordeel dat een
onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten voor verzoekers geen
onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het door zodanige
uitvoering te dienen belang dat aan de verboden toestanden thans een einde
komt.

De verzoeken om toepassing van artikel 80 van de Wet op de Raad van
State komen derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

Uitspraak:

De voorzitter van de Afdeling rechtspraak;

Gezien de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen en de
Wet op de Raad van State;

Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 80 van de wet op de Raad
van State af.

Rechters

Mr. P.J.G. Kapteyn, voorzitter

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 31 december 1984

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Partijen, bewoners van de woningen in de nabije omgeving van de G.J. de
Jonghweg stellen dat het besluit om langs deze weg niet tegen overtredingen
van het in Rotterdam geldende tippelverbod op te treden en de weigering om de
politie opdracht te geven tegen overtredingen van dat verbod ter plaatse op te
treden, onrechtmatig is jegens de eisende partijen. De eisende partijen hebben
er naar het oordeel van de President belang bij dat te dezen door het College
van B en W een besluit genomen wordt op grond van art. 48 tweede lid APV
Rotterdam (aanwijzing tippelzone).

Een dergelijk besluit zou de eisende partijen, de kans bieden zich tot
de administratieve rechter te wenden. De President acht het niet
waarschijnlijk dat een dergelijk besluit in kort geding aangevochten zal
kunnen worden. Zulks kan echter nader worden bezien indien het College van B
en W een besluit neemt op basis van art. 48 tweede lid APV Rotterdam met
betrekking tot de G.J. de Jonghweg. De President beslist dat de behandeling
wordt voortgezet op 14 febr. 1985. (Op die dag bleken B en W. alsnog
overgegaan te zijn tot een officiele aanwijzing van de G.J. de Jonghweg als
tippelzone. De eisende partijen zagen toen af van verdere behandeling van het
kort geding, red.).

Volledige tekst

Ten aanzien van het recht:

Tussen alle partijen in de bevoegde korte gedingen staan de navolgende
feiten vast:

de academie -een scholengemeenschap- is gevestigd aan de G.J. de
Jonghweg te Rotterdam:

de bewoners bewonen woningen in de nabije omgeving -binnen een straal
van 500 m- van de G.J. de Jonghweg;

bij schrijven van 3 augustus 1984 heeft de burgemeester mede namens de
OvJ medegedeeld, dat de politie van Rotterdam heeft besloten om tegen
overtreding van art. 48 Rotterdam (tippelverbod), gepleegd aan de G.J. de
Jonghweg te Rotterdam, niet meer op te treden, hetgeen (mede) ertoe heeft
geleid, dat aldaar een “tippelzone”, door gedaagde ook wel genoemd
“politionele gedoogzone”, is ontstaan;

de gemeente heeft aan de G.J. de Jonghweg een portocabin alsmede twee
verkeerswachthuisjes, zogenaamde abri’s, geplaatst, zonder dat voor een en
ander bouwvergunningen zijn aangevraagd;

de burgemeester weigert de gemeentepolitie te bevelen tegen overtreding
van het tippelverbod ter plaatse op te treden.

In de korte gedingen rolnr. 774/1984 en 776/1984 vorderen de eisende
partijen een bevel aan gedaagden om het besluit om niet tegen overtredingen
van art. 48 APV Rotterdam gepleegd aan de G.J. de Jonghweg te Rotterdam op te
treden, in te trekken en deze intrekking te publiceren en om de openbare resp.
rechtsorde te handhaven.

De grondslag voor deze vorderingen is bij beide eisende partijen naast
voormelde vaststaande feiten de stelling:

dat het besluit om langs de G.J. de Jonghweg te Rotterdam niet tegen
overtredingen van het tippelverbod op te treden en de weigering om de politie
opdracht te geven tegen overtredingen van dit verbod ter plaatse op te treden
onrechtmatig is ten opzichte van ieder der eisende partijen omdat

a. daardoor het tippelverbod voor de lokatie G.J. de Jonghweg in feite
buiten werking wordt gesteld zonder dat daartoe een vrijstelling is verleend
als bedoeld in art. 48 lid 2 APV Rotterdam, hetgeen medebrengt dat aan de
eisende partijen de mogelijkheid is ontnomen een dergelijke vrijstelling door
de administratieve rechter te doen toetsen:

b. de gedaagden daardoor in strijd met art. 250bis Sr voor langere tijd
gelegenheid tot prostitutie geven;

c. met de eisende partijen geen overleg is gepleegd over het genomen
besluit.

Gedaagden hebben de vorderingen en stellingen van de eisende partijen
bestreden.

Op hun verweren zal voor zoveel nodig hierna worden ingegaan. Ingevolge
art. 48 lid 2 APV Rotterdam is het mogelijk bepaalde lokaties in Rotterdam uit
te zonderen van het in het eerste lid van dat artikel gegeven “tippelverbod”.

Een besluit om die uitzondering te maken kan niet reeds op voorhand en
zonder meer als onrechtmatig worden bestempeld, doch minst genomen dient een
dergelijk besluit dan wel genomen te worden op de wijze als in art. 48 lid 2
APV Rotterdam omschreven.

Dit nu is in dit geval niet geschied.

Het verweer, dat de weg van art. 48 lid 2 APV niet gevolgd behoefde te
worden, omdat er ten aanzien van de situatie, zoals deze thans aan de G.J. de
Jonghweg bestaat, slechts sprake is van een experimenteel stadium, faalt.

Daargelaten nog dat er geen duidelijkheid bestaat hoe lang dit
experiment gaat duren -uit het betoog van de raadsman van de burgemeester
volgt dat in ieder geval niet minder dan een jaar zal zijn- laat duidelijke
tekst van art. 48 lid 2 APV geen afwijking van de daar gegeven regel toe.

De eisende partijen, hebben er ook belang bij dat te dezen een genomen
besluit door het College van B en W wordt genomen, opdat zij alsdan desgewenst
een beroep kunnen doen op de administratieve rechter.

In beginsel moet de thans gevolgde handelwijze derhalve als onrechtmatig
ten aanzien van de eisende partijen worden aangemerkt.

Zulks betekent evenwel nog niet dat hun vorderingen derhalve ook
toegewezen moeten worden.

Het ligt voor de hand, dat het College van B en W van Rotterdam thans
zal overwegen de weg van art. 48 lid 2 APV te volgen.

Zo dit college alsnog binnen afzienbare termijn, welke gesteld moet
worden op een maand na heden, een vrijstellingsbesluit ten aanzien van de G.J.
de Jonghweg als bedoeld in art. 48 lid 2 APV neemt, kan niet gezegd worden dat
er bij de eisende partijen op dit moment een genoegzaam spoedeisend belang is
voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen.

Een dergelijk besluit toch biedt de eisende partijen, overeenkomstig hun
uitdrukkelijk uitgesproken wens, de kans zich tot de administratieve rechter
te wenden op een wijze als zij voor ogen hebben.

Het lijkt vooralsnog niet aannemelijk dat een dergelijk besluit in kort
geding aangevochten zal kunnen worden, doch zulks kan zo nodig nader bezien
worden, indien het College van B en W een dergelijk besluit neemt.

Wel kan thans worden opgemerkt dat zonder meer niet valt in te zien, dat
een dergelijk besluit in strijd moet zijn met het bepaalde in art. 250bis Sr.

Al evenmin kan gezegd worden dat de redelijkerwijs in acht te nemen
voorzichtigheid uit het oog is verloren resp. wordt verloren nu geen
voorafgaand overleg met de eisende partijen is gepleegd dan wel niet gepleegd
zal worden over een door het College van B en W te nemen besluit betreffende
de situatie aan de G.J. de Jonghweg.

Dit alles betekent dat toewijzing van de vorderingen van de eisende
partijen op dit moment, naar mag worden aangenomen, slechts ten gevolge zou
hebben dat het “tippelverbod” ten aanzien van de G.J. de Jonghweg weer zou
gelden tot aan een door het College van B en W te nemen vrijstellingsbesluit.

Mede in aanmerking genoemen dat de situatie, zoals die zich momenteel
voordoet aan de G.J. de Jonghweg, aldaar reeds enkele maanden bestaat, moet
een wijziging in de situatie in de periode van een maand, die aan de gemeente
wordt gelaten om te overwegen of een besluit op basis van art. 48 lid 2 APV
genomen moet worden, niet geacht worden door het belang van partijen te worden
gevorderd.

Mitsdien zal de behandeling van de korte gedingen in deze beide zaken
thans worden aangehouden tot de terechtzitting van 14 februari 1985 te 9.30
uur, alwaar partijen inlichtingen zullen moeten geven over de vraag of een
besluit als bedoeld in art. 48 lid 2 APV Rotterdam is genomen ten aanzien van
de lokatie G.J. de Jonghweg te Rotterdam, en zo ja wat de inhoud is van dat
besluit.

In de korte gedingen rolnrs. 756/1984 en 775/1984 vorderen de eisende
partijen de afbraak van twee abri’s, geplaatst aan de G.J. de Jonghweg,
alsmede een verbod tot plaatsing of oprichting van bouwwerken langs die weg
zonder dat daarvoor een bouwvergunning is verleend.

De academie vordert in het k.g. rolr. 756/1984 daarenboven de afbraak
van de portocabin die aan de G.J. de Jonghweg is geplaatst.

Blijkens de uitgebrachte dagvaardingen en de gegeven toelichtingen
beogen de eisende partijen met hun vorderingen in deze beide korte gedingen te
bereiken, dat een einde wordt gemaakt aan de straatprostitutie zoals deze
langs de G.J. de Jonghweg te Rotterdam wordt bedreven.

Daartoe is het slopen van een tweetal abri’s en een portocabin niet het
geeigende middel.

De eisende partijen hebben zulks ook zelf zeer wel begrepen door in de
korte gedingen onder de rolnrs. 774/1984 en 776/1984 vorderingen aanhangig te
maken die rechtstreeks tegen het tolereren van de prostitutie ter plaatse
gericht zijn.

De eisende partijen hebben overigens ook niet betoogd, dat de enkele
omstandigheid, dat de abri’s en de portocabin aan de G.J. de Jonghweg
geplaatst zijn, hen reeds in een in rechte te beschermen belang schaadt. De
beweerde schade vloeit voort uit het gebruik dat van de abri’s en de
portocabin wordt gemaakt in het kader van de straatprostitutie.

Welnu de straatprostitutie is het onderwerp van de beide andere korte
gedingen.

In de beide onderhavige korte gedingen moet aan de eisende partijen hun
vorderingen ontzegd worden wegens het ontbreken van een genoegzaam, laat staan
een genoegzaam spoedeisend belang.

Recht doende:

In het k.g. rolnr. 756/1984:

Ontzegt aan eiseres haar vorderigen.

Veroordeelt eiseres in de kosten van dit k.g. tot op deze uitspraak aan
de zijde van gedaagde begroot op ƒ 250 aan verschotten en ƒ 1500 aan salaris
voor de procureur.

In het k.g. rolnr. 775/1984:

Ontzegt aan eisers hun vorderingen.

Veroordeelt eisers in de kosten van dit k.g. tot op deze uitspraak aan
de zijde van gedaagde begroot op ƒ 250 aan verschotten en ƒ 1500 aan salaris
voor de procureur.

In het k.g. rolnr. 774/1984:

Beveelt dat de behandeling van dit k.g. zal worden voortgezet ter
terechtzitting van donderdag 14 februari 1985, des voormiddags te 9.30 uur.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

In het k.g. rolnr. 776/1984:

Beveelt dat de behandeling van dit k.g. zal worden voortgezet ter
terechtzitting van donderdag 14 februari 1985 des voormiddags te 9.30 uur.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

(In de zaak nr. 756/1984 is hoger beroep ingesteld, red.)

Rechters

Mr. Nivard

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 13 december 1984

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vrouw spande procedure aan tegen haar buurman, tevens adjunctdirecteur
van de Sociale Dienst. De buurman spioneerde het priveleven van de vrouw en
stuurde vervolgens interne memo’s rond bij de Sociale Dienst, wat tot
stopzetting van haar uitkering leidde

AFLOOP: Een kort geding in 1984 werd gewonnen; in het door de
tegenpartij ingestelde hoger beroep werd de vrouw in het ongelijk gesteld
De vrouw is met ondersteuning van Rechtenvrouw naar de Hoge Raad gegaan
Deze meende dat de adjunctdirecteur de privacy van de vrouw wel
geschonden heeft. Echter in bijzondere omstandigheden is het
gerechtvaardigd. De Hoge Raad vindt dat de lagere rechter nader moet
onderzoeken of de vergaande inbreuk op de privacy opweegt tegen het belang van
controle in verband met het recht op bijstand. Het nader onderzoek loopt
nog bij het Hof

Jaarverslag 1984 no. 5, 1986 no. 32, 1987 no. 31

Volledige tekst

Procesgang

1. In kort geding heeft geintimeerde de President van de Rechtbank
Amsterdam gevraagd – kort gezegd – appellant op verbeurte van een dwangsom te
verbieden over haar gedrag en relaties aantekeningen bij te houden en
daaromtrent aan derden mededelingen te doen. Bij vonnis van 10 mei 1984,
rolnummer KG 84/451 G heeft de President appellant verboden om inlichtingen
omtrent geintimeerde aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Edam of enige
andere persoon of instelling te verstrekken op verbeurte van een dwangsom
onder afwijzing van de vordering voor het overige en veroordeling van
appellant in de kosten

2. Bij dagvaarding van 23 mei 1984 is appellant van dit vonnis in hoger
beroep gekomen bij dit Hof. Bij memorie van grieven heeft hij tegen het
vonnis vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het
vonnis en alsnog weigering van de gevraagde voorziening met veroordeling van
geintimeerde in de kosten van beide instanties. In een memorie van antwoord
heeft geintimeerde de grieven bestreden en geconcludeerd – zakelijk – tot
bekrachtiging van het vonnis. Op 19 november 1984 hebben de procureurs de
zaak bepleit, waarna de stukken en de pleitnotities met bijbehorende
producties zijn overgelegd voor arrest

Grieven

De grieven luiden:

I. Ten onrechte heeft de President overwogen: “vooropgesteld moet worden
dat (…) moet worden aangenomen dat de werkzaamheden van gedaagde met
betrekking tot de bijstandsverlening aan eiseres zich uitstrekten tot a. het,
tot voor kort, met een zekere regelmaat doen van constateringen omtrent het
prive-leven van eiseres;

b. het doorgeven van de aldus verzamelde gegevens aan de GSD;

c. het op eigen initiatief gelasten van een (her)onderzoek binnen de GSD

II. Ten onrechte heeft de President overwogen: “wat er zij van de
ambtelijke bevoegdheid van gedaagde om jegens eiseres aldus op te treden, uit
hetgeen door de directeur van de GSD ter zitting aangaande de functie van
gedaagde is verklaard, is gebleken dat de door gedaagde in deze zaak
ondernomen, hierboven onder 4a, b en c beschreven, activiteiten niet behoren
tot zijn normale werkzaamheden als, in hoofdzaak, chef van de binnendienst,
de administratieve afdeling. Met actieve opsporing is gedaagde niet in het
bijzonder belast en het entameren van hercontroles, los van de
halfjaarlijkse, ligt slechts sporadisch op zijn weg. Van enige specifieke
opdracht van de GSD aan gedaagde tot bemoeienis met eiseres is evenmin
gebleken .”

III. Ten onrechte heeft de President overwogen: “ter rechtvaardiging van
de bijzondere aandacht die gedaagde aan de zaak en de persoon van eiseres
heeft besteed is slechts kunnen blijken van de omstandigheid, dat hij dicht
bij haar in de buurt woont”. IV. Ten onrechte heeft de President overwogen:
“deze handelswijze strijdt immers met het beginsel van gelijke behandeling van
alle burgers, een beginsel dat gedaagde vanuit zijn functie als ambtenaar ook
in prive-contacten heeft na te leven .”

V. Ten onrechte heeft de President bepaald: “verbiedt gedaagde om
inlichtingen omtrent eiseres aan de GSD te Edam of enige andere persoon of
instelling te verstrekken, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,–
voor iedere overtreding van dit verbod .”

Beoordeling

4. Geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de feiten
zoals vermeld in het vonnis onder 1, zodat ook het Hof van die feiten zal
uitgaan

5. Voorzover grief I het oordeel van de President bestrijdt, dat
aannemelijk is geworden dat de werkzaamheden van appellant met betrekking tot
de bijstandsverlening aan geintimeerde zich uitstrekte tot het, tot voor
kort, met een zekere regelmaat doen van constateringen omtrent het
prive-leven van geintimeerde, faalt zij. Op grond van de in de aangevallen
overweging genoemde stukken is de President terecht tot dit oordeel gekomen,
zodat de stelling van appellant dat hij slechts twee maal gegevens – per
interne memo in 1978 en 1979 – heeft doorgegeven niet kan worden aanvaard

6. Voorzover grief I betoogt dat de President ten onrechte aannemelijk
achtte dat de genoemde werkzaamheden zich uitstrekten tot het op eigen
initiatief gelasten van een (her)onderzoek binnen de GSD, slaagt zij

Immers in eerste instantie heeft geintimeerde niet gesteld dat appellant
een (her)onderzoek heeft gelast. In hoger beroep heeft zij op het standpunt
van appellant dat hij niet een (her)onderzoek heeft gelast doch slechts zo’n
onderzoek als wenselijk naar voren heeft gebracht, alleen maar geantwoord dat
niet belangrijk is of appellant een onderzoek heeft gewenst of gelast. In
genoemde memo’s vermeldde appellant “gaarne (her)onderzoek”. Hieruit volgt
dat niet aannemelijk is geworden dat appellant op eigen initiatief
(her)onderzoek heeft gelast. Als vaststaande activiteiten of handelwijze
blijft dan aan appellant verweten dat hij met betrekking tot de
bijstandsverlening van geintimeerde tot voor kort met een zekere regelmaat
gegevens heeft verstrekt aan de GSD

7. Geintimeerde stelt dat het niet van belang is of appellant een
(her)onderzoek heeft gelast of gewenst, omdat hij als adjunct-directeur van
de GSD toch een grote formele of informele invloed kon uitoefenen met
betrekking tot heronderzoeken. Onbetwist zijn echter de stellingen van
appellant – chef van de binnendienst van de GSD – dat alleen de buitendienst
van de GSD beoordeelt of zo’n onderzoek opportuun is, dat alleen deze dienst
zo’n onderzoek kan gelasten en dat naar aanleiding van de door appellant
verstrekte gegevens geen andere onderzoeken bij geintimeerde hebben
plaatsgevonden dan die welke krachtens de wet halfjaarlijks worden uitgevoerd.
Weliswaar stelt geintimeerde tevens dat naar aanleiding van de door
appellant verstrekte gegevens bij die onderzoeken steeds dieper is ingegaan
op de relatie tussen haar en haar vriend (memorie van antwoord p. 3) en dat
“in andere gevallen” controles slechts steekproefsgewijze plaatsvinden
(memorie van antwoord p. 4) doch niet gesteld of aannemelijk is geworden dat
zodanig dieper onderzoek of de genoemde halfjaarlijkse onderzoeken achterwege
zijn gebleven in gevallen waarin niet een ambtenaar als appellant doch een
andere derde gegevens heeft doorgegeven en een verzoek om een onderzoek heeft
gedaan zoals appellant deed. Dat gegevens ook van derden komen is gesteld en
niet weersproken. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat appellant als
ambtenaar handelde in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van
burgers in gelijke gevallen, wat er overigens zij van de hantering van dit
beginsel door de President in dit onderhavige geval

8. Het staat – behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen – in
beginsel aan een ieder vrij om hetgeen hem bekend is door te geven aan
anderen. Niet is gesteld dat de door appellant verstrekte gegevens zijn
verzameld op een wijze die inbreuk maakte op geintimeerde persoonlijke
levenssfeer. Dat geintimeerde zich bespied voelde nadat haar bekend was
geworden dat de gebruikte gegevens door appellant waren verzameld, levert
geen inbreuk op haar privacy

9. Niet aannemelijk is geworden dat door appellant verstrekte gegevens
onjuist waren. Ook al mochten die gegevens de suggestie wekken dat
geintimeerde – naar later onjuist werd geoordeeld – met haar vriend een
gezinssituatie vormde die niet afweek van de situatie als genoemd in artikel
5 Algemene Bijstandswet, daaruit volgt niet dat de door appellant verstrekte
gegevens waarop die suggestie berustte onjuist waren. Het
heronderzoeksverslag van 27 september 1983, opgemaakt door een ander dan
appellant, vermeldt: “ten eerste geeft betrokkene – geintimeerde – toe dat zij
de heer Eekhout dagelijks ziet. Iedere avond komt hij omstreeks acht a negen
uur. Collega van der Kaaij kan dit bevestigen .” Uit deze tekst volgt niet
dat het door appellant eventueel te bevestigen gegeven onjuist was

10. De door appellant verstrekte gegevens zijn ook niet als onnodig
grievend te beschouwen. Opgemerkt dient overigens te worden dat appellant de
gewraakte gegevens slechts heeft verstrekt aan de GSD en niet aan anderen

11. Nu de aan appellant verweten handelwijze niet als onrechtmatige kan
worden beschouwd, behoort het vonnis te worden vernietigd en de door
geintimeerde gevraagde voorziening te worden geweigerd. Appellant heeft bij
afzonderlijke behandeling van de overige grieven geen belang meer. Als in
het ongelijk gestelde partij dient zij in de kosten van beiden instanties te
worden verwezen

Beslissing

Het Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep, weigert de gevraagde
voorzieningen en veroordeelt geintimeerde in de kosten van het geding, aan de
zijde van appellant begroot op ƒ 1.000,– (DUIZEND GULDEN) in eerste
instantie en op ƒ 2.000,– (TWEEDUIZEND GULDEN) in hoger beroep

Rechters

Mrs. Cornelissen, vice-president, Willems, en Haandrikman, raadsheren

Instantie: Raad van Beroep Utrecht, 11 december 1984

Instantie

Raad van Beroep Utrecht

Samenvatting


Klaagster betoogt dat afschaffing van de WAO-minimum dagloonbepaling in
strijd is met de derde EG-richtlijn (79/7) en het EEG-verdrag.

De Raad van Beroep is het hiermee niet eens en verklaart het beroep
ongegrond. De Raad acht onvoldoende redenen aanwezig om een prejudiciele
beslissing aan het Hof van Justitie te vragen.

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing. Beslissing van verweerder dd. 4
januari 1984.

2. Terechtzitting Datum: 20 november 1984.

Klager in persoon verschenen, bijgestaan door mevrouw Mr. J.E., advocaat
en procureur te U..

Verweerder verschenen bij gemachtigde Mr. G.H.J. van A., chef juridische
afdeling bij verweerders bedrijfsvereniging.

3. Feiten. Klaagster geniet sedert 21 juni 1973 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO); deze uitkering bedroeg laatstelijk
tot 1 januari 1984 ƒ 93,94 bruto per uitkeringsdag.

Klaagsters uitkering werd naar het minumimdagloon berekend dat
laatstelijk ƒ 126,23 bedroeg.

Bij de bestreden beslissing is het dagloon herzien ingaande 1 januari
1984 en vastgesteld op ƒ 113,41; de aan klaagster toegekende uitkering werd
per die datum vastgesteld op ƒ 84,40 bruto per uitkeringsdag.

Verweerder heeft daartoe overwogen:

“Bij de Wet van 29 december 1982, Stb 1982, 737 is bepaald dat het
minimum WAO-dagloon vanaf 1 januari 1984 niet meer in aanmerking mag worden
genomen voor de berekening van uw WAO-uitkering. Herziening dient plaats te
vinden naar het dagloon dat op de 1e WAO-dag aan de uitkering ten grondslag
zou hebben gelegen, indien het minimum WAO-dagloon niet zou hebben bestaan.

Dit dagloon bedraagt onder toepassing van de indexeringen na de 1e
WAO-dag per 1 januari 1984 ƒ 94,37 bruto per dag. Gedurende de periode van 1
januari 1984 tot 1 juli 1984 mag het dagloon echter niet lager worden gesteld
dan 115% van het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag ad ƒ 98,62 =
ƒ 113,41.

Gedurende de tweede helft van 1984 dient het dagloon tenminste 107,5%
van het wettelijk minimumloon.

Op grond van het voorgaande gaat uw uitkering met ingang van 1 januari
1984 80% van 100/107,4 van het dagloon ad ƒ 113,41 = ƒ 84,40 bruto per
uitkeringsdag bedragen”.

Namens klaagster is – kort samengevat – betoogd:

“de afschaffing van het wao minimumdagloon waardoor de gehuwde vrouw
aanspraak heeft op een lagere uitkering dan de gehuwde man is in strijd met de
3e EG richtlijn(79/7).

Nu het hier een verslechtering betreft ten aanzien van het beginsel dat
mannen en vrouwen in de sociale zekerheid gelijk berechtigd dienen te worden,
in de periode waarin de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met
dat beginsel in strijd zijn juist moeten worden afgeschaft kan betrokkene nu
reeds een beroep op de 3e EG richtlijn doen”.

“De afschaffing van de wao-minimumdagloonbepaling is in strijd met deze
richtlijn en het EEG verdrag”.

Verzocht werd:

“-aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg
een pre judicieel advies te vragen met betrekking tot de vraag of de
afschaffing van de wao minimumdagloonbepalingen in strijd zijn met de 3e EG
richtlijn en het EEG Verdrag.

-de bestreden beslissing vernietigen en te beslissen dat aan betrokkene
per 1 januari 1984 de uitkering overeenkomstig de tot 1 januari 1984 bestaande
minimumdagloonbepaling in de wao zal worden verstrekt”.

Bij brief dd. 19 oktober 1984 is namens verweerder bericht: “Klaagsters
gemachtigde concludeert op pagina 3 van het klaagschrift dat er met de
afschaffing van WAO-minimum dagloonbepalingen en wat betreft de hoogte van de
uitkering een vorm van indirecte discriminatie van de vrouwen is ingevoerd”.

Verweerder kan zich met die kwalificatie niet verenigen. In art. 4 van
de Richtlijn wordt bepaald: “Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat
iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij directe, hetzij
indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is
uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

– de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake
toelating tot de regelingen,

– de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,

– de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen

verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende
personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de
prestaties.

Tussen verweerder en klaagsters gemachtigde is niet in geschil dat hier
geen sprake is van directe discriminatie.

Waar de richtlijn in artikel 4 indirecte discriminatie door verwijzing
naar met name echtelijke staat of gezinssituatie verbiedt, wordt hiermee, naar
het oordeel van verweerder, niet beoogd elke verwijzing naar echtelijke staat
of gezinssituatie als zijnde indirect discriminerend af te wijzen.

Bedoelde verwijzingen zijn slechts verboden voorzover hier discriminatie
van mannen en vrouwen voortvloeit, dat wil zeggen voorzover hierdoor mannen en
vrouwen zonder objectieve en redelijke grond verschillend worden behandeld.

Indien een door een regeling gestelde eis er toe leidt dat de regeling
feitelijk voor mannen en vrouwen verschillend uitwerkt, ontstaat weliswaar een
vermoeden van discriminatie, echter het is een weerlegbaar vermoeden. Deze
weerlegging vindt plaats indien kan worden aangetoond dat de regeling een
objectieve en redelijke grond heeft. Een dergelijke benadering van het
discriminatiebegrip sluit nauw aan bij de invulling die het Europese Hof van
Justitie aan dat begrip heeft gegeven in zijn arrest van 31 maart 1981, zaak
nr. 96/80 (Jenkins/Kings Gate, NJ 1982, 419)”.

“In dit arrest ging het om een lagere beloning voor een deeltijdarbeid
dan voor voltijdarbeid. Dit werd getoetst aan het beginsel van gelijke
beloning neergelegd in artikel 119 van het EEG-verdrag. Het arrest bevat een
duidelijke uitleg van het discriminatiebegrip in verband van de EEG. Het Hof
overweegt onder meer:

Het feit dat voor een deeltijdarbeid een lager uurloon wordt betaald dan
voor een voltijdarbeid vormt dus op zich geen door artikel 119 verboden
discriminatie, mits die uurlonen gelijkelijk gelden voor werknemers van elk
van beide groepen zonder onderscheid naar geslacht.

“Indien een dergelijk onderscheid niet wordt gemaakt, is derhalve het
feit dat de betaling voor arbeid in tijdloon verschilt naar gelang van het
aantal gewerkte uren per week niet strijdig met het in artikel 119 EEG-verdrag
neergelegde beginsel van gelijke beloning, zolang maar het verschil in
beloning voor deeltijd en voltijdarbeid zijn verklaring vindt in objectief
gerechtvaardigde gronden die geen verband houden met discriminatie op grond
van geslacht.”
£
Op grond van dit recente arrest verwerpt verweerder de interpretatie van
Mr. A.P. Govers in zijn prae advies “Gelijkheid van vrouw en man in het
Europees sociaal recht.

In het slot van het klaagschrift concludeert klaagsters gemachtigde tot
een verzoek om een prea judicieel advies aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen te Luxemburg.

verweerder meent dat daar gelet op de door verweerder genoemde uitspraak
niet direct aanleiding toe is.

Verweerder meent dat daar gelet op de door verweerder genoemde uitspraak
niet direct aanleiding toe is.

Verweerder meent gelet op het voorgaande niet toe te komen aan het
gestelde in de punten 10, 11 en 12 van het klaagschrift.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep”.

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

Motivering. Bij de wet van 29 december 1982, Staatsblad 737, is de
werkingssfeer van de bescherming op minimumniveau beperkt tot degenen die
anderen tot hun last hebben en niet of nagenoeg niet beschikken over
neveninkomsten uit arbeid. Daarbij is voor WAO-gerechtigden van wie de
uitkering voor 1 januari 1983 is ingegaan en voor wie de minimumbescherming
niet langer geldt, een overgangsregeling getroffen die voorziet in een
geleidelijke afbouw van de daglonen van het minumumdagloon tot het niveau van
het eigen dagloon. Deze afbouwregeling houdt voor de WAO in dat de daglonen
van de beschreven categorie in 1983 op het minimumdagloon zijn gehandhaafd en
vervolgens gedurende het eerste halfjaar van 1984 niet lager zijn gesteld dan
115% van het wettelijk minumumloon (inclusief vakantietoeslag). Gedurende het
tweede half jaar van 1984 zou de ondergrens vervolgens worden vastgesteld op
tenminste 107,5% van het wettelijk minimumloon terwijl vanaf 1985 de daglonen
op tenminste het wettelijk minimumloon zouden moeten worden gebaseerd.

Bij de wet van 28 juni 1984, Staatsblad 271 is die regeling weer
gedeeltelijk herzien onder meer ten aanzien van het minimumpercentage van het
wettelijk minimumloon dat per 1 juli 1984 moet worden gehanteerd (111,5% in
plaats van 107,5%).

De raad constateert vooreerst – met hantering van de tabel, opgenomen in
de Nederlandse Staatscourant dd. 24 oktober 1983, nummer 206, en rekening
houdend met de 3% korting op de daglonen per 1 januari 1984 – dat bij de
bestreden beslissing het aan klaagsters WAO-uitkering ten grondslag gelegde
dagloon per 1 januari 1984 correct is vastgesteld gelet op de ter zake
geldende bepalingen van nationale wetgeving. Dat is namens klaagster ook niet
bestreden.

Klaagster heeft echter uitvoerig doen betogen dat die bepalingen in
strijd zijn met artikel 4, lid 1 van de derde EG-richtlijn van 19 december
1978, nummer 79/7 (verder te noemen: de derde richtlijn). Zij ziet hierin een
vorm van (indirecte) discriminatie van gehuwde vrouwen waarvoor geen
objectieve rechtvaardiging is.

Het is inmiddels vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep –
zie onder meer RSV 1984, nummers 148 tot en met 150 – dat de derde richtlijn
voor 23 december 1984 geen enkel gevolg kan hebben dat door de raad in
aanmerking kan worden genomen.

Die jurisprudentie is bekritiseerd in een noot van W.M. Levelt-Overmars
onder RSV 1984, nummer 150. Daarin werd verwezen naar een arrest van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschap van 23 maart 1983, zaak 77/82 A.
Peskeloglou/Bundesanstalt fur Arbeit Jurisprudentie 1983 bladzijde 1085.

De gemachtigde van klaagster heeft behalve naar dit arrest verwezen naar
artikel 5 van het EEG-Verdrag (hierna te noemen: het Verdrag) en naar artikel
5 van de derde richtlijn. Volgens haar kan klaagster reeds voor 23 december
1984 een beroep doen op de derde richtlijn, omdat het hier een verslechtering
betreft ten aanzien van het beginsel dat mannen en vrouwen in de sociale
zekerheid gelijk berechtigd dienen te worden, in de periode waarin de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met dat beginsel in strijd
zijn moeten worden afgeschaft.

De raad heeft in hetgeen door klaagsters gemachtigde is aangevoerd
echter geen grond gevonden om in deze een afwijkend standpunt in te nemen van
dat vervat in de zojuist vermelde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
In dit verband heeft de raad het volgende overwogen.

Volgens artikel 189, derde alinea, van het Verdrag is een richtlijn
“verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat,
waarvoor zij bestemd is doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid
gelaten vorm en middelen te kiezen”. Blijkens deze bepaling legt een richtlijn
de Lid-Staten waarvoor zij bestemd is, een resultaatsverplichting op, die aan
het einde van de in de richtlijn vastgestelde termijn moet zijn nagekomen.

Hieruit volgt dat in alle gevallen waarin een richtlijn behoorlijk is
uitgevoerd, de werking ervan de particulieren bereikt via de door de betrokken
Lid-Staat getroffen uitvoermaatregelen (arrest van 6 mei 1980, zaak 102/79,
Commissie/Belgie, Jurisprudentie 1980 bladzijde 1473).

De vraag of en zo ja, welke bepalingen van een bepaalde richtlijn
directe werking hebben indien een Lid-Staat na het einde van de daartoe
gestelde termijn nog geen uitvoering aan de bepalingen ervan heeft gegeven
wordt uiteindelijk door het Hof van Justitie uitgemaakt krachtens zijn
uitleggingsbevoegdheid op grond van artikel 177 van het Verdrag. In casu is
die vraag niet aan de orde, aangezien het tijdstip waarop de nationale
wetgeving aan de derde richtlijn moet zijn aangepast nog in de toekomst lag
ten tijde van de totstandkoming van de bepalingen van nationale wetgeving die
hier aan de orde zijn; dit was ook het geval op de hier relevante ingangsdatum
van wijzigingen van het dagloon en op de datum van de bestreden beslissing.

Wel van belang is de vraag of artikel 4, lid 1 van de derde richtlijn
voor het einde van de aanpassingstermijn door een particulier al in rechte zou
kunnen worden ingeroepen wanneer sprake zou zijn van het toepassen van met die
bepaling strijdige wetgeving, die tijdens die termijn door de Nederlandse
wetgever tot stand is gebracht.

Duidelijk zal in elk geval moeten zijn dat

(1) hier sprake is van discriminatie waarop de derde richtlijn ziet,

(2) artikel 4, lid 1 van die richtlijn naar zijn aard direct zou kunnen
werken en

(3) in de onderhavige situatie ook reeds voor 23 december 1984.

Met betrekking tot het eerste punt is relevant het op 7 juni 1984
vastgestelde verslag van een mondeling overleg tussen staatssecretaris De
Graaf en de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en werkgelegenheid van de
Tweede Kamer (vergaderjaar 1983-1984, 18100 hoofdstuk XV, nummer 74).

Aan het antwoord namens de regering in dit verslag ontleent de raad het
volgende.

“Een tweede punt van kritiek heeft betrekking op de doelstellingen van
de wet zelf. Die doelstellingen komen, naast het realiseren van noodzakelijke
ombuigingen, erop neer dat de werkingssfeer van de minimumdagloonbepalingen in
de verschillende loondervingsregelingen werd gelijk getrokken.

Tevens werd die werkingssfeer beperkt tot degenen die daaraan, naar
objectieve maatstaven, het meest behoefte hebben, te weten diegenen met
gezinslasten die niet of slechts in geringe mate de beschikking hebben over
andere inkomsten uit of in verband met arbeid. Daarbij is een onderscheid
aangebracht tussen enerzijds gehuwden zonder neveninkomsten, die wel recht
behielden op de minimumbescherming en anderzijds gehuwden met neveninkomsten
en ongehuwden voor wie dat recht verviel. Dit onderscheid bleek bij sommigen
op bezwaren te stuiten. Men zag hierin een vorm van (indirecte)
discriminatie.

Het onderscheid op minimumniveau tussen gehuwd en ongehuwd is overigens
niet nieuw. We kennen dit onderscheid in de AOW, de AAW en in de Bijstandswet.
Ook het in beschouwing nemen van neveninkomsten geen nieuwe vondst. In de AAW
bestaat al sinds 1979 een inkomenstoets voor gehuwden terwijl bij de
beoordeling van het recht op bijstand de middelentoets een belangrijke plaats
inneemt. Met de wet van 29 december 1982 werd ook in de loondervingsregelingen
aan het criterium van de relatieve behoeften op een in de praktijk uitvoerbare
wijze vorm gegeven, aldus de staatssecretaris. Met betrekking tot het
vraagstuk van de indirecte discriminatie, zo vervolgde de bewindsman zijn
antwoord, heeft de EG-commissie in een voortgangsverslag inzake de toepassing
van de derde EG-richtlijn de definitie van het begrip “indirecte
discriminatie” verder uitgewerkt.

De commissie gaat er blijkens het voortgangsverslag vanuit, dat van
indirecte discriminatie sprake is, wanneer een maatregel, die schijnbaar
neutraal is, in feite, gemeten naar de getalsverhoudingen, overwegend personen
van een sekse betreft. Het is aan degene, die de maatregel treft om te
bewijzen dat deze objectief gezien gerechtvaardigd is en op geen enkele wijze
de bedoeling inhield om te discrimineren. Belangrijk voor de beoordeling van
de beperking van de werkingssfeer van de minimumdagloongarantie is dat de
commissie vervolgens deze wijze van toetsing op indirecte discriminatie nader
uitwerkt. Het gaat daarbij om “verhoging uit hoofde van de echtgenoot en voor
ten laste komende personen”, zoals de EG-richtlijn deze materie betitelt. Naar
het oordeel van de commissie is bij dergelijke verhogingen ten behoeve van
degenen die de zorg dragen voor ten laste komende personen geen sprake van
indirecte discriminatie in het geval van sociale uitkeringen die een
minimuminkomen garanderen. Ongeacht de getalsverhoudingen is er dan volgens de
commissie sprake van objectief gerechtvaardigde gronden, die geen bedoeling
tot discriminatie inhouden. Zulke gronden zijn: de wens de meerdere uitgaven
van een huishouden mogelijk te maken in vergelijking met die van het individu.
De staatssecretaris zei van mening te zijn dat de hier weergegeven nadere
concretisering geen aanleiding behoeft te zijn voor een wijziging in de
opstelling van het kabinet, daar geen strijdigheid bestaat met de uitwerking
die de EG-commissie aan het begrip “indirecte discriminatie” heeft gegeven.

Gelet op deze toelichting en de daarin vermelde opvatting van de
EG-commissie inzake het begrip indirecte discriminatie bestaat er naar ‘s
raads oordeel geen voldoende grond voor de opvatting dat hier sprake is van
discriminatie als waarop de derde richtlijn ziet waarvoor geen objectieve en
redelijke grond is aangevoerd. De raad twijfelt er niet aan dat het gevolg van
de wet van 29 december 1982 is dat met name arbeidsongeschikte gehuwde vrouwen
in mindere mate dan arbeidsongeschikte mannen de bescherming van een
minimumdagloonbepaling zullen genieten. Die omstandigheid is echter in verband
met het vorenstaande onvoldoende om in dit geval te kunnen concluderen tot
strijd van de toegepaste wetgeving met de derde richtlijn.

Het tweede en derde punt behoeven nu niet nader te worden onderzocht.
Met betrekking tot het laatste punt wil de raad niettemin opmerken dat het Hof
van Justitie in zijn jurisprudentie directe werking van een richtlijn
onmiddelijk na publikatie ervan en nog voor het einde van de
aanpassingstermijn niet heeft aanvaard. (Zie ook Maresceau “De directe werking
van het Europese Gemeenschapsrecht”, bladzijde 149/150 en Van Buitenum,
Ebbens, Diepstraten en Westerveld in Sociaal Maandblad Arbeid 1983, bladzijde
516).

Dit blijkt bijvoorbeeld uit het arrest in de zaak 148/78, Ratti
Jurisprudentie 1979 bladzijde 1629. In dit arrest verklaarde het Hof onder
meer voor recht:

“Richtlijn nummer 77/728 van de Raad van 7 november 1977, en
inzonderheid artikel 9 hiervan, kan voor de particulier die voor afloop van de
termijn waarbinnen de Lid-Staat zich dient aan te passen, handelt in
overeenstemming met de bepalingen ervan, geen enkel gevolg hebben dat door de
nationale rechterlijke instanties in aanmerking kan worden genomen”.

Aan het arrest in de zaak 77/82 (Peskeloglou) kan de raad niet de
betekenis toekennen die klaagsters gemachtigde daaraan kennelijk toegekend
wenst te zien, aangezien het in dat arrest ging om de uitleg van een bepaling
van de toetredingsakte van Griekenland tot de Europese Gemeenschap en de
daarmee verband houdende aanpassing van verdragen en dus niet om de eventuele
(onmiddelijke) directe werking van een bepaling uit een richtlijn.

Al hetgeen namens klaagster voorts is betoogd heeft de raad niet tot een
andere conclusie kunnen brengen dan dat het ingestelde beroep ongegrond moet
worden verklaard.

De raad acht gezien het vorenoverwogene ook onvoldoende termen aanwezig
om over te gaan tot het vragen van een prejudiciele beslissing aan het
Europese Hof van Justitie zoals namens klaagster is gevraagd.

Beslissing.

De raad van beroep te Utrecht,

Recht doende,

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter, mevrouw H. Lugt en H.C. van Beekals leden, R.E. Volke als griffier.

Instantie: ONBEKEND, 30 november 1984

Instantie

ONBEKEND

Samenvatting


In een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid bij een
verzekeringsmaatschappij met artsen als doelgroep, zijn de gevolgen van
zwangerschap niet verzekerd. Voor en na de bevalling wordt geen ziektegeld
uitgekeerd

BESLISSING RECHTENVROUW: aanvraag toegewezen. Deze gebruikelijke
clausule is direct discriminerend voor vrouwen

AFLOOP: de vordering aan Movir heeft ziektegeld voor halve dagen
opgeleverd. Vrouw wil nu betaling hele dagen vorderen en de
verzekeringskamer vragen de verzekeringsmaatschappij aanwijzing te geven om de
regeling te veranderen

Zaak is niet doorgegaan wegens geringe kans van slagen. Er is wel een
brief aan de Tweede Kamer gestuurd om aandacht aan dit probleem te schenken

Jaarverslag 1985 no. 33

Volledige tekst

Rechters

ONBEKEND

Instantie: ONBEKEND, 30 november 1984

Instantie

ONBEKEND

Samenvatting


Een avondmedewerkster/kassamedewerkster werkte al 10 jaar als
afroepcontractante bij een schouwburg. De laatste 7 jaar in het bijzonder
bij een speciale zaal. Na moeilijkheden werd zij teruggeplaatst naar een
andere zaal. Daar verdient zij minder en het werk is minder prettig

BESLISSING RECHTENVROUW: de procedure gaat over de interpretatie van
een arbeidsovereenkomst op afroep, op basis waarvan veel vrouwen werken en dus
de dupe zijn

AFLOOP: in overleg met de betreffende wethouder werd van een procedure
afgezien. De vrouw ging (moest gaan) accoord met een contract waarin een
minimum aan werktijd werd gegarandeerd

Jaarverslag 1985 no. 3, 1986 no. 36, 1987 no. 10

Volledige tekst

Rechters

ONBEKEND